(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Biodiversity Heritage Library | Children's Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Van Goor's English-Dutch and Dutch-English dictionary"

UNIVERSITY 
OF FLORIDA 
LIBRARIES 




COLLEGE LIBRARY 



Digitized by the Internet Archive 

in 2011 with funding from 

LYRASIS IVIembers and Sloan Foundation 



http://www.archive.org/details/vangoorsenglishdOOunse 



VAN GOOR'S 



ENGLISH-DUTCH 



DUTCH-ENGLISH 
DICTIONARY 

BY 

F. PRICK VAN WELY 

ELEVENTH REVISED EDITION 



DAVID MCKAY COMPANY. INC. 
NEW YORK 



VOORBERICHT 

De tiende druk van Van Goof's Engels Zakwoordenboek is 
zorgvuldig herzien. Hij is overgebracht in de spelling 1955 
met dien verstande, dat in het Engels-Nederlandse deel in 
gevallen van dubbele spelling de „voorkeurspelling" is toe- 
gepast en in het Nederlands-Engelse deel de vertaling in het 
Engels is opgenomen achter het woord in de „voorkeur- 
spelling", terwijl de vormen in ,,niet-voorkeurspelling" in de 
gewone alfabetische volgorde zijn geplaatst en verwijzen naar 
de vormen in „voorkeurspelling" (b.v. copie, zie kopie). 
Alleen als ze onmiddellijk op elkaar volgen (b.v. certificaat 
en certifikaat), zijn zij in een artikel opgenomen. Bij gelijk- 
waardige spelling wordt bij een der vormen de vertaling op- 
genomen en bij de andere met het gelijkteken daarnaar ver- 
wezen (b.v. aambeeld := aanbeeld). 

Het Nederlandse geslacht wordt in het Engels-Nederlandse 
deel alleen bij de onzijdige woorden aangegeven, in het 
Nederlands-Engelse deel bij alle, met weglating van de aan- 
duiding v(m) van de ^Woordenlijst", die in een woorden- 
boek voor een vreemde taal niet op haar plaats is. Staan 
er twee geslachtsaanduidingen, dan laten de nieuwste voor- 
schriften vrijheid in het gebruik van het geslacht; hier 
worden de beide mogelijke geslachten door het teken & ver- 
bonden (antraciet, m & o). 

Is er tussen de vormen met verschillend geslacht betekenis- 
verschil, dan zijn beide vormen, indien zij in een artikel 

voorkomen, van geslacht voorzien (football voetbal o 

[spel], voetbal ;« [voorwerpsnaam] ). 

Nijmegen, augustus 1956 F. Prick van W'ely 



In de elfde druk zijn slechts enige noodzakelijke verbeterin- 
gen aangebracht. 



Zomer 1959 F. Prick van Wely 



prin 




VERKLARING DER AFKORTINGEN 

aj = bijvoeglijk naamwoord, adjective. 

jig ^=- figuurlijk, figuratively. 

m = mannelijk, masculine. 

mv = meervoud, plural. 

o = onzijdig, neuter. 

V = vrouwelijk, feminine. 

vi = onovergankelijk werkwoord, intransitive verb. 

vt = overgankelijk vi'erkwoord, transitive verb. 

V.D. = verleden deelv/oord. 

V.T. = verleden tijd. 



VERKLARING DER FONETISCHE TEKEXS 

r ongeveer als de aa van het Nederlands vaar. 

ae' tussen de a van het Nederl. man en de e van het Nederl. met. 

belt meer naar de korte a over dan de o in het Duits Gotter. 

a; ongeveer als de eu van het Frans peur + de toonloze 3. 

e zweemt enigszins naar de i in min. 

83 ongeveer als de e in het Frans pere, doch met grotere kaakopening. 

i ongeveer als de i in het Duits Bine, 

i: als ie in het Nederl. tien, maar iets langer aangehouden. 

ou ongeveer als de Nederl. letterverbinding oooe. 

ongeveer als de o in het Nederl. pot. 

d: ongeveer als oa in het Overijsels loaten. 

u ongeveer als de kort aangehouden oe in het Nederl. voet. 

ongeveer als de oe in het Nederl. meed, maar langer aangehouden. 

3 ongeveer als de e in het Nederl. de. 

ai ongeveer als de e! in het Duits Bein. 

au ongeveer als de verkorte a van het Nederl. baker, gevolgd door een 
vluchtige of-klank. 

ei ongeveer als de Nederl. letterverbinding eei. 

3i hierin is de o een verkorte d;. 

g als g in het Frans guerre. 

j als 7 in het Nederl. jaar. 

r) als ng in het Nederl. zing. 

3 ' als ^ in het Frans courage. 

; als ch in het Frans Charlotte. 

g als tb in het Engels this. 

e als th in het Engels thin. 

w als w in het Engels well. 

X als ch in het Nederl. lach. 

Het teken ' v66r een lettergreep duidt aan, dat deze de klemtoon krijg, 

als in father ['farSa]. 



a [ei] (de letter) a. 

a [ei; a] een. 

aback [s'bask] terug, achteruit; be 

taken — , verbluft staan. 
abandon [a'bsendn] aan zijn lot over- 

laten, prijsgeven, verlaten, opgeven; 

■ — ■ oneself to, zich overgeven aan. 
abase [s'beis] vernederen, verlagen. 
abash [a'basj] beschamen. 
abate [a'beit] afslaan; verlagen, ver- 

minderen. 
abbess ['jebis] abdis. 
abbey ['abi] abdij. 
abbot ['sebst] abt. 

abbreviate [s'briivieit] af-, verkorten. 
abbreviation [abriivi'eijsn] af-, ver- 

korting. 
abdicate ['eebdikeit] afstand doen 

(van). 
abdication [sebdi'keijan] (troons)af- 

stand. 
abduct [sb'dAkt] ontvoeren. 
abduction [ab'dAkJsn] ontvoering. 
abductor [sb'dAkta] ontvoerder. 
abed [s'bed] te bed. 
abet [a'bet] aanzetten, ophitsen; de 

hand reiken. 
abhor [ab'hD:] verafschuwen. 
abhorrence [ab'hDisns] afschuw. 
abide [s'baid] (ver)toeven; volharden; 

— by, zich houden aan [een con- 
tract, enz.]. 
ability [s'biliti] bekwaamheid; ver- 

mogen a. 
abject ['aebdsekt] laag, verachtelijk. 
abjure [sb'dsus] afzweren. 
ablaze [s'bleiz] in lichte(r) laai(e); 

gloeiend. 
able C'eibl] bekwaam, bevoegd; be ■ — ■, 

kunnen. 
able-bodied ['eibl'bDdid] sterk en ge- 



zond, volwaardig, valide, weerbaar; 

vol [matroos]. 
ably ['eibli] bekwaam, knap, handig. 
abnormal [sb'nDrmal] abnormaal. 
aboard [s'boid] aan boord. 
abode [a'boud] woning, verbhjfplaats; 

V.T. & V.D. v. abide. 
abolish [a'bslij] afschaffen, opheffen, 

vernietigen. 
abolishment, abolition [a'bDliJmant, 

sebs'lijan] afschaffing, opheffing, 

vernietiging. 
abominable [a'bominabl] afschuwe- 

lijk, verfoeiiijk. 
abomination [sbDmi'neiJan] gruwel. 
aborigines [aeba'ridsiniiz] eerste be- 

woners. 
abound [a'baund] in overvloed zijn, 

overal. 
above [s'bAv] boven; te boven gaand; 

meer dan; bovengenoemd; boven- 

staand; ■— all, boven alles, bovenal, 

vooral, in de eerste plaats. 
above-board [s'bAv'bDid] eerlijk. 
above-mentioned [a'bAv'menJsnd] bo- 

vengemeld, bovengenoemd. 
abreast [a'brest] naast elkander; — 

oj the times, op de hoogte van de 

tijd. 
abridge [3'brid3] verkorten. 
abridgement [a'bridsmant] verkor- 

ting. 
abroad [s'brDid] buiten; van huis, 

buitenslands; ruchtbaar, in omloop; 

jrom — ', uit het buitenland. 

overvloeien (van, in, ivith) . 
about [s'baut] om...(heen), rondom: 

omstreeks; ongeveer; betreffende, 

over; / have no money — 7ne, ik 

heb geen geld bij mij; be — to..., 

op het punt staan om...; all — ^, 



Eng. Zakwrdbk. 11 



abrogate 

abrogate ['sebrageit] afschaffen, op- 

heffen. 
abrupt [s'brApt] afgebroken, steil; 

bruiisk; plotseling. 
abscess ['aebsis] abces o, gezwel o. 
abscond [ab'skDnd] zich verbergen; 

zich uit de voeten maken. 
absence ['iebsans] afwezigheid. 
absent ['cebsant] afwezig. 
absent-minded ['aebsant'maindid] ver- 

strooid, afgetrokken. 
absolute ['sebsaluit] absoluut, vol- 

strekt; onbeperkt; volkomen. 
absolution [aebss'luijsn] absolutie, 

vergiffenis. 
absolve [ab'zolv] vrijspreken; de abso- 
lutie geven; ontslaan [van belofte]. 
absorb [ab'sD.b] op-, inzuigen, opne- 

men; jig in beslag nemen; — ed 

by {in, with), geheel opgaand in. 
absorption [3b's3:pj'3n] op-, inzuigen 

o, opnemen o\ opgaan o [in]. 
abstain [sb'stein] zich onthouden. 
abstainer [sb'steina] total — , geheel- 

onthouder. 
abstemious [ab'stiimiss] zich onthou- 

dend, matig. 
abstention [ab'stenjan] onthouding. 
abstinence ['sbstinsns] onthouding; 

total — , geheelonthouding. 
abstract ['asbstrtekt] uittreksel o; aj 

abstract, afgetrokken. 
abstracted [sbs'trasktid] afgetrokken. 
abstraction [abs'trskjan] abstractie, 

afgetrokken denkbeeld o. 
absurd [ab'said] ongerijmd, dwaas. 
absurdity [ab'saiditi] ongerijmdheid, 

dwaasheid. 
abundance [s'bAndans] overvloed. 
abundant [a'bAndant] overvloedig. 
abuse [s'bjuis] misbruik o\ beledi- 

ging; scheldwoorden; [3'bju:z] vt 

misbruiken; beledigen; uitschelden, 

schelden op. 
abusive [a'bjuisiv] verkeerd; grof; '~ 

language, beledigende taal, scheld- 
woorden. 
abut [o'bAt] grenzen (aan, on). 
abyss [a'bis] afgrond. 



' accompaniment 

acacia [s'keija] acacia. [misch. 

academic(al) [aeka'demikd)] acade- 
academy [a'ksedami] academie, hoge- 

school. 
accede [ak'sird] toetreden (tot, to)\ 

[troon] bestijgen; toestemmen. 
accelerate [ak'sebreit] bespoedigen, 

versnellen; optrekken [v. auto]. 
acceleration [akseb'reijan] bespoedi- 

ging, versnelling; acceleratie. 
accelerator (pedal) [ak'sebreita- 

(pedl)] gaspedaal o & m. 
accent ['aeksant] accent o, nadruk, 

klem(toon); jig toon. 
accentuate [sk'sentjueit] de klemtoon 

of nadruk leggen op. 
accept [ak'sept] aannemen. 
acceptable [sk'septabl] aannemelijk, 

aanvaardbaar. 
acceptance [ak'septans] aanneming; 

ontvangst; accept o [v. wissel]. 
acceptation [aeksep'teijan] aanneming; 

(aangenomen) betekenis. 
acceptor [ak'septa] acceptant [v. 

wissel]. 
access ['skses] toegang; aanval [v. 

ziekte] ; jig vlaag. 
accessible [ak'sesibi] toegankelijk, ge- 

naakbaar; ontvankelijk (voor, to). 
accessory [ak'sesari] bijzaak; mede- 

plichtige; accessories, onderdelen; 

toebehoren o\ bijwerk <?; aj bijkom- 

stig, bij-; medeplichtig. 
accident ['aeksidsnt] toeval o, ongeval 

o, ongeluk o, 
accidental [aeksi'dental] toevallig; bij- 

komend, bij-. 
acclaim [s'kleim] toejuichen. 
acclamation [aekb'meijan] bijval. 
accommodate [a'kamadeit] aanpassen; 

schikken, voegen; bijleggen; onder- 

brengen, herbergen. 
accommodating [a'komadeitig] (in)- 

schikkelijk, tegemoetkomend. 
accommodation [skoma'deijan] aan- 

passing; schikking; plaatsruimte, 

onderdak o, logics o, herberging. 
accompaniment [a'kAmpanimant] be- 

geleiding. 



accompany 

accompany [s'lcAinpani] begeleiden; 
fig vergezellen. 

accomplice [a'kDmplis] medeplichtige. 

accomplish [a'kDmpliJ] volbrengen; 
volvoeren, vervullen. 

accomplished [s'lomplijt] beschaafd; 
volmaakt; voldongen [feit]. 

accomplishment [a'kDmpIiJmant] ver- 
vulling; voltooiing; volmaaktheid; 
talent o. 

accord [s'koid] overeenstemming, 
overeenkomst; of one's own — , uit 
eigen beweging, vanzelf; with one 
— , eenstemmig; vi overeenstemmen; 
vt toestaan, verlenen. 

accordance [s'kDidans] overeenstem- 
ming. 

according [a'kDidirj] overeenstem- 
mend; '^ to, naar gelang dat..., al 
naar; volgens. 

accordingly [a'kDidigli] dienovereen- 
komstig, dus. 

accordion [3'kD:di3n] harmonika. 

account [s'kaunt] (af)rekening; reken- 
schap, verklaring; verslag o\ call 
to — , ter veranttt'oording roepen; 
take into — , rekening houden met; 
turn to — , partij trekken van, zich 
ten nutte maken; of no ■ — ■, van 
geen belang; o « — of, vanwege, 
v/egens; on his own ■ — •, op eigen 
verantwoording; on no — , not on 
any ■ — ', in geen geval; vi ^-^ for, 
rekenschap geven van, verklaren; 
voor zijn rekening nemen; uitma- 
ken, vormen [een bedrag]. 

accountable [a'kauntsbl] verantwoor- 
delijk. 

accountant [s'kauntsnt] boekhouder; 
accountant. 

accrue [a'kru:] aangroeien. 

accumulate [3'kju:mjuleit] (zich) op- 
hopen. 

accumulation [akjuimju'leijsn] opho- 
ping. 

accumulator [a'kjuimjuleita] accumu- 
lator. 

accuracy ['£ekjur3si] nauwkeurigheid, 
nauwgezetheid, stiptheid. 



I acquittal 

accurate ['aekjurit] nauwkeurig, nauw- 

gezet, stipt. 
accursed, accurst [s'ksisid, a'kaist] 

vervloekt, gevloekt. 
accusation [skju'zeijan] beschuldi- 

ging, aanklacht. 
accusative [s'kjuizativ] accusatief, 

vierde naamval. 
accusatory [a'kjuizatsri] beschuldi- 

gend. 
accuse [a'kjuiz] beschuldigen, aankla- 

gen. 
accustom [a'kAstsm] gewennen. 
accustomed [a'kAStsmd] gewoon, ge- 

wend. 
ace [eis] aas m of o. 
acetylene [s'setiliin] acetyleen o. 
ache [eik] pijn; vi zeer doen; pijn 

lijden. 
achieve [s'tjiiv] volbrengen, preste- 

ren; bereiken, behalen. 
achievement [a'tfi.vmant] prestatie; 

daad; wapenfeit o; succes o. 
acid ['assid] zuur o\ af zuur. 
acidity [s'siditi] zuurheid. 
acknowledge [s'knjlids] erkennen; be- 

kennen; berichten [ontvangst]. 
acknowledg(e)ment [s'knDlidsmsnt] 

bekentenis, erkenning, dank; bericht 

o van ontvangst. 
acme ['askmi] toppunt o\ glanspunt o. 
acorn ['eikD:n] eikel. 
acquaint [s'kweint] bekendmaken 

(met, with); — oneself with, zich 

op de hoogte stellen van. 
acquaintance [s'kweintans] bekend- 

heid; kennismaking; bekende, ken- 

nis(sen); make his -~, kennis met 

hem maken. 
acquiesce [sekwi'es] berusten; instem- 

men (met, in). 
acquiescence [sekwi'esans] berusting, 

instemming, toestemming. 
acquire [a'k-vvaia] (ver)krijgen. 
acquisition [jekwi'zijan] aanwinst. 
acquit [s'kwit] ontslaan, vrijspreken; 

— oneself of, zich kwijten van. 
acquittal [s'kwitsi] vrijspraak; ont- 

heffing. 



acquittance 

acquittance [s'kwitans] kwijting, vol- 
doening; kwitantie. 

acrid ['skrid] scherp, wrang. 

acrimonious [Ekri'mounjss] scherp, 
bits. 

acrobat ['aekrabaet] acrobaat. 

acrobatic [skrs'bsetik] acrobatisch. 

across [a'krDs] (over)dwars, gekruist, 
aan de overkant, naar de overkant, 
erover; (dwars) door, over, aan de 
overkant van. 

act [£Ekt] daad, handeling; bedrijt o; 
wet; akte; taken in the {very) '-', 
op heter daad betrapt; be in the ~ 
of, op het punt zijn om...; aan 
bet... zijn; vi handelen, te werk 
gaan; (in)'werken; acteren; ~/«g, 
ook: 'waarnemend; vt opvoeren, spe- 

action ['sekjan] actie, handeling, daad, 
bedrijf o, werking; proces o\ take 
— , jig iets doen. 

active ['a;ktiv] werkend, werkzaam, 
actief, bedrijvig. 

activity [sek'tiviti] werkzaamheid, ac- 
tiviteit, bedrijvigheid. 

actor ['ajkt9] toneeispeler, acteur. 

actress ['sktris] toneelspeelster, ac- 
trice. 

actual ['asktju3l] werkehjk; feitehjk. 

actuality [sktju'asliti] werkelijkheid; 
actueel zijn o. 

actually ['sektjuali] werkelijk, in wer- 
kelijkheid; metterdaad; waarachtig, 
zowaar; voor (op) het ogenblik. 

acute [s'kju-.t] scherp(zinnig); acuut; 
hevig, intens; nijpend. 

adage t'asdids] spreek-woord o. 

adapt [3'daspt] geschikt maken, aan-, 
toepassen; bewerken [roman]. 

adaptability [adaepts'biliti] aanpas- 

singsvermogen o. 
adaptation [asdasp'teijan] aan-, toe- 
passing; bewerking [v. roman]. 
add [sd] bij-, toevoegen; optellen; ~ 
to, bijdragen tot, vermeerderen; ver- 
hogen, vergroten. 
adder ['aeds] adder. 
addict [a'dikt] wijden; ~ed to liquor, 



administrator 

aan de drank (verslaafd). 
addition [a'dijsn] bij-, toevoeging, 
toegift; optelling; bijvoegsel o\ in 
'— , bovendien; in ~ to, behalve, bij. 
additional [a'dijsnsl] bijgevoegd; 

extra-, nog..., ...meer. 
address [a'dres] adres o; oorkonde; 
toespraak; handigheid; vt adresse- 
ren, aanspreken, toespreken; zich 
wenden, richten. 
addressee [sedre'si:] geadresseerde. 
adequate ['sdikwit] geevenredigd; ge- 
past, geschikt, doelmatig; voldoende. 
adhere [sd'hia] (aan)kleven: aanhan- 

gen; blijven bij, zich houden aan. 
adherence [ad'hisrsns] verkleefd- 

heid. 
adherent [ad'hiarant] aanhanger. 
adhesion [3d'hi:33n] adhesie. 
adieu [a'dju:] vaarwel o, afscheid o. 
adjacent [a'dseisant] aangrenzend, be- 

lendend. 
adjective ['aedsektiv] bijvoeglijk naam- 

woord o. 
adjoin [a'd^oin] grenzen aan; the ~- 

ine, list, nevenstaande lijst. 
adjourn [a'dsam] uitstellen; verdagen. 
adjournment [a'dsainmsnt] uitstel o; 

verdaging. 
adjudge [a'dsAds] toewijzen. 
adjudicate [a'dsuidikeit] uitspraak 
doen (over, upon); ~ bankrupt, 
failliet verklaren. 
adjunct ['asdsArjkt] bijvoegsel o, aan- 
hangsel o; toegevoegde o; assistent; 
aj toegevoegd. 
adjure [a'dsua] bezweren. 
adjust [a'djASt] vereffenen, in orde 
brengen, regelen, stellen; aanpassen. 
adjustment [a'djAStmant] vereffening, 

regeling; aanpassing. 

adjutant ['ffidsutant] adjudant. 

administer [ad'minista] besturen, be- 

heren; toepassen [wetten]; toedie- 

nen; '— justice, rechtspreken. 

administration [adminis'treijan] be- 

stuur 0, beheer o; regering; toedie- 

ning; toepassing. 

administrator [ad'ministreita] be- 



admirable 

stuurder, beheerder. 
admirable ['asdmirabl] bewonderens- 

waardig; prachtig, uitstekend, voor- 

treffelijk. 
admiral ['asdmirsl] admiraal. 
admiralty ['sedmiralti] admiraliteit. 
admiration [a;dmi'reij3n] bewonde- 

ring. 
admire [ad'mais] bewonderen. 
admirer [3d'mai3r3] bewonderaar. 
admissible [sd'misibl] toelaatbaar, 

geoorloofd; aannemelijk. 
admission [ad'mijsn] toelating, aan- 

neming, opneming; toegang(sprijs), 

entree; erkenning. 
admit [ad'mit] toelaten; aannemen, 

opnemen; erkennen, toegeven. 
admittance [ad'mitsns] toegang; toe- 
lating. 
admonish [ad'msnij] vermanen. 
admonition [sedma'nijsn] vermaning. 
admonitory [ad'mDoitari] vermanend. 
ado [s'du:] drukte, ophef, moeite; 

much — abotit nothing, veel druk- 
te cm niets. 
adolescence [aeda'lessns] jongeling- 

schap, rijpere jeugd. 
adolescent [ieda'lesant] opgroeiend. 
adopt [a'dapt] aannemen; ontlenen 

(aan, from). 
adoption [s'dDpJsn] aanneming; ont- 

lening [van een woord]. 
adoptive [3'dDptiv] aangenomen 

[kind]. 
adorable [a'doirabl] aanbiddellijk. 
adoration [asda'reijsn] aanbidding. 
adore [a'do:] aanbidden. 
adorn [a'dDtn] versieren, tooien. 
adornment [a'dDinmsnt] versiering, 

tooi. 
Adriatic [ei-, asdri'aetik] the ~' 

{Sea), de Adriatische Zee. 
adrift [a'drift] drijvend; break — , op 

drift raken. 
adroit [a'drDit] behendig, handig. 
adulation [cedju'leijan] vleierij. 
adulator ['jedjuleita] vleier. 
adult [a'dAlt] volwassene. 
adulterate [a'dAltsreit] vervalsen. 



advocate 

adulteration [sdAlta'reiJsn] verval- 
sing. 

advance [sd'vains] vordering, voor- 
uitgang, voortgang, opmars; voor- 
schot o; bevordering; stijging; ver- 
hoging; in -~^, bij voorbaat, voor- 
uit; vt vooruitbrengen; (voor)uit- 
steken, vooruitzetten; verhaasten; be- 
vorderen; verhogen [prijs]; oppe- 
ren, naar voren brengen; voorschie- 
ten [geld] ; vi vooruitkomen, vor- 
deren; oprukken; stijgen [prijs]. 

advancement [sdVainsmant] (be)vor- 
dering; voorschot o. 

advantage [3d'va:ntid3] voordeel o\ 
to — •, gunstig, voordelig; vt bevoor- 
delen. 

advantageous [Kdv3n'teid33s] voor- 
delig. 

advent ['sedvant] komst, nadering; 
advent. 

adventure [ad'ventja] avontuur o. 

adventurer [sd'ventjsrs] avonturier. 

adventurous [ad'ventjsras] gewaagd, 
vermetel; avontuurlijk. 

adverb ['aedv3:b] bijwoord o. 

adversary ['2edv3S3ri] tegenstander. 

adverse ['asdvsis] vijandig; ongunstig; 
• — • wind, tegenwind. 

adversity [sd'vsisiti] tegenspoed. 

advertise ['asdvataiz] aankondigen, 
adverteren; reclame maken voor. 

advertisement [sd'vsitismant] adver- 
tentie; reclame, 

advice [ad'vais] raad; advies o\ be- 
richt o. 

advisable [sd'vaizsbl] raadzaam. 

advise [ad'vaiz] (aan)raden; advise- 
ren; berichten; — d, (wel)beraden; 
he will be well ^~^d to..., hij zal 
er goed aan doen... 

advisedly [ad'vaizidii] welberaden; 
met opzet. 

adviser [sd'vaiza] raadsman, adviseur. 

advisory [sd'vaizsri] raadgevend, ad- 
viserend, advies-. 

advocate ['asdvakit] verdediger; voor- 
stander; ['asdvskeit] vt bepleiten, 
verdedigen, voorstaan. 



aerial 

aerial ['earisl] antenne; aj lucht-. 
aerodrome ['earsdroum] vliegveld o. 
aero-engine ['83r3end3in] vliegtuig- 

motor. 
aeronautics [esrs'noitiks] luchtvaart. 
aeroplane ['earsplein] vliegtuig o. 
afar [s'fa:] ver, in de verte. 
affability [sefs'biliti] vriendelijkheid, 

minzaamheid. 
affable ['aefsbl] vriendelijk, minzaam. 
affair [s'fea] zaak, aangelegenheid; 

gevecht o. 
affect [a'fekt] werken op, aandoen; 

aantasten, taken, (be)treffen; bewe- 

gen; voorwenden. 
affectation [sfek'teijan] gemaaktheid. 
affected [s'fektid] aangedaan; gezind; 

gemaakt; geveinsd. 
affection [s'fekjan] aandoening; 

(toe)genegenheid, liefde. 
affectionate [a'fekjanit] liefhebbend. 
affiliate [s'filieit] (zich) aansluiten. 
affiliation [sfili'eijsn] aansluiting; 

jig band. 
affinity [a'finiti] verwantschap. 
affirm [s'fsim] bevestigen, verzekeren. 
affirmation [asfs'meij'sn] bevestiging, 

verzekering. 
affirmative [a'faimativ] bevestigend. 
affix ['aefiks] aanhangsel o\ voor-, 

achtervoegsel o\ [a'fiks] vl (vast)- 

hechten (aan, on, to), toevoegen; 

verbinden [salaris]. 
afflict [a'flikt] bedroeven, kwellen; 

teisteren. 
affliction [s'flikjsn] droefheid, kwel- 

ling; ramp. 
affluence ['asfluans] toevloed, over- 

vloed. 
afford [3'fD;d] verschaffen; zich ver- 

oorloven; I cannot — /'/, ik kan 

het niet betalen. 
affray [a'frei] vechtpartij. 
affront [a'frAct] belediging; vt bele- 

digen; trotseren. 
afield [s'fiild] op het veld; jar '~, 

ver van huis; ver mis. 
aflame [a'fleim] in vlam, vlammend; 

jig gloeiend. 



aggravate 

afloat [a'flout] vlot, drijvend; op zee; 

in ornloop [geruchten]. 
afoot [3'fut] te voet; aan de gang, 

aan de hand. 
afore [a'fo:] voor. 
aforesaid [s'fsised] voornoemd. 
afraid [s'freid] bang, bevreesd. 
afresh [s'frej] opnieuw, wederom. 
Africa ['sefrika] Afrika o. 
African ['jefriksn] Afrikaan(s). 
after ['aifta] achter; daarna; naar, vol- 

gens; na; later; nadat; ~' all, toch 

(nog); be '—..., iets in de zin heb- 

ben; op iets uit zijn. 
after-care ['a: f takes] nazorg. 
afternoon [a;ft3'nu:n, 'a:ft3'nu:n] 

(na)middag. 
after-pains ['arftspeinz] naweeen. 
afterward(s) ['a:ft3w3d(z)] nader- 

hand, later. 
again [a'gein, s'gen] weer, opnieuw, 

nog eens; — and ■ — ■, telkens en tel- 

kens (weer). 
against [a'geinst, s'genst] tegenover, 

tegen. 
agape [a'geip] met open mend. 
agate E'segit] agaat o [stofnaam], 

agaat m [voorwerpsnaam] ; aj aga- 

ten. 
age [eid3] eeuw; leeftijd; (old) — , 

ouderdom, oude dag; I have not 

seen you jar — s, ik heb je in geen 

tijd gezien; oj ■ — •, meerderjarig; 

under —-', minderjarig; vi ver- 

ouderen; vt oud maken. 
aged E'eidsid] oud, bejaard; — 

[eidsd] six, zes jaar oud. 
agency ['eid33nsi] werking; agent- 

schap o, vertegenwoordiging; in- 

stantie, organisatie, bureau o; be- 

middeling; middel o. 
agenda [s'dsenda] agenda. 
agent ['eidssnt] agent. 
agglomeration [sgbma'reijan] opeen- 

hoping. 
aggrandize ['aegrandaiz] vergroten. 
aggrandizement [s'grsendizmant] ver- 

groting. 
aggravate ['aegraveit] verzwaren; ver- 



aggregate 

ergeren; verbitteren. 

aggregate ['asgrigit] geheel o; in the 
— , globaal. 

aggression [s'grejan] aanval. 

aggressive [a'gresiv] aanvallend; 
vecht-, strijdlustig. 

aggressor [a'gresa] aanvaller. 

aggrieve [s'griiv] bedroeven; benade- 

aghast [a'gaist] ontzet; paf. [len. 

agile ['adsail] rap, vlug. 

agility [a'dsiliti] rapheid, vlugheid. 

agitate ['sdsiteit] bewegen, schudden; 
opwinden; ageren (voor, jor). 

agitation [asdsi'teijsn] beroering. 

agitator ['jedsiteita] stokebrand. 

ago [s'gou] geleden. 

agonize ['segsnaiz] met de dood wor- 
stelen; folteren, kwellen. 

agony ['sgani] (deeds) strijd; ziels- 
angst. 

agree [a'gri:] overeenkemen; akkoord 
gaan (met, /o); het eens worden of 
zijn; ^^dl, akkeord!; beer does not 
— with me, bier bekomt me slecht. 

agreeable [a'griabl] aangenaam; /'/ 
you are '--', als u het goed vindt. 

agreement [a'griimant] evereenkomst; 
verdrag o, akkoord o, afspraak. 

agricultural [aegri'kAltJaral] land- 
bouw-. 

agriculture ['asgrikAltJs] landbouw. 

aground [a'graund] aan de grond. 

ague E'eigju:] (koerts) rilling. 

ahead [a'hed] voor(uit), vooraan. 

aid [eid] hulp; in — oj, ten bate 
van; vt helpen, bijstaan. 

ail [eil] schelen. 

ailing ['eilirj] ziekelijk, sukkelend. 

aim [eim] oogmerk o, doel(wit) o\ 
take — , aanleggen, mikken; vi mik- 
ken; — at, mikken ep; jig doelen 
ep; streven naar; beegen; vt richten 
(ep, tegen, at). 

aimless ['eimlis] doelloos. 

air [Ea] lucht; windje o; melodie; 
air o\ by ~', per vliegtuig; ojf the 
■— , uit de ether [v. zender]; on the 
— , veer de radio, voor de micre- 
foon, in de ether; over the ■ — ■, ever 



alacrity 

de radio, door de ether; vt luchten. 
airborne ['esbo.n] door de lucht ver- 

voerd of aangevoerd; opgestegen; 

luchtlandings-; — landing, lucht- 

landing. 
air conditioning ['esksn'dijanir)] 

kunstmatige luchtverversing en -ont- 

smetting. 
aircraft ['eakraift] vliegtuig o, vlieg- 

tuigen; — carrier, vliegdekschip o. 
aircraft (s) man ['83kra:ft(s)m3n] 

vliegtuigmaker. 
air crew ['eskru:] vliegtuigbeman- 

ning. 
airfield ['eafiild] vliegveld o. 
air force ['83fD:s] luchtmacht. 
air-gunner ['sagAna] boordschutter. 
air hostess ['Sahoustis] stewardess, 
airily ['Earili] luchtig. 
airing ['eariij] luchten o; take an — , 

een luchtje scheppen. 
air lift ['ealift] luchtbrug. 
air line ['ealain] luchtlijn. 
air liner ['ealaina] verkeersvliegtuig, 

lijnvliegtuig o. 
air mail ['eameil] luchtpost. 
airman ['Saman] vlieger. 
airplane ['eaplein] vliegtuig o. 
airport ['8apD:t] luchthaven. 
airpump ['eapAmp] luchtpomp. 
air raid L'eareid] luchtaanval; — - 

precautions, luchtbescherming; --^ 

shelter, schuilkelder; • — ' warden, 

blokhoofd o; — warning, lucht- 

alarm o. 
airscrew ['saskru:] schroef. 
airship ['Eajip] luchtschip o. 
air-tight ['eatait] luchtdicht. 
airway E'eawei] luchtlijn. 
airwoman ['eawuman] vliegster. 
airy ['eari] luchtig; ■^ castles, lucht- 

kastelen. 
aisle [ail] zijbeuk; pad o. 
ajar [a'dsa:] op een kier. 
akimbo [a'kimbou] in de zij(de). 
akin [a'kin] verwant. 
alabaster ['ielabaista] albast o. 
alacrity [a'lsekriti] wakkerheid; gre- 

tigheid. 



alarm I 

alarm [s'laim] alarm (sein) o\ onrust, 
angst; wekker; take the ~', lont rui- 
ken; vt alarmeren, verontrusten, ont- 
stellen. 

alas [a'lais] helaas! 

albatross ['aelbstos] albatros. 

Albion ['selbian] Albion o\ Engeland 
o. 

album ['xlbam] album o. 

albumen [£Erbju:men] eiwit o. 

alcohol ['a-lksh^l] alcohol. 

alcoholic [slka'hDlik] alcoholisch. 

alcove ['aslkouv] alkoof. 

alder ['oJds] els, elzeboom. 

alderman ['Dildsmsn] wethouder, 
schepen. 

ale [eil] aal o, bier o. 

alert [a'lait] waakzaam, vlug; — , 
alarm o; on the ^-^, op zijn hoede. 

alga ['aslg3, meerv. algae 'asldsi:] 
zeewier o. 

algebra ['£eld3ibr3] algebra. 

algebraic [sldsi'breiik] algebrai'sch. 

alibi ['aelibai] alibi o. 

alien ['eiljan] vreemdeling; aj vreemd; 
buitenlands. 

alienate ['eiljsneit] vervreemden. 

alienation [eilja'aeijan] vervreemding; 
{mental) ■ — •, krankzinnigheid. 

alight [s'lait] aangestoken, aan 
[lamp]; in brand; verlicht; vi uit- 
stappen, afstijgen; neerstrijken. 

align [s'lain] opstellen; richten; aan- 
passen; • — ■ oneselj with, zich aan- 
sluiten bij. 

alike [s'laik] gelijk, eender; evenzeer. 

alive [a'laiv] in leven, levend(ig); — 
to, zich bewust van. 

all [d:1] (ge)heel, gans; alle(n), alles, 
al; helemaal; -~ hut, nagenoeg, 20 
goed als; alien op... na; '~ oj us, 
wij alien; — the better, des te be- 
ter; at — , in enig opzicht; in het 
minst; toch; not at ~, in het ge- 
heel niet, volstrekt niet. 

allay [s'lei] (doen) bedaren; verlich- 
ten, matigen, verminderen. 

allegation [aeli'geijan] bewering. 

allege [a'leds] aanvoeren; beweren. 



along 



allegiance [s'liidsans] trouw; band. 
allegory ['jeligari] allegoric. 
alleluiah [seli'luijs] (h)alleluja (o). 
alleviate [a'liivieit] verlichten, ver- 

zachten, lenigen. 
alleviation [sliivi'eijan] verlichting, 

verzachting, leniging. 
alley ['aeli] steeg, laan; (kegel)baan; 

(door)gang; blind — , slop o. 
alliance [a'laians] verbond o. 
allied [a'laid] geallieerd, verbonden; 

verwant. 
alligator ['aligeita] kaaiman. 
allocate ['aelakeit] toewijzen. 
allocation [seb'keijan] toewijzing. 
allot [a'bt] toe(be)delen, toewijzen. 
allotment [s'btmsnt] toewijzing; aan- 

deel o\ lot o; perceel o\ volkstuin- 

tje o. 
allow [s'lau] toestaan, veroorloven; 

(toe)geven; bewilligen; erkennen. 
allowance [s'lauans] toelating, ver- 

gunning; toelage; rabat 0, korting. 
alloy [s'bi] allooi o\ legering; vt 

legeren. 
all-round ['Dil'raund] van alle mark- 
ten thuis, veelzijdig; — price, prijs 

alles inbegrepen. 
All Saints' (Day) ['Dil'seintsCdei)] 

Allerheiligen. 
All Souls' (Day) ['3:l'soulz(dei)] Al- 

lerzielen. 
allude [3'l(j)u:d] zinspelen (op, to). 
allure [s'ljus] (aan-, ver)lokken. 
allurement [a'ljusmant] aan-, verlok- 

king. 
alluring [s'ljuarirj] aanlokkelijk. 
allusion [3'1( j,)u:33n] zinspeling. 
alluvium [3'l(j)u:vi3m] alluvium o. 
ally [a'lai] bondgenoot; vt verbinden; 

vi zich verbinden. 
almanac ['Dilmsnsk] almanak. 
almighty [Dil'maiti] almachtig. 
almond ['aimsnd] amandel. 
almost ['3;lmoust, -mast] bijna. 
alms [a:mz] aalmoes, aalmoezen. 
aloft [s'bft] boven, omhoog. 
alone [a'loun] alleen. 
along [a'br)] langs...; over, op. 



alongside ' 

door; voort, door; mee. 
alongside [s'bg'said] langszij; — 

(of), langs; naast. 
aloof [3'lu:f] op een afstand, ver. 
aloofness [s'luifnis] afzijdigheid, ge- 

reserveerdheid. 
aloud [a'laud] (over)luid, hardop. 
Alps [selps] ihe — , de Alpen. 
alphabet ['aslfsbit] alfabet o. 
alphabetic(al) [£elf3'betik(I)] alfa- 

betisch. 
Alpine ['slpain] alpen-. 
already [Dil'redi] al, reeds. 
Alsace ['sIsks] de Elzas. 
Alsatian [sel'seijan] Elzasser; Duitse 

herdershond. 
also ['d:1sou] ook, eveneens. 
alt [sit] alt. 

altar ['Dilta] altaar o & m. 
alter ['D:lt3] veranderen, wijzigen. 
alteration [silta'reijsn] verandering, 

wijziging. 
altercation [3:lt3'keij3n] twist. 
alternate ['Diltsneit] afwisselen; [d:1- 

't3:nit] aj afwisselend. 
alternating ['Diltaneitii)] — current, 

wisselstroom. 
alternative [Dil'tainstiv] alternatief 

(o). 
although [Dil'Sou] hoewel, ofschoon. 
altitude ['seltitjuid] hoogte. 
alto C'aeltou] alt. 
altogether [Dilta'geSs] alles bijeen, 

over het geheel; helemaal. 
alum ['jebm] aluin. 
aluminium [aelju'minjsm] aluminium 
always E'diIwsz] altijd (nog). [<?. 
am [asm] / am, ik ben. 
A. M. = ante meridiem, 's morgens, 

voor de middag. 
amalgamate [a'maslgsmeit] mengen, 

zich verbinden, samensmelten. 
amass [s'mses] ophopen, vergaren. 
amateur [sema'ts:, 'Ernsts:] amateur, 

dilettant, liefhebber. 
amaze [a'meiz] verbazen. 
amazement [a'meizmsnt] verbazing. 
amazon ['semszsn] amazone. 
ambassador [cem'bssada] ambassa- 



amount 

deur; (af)ge2ant. 
amber ['asmbs] barnsteen o &t. m. 
ambiguity [asmbi'gjuiti] dubbelzin- 

nigheid. 
ambiguous [cem'bigjuss] dubbelzin- 

nig. 
ambition [aem'bijsn] eerzucht, stre- 

ven o, aspiratie. 
ambitious [ffim'bijas] eerzuchtig; be- 

gerig (naar, of); groots. 
ambulance ['asmbjubns] ambulance, 
ambush ['asmbuj] hinderlaag; vt uit 

een hinderlaag aanvallen. 
ameliorate [3'mi:li3reit] verbeteren. 
amelioration [amirlis'reijsn] verbete- 

ring. 
amen ['a:'men, 'ei'men] amen (o). 
amenable [s'mitnsbl] meegaand, ge- 

zeglijk; vatbaar (voor, to). 
amend [s'mend] verbeteren. 
amendment [s'mendmsnt] verbetering; 

amendement o. 
amends [s'mendz] make — {jor), het 

goedmaken; herstellen. 
amenity [a'mirniti] m.inzaamheid; aan 

gename o\ amenities, vriendelijkhe- 

den; genoegens, gemakken. 
America [a'merika] Amerika o. 
American [s'meriksn] Amerikaan(s). 
amiability [eimja'biliti] beminnelijk- 

heid. 
amiable ['eimjabl] beminnelijk, lief, 
amicable ['aemiksbl] vriendschappe- 

lijk, minnelijk. 
amid(st) [3'mid(st)] te midden van, 

onder; amidships, midscheeps. 
amiss [a'mis] verkeerd; te onpas, mis; 

take it — , het kwalijk nemen. 
amity ['smiti] vriendschap. 
ammonia [a'mounjs] ammoma(k). 
ammunition [semju'nijan] munitie. 
amnesty ['cemnisti] vergiffenis, am- 
nestic; vt amnestic verlenen aan. 
among(st) [3'mAr)(st)] onder, tussen. 
amorous ['asmsras] verliefd. 
amortization [smDiti'zeiJ'sn] (schuld)- 

delging. 
amortize [a'mDitiz] delgen [schuld]. 
amount [a'maunt] bedrag o; hoeveel- 



amphibian 



10 



annotation 



heid, mate; vi — to, bedragen; 

neerkomen op, gelijkstaan met. 
amphibian [sem'fibian] amfibie. 
amphibious [sem'fibios] tweeslachtig, 

amfibie-. 
amphitheatre ['EemfiSiats] amfithe- 

ater o. 
ample [aempl] wijd, ruim, breed (voe- 

rig). 
amplifier ['asmplifaia] versterker [v. 

geluid] . 
amplitude ['asmplitju;d] omvang; uit- 

gestrektheid; overvloed. 
amputate ['smpjuteit] afzetten, ampu- 

teren [lichaamsdeel]. 
amputation [smpju'teijan] amputatie, 

afzetting. 
amulet ['semjulit] amulet. 
amuse [a'mjuiz] amuseren. 
amusement [a'mjuizmant] vermaak o, 

amusement o. 
amusing [a'mjuizir]] vermakelijk. 
an [an] een. 

anaemia [a'niimia] bloedarmoede. 
anaemic [s'niimik] bloedarm. 
anaesthesia [seniis'Oiizis] verdoving v. 
anaesthetic [Eeni:s'6etik] verdovend 

(middel o). 
anaesthetize [^'niisGitaiz] verdoven. 
analogous [a'nsebgss] overeenkom- 

stig. 
analogy [3'n£eled3i] overeenkomst. 
analyse ['icnalaiz] ontleden. 
analysis [s'naelisis] analyse, ontle- 

ding. 
anarchist ['asnskist] anarchist. 
anarchy ['ienski] anarchic. 
anatomy [s'ncetsmi] anatomic. 
ancestor ['asnsista] voorvader. 
ancestral [sn'scstral] voorvadcrlijk. 
ancestry ['aensistri] voorouders. 
anchor ['segka] anker o; vt (vcr)an- 

keren. 
anchorage ['ajrjksrids] ankcrcn o; an- 

kcrplaats; ankergcid o. 
anchovy [aen'tjouvi] ansjovis. 
ancient ['cinjsnt] oud. 
and [send, and; an] en. 
andiron ['aendaian] vuurbok. 



anecdote ['cenikdout] anekdote. 

anemone [a'nemani] anemoon. 

anew [a'nju:] opnieuw. 

angel ['eindsal] cngel. 

angelic [jen'dsclik] cngelachtig. 

anger ['jegga] toorn, booshcid; vt 

vertoornen, boos maken. 
angina [aen'dsaina] angina. 
angle ['aerjgl] hoek; ;'/' hengelen. 
angler ['aerjgla] hengelaar. 
Anglican ['segglikan] anglikaan(s). 
angling-rod ['aer)glir|r)d] hengel. 
Anglo- ['eerjglou] Engels-; • — -Saxon, 

Angelsaks; a] Angelsaksisch. 
angry ['£er)gri] toornig; boos (om, 

over, at, about; op, with). 
anguish ['EerjgwiJ] angst, foltering. 
angular ['serigjula] hoekig. 
aniline ['jenilain] aniline, 
animal ['senimal] dier o\ aj dierlijk; 

dieren-; ~- spirits, levenslust. 
animate ['ffoimeit] bezielen; opwek- 

ken, aanwakkeren. 
animated ['snimeitid] bezield, levend. 

levendig, opgewekt; — cartoon, ■ — 

picture, tekenfilm. 
animation [seni'meijan] bezieling, 

aanmoediging; opgewektheid. 
animosity [asni'mositi] animositeit, 
anise ['fenis] anijs. [wrok. 

ankle ['asrjkl] enkel. 
annals ['aenalz] jaarboeken, geschied- 

boeken. 
annex ['seneks] aanhangsel o, bijiage; 

bijgebouw o\ [a'neks] vt aanhech- 

ten, bijvoegen; inlijven. 
annexation [senek'seijan] bijvoeging; 

annexatie, inlijving. 
annihilate [a'nai(h)ileit] vernietigen. 
annihilation [anai(h)i'leij'an] vernie- 

tiging. 
annihilator [a'nai(h)ileita] vernieti- 

ger; blusapparaat o. 
anniversary [sni'vaisari] (ver)jaar- 

dag, iaarfeest o. 
annotate ['a^nouteit] van verklarende 

aantekeningen voorzien. 
annotation [snou'teijan] aanteke- 

ning. 



announce 

announce [s'nauns] aankondigen, be- 

kendmaken, mededelen. 
announcement [a'naunsmant] aankon- 

diging, bekendmaking, mededeling. 
announcer [a'naunsa] aankondiger; 

omroeper [v. d. radio]. 
annoy [s'nDi] kwellen, hinderen. 
annoyance [a'noians] last, ergernis. 
annoying [a'nDiii]] lastig, vervelend. 
annual ['asnjual] jaarlijks. 
annuity [a'njuiti] jaargeld o, lijf- 

rente. 
annul [a'nAl] vernietigen; herroepen, 

intrekken, opheffen, annuleren. 
annulment [a'nAlmant] vernietiging; 

herroeping, intrekking, opheffing, 

annulering. 
annunciation [anAnsi'eiJan] aankon- 

diging; Annunciation (Day), Ma- 

ria-Boodschap. 
anodyne ['Eoadain] pijnstillend mid- 
del o; doekje o voor het bloeden; 

aj pijnstillend. 
anoint [a'nDint] zalven. 
anomaly [a'oDmsli] afwijking, onre- 

gelmatigheid. 
anon [s'oDn] aanstonds. 
anonymous [s'nDnimasJ anoniem. 
another [a'oASs] een ander, nog een. 
answer ['arnsa] antwoord o; fig op- 

lossing; rt antwoorden op, beant- 

woorden (aan); ~' the bell, open- 

doen [als er gebeld wordt]; vi ant- 
woorden; — for, verantwoorden; in- 

staan voor. 
answerable ['ainsarabl] verantwoorde- 

lijk. 
ant [sent, a:nt] mier. 
antagonist [cen'taegsnist] tegenstan- 

der. 
antarctic [aen'taiktik] zuidelijk, zuid-, 

zuidpool-; the Antarctic, het zuid- 

poolgebied. 
antecedent [asnti'sitdsnt] antecedent o; 

aj voorafgaand. 
antedate ['aentideit] antedateren. 
antelope ['sentiloup] antilope. 
antenna [aen'tens, meerv. antennae 

asn'teni:] antenne. 



1 1 apartment 

anterior [asn'tisria] voorafgaand, 

vroeger; voorste. 
anthem ['aenSsm] Engelse kerkzang; 

the national -~, het volkslied. 
ant-hill ['jenthil] mierenhoop. 
anthology [asn'GDbdsi] bloemlezing. 
anthracite ['snGrssait] antraciet. 
anti-aircraft artillery ['asnti'eskrarft- 

a:'tibri] afweergeschut o. 
antic ['sentik] dolle sprong, grol. 
anticipate [aen'tisipeit] voorkomen, 

voor zijn; vooruitlopen op; verwach- 

ten, voorzien; vervroegen. 
anticipation [aentisi'peijan] voorge- 

voel o\ verwachting; in — , bij voor- 

baat, vooruit. 
antidote ['aentidout] tegengif(t) o. 
antipathy [aen'tipaBi] antipathic. 
antiquarian [jenti'kwearian] oudheid- 

kundig(e). 
antiquary ['aentikwsri] antiquaar. 
antique [sn'tiik] antiquiteit; aj ou- 

derwets, antiek. 
antiquity [sn'tikwiti] de oudheid. 
antler ['aentb] tak (v. gewei); -~j, 

gewei o. 
Antwerp ['aentw3:p] Antwerpen o. 
anvil ['jenvil] aanbeeld o. 
anxiety [sij'zaisti] benauwdheid; be- 

zorgdheid, zorg; verlangen o. 
anxious ['aerjkjss] bezorgd, ongerust 

(over, about); angstwekkend, ang- 

stig; verlangend (naar, for). 
any ['eni] enig; een; ieder(e), elk(e), 

welke... ook, enigerlei. 
anybody ['enibsdi] iedereen; iemand. 
anyhow ['enihau] hoe dan ook; in 

ieder geval, hoe 't ook zij, toch. 
anyone t'eniwAn] iedereen; wie ook; 

iemand. 
anything ['eni9ir)] iets; alles; van al- 

les; — but, allesbehalve. 
anyway ['eniwei] zie anyhow. 
anywhere ['eniwEs] ergens; overal. 
apace [a'peis] snel, vlug. 
apart [s'part] afzonderlijk; van-, uit 

elkaar, ter zijde; ■~ from, afgezien 

van; behalve. 
apartment [a'paitmsnt] vertrek o\ flat. 



apathetic 

apathetic [aepa'Setik] lusteloos, onver- 

schillig. 
apathy ['aspaOi] lusteloosheid, onver- 

schilligheid. 
ape [eip] aap; naaper; vt naapen. 
aperture ['sepstjus] opening. 
apicuhure ['eipilcAltJa] bijenteelt. 
apiece [s'piis] per stuk, elk. 
apologize [s'pDbdsaiz] zich veront- 

schuldigen. 
apology [a'pDbdsi] verdediging; ver- 

ontschuldiging. 
apoplexy ['jepspleksi] beroerte. 
apostasy [a'pastssi] afvalligheid. 
apostate [s'pDstit] afvallig(e). 
apostle [a'pDsl] apostel. 
apostrophe [a'psstrafi] toespraak; af- 

kappingsteken o. 
appal [a'pD:!] ontzetten, ontstellen. 
apparatus [asps'reitss] apparaat o, 

toestel o, gereedschappen. 
apparent [a'pae-, a'pEarant] blijkbaar; 

schijnbaar; duidelijk. 
apparition [fEpa'riJsn] (geest)ver- 

schijning. 
appeal [a'pi:!] beroep o, appel o; 

smeekbede; fig aantrekkingskracht; 

vi — to, een beroep doen op; 

zich beroepen op; fig spreken tot; 

/'/ does not — to me, ik voel er 

niet veel voor. 
appealing [3'pi:lii]] smekend. 
appear [s'pia] (ver)schijnen; blijken, 

lijken; optreden; zich vertonen; 

voorkomen. 
appearance [s'piarans] verschijning; 

schijn; voorkomen o\ optreden o. 
appease [a'piiz] stillen, sussen, be- 

vredigen. 
append [a'pend] (aan)hechten; bij- 

voegen. 
appendicitis [spendi'saitis] blinde- 

darmontsteking. 
appendix [a'pendiks] aanhangsel o, 

bijlage, bijvoegsel o. 
appertain [asps'tein] behoren. 
appetite ['spitait] (eet)lust. 
appetizing ['sepitaizirj] appetijtelijk. 
applaud [s'pbid] applaudisseren, toe- 



12 



apprehensive 



ichen. 



applause [3'pb:z] applaus o, toejui- 

ching. 
apple ['cepl] appel; • — ' of discord, 

twistappel. 
apple-sauce ['aeprs3:sj appelmoes o 

& V. 

appliance [a'plaians] aanwending, toe- 
passing; toestel o, middel o. 

applicable ['spliksbl] toepasselijk. 

applicant ['jeplikant] sollicitant, aan- 
vrager, gegadigde. 

application [sepli'keijan] aanwending, 
toepassing, gebruik o; vlijt; aan- 
vraag, sollicitatie; smeersel o, om- 
slag; ■ — • form, aanvraagformulier o. 

apply [a'plai] brengen, leggen (aan, 
bij, op, to), aanleggen; gebruiken, 
aanwenden, toepassen (op, to); sol- 
liciteren (naar, /or), aanvragen, zich 
aanmelden, zich vervoegen; — to, 
ook; zich wenden tot; van toepas- 
sing zijn op, slaan op, gelden voor; 
— oneself to, zich toeleggen op. 

appoint [s'pDint] bepalen; benoemen. 

appointment [a'pointmsnt] bepaling; 
afspraak; benoeming; functie; by — 
(to his Alajesty), hofleverancier. 

apposition [aepa'zijsn] bijstelling. 

appraisal [s'preizl] schatting; waar- 
dering. 

appraise [a'preiz] schatten; waarderen. 

appreciable [s'priijabl] te waarderen; 
merkbaar. 

appreciate [a'priijieit] schatten; be- 
oordelen; waarderen, op prijs stel- 
len; aanvoelen; beseffen, begrijpen. 

appreciation [spriiji'eij'an] schatting; 
beoordeling; waardering; aanvoeling; 
besef o, begrip o. 

appreciative [a'prijiativ] waarderend. 

apprehend [spri'hend] aanhouden; 
(be)grijpen; vrezen. 

apprehensible [aepri'hensibi] begrij- 
pelijk. 

apprehension [cepri'henjan] aanhou- 
ding; bevatting, begrip o\ vrees. 

apprehensive [sepri'hensiv] bevreesd 
(voor, of). 



apprentice 



13 



armistice 



apprentice [a'prentis] leerjongen; vt 
in de leer doen (bij, to). 

approach [a'proutj] nadering, toe- 
gang; benadering; jig aanpak; stap; 
vt naderen, gelijken op; nader bij 
(elkaar) brengen; zich wenden tot; 
jig aanpakken. 

approachable [a'proutjabl] toeganke- 
lijk, genaakbaar. 

approbation [^prs'beijan] goedkeu- 
ring. 

appropriate [a'proupriit] geschikt, 
passend; vereist; bevoegd; eigen 
(aan, /o); [a'prouprieit] vt zich 
toeeigenen; bestemmen (voor, to). 

appropriation [aproupri'eijan] toe- 
eigening; bestemming. 

approval [s'pruival] goedkeuring; on 
— , op zicht. 

approve [a'pruiv] goedkeuren; — d, 
ook: beproefd; erkend; ■ — 'd school, 
ook: inrichting voor criminele jeugd. 

approximate [a'prsksimeit] (be) na- 
deren; nader brengen (bij, to); 
[s'prjksimit] a] benaderend; — ly, 
bij benadering, ongeveer. 

apricot ['eiprikDt] abrikoos. 

April C'eipril] apri). 

apron ['eiprsn] schort, voorschoot. 

apt [aspt] geschikt; geneigd (om te); 
bekwaam; he is '-- to becotiie impa- 
tient, hij wordt licht ongeduldig. 

aptitude ['aeptitju:d] geschiktheid; 
neiging; bekwaamheid. 

aquarium [s'kwBariam] aquarium o. 

Arab ['aerab] Arabier; aj Arabisch. 

Arabia [s'reibia] Arabic o. 

Arabian [s'reibian] Arabier; aj Ara- 
bisch. 

Arabic ['aerabik] Arabisch (o). 

arbitral ['aibitrsl] scheidsrechterlijk. 

arbitrary ['a:bitr3ri] willekeurig. 

arbitration [aibi'treijan] arbitrage. 

arbitrator ['aibitreits] scheidsrechter. 

arbour ['aibs] prieel o. 

arc [a:k] (cirkel)boog. 

arcade [a:'keid] booggang; winkel- 
galerij. 

arch [a:tj] boog; vi zich welven; aj 



schalks; aarts-. 
archaism ['a:keiizm] verouderd 

woord o, verouderde uitdrukking. 
archangel ['a:keind33l] aartsengel. 
archbishop ['aitj'bijap] aartsbisschop. 
archduchess ['aitJ'dAtJis] aartsherto- 

gin. 
archduke ['a:tj'dju:k] aartshertog. 
archer ['aitjs] boogschutter. 
archipelago [aiki'pebgou] archipel. 
architect ['a:kitekt] architect; bouwer. 
architecture ['aikitektja] bouwkunde. 
archives ['aikaivz] archief o, archie- 

ven. 
archly ['aitjli] schalks. 
archness ['aitjnis] schalksheid. 
archway ['artjwei] boog, gang. 
arctic ['a:ktik] noordcHjk; noord-; 

noordpool-; the Arctic, het noord- 

poolgebied. 
ardent ['aidant] vurig, blakend. 
ardour ['aids] hitte; ijver; vuur o. 
are [a:] [wij, zij] zijn, [gij] zijt. 
area ['earia] oppervlakte; open ruimte 

met trap naar de kelderverdieping 

V. e. Engels huis; gebied o. 
Argentine ['aidsantain] Argentijn(s); 

the ■ — ■, Argentinie o. 
argue ['a:gju:] redeneren; betogen. 
argument ['a:gjumant] argument o; 

redenering; discusssie. 
arid ['arid] droog, dor. 
aridity [a'riditi] droogte, dorheid. 
arise [a'raiz] oprijzen; opstaan; ont- 

staan, zich voordoen. 
arisen [a'rizn] V.D. van arise. 
aristocracy [asris'tokrasi] aristocratic. 
aristocrat ['aeristakrast] aristocraat. 
aristocratic (al) [2erista'kraetik(l)] 

aristocratisch. 
arithmetic [a'riGmatik] rekenkunde. 
arithmetical [seriG'metikl] rekcnkun- 

dig, reken-. 
ark [a:k] ark. 
arm [a:m] arm; wapen o\ vt wape- 

nen; vi zich wapenen. 
armament ['aimamant] bewapening. 
armchair ['a:mtj8a] Icuningstocl. 
armistice ['aimistis] wapenstilstand. 



armorial 



14 



aspect 



har- 



been, 



armorial [ai'mDirial] wapen-; ~- bear- 
ings, wapenschild o. 
armour ['aima] wapenrusting; 

nas o\ pantser o\ vt pantseren; 

car, pantserwagen. 
armpit ['aimpit] oksel. 
army ['a;mi] leger o. 
aroma [a'roums] geur. 
aromatic [aers'mstik] geurig. 
arose [a'rouz] V.T. van arise. 
around [a'raund] rondom, cm. 

(in het) rond. 
arouse [a'rauz] (op)wekken. 
arrange [a'reindg] schikken, regelen; 

afspreken; arrangeren. 
arrangement [a'reindsmant] schik- 

king, regeling; akkoord o. 
arrant ['aersnt] doortrapt, aarts-. 
array [a'rei] reeks, (slag)orde; dos, 

tooi; vt scharen; opstellen; uitdos- 

sen, tooien. 
arrear(s) [3'ri3(z)] achterstand; in 

'—'S, achterstaliig; ten achter. 
arrest [a'rest] arrestatie, arrest o; un- 
der — , in arrest; vt tegenhouden; 

arresteren; '-^ing, fig pakkend, boei- 

end. 
arrival [a'raival] (aan)komst; aange- 

komene; aanvoer. 
arrive [a'raiv] (aan)komen; gebeuren; 

--^ at, komen tot, bereiken. 
arrogance ['srsgsns] aanmatiging. 
arrogant ['srsgant] aanmatigend. 
arrogate ['serageit] (zich) aanmatigen. 
arrov^f ['asrou] pijl. 
arsenal ['aissnsl] arsenaal o. 
arsenic ['a:snik] rattenkruit o. 
arson ['a:sn] brandstichting. 
art [a:t] kunst; kunstgreep; list. 
artery ['aitsri] slagader; hoofdader. 
artful ['a:tful] listig. 
artichoke ['a:titJ"ouk] artisjok. 
article ['a:tikl] lidwoord o\ artikel o. 
articulate [a;'tikjulit] geleed; duide- 

lijk (onderscheiden); [a:'tikjuleit] vt 

articuleren; duidelijk uitspreken. 
artifice ['a:tifis] kunst(greep), list. 
artificial [aiti'fijsl] kunstmatig; ge- 

kunsteld; — flower, kunstbloem. 



artillery [ai'tilari] artillerie. 

artisan [a:ti'zsen] handwerksman. 

artist ['a:tist] kunstenaar. 

artistic [a:'tistik] artistiek. 

artless ['a:tlis] ongekunsteld. 

as [asz] gelijk, (even) als, 20; (zo)- 
als; toen, terw'ijl; daar; naar ge- 
lang; — /'/ ivere, als het ware; — 
for, wat betreft; — /'/, alsof; '— 
per, volgens; — though, alsof; — 
yet, tot nog toe; — to, wat be- 
treft. 

asbestos [aez'bestss] asbest o. 

ascend [a'send] (op-, be)klimmen, 
(op-, be)stijgen; opgaan; opvarcn. 

ascendancy, ■— ency [a'sendsnsi] over- 
wicht o, invloed. 

ascension [a'senjan] (be)stijging; he- 
melvaart; Ascension Day, Hemel- 
vaartsdag. 

ascent [a'sent] (be-, op)stijging; op- 
gang; steilte, helling. 

ascertain [aess'tein] nagaan, uitmaken, 
bepalen, vaststellen. 

ascribe [s'skraib] toeschrijven. 

ash [aej] meer\'. ashes ['asjiz] as. 

ash [jej] es. 

ashamed [a'Jeimd] beschaamd (over, 
of); be ■ — ■, ook: zich schamen. 

ashen ['asjn] as-, asgrauw; esse-. 

ashore [a'J^:] aan land, aan wal; aan 
de grond. 

ash-pan ['sejpjen] asbak. 

ash-tray ['sjtrei] asbakje o. 

Asia ['eija] Azie o. 

Asian ['eijan], Asiatic [eiji'setik] 
Aziaat; aj Aziatisch. 

aside [a'said] ter zijde, op zijde. 

asinine ['sesinain] ezelachtig. 

ask [a:sk] vragen; ■ — • a question, een 
vraag doen (stellen). 

askance [a'skasns] van terzijde; 
schuin(s). 

aslant [a'slaint] schuin(s). 

asleep [a'sliip] in slaap. 

asp [assp] esp. 

asparagus [a'spaeragss] asperge. 

aspect E'aespekt] aanzien o, uitzicht o, 
voorkomen o, aanblik; gezichtspunt 



aspen 



15 



astonishment 



o\ zijde, kant. 
aspen ['aespan] esp; a] espen, espe-. 
asphalt C'assfselt] asfalt o\ vt asfal- 

teren. 
aspiration [aespi'reijsn] aanblazing; 

inzuiging; streven o. 
aspire [s'spaia] streven, dingen (naar, 

to, after, at). 
aspirin ['aspirin] aspirine. 
ass [fes, a:s] ezel. 
assail [a'seil] aanranden, aanvallen; 

bestormen (met, with). 
assailant [a'seibnt] assailer [a'seib] 

aanrander, aanvaller. 
assassin [a'ssesin] (sluip)moorde- 

naar. 
assassinate [a'saesineit] vermoorden. 
assassination [asa^si'neijsn] (sluip)- 

moord. 
assault [a'sDilt] aanval; bestorming; 

by '-~', stormenderhand; rl aan- 
vallen; bestormen. 
assaulter [a'sDilts] aanvaller; bestor- 

mer. 
assemble [a'sembl] (zich) verzamelen; 

bijeenkomen, vergaderen; in elkaar 

zetten, monteren. 
assembler [a'sembb] monteur. 
assembly [s'sembli] bijeenkomst, ver- 

gadering; verzamelen o; montage; — 

line, montagelijn, lopende band. 
assent [a'sent] toestemming; instem- 

ming; ri toestemmen (in, to), in- 

stemmen (met, to). 
assert [a'sait] doen gelden; handha- 

ven; beweren, verklaren. 
assertion [s'ssijan] handhaving; be- 

wering. 
assertive [a'saitiv] stellig; zelfbewust. 
assess [a'ses] schatten; belasten, aan- 

slaan; beoordelen. 
assessment [s'sesmant] schatting; aan- 

slag [in de belasting]; beoordeling. 
asset E'seset] creditpost m; fig voor- 

deel o, bezit o, aanwinst, troef; ■ — s, 

activa; — s and liabilities, activa en 

passiva. 
assiduity [aesi'djuiti] ijver, naarstig- 

heid; assiduities, (voortdurende) | 



beleefdheden. 
assiduous [s'sidjuas] ijverig. 
assign [s'sain] aan-, toewijzen; vast- 

stellen, bestemmen. 
assignation [aesig'neijan] aanwijzing, 

toewijzing. 
assignment [a'sainmsnt] aan-, toewij- 
zing; taak. 
assimilate [a'simileit] gelijk maken 

(aan, to, with); opnemen. 
assist [a'sist] helpen, bijstaan; — at, 

bijwonen, tegenwoordig zijn bij. 
assistance [s'sistsns] hulp, bijstand. 
assistant [s'sistsnt] helper, assistent; 

winkelbediende, -juffrouw; a] hulp-. 
associate [s'soujiit] metgezel; deelge- 

noot; medeplichtige; lid o v. e. ge- 

nootschap; [s'soujieit] vt vereni- 

gen; verbinden; vi zich verenigen; 

omgaan (met, with). 
association [ssousi'eijsn] bond, ver- 

binding, vereniging, genootschap o; 

omgang; — s, ook: banden, herin- 

neringen. 
assort [3'sD:t] sorteren. 
assortment [s'sJitmant] sortering. 
assuage [s'sweid^] verzachten, lenigen, 

stillen, doen bedaren. 
assume [a'sjuim] op zich nemen, aan- 

nemen; aanvaarden; zich aanmati- 

gen; (ver)onderstellen. 
assumption [3'sAm(p)j3n] aanneming; 

(ver)onderstelling; aanmatiging; 

A- — •, Maria-Hemelvaart, Maria-Ten- 

hemelopneming. 
assurance [s'Jusrans] verzekering; 

zekerheid; driestheid. 
assure [s'Jus] verzekeren. 
assuredly [a'Juaridli] (voor)zeker. 
aster ['sesta] aster. 
asterisk ['^estarisk] sterretje (*) a. 
astern [a'stain] achter(uit) [v. schip], 
asthma ['£Es(9)m3] astma o. 
asthmatic [a2s(9)'miEtik] astmatisch. 
astir [s'sta;] in beweging; op, bij de 

hand. 
astonish [a'stanij'] verbazen. 
astonishment [a'stDni^mant] verba- 

zing. 



astound 



16 



aught 



astound [s'staund] verbazen. 
astraddle [a'stradl] schrijlings (op, 

of). 
astray [s'strei] verdwaald. 
astride [a'straid] schrijlings (op, of). 
astrology [ss'trDbdsi] sterrenwichela- 

rij. 
astronomy [ss'trDnsmi] sterrenkunde. 
astute [as'tjuit] scherpzinnig; slim, 

sluw. 
asunder [s'sAnda] afzonderlijk; van- 

een, uiteen, in stukken. 
asylum [s'saibm] asiel o, schuil- 

plaats; (lunatic) — , krankzinnigen- 

gesticht o. 
at [fft, 3t] tot, te, op, in, van, bij, 

aan, naar, om, over, voor, tegen, 

met; — Brill's, bij Brill, in de 

winkel & van Brill, 
ate [et, eit] at, aten (van eat). 
atheism ['eiBiizm] godloochening. 
Athens ['seOinz] Athene o. 
athlete ['ae91i:t] atleet. 
athletic [a:0'letik] atletisch; atletiek-; 

— s, atletiek. 
at-home [at'houm] ontvangdag. 
Atlantic [st'lasntik] Atlantisch(e Oce- 

aan). 
atlas ['aetbs] atlas, 
atmosphere ['aetmasfis] atmosfeer; fig 

sfeer. 
atom E'astsm] atoom o. 
atomic [a'tDmik] atoom-. 
atone [s'toun] boeten (voor, for); 

goedmaken. 
atonement [s'tounmant] boete; ver- 

goeding; verzoening. 
atop [s'tDp] boven (op, of). 
atrocio\is [s'troujas] grirwelijk. 
atrocity [a'trasiti] gruwel. 
attach [a'tstj] vastmaken; hechten; 

verbinden. 
attachment [a'tstjmsnt] verbinding; 

verknochtheid; aanhangsel o; beslag- 

legging; liifsdwang. 
attack [a'tsk] aanval; vt aanvallen. 
attain [o'tein] bereiken. 
attainable [a'teinsbl] bereikbaar. 
attainment [a'teinmsnt] bereiking; 



• — s, talenten. 
attempt [3'tem(p)t] poging; aanslag; 

vt trachten, pogen, proberen; een 

aanslag doen op. 
attend [s'tend] begeleiden; bedienen, 

verzorgen; oppassen; volgen [colle- 
ges], bijwonen, bezoeken. 
attendance [a'tendsns] aanwezigheid; 

bediening; zorg; opwachting; op- 

komst; publiek o. 
attendant [s'tendant] bediende, oppas- 

ser; his — s, zijn gevolg o [v. vorst 

attention [a'tenjan] aandacht, oplet- 
tendheid; •-~.', geeft acht!; come to 
■ — ■, de houding aannemen; stand at 
{to) — , in de houding staan. 

attentive [a'tentiv] oplettend. 

attenuate [s'tenjueit] verdunnen; ver- 
zachten; verzwakken. 

attest [a'test] betuigen, getuigen van. 

attestation fstes'teijan] getuigenis o 
&. r. 

attic ['setik] zolderkamer; vliering. 

attire [s'taia] dracht, tool; vt tooien, 
uitdossen. 

attitude ['astitjuid] houding; stand- 
punt o. 

attorney [s'taini] procureur; gevol- 
machtigde; poiuer of — , volmacht. 

attract [a'trsekt] (aan)trekken, boeien. 

attraction [a'traskfsn] aantrekking(s- 
kracht); aantrekkelijkheid. 

attractive [a'trtektiv] aantrekkelijk; 
aantrekkings-. 

attribute ['jetribjuit] eigenschap, ken- 
merk o\ bijvoeglijke bepaling; 
[a'tribjuit] vt toeschrijven, toeken- 
nen. 

auburn ['3:b3n] goudbruin. 

auction ['oikjan] veiling; rt veilen. 

auctioneer [Dikjs'nis] vendumeester. 

audacious [oi'deijas] stout, vermetel. 

audacity [Dt'dsesiti] vermetelheid. 

audible ['o:dibl] hoorbaar. 

audience ['D:dj3ns] audientie, gehoor 
o\ toehoorders, publiek o. 

aught [D:t] lets; for — / know, voor 
zover ik weet. 



augment 



17 



awful 



augment [Dig'ment] vermeerderen, 

verhogen, vergroten; toenemen. 
augmentation [Digmen'teijsn] ver- 

meerdering, verhoging. 
august [D:'gAst] verheven, groots. 
August ['D:g3st] augustus. 
aunt [a:nt] tante. 
aureole ['3:riouI] stralenkrans. 
auspice ['3:spis] voorteken o\ under 

the — s of, onder bescherming van. 
auspicious [Dis'pijas] veelbelovend, 

gunstig. 
austere [srs'tia] Strang; sober. 
austerity [D:s'teriti] strengheid; sober- 

heid. 
Australia [Drs'treilja] Australie o. 
Australian [D:s'treilj3n] Australier; a] 

Australisch. 
Austria ['orstria] Oostenrijk o. 
Austrian ['oistrian] Oostenrijker; aj 

Oostenrijks. 
authentic (al) [D:'Gentik(l)] authen- 

tiek, echt. 
authenticate [D:'9entikeit] bekrachti- 

gen, waarmerken. 
authenticity [DiOen'tisiti] echtheid. 
author ['2:63] schepper; dader, be- 

werker; maker; schrijver. 
authoress ['oiGsris] schrijfster. 
authoritative [D:'6Driteitiv] gezagheb- 

bend. 
authority [Dr'ODriti] autoriteit, gezag 

o, macht; instantie; from {on) good 

'~, uit goede bron. 
authorization [DiOsrai'zeiJsn] machti- 

ging. 
authorize ['DiQaraiz] machtigen. 
autograph ['3;t3gra:f] eigenhandig ge- 

schreven (stuk o). 
automatic [oita'mstik] automatisch; 

werktuiglijk. 
automation [Drts'meijan] automatise- 

ring. 
automaton [oi'tomatsn] automaat. 
autonomous [Dr'tonamas] zelfbestu- 

rend. 
autonomy [or'tonsmi] zelfbestuur o. 
autopsy ['DitDpsi] lijkschouwing. 
autumn ['D.tam] herfst. 

Eng. Zakwrdbk, U 



autumnal [o/tAmnsl] herfstachtig. 
auxiliary [oig'ziljsri] helper; hulp- 

werkrwoord o; aj hulp-. 
avail [a'veil] baat, nut o; vi baten; 

— oneself of, zich ten nutte maken, 

benutten. 
available [a'veibbl] beschikbaar; gel- 
avalanche ['aevslainj] lawine. [dig. 
avarice ['svaris] gierigheid. 
avaricious [aeva'rijas] gierig. 
avenge [3'vend3] wreken. 
avenue ['sevinju:] toegang, wag; laan; 

boulevard. 
aver [a'va:] batuigen, verzekeran. 
average ['cev3rid3] gemiddelde o; 

doorsneeprijs; schade, averij; 

{up) on an — , gemiddeld, in door- 

snee; aj gemiddeld, doorsnae-; vt 

gemiddeld komen op. 
averse [s'vais] afkerig {van, to, from). 
aversion [3'v3:j3n] afkear. 
avert [a'vait] afwenden [gavaar]. 
aviation [eivi'aijan] luchtvaart. 
aviator ['eivieita] vlieger. 
avid ['aevid] gretig, begerig. 
avidity [s'viditi] begeerte, begerig- 

heid, gratigheid. 
avoid [s'void] (var)raijden. 
avoidance [a'voidans] vermijding. 
avow [s'vau] bakannan. 
avowal [s'vaual] bakentenis. 
avowedly [a'vauidli] opanlijk, onbe- 

wimpeld, uitgesprokan. 
await [s'wait] wachtan, wachtan op; 

afwachten. 
awake [s'weik] ontwakan; opwakkan 

[nieuwsgierigheid]; aj wakker, ont- 

waakt. 
awaken [s'waikn] wekken. 
award [s'wDid] toekenning; uitspraak; 

prijs; vt toakannen. 
aware [a'wea] gewaar; be ~- of, 

zich bawust zijn van, weten. 
a^vay [s'wei] wag, van huis; voort. 
away game [a'waigaim] uitwedstrijd. 
awe [d:] ontzag o, vreas; i>t ontzatten; 

ontzag inboezemen. 
awful ['D:ful] ontzagwekkend, ontzag- 

lijk, verschrikkelijk, vreselijk. 



awhile 



18 



bale 



awhile [a'wail] voor enige tijd. 
awkward ['aikwad] onhandig, lomp; 
awl [d:1] els [priem]. [lastig. 

awning ['D:nif)] (dek)zeil o, scherm o. 
awoke [s'wouk] V.T. & V.D. v. 
awake. 



awry [a'rai] scheef, schuin, verkeerd. 
ax(e) [aeks] bijl. 
axiom ['seksism] axioma o. 
axis ['seksis] axle ['asksl] as. 
azure E'aesa] hemelsblauw o, azuur o\ 
a^ hemelsblauw, azuren. 



B 



b [bi:] (de letter) b. 

babble ['bsebl] geklap o, gesnap o\ ge- 

kabbel o; vi klappen, snappen; kab- 

belen. 
babe [beib] kind(je) o. 
baboon [ba'buin] baviaan. 
baby ['beibi] kind o. 
bachelor ['bastjsb] vrijgezel. 
bacilli [ba'silai] bacillen. 
bacillus [bs'sibs] bacil. 
back [bask] terug; achterwaarts; ach- 

ter-; — , rug; achterspeler; at the 

'— of, achteraan, achterin; pt (on- 

der)steunen; wedden [op paard]; 

t'i achteruitgaan. 
backbite ['bsekbait] (be)lasteren. 
backbiter ['boskbaits] lasteraar. 
backbone ['bjekboun] ruggegraat; to 

the — , in merg en been. 
backdoor ['bsek'dD:] achterdeur. 
backer ['basks] aanhanger; wedder 

[op paard]. 
backgammon [baek'gsman] triktrak o. 
background ['bskgraund] achter- 

grond. 
backing ['bskir)] steun. 
backroom ['baekrum] achterkamer. 
backward ['bakwad] achterwaarts; 

achterlijk, traag; achterover, -uit. 
backwards ['ba^kwsdz] achterwaarts, 

achterover, achteruit. 
back-yard ['bsk'jaid] achterplaats. 
bacon ['beikn] rookspek o. 
bacteria [baek'tisria] bacterien. 
bacterium [bsk'tiarism] bacterie. 
bad [baed] kwaad, slecht, erg; ziek. 
bade [basd] V.T. v. bid. 



badge [baeds] kenteken o; insigne o\ 
penning. 

badger ['bsdsa] das [dier]; vt las- 
tig vallen; sarren. 

badly ['baedli] kwalijk, slecht, erg. 

badness ['bsednis] slechtheid. 

baffle ['baefl] verbijsteren; verijdelen. 

bag [baeg] zak, tas; give the — , zijn 
conge geven; — and baggage, met 
pak en zak; vt in zakken doen; in 
zijn zak steken; buitmaken; vi zak- 
kerig zitten, flodderen. 

baggage ['basgids] {Am) bagage. 

bagpipe(s) ['basgpaip(s)] doedelzak. 

bail [beil] borg, borgtocht. 

bailiff ['beilif] schout, baljuw. 

bait [belt] (lok)aas o\ vi aanleggen, 
pleisteren. 

baize [beiz] baai; (green) laken o. 

bake [beik] bakken, braden. 

baker ['beika] bakker. 

baking ['beikirj] baksel o. 

baking-powder ['beikirjpauds] bak- 
poeder o &: in. 

balance ['baebns] balans, (weeg)- 
schaal; evenwicht o\ saldo o, over- 
schot o; strike a — , de balans op- 
maken; vt in evenwicht brengen 
(houden); [rekening] vereffenen; 
vi in evenwicht zijn; jig kloppen, 
sluiten [rekening]. 

balance-sheet ['bslansjiit] balans. 

balcony ['bselkani] balkon o. 

bald [b3:ld] kaal; naakt; onopgesmukt. 

baldhead ['baildhed] baldpate ['boild- 
peit] kaalkop. 

bale [beil] baal; ellende, ongeluk o\ 



baleen 

vi — out, afspringen [v. parachu- 
tist], 
baleen [ba'liin] balein o. 
baleful ['beilful] noodlottig, verderfe- 

lijk. 
Balkan ['bsilksn] Balkan; the — s, de 

Balkan. 
ball [bD;l] bal m [voorwerpsnaam] ; 

bal o [danspartij]; kogel. 
ballad ['baebd] ballade. 
ballast ['bselast] ballast. 
ballet ['baelei] ballet o. 
balloon [ba'Iuin] (lucht)ballon. 
ballot ['baelat] aantal o stemmen; 

stemming; vi balloteren. 
ballot-box ['baelatbDks] stembus. 
ball point pen ['bDilpsintpen] kogel- 

puntpen. 
ballroom ['bD:lrum] balzaal. 
balm [ba:m] balsam ['b3:ls3m] bal- 

sem. 
Baltic ['boiltik] Baltisch; the ~, de 

Oostzee. 
baluster ['bsebsta] spijl. 
balustrade [baebs'treid] balustrade. 
bamboo [biem'bu:] bamboe o. 
ban [bsen] ban; verbod o\ vt ver- 

bannen; verbieden. 
banal ['beinsl, 'bsnal] banaal. 
banana [ba'narna] banaan. 
band [bsnd] band; bende; muziek- 

korps o, muziek. 
bandage ['basndids] verband o; blind- 

doek; vt verbinden; blinddoeken. 
bandbox ['baendboks] hoededoos. 
bandit ['baendit] bandiet. 
bandmaster ['bsndmaists] kapel- 

meester. 
bandoleer [bsenda'lia] bandelier. 
bandsman ['baendzman] muzikant. 
bandy ['baendi] kaatsen, wisselen. 
bane [bein] vergif(t) o\ verderf o. 
baneful ['beinful] vergiftig; verderf e- 

lijk. 
bang [baerj] slag, smak; bons; knal; 

vt slaan, smakken (met) ; — the 

drum, op de trom slaan, de grote 

trom roeren; vi bonzen, dreunen, 

knallen. 



19 



bargain 



banish ['baenij] (ver)bannen. 

banishment ['baenijmant] verbanning, 
ballingschap. 

banisters ['basnistaz] trapleuning. 

bank [bsrjk] bank; oever; berm; over- 
helling; vi overhellen; — on, ver- 
trouwen op. 

banker ['bsrjka] bankier. 

bank holiday L'bserjk'hDlidi] beursva- 
kantie. 

banknote ['baegknout] bankbiljet o. 

bankrupt ['bsegkrApt] bankroet. 

bankruptcy ['baer)krAp(t)si] bank- 
roet o. 

banner ['basna] banier, vaan, vaandel 
o, spandoek o & m. 

banns [baenz] huwelijksafkondiging. 

banquet ['baerjkwit] feestmaal o. 

bantam ['basntsm] kriel(haan). 

banter ['baenta] gescherts o; vi schert- 
sen. 

baptism ['baeptizm] doop. 

baptismal [baep'tizmal] doop-. 

baptist ['basptist] baptist; ]ohn the 
B — , Johannes de Doper. 

baptize [bsep'taiz] dopen. 

bar [ba:] sluitboom; baar, staaf, tra- 
lie; reep [chocolade]; (maat)streep, 
maat; balie; bar; buffet o; belem- 
mering; horizontal — , rekstok; par- 
allel '—'S, brug [gymnastieki; vt 
uitsluiten, afsluiten, versperren; be- 
letten; strepen. 

barb [ba:b] weerhaak; vt van weer- 
haken voorzien; '---ed wire, prikkel- 
draad o. 

barbarian [ba/bearian] barbaar(s). 

barbarous ['ba:baras] barbaars. 

barber ['ba:ba] barbier, kapper. 

bard [ba:d] bard, zanger. 

bare ['bsa] bloot, naakt, kaal, ont- 
bloot; the — idea, de gedachte al- 
leen; vt ontbloten; bJootleggen. 

barefaced ['beafeist] onbeschaamd. 

barefoot (ed) ['b£afut(id)] bloots- 
voets. 

bareheaded ['bea'hedid] blootshoofds. 

barely ['beali] ternauwernood; enkel. 

bargain ['ba:gin] koop, koopje o\ it's 



barge 



20 



bead 



a ■ — l, afgesproken!; into the — , 

op de koop toe; vi (af)dingen; on- 

derhandelen; — jor, bedingen; ver- 

wachten. 
barge [baids] schuit. 
baritone ['baeritoun] bariton. 
bark [ba:k] bast, schors; bark [schip]; 

geblaf o\ VI blaffen; vt schillen; 

ontschorsen. 
bar-keeper ['ba:ki:p3] tapper. 
barley ['ba:li] gerst. 
barmaid ['ba:meid] buffetjuffrouw. 
barman ['baiman] buffetknecht. 
barn [ba:n] schuur. 
barometer [bs'rjmits] barometer. 
baron ['bsersn] baron. 
baroness ['baersnis] barones. 
barque [ba:k] schuit, bark, 
barracks ['bsersks] kazerne. 
barrage ['baerars] dam; spervuur o; 

versperring. 
barrel ['baeral] vat o\ (geweer)loop; 

trommel. 
barrel-organ ['basrabigan] draaiorgel 

o. 
barren ['basrsn] kaal, dor. 
barricade [baeri'keid] barricade; vt 

versperren, barricaderen. 
barrier ['baeris] slagboom; versper- 
ring, hindernis. 
barring ['ba:rir)] met uitzondering 

van, behalve, behoudens. 
barrister ['baptists] advocaat. 
bar-room ['ba:rum] gelagkamer. 
barrow ['basrou] berrie; kruiwagen, 

handwagen. 
barter ['ba:t3] ruil(handel); vt rui- 

len; --^^ away, verkrwanselen. 
basalt [bs'sDilt] basalt o. 
base [beis] basis; a] slecht, laag; on- 

edel; vt baseren, gronden. 
basely ['beisli] op (een) lage wijze. 
basement ['beismant] grondslag, fon- 

dament o; souterrain o. 
base-minded ['beismaindid] laaghar- 

tig. 
bashful ['bsj'ful] schuchter, bedeesd. 
basic ['beisik] fundamenteel, grond-. 
basin ['beisin] bekken o, kom; dok o. 



bassin o. 

basis ['beisis] basis. 

bask [ba:sk] (zich) koesteren. 

basket ['ba:skit] korf, mand. 

bass [beis] bas; [bass] baars. 

bastard ['basstsd] bastaard. 

bat [baet] vieermuis; slaghout o, bat o. 

batch [baetj] baksel o\ troep, partij, 
portie, 

bate [beit] verminderen; aftrekken, la- 
ten vallen; inhouden [adem]. 

bath [ba:9, mv. ba:3z] bad o\ vt ba- 
den, een bad geven. 

bathe [beiS] bad o [in rivier of zee]; 
vt baden; betten; bespoelen; vi 
(zich) baden. 

bather ['beiSs] bader; badgast. 

bathing-suit ['bei3ir]s(j)u:t] badpak <?. 

bath-room ['barGrum] badkamer. 

battalion [ba'taeljan] bataljon o. 

batter ['baeta] beslag o [v. gebak]; vt 
beuken (op); havenen. 

battery ['bsetsri] batterij. 

battle ['baetl] (veld) slag, strijd; vi 
vechten. 

battledore ['baetldD:] raket o 8c v. 

battle dress ['baetldres] veldtenue o. 

battle ground ['batlgraund] slagveld 
o; strijdperk o. 

battlement ['bstlmant] kanteel. 

battleship ['baetljip] slagschip o. 

battue [bce'tu:] klop-, drijfjacht. 

Bavaria [bs'vearia] Beieren o. 

Bavarian [bs'vearisn] Beier(s). 

bawl [b3:l] schreeuwen, bulken. 

bay [bei] inham, baai, golf; lauwer- 
(krans), laurier; vos [paard]; ge- 
blaf o; keep at — , zich... van het 
lijf houden; bring to -~, in 't nauw 
drijven; vt aanblaffen; aj bruinrood. 

bayonet ['beisnit] bajonet. 

bay-window ['bei'windou] erker. 

bazaar [bs'za:] bazaar. 

be [bi:] zijn, wezen; worden; his... to 
— , zijn aanstaande...; how are 
you?, hoe gaat het? 

beach [bi.tj] strand o, oever. 

beacon ['biiksn] (licht)baak, baken o. 

bead [bi:d] kraal, parel; vizierkorrel. 



beadle 



21 



behave 



beadle ['bi:dl] bode, pedel. 

beagle ['bi:gl] brak [bond]. 

beak [bi:k] snavel; tuit. 

beam [bi:m] balk, boom; straal; vi 
stralen. 

bean [bi:n] boon. 

bear [bea] beer; baissier; vt (ver)- 
dragen; voortbrengen, baren; toe- 
dragen; • — • a hand, een handje 
helpen; — away, behalen; — 
down, neerdrukken; '--' o j j, weg- 
dragen; — o n, betrekking hebben 
op; — out, staven; — u p a n, 
betrekking hebben op; '— iv i t h. 
dulden; geduld hebben met. 

bearable ['bearsbl] draaglijk. 

beard ['biad] baard; weerhaak. 

bearded ['biadid] gebaard. 

beardless ['biadlis] baardeloos. 

bearer ['bsara] drager, brenger, bon- 
der; toonder; balk, pilaar. 

bearing ['bearirj] houding, gedrag o\ 
richting, strekking; betrekking; [ko- 
gel-, rol] lager o\ [in samenst.] 
...houdend. 

bearskin ['besskin] berevel o. 

beast [bi:st] beest a, dier o. 

beastly ['bi:stli] beestachtig. 

beat [bi:t] slag, klap, klop, tik; vt 
slaan, kloppen; verslaan; — //.', 
maak, dat je wegkomt; /'/ • — s me, 
daar kan ik met mijn verstand niet 
bij; --— the streets, door de straten 
slenteren; ook V.T. v. beat. 

beaten ['bi:tn] V.D. v. heat. 

beating ['birtirj] (pak o) slaag; slaan 
o. 

beau [bou] fat; galant. 

beautiful ['bju:tiful] schoon, mooi, 
fraai. 

beautify ['bju:tifai] mooier maken, 
verfraaien. 

beauty ['bju:ti] schoonheid; what a 
-~.', wat is zij (dat) mooi! 

beaver ['biivs] bever. 

became [bi'keim] V.T. v. become. 

because [bi'ksz] omdat; — oj, we- 
gens. 

beckon ['bekn] wenken. 



become [bi'kAm] worden; goed staan; 

betamen; ook V.D. v. become. 
becoming [bi'kAmirj] goed staand 

(passend), gepast, betamelijk. 
bed [bed] bed o\ bedding. 
bed-clothes C'bedklouSz] beddegoed o. 
bed-ridden ['bedridn] bedlegerig. 
bedroom ['bedrum] slaapkamer. 
bedspread ['bedspred] beddesprei. 
bedstead ['bedsted] ledikant o. 
bee [bi:] bij; he has a — in his bon- 

7iet, hij ziet ze vliegen. 
beech [bi:tj] beuk(eboom). 
beef [bi:f] rundvlees a. 
beefsteak ['bi:f'steik] runderlapje o. 
beeftea ['bi:f'ti:] bouillon. 
bee-hive ['bi:haiv] bijenkorf; — 

chair, strandstoel. 
bee-master ['bitmaista] imker. 
been [bi:n, bin] V.D. v. be, geweest. 
beer [bis] bier o. 
beeswax ['bi:zwseks] was. 
beet [bi:t] beetwortel. 
beetle ['bi:tl] tor, kever; stamper, 

heiblok o; vi overhangen. 
beetroot ['bi:tru:t] beetwortel. 
befall [bi'f^d] overkomen, gebeuren. 
befit [bi'fit] passen, betamen. 
before [bi'fD:] voor; voordien. 
beforehand [bi'foihsend] vooruit. 
beg [beg] bedelen; smeken, verzoe- 

ken; / — to inform you, ik heb de 

eer u te berichten. 
began [bi'gasn] V.T. van begin. 
beggar ['begs] bedelaar; kerel, vent; 

vt in: // — s description, bet gaat 

alle beschrijving te boven. 
beggarly ['begali] armoedig, armzalig. 
begin [bi'gin] beginnen. 
beginning [bi'ginirj] begin o. 
begone [bi'gpn] ga weg!, ga been! 
beguile [bi'gail] bedotten; verlokken; 

^^ the time, de tijd doden. 
begun [bi'gAn] V.D. van begin. 
behalf [bi'ha:f ] in •— of, ten bate van, 

in het belang van; on ^^ of, uit 

naam van; ten bate van; on your 

■ — •, om uwentwil; uit uw naam. 
behave [bi'heiv] zich gedragen; — 



behaviour 



22 



besom 



oneself, zich netjes gedragen. 
behaviour [bi'heivja] gedrag o. 
behead [bi'hed] onthoofden. 
beheld [bi'held] V.T. & V.D. v. he- 
hold. 
behind [bi'haind] achter. 
behindhand [bi'haindh£end] achter; 

achterstallig; achterlijk. 
behold [bi'hould] aanschouwen. 
being ['biiirj] bestaan o\ wezen o. 
belated [bi'leitid] wat laat. 
belfry ['belfri] klokketoren. 
Belgian ['beldsan] Belg(isch). 
Belgium ['beldgsm] Belgie o. 
belie [bi'lai] logenstraffen. 
belief [bi'li:f] geloof o\ beyond 

{past) —-, ongelofelijk. 
believe [bi'li:v] geloven. 
believer [bi'liiva] gelovige. 
belittle [bi'Jitl] kleiner maken; klei- 

neren. 
bell [bel] bel, klok, schel. 
bellicose ['belikous] oorlogszuchtig. 
belligerent [bi-, be'lidsarsnt] oorlog- 

voerend(e). 
bellovi' ['belou] bulken, loeien. 
bellows ['belouz] (blaas)balg; a pair 

of — ', een blaasbalg. 
bell-pull ['belpul] schelkoord o &i v. 
bell-wether ['belweSs] belhamel. 
belly E'beli] buik; vi (op)bollen, 

bol staan, buiken. 
belong [bi'brj] (toe)behoren (aan, 

to). _ 
belongings [bi'bgigz] bezittingen, 

hebben en houden o, spuilen. 
beloved [bi'Uvid] beminde, geliefde; 

[bi'lAvd] aj bemind, geliefd. 
below [bi'lou] beneden, onder; naar 

beneden. 
belt [belt] riem, gordel. 
belt-railway ['beltreilwei] ceintuur- 

baan. 
bemoan [bi'moun] bejammeren. 
bench [ben(t)j] bank; rechtbank. 
bench hand ['ben(t)Jh£end] bank- 

werker. 
bend [bend] bocht, kromming; vt 

buigen, krommen; richten. 



beneath [bi'ni:6] beneden, onder. 
benediction [beni'dikjan] (in)zege- 

ning, zegen; lof o [kerkdienst]. 
benefactor [beni'faskts] weldoener. 
beneficent [bi'nefisant] liefdadig, 

weldadig. 
beneficial [beni'fijsl] heilzaam. 
benefit ['benifit] voordeel o, nut o; 

weldaad; uitkering; for the -~ of, 

ten bate van, ten behoeve van; vt 

goeddoen; bevorderen; vi haat vin- 

den, voordeel trekken (uit, by). 
benefit-night ['benifitnait] benefiet o. 
benevolence [bi'nevabns] welwillend- 

heid; weldadigheid. 
benevolent [bi'nevslant] welwillend; 

weldadig. 
benign [bi'nain] benignant [bi'nig- 

nant] goedaardig, vriendelijk. 
bent [bent] (geestes)richting, neiging; 

aanleg; V.T. & V.D. van bend; be 

— (up)on, gericht zijn op; er op 

uit zijn om. 
benumb [bi'nAm] verkleumen, verstij- 

ven, verlammen. 
bequeath [bi'kwi:3] vermaken. 
bequest [bi'kwest] legaat o. 
bereave [bi'ri:v] beroven (van, of); 

the '-~d family, bet diepbedroefde 

gezin. 
bereavement [bi'riivmant] beroving; 

zwaar verlies o. sterfgeval o. 
bereft [bi'reft] V.T. & V.D. van be- 
reave, 
beret ['berei] baret, alpino. 
Berlin [bo/lin] Berlijn o; ['baJin] aj 

Berlijns. 
berry ['beri] bes. 
berth [b3:0] hut, kooi; couchette; 

ligplaats; baantje o. 
beseech [bi'si;tj"] smeken. 
beseem [bi'si:m] betamen, voegen. 
beside [bi'said] naast, bij, buiten; he 

was — himself, hij was buiten zich 

zelf. 
besides [bi'saidz] bovendien, daarbij, 

behalve [met inbegrip van], 
besiege [bi'siids] belegeren. 
besom ['bi:z3m] bezem. 



besought 



23 



bind 



besought [bi'sD:t] V.T. & V.D. van 

beseech. 

bespoke [bi'spouk] — department, 
maatafdeling. 

best [best] best; make the — oj it, 
zich erin schikken, het voor lief 
nemen. 

bestial ['bestial] beestachtig. 

bestir [bi'sts:] — oneself, zich rep- 
pen, aanpakken. 

best man ['best'maen] bruidsjonker, 
getuige [bij huwelijk]. 

bestow [bi'stou] geven, schenken; 
verlenen (aan, on, upon). 

bet [bet] weddenschap; vt & vi 
(ver)wedden; ook V.T. & V.D. 

betimes [bi'taimz] bijtijds, tijdig. 

betray [bi'trei] verraden. 

betrayal [bi'treial] verraad o. 

betrothal [bi'trouSsl] verloving. 

betrothed [bi'trouSd] verloofd(e). 

better ['bet3] beter; the -^ part, het 
grootste deel; yon had — ..., je 
moest maar liever...; get the ■ — ■ of, 
het winnen van; te slim af zijn; like 
— , meer houden van, liever hebben; 
our — s, onze meerderen; vt ver- 
beteren. 

betterment ['betamant] verbetering. 

bettor ['beta] wedder. 

between [bi'twi:n] tussen. 

beverage ['bevarids] drank. 

bevy ['bevi] vlucht, troep, troepje o. 

bewail [bi'weil] betreuren. 

beware [bi'wea] zich hoeden, zich in 
acht nemen (voor, of). 

bewilder [bi'wilda] verbijsteren. 

bewilderment [bi'wildamant] verbijs- 
tering. 

bewitch [bi'witj] betoveren. 

beyond [bi'JDnd] aan gene zijde (van), 
boven (uit), over, buiten, verder 
(dan), meer dan, voorbij; behalve. 

bias ['baias] schuinte; overhelling, 
neiging; vooroordeel o; partijdig- 
heid; vt in: be ■ — {s)ed, bevoor- 
oordeeld zijn. 

bib [bib] slabbetje o. 

bible ['baibi] bijbel. 



biblical ['biblikl] bijbels, bijbel-. 

bicker ['bika] kibbelen. 

bicycle ['baisikl] fiets; vi fietsen. 

bid [bid] bod o; make a — for, din- 
gen naar; een poging doen ter ver- 
krijging van; vt bevelen; verzoeken; 
zeggen, wensen, heten; bieden; ook 
V.T. & V.D. v. hid. 

biddable ['bidabl] gezeglijk. 

bidden ['bidn] V.D. v. bid. 

bidder ['bida] bieder. 

bidding ['bidir)] bevel o\ bieden o\ 
bod o\ verzoek o. 

bide [baid] beiden, afwachten. 

bier [bia] (lijk)baar. 

bifurcate ['baifa:keit] (zich) splitsen. 

bifurcation [baifa/keijan] vork, 
tweesprong. 

big [big] dik, groot, zwaar. 

bight [bait] bocht; baai. 

bigness ['bignis] grootte, dikte. 

bigot ['bigat] kwezel(aar). 

bigoted ['bigatid] kwezelachtig. 

bigotry ['bigatri] kwezelachtigheid. 

bike [baik] fiets; vi fietsen. 

bilberry ['bilbari] blauwe bosbes. 

bile [bail] gal. 

bilious ['biljas] galachtig; gal-. 

Bill [bil] Willem, Wim. 

bill [bil] snavel; snoeimes o; rcke- 
ning; wissel; lijst; aanplakbiljet o, 
strooibiljet o, programma o; wets- 
ontwerp o; — of exchange, wissel; 
•-~^ of fare, spijslijst; — of lading, 
cognossement o. 

bill-broker ['bilbrouka] makelaar in 
wissels. 

billet ['bilit] baantje o\ kwartier o 
[v. militairen]. 

billiards ['biljadz] biljart(spel) o. 

billiard(s) table ['bilJ3d(z)teibl] 
biljart o. 

billow ['bilou] baar, golf. 

bill-poster ['bilpousta] bill-sticker 
['bilstika] aanplakker. 

bin [bin] kist; trog, bak. 

bind [baind] (in)binden; verbinden; 
verplichten; '^ up, verbinden [een 
wond] ; samen-, inbinden, 



binder 



24 



blank 



binder ['bainda] (boek) binder. 

bindery ['baindari] boekbinderij. 

binding ['baindir)] (boek)band; aj 
verplichtend, (ver)bindend. 

binocle ['binDkl] dubbele kijker. 

binocular [bai'nDkjub] voor beide 
ogen; ■ — s, dubbele verrekijker. 

biography [bai'Dgrsfi] biografie: le- 
vensbeschrijving. 

biplane ['baiplein] tweedekker. 

birch [baitj] berk; (straf)roede; vt 
(met) de roe geven. 

birchen ['baitjan] berken, berkehou- 
ten. 

bird [b3:d] vogel; — of passage, 
trekvogel; ■ — ■ of prey, roof vogel; 
the early — catches the worm, de 
morgenstond heeft goud in de mond; 
— s of a feather flock together, 
soort zoekt soort; a — in the hand 
is worth two in the bush, een vo- 
gel in de hand is beter dan tien in 
de lucht; kill two '-~s with one 
stone, twee vliegen in een klap slaan. 

bird's-eye ['baidzai] — view, gezicht 
o in vogelvlucht. 

bird ('s) -nesting ['b3:d(z)nestir)] het 
zoeken en uithalen van vogelnesten. 

birth [b3:G] geboorte; give — to, het 
leven schenken aan; by — , van ge- 
boorte. 

birthday ['bsiOdei] verjaardag, ge- 
boortedag. 

birth-mark ['b3:6ma:k] moedervlek. 

biscuit C'biskit] beschuit. 

bishop ['bijap] bisschop; raadsheer 
[in 't schaakspel]. 

bishopric ['bijaprik] bisdom o. 

bit [bit] beetje o, stuk(je) o\ bit o\ 
boorijzer o; not a '—, geen zier; do 
one's ■ — ■, het zijne (zijn plicht) 
doen; V.T. & V.D. v. bite. 

bitch [bitj] teef. 

bite [bait] hap; bete; beet; vt bijten 
(in, op, aan). 

biter ['baita] bijter; the ■ — bit, de 
bedrieger bedrogen. 

bitten ['bitn] V.D. v. bite. 

bitter ['bita] bitter; verbitterd; -^j-, 



bitter o Si. m [drank], bitter m 
[glaasje drank]. 

bivouac ['bivusek] bivak o. 

blab [blaeb] babbelen; verklappen. 

black [blask] zwart, donker, duister; 
somber; snood; a — eye, een blauw 
oog o\ — and blue, bont en blauw; 
vt zwart maken; • — • out, zwart ma- 
ken; verduisteren [stad]; fig ver- 
heimelijken; het bewustzijn (geheu- 
gen) even verliezen. 

blackberry ['blsekbari] braam(bes). 

blackbird ['blsekbaid] merel. 

blackboard ['blaekbDid] ( school )bord 

0. 

blacken ['blsekn] zwart maken. 
blackguard ['blasga:d] deugniet, 

schurk; aj gemeen. 
blacking ['blaskir)] schoensmeer o & 

m. 
blacklead ['blask'Ied] potlood o. 
blackleg ['blaskleg] bedrieger; onder- 

kruiper [bij staking]. 
blackmail ['blsekmeil] (geld)afper- 

sing, chantage. 
black market ['blask'maikit] zwarte 

markt, zwarte handel. 
black marketeer [blskmaiki'tia] 

zwartehandelaar. 
black-out ['blsekaut] verduistering 

[tegen luchtaanval]; verheimelij- 

king [van nieuws]; kortstondig ver- 

lies o van bewustzijn (geheugen). 
blacksmith ['blaeksmiS] smid. 
bladder ['blseda] blaas; blaar. 
blade [bleid] spriet; lemmet o, scheer- 

mesje o; blad o. 
blamable ['bleimabl] laakbaar. 
blame [bleim] blaam, berisping, 

schuld; vt laken, berispen, afkeu- 

ren; de schuld geven. 
blameless ['bleimlis] onberispelijk. 
blanch [bla:n(t)J] (ver)bleken. 
bland [blasnd] zacht, (poes)lief. 
blank [blaeijk] open plaats, wit o, wit- 

te ruimte; leemte; bianco formulier 

o; niet [in loterij]; aj bianco, on- 

ingevuld, open; wezenloos [van 

blik]; fig bot, vierkant; — car- 



blanket 



25 



blown 



tridge, losse patroon. 
blanket ['blaerjkit] (wollen) deken. 
blare ['hies] loeien, brullen; schallen; 

(rond) trompetten. 
blaspheme [blaes'fi:m] (God) laste- 

ren, vloeken. 
blasphemous ['blassfimas] (gods)las- 

terlijk. 
blasphemy ['blassfimi] godslastering. 
blast [bla;st] (ruk)wind; luchtdruk; 

geschal o; springlading. 
blast-furnace ['bla:stf3:nis] hoogoven. 
blatant C'bleitant] schetterend; opval- 

lend. 
blaze [bleiz] vlam; gloed; schel licht 

o; in a '~, in lichte(r) laai(e); like 

— s, als de bliksem; vi vlammen, fel 

branden, gloeien; lichten, flikkeren; 

~' away, crop los paffen. 
blazer ['bleizs] sportbuisje o. 
blazon ['bleizn] blazoen o. 
bleach [bli:tj] bleken. 
bleach-works ['bliitjwaiks] blekerij. 
bleak [bli:k] guur; naar; kaal; troos- 

teloos. 
bleat [bli:t] blaten. 
bled [bled] V.T. & V.D. v. bleed. 
bleed [bli:d] bloeden; aderlaten, doen 

bloeden. 
blemish ['blemij] vlek; smet, klad; vt 

bekladden. 
blend [blend] vermenging; mengsel o; 

vt (ver)mengen. 
bless [bles] zegenen; — ■ me!, goeie 

genade! 
blessed ['blesid & blest] gezegend; 

zalig; vervloekt. 
blessing ['blesirj] zegening, zegen; ask 

a — , bidden [voor of na het eten]. 
blew [blu:] V.T. v. blow. 
blind [blaind] rolgordijn o, zonne- 

blind o, scherm o; aj blind; — of 

{in) one eye, blind aan een oog; vt 

blind maken, verblinden. 
blindfold ['blaindfould] geblinddoekt; 

blindelings; vt blinddoeken. 
blindly ['blaindli] blindelings. 
blindman's-buff ['blaindmasnz'bAf] 

blindemannetje o. 



blindness ['blaindnis] blindheid, ver- 
blinding. 

blink [blirjk] gluren; knipogen; knip- 
pen met; de ogen sluiten voor. 

bliss [blis] zaligheid, geluk o. 

blissful ['blisful] (geluk) zalig. 

blister ['blists] blaar; trekpleister. 

blithe [blaiS] blij(moedig). 

blitz [blits] hevige (lucht)aanval; vt 
aanvallen; verwoesten. 

blizzard ['blizad] sneeuwstorm. 

bloat [blout] (op)zwellen; roken [ba- 
ring]. 

bloater ['blouts] bokking. 

blob [bbb] klodder. 

block [bbk] blok o\ verkeersopstop- 
ping; vt belemmeren, versperren; 
blokkeren. 

blockade [bb'keid] blokkade; vt 
blokkeren. 

blockhead ['bbkhed] domkop. 

blood [bUd] bloed o; vt aderlaten. 

blood-horse ['bUdhDis] volbloed. 

blood-letting ['blAdletig] aderlating. 

bloodshot ['blAdjDt] met bloed belo- 
pen. 

bloodsucker ['blAdsAka] bloedzuiger. 

bloodthirsty ['blAdOststi] bloeddors- 
tig. 

blood-vessel ['blAdvesl] bloedvat o. 

bloody ['bUdi] bloed(er)ig; bloed-; 
donders, verduiveld. 

bloom [blu:m] bloesem; bloei; bios, 
gloed; vi bloeien. 

blossom ['bbs3m] bloesem; vi bloei- 
en. 

blot [bbt] klad, (inkt)vlek; vt be- 
kladden; vloeien; ■ — ■ out, uitwissen, 
doorhalen; wegvagen. 

blotch [bbtj] klad, klodder, vlek; vt 
(be)kladden, (be)vlekken. 

blotting-paper ['bbtirjpeipa] vloei- 
(papier) o. 

blouse [blauz] kiel; blouse. 

blow [blou] slag, klap; windvlaag; 
vi blazen, waaien; vt blazen op 
[fluit]; — one's nose, zijn neus 
snuiten. 

blown [bloun] V.D. v. blow. 



blub 



26 



bond 



blub [bUb] snotteren, grienen. 
blubber ['bUbsJ walvisspek o; vi 

snotteren, grienen. 
bludgeon ['bUdsan] knuppel. 
blue [blu:] blauw; blauwsel o. 
bluebottle ['blu:b3tl] korenbloem; 

bromvlieg. 
bluejacket ['bluidsiekit] matroos. 
blue print ['blu:print] blauwdruk. 
bluestocking ['bluistokirj] blauwkous. 
bluff [bUf] steil; rond(uit); vt over- 

bluffen. 
blunder ['bUnda] flater; vi een bok 

schieten; — along, ■ — ■ on, voort- 

sukkelen; ■ — ■ out, eruit flappen; 

— upon, toevallig vinden. 
blunt [blAnt] stomp, dom, lomp; 

rond(uit); vt verstompen. 

blur [bb:] klad, vlek; vt bekladden; 
benevelen, verduisteren. 

blurt [bb:t] — out, er uitflappen. 

blush [bUJ] bios; vt blozen. 

bluster ['bUsta] geraas o\ snoeverij; 
vi razen, bulderen; snoeven. 

boar [bD:] beer [mannetjesvarken]; 
wild zwijn o. 

board [bD:d] plank; kost; kostgeld o\ 
raad, commissie, bestuur o, college 
o, departement o, ministerie o\ kar- 
ton o\ the — s, de planken, het 
toneel; on — , aan boord [v. e. 
schip]; vt aanklampen; aan boord 
gaan van; stappen in [trein]; in de 
kost nemen, hebben of doen; — up, 
dichtspijkeren; vi in de kost zijn 
(bij, with). 

boarder ['bo ids] kostganger, -leerling. 

boarding-house ['bD:dir)haus] pension 
o. 

boarding-school ['b3:dir)sku:l] kost- 
school. 

board-wages ['b3:dweid3iz] kostgeld 
o. 

boast [boust] bluf; roem; make (a) 

— of, zich beroemen op; vi bluf- 
fen, pochen, zich beroemen (op, of). 

boastful ['boustful] snoevend. 
boat [bout] boot; (saus)kom. 
boating ['boutirj] spelevaren o. 



boat-race ['boutreis] roeiwedstrijd. 

boatswain ['bousn] bootsman. 

bob [bsb] kortstaarten; recht afknip- 

pen; dobberen; knikken (met); — 

up, boven komen; verschijnen. 
bobbin ['bobinj klos. 
bobby ['bobi] klabak. 
bob-sleigh ['b^bslei] bobslee. 
bode [boud] voorspellen. 
bodice ['bodis] keurs(lijf) o. 
bodily ['bodili] lichamelijk; in leven- 

den lijve; compleet, met huid en 

haar. 
bodkin ['bodkin] rijgpen; priem. 
body ['bsdi] lichaam o, lijf o; lijk o; 

bovenstel o; organisatie; groep; 

voornaamste (grootste) gedeelte o. 
bodyguard ['bsdigaid] lijfwacht. 
Boer [bua] Boer. 
bog [bog] moeras o; laagveen o. 
bogus ['bougas] vals, pseudo-. 
bogy ['bougi] boeman. 
boil [boil] koken, zieden; (steen)- 

puist. 
boiler ['boila] kook-, stoomketel. 
boisterous ['boistaras] onstuimig, ru- 

moerig. 
bold [bould] stout (moedig), koen, 

vrijpostig; vet [drukletter] ; make ^~^ 

to, zich verstouten, zo vrij zijn om. 
bole [boul] boomstam. 
bolster ['boulsta] peluw; steun; vt — 

{up), steunen. 
bolt [boult] bout, grendel; pijl; blik- 

semstraai; he did a ■ — , he made a 

— for it, hij ging er vandoor; vt 

grendelen; naar binnen slaan; vi er 

vandoor gaan; '~ upright, kaars- 

recht. 
bomb [bam] bom; /■/ bombarderen. 
bombard [bam'baid] bombarderen. 
bombardment [bam'baidmant] bom- 

bardement o. 
bombast ['bombjest] bombast. 
bombastic [bam'bsstik] bombastisch. 
bomber ['bama] bommenwerper. 
bomb-proof ['bampru:f] bomvrij. 
bond [band] band; verphchting; obli- 

gatie; in ■ — ■, in entrepot; vl in en- 



bondage 27 



bottom 



trepot opslaan. 
bondage L'bDndidg] slavernij. 
bonded ['b^ndid] (in 't entrepot) op- 

geslagen; — warehouse, veem o. 
bondholder ['bDndhoulds] obligatie- 

houder. 
bond(s)man ['b3nd(z)m3n] slaaf. 
bone [boun] been o\ graat; make no 

— s about, geen been zien in; het 

niet onder stoelen of banken ste- 

ken; I've a — to pick with you, 

ik beb een appeltje met u te schil- 

len; to the -~, tot op het been, 

door en door; aj benen. 
bonfire ['bonfaia] vreugdevuur o. 
bonnet ['bsnit] (.vrouv/en)hoed; muts; 

(motor) kap. 
bonny ['boni] aardig, lief. 
bonus ['bounss] premie; tantieme o. 
bony ['bouni] beenachtig; knokig; 

gratig. 
booby ['bu:bi] domoor, sul. 
book [buk] boek o\ vt boeken; 

(plaats) bespreken; een kaartje ne- 

men. 
bookbinder ['bukbainds] boekbinder. 
book-case ['bukkeis] boekenkast. 
book-end ['bukend] boekensteun. 
booking-office ['bukigsfis] kaartjes- 

loket o. 
book-keeper ['bukkiipa] boekhouder. 
book-keeping ['bukki:pir)] boekhou- 

den o. 
bookmaker ['bukmeiks] bookmaker 

[bij wedrennen]. 
book-mark(er) ['bukma;k(3)] lees- 

wijzer. 
bookseller ['buksela] boekverkoper. 
book-stall ['bukst3:l] boekenstalletje o. 
boom [bu:m] (haven) boom; reclame; 

stijging V. prijzen; hoogconjunctuur; 

gedonder o, gedreun o\ vt reclame 

maken voor; vi donderen, dreunen; 

een hoogconjunctuur beleven. 
boon [bu:n] geschenk o\ gunst; ze- 

gen, weldaad. 
boor [bua] lomperd. 
boorish ['busrij] lomp. 
boost [bu:st] -^ {up), opdrijven; ver- 



hogen; reclame maken voor. 
boot [bu:t] laars, hoge schoen; the 

■ — ^.r, de schoenpoetser, de knecht 

[in hotel]; get the — , de bons 

krijgen; to — , daarbij, bovendien. 
boot-black ['bu.tblsek] schoenpoetser. 
booted ['bu;tid] gelaarsd. 
booth [bu:5] kraam, tent; hokje o. 
bootlace ['bu:tleis] ( schoen )veter. 
boot-polish ['buitpolij] schoensmeer 

o & m. 
booty ['bu;ti] buit. 
border ['bsida] rand, kant; grens- 

(streek); vt omranden; begrenzen; 

vi — on, grenzen aan. 
bore [b3:] (boor)wijdte; vervelend 

mens; vervelende zaak; vt boren; 

vervelen; V.T. v. bear. 
boredom ['bD;dam] verveling. 
born [bD:n] geboren. 
borne [bDinJ V.D. v. bear. 
borough ['bArs] stad; kiesdistrict o. 
borrow ['barou] lenen [van]; ontle- 

nen (aan, from, of). 
bosom ['buzsm] boezem; borst; 

schoot [der kerk]. 
boss [b3s] baas; leider; vt besturen; 

— the show, de lakens uitdelen. 
botanic(al) [b3'taenik(l)] botanisch. 
botanist ['botanist] plantkundige. 
botany ['botani] plantkunde. 

botch [botj] (op)lappen, (ver)brod- 
delen, verknoeien. 

both [bou6] beide; zowel als. 

bother ['baSa] gezanik o, last; vi za- 
niken; zich druk maken (om, 
about); vt tot last zijn, vervelen; — 
(/'/).', loop naar de pomp! 

bottle L'botl] fles, karaf; bos; vt bot- 
telen; in flessen doen (inmaken); 

— up, opkroppen [woede] ; vast- 
houden [schepen]. 

bottleneck ['bstlnek] nauwe doorgang, 
vernauwing; kneipunt o, belemme- 
ring, struikelblok o. 

bottom ['botam] bodem, grond; (be- 
neden)eind o; zitting [v. stoel]; 
at — , in de grond; at the -^ of, 
onderaan, onderin, achterin; he is 



bottomless 



at the — oj it, hij zit er achter; a] 

onderste. 
bottomless ['bstamlis] bodemloos. 
bough [bau] tak. 

bought [b3:t] V.T. & V.D. v. buy. 
bounce [bauns] (op)springen. 
bouncing ['baunsirj] kolossaal; stevig. 
bound [baund] grens; sprong; vi 

springen; terugkaatsen; vt beper- 

ken; begrenzen; V.T. & V.D. v. 

bind; — jor, op wag naar; be — 

to..., moeten... 
boundary ['baundari] grens (lijn). 
boundless ['baundlis] grenzeloos. 
bounteous ['bauntiss] mild(dadig). 
bountiful ['bauntiful] mild; overvloe- 

dig. 
bounty ['baunti] mild(dadig)heid; 

gift, premie. 
bouquet ['bukei] boeket o & m, rui- 

ker. 
bow [bau] buiging; boeg; vt buigen; 

[bou] boog; strijkstok; (losse) strik. 
bowels ['bauslz] ingewanden. 
bower ['baua] prieel o. 
bowl [boul] schaal, kom; (kegel)bal; 

-^s, balspel o\ kegelen o\ vi ballen; 

kegelen; bowlen [cricket]; (voort)- 

rollen. 
bowler ['boub] bolhoed. 
bowsprit ['bousprit] boegspriet. 
bow-window ['bou'windou] rond uit- 

springend venster o. 
box [bjks] docs, kist, koffer; bus; 

lege; hokje o; huisje o; (koetsiers)- 

bok; klap, oorvijg; vi boksen; vt 

(cm de oren) slaan. 
boxer ['bDkss] bokser. 
Boxing-day ['bDksirjdei] tweede kerst- 

dag. 
box-iron ['bsksaisn] strijkijzer o. 
box-office ['bsksDfis] bespreekbureau 

o, kassa. 
boy [bsi] jongen. 

boycott ['boikot] boycot; vt boycotten. 
boyhood ['bsihud] jongenstijd; jon- 

gens. 
boyish ['bsiij] jongensachtig, jon- 

gens-. 



28 brazen 

boy scout ['bDi'skaut] padvinder. 
brace [breis] paar o, koppel o\ — and 

bit, boor; '^j, bretels. 
bracelet ['breislit] armband. 
bracing ['breisirj] versterkend, op- 

frissend. 
bracken ['brzekn] varen(s). 
bracket ['braekit] console; klamp; '-'S, 

haakjes; vt tussen haakjes plaatsen. 
brackish ['brsekij] brak [water], 
brag [braeg] pochen, bluffen (op, of). 
braggart ['brsgst] snoever. 
braid [breid] vlecht; (veter)band o & 

m; tres; vt vlechten; boorden. 
brain [brein] brein o, hersenen; ver- 

stand o; ■ — s, hersens. 
brake [breik] rem; varen(s); vt rem- 

men. 
bran [brsen] zemelen. 
branch [bra:n(t)J] (zij)tak, arm; 

(leer)vak o, filiaal o, afdeling; vi 

zich vertakken. 
branch-office ['bra:n(t)j3fis] bijkan- 

toor o. 
brand [brasnd] (brand)merk o; vt 

(brand)merken. 
brandish ['brsendij] zwaaien met. 
bran(d)-new ['br£en(d)'nju:] fonkel- 

nieuw. 
brandy ['brsndi] cognac, 
brass [bra:s] (geel)koper o, messing 

o\ aj (geel)koperen. 
brass band ['braisbeend] fanfare- 

korps o. 
brass-works ['bra:sw3;ks] kopergiete- 

rij. 
brat [brast] kind o, jongetje o. 
brave [breiv] dapper; mooi, zwierig; 

vt braveren, tarten, trotseren. 
bravery ['breivsri] meed; praal, ver- 

toon o. 
brawl [bn:!] getier o; ruzie; vi ra- 

zen, tieren; tw'isten. 
brawn [broin] spier(en), spierkracht. 
brawny ['brD:ni] gespierd, sterk. 
bray [brei] gebalk o\ vi balken 

[ezel]; vt fijnstampen. 
brazen ['breizn] koperen; bronzen; 

fig onbeschaamd, brutaal. 



brazen-faced 



29 



bring 



brazen-faced ['breiznfeist] onbe- 
schaamd. 

Brazil [bra'zil] Brazilie o. 

Brazilian [brs'ziljsn] Braziliaan(s). 

breach [bri:tj] breuk; bres; kloof; in- 
breuk; schending. 

bread [bred] brood o. 

breadth [bredO] breedte. 

break [breik] breuk; af-, onderbre- 
king; aanbreken o; speelkwartier o; 
vt breken; afbreken; dresseren; ■ — 
away, zich loswerken, zich losruk- 
ken, zich losmaken; — d o lu n, fa- 
len, mislukken, bezwijken; niet meer 
kunnen; ^-^ i n, inbreken; africhten; 
dresseren; ■ — ■ into a house, in- 
breken; — u p, opbreken, uiteen- 
gaan; afbreken, slopen; ontbinden, 
verdelen, verbrokkelen, (doen) uit- 
eenvallen. 

breakdown ['breikdaun] in(een)stor- 
ting, mislukking; storing, defect o, 
panne, averij. 

breaker ['breika] breker; sloper; — s, 
branding. 

breakfast ['brekfast] ontbijt o\ vi ont- 
bijten. 

breakneck ['breiknek] halsbrekend. 

breakwater ['breikwD:t3] golfbreker. 

bream [bri:m] brasem. 

breast [brest] borst; make a clean 
■ — ■ of it, alles opbiechten. 

breath [breO] adem(tocht); luchtje o, 
zuchtje o. 

breathe [bri:S] ademen. 

breathless ['bre91is] ademloos. 

bred [bred] V.T. & V.D. v. breed. 

breeches ['britjiz] korte (rij)broek. 

breed [bri:d] ras o, soort; vt baren, 
telen, (aan)fokken, voortbrengen, 
opleiden, opvoeden. 

breeder ['briida] fokker. 

breeze [bri:z] bries. 

brethren ['breSrin] jig breeders. 

brevet ['brevit] brevet o. 

breviary ['briiviari] brevier o. 

brevity ['breviti] kortheid. 

brew [bru:] brouwsel o, treksel o\ vt 
brouwen; zetten [thee]; vi ■ — ■ up, 



thee zetten. 
brewer ['brua] brouwer. 
brewery ['bruari] brouwerij. 
bribable ['braibabl] omkoopbaar. 
bribe [braib] steekpenning; vt om- 

kopen. 
bribery ['braibari] omkoperij. 
brick [brik] (bak)steen o Si m [stof- 

naam], (bak)steen m [voorwerps- 

naam]; aj (bak)stenen; vt — up, 

dichtmetselen. 
bricklayer ['brikleia] metselaar. 
brickwork ['brikwa:k] metseiwerk o; 

— s, . steenbakkerij. 
bridal ['braidal] bruids-, trouw-. 
bride [braid] bruid. 
bridegroom ['braidgru:m] bruidegom. 
bridesmaid ['braidzmeid] bruids- 

meisje o, 
bridesman ['braidzman] bruidsjonker. 
bridge [brids] brug; bridge o [kaart- 

spel]; — oj boats, schipbrug; vt 

overbruggen. 
bridle ['braidl] toom, teugel; vt to- 

men; beteugelen. 
brief [bri:f] kort, beknopt; vt instru- 

eren. 
brief case ['bri:fkeis] aktentas. 
briefness ['bri:fnis] kortheid. 
brig [brig] brik [schip]. 
brigade [bri'geid] brigade. 
bright [brait] helder, schitterend; 

vlug, pienter; opgewekt. 
brighten ['braitn] op-, verhelderen; 

opvrolijken. 
brightness ['braitnis] helderheid; 

vlugheid, pienterheid. 
brilliancy ['briljansi] glans, schitte- 

ring; jig uitmuntendheid. 
brilliant ['briljant] schitterend; bril- 

jant. 
brim [brim] rand. 
brimful ['brimful] boordevol. 
brimstone ['brimstan] zwavel. 
brine [brain] pekel; zilte nat o. 
bring [brirj] (mee)brengen; halen; -^ 

about, tot stand brengen; aanrich- 

ten; — on, veroorzaken, tot stand 

brengen; berokkenen; •^ round, 



brink 



30 



buffet 



iemand (weer) bijbrengen, er bo- 

venop halen. 
brink [brir)k:] kant, rand; on the '-~ 

of..., ook: op het punt van... 
briny ['braini] zilt, zout. 
brisk [brisk] levendig, vlug, wakker. 
bristle ['brisl] borstels. 
Britain ['britn] (Great) — , Groot- 

Brittannie o, Engeland o. 
British ['britij] Brits, Engels; the ~-, 

de Britten, de Engelsen. 
Britisher ['britijs], Briton ['britsn] 

Brit, Engelsman. 
Brittany ['britani] Bretagne o. 
brittle ['britl] bro(o)s, breekbaar. 
broach [broutj] priem; (braad)spit o; 

vt aansteken; fig ter sprake brengen. 
broad [broid] breed, ruim, wijd; — 

daylight, klaarlichte dag; a — hint, 

een duidelijke wenk. 
broad-brimmed ['broidbrimd] breed- 

gerand. 
broadcast ['brD:dka:st] (radio) uitzen- 

ding, omroep; radiorede; aj radio-; 

vt draadloos uitzenden; vi voor de 

radio optreden; ook V.T. & V.D. 

V. broadcast; — ing cotnpany, (ra- 
dio) omroepvereniging. 
broadcaster ['bn):dka:st3] radiospre- 

ker, -reporter, -artiest. 
broaden ['brD:dn] (zich) verbreden. 
broad-minded ['brD;dmaindid] ruim 

van opvatting. 
brocade [brs'keid] brokaat o. 
broil [brDil] tumult o\ vt roosteren. 
broke [brouk] V.T. v. break. 
broken ['broukn] V.D. v. break; — 

down, geruineerd; doodop. 
broker ['brouks] makelaar. 
brokerage ['broukarids] makelarij; 

makelaarsloon o, courtage. 
bromine ['broumi;n] broom o. 
bronze [brDnz] brons o. 
brooch [broutj] broche. 
brood [bru:d] broed(sel) o; gebroed 

o\ vt (uit)broeden. 
brook [bruk] beek; vt dulden. 
broom [brurm] brem; bezem. 
Bros. := Brothers, Gebr(oeders). 



broth [brDG] bouillon. 
brother ['brASa] broe(de)r. 
brotherhood ['brASshud] broeder- 

schap. 
brother-in-law ['brASsrinb:] schoon- 

broe(de)r, zwager. 
brotherly ['brASali] broederlijk. 
brought [brD:t] V.T. & V.D. v. 

bring. 
brow [brau] wenkbrauw, voorhoofd o. 
brown [braun] bruin. 
brownie ['brauni] kabouter. 
browse [brauz] (af)grazen; fig gras- 

duinen (in, among, on). 
bruise [bru:z] kneuzing, buil; vt 

kneuzen. 
brunt [brAnt] schok, stoot, aanval. 
brush [brAj] borstel; kwast; penseel o; 

kreupelhout o; schermutseling; vt 

(af)borstelen; strijken langs, (even) 

aanroeren; ■— up fig opfrissen. 
brushwood ['brAjwud] kreupelhout o. 
Brussels L'brAslz] Brussel(s). 
brutal ['bruitsl] beestachtig, onmense- 

lijk, wreed; ruw. 
brutality [brui'tEliti] beestachtig- 

heid, onmenselijkheid, wreedheid; 

ruwheid. 
brute [bru;t] woesteling, beest o\ aj 

dierlijk, woest. 
bubble ['bAbl] bobbel, (zeep)bel; vt 

borrelen. 
buck [bAk] (ree)bok; mannetje o [v. 

dieren]; n ,,bokken" [v. paard]; 

' — ■ up, moed houden (geven). 
bucket ['bAkit] emmer, puts. 
buckle ['bAkl] gesp; /'/ gespen; aan- 

gorden; om-, verbuigen. 
buckskin ['bAkskin] bukskin o. 
buckwheat ['bAk\vi:t] boekweit. 
bud [bAd] knop; kiem; vi uitkomen, 

(uit)botten, ontluiken. 
budge [bAdj] (zich) verroeren. 
budget ['bAdsit] begroting, budget o. 
buff [bAf] buffelieer o, zeemleer o; 

aj zeemkleurig. 
buffalo ['bAf3lo\i] buffei. 
buffer ['bAfa] buffer, stootblok a, 
buffet ['bufei] buffet o. 



buffoon 



31 



buffoon [bA'fu:n] hansworst, pias. 
bug [bAg] wandluis; torretje o. 
bugbear ['bAgbss] boeman. 
bugle ['bju:gl] (jacht)hoorn. 
bugler ['bju:gb] hoornblazer. 
build [bild] (lichaams)bouw; vt 

(op)bouwen, maken. 
builder ['bilda] bouwer, bouwmees- 

ter, aannemer. 
building ['bildii]] gebouw o\ '~ plot, 

— site, bouwterrein o. 
built [bilt] V.T. & V.D. V. build. 
built-in ['bilt'in] ingebouwd. 
bulb [bAJb] (bloem)bol; gloeilamp. 
bulb-grower ['bAlbgroua] (bloem)bol- 

lenkweker. 
Bulgaria [bAl'gearia] Bulgarije o. 
Bulgarian [bAl'gearian] Bulgaar(s). 
bulge [bAld3] uitpuilen, (op)2wellen, 

opbollen. 
bulk [bAlk] omvang, grootte, massa, 

gros o, meerderheid. 
bulky C'bAlki] dik, groot, lijvig. 
bull [bul] stier; (schot o in de) 

roos [v. schijf]; (pauselijke) bul; 

haussier. 
bulldog L'buldDg] bulhond. 
bullet ['bulit] (geweer)kogel. 
bulletin ['bulitin] bulletin o. 
bull-fight E'bulfait] stieregevecht o. 
bullion ['buljan] ongemunt goud o 

of zilver o. 
bullock E'bubk] os. 
bull's-eye ['bulzaij luchtgat o\ hut- 

venster o [schip]; (schot o in de) 

roos [v. schietschijf]. 
bully ['buli] bullebak, donderaar; vt 

ringeloren. 
bulrush C'bulrAj] (matten)bies. 
bulwark ['bulwak] bolwerk o\ ver- 

schansing [v. schip]. 
bump [bAmp] bail; knobbel; stoot, 

schok; bons; vt bonzen, stoten te- 

gen; kwakken. 
bumper ['bAmpa] vol glas o; bumper 

[v. auto]; a '—' crop, een record- 

oogst. 
bumpkin ['bAmpkin] pummel. 
bun [bAn] (krenten)broodje o. 



bush 

bunch [bAn(t)J] tros [druiven]; bos 
[sleutels]; troep, stel o, peloton o 
[wielrenners]. 

bundle ['bAndl] bundel, bos. 

bungalow ['bArjgslou] landhuis o. 

bungle C'bArjgl] (af-, ver)knoeien. 

bunk [bAfjk] slaapbank, kooi. 

bunker ['bArjks] kolenruim o [op 
schepen] ; vi kolen innemen. 

bunny L'bAni] konijn o; eekhorentje o. 

buoy [bDi] boei, ton. 

buoyancy ['bsiansi] opgewektheid. 

buoyant ['boiant] opgewekt. 

bur [ba:] klis. 

burden ['b3:dn] last, vracht; druk [v. 
belastingen]; tonneninhoud [v. 
schip]; refrein o, hoofdthema o\ 
vt beladen; belasten; bezwaren. 

burdensome ['baidnssm] zwaar. 

bureau ['bjuarou] bureau o; schrijf- 
tafel. 

bureaucracy [bju'rokrasi] bureau- 
cratic. 

bureaucrat ['bjuarskraet] bureaucraat. 

bureaucratic [bjuara'kraetik] bureau- 
burglar E'baigb] inbreker. [cratisch. 

burglary ['b3:gl3ri] inbraak. 

burgle C'baigi] inbreken (in, bij). 

burgomaster ['baigsmaista] burge- 
meester. 

burial ['berial] begrafenis; — ground, 
^-^ -place, begraafplaats. 

burly ['b3:Ii] zwaar(Iijvig), dik. 

burn [b3:n] brandwonde; vt & vi 
(ver)branden. 

burner ['b3:n3] brander. 

burnish ['b3:nij'] polijsten. 

burnt [b3;nt] V.T. & V.D. van burn. 

burrow ['bAiou] wroeten, woelen, 
graven. 

burst [b3:st] barst; uitbarsting; vt 
doen barsten; open-, door-, verbre- 
ken; vi (open-, los-, uit) barsten; 
— into, uitbarsten in; binnenstor- 
men; V.T. & V.D. v. burst. 

bury ['beri] begraven; bedekken. 

bus [bAs] (omni)bus. 

bush [buj] struik(en); haarbos; wil- 
dernis. 



bushel 



32 



bushel E'bujl] schepel o Si. m. 

busily ['bizili] druk. 

business ['biznis] bezi.cheid, zaak, za- 

ken; bedrijf o, beroep o, werk o, 

taak; gedoe o. 
business-man ['biznizmzen] zakenman. 
bust [bAst] borst; borstbeeld o. 
bustle E'bAsl] gewoel o, drukte; v'l in 

de weer zijn, zich reppen. 
busy E'bizi] (druk) bezig; druk. 
busybody E'bizibDdi] bemoeial. 
but EbAt] maar; behalve; - — jor, zon- 

der. 
butcher E'butja] slager. 
butchery E'butjsri] slagerij; slach- 

ting. 
butler E'bAtb] butler Echef-huis- 

knecht]. 
butt EbAt] doel o, mikpunt o\ dikke 

eind o, stomp, stompje o\ kolf. 
butter E'bAta] boter. 
buttercup E'bAtskAp] boterbloem. 
butter-dish E'bAtsdif] botervlootje o. 
butterfly E'bAtsflai] vlinder. 



call 

buttermilk E'bAtsmilk] karnemelk. 

button E'bAtn] knoop; knop; the ■ — 3, 
de piccolo Ein livrei]; have a — 
loose, niet goed snik zijn; vt ■ — 
{up), dichtknopen. 

buttonhole E'bAtnhoul] knoopsgat <?; 
bloem voor knoopsgat; vt fig aan- 
klampen. 

buxom E'bAkssm] glunder, stevig. 

buy Ebai] kopen. 

buyer E'bais] koper. 

buzz EbAz] gonzen, zoemen. 

by Ebai] door, bij, van, aan, naar, 
volgens, met, voorbij, over, per, te- 
gen; --^ himself, alleen; — itself, 
alleen; op zichzelf; — a)7d ■ — ■, 
straks; ■ — ■ the — (e), tussen twee 
haakjes. 

bye-bye E'bai'bai] daag!; go to — , 
gaan slapen. 

bygone E'baigon] vroeger, voorbij. 

bystander E'baistjenda] toeschouwer. 

by-street E'baistriit] zijstraat. 

byword E'baiw3:d] spreekwoord o. 



c Esi:] (de letter) c. 

cab [kseb] huurrijtuig o\ taxi; cabine 

Ev. vrachtauto]. 
cabaret E'ksbarei] cabaret o. 
cabbage E'kaebids] kool. 
cabby E'ka^bi] (huur)koetsier. 
cabin E'kaebin] hut, kajuit, cabine. 
cabinet E'keebinit] kabinet o. 
cable E'keibI] kabel; ( kabel ) telegram 

o\ vt telegraferen. 
cabman E'kaebman] (huur)koetsier. 
cacao Eka'kaiou, ks'keiou] cacao, 
cackle E'kskl] gekakel o\ vi kakelen. 
cactus E'kaektas] cactus. 
cad Ekasd] poen, ploert. 
caddie E'kasdi] golf-jongen. 
cadence E'keidsns] cadans, ritme o. 
cadet Eka'det] cadet. 
cadre E'kaids] kader a. 
cafe E'kaefei] cafe o. 



cafeteria [kaefi'tiaria] cafetaria. 

cage Ekeids] kooi; vt (in een kooi) 
opsluiten. 

cajole Eka'dsoul] vleien. 

cake Ekeik] koek, gebak o, taart; stuk 
o Ezeep]. 

calamitous Eka'lsemitas] rampspoedig. 

calamity Eks'Iasmiti] ramp. 

calculate E'kselkjuleit] (be)rekenen. 

calculation Ekaslkju'leijsn] bereke- 
ning. 

calculator E'kajikjuleita] (be)reke- 
naar; rekenmachine. 

calendar E'kslinds] kalender. 

calf Eka:f] kalf o; kalfsleer o; kuit 
Ev. h. been]. 

calibre E'kaelibs] kaliber o. 

calico E'kaelikou] calico (t) o. 

call EkDil] roep; geroep o\ (op) roe- 
ping; oproep; telefoongesprek o, te- 



call-box 



33 



canvas 



lefoontje o\ signaal o, fluitje o; be- 
zoek o\ vt roepen, bijeenroepen, af- 
kondigen; oproepen; opbellen; (be)- 
noemen; melden [bij het kaartspel]; 
vi aanlopen, komen; X has — ed, 
X is er geweest; — attention to, 
de aandacht vestigen op; — names, 
(uit)schelden; "-^ at, aanlopen bij; 
aandoen; — j o r, vragen om of 
naar; bestellen; vereisen; — • ojj, 
weg-, terugroepen; afgelasten; •~ 
n, een bezoek afleggen bij; een 
beroep doen op; ~' round, eens 
aankomen; — // p, oproepen; opbel- 
len. 

call-box ['koilbsks] telefooncel. 

caller ['koib] bezoeker. 

calligraphy [ka'ligrafi] schoonschrijf- 
kunst. 

calling ['kD:lii)] roeping; beroep o. 

callosity [ks'bsiti] vereelting; jig on- 
gevoeligheid. 

callous ['ksebs] vereelt; jig ongevoe- 
lig. 

calm [ka:m] kalmte; windstilte; a'j 
kalm; vt bedaren. 

calumniate [ks'lAmnieit] (be)lasteren. 

calumniator [ka'lAmnieita] lasteraar. 

calumny ['kEelsmni] laster(ing). 

Calvinist ['kiclvinist] calvinist. 

calyx ['kei-, 'kasliks] (bloem)kelk. 

cambric E'keimbrik] batist o. 

came [keim] V.T. v. come. 

camel ['kasmsl] kameel. 

camera ['kaemsrs] camera. 

camomile ['ksemamail] kamille. 

camouflage ['k£emuf]a:3] camouflage; 
vt camoufleren. 

camp [kiemp] kamp o\ vt 8c vi (zich) 
legeren, kamperen. 

campaign [kaem'pein] veldtocht, cam- 
pagne. 

camper ['koemps] kampeerder. 

camphor ['kaemfa] kamfer. 

camping-ground, -^-site ['kaempirj- 
graund, -sait] kampeerterrein o. 

can [ksen] kan; blik o; vi kunnen; 
vt inblikken [vices]. 

Canada ['kjensda] Canada o. 



Canadian [ka'neidjan] Canadees. 
canal [ks'nasl] kanaal o, vaart. 
canary [ka'ngari] kanarie(vogel). 
cancel ['kaenssl] (door)schrappen, 

doorhalen; afstempelen; intrekken, 

annuleren, opheffen, afgelasten, af- 

bestellen, afschrijven; — (out), 

(elkaar) opheffen, wegvallen tegen 

(elkaar). 
cancellation [ksensa'leijan] schrap- 

ping, doorhaling; afstempeling; in- 
trekking, opheffing. 
cancer ['kssnss] kanker. 
candelabrum [ksendi'leibram] kande- 

laber. 
candid ['ksendid] oprecht. 
candidate ['kasndidit] kandidaat. 
candidature ['ksndiditja] kandida- 

tuur. 
candle ['kaendlj kaars. 
Candlemas ['ktendlmss] Lichtmis. 
candlestick ['ksendlstik] kandelaar; 

jlat ■ — ■, blaker. 
candour ['ksnds] oprechtheid. 
candy ['kaendi] kandij; vt konfijten; 

kristalliseren. 
cane [kein] riet o, rotting; (wandel)- 

stok; suikerriet o. 
cannibal ['ksenibal] kannibaal. 
cannibalistic [kseniba'listik] kanni- 

baals. 
cannon ['kiEnsn] kanon o. 
canny ['kseni] slim; voorzichtig; zui- 

nig. 
canoe [ka'nu:] kano. 
canon ['ksenan] canon, (kerk)regel;. 

kanunnik, domheer. 
canonization [k£en3nai'zeij3n] heilig- 

verklaring. 
canopy ['kaenspi] (troon)hemel; ge- 

welf o. 
cant [ksent] dieventaal; gefemel o. 
canteen [kaen'tiin] kantine. 
canter ['kasnta] korte galop. 
canticle ['kasntikl] lofzang. 
canto E'kEntou] zang. 
canton ['ksentsn] kanton o. 
canvas ['ksnvas] zeildoek o & m; 

doek 0. 



Eng. Zakwrdbk. 11 



canvass 



34 



carpenter 



canvass ['kaenvss] werven; onderzoe- 

ken, bespreken. 
canvasser ['kaenvasa] (werf) agent, 

colporteur. 
caoutchouc ['kautjuk] caoutchouc o 

&. VI. 

Z3.p [kasp] muts, pet, kap; dop. 

capability [keipa'biliti] bekwaam- 
heid; vermogen o. 

capable ['keipsbl] bekwaam. 

capacious [ka'peijas] ruim. 

capacity [ka'passiti] bekwaamheid, 
vermogen o, ruimte, inhoud. 

cape [keip] kaap; pelerine. 

caper ['keipa] (bokke)sprong. 

capital C'kaepitl] kapitaal o\ hoofd- 
stad; hoofdletter; aj hoofd-; uit- 
muntend; — punishment, doodstraf. 

capitalist ['kaepitslist] kapitalist; a; 
kapitalistisch. 

capitulate [ks'pitjuleit] capituleren. 

capitulation [kspitju'leijan] capitula- 

capon ['keipsn] kapoen. [tie. 

caprice [ka'priis] luim, gril. 

capricious [ka'prijas] grillig. 

capsize [kaep'saiz] kapseizen, omslaan. 

capstan ['ksepstsn] kaapstander. 

capsule ['kaepsju;l] capsule. 

captain ['kasptin] veldheer, kapitein, 
gezagvoerder; aanvoerder. 

captious ['kaepjss] misleidend; spits- 
vondig; vitterig. 

captivate ['kceptiveit] boeien, bekoren. 

captive ['kseptiv] (krijgs)gevangene; 
aj gevangen. 

captivity [ksp'tiviti] gevangenschap. 

capture ['kasptjs] vangst; gevangen- 
neming; verovering; vt vangen, ge- 
vangen nemen, buitmaken; innemen. 

Capuchin ['kasputjin] kapucijn. 

car [ka;] kar; wagen; auto. 

carat ['kzerst] karaat o. 

caravan ['ksersvaen] karavaan; woon- 
wagen; kampeerwagen. 

carbine ['ka:bain] karabijn. 

carbon ['kaiban] kool(stof); carbon- 
( papier o) . 

carbon copy ['kaibankopi] doorslag. 

carbonic [ka/bsnik] ~^ acid, kool- 



zuur o. 

carbuncle ['ka:bAr)kl] karbonkel, 
puist. 

carburettor ['kaibjureta] carburator. 

carcass ['kaikas] karkas o & v, ge- 
raamte o. 

card [ka:d] (speel)kaart; (visite)- 
kaartje o. 

cardboard ['ka:dbD:d] bordpapier o, 
karton o. 

cardinal ['kaidinsl] kardinaal; aj 
voornaamst, hoofd-. 

card-index ['ka:dindeks] kaartsysteem 
o. 

care [kea] zorg; — oj..., per adres 
...; with — I, voorzichtig! ; have a 
-~.', pas op!, wees voorzichtig!; 
take — , zich in acht nemen; take 
— oj, zorgen voor; zich in acht 
nemen of hoeden voor; vi '-^ 
{about), geven om, bezorgd zijn, 
zich bekommeren om; ■ — for, 
(veel) geven om, houden van; zor- 
gen voor; I don't ■ — ■ {a hit), ik geef 
er geen zier om; do you ■ — to...?, 
heb je zin om....' 

career [ks'ris] (loop)baan, carriere; 
in full -~, in voile vaart. 

careful ['kesful] zorgvuldig, nauw- 
keurig; zorgzaam; voorzichtig. 

careless ['keglis] zorgeloos, onver- 
schillig, slordig, nonchalant. 

caress [ka'res] liefkozing; vt liefko- 
zen, strelen. 

care-taker ['kesteika] huisbewaarder, 
concierge. 

cargo ['ka:gou] (scheeps) lading. 

cargo-boat ['kargoubout] vrachtboot. 

caricature ['ksrikatjua] karikatuur. 

carmine ['ka:main] karmijn(rood) o. 

carnage ['kainids] slachting. 

carnation [ka/neijsn] anjelier. 

carnival ['kainivsl] carnaval o. 

carol ['kaeral] lied o, zang; vi zingen. 

carp [ka:p] karper; vi vitten (op, 
at). 

car park ['ka:pa:k] parkeerplaats. 

carpenter ['kaipsnta] timmerman; vt 
timmeren. 



carpet 



35 



catcnword 



carpet ['ka:pit] tapijt o, (vloer)kleed 
o! 

carpet-bag ['kaipitbasg] valies o. 

carriage ['kaerids] wagen, rijtuig o; 
wagon; onderstel o\ vracht; vervoer 
o\ houding; — free, ■ — ■ paid, vracht- 
vrij. 

carrier ['kaeris] (bagage)drager; ver- 
voerder, voerman, vrachtvaarder; 
postduif; vliegdekschip o\ mitrail- 
leurswagen; - — ■ cycle, bakfiets, trans- 
portfiets; — plane, dekvliegtuig o. 

carrion ['fcaerian] kreng o, aas o. 

carrot ['kaerst] gele wortel, peen. 

carry ['kseri] dragen, (ver)voeren; 
(over-, mee)brengen; behalen, weg- 
dragen; er door krijgen; aannemen; 
(bij zich) hebben, bevatten; op- 
brengen, geven [rente]; -— oneself, 
zich houden, zich gedragen; -~ /'/ 
too jar, het te ver drijven; '— o f f, 
weg-, afvoeren [water], ontvoeren; 
behalen; ('t) er afbrengen; -~ o n, 
voortzetten; doorzetten, doorgaan; 
drijven, uitoefenen, voeren; jig huis- 
houden; zich aanstellen; ■ — ■ out, 
ten uitvoer brengen. 

cart [ka:t] kar, wagen; vt vervoeren 
(met een wagen). 

cartage ['ka:tid3] sleeploon o\ ver- 
voer o per as. 

carter ['kaita] voerman; sleper. 

cartilage ['kaitilids] kraakbeen a. 

cart-load ['ka:tloud] karrevracht. 

cartoon [ka:'tu:n] (politieke) (spot)- 
prent; tekenfilm; beeldverhaal o. 

cartridge ['ka:trid3] patroon. 

cartwright ['ka:trait] wagenmaker. 

carve [ka:v] (voor)snijden, kerven. 

case [keis] (pak)kist, kast; overtrek 
o 8i m, foedraal o, etui o; tas 
trommel, koker; geval o; (rechts) 
zaak; argument o, argumenten 
naamval; in — ..., voor liet geval 
dat...; in — oj..., in geval van.. 

cash [kaej] (gereed) geld o\ kas, kas 
sa; — {down'), contant; --' on de 
livery, rembours o\ in — , aan con- 
tanten; be in {out of) — , goed 



(niet) bij kas zijn; vt innen. 
cash-book ['kaejbuk] kasboek o. 
cashier [ks'Jis] kassier, caissiere; vt 

afdanken, zijn conge geven. 
cash payment ['kaejpeimant] contante 

betaling. 
cash price ['kaejprais] prijs a con- 
tant. 
casing ['keisirj] foedraal o, overtrek 

o 8i m, omhulsel o, verpakking. 
cask [ka:sk] vat o. 
cast [ka:st] worp, gooi; gietvorm; af- 

gietsel 0, model o; bezetting, rol- 

verdeling; aard, soort, tikje o; vt 

werpen; gieten [ijzer]; uitbrengen 

[stem]; — up, opwerpen, opslaan; 

optellen; V.T. & V.D. v. cast. 
castaway ['kaistawei] schipbreukeling; 

verworpeling; aj uit de koers ge- 

dreven; verongelukt. 
caste [ka:st] kaste. 
castigate ['ksestigeit] kastijden. 
castigation [kjesti'geijan] kastijding. 
casting ['ka:stir|] gietsel o\ gietstuk o. 
cast-iron ['kaist'aian] gietijzer o. 
castle ['ka:sl] slot o, kasteel o\ — s in 

the air, luchtkastelen. 
castor ['kaista] kastoren hoed; rol- 

letje o [onder meubel]; strooier; 

set oj ■ — 'J, olie-en-azijnstel o. 
castor oil ['kaists'rDil] wonderolie. 
casual ['ka£3U3l] toevallig; los [werk- 

man] ; slordig, nonchalant. 
casualty ['kae3U3lti] toeval o\ verlies 

o\ casualties, doden en gewonden. 
cat [kaet] kat. 
catalogue ['kaetsbg] catalogus; vt 

catalogiseren. 
cataract ['ksetsraskt] waterval. 
catastrophe [ks'tsestrsfi] ramp. 
catch [kastj] vangst; klink; vt vatten; 

(op)vangen; pakken, grijpen; be- 

trappen; oplopen, te pakken krijgen; 

raken, treffen; (in)halen; -^ //, er 

van langs krijgen. 
catching ['kietjig] besmettelijk, aan- 

stekelijk; pakkend. 
catchword ['kaetj'ward] wachtwoord 

o\ (partij)leus. 



catechism 



36 



certify 



catechism ['kstikizm] catechismus. 
categorical [kasti'gorikl] categorisch, 

stellig, uitdrukkelijk. 
category ['kstigsri] categorie. 
cater ['keita] '~ for, verzorgen, zor- 

gen voor, bedienen, leveren. 
caterer ['keitara] leverancier, restau- 
rateur. 
caterpillar ['ksetapila] rups. 
cathedral [k3'6i:dr3l] kathedraal. 
catholic ['kasGalik] algemeen, ruim, 

veelzijdig; katholiek. 
Catholicism [ka'BDlisizm] katholicis- 

me o. 
catkin ['ka;tkin] katje o [v. wilg &]. 
cattle ['kastl] vee o. 
cattle plague ['ka^tlpleig] veepest. 
cattle show ['kaetljou] veetentoonstel- 

ling. 
caught [kD;t] V.T. & V.D. v. calch. 
cauldron ['koildrsn] ketel. 
cauliflower ['kDliflaua] bloemkool. 
caulk [kD:k] kalefateren, breeuwen. 
causal ['k3:z3l] oorzakelijk. 
cause [kD:z] oorzaak, reden; proces 
o; in a good — , voor een goede 
zaak; vt veroorzaken; doen, laten. 
caustic ['koistik] bijtend, scherp. 
caution ['k3:J'3n] cm-, voorzichtigheid; 

waarschuwing; vt waarschuwen. 
cautious ['kaijas] om-, voorzichtig. 
cavalry ['kEevslri] cavalerie. 
cave [keiv] hoi o, grot. 
cavern ['kasvsn] spelonk. 
caviar (e) [ka^vi'a:] kaviaar. 
cavil ['kjevil] haarkloven, vitten (op, 

at). 
cavity ['ksviti] holte. 
caw [ko:] krassen [v. raaf]. 
cayman ['keimsn] kaaiman. 
cease [si:s] ophouden (met, from), 

staken. 
ceaseless ['si:slis] onophoudelijk. 
cedar ['siids] ceder. 
cede [si:d] afstaan, afstand doen van. 
ceiling ['si:Iir)] plafond o, zoldering. 
celebrate ['selibreit] vieren; (de mis) 

opdragen, celebreren; feestvieren. 
celebrated ['selibreitid] beroemd. 



celebration [seli'breijan] viering; 

feest o. 
celebrity [si'lebriti] beroemdheid. 
celerity [si'leriti] spoed. 
celery ['sebri] selderij. 
celestial [si'lestial] hemels, heme!-. 
celibacy ['seiibasi] ongehuwde staat. 
cell [sel] eel. 
cellar ['seb] kelder. 
cellular ['seljub] celvormig; cellu- 

lair; eel-. 
Celt [selt, kelt] Kelt. 
Celtic ['sel-, 'keltik] Keltisch. 
cement [si'ment] cement o & m. 
cemetery ['semitri] begraafplaats. 
cenotaph ['senstaif] grafmonument o. 
censor ['senss] censor, zedenmeester; 

vt censureren. 
censorious [sen'sDirias] vitterig. 
censorship ['sensajip] eensuur. 
censurable ['senj'arabl] berispelijk. 
censure ['senja] berisping, afkeuring, 

(ongunstige) kritiek; vt (be)kriti- 

seren, afkeuren, berispen. 
census ['sensas] (volks) telling. 
centenary [sen'tiinari] eeuwfeest o\ 

aj honderdjarig. 
centipede ['sentipi:d] duizendpoot. 
central ['sentral] eentraal, middel-, 

midden-, kern-, hoofd-. 
centralize ['sentralaiz] eentraliseren. 
centre ['senta] centrum o, middelpunt 

o\ consultatiebureau o; ■ — - of grav- 
ity, zwaartepunt o. 
century ['sentjuri] eeuw. 
cereals ['siarialz] graan o\ haver- 

vlokken, roggevlokken e.d. 
ceremonial [seri'mounjal] ceremoni- 

eel (o). 
ceremonious [seri'mounjas] vorme- 

lijk, plechtig. 
ceremony ['serimani] plechtigheid; 

plichtpleging. 
certain ['sartn] zeker (van, of). 
certainty ['sa:tnti] zekerheid. 
certificate [sa/tifikit] getuigschrift o, 

eertifieaat o, diploma o. 
certified ['sa:tifaid] gediplomeerd. 
certify ['sa:tifai] verzckeren, verkla- 



cessation 



37 



Charlemagne 



ren; waarmerken. 
cessation [se'seijsn] stilstand. 
cession ['sejsn] (boeclel)af stand. 
chafe [tjeif] schuren, schaven [de 

huid]; (zich) ergeren. 
chaff [tja:f] kaf o\ vt gekscheren met, 

voor de gek houden, plagen. 
chaffer ['tjaefa] loven en bieden. 
chafing-dish ['tjeifirjdif] komfoor o. 
chain [tjein] ketting; keten; reeks; vt 

ketenen; ■ — ' up, vastleggen. 
chain store ['tJeinstD:] filiaal(bedrijf) 

o. 
chair [tjea] stoel, zetel; leerstoel; 

voorzittersstoel, voorzitterschap o, 

voorzitter. 
chairman ['tjesmsn] voorzitter. 
chalice ['tjaelis] kelk; beker. 
chalk [tjD;k] krijt o; not by a long 

— , op geen stukken na. 
chalky ['tjD:ki] krijtachtig. 
challenge ['tJjElin(d)3] uitdaging; 

wraking; vt uitdagen; betwisten, 

wraken; aanroepen ■ [door schild- 

wacht] ; — cup, wisselbeker. 
chamber ['tjeimbs] kamer; — oj 

commerce, kamer van koophandel. 
chamberlain ['tjeimbslin] kamerheer. 
chambermaid ['tjeimbameid] kamer- 

meisje o. 
chameleon [ka'miilisn] kameleon o 
chamois ['Jzemwa:] gems. [& w. 

champagne [Jam'pein] champagne. 
champion ['tjaempjsn] kampioen; 

voorvechter; vt strijden voor, voor- 

staan, verdedigen. 
championship ['tjaempjanfip] kam- 

pioenschap o\ jig verdediging, voor- 

spraak. 
chance [tja:ns] toeval o; kans; by ■—, 

toevallig; vi gebeuren; ■ — ' upon, 

toevallig vinden, ontmoeten; vt wa- 

gen; aj toevallig. 
chancellor ['tjatnssb] kanselier. 
chandelier [Jaenda'Iia] kroonluchter. 
change [tjein(d)3] verandering; klein- 

geld o; Change, de Beurs; vt (ver)- 

wisselen, om-, verruiien, verande- 

ren (van); — • {carriages) , over- 



stappen; — {one's clothes), zich 
verkleden; ■ — ■ one's mind, zich be- 
denken; — over, over-, omschake- 
Jen (op, to); overgaan (tot, to). 

changeable ['tjein(d)33bl] verander- 
lijk. 

channel ['tjasnl] (vaar)geul; kanaal 
o; jig baan, weg. 

chant [tjaint] gezang o\ dreun; vt 
(be)zingen; opdreunen. 

chaos ['keiDs] chaos. 

chaotic [kei'Dtik] chaotisch. 

chap [tjsp] kerel, vent; spleet; kloof, 
barst; vt splijten, doen barsten. 

chapel ['tjaepal] kapel; kerk. 

chaplain ['tjaeplin] (huis)kapelaan; 
veldprediker, aalmoezenier. 

chapter ['tj^pta] hoofdstuk o. 

char [tja:] verkolen. 

character ['ksrikts] karakter o, ken- 
merk o; hoedanigheid, rol; persoon, 
figuur, type o\ getuigschrift o\ let- 
ter. 

characteristic [kserikta'ristik] karak- 
teristiek, kenmerkend. 

characterize ['kasriktaraiz] kenmerken. 

charcoal ['tJa:koul] houtskool. 

charge [tjaids] last, lading; opdracht; 
zorg; pleegkind o, patient, pupil; 
(on)kosten, prijs; aanval, charge; 
beschuldiging; be in — dienst heb- 
ben, in functie zijn; in ^^ oj, be- 
last met (de zorg voor); toever- 
trouwd aan, onder de hoede van; 
lay it to his — , het hem ten laste 
leggen; vt (be)laden, belasten; op- 
dragen; (be)rekenen; debiteren; be- 
schuldigen (van, with); aanvallen, 
chargeren; — jor, in rekening bren- 
gen, vragen voor. 

chariot ['tjasriat] wagen. 

charitable ['tjaeritsbl] liefdadig, lief- 
derijk, barmhartig; zacht. 

charity ['tjjeriti] liefdadigheid, liefde; 
mildheid; — begins at home, het 
hemd is nader dan de rok. 

charlatan ['Jailstsn] kwakzalver. 

Charlemagne ['Jaib'mein] Karel de 
Grote. 



Charles 



38 



chill 



Charles [tja:lz] Karel. 

charm [tjaim] tovermiddel o\ tover- 

woord o\ betovering, bekoring; vt 

betoveren, bekoren. 
charming ['tjaimirj] bekoorlijk; aller- 

aardigst, verrukkelijk. 
chart [tja:t] tabel; C2ee)kaart; vt in 

kaart brengen. 
charter ['tj'a;t3] charter o, handvest 

o\ octrooi o\ oorkonde; vt charteren, 

huren [schip]. 
charwoman ['tjaiwuman] werkvrouw. 
chase [tjeis] jacht, vervolging; groef; 

vt jagen; achtervolgen. 
chaser ['tjeisa] jager. 
chasm [kaezm] kloof, afgrond. 
chaste [tjeist] kuis, eerbaar. 
chastise [tjaes'taiz] kastijden. 
chastisement ['tjasstizmsnt] kastijding. 
chastity ['tjaestiti] kuisheid, eerbaar- 

heid. 
chat [tjaet] gepraat o\ vt keuvelen. 
chatter ['tjaeta] geklapper o\ gesnater 

o\ vi klapperen; snateren, kakelen. 
chatterbox ['tjEtaboks] babbelkous. 
chatty ['tjasti] spraakzaam; babbelziek. 
cheap [tjiip] goedkoop. 
cheapen ['tjiipn] afslaan, in prijs 

(waarde) verminderen. 
cheat [tjiit] bedrog o\ bedrieger; vt 

bedriegen. 
check [tjek] schaak; beteugeling, be- 

lemmering, tegenslag; controle; re- 

gu o, sortie, fiche o Si v\ ruit; vt 

beteugelen; tegenhouden; belemme- 

ren; controleren. 
checkmate ['tjek'meit] schaakmat 

(zetten). 
cheek [tji:k] wang; brutaliteit. 
cheeky ['tjiiki] brutaal. 
cheer [tjia] vrolijkheid, opgeruimd- 

heid; toejuiching, hoera(geroep) o\ 

of good ■ — ■, opgeruimd; goeds- 

moeds; vt opvrolijken; aanmoedigen; 

toejuichen; vi juichen; • — ■ up,raoed 

scheppen (geven). 
cheerful ['tjiaful] vrolijk, opgeruimd. 
cheerless ['tjislis] triest, somber. 
cheese [tjirz] kaas. 



cheesemonger ['tJiizmAtjga] kaasko- 

per. 
chemical ['kemikl] chemisch, schei- 

kundig; chemisch produkt a. 
chemist ['kemist] scheikundige; apo- 

theker. 
chemistry ['kemistri] scheikunde. 
cheque [tjek] cheque. 
chequer ['tjeka] ruiten; schakeren. 
cherish ['tjerij] liefhebben; koesteren. 
cherry ['tjeri] kers. 
chervil ['tjaivil] kervel. 
chess [tjes] schaak (spel) o. 
chess-board ['tjesbsid] schaakbord o. 
chess-man ['tjesmasn] schaakstuk o. 
chest [tjest] kist, koffer; borst(kas); 

— of drawers, latafel. 
chestnut ['tfesn.vt] kastanje; aj kas- 

tanjebruin. 
chew [tju:] kauwen; pruimen. 
chewing-gum ['tJuiirjgAm] kauwgom 

m of o. 
chicane [Ji'kein] vitterij; vi vitten. 
chicken ['tjikin] kuiken o\ kip [als 

gerecht] . 
chicken-pox ['tjikinp^ks] waterpok- 

ken. 
chicory E'tjiksri] cichorei; Brussels 

lof o. 
chid [tjid] V.T. & V.D. V. chide. 
chidden ['tjidn] V.D. v. chide. 
chide [tjaid] (be)knorren, berispen. 
chief [tji;f] hoofd o, chef, leider; aj 

voornaamste, opperste, hoofd-; com- 
mander in — , opperbevelhebber. 
chiefly ['tji:fli] hoofdzakelijk. 
chieftain ['tji:ftin] (opper) hoofd o. 
chilblain ['tjilbleinl winter [aan 

handen of voeten]. 
child [tjaild] kind o. 
childhood ['tjaildhud] kindsheid. 
childish ['tjaildij] kinderachtig, kin- 

derlijk, kinder-. 
childless ['tjaildlis] kinderloos. 
childlike ['tjaildlaik] kinderlijk. 
children ['tjildran] meerv. v. child. 
chill [tjil] kilheid, koude, koelheid; 

aj koud, kil, koel; vt doen bekoe- 

len (bevriezen). 



chilly 



39 



churlish 



chilly ['tjili] kil, kouwelijk. 

chime [tjaim] klokkenspel o\ gelui o; 

vi luiden. 
chimera [kai'miara] hersenschim. 
chimerical [kai'merikl] hersenschim- 

mig. 
chimney ['tjimni] schoorsteen; 

lampeglas o. 
chimney-piece ['tj'imnipi:s] schoor- 

steenmantel. 
chimney-sweep (er) ['tj'imniswi:p(a)] 

schoorsteenveger. 
chin [tjin] kin. 

China ['tjains] China o\ a; Chinees. 
china ['tjaina] porselein o\ aj porse- 

leinen. 
Chinaman ['tjainaman] Chinees. 
Chinese ['tjai'ni:z] Chinees, Chine- 

zen; aj Chinees. 
chink [tjirjk] spleet, reet. 
chintz [tjints] sits o. 
chip [tjip] spaander; snipper; fiche 

o &. v; -~j-, frites, friet. 
chirp [tj3:p] tjiipen. 
chisel E'tJizI] beitel; vt (uit)beitelen. 
chit [tjit] peuter, ding o; briefje o. 
chivalrous ['(t)J'iv3lr3s] ridderlijk. 
chivalry ['(t)Jiv3lri] ridderhjkheid. 
chlorine ['kb:ri:n] chloor. 
chloroform ['kbirsfaim] chloroform. 
chlorosis [kb'rousis] bleekzucht. 
chock-full ['tjok'ful] prop-, tjokvol. 
chocolate ['tjDklit] chocola(de), cho- 

colaatje o. 
choice [tjDis] keus, verkiezing, 

(voor)keur; aj uitgelezen, uitge- 

zocht, keurig, fijn. 
choir ['kwaia] koor o. 
choke [tjouk] doen stikken, verstik- 

ken; verstoppen; stikken. 
cholera ['ksbrs] cholera. 
choleric ['kjlsrik] oplopend; toornig. 
choose [tjuiz] kiezen. 
chop [t^Dp] kotelet; kaak; vt kappen, 

hakken; ruilen. 
chopper t'tJDpa] hakmes o. 
choral ['kD:r3l] koor-, zang-. 
choral (e) [k^'rail] koraal o. [o. 

chord [kD:d] snaar; koorde; akkoord 



chorister ['korists] koorzanger; koor- 

knaap. 
chorus ['kD:r3s] koor o; refrein o. 
chorus-girl ['k3:rasg3:l] koriste. 
chose [tjouz] V.T. v. choose. 
chosen ['tjouzn] V.D. v. choose; uit- 

verkoren. 
Christ [kraist] Christus. 
christen ['krisn] dopen, noemen. 
Christendom ['krisndam] christen- 

heid. 
christening ['krisnirj] doop. 
Christian ['kristjan] christen; aj chris- 

telijk, christen-; ■ — ■ name, doop- 

naam, voornaam. 
Christianity [kristi'aeniti] Christendom 

o; christenheid. 
christianize ['kristjanaiz] kerstenen. 
Christmas ['krismas] Kerstmis; kerst-. 
Christmas box ['krismssbsks] kerst- 

geschenk o\ kerstfooi. 
Christmas carol ['krismss'kaeral] 

kerstlied o. 
chrome [kroum] chroom o. 
chromium ['kroumiam] chroom o. 
chromium-plated ['kroumiampleitid] 

verchroomd. 
chronic ['krDnik] chronisch. 
chronicle ['krDnikl] kroniek. 
chronology [kra'nobdsi] tijdreke- 

ning. 
chronometer [kra'nomita] chrono- 
meter. 
chubby ['tjAbi] mollig, poezelig. 
chuck [tjAk] streek [onder de kin]; 

vt (zacht) kloppen, strijken; smij- 

ten; de brui geven van. 
chuckle [tjAkl] klokken o; onder- 

drukte lach; vi klokken; onderdrukt 

lachen, gnuiven. 
chum [tjAm] kameraad. 
chunk [tjAfjk] brok m St. v oi o, 

homp. 
church [tjaitj] kerk. 
churchwarden ['tja:tj'w3:dn] kerk- 

meester, kerkvoogd; gouwenaar. 
churchyard ['tja:tj'ja:d] kerkhof o. 
churl [tja.l] boer(enpummel). 
churlish ['tjailij] lomp. 



churn 



40 



claw 



churn [tjain] karn; melkbus; vt kar- 

nen. 
cider ['saida] cider, appelwijn. 
cigar [si'ga:] sigaar. 
cigar-case [si'ga:keis] sigarenkoker. 
cigarette [sigs'ret] sigaret. 
cigar-holder [si'gaihould?] sigare- 

pijpje o. 
cinchona [sig'kouna] kina. 
cinder ['sinda] sintel. 
Cinderella [sinds'reb] Assepoester; 

fig assepoester. 
cine-camera ['sini'ksemara] filmtoe- 

stel o. 
cinema ['sinims] cinema, bioscoop. 
cinnamon ['sinsman] kaneel. 
cipher ['saifa] cijfer o\ cijferschrift o; 

a mere — , jig een nul; vi cijferen, 

rekenen. 
circle ['s3:kl] cirkel, kring; vt 

(rond)draaien, cirkelen. 
circuit ['s3:kit] kring(loop), omtrek; 

omweg; rondgang; rondvlucht; 

(stroom)baan. 
circuitous [s3;'kjuit3s] a — road, een 

omweg. 
circular ['saikjub] circulaire; a'^ 

rond; ~' letter, rondschrijven o\ — 

ticket, rondreisbiljet o. 
circulate ['s3:kjuleit] in omloop zijn 

(brengen) . 
circulation [ssikju'leijan] omloop; 

opiaag [v. krant]. 
circumference [ss'kAmfarans] om- 
trek. 
circumstance ['s3:k3mst3ns] omstan- 

digheid. 
circumstantial [saiksm'staenjal] om- 

standig, uitvoerig; bijkomstig. 
circus E'saikas] circus o 8i m; rond 

plein o. 
cistern ['sistan] (regen)bak. 
citadel ['sitsdl] citadel. 
citation [sai'teijan] dagvaarding; aan- 

haling. 
cite [sait] dagvaarden; aanhalen; 

noemen. 
cithern ['si93n] citer. 
citizen ['sitizan] burger; staatsburger. 



city ['siti] (grote) stad; binnenstad. 

civic ['sivik] burgerlijk, burger-; ste- 
delijk, stads-. 

civil ['sivil] burgerlijk, burger-, ci- 
vic!; beleefd, beschaafd. 

civilian [si'viljan] burger. 

civility [si'vilitij beleefdheid. 

civilization [sivilai'zeijan] bescha- 

civilize ['sivilaiz] beschaven. 

clad [klasd] V.T. & V.D. v. clothe. 

claim [kleim] eis; aanspraak, vorde- 
ring; reclame; vt (op)eisen, aan- 
spraak maken op; beweren. 

claimant ['kleimant] eiser. 

clamber ['klzemba] klauteren. 

clammy ['klsemi] klam; kief. 

clamorous ['klaeraaras] luid(ruchtig). 

clamour ['klsema] geroep o\ getier o\ 
vi roepen, tieren. 

clan [klsn] stam, geslacht o\ kliek. 

clandestine [kleen'destin] heimelijk, 
geheim, clandestien. 

clap [klsep] klappen, slaan. 

clapper ['klaepa] klapper, klepel. 

claret ['klserat] bordeaux (wijn). 

clarify ['klserifai] klaren, zuiveren; 
verhelderen; klaar worden. 

clarinet [klseri'net] klarinet. 

clarion ['klserian] klaroen. 

clarity ['klasriti] helderheid. 

clash [kicej] gekletter o; conflict o; 
botsing; vi kiinken, kletteren; bot- 
sen; — with, in botsing komen met, 
indruisen tegen; vloeken met. 

clasp [kla:sp] slot o\ omhelzing; 
handdruk; greep; vt sluiten; om- 
klemmen, omhelzen. 

clasp-knife ['kla:spnaif] knipmes o. 

class [kla:s] klas(se); vt rangschik- 
ken, indelen. 

classic ['klaesik] klassiek. 

classify ['klssifai] classificeren. 

clatter ['kljeta] klepperen, kletteren, 
rammelen. 

clause [kb:z] clausule; bijzin. 

claustral ['kb:stral] kloosterachtig. 

claw [kb:] klauw; schaar; haak; vt 
in zijn klauwen grijpen, klauwen, 



clay 



41 



krabben; flikflooien. 

clay [klei] klei, leem o & in\ aj van 
klei, lemen, aarden. 

clean [kliin] schoon, rein; totaal, he- 
lemaal [vergeten] ; — shaven, glad- 
geschoren; vt reinigen, schoonma- 
ken, poetsen. 

cleaner ['klirna] schoonmaker, reini- 
ger; stofzuiger. 

cleaning ['kliinirj] schoonmaak. 

cleanly ['klenli] zindelijk; ['kli:nli] 
schoon, rein. 

cleanse [klenz] reinigen, zuiveren. 

clear [klis] klaar, helder, duidelijk; 
dun [v. seep]; veilig, vrij; vt zui- 
veren, leeghalen, vrijmaken, ont- 
ruimen; schoonvegen; opruimen; 
verhelderen; ophelderen; aanzuive- 
ren, vereffenen [rekening] ; uit-, in- 
klaren; springen over; • — the table, 
de tafel afnemen; — one's throat, 
de keel schrapen; ■ — ■ the way, 
ruim baan maken. 

clearance ['klisrsns] opheldering; op- 
ruiming; — sale, uitverkoop. 

clearing ['klisrig] verrekening. 

clearly ['kliali] klaar, helder, duide- 
lijk; klaarblijkelijk. 

clear-sighted ['klia'saitid] scherp- 
ziend. 

cleave [kli:v] kloven, splijten, 
(door)klieven. 

clef [kief] (muziek)sleutel. 

cleft [kleft] kloof, spleet, barst; V.T. 
& V.D. V. cleave. 

clemency ['klemansi] zachtheid [v. 
weer] ; goedertierenheid. 

clement ['klemant] zacht [weer]; 
goedertieren. 

clench [klenj] op elkaar klemmen; 
(om)klemmen; ballen [de vuist]. 

clergy ['kl3:d3i] geestelijkheid. 

clergyman ['kbidsimsn] geestelijke, 
dominee. 

clerical ['klerikl] geestelijk; schrij- 
vers-, klerken-; — error, schrijf- 
fout. 

clerk [kla:k] klerk, schrijver: kan- 
toorbediende; griffier. 



cloth 

clever ['kleva] knap. 

clew [klu:] kluwen o. 

click [klik] getik o; pal; vt tikken. 

client ['klaisnt] client(e); klant. 

cliff [klif] steile rots. 

climate ['klaimit] luchtstreek, kli- 
maat o. 

climb [klaim] klim; vt klimmen; ■ — ■ 
doivn, een toontje lager zingen; vt 
beklimmen, klimmen in of op. 

clime [klaim] zie climate. 

clinch [klinj] vastklinken; beklinken; 
elkaar vastgrijpen [boksen]. 

cling [klir)] (aan)kleven, aanhangen; 
zich vastklemmen (aan, to). 

clinic ['klinik] kliniek. 

clink [klirjk] (doen) klinken, klinken 
met. 

clip [klip] knijper; vt (be)snoeien; 
knippen; scheren [schapen]; ^- his 
wittgs, hem kortwieken. 

clique [kli:k] kliek. 

cloak [klouk] mantel. 

cloak-room ['kloukrum] kleedkamer, 
vestiaire, garderobe. 

clock [kbk] klok; uurwerk o. 

clod [kbd] kluit, aardkluit. 

clog [kbg] klomp; belemmering; vt 
tegenhouden, belemmeren; over- 
laden; verstoppen. 

cloister ['kbista] klooster o. 

close [klous] gesloten, dicht; nauw; 
benauwd; nauwkeurig, (van) nabij; 
scherp, streng; vinnig [strijd]; in- 
tiem, innig, dik [v. vrienden]; gie- 
rig; (dicht)bij; — {up)on, (dicht)- 
bij, bijna; [klouz] slot o, eind o\ 
vt sluiten, eindigen; ■ — • down, slui- 
ten [fabriek]; — up, (aan)sluiten; 
verstoppen. 

close-fisted ['klous'fistid] gierig. 

closely ['klousli] dicht (op elkaar), 
nauw; van nabij; nauwkeurig. 

closet ['kbzit] kamertje o, kabinct o. 

closure ['klouga] sluiting; slot o. 

clot [kbt] klonter; klodder; vi klon- 
teren, stollen. 

cloth [kb6] laken o\ doek o 8i m 
[stofnaam], doek m = lap; tafel- 



clothe 42 

laken o; ■ — • binding, linnen band. 
clothe [klouS] kleden, bekleden. 
clothes ['klouSz] k]e(de)ren. 
clothes-horse ['klou3zhD:s] droog- 

rek o. 
clothes-peg ['klouSzpeg] wasknijper. 
clothier ['klouSia] Jakenkoper. 
clothitig ['klouSir)] (be)kleding; in- 

kleding. 
clotty ['kbti] klonterig. 
cloud [klaud] wolk; vt bewolken; 

verduisteren, benevelen. 
cloudy ['klaudi] bewolkt; troebel, be- 

trokken; duister. 
clout [klaut] (vaat)doek. 
clove [klouv] kruidnagel; anjelier. 

V.T. V. cleave. 
cloven ['klouvn] V.D. v. cleave. 
clover ['klouvs] klaver. 
clown [klaun] clown, hansworst. 
clownish ['klaunij] lomp. 
club [kUb] knuppel; golfstok; club; 

'— (j-), klaveren [kaartspel]. 
clubfoot ['kUb'fut] horrelvoet. 
cluck [kUk] klokken [kip]. 
clue [klu:] draad, aanwijzing. 
clump [kUmp] klomp. 
clumsy ['kUmzi] lomp, onhandig. 
clung [kUr)] V.T. & V.D. v. cltng. 
cluster ['kUsts] tros; groepje o. 
clutch [kUtJ] greep, klauw; koppe- 

ling [v. auto]; vt grijpen. 
coach [koutj] rijtuig o, koets, dili- 
gence; repetitor; trainer; vt klaar- 

maken (voor een examen); trainen. 
coachman ['koutjmsn] koetsier. 
coachwork ['koutJw3:k] carrosserie. 
coagulate [kou'asgjuleit] (doen) 

stremmen, (doen) stollen. 
coagulation [kouaegju'leijan] strem- 

ming, stolling. 
coal [koul] (steen)kool. 
coal-box ['koulboks] kolenbak. 
coalition [koua'lijsn] verbond o. 
coal-pit ['koulpit] kolenmijn. 
coal-scuttle ['koulsk.\tI] kolenemmer. 
coarse [k^is] grof, raw. 
coast [koust] kust. 
coastal ['koustal] kust-, 



cognate 



coasting-vessel ['koustirjvesal] kust- 
vaarder. 

coat [kout] jas; (dames) mantel; be- 
dekking; laag [verf]; vlies o; vel 
o, huid, vacht; schil; — oj arms, 
wapen(schild) o; vt bekleden; be- 
dekken; — ed, gejast; beslagen 
[tong]. 

coat-tail E'koutteil] jaspand. 

coax [kouks] vleien. 

cobble ['kobi] kei. 

cobbler ['kjbb] schoenlapper. 

cobweb ['kDbweb] spinneweb o. 

cock [ksk] haan; mannetje o [v. vo- 
gels]; kraan; (hooi)opper; vt schuin 
(op een oor) zetten [hoed]; spit- 
sen [de oren]; overhalen [geweer]. 

cockade [ks'keid] kokarde. 

cockatoo [kDks'tu;] kaketoe. 

cockchafer ['k^ktjeifa] meikever. 

cockleshell ['kDklJel] schelp; notedop 
[van een scheepje]. 

Cockney ['k^kni] Londenaar. 

cockpit ['kskpit] cockpit; stuurhut [v. 
vliegtuig]; strijdperk o. 

cockroach ['kokroutj] kakkerlak. 

cocksure ['ksk'Jua] zo zeker als wat; 
positief. 

cocktail ['kskteil] cocktail [drank]. 

coco (a) ['koukou] kokosnoot. 

cocoa ['koukou] cacao (boom). 

coco (a) -nut ['kouksnAt] kokosnoot. 

cocoon [k^'kuin] cocon [v. zijde- 
rups]. 

cod [kDd] kabeljauw. 

code [koud] code; wetboek o\ regels, 
voorschritten. 

cod-fish ['kodfij] kabeljauw. 

cod-liver oil ['kDdlivs'rDil] levertraan. 

coerce [kou'sis] dwingen (tot, into). 

coercion [kou'aijsn] dwang. 

coercive [kou'3:siv] dwingend; 
dwang-. 

coffee ['kDfi] koffie. 

coffer ['kDfs] koffer, (geld)kist. 

coffin ['kDfin] doodkist. 

cog [kjg] tand [v. rad]. 

cognate ['kogneit] verwant (aan, to, 
with) , 



cog-wheel 



43 



comedy 



cog-wheel ['logwi:!] tand-, kamrad o. 
coherence [kou'hiarsns] samenhang. 
coherent [kou'hiarant] samenhangend. 
coif [ksif] huif, kap, mutsje o. 
coil [kDil] kronkel(ing), winding; 

inductieklos. 
coin [kDin] munt; geld(stuk) o; vl 

slaan [munt]; munten; verzinnen; 

maken. 
coincide [kouin'said] samenvallen. 
coincidence [kou'insidans] samen- 

loop; toeval o. 
coke [kouk] cokes. 
cold [kould] kou(de), verkoudheid; 

a'l koud, koel. 
colic ['kolik] koliek o &i v. 
collaborate [ka'laebsreit] mede-, sa- 

menwerken. 
collaboration [kaljeba'reijsn] mede-, 

samenwerking. 
collaborator [ka'laebareits] mede- 

werker. 
collapse [ka'laeps] in(een)storten; in- 

eenzakken; mislukken. 
collapsible [ks'lsepssbl] opvouwbaar 

[boot]. 
collar ['kola] kraag; boord o Si m, 

boordje <?; halsband; vt bij de kraag 

pakken; een halsband aandoen. 
collarbone ['kabboun] sleutelbeen o. 
collateral [ko'laetsral] zijdelings, zij-. 
colleague ['kDli;g] ambtgenoot, col- 

lega. 
collect [ka'lekt] verzamelen, inzame- 

len, collecteren, ophalen; innen; — 

oneself, zich herstellen. 
collected [ka'Iektid] bedaard. 
collection [ka'lekjsn] verzameling; 

collecte; incassering; buslichting. 
collective [ka'lektiv] collectief, geza- 

menlijk, gemeenschappelijk. 
collector [ks'lekts] verzamelaar; col- 

lectant; incasseerder; ontvanger. 
college ['k^lids] college o; (afdeling 

van) universiteit. 
collide [ka'Iaid] (tcgen elkaar) bot- 

sen, in aanvaring komen. 
collier ['kalis] mijnwtrker, kolen- 

schip o. 



colliery ['koliari] kolenmijn. 
collision [ka'lissn] botsing, aanva- 
ring. 
collop ['kDbpJ lapje o [vlees]. 
colloquial [ka'loukwial] gemeen- 

zaam, spreektaal-. 
colloquialism [ka'loukwislizm] ge- 

meenzame zegswijze. 
colloquy ['kalakwi] samenspraak. 
collusion [k3'I(j)u:33n] (geheime) 

verstandhouding. 
Cologne [ka'Ioun] Keulen o. 
colon ['koubn] dubbele punt. 
colonel ['k3:n3l] kolonel. 
colonial [k3'lounJ3l] koloniaal. 
colonist ['kobnist] kolonist. 
colonize ['kabnaiz] koloniseren. 
colonnade [kjb'neid] zuilenrij. 
colony ['kobni] kolonie. 
Colorado beetle [kob'ra:doubi:tl] co- 

loradokever. 
colossal [ks'bsl] kolossaal. 
colossus [ka'bsss] kolos. 
colour ['kAb] verf; kleur; — s, vaan- 

del o, vlag; vt verven; kleuren. 
colour-blind ['kAbblaind] kleuren- 

blind. 
colourful ['kAbful] kleurig, schilder- 

achtig, interessant. 
colt [koult] veulen o. 
column ['kobm] zuil, kolom; colonne. 
colza ['kDlza] koolzaad o. 
comb [koum] kam; honingraat; vt 

kammen. 
combat ['kambst] gevecht o; single 

— , tweegevecht o\ vt bestrijden. 
combination [kambi'neijan] verbin- 

ding, vereniging, combinatie. 
combine [kam'bain] (zich) verbin- 

den, (zich) verenigen; combineren; 

['kombain] syndicaat o, consortium 

o; maai- en dorsmachine. 
combustible [ksm'bAStibl] brandbaar. 
combustion [kam'bAStJan] verbran- 

ding. 
come [kAm] komen; V.D. v. come. 
comedian [ka'miidian] toneelspeler, 

acteur; fig komediant. 
comedy ['komidi] blijspel o. 



comely 

comely ['kAmli] bevallig, knap; ge- 

past. 
comet ['komit] komeet. 
comfort E'kAmfst] troost; gemak o, 

gerief o, comfort o; welgesteldheid; 

vt (ver)troosten. 
comfortable ['kAmfstabl] behaaglijk, 

aangenaam, geriefelijk, gemakkelijk, 

op zijn gemak. 
comforter ['kAmfsta] trooster; bouf- 

fante; fopspeen. 
comic(al) ['kDmik(l)] komisch. 
coming ['kAmir)] komst; aj (toe)- 

komend. 
comma ['kDma] komma. 
command [ka'maind] bevel o\ com- 
mando o; beheersing; vt bevelen; 

commanderen, aanvoeren; bestrij- 

ken; beheersen, beschikken over; 

(af)dwingen. 
commander [ka'marnda] bevelhebber; 

aanvoerder; commandant. 
commandment [ka'maindmant] gebod 

o. 
commemorate [ks'memsreit] herden- 

ken, vieren. 
commemoration [kamems'reijan] her- 

denking; viering. 
commemorative [ka'memarativ] her- 

denkings-, gedenk-. 
commence [ka'mens] beginnen. 
commencement [ka'mensmsnt] begin 

0. 

commend [ka'mend] (aan)prijzen; 

aanbevelen. 
commendable [ks'mendsbl] prijzens- 

waardig. 
commendation [kDmen'deiJan] aanbe- 

veling, loftuiting, lof. 
comment ['koment] opmerking(en), 

commentaar ;« of o\ vi opmerken; 

---^ on, commentaar leveren op. 
commentary ['kDmsntari] uitleg, com- 
mentaar m of o, (radio)reportage. 
commentator ['kDmanteits] uitlegger, 

commentator, (radio) reporter. 
commerce ['kDm3;s] handel, verkeer 

o; omgang. 
commercial [ks'maijal] commercieel, 



44 community 

handels-, bedrijfs-, beroeps-, zaken-, 

zakelijk. 
commission [ks'mijan] ]ast(brief); 

opdracht; (officiers)aanstelling; 

commissie; vt machtigen; opdracht 

geven; bestellen; aanstellen. 
commissionaire [kamisjs'nea] kruier, 

besteller; portier. 
commissioner [ka'mijsna] commissa- 

ris. 
commit [ks'mit] begaan, plegen; toe- 

vertrouwen (aan, to); compromit- 

teren; ■ — ■ to prison, in de gevan- 

genis zetten; — oneself, zich (tot 

iets ver)binden. 
committee [ka'miti] commissie; 

comite o; bestuur o. 
commodious [ka'moudias] ruim. 
commodity [ks'mDditi] (koop)waar, 

(handels) artikel o. 
commodore ['kDmsda:] commodore. 
common ['ksman] gemeen(schappe- 

lijk); algemeen; gewoon; In — , 

gemeen(schappelijk); out of the — , 

ongewoon, buitengewoon. 
commonly ['lomanli] gewoon (lijk). 
commonplace ['kDmanpleis] gemeen- 

plaats; aj alledaags. 
commons ['komanz] burgerstand; 

(House of) Commons, Lagerhuis o. 
commonwealth E'kDmsnwelG] ge- 

menebest o. 
commotion [ka'moujan] opschudding. 
communicate [ka'mjuinikeit] medede- 

len (aan, to)\ gemeenschap hebben 

(met, ivitb). 
communication [ksmjuini'keijan] me- 

dedeling; gemeenschap, verbinding. 
communicative [ks'mjuinikeitiv] me- 

dedeelzaam. 
communion [ks'mjuinjan] gemeen- 
schap; omgang; Avondmaal o, com- 

munie. 
communism ['kDmjunizm] communis- 

me o. 
communist ['komjunist] communist; 

aj communistisch. 
community [ka'nijumiti] gemeen- 
schap, gemeente. 



commute 



45 



comply 



commute [ka'mjuit] veranderen (in, 

into), verwisselen; omzetten. 
companion [lom'psenjan] (met)gezel, 

kameraad. 
companionable [ksm'paenjsnsbl] ka- 

meraadschappelijk; gezeliig. 
company ['kAmpani] gezelschap o; 

maatschappij; compagnie; genoot- 

schap o, gilde o 8i v\ bemanning; 

hear — , gezelschap houden; keep 

— with, verkering hebben met. 
comparative [kam'pserativ] vergelij- 

kend; betrekkelijk; ■-— degree, ver- 

grotende trap. 
compare [ksm'pea] vergelijken. 
comparison [kam'paerisan] vergelij- 

king. 
compartment [ksm'paitmant] af de- 
ling, coupe. 
compass ['kAmpss] omvang; bestek o, 

bereik o; kompas o. 
compasses E'kAmpssiz] {a pair of) 

— , (een) passer. 
compassion [ksm'pasjsn] medelijden o 

(met, on). 
compassionate [ksm'pcejanit] mede- 

lijdend, meedogend. 
compatible [ksm'psetibl] bestaanbaar 

(met, with), verenigbaar. 
compatriot [kom'pastrist] landgenoot. 
compel [kam'pel] (af)dwingen. 
compendious [ksm'pendias] beknopt. 
compensate ['kampenseit] opwegen 

tegen; schadeloos stellen; — (/";•), 

goedmaken, vergoeden. 
compensation [kDrnpen'seiJan] (scha- 

de)vergoeding. 
compete [ksm'piit] wedijveren, con- 

curreren, mededingen (naar, for). 
competence ['kDmpitans] competen- 
cy ['kompitsnsi] bevoegdheid. 
competent ['kDmpitant] bevoegd, be- 

kwaam. 
competition [kampi'tijan] concurren- 

tie, -wedijver; wedstrijd. 
competitive [kam'petitiv] concurre- 

rend; vergelijkend [examen]. 
competitor [ksm'petita] concurrent; 

mededinger, deelnemer. 



compile [kam'pail] verzamelen; sa- 
menstellen. 

complacency [ksm'pleissnsi] (zelf)- 
voldoening. 

complacent [kam'pleisant] (zelf)vol- 
daan. 

complain [ksm'plein] klagen; zich 
beklagen (over, of). 

complaint [kam'pleint] beklag o; 
klacht; kwaal. 

complaisance [kam'pleizsns] voorko- 
mendheid; inschikkelijkheid. 

complement ['komplimsnt] aanvul- 
ling; vol getal o, vereiste hoeveel- 
heid; (volledige) bemanning. 

complementary [kDmpli'mentsri] 
aanvullend, aanvullings-. 

complete [kam'plirt] compleet, voile- 
dig, voltallig; volmaakt; vt vol- 
tooien; aanvullen, voltallig maken. 

completely [ksm'pliitli] totaal, ge- 
heel en al, volkomen, volslagen. 

completion [ksm'pliijan] voltooiing; 
aanvuUing. 

complex ['k^mpleks] complex o\ aj 
samengesteld, ingewikkeld. 

complexion [ksm'plekfan] gelaats- 
kleur; aanzien o, voorkomen o; aard. 

complexity [kam'pleksiti] samenge- 
steldheid, ingewikkeldheid. 

compliance [ksm'plaisns] inschikke- 
lijkheid; toestemming; in — with, 
overeenkomstig. 

compliant [ksm'plaiant] inschikkelijk. 

complicate ['komplikeit] ingewikkeld 
maken, verwikkelen; — d, ingewik- 
keld. 

complication [kjmpli'keijan] verwik- 
keling. 

complicity [ksm'plisiti] medeplich- 
tigheid (aan, in). 

compliment ['komplimant] plichtple- 
ging; compliment o; [kDmpli- 
'ment] vt gelukwensen (met, on), 
complimenteren. 

complimentary [ksmpli'mentsri] 
complimenteus. 

comply [ksm'plai] berusten, zich 
schikken (in, with); ■ — ■ with a 



component 



46 



conciliatory 



request, aan een verzoek voldoen. 

component [kam'pounsnt] bestand- 
deel o\ aj samenstellend. 

comport [kam'poit] — oneself, zich 
gedragen. 

comportment [ksm'pDitmant] gedrag 
o, houding. 

compose [kam'pouz] samenstellen, 
vormen; opstellen [brief]; zetten 
[drukwerk]; componeren; ■ — • one- 
self, zich herstellen; bedaren. 

composedly [ksm'pouzidii] bedaard. 

composer [kam'pouzs] samensteller; 
componist. 

composite ['kompazit] samengesteld. 

composition [kDmpa'ziJsn] samen- 
steliing; aard; compositie; opstel o. 

compositor [kam'pozita] letterzetter. 

composure [ksm'pouss] kalmte. ' 

compote C'kDmpout] compote. 

compound ['ksmpaund] samenstel- 
ling, mengsel o\ afgesloten terrain 
o, erf o [v. oosters huis]; aj sa- 
mengesteld; [ksm'paund] rt samen- 
stellen; (ver)mengen, bereiden. 

comprehend [kDmpri'hend] cm-, be- 
vatten, insluiten; begrijpen. 

comprehensible [kDmpri'hensabl] be- 
grijpelijk._ 

comprehension [kDmpri'henJsn] om- 
vang; begrip o: verstand o. 

comprehensive [ksmpri'hensiv] veel 
omvattend, omvangrijk, uitgebreid. 

compress ['ksmpres] kompres o\ 
[ksm'pres] vt samendrukken. 

comprise [ksm'praiz] om-, bevatten. 

compromise ['ksmprsmaiz] compro- 
mis 0, vergelijk o\ schikking; vt 
schikken; compromitteren; vi een 
compromis sluiten. 

compulsion [ksm'pAlJsn] dwang. 

compulsory [kam'pAlssri] gedwon- 
gen, dwang-, verplicht; — service, 
dienstplicht. 

compunction [ksm'pAgkJan] wroe- 
ging; berouw o. 

computation [kDrapju'teiJan] (be)re- 
kening. 

compute [kam'pjuit] (be)rekenen 



(op, at). 

comrade ['komrid] kameraad. 

concave ['konkeiv] holte; aj hoi. 

conceal [ksn'siil] verbergen, (ver)- 
helen; verzwijgen. 

concealment [ksn'siilmant] verber- 
ging, (ver) haling; verzwijging; 
schuilplaats. 

concede [ksn'siid] toestaan; toegeven. 

conceit [ksn'siit] verbeelding, ver- 
waandhaid. 

conceited [kan'siitid] verwaand, 
eigenwijs. 

conceivable [kan'siivsbl] denkbaar, 
begrijpalijk. 

conceive [kan'siiv] begrijpen; opvat- 
ten; uitdrukken; — {of), zich 
voorstellen, denken. 

concentrate L'konssntreit] samentrek- 
ken, (zich) concentreren. 

concentration [konsan'treijan] samen- 
trekking, concentratie. 

conception [kan'sepjsn] bagrip o\ ont- 
werp o. 

concern [kan'sam] zaak, aangelegen- 
haid, ondernaming; belang o\ ba- 
zorgdheid, zorg; vt batraffen; ra- 
ken; — oneself, zich bekommeren. 

concerned [kan'sarnd] bezorgd; be- 
trokken; be — about, zich interes- 
saren voor, belang stellen in; be- 
zorgd zijn over (ook; at, for, over); 
be -~ in, batrokken zijn bij, te 
maken hebben met; zich bezighou- 
den met; / am ■ — ■ to show, het is 
mij er om te doen aan te tonen 
...; het spijt mij te moeten aan- 
tonen ...; be — with, zich bezig- 
houden met; te maken hebben met. 

concerning [kan'sainig] betraffande. 

concert ['kansat] overeenstemming; 
concert o\ [kan'sa:t] vt beramen. 

concession [kan'sejan] vergunning; 
concassie. 

conciliate [kan'silieit] verzoenen. 

conciliation [kansili'eijan] verzoe- 
ning. 

conciliatory [kan'siliatari] verzoe- 
nend, bamiddelend. 



concise 



47 



confidential 



concise [lon'sais] beknopt. 
conclude [kan'klutd] besluiten; slui- 

ten; concluderen. 
conclusion [kan'kluisan] besluit o, 

gevolgtrekking, slotsom; slot o. 
conclusive [ksn'kluisiv] beslissend, 

afdoend. 
concoct [ksn'kokt] beramen, smeden. 
concord ['konkD:d] eendracht. 
concordant [ksn'koidsnt] overeen- 

stemmend. 
concourse ['konkDis] toeloop, samen- 

loop; menigte. 
concrete ['kDnkri:t] vaste massa; ba- 
ton o\ a] vast; concreet; baton-; 

[kan'kriit] vt verdichten; verhar- 

dan; betonneran. 
concur [kan'ks:] overeenstemmen; hat 

aens zijn; samen-, medewerkan. 
concurrence [ksn'kArsns] samanloop; 

madewerking; overeanstamming, in- 
stemming. 
concurrent [ksn'kMsnt] gelijktijdig 

(optredand); meewarkend; ovar- 

eanstemmand, eenstammig. 
concussion [ksn'kAjan] schok; '—' {of 

the brain'), harsenschudding. 
condemn [kan'dam] varoordelen; doa- 

men; afkauren. 
condemnable [ksn'demnsbl] laakbaar, 

afkeurenswaardig. 
condemnation [kDndem'neiJan] ver- 

oordeling, afkeuring. 
condensation [kDnden'saiJan] conden- 

satie. 
condense [ksn'dans] condanseran. 
condescend [kDndi'send] afdalan (tot, 

to), zich verwaardigen. 
condescending [kondi'sendiij] neer- 

buigend (minzaam). 
condition [kan'dijsn] toestand; voor- 

waarda; rang, stand; vt bedingen; 

bepalen. 
conditional [kso'dijanal] voorwaar- 

dalijk; — on, afhankelijk van. 
conditioned [kan'dijand] bedongen; 

in aen ... staat, ... geaard. 
condole [kan'doul] ■ — with one on..., 

iemand condolaren met... 



condolence [kan'doubns] rouwba- 

klag o. 
condone [kan'doun] vergeven; goed- 

maken. 
conducive [ksn'djuisiv] bavorderlijk. 
conduct ['kondakt] gedrag o; leiding; 

[ksn'dAkt] vt (ge)laiden; basturen; 

dirigeren; — oneself well, zich goad 

gadragen. 
conductor [kan'dAkts] (ga)laider; di- 

rigant; conducteur. 
conductress [kaa'd/vktris] (ga)]aid- 

ster; conductrice. 
conduit ['kAodit, 'kondit] leiding, 

(galai)buis. 
cone [koun] kegal. 
confection [ksn'fekjsn] (toe)barei- 

ding; ( dames) confactie; suikargoed 

o; confituur; vt (toe)beraidan. 
confectioner [ksn'fekjsns] suikar- 

bakker, bankatbakkar. 
confectionery [ksn'fakjsnsri] suikar- 
goed o; suikarbakkarswinkal. 
confederate [kan'fedsrit] bondganoot; 

a] verbondan. 
confederation [kanfeda'raijsn] bond- 

genootschap o, (staten)bond. 
confer [ksn'fs:] varlenen (aan, upon); 

beraadslagen (met, with). 
conference ['konfsrans] conferentia. 
conferment [kan'fsimant] varlaning. 
confess [kan'fas] bakennan, erken- 

nan; belijdan, (op)biachtan. 
confession [kan'fejsn] bakentanis, 

(geloofs)belijdenis; biecht. 
confessional (box) [k3n'fej3n3l(bDks)] 

biechtstoel. 
confessor [kan'fesa] belijder; biecht- 

vader. 
confidant(e) [kanfi'dasnt] vertrouwe- 

]ing(e). 
confide [ksn'faid] vertrouwan (op, 

;a); toevartrouwen (aan, to). 
confidence ['kDnfid3ns] (2alf)vartrou- 

wan o; vrijmoadighaid; vartrouwe- 

lijke madadaling. 
confident ['kDnfidsnt] vol vertrou- 

wen, zeker; vrijmoedig. 
confidential [konfi'denjal] vertrou- 



confine 



48 



conscientious 



welijk; vertrouwd; — ■ clerk, pro- 

curatiehouder. 
confine ['kDnfain] grens; [ksn'fain] 

vt bepalen, beperken, begrenzen; 

opsluiten; vi grenzen (aan, on). 
confinement [ksn'fainmant] beper- 

king, begrenzing; opsluiting. 
confirm [ksn'fsim] bevestigen, be- 

krachtigen; • — 'ed drunkard, onver- 

beterlijke dronkaard. 
confirmation [kDnfa'meiJan] bevesti- 

ging, bekrachtiging. 
confiscate ['kDnfiskeit] verbeurd ver- 

klaren. 
confiscation [kDnfis'keiJsn] verbeurd- 

verklaring. 
conflagration [kDnfb'greiJan] (zwa- 

re) brand. 
conflict E'kDnflikt] botsing, conflict o; 

[ksn'flikt] vi strijden, in botsing 

komen (met, with); --^ing, (tegen)- 

strijdig. 
confluence ['kDnfluans] samenvloei- 

ing; toeloop. 
conform [ksn'fDim] (zich) schikken, 

richten, voegen (naar, to, with). 
conformity [kan'fDimiti] overeen- 

stemming. 
confound [ksn'faund] in de war bren- 

gen; beschamen; verijdelen; — ///, 

wat duivel! 
confounded [kan'faundid] verward, 

beschaamd; weergaas. 
confront [kan'frAnt] vergelijken (met, 

with); confronteren. 
confrontation [kDnfrAo'teiJan] verge- 

lijking; confrontatie. 
confuse [kan'fjuiz] verwarren. 
confusion [k3n'fju:33n] verwarring. 
congeal [ksn'dgi:!] (doen) stremraen, 

stollen, bevriezen. 
congelation [kondsi'leijan] strem- 

ming, stolling, bevriezing. 
congenial [ksn'dsiinial] (geest)ver- 

want (met, to, with); ■ — ■ to me, mij 

sympathiek; aangenaam. 
congenital [ksn'dsenitl] aangeboren. 
conger ['kogga] zeepaling. 
congestion [kan'dsestjan] opeenho- 



ping; opstopping; congestie. 
conglomeration [kangbms'reijan] 

ophoping, verzameling. 
congratulate [kan'grastjuleit] geluk- 

wensen (met, on, upon). 
congratulation [kangrstju'leijan] 

gelukwens. 
congratulatorj' [ksn'grsetjuleitari] 

gelukwensend, felicitatie-. 
congregate ['koggrigeit] vergaderen, 

bijeenkomen. 
congregation [korjgri'geijan] verza- 
meling, vergadering; (kerkelijke) 

gemeente, congregatie. 
congress ['kDijgres] congres o. 
conic(al) ['kDnik(l)] kegelvormig. 
conifer ['kounifa] conifeer, naald- 

boom. 
conjecture [ksn'djektja] vermoeden 

o; gissing; vt vermoeden; gissen. 
conjugate ['kDnd3ugeit] vervoegen. 
conjugation [ksndsu'geijan] vervoe- 

ging. 
conjunction [k3n'd3Ar)kJ'3n] vereni- 

ging; voegwoord o; in — with, sa- 

men met. 
conjunctive [k3n'd3Agktiv] aanvoe- 

gend(e wijs). 
conjure ['kAndsa] bezweren; toveren; 

goochelen; ■ — up, oproepen. 
conjurer ['kAndsars] goochelaar. 
connect [ka'nekt] verbinden; aanslui- 

ten, in verbinding staan. 
connection, connexion [ka'nekjan] 

verbinding, aansluiting; verband o; 

band; connectie. 
connive [ks'naiv] •—- at, oogluikend 

toelaten, door de vingers zien. 
connoisseur [kDoi'ss:] (kunst)kenner. 
conquer ['kDrjka] veroveren; over- 

winnen. 
conqueror ['kDijkara] overR'innaar; 

veroveraar. 
conquest ['korjkwest] overwinning; 

verovering. 
conscience ['konjsns] geweten o; 

have the — to, de brutaliteit heb- 

ben om. 
conscientious [kDnJi'enJas] nauwge- 



conscious 



49 



constellation 



zet; gewetens-. 
conscious ['IcDnJas] bewust; bij ken- 

nis. 
consciousness ['IcDnJasnis] bewustzijn 

0. 

conscript ['IcDnskript] dienstplichtige; 
[kan'skript] vt dienstplichtig ma- 
ken. 

conscription [ksn'skripjan] dienst- 
plicht. 

consecrate ['kDnsikreit] toe-, (in)- 
wijden, inzegenen, heiligen. 

consecration [kDnsi'kreiJsn] (in)wij- 
ding, inzegening, heiliging. 

consecutive [kan'sekjutiv] (opeen)- 
volgend. 

consensus [kan'sensss] overeenstem- 
ming. 

consent [kan'sent] toestemming; with 
one — , eenstemmig, eenparig; vi 
toestemmen (in, to). 

consequence ['konsikwans] gevolg o\ 
belang o, betekenis; in — , dienten- 
gevolge; in ■ — ■ of, ten gevolge van. 

consequent ['kDnsikwant] daaruit 
volgend; consequent. 

consequential [kansi'kwenjal] vol- 
gend; daaruit volgend; gewichtig. 

consequently ['kansikwantli] bijge- 
volg, dus. 

conservation [kDnsa'veiJan] behoud o. 

conservative [kan'saivativ] conserva- 
tief; aj behoudend, conservatief; ma- 
tig, voorzichtig [v. schatting]. 

conservatory [kan'sa;vatri] broeikas; 
muziekschool. 

conserve [kan'sarv] conserven (meest- 
al — s); vt bewaren, behouden; in- 
maken. 

consider [kan'sida] beschouwen; 
(het) houden voor; overwegen, in 
overv,'eging nemen, (be)denken; 
letten op; rekening houden met, 
ontzien; achten; van mening zijn. 

considerable [kan'sidarabl] aanzien- 
lijk, aanmerkelijk; geruim. 

considerate [kan'sidarit] zorgzaam, 
attent, kies. 

consideration [kansida'reijan] he- 



schouwing, overweging; achting; 

consideratie; vergoeding; the cost is 

no — , op de prijs zal niet gelet 

worden. 
considering [kan'sidarit)] (alles) in 

aanmerking genomen; naar omstan- 

digheden. 
consign [kan'sain] overdragen, toe- 

vertrouwen; in commissie zenden 

(aan, to); ■ — ■ to oblivion, der ver- 

getelheid prijsgeven. 
consignee [kansai'ni:] geconsigneer- 

de, geadresseerde. 
consigner [kan'saina] afzender. 
consignment [kan'sainmant] over- 

dracht; consignatie, zending. 
consist [kan'sist] bestaan (uit, of). 
consistent [kan'sistant] consequent; 

-^ with, verenigbaar met, overeen- 

komstig. 
consolation [kansa'leijan] troost. 
consolatory [kan'salatari] troostend. 
console [kan'soul] troosten. 
consolidate [kan'salideit] vastmaken; 

consolideren. 
consonance ['kansanans] gelijklui- 

dendheid, overeenstemming. 
consonant ['kansanant] medeklinker; 

aj gelijkluidend, overeenstemmend. 
consort ['kansait] gemaal; gemalin; 

[kan'sait] vi omgaan; samengaan, 

overeenstemmen. 
conspicuous [kan'spikjuas] in het oog 

vallend, duidelijk zichtbaar. 
conspiracy [kan'spirasi] samenzwe- 

ring. 
conspirator [kan'spirata] samen- 

zweerder. 
conspire [kan'spaia] samenzweren. 
constable ['kAOStabl] politieagent; 

chief '--', commissaris van politic, 
constabulary [kan'staebjulari] politie- 

(macht). 
constancy ['kanstansi] standvastig- 

heid, bestendigheid, vastheid. 
constant ['kanstant] standvastig, be- 

stendig, vast, voortdurend. 
constellation [kanste'leijan] sterren- 

beeld o, gesternte o. 



Eng. Zakwrabk, X\ 



consternation 



50 



contentious 



consternation [kDnsta'neiJan] ont- 

steltenis. 
constituency [ksn'stitjusnsi] kiezers- 

corps o\ kiesdistrict o. 
constituent [kan'stitjuantl lastgever; 

kiezer; bestanddeel o; aj samen- 

stellend; constituerend; — part, be- 
standdeel o. 
constitute ['konstitjuit] samenstellen, 

(uit)maken, vormen; instellen, aan- 

stellen (tot). 
constitution [kDnsti'tju:j3n] samen- 

stelling; constitutie; staatsregeling, 

grondwet; gestel o\ statuten. 
constitutional [kDnsti'tju:j3n3l] van 

het gestel; grondwettelijk; (volgens 

de statuten) geoorloofd. 
constrain [ksn'strein] (be)dwingen. 
constrained [ksn'streind] gedwongen. 
constraint [kan'streint] gedwongen- 

heid; (lijfs)dwang. 
construct [ksn'sttAkt] (op)bouwen, 

aanleggen; maken. 
construction [kan'sttAkJan] bouw; aan- 

leg; samensteliing. inrichting; uit- 

legging; constructie; under — , in 

aanbouw. 
constructive [kan'strAktiv] bouw-; 

opbouwend. 
constructor [ksn'strAkts] bouwer. 
construe [kan'stru:] uitleggen, ver- 
consul ['konssj] consul. [klaren. 

consular ['lonsjub] consulair. 
consulate ['kDnsjulit] consulaat o. 
consult [ksn'sAlt] raadplegen, reke- 

ning houden met; beraadslagen. 
consultation [kDnssI'teiJan] raadple- 

ging, beraadslaging; consult o. 
consultative [kan'sAltativ] j raad- 
consultatory [ksn'sAltstari] ( gevend. 
consulting-room [ksn'sAltirjrum] 

spreekkamer [v. dokter]. 
consume [kan'sjuim] verbruiken, ge- 

bruiken, verteren. 
consumer [kan'sjuima] verbruiker; — 

goods, verbruiksgoederen. 
consummate [kan'sAmit] volkomen, 

volmaakt, doortrapt; ['kDnsameit] 

ft voltrekken, voltooien. 



consummation [kDnsa'meiJan] vol- 

trekking, voltooiing, vervulling; 

einde o. 
consumption [k3n'sAm(p)J'3n] ver- 

bruik o\ vertering; (uit)tering. 
consumptive [k3n'sAm(p)tiv] tering- 

lijder; aj teringachtig, tering-; ver- 

terend; verbruiks-. 
contact ['kontsekt] aanraking, contact 

o; make ~' with = vt contact ma- 
ken of (op)nemen met. 
contagious [kan'teidsss] besmettelijk; 

aanstekelijk. 
contain [kan'tein] bevatten, inhouden; 

bedwingen. 
container [kan'teina] houder, bak, 

koker, reservoir o, vat a, blik o, bus, 

doos. 
contaminate [kan't£emineit] besmet- 

ten. 
contamination [kantaemi'neij"3n] be- 

smetting. 
contemplate ['kDntempleit] beschou- 

wen, overpeinzen; denken over. 
contemplation [kantem'pleijan] be- 

schouwing; overpeinzing. 
contemplative [kan'templativ] be- 

schouwend, peinzend. 
contemporary [kan'temparari] tijd- 

genoot; aj gelijktijdig; van dezelf- 

de (leef)tijd; hedendaags. 
contempt [kan'tem(p)t] min-, verach- 

ting; beneath '—', beneden kritiek. 
contemptible [kan'tem(p)tibl] verach- 

telijk. 
contemptuous [kan'tem(p)tjuas] 

min-, verachtend, verachtelijk. 
contend [kan'tend] strijden, tn'isten, 

kampen; beweren. 
content [kan'tent] tevredenheid; to 

one's heart's — , naar hartelust; aj 

tevreden; /'/ tevreden stellen. 
content(s) ['kantentCs), ook: kan- 
'tent (s)] inhoud; gehalte o. 
contented [kan'tentid] tevreden. 
contention [kan'tenjan] twist, strijd; 

bewering. 
contentious [kan'tenjas] twistziek; 

twist-. 



contentment 

contentment [ksn'tentmsnt] tevreden- 

heid. 
contest ['kantest] geschil o, twist; 

(wed)strijd; [kan'test] vt betwis- 

ten; vi twisten, strijden (om, for). 
contestable [ksn'testabl] betwistbaar. 
contestant [kan'testsnt] bestrijder; 

tegenstander; deelnemer. 
context ['k^ntekst] samenhang, ver- 

band o. 
contiguous [kan'tigjuss] belendend, 

aangrenzend. 
continence ['kDntin3ns] onthouding. 
continent ['kontinsnt] vasteland o; 

werelddeel o; aj zich onthoudend, 

sober. 
continental [ksnti'nental] vastelands-. 
contingency [ksn'tindsansi] toevallig- 

heid; mogelijkheid, gebeurlijkheid; 

geval o. 
contingent [ksn'tindssnt] contingent 

o, aandeel o\ a] toevallig; onzeker, 

mogelijk; afhankelijk (van, on), ge- 

paard gaande (met, on). 
continual [ksn'tinjual] aanhoudend, 

gestadig, voortdurend. 
continuance [kan'tinjuans], continu- 
ation [kantinju'eijan] voortduring, 

voortzetting, vervolg a. 
continue [kan'tinju:] voortduren; blij- 

ven; voortzetten, vervolgen; to be 

— d, wordt vervolgd. 
continuity [kDnti'njuiiti] samenhang, 

verband o. 
continuous [kan'tinjuas] onafgebro- 

ken; voortdurend. 
contort [kan'tait] (ver)draaien. 
contortion [kan'toijan] verdraaiing. 
contour ['kDntua] omtrek. 
contraband E'kDntrabasnd] contra- 

bande; smokkelwaar. 
contract ['kDntrsekt] verdrag o, con- 
tract o\ [kan'trsekt] vt samentrek- 

ken; inkrimpen; aangaan, sluiten; 

aannemen; zich op de hals halen, 

krijgen, opvatten. 
contraction [kan'traskjan] samen- 

trekking; inkrimping. 
contractor [kan'traekta] aannemer, le- 



51 controversy 

verancier. 

contractual [kan'traektjual] contrac- 
tueel. 

contradict [kontra'dikt] tegenspreken. 

contradiction [kDotra'dikJan] tegen- 
spraak, tegenstrijdigheid. 

contradictory [kantra'diktari] tegen- 
strijdig; strijdig (met, to). 

contrary ['kantrari] tegendeel o; on 
the ~-, integendeel; a] tegengesteld, 
strijdig; tegen-; • — ' to, tegen (... 
in), in tegenstelhng (strijd) met. 

contrast ['kantr£est] tegenstelling; 
[kan'traest] vt tegenover elkaar stel- 
len, stellen (tegenover, with); vt 
een tegenstelling vormen. 

contravention [kantra'venjan] over- 
trading; in — oj, in strijd met. 

contribute [kan'tribjut] bijdragen; 
medewerken. 

contribution [kantri'bjurjan] bijdra- 
ge; brandschatting. 

contributory [kan'tribjutari] bijdra- 
gend, medewerkend. 

contrite ['kantrait] berouwvol. 

contrition [kan'trijan] diep berouw o. 

contrivance [kan'traivans] vinding- 
rijkheid, (uit)vinding; list; middel 
o, toestel o, ding o. 

contrive [kan'traiv] uit-, bedenken, 
verzinnen, beramen, het aanleggen; 
— to, weten te... 

control [kan'troul] leiding; bestuur o\ 
besturing, bediening [v. machine] ; 
controle, toezicht o; bedwang o; 
(zelf)beheersing, macht; — s, stuur- 
inrichting; overheidsbemoeiing, -lei- 
ding, -toezicht o\ be in — oj, de 
leiding hebben over; out of — , niet 
te regeren (besturen); vt leiden; be- 
sturen; bedwingen; beheersen; con- 
troleren. 

controller [kan'troula] controleur. 

control tower [kan'troultaua] ver- 
keerstoren [op vliegveld]. 

controversial [kantra'vaijal] pole- 
misch, twist-; betwistbaar. 

controversy ['kantravaisi] geschil o, 
strijdvraag; dispuut o. 



contumelious 



52 



copula 



contumelious [lontju'miilias] sma- 

lend, minachtend. 
contumely ['lontjumili] smaad, boon, 

minachting. 
contusion [k:3n'tju:33n] kneuzing. 
convalescence [lonvs'Iessns] herstel o. 
convalescent [konvs'lessnt] herstel- 

lend. 
convene [kan'virn] bijeen-, samen- 

roepen, oproepen. 
convenience [ksn'viinjsns] geschikt- 

heid, gepastheid, gemak o\ at your 

— , als 't u gelegen komt; bij ge- 

legenheid; op uw gemak. 
convenient [ksn'vimjant] gemakke- 

lijk, geschikt; gelegen komend. 
convent C'kDnvant] (vrouv/en)kloos- 

ter o. 
convention [ksn'venjan] bijeenkomst; 

overeenkomst; conventie. 
conventional [kan'venjsnsl] overeen- 

gekomen, conventioneel. 
conversant ['kDnvasant] bedreven, 

thuis, ervaren (in, /'«), vertrouwd. 
conversation [kanva'seijan] conver- 

satie; gesprek o\ bespreking. 
converse [kan'vais] converseren, zich 

onderhouden. 
conversely [kDo'vaisIi] omgekeerd. 
conversion [ksn'vaijsn] omzetting; 

conversie; bekering. 
convert ['lonv3:t] bekeerling; [kan- 

'v3:t] vt omzetten, veranderen, om- 

rekenen; bekeren. 
convertible [ksn'vaitibl] omzetbaar. 
convex ['kDoveks] bol(rond). 
convey [ksn'vei] overbrengen, vervoe- 

ren; overdragen; mededelen. 
conveyance [ksn'veians] overbrenging, 

vervoer o; overdracht; vaartuig o, 

voertuig o. 
conveyer, conveyor [ksn'veia] over- 

brenger, vervoerder; lopende band, 

transportband. 
convict ['kDnvikt] dwangarbeider; 

[ksn'vikt] vt veroordelen. 
conviction [kan'vikjsn] veroordeling; 

overtuiging. 
convince [kan'vins] overtuigen. 



convocation [kDnva'keiJan] oproe- 

ping, bijeenroeping. 
convoke [kan'vouk] oproepen, bijeen- 

roepen. 
convoy ['konvDi] geleide o, konvooi o. 
convulse [ksn'vAJs] krampachtig sa- 

mentrekken; schokken. 
convulsion [kan'vAlJsn] stuiptrek- 

king; schok. 
convulsive [kan'vAlsiv] krampachtig. 
coo [ku:] kirren. 
cook [kuk] keukenmeid, kookster; 

kok; vt koken. 
cooker ['kuko] kooktoestel o, -for- 

nuis o. 
cookery ['kukori] het koken; — book, 

kookboek o. 
cook-shop ['kukjDp] gaarkeuken. 
cool [ku:I] koel; kalm, onverschillig; 

vi ver-, afkoelen. 
cooler ['ku:b] koelvat o\ koeler. 
coolie ['ku:Ii] koelie. 
cooper ['ku:p3] kuiper. 
co-operate [kou'Dpsreit] mede-, sa- 

menwerken. 
co-operation [kouopa'reijan] mede-, 

samenwerking. 
co-operative [kou'Dparativ] mede-, 

samenwerkend; — store, coopera- 

tieve winkel. 
co-operator [kou'Dpsreits] medewer- 

ker. 
cop [kDp] agent, smeris. 
cope [koup] — with, het hoofd bie- 

den aan; opgewassen zijn tegen; 

af- aankunnen; verwerken, voldoen 

aan [aanvragen]. 
copious ['koupjss] overvloedig, uit- 

voerig, rijk, ruim. 
copper ['kopa] (rood)koper o\ kope- 

ren geldstuk o\ ketel; politieagent; 

ai koperen; vt verkoperen. 
copper-smith ['kopasmiB] koperslager. 
coppice ['kDpis] kreupelhout o, kreu- 

pelbosje o. 
copra ['kopra] kopra. 
copse [kops] kreupelhout o, kreupel- 

bosje o. 
copula ['kspjub] koppelwerkwoord o. 



copy 



53 



coster (monger) 



copy ['kapi] afschrift o\ kopie, kopij; 

exemplaar o\ vt na-, overschrijven, 

kopieren; nabootsen, nadoen. 
copy-book ['kopibuk] (schoon)schrijf- 

boek o. 
copyist, E'kDpiist] naschrijver, kopiist. 
copy paper E'kDpipeipa] doorslagpa- 

pier o. 
copyright ['kopirait] kopijrecht o\ 

nadruk verboden. 
coquettish [kou'ketij] koket. 
coral E'koral] koraal o\ aj koralen; 

koraalrood. 
cord [k3:d] koord o & v, touw o, 

snoer o. 
cordage E'kDidids] touwwcrk o. 
cordial E'kaidisl] hartsterkend; harte- 

lijk. 
cordiality EkDidi'aeliti] hartelijkheid. 
corduroy E'koidjurDi] manchester o, 

pilo o. 
core Eko:] binnenste o, hart o, kern; 

klokhuis o Ev. appel]. 
cork EkD:k] kurk o Sc m Estofnaam], 

kurk V Evoorwerpsnaam] ; aj kur- 

ken; vt (dicht)kurken. 
corkscrew E'k3:kskru:] kurketrekker. 
corn EkD:nJ koren o, graan o\ Am 

mai's; eksteroog o, likdoorn. 
corned Eksmd] — beef, gezouten 

vices o. 
corner E'kains] hoek; tip Ev. zak- 

doek] . 
cornet E'kD:nit] horentje o, peper- 

huisje o\ piston. 
cornfield E'k3:nfi:ld] korenveld o. 
cornice E'kD:nis] (kroon)lijst. 
Cornish E'ksiniJ] van Cornwallis. 
corn-poppy E'k3:np3pi] klaproos. 
coronation EkDrs'neiJan] kroning. 
coroner E'karsna] lijkschouwer. 
corporal E'kDiparsl] korporaal; aj 

lichamelijk, lichaams-. 
corporation EkDipa'reiJsn] corporatie, 

rechtspersoon; gilde o Si v\ gemeen- 

tebestuur o; public •~, publiekrech- 

telijk lichaam o. 
corps Eka:, mv. koiz] (leger)korps o, 

(leger)korpsen. 



corpse EkD:ps] lijk o. 

corpulence E'k3:pjubns] corpulentie. 

corpulent E'k^ipjubnt] zwaarlijvig, 
gezet, corpulent. 

correct Eka'rekt] verbeteren; (af)- 
straffen; aj precies, juist; correct. 

correction Eks'rekjsn] correctie; ver- 
betering. 

correspond EkDris'pond] correspon- 
deren; overeenkomen; beantwoor- 
den (aan, to)\ aansluiten. 

correspondence EkDris'pDodans] cor- 
respondentie, briefwisseling; over- 
eenkomst, overeenstemming; aan- 
sluiting; --^ clerk, handelscorrespon- 
dent; ■ — ■ course, schriftelijke cursus. 

correspondent EkDris'pDndgnt] corres- 
pondent; aj corresponderend. 

corridor E'karidD:] gang, galerij, cor- 
ridor; — train, D-trein. 

corroborate Eks'rDbareit] bekrachti- 
gen, bevestigen. 

corroboration EksrDba'reiJan] be- 
krachtiging, bevestiging. 

corroborative Eks'rDbarativ] verster- 
kend, bekrachtigend, bevestigend. 

corrode Eka'roud] invreten, in-, uit- 
bijten; verteren. 

corrosion Eka'rousan] invreting, uit- 
bijting. 

corrosive Eks'rousiv] bijtend. 

corrugate E'kDrugeit] — d iron, ge- 
golfd plaatijzer o. 

corrupt Eka'rApt] bedorven, verdor- 
ven; veil; vt bederven; omkopen. 

corruptibility EksrApti'biliti] bederfe- 
lijkheid; omkoopbaarheid. 

corruptible Eks'tAptibi] bederfelijk; 
omkoopbaar. 

corruption Eka'rApJsn] bederf o; 
omkoping. 

corsair E'kaisEa] zeerover. 

corset E'kaisit] korset o. 

cortege Ekoi'teis] stoet. 

Cossack E'kDsaek] kozak. 

cost EkDst] prijs, kosten, uitgave; scha- 
de; vi kosten; V.T. & V.D. v. cost. 

coster (monger) E'kDSt3(mAr)g3)] 
straatventer van eetwaren. 



costly 54 

costly ['lostli] kostbaar; duur. 
costume ['lostjuim] kostuum o, (kle- 

der)dracht. 
cosy ['kouzi] theemuts, eiermuts; aj 

gezellig, behaaglijk. 
cot [kot] kooi; bedje o, bed o. 
cottage ['kDtid3] hut; huisje o; kleine 

villa. 
cotton ['kotn] katoen o\ aj katoenen. 
cotton-mill ['kDtnmil'J katoenfabriek. 
cottonwool C'kDtn'wul] watten. 
couch [kautj] rustbed o\ canape; laag; 

vt (neer)leggen; inkleden. 
cough [koif] hoest; vi hoesten. 
could [kud] V.T. V. can. 
coulter ['koulta] kouter o. 
council ['kaunsl] raad. 
councillor ['kaunsib] raad, raadslid 

o. 
counsel ['kaunsl] raad, raadgeving; 

beraadslaging; advocaat; keep one's 

{own) — , zijn mond (weten te) 

houden; take — , raadplegen, be- 

raadslagen; vt (aan)raden. 
counsellor ['kaunssb] raadgever, 

raadsman. 
count [kaunt] graaf; aantal o, tel; 

telling, rekening; punt o (van aan- 

klacht); vt tellen, op-, meetellen, 

(aan)rekenen, achten; vi rekenen 

(op, upon). 
countenance ['kauntinsns] (aan)ge- 

zicht o, gelaat o, voorkomen o; be- 

scherming; steun; he kept his ■ — , hij 

hield zich goed; put one out of — , 

iemand van zijn stuk brengen; vt 

begunstigen, steunen. 
counter ['kaunts] fiche o & v; teller; 

toonbank; loket o [in postkantoor] ; 

aj tegengesteld, tegen-; vt tegenwer- 

ken; pareren. 
counterbalance ['kauntsbasbns] te- 

genwicht o; [kaunts'bsebns] vt op- 

wegen tegen, opheffen. 
counterfeit ['kauntafit] nagemaakt, 

onecht, vals. 
countermand [kaunts'mamd] herroe- 

pen, afgelasten, afbestellen. 
counterpane ['kauntapein] bedde- 



court 

sprei. 
counterpart ['kauntspait] tegenhan- 

ger; duplicaat o. 
counter-plea ['kauntapli:] repliek. 
counterpoise ['kauntapoiz] tegen- 

wicht o. 
countersign ['kauntasain] contrasig- 

neren. 
countess ['kauntis] gravin. 
countless ['kauntlis] talloos. 
country ['k.\ntri] (vader)land o; 

(land)streek; (platte)land o; in the 

— •, op het land, buiten. 
country life ['kAntri'laif] landleven o. 
countryman ['kAntrimsn] buitenman; 

landgenoot, landsman. 
country seat ['kAntri'si:t] buiten- 

plaats, buiten o, landgoed o. 
countryside ['kAntri'said] landstreek; 

platteland o. 
country-town ['kAntri'taun] provin- 

ciestad. 
countrywoman ['kAntriwuman] boe- 

rin; landgenote. 
county ['kaunti] graafschap o. 
couple ['kApl] paar o\ koppel o; vt 

koppeien, verbinden; paren (aan, 

with) . 
couplet ['kAplit] tweeregelig vers o. 
coupon ['ku:pDn] coupon, bon. 
courage ['kArids] moed. 
courageous [ka'reidsas] moedig. 
courier ['kuria] koerier, renbode. 
course [k3:s] loop, koers, gang; wed- 

loop; (ren)baan; cursus; rij, reeks; 

gerecht o; handelwijze, gedragslijn; 

in due ■ — ■, te bekwamer of te zijner 

tijd; na verloop van tijd; in the — 

of, in de loop van, gedurende; in 

■ — ■ oj construction, in aanbouw; in 

— oj time, mettertijd, na verloop 

van tijd; in the — oj time, in de 

loop der tijden; oj ■ — ■, natuurlijk. 
courser ['koisa] renpaard o. 
court [k3:t] hof o\ gerechtshof o, 

rechtbank, rechtszaal, terechtzitting; 

hofhouding; (binnen)plaats; plein o; 

hofje o\ (tennis)baan; pay (one's) 

■ — ■ to, het hof maken; vt het hof 



courteous 



55 



crawl 



maken; dingen, streven naar; uitlok- 

ken, zoeken [gevaar]; vi vrijen. 
courteous ['kD:tJ3S, 'kaitjas] hoffelijk, 

beleefd. 
courtesy ['kDitisi, 'ksitisi] hoffelijk- 

heid, vriendelijkheid, gunst. 
courtier ['koitja] hoveling. 
courtly ['kD:tli] hoofs, heus, hoffelijk. 
court-martial ['k3:t'ma:J'3l] krijgs- 

raad. 
court plaster ['ko:t'pla:st3] Engelse 

pleister. 
courtship ['ksttjip] hofmakerij, vrij- 

age, verkering. 
courtyard ['kD:tja:d] (binnen)plaats. 
cousin L'kAzn] neef, nicht. 
covenant ['kAvinant] verdrag o, ver- 

bond o. 
cover ['kAva] dek(sel) o\ overtrek o 

& V, foedraal o, omhulsel o; om- 

slag; [tafel] couvert o\ stolp; bui- 

tenband; dekking, bescherming; 

schuilplaats; fig dekmantel, mom o; 

vt (be)dekken; overtrekken; zich 

uitstrekken over, omvatten, beslaan; 

gaan over, behandelen; voorzien in; 

bestrijken, onder schot krijgen of 

houden, aanleggen op; afleggen [af- 

stand]; verslaan [als verslaggever] ; 

— up, be-, toedekken; verbergen; 

smoren. 
coverlet ['kAvalit] sprei. 
covert L'kAvat] heimelijk, geheim; 

verborgen. 
covet C'kAvit] begeren. 
covetous ['kAvitss] begerig, hebzuch- 

tig. 
covey ['kAvi] vlucht; troep. 
cow [kau] koe; vt bang maken. 
coward ['kauad] lafaard. 
cowardice ['kausdis] lafheid. 
cowardly ['kausdli] laf(hartig). 
cower E'kaus] neerhurken, ineen- 

krimpen, (weg)kruipen. 
cow-house ['kauhaus] koestal. 
cowl [kaul] (monniks)kap. 
coxcomb ['lokskoum] kwast, fat. 
coxswain ['kaksn] stuurman [van 

roeiboot]. 



coy [koi] zedig, schuchter. 

crab [krasb] krab. 

crabbed ['kraebid] nors, korzelig. 

crack [krsek] kraak, barst, knal; kraan 

[v. e. vent]; a] prima, best, keur-, 

elite-; vt & vi kraken, barsten, 

(doen) knallen; • — ed, ook: gek. 
cracker ['krasks] voetzoeker, knal- 

bonbon; (harde) beschuit; — s, no- 

tekraker. 
cracknel ['krasknal] krakeling. 
cradle ['kreidl] wieg. 
craft [kra:ft] handwerk o, ambacht o\ 

vak o; gilde o 8c v; kunst(nijver- 

heid); list(igheid); vaartuig o, 

vaartuigen. 
craftiness ['kra:ftinis] listigheid. 
craftsman ['kra:ftsm3n] (bekwaam) 

handwerksman, vakman. 
crafty ['kra:fti] loos, listig, sluw. 
cram [krsem] in-, volstoppen; inpom- 

pen, klaarstomen [voor examen]. 
cram-full ['kraem'ful] tjokvol. 
cramp [kraemp] kramp; kram. 
cranberry ['krasnbsri] veenbes. 
crane [krein] kraanvogel; kraan. 
cranium ['kreiniam] schedel. 
crank [kraerjk] kruk, slinger; zonder- 

ling. 
cranky ['kraeijki] excentriek, raar; 

zwak, wrak, rank. 
crape [kreip] krip o, floers o. 
crash [kraej] gekraak o, geraas o\ 

krach; neerstorting [v. vliegtuig]; 

vt verbrijzelen; vi kraken; ineen- 

storten; te pletter vallen; '-^ against 

(into), aanbotsen tegen. 
crass [krass] lomp, grof; stomp. 
crate [kreit] krat o. 
crater ['kreits] krater; (granaat)- 

trechter. 
cravat [kra'vjet] das. 
crave [kreiv] smeken om; hunkeren 

(naar, for). 
craven ['kreivn] lafaard; aj laf. 
craving ['kreivirj] hevig verlangen o. 
crawfish ['krotfij] rivierkreeft. 
crawl [kn):l] kruipen; --^ with, we- 

melen van. 



crayon 



56 



crayon ['kreian] tekenkrijt o. 
craze [kreiz] rage, manie. 
crazy ['kreizO krankzinnig, gek. 
creak [kri:k] kraken; knarsen; piepen. 
cream [kri:m] room; fig bloem; 

creme. 
crease [kri:s] kreuk, vouw, plooi; vi 

kreuken, vouwen, plooien. 
create [kri'eit] scheppen; doen ont- 

staan, in het leven roepen, wek- 

ken, teweegbrengen, maken, benoe- 

men (tot). 
creation [kri'eijan] schepping; in- 

stelling; benoeming. 
creative [kri'eitiv] scheppend. 
creator [kri'eita] schepper. 
creature E'kriitja] schepsel o; voort- 

brengsel o; beast o, dier o; fig werk- 

tuig o, 
credence ['kriidsns] geloof o. 
credentials [kri'denjalz] geloofsbrie- 

ven. 
credibility [kredi'biliti] geloofwaar- 

digheid. 
credible ['kredibl] geloofwaardig. 
credit ['kredit] geloof o; goede naam; 

invloed; krediet o; credit o; eer; 

be a ^^ to, do — to, tot eer strek- 

ken; vt geloven; crediteren; — him 

with, hem de eer geven van ...; 

hem ... toeschrijven; hem credite- 
ren voor . . . 
creditable ['kreditabl] eervol, fatsoen- 

lijk. 
creditor ['kredits] schuldeiser, credi- 

teur. 
credulity [kri'dju:Iiti] lichtgelovig- 

heid. 
credulous ['kredjubs] lichtgelovig. 
creed [kri:d] geloof o, geloofsbelij- 

denis. 
creek [kri:k] kreek, bocht. 
creep [kri:p] kruipen; // made my 

flesh — , ik kreeg er kippevel van; 

— upon, bekruipen; — nith, kri- 

oelen van. 
creepy ['kri:pi] griezelig. 
cremation [kri'meijan] lijkverbran- 

ding, verassing, crematie. 



crooked 

Creole ['kri:oul] crcool(se). 

crept [krept] V.T. & V.D. v. creep. 

crescent ['kressnt] halvemaan. 

cress [kres] tuinkers. 

crest [krest] kam, kuif, pluim. 

crestfallen ['krestfD:l(3)n] terneerge- 

slagen. 
cretaceous [kri'teijss] krijtachtig, 

krijt-. 
crevice ['krevis] spleet. 
crew [kru:] bemanning; bediening; 

ploeg; bende. 
crib [krib] krib; koestal; vt opslui- 

ten; spieken. 
cricket ['krikit] krekel; cricket(spel) 

o. 
cricketer ['krikits] cricketspeler. 
crier ['krais] omroeper. 
crime [kraim] misdaad. 
Crimea, The — [krai-, kri'miia] de 

Krim. 
criminal ['kriminal] misdadiger; a] 

misdadig. 
crimson ['krimzn] karmozijn o. 
cringe [krin(d)5] ineenkrimpen; fig 

kruipen (voor, to'). 
cripple E'kripl] kreupele, gebrekkige, 

verminkte; vt kreupel maken, ver- 

minken; fig verlammen. 
crisis ['kraisis] crisis. 
crisp [krisp] kroes; krakend; bros; 

opwekkend [lucht]; ongezouten 

[antwoord]; vt krullen. 
critic ['kritik] criticus. 
critical ['kritikal] kritisch; kritiek. 
criticism ['kritisizm] kritiek. 
criticize ['kritisaiz] (be)kritiseren. 
critique [kri'tirk] kritiek. 
croak [krouk] kwaken, krassen. 
crochet C'krouji] haakw'erk o\ vi & 

vt haken. 
crockery ['krDkari] aardewerk o. 
crocodile ['knksdail] krokodil. 
crocus ['kroukas] krokus. 
crony ['krouni] boezemvriend. 
crook [kruk] kromte, bocht; haak; 

herdersstaf, kromstaf; oplichter, 

boef; vt krommen; buigen. 
crooked ['krukid] krom, gebogen, 



croon 



57 



cuckoo 



verdraaid, slinks, oneerlijk. 

croon [kru:n] neurien. 

crop [knp] oogst, gewas o; krop; vt 
afknippen; plukken, oogsten; (de 
oren) afsnijden; ■ — up, opduiken, 
zich op-, voordoen. 

croquet ['kroukei] croquet(spel) o. 

croquette [krou'ket] croquet. 

crosier ['krouss] bisschops-, krorn- 
staf. 

cross [kns] kruis o\ kruising; mid- 
dending o\ aj dwars, verkeerd; boos; 
as — as two sticks, zo nijdig als 
een spin; vt (door)kruisen; over- 
steken, overvaren; tegenwerken; -^ 
out, doorstrepen. 

cross-examination ['krDsigz£emi'nei- 
Jan] kruisverhoor o. 

crossing ['krDsir)] kruising; kruis- 
punt o; overweg; overtocht; tiet 
oversteken; oversteekplaats. 

cross-question ['kns'kwestjan] strik- 
vraag. 

cross-road ['kiDs'roud] twee-, vier- 
sprong (ook: ^^s). 

crossword puzzle ['krDsw3;dpAzl] 
kruiswoordraadsel o. 

crouch [krautj] bukken; kruipen. 

crow [krou] kraai; gekraai o; vi 
kraaien. 

crowbar ['krouba:] koevoet, breek- 
ijzer o. 

crowd [kraud] gedrang o, menigte, 
massa, hoop; gezelschap o, stel o\ 
vi dringen; zich verdringen; vt zich 
verdringen in (op); (opeen) drin- 
gen, (samen)persen, volproppen; 
— ed, vol; druk. 

crown [kraun] kroon, kruin; krans; 
5 shilling(-stuk o)\ vt kronen (tot); 
bekronen; — a man, dam halen. 

crucial ['kru:Ji3l] kruisvormig; kri- 
tiek, beslissend. 

crucible E'kruisibl] smeltkroes. 

crucifix ['kru:sifiks] kruisbeeld o. 

crucifixion [kruisi'fikjsn] kruisiging. 

crucify ['kru:sifai] kruisigen. 

crude [kru:d] rauw, ruw, grof, on- 
gezuiverd; onrijp; primitief. 



cruel E'krual] wreed. 
cruelty ['krualti] wreedheid. 
cruet E'kruit] (olie-, azijn)flesje o. 
cruet-stand ['kruitstaend] olie-en- 

azijnstel o. 
cruise [krurz] kruistocht; vi kruisen. 
cruiser ['kruiza] kruiser. 
cruising speed ['kru:zir)spi:d] kruis- 

snelheid. 
crumb [ktAm] kruim, kruimel; vi 

kruimelen. 
crumble ['krAmbl] kruimelen, ver- 

brokkelen, afbrokkelen. 
crumbly ['krAmbli] kruimelig, brok- 

kelig. 
crumple ['kiAmpl] kreuken, verfrom- 

melen; verbuigen; in elkaar zakken 

(ook: '~ up). 
crunch [krAn(t)J'] kraken, knarsen. 
crupper ['krAps] staartriem; kruis o 

[v. paard]. 
crusade [kru/seid] kruistocht. 
crusader [kru/seids] kruisvaarder. 
crush [kiAj] gedrang o\ vt verplette- 

ren, verbrijzelen, vermorzelen; on- 

derdrukken; (samen-, plat)drukken, 

persen; verfrommelen. 
crust [krAst] korst, schaal. 
crustacean [krAs'teiJian] schaaldier o. 
crusty E'krASti] korstig; korzelig. 
crutch [ktAtJ] kruk. 
crux [krAks] kruis o\ moeilijkheid. 
cry [krai] roep, schreeuw, geroep o, 

geschreeuw o, kreet; vi roepen, 

schreeuwen; huilen. 
cry-baby ['kraibeibi] huilebalk. 
crystal ['kristal] kristal a. 
crystal-clear ['kristal'klia] kristalhel- 

der; jig glashelder, zonneklaar. 
crystallize ['kristalaiz] kristalliseren. 
cub [kAb] jong o, welp o\ jig onge- 

likte beer, vlerk. 
cube [kju:b] dobbelsteen, kubus; ku- 

biekgetal o, derde macht; blok, blok- 

je o\ klontje o [suiker]. 
cubic(al) ['kju:bik(l)] kubiek. 
cubicle ['kju:bikl] kamertje a, hokje 

o. 
cuckoo ['kuku;] koekoek. 



cucumber 



58 



cut 



cucumber ['kjuikamba] komkommer. 

cudgel ['kAdsal] knuppel. 

cue [kju:] wachtwoord o; wenk, aan- 

wijzing; biljartkeu. 
cuff [kAf] manchet; klap, slag; vt 

slaan. 
cuirass [kwi'rses] harnas o. 
cuirassier [kwiro'sis] kurassier. 
culinary ['kjuilinsri] keuken-, kook-. 
culminate ['kAlmineit] bet toppunt 

bereiken. 
culmination [kAlmi'neiJan] culmina- 

tie, hoogtepunt o. 
culpable ['kAlpgbl] schuldig, misdadig. 
culprit E'kAlprit] schuldige, boosdoe- 

ner. 
cult [kAlt] cultus, eredienst. 
cultivate ['kAltiveit] bebouwen; ver- 

bouwen, aankweken; beoefenen; be- 

schaven. 
cultivation [kAlti'veiJsn] bebouwing, 

cultuur, aankweking; beoefening; 

beschaving. 
cultural C'kAltJaral] cultureel, cul- 
tuur-. 
culture L'kAltJs] cultuur; beschaving. 
cumbersome ['IcAmbsssm], cumbrous 

['kAmbrss] log, hinderlijk, lastig. 
cunning ['kAnirj] listigheid, sluwheid; 

aj listig, sluw. 
cup [kAp] beker, kelk; kopje o. 
cupboard L'kAbsd] kast. 
cupola ['kjuipsb] koepel. 
cup tie E'kAptai] bekerwedstrijd. 
cur [ka:] rekel; bond, vlegel. 
curable ['kjuarsbl] geneeslijk. 
curate ['kjuarit] (hulp)predikant; 

kapelaan. 
curator [kju'reita] curator. 
curb [kaib] kinketting; (trottoir)- 

band; vt beteugelen. 
curbstone ['kaibstoun] trottoirband. 
curdle ['ksidl] (doen) klonteren, 

stremmen, stollen. 
cure [kjua] kuur; geneesmiddel o\ 

genezing; (ziel)2org; vt genezen; 

verduurzamen. 
curfew ['ka:fju:] avondklok; uit- 

gaansverbod o. 



curio ['kjuariou] rariteit. 

curiosity [kjusri'Dsiti] nieuwsgierig- 

heid; curiositeit, rariteit. 
curious C'kjuarias] nieuwsgierig; 

zeldzaam, merkwaardig, raar. 
curl [kail] krul, kronkel(ing); vi & 

vt krullen, kronkelen. 
curl-paper ['kailpeipa] papillot. 
curly ['kaili] krullend, krul-. 
currant ['kArant] krent; (aal)bes. 
currency ['kAransi] koers; (om)Ioop, 

circulatie; munt, geld o, valuta, de- 

viezen; ■ — ■ note, muntbiljet o. 
current ['kArant] stroom, loop; stro- 

ming; aj courant, gangbaar, in om- 

loop; lopend; actueel; tegenwoor- 

dig. 
curry ['kAri] kerrie. 
curse [ka:s] vloek; vt vervloeken; vt 

vloeken. 
cursive ['ka:siv] lopend, cursief. 
cursory ['ka:sari] vluchtig, haastig. 
curt [ka:t] kort (en bondig); bits. 
curtail [ka:'teil] (in)korten, besnoei- 

en, verkorten; verminderen. 
curtain ['ka:t(i)n] gordijn o & v; 

scherm o. 
curts(e)y ['ka:tsi] bulging; vi een 

bulging maken. 
curve [ka;v] bocht, kromming; vt 

buigen; zich krommen. 
cushion ['kujan] kussen o. 
custard ['kAstad] via. 
custodian [kAs'toudian] bewaarder. 
custody C'kAstadi] bewaring, hoede; 

hechtenis. 
custom ['kAStam] gewoonte, gebruik 

o; klandizie, nering; — s, douane. 
customary ['kAstamari] gewoon, ge- 

bruikelijk. 
customer ['kAstama] klant. 
custom-house ['kAStamhaus] douane- 

kantoor o, douane; -~ officer, dou- 

anebeambte, commies. 
cut [kAt] snede; houw; snit; vermin- 

dering, verlaging; coupure; a short 

~', een kortere weg; vt snijden, 

knippen; couperen; verminderen, 

verlagen; negeren [iemand]; er van- 



cutlery 59 

door gaan; V.T. & V.D. van cut. 
cutlery ['kAtlari] messen, scharen enz. 
cutlet L'kAtlit] kotelet. 
cutter L'kAta] coupeur; kotter. 
cut-throat ['kAt6rout] moordenaar. 
cycle E'saikl] rijwiel o, fiets; kring- 

loop; vi fietsen. 
cyclist ['saiklist] wielrijder. 
cyclone ['saikloun] cycloon. 



dash 

cylinder ['silinda] cilinder. 
cynic(al) ['sinik(l)] cynisch. 
Czar [za:, tsa:] tsaar. 
Czech [tjek] Tsjech; a] Tsjechisch. 
Czechoslovak ['tjekou'slouvcek] Tsje- 

cho-Slowaak(s). 
Czechoslovakia ['tjekouslou'vaskia] 

Tsjecho-Slowakije o. 



D 



d [di:] (de letter) d; d. = penny. 
dab [dseb] tikje o, per; spat; vt tik- 

ken, pikken; betten. 
dad, daddy [deed, 'dasdi] pa. 
daffodil ['djefadil] gele narcis. 
dagger ['daega] dolk. 
dahlia ['deilja] dahlia. 
daily ['deili] dagelijks; dagblad o. 
dainty ['deinti] lekkernij; a; fijn, 

sierlijk; lekker; kieskeurig. 
dairy ['deari] melkerij. 
dairymaid ['desrimeid] melkmeid. 
dairy produce ['deariprodjuis] zui- 

velprodukten. 
daisy ['deizi] madelief. 
dale [deil] dal o. 
dalliance ['daelians] gestoei o\ ge- 

treuzel o. 
dally ['dasli] stoeien; treuzelen; — 

away, verbeuzelen. 
dam [dsm] dam, dijk; vt ■ — ■ {up), 

afdammen; bedijken; stuiten. 
damage ['d£Emid3] schade; nadeel o; 

averij; — s, schadevergoeding; vt 

beschadigen, havenen, toetakelen; 

schaden. 
damask ['dsmask] damast o. 
damn [deem] vloek; not a — ■, geen 

snars; vi vioeken; vt verdoemen, 

veroordelen; aj vervloekt. 
damnable ['daemnsbl] vloekwaardig. 
damnation [dEem'neiJan] verdoeme- 

nis. 
damp [dasmp] nevel, vochtigheid, uit- 

waseming; aj vochtig, nattig, klam; 



vt vochtig maken; doen bekoelen of 

verflauwen; temperen. 
damsel ['dasmzal] deerntje o, juffer- 

tje o\ jonkvrouw. 
dance [da:ns] dans; vi dansen. 
dancer ['dainsa] danser; danseres. 
dancing ['dainsirj] 't dansen. 
dandelion ['dfendilaisn] paardebloem. 
dandruff ['dsndraf] roos [op het 

hoofd]. 
dandy ['da;ndi] fat. 
Dane [dein] Deen; Noorman. 
danger ['deindsa] gevaar o. 
dangerous ['deind33r3s] gevaarlijk. 
dangle ['dceijgi] slingeren, bengelen. 
Danish ['deinij] Deens. 
dank [dasrjk] vochtig. 
Danube ['dsenjuib] Donau. 
dapper ['dasps] vlug, vief; keurig. 
dare [dea] durven; trotseren, tarten; 

/ — say, ik denk, denk ik, zeker. 
daredevil ['deadevl] waaghals. 
daring ['dearirj] koenheid, durf; a] 

koen, stout; gedurfd. 
dark [da:k] duister (o), donker (o). 
darken ['da:kn] donker worden; don- 
ker maken, verduisteren. 
darkness ['da:knis] duisternis. 
darky ['da:ki] neger, zwartje o. 
darling ['daJirj] lieveling; a] ge- 

liefkoosd, geliefd. 
darn [da:n] stoppen. 
dart [da:t] schicht, pijl, werpspies; 

sprong; vt schieten; werpen. 
dash [daej] slag; tikje o, scheutje o\ 



dash-board 



60 



decaden 



ce 



afbrekingsteken o, streepje o\ zwier; 
vi kletsen, spatten; — away {off), 
wegstuiven; vt smijten; slaan; be- 
spatten; terneerslaan; verpletteren; 
vernietigen. 

dash-board ['dasjboid] spatbord o; 
instrumentenbord o. 

dashing ['dzejir)] onstuimig; kranig, 
zwierig. 

dastard ['dasstsd] lafaard; a; laf. 

data ['delta] gegevens. 

date [deit] dagtekening, datum; af- 
spraakje o; dadel; out of ■~, ouder- 
wets, uit de tijd; to — , tot op he- 
den; up to — , modern, ,,bij"; vt 
dagtekenen, dateren; to — from, 
met ingang van. 

dative ['deitiv] datief, derde naamval. 

daub [dD:b] veeg; vt (be)smeren; 
(be)kladden. 

daughter E'dDrts] dochter. 

daughter-in-law ['doitarinb:] schoon- 
dochter. 

dauntless ['dDintlis] onverschrokken. 

dawdle ['dD:dl] treuzelen; beuzelen. 

dawn [d3:n] dageraad; at — , bij het 
aanbreken van de dag; vi licht wor- 
den; dagen; /'/ '^ed upon me, het 
werd mij duidelijk. 

day [dei] dag; daglicht a; tijd; one 
— , op zekere dag; eens. 

daybreak ['deibreik] 't aanbreken van 
de dag. 

day-labourer ['deileibsra] dagloner. 

daze [deiz] verblinden; verdoven; ver- 
bijsteren. 

dazzle ['daszl] verblinden. 

deacon ['diikan] diaken; ouderling. 

dead [ded] dood; doods; — certain- 
ty, absolute zekerheid; in — ear- 
nest, in alle ernst. 

deaden ['dedn] dempen, temperen, 
verdoven. 

deadlock ['dedbk] at a — , op het 
dode punt, in een impasse. 

deadly ['dedii] dodelijk. 

dead-nettle ['ded'netl] dovenetel. 

deaf [def] doof; — and dumb, doof- 
stom; — ' of an ear, doof aan een 



deafen ['defn] doof maken; veraoven, 

dempen. 
deafness ['defnis] doofheid. 
deal [di:I] grenehout o\ hoeveelheid; 

transactie; a great {good) — , heel 

wat, heel veel; vt uit-, ronddelen; 

geven [de kaarten]; toebrengen 

[slag]; vi handelen; — with, han- 

del drijven met, kopen bij; hande- 
len over; zich bezighouden met; be- 

handelen; het hoofd bieden aan; 

aanpakken. 
dealer ['di:b] uitdeler; gever [v. 

kaarten] ; handelaar. 
dealing ['diilirj] (be)handeling, han- 

delwijze; — s, transacties; relaties; 

have no ^ — s with, niets te maken 

hebben met. 
dealt [delt] V.T. & V.D. v. deal. 
dean [di:n] deken; hoofd o; ~- and 

chapter, domkapittel o. 
dear [dia] lief, waard, dierbaar; duur; 

— me! — , '—.', oh — .', och, och!; 

Dear Sir, Geachte heer. 
dearly ['disli] duur; zeer, dolgraag. 
dearness ['disnis] duurte; dierbaar- 

heid. 
dearth [d3:6] schaarste, gebrek o. 
death [de9] dood. 
death-bed ['de9bed] sterfbed o. 
death-rate ['de9rcit] sterftecijfer a. 
debar [di'ba:] uitsluiten (van, from), 

onthouden, weigeren, beletten. 
debase [di'beis] vernederen, verlagen; 

vervalsen [munt] . 
debate [di'beit] debat o\ vt debatte- 

ren over, bespreken; overleggen; be- 

twisten; vi debatteren. 
debauch [di'baitj] ongebondenheid, 

uitspattingen; vt verleiden, bederven. 
debenture [di'bentja] schuldbrief. 
debility [di'biliti] zwakheid. 
debit ['debit] debet o; vt debiteren. 
debt [det] schuld. 
debtor ['deta] schuldenaar, debiteur. 
debut ['deibu:] debuut o. 
decade ['dekad] tiental o (jaren). 
decadence ['dekadans] verval o. 



decanter 



61 



defend 



decanter [di'ksenta] karaf. 
decapitate [di'kaspiteit] onthoofden. 
decapitation [dikapi'teijan] onthoof- 

ding. 
decay [di'kei] verval o, bederf o; vi 

vervallen, achteruitgaan; bederven. 
decease [di'si:s] overlijden o\ vi over- 

lijden. 
deceit [di'si:t] bedrog o. 
deceitful [di'si:tful] bedrieglijk. 
deceive [di'si:v] bedriegen, misleiden. 
December [di'sembs] december. 
decency ['diisansi] betamelijkheid, 

fatsoen o. 
decent ['diissnt] betamelijk, behoor- 

lijk, fatsoenlijk, geschikt. 
decentralize [dii'sentralaiz] decen- 

traliseren. 
deception [di'sepjsn] bedrog o, mis- 

leiding. 
deceptive [di'septiv] bedrieglijk. 
decide [di'said] beslissen; (doen) be- 

sluiten. 
decimal ['desimsl] tientallig; tiende- 

lig. 
decipher [di'saifs] ontcijferen. 
decision [di'sissn] beslissing; besluit 

<?; beslistheid. 
decisive [di'saisiv] beslissend, af- 

doend; beslist. 
deck [dek] dek o. 
deck-chair ['dek'tjes] dekstoel. 
declaim [di'kleim] voordragen; uitva- 

ren (tegen, against'). 
declaration [dekb'reijsn] verklaring. 
declare [di'klea] verklaren; aangeven 

[bij douanej; afkondigen. 
declension [di'klenjan] verbuiging. 
declination [dekli'neijsn] afwijking. 
decline [di'klain] verval o\ achteruit- 

gang; vi hellen, aflopen; afnemen, 

achteruitgaan, dalen, tanen; vt ver- 

buigen; afwijzen; bedanken voor, 

weigeren. 
declivity [di'kliviti] helling. 
decoct [di'kDkt] afkoken. 
decompose [diiksm'pouz] ontbinden, 

oplossen, ontleden. 
decomposition [diilompa'zij'an] ont- 



binding, oplossing, ontleding. 
decorate ['dekareit] versieren; deco- 

reren. 
decoration [deka'reijan] versiering; 

decoratie. 
decorous [di'kDirss, 'dekarss] wel- 

voeglijk, fatsoenlijk. 
decorum [di'kDiram] fatsoen o. 
decoy [di'kDi] lokeend, lokvogel, lok- 

aas o\ (ver)lokken. 
decrease ['di:kri;s] vermindering; vi 

[di'kri:s] verminderen, afnemen. 
decree [di'kri:] decreet o, besluit o, 

gebod o, vonnis o\ vt verordenen. 
decry [di'krai] afkeuren. 
dedicate ['dedikeit] (toe)wijden, op- 

dragen. 
dedication [dedi'keijsn] (toe)wij- 

ding, opdracht. 
deduce [di'djuis] afleiden. 
deduct [di'dAkt] aftrekken. 
deduction [di'dAkJsn] aftrekking; 

korting; gevolgtrekking. 
deed [di:d] daad; akte. 
deem [di:m] oordelen, achten. 
deep [di:p] diep; diepzinnig. 
deepen ['di:pn] ver-, uitdiepen. 
deepness ['dirpnis] diepte. 
deer [dis] hert o, herten. 
deface [di'feis] schenden, beschadi- 

gen, ontsieren; uitwissen. 
defamation [diifa'meijan, defs'mei- 

Jsn] laster, smaad. 
defamatory [di'faematari] lasterlijk, 

smaad-. 
default [di'forlt] gebrek o\ verzuim o\ 

by — , bij verstek; vi in gebreke 

blijven. 
defeat [di'fi:t] nederlaag; vt ver- 

slaan; verwerpen [voorstel]; ver- 

ijdelen [plan], 
defect [di'fekt] gebrek o. 
defection [di'fekjan] afval. 
defective [di'fektiv] gebrekkig; de- 
fect; zwakzinnig. 
defence [di'fens] verdediging. 
defenceless [di'fenslis] weerloos. 
defend [di'fend] verdedigen; bescher- 

men. 



defendant 



62 



deliverance 



defendant [di'fendant] verdachte, ge- 

daagde. 
defender [di'fenda] verdediger. 
defensive [di'fensiv] defensief (o), 

verdedigend. 
defer [di'fs:] uitstellen; dralen; -— 

to, zich neerleggen bij. 
deference ['defarsns] eerbied, achting. 
deferment [di'f3:m3nt] uitstel o. 
defiance [di'faisns] uitdaging, tarting; 

in • — ■ oj, trots, ...ten spijt. 
defiant [di'faiant] uitdagend, tartend. 
deficiency [di'fij'ansi] gebrek o, te- 

kort o, tekortkoming; leemte. 
deficient [di'fijsnt] gebrekkig, onvol- 

doende; zwakzinnig. 
deficit ['defisit] deficit o, tekort o. 
defile [di'fail] engte, pas; defile o\ 

vt bezoedelen; ontwijden; vi defile- 

ren. 
defilement [di'failmsnt] bezoedeling; 

ontwijding. 
define [di'fain] bepalen, begrenzen, 

omschrijven, omlijnen. 
definite ['definit] bepaald; precies. 
definition [defi'nijsn] bepaling, om- 

schrijving, definitie. 
deflation [di'fieijsn] deflatie. 
deflect [di'flekt] (doen) afwijken, 

buigen. 
deform [di'fD;m] misvormen. 
deformity [di'fs.miti] mismaaktheid. 
defraud [di'frD:d] bedriegen; ~' of, 

onthouden. 
defray [di'frei] bekostigen. 
defrayment [di'freimsnt] bekosti- 

ging. 
deft [deft] vlug, handig; aardig, net. 
defunct [di'fAijkt] overleden. 
defy [di'fai] uitdagen, tarten. 
degenerate [di'dsensreit] ontaarden. 
degeneration [didsena'reijan] ont- 

aarding. 
degradation [degra'deijsn] degrada- 

tie. 
degrade [di'greid] verlagen; vernede- 

ren; doen ontaarden. 
degree [di'gri:] graad; by —-■J', lang- 

zamerhand: i n a — , in zekere ma- 



te; tot op zekere hoogte; t o the 

last — in de hoogste mate. 
de-icer [dii'aiss] ijsbestrijder. 
deign [dein] zich verwaardigen; ver- 

waardigen met. 
deity ['di:itij godheid. 
dejected [di'd3ektid] neerslachtig. 
delay [di'lei] uitstel o, oponthoud o, 

vertraging; vt uitstellen, vertragen, 

ophouden. 
delegate ['deligit] gemachtigde, afge- 

vaardigde; ['deligeit] vt machtigen, 

afvaardigen, opdragen, overdragen. 
delegation [deli'geijan] delegatie, af- 

vaardiging, machtiging, opdracht, 

overdracht. 
deleterious [deli'tisrias] schadelijk, 

verderfelijk. 
Delf(t) [delf(t)] Delfts aardewerk o. 
deliberate [di'libsrit] weloverwogen; 

opzettelijk; bedaard, bezadigd; [di- 

'libsreit] vt overwegen; vi beraad- 

slagen (over, on). 
deliberation [dilibs'reijsn] beraad- 

slaging; overleg a, beraad o. 
delicacy ['delikssi] fijnheid, teer(ge- 

voelig)heid, kiesheid; lekkernij. 
delicate ['delikit] fijn, teer; kies; 

lekker. 
delicious [di'lijss] heerlijk. 
delight [di'lait] genoegen a, gemot o\ 

lust; take — in, behagen scheppen 

in; vt behagen, verheugen, verruk- 

ken; 7 shall be — ed, het zal mij 

aangenaam zijn. 
delightful [di'laitful] genotvol, heer- 
lijk; prachtig, uitstekend. 
delineate [di'linieit] tekenen, schet- 

sen; jig schilderen. 
delinquent [di'lir]kw3nt] delinquent, 

misdadiger, schuldige. 
delirious [di'liriss] ijleod, do). 
deliver [di'livs] bevrijden (uit, /;(?»z); 

verlossen (van, jrom); overhandi- 

gen, (in-, over-, af)leveren; bezor- 

gen; toebrengen; — a speech, een 

rede houden. 
deliverance [di'livsrsns] bevrijding, 

verlossing. 



delivery- 
delivery [di'livari] (in-, af) levering; 

overhandiging; bezorging; take ■ — 

oj, in ontvangst nemen. 
delivery van [di'livarivsen] bestel- 

wagen. 
delta ['delta] delta. 
delude [di'l(j)u:d] misleiden, bedrie- 

gen. 
deluge E'deljuids] zondvloed; (stort)- 

vloed. 
delusion [di'l(j)u:33n] waan; dwa- 

ling; (zelf)bedrog o. 
delusive [di'l(j)u:siv], delusory [di- 

'lju:s3ri] misleidend, bedrieglijk. 
demagogue ['demagog] demagoog, 

volksmenner. 
demand [di'ma:nd] eis, vordering, 

verlangen o; vraag; — and supply, 

vraag en aanbod; in ^~-', gezocht, 

in trek; on — , op aanvraag; vt 

(ver)eisen, vragen. 
demarcation [diimai'keijan] afschei- 

ding, afbakening, grens(lijn). 
demean [di'mirn] verlagen; — one- 
self, zich gedragen; zich verlagen. 
demeanour [di'miina] houding, ge- 

drag o. 
demented [di'mentid] krankzinnig. 
demerit [di:'merit] fout, gebrek o. 
demesne [di'mi:n] domein o. 
democracy [di'mokrasi] democratie. 
democrat ['demakrset] democraat. 
democratic (al) [dema'kraetik(l)] de- 

mocratisch. 
demolish [di'molij] afbreken, slopen; 

vernietigen. 
demolition [dema'lijsn] sloping; ver- 

nietiging; afbraak. 
demon ['di:m3n] duivel, demon. 
demonstrate ['demanstreit] aantonen, 

bewijzen; aan de dag leggen; de- 

monstreren. 
demonstration [deman'streijan] be- 

wijs o; betoon o; betoging; demon- 

stratie. 
demonstrative [di'monstrativ] bewij- 

zend, aanwijzend; demonstratief. 
demoralize [di'maralaiz] demoralise- 

ren. 



63 dependence 

demur [di'ma:] aarzelen; bezwaar ma- 
ken, protest aantekenen (tegen, to). 

demure [di'mjua] stemmig, zedig. 

den [den] hoi o, hok o. 

denial [di'naial] weigering, ontken- 
ning, (ver)Ioochening. 

Denmark ['denma:k] Denemarken o. 

denominate [di'nomineit] noemen. 

denomination [dinami'neijan] bena- 
ming; sekte; coupure [v. effect]; 
(nominale) waarde [v. munt]. 

denominational [dinomi'neijanal] 

— education, bijzonder onderwijs o. 
denominator [di'namineita] noemer 

[v. breuk]. 

denote [di'nout] aanduiden, aanwij- 
zen, wijzen op, te kennen geven. 

denounce [di'nauns] aankondigen; 
aangeven, aanklagen; opzeggen [ver- 
drag]; aan de kaak stellen; veroor- 
delen. 

dense [dens] dicht; stom. 

density ['densiti] dichtheid. 

dent [dent] deuk; vt (in)deuken. 

dental ['dental] tand-; tandheelkun- 
dig. 

dentist ['dentist] tandarts. 

dentistry ['dentistri] tandheelkunde. 

denture ['dentja] (kunst)gebit o. 

denunciation [dinAnsi'eiJan] aankon- 
diging; aangifte, aanklacht; opzeg- 
ging [v. verdrag]; veroordeling. 

deny [di'nai] ontkennen, (ver)Iooche- 
nen; ontzeggen; weigeren; '~ one- 
self to visitors, belet geven. 

depart [di'pa:t] vertrekken, heengaan; 

— from, afwijken van, laten va- 
ren; the ■ — ed, de overledene(n). 

department [di'pa:tmant] af deling, 
departement o\ gebied o\ — store{s), 
warenhuis o. 

departure [di'paitja] vertrek o\ heen- 
gaan o; a new ■ — ■, een nieuwe 
koers, lets nieuws. 

depend [di'pend] afhangen (van, oh); 
rekenen, vertrouwen (op, upon); 
that — s, dat hangt ervan af. 

dependence [di'pendans] afhankelijk- 
heid (van, on). 



dependency 



64 



deservedly 



dependency [di'pendsnsi] bijgebouw 

o; onderhorigheid. 
dependent [di'pendsnt] afhankelijk 

(van, 011, upon). 
depict [di'pikt] (af)schilderen. 
depiction [di'pikjsn] schildering. 
deplorable [di'pbirsbl] betreurens-, 

beklagenswaardig; jammerlijk. 
deplore [di'pb:] betreuren, bewenen, 

beklagen, bejammeren. 
depopulate [di/pDpjuleit] ontvolken. 
deport [di'pD;t] deporteren; — one- 
self, 2ich gedragen. 
deportation [diipDi'teiJan] deportatie. 
deportment [di'pDitmsnt] houding, 

gedrag o, optreden o. 
deposal [di'pouzal] afzetting. 
depose [di'pouz] afzetten; getuigen. 
deposit [di'pDzit] deposito o, storting; 

neerslag, bezinksel o; vt (neer)- 

leggen; deponeren, storten. 
depositor [di'pDzits] inlegger. 
depot E'depou] depot o & m. 
depravation [depra'veijan] verdor- 

venheid, bederf o. 
deprave [di'preiv] bederven; ■ — d, 

verdorven. 
depravity [di'praeviti] verdorvenheid. 
deprecate ['deprikeit] opkomen tegen, 

afkeuren. 
depreciate [di'pri:Jieit] onderschat- 

ten, neerhalen; in waarde dalen. 
depreciation [dipriiji'eijan] (afschrij- 

ving voor) waardevermindering. 
depress [di'pres] (neer)drukken; ter- 

neerslaan. 
depression [di'prejsn] neerslachtig- 

heid; depressie; malaise. 
deprivation [depri'veijsn] beroving, 

verlies o\ afzetting. 
deprive [di'praiv] beroven; af-, ont- 

zetten [uit ambt]; ■ — d of, ook: ver- 

stoken van, gespeend van, zonder. 
depth [dep9] diepte, diepzinnigheid. 
deputation [depju'teijan] deputatie. 
depute [di'pju:t] afvaardigen; over- 

dragen. 
deputize ['depjutaiz] — jor, invallen 

voor, vervangen. 



deputy ['depjuti] afgevaardigde; 

plaatsvervanger; aj ■ — ..., plaats- 

vervangend, vice-. 
derail [di'reil] (doen) ontsporen. 
derailment [di'reilmant] ontsporing. 
derange [di'reind3] storen, m de war 

brengen. 
derangement [di'reind3m3nt] storing, 

verwarring. 
derelict ['derilikt] verlaten; onbe- 

heerd. 
dereliction [deri'likjsn] (plicht)ver- 

zuim 0. 
deride [di'raid] bespotten, belachelijk 

maken. 
derision [di'rissn] spot, bespotting. 
derisive [di'raisiv], derisory [di'rai- 

sari] spottend, spot-; bespotteiijk. 
derivation [deri'veijsn] afleiding. 
derive [di'raiv] afleiden, trekken, krij- 

gen (uit, van, from); afstammen, 

voortspruiten (van, uit, from). 
derogate ['dersgeit] — from, afbreuk 

doen aan. 
derogatory [di'rogatsri] afbreuk 

doend; vernederend. 
derrick ['derik] kraan, bok; boor- 

toren. 
descend [di'send] (af) dalen (tot, to)\ 

naar beneden gaan; afstammen. 
descendant [di'sendsnt] afstammeJing. 
descent [di'sent] af-, (neer)daling; 

helling; landing; afkomst. 
describe [dis'kraib] beschrijven. 
description [dis'kripjsn] beschrijving; 

signalement o; soort v 8i o, slag o. 
descriptive [dis'kriptiv] beschrijvend. 
desecrate ['desikreit] ontwijden. 
desecration [desi'kreijan] ontwijding. 
desert ['dezst] woestijn; aj woest, ver- 
laten; onbewoond; [di'zsit] verdien- 

ste, (verdiende) loon o\ vt verlaten, 

in de steek laten; vi deserteren. 
deserter [di'zaita] deserteur. 
desertion [di'zsijan] verlating; de- 

sertie. 
deserve [di'z3:v] verdienen; — well 

of, zich verdienstelijk maken jegens. 
deservedly [di'zsividli] naar ver- 



deserving 



65 



dethrone 



dienste; terecht. 
deserving [di'zsivir]] verdienstelijk. 
design [di'zain] tekening; ontwerp 

o, plan o\ dessin o, patroon o; 

voornemen o\ bedoeling; by — , 

met opzet; vt schetsen, ontwerpen; 

bedoelen; aanwijzen. 
designate E'dezigneit] aanduiden; 

aanwijzen. 
designation [dezig'neijan] aandui- 

ding; aanwijzing; naam. 
designedly [di'zainidli] met opzet. 
designer [di'zaina] ontwerper; teke- 

naar. 
desirable [di'zaisrabl] wenselijk, be- 

geerlijk, gewenst. 
desire [di'zaia] begeerte, wens; ver- 

langen o; vt wensen, begeren, ver- 

langen. 
desirous [di'zaiaras] begerig, verlan- 

gend (naar, of). 
desist [di'zist] aflaten, afzien, ophou- 

den (met, jrotn). 
desk [desk] lessenaar, bureau o; kas- 

sa. 
desolate ['desalit] verlaten, eenzaam, 

troosteloos. 
desolation [dess'leijan] verwoesting; 

verlatenheid. 
despair [dis'pes] wanhoop; vi wan- 

hopen (aan, of). 
despatch [dis'paetj] zie dispatch. 
desperate ['despsrit] wanhopig. 
despicable ['despikabl] verachtelijk. 
despise [dis'paiz] verachten. 
despite [dis'pait] ondanks, trots. 
despondency [dis'pDodsnsi] moede- 

loosheid. 
despondent [dis'psndant] moedeloos. 
despot E'despDt] despoot, dwingeland. 
dessert [di'zsit] dessert o. 
destination [desti'neijsn] bestem- 

ming. 
destine ['destin] bestemmen. 
destiny ['destini] bestemming, 

(nood)lot o. 
destitute ['destitju:t] behoeftig, hulp- 

behoevend; ontbloot, verstoken. 
destitution [desti'tjuijan] armoede, 

Eng. Zakwrdbk. 11 



behoeftigheid, gebrek o. 
destroy [dis'tni] vernielen, verwoes- 

ten, vernietigen; afmaken [bond], 
destroyer [dis'tiDia] vernieler, ver- 

nietiger; torpedojager. 
destruction [dis'trAkJsn] vernieling, 

verwoesting, vernietiging. 
destructive [dis'trAktiv] vernielend; 

afbrekend [v. kritiek]. 
desultory ['desaltsri] onsamenhan- 

gend; vluchtig. 
detach [di'tsetj] losmaken, scheiden; 

detacheren. 
detachment [di'tastjmant] losmaking; 

objectiviteit; detachement o. 
detail ['di:teil] bijzonderheid, detail 

o. 
detailed [di'teild] gedetailleerd. 
detain [di'tein] op-, aan-, afhouden; 

achterhouden; gevangen of in be- 
waring houden. 
detainment [di'teinmsnt] aanhou- 

ding; gevangenhouding. 
detect [di'tekt] ontdekken; opsporen. 
detection [di'tekjsn] ontdekking; op- 

sporing. 
detective [di'tektiv] detective, re- 

chercheur, speurder. 
detention [di'tenjan] achterhouding; 

aanhouding; gevangenhouding; 

schoolblijven o\ oponthoud o. 
deter [di'ts:] afschrikken, terughouden 

(van, from). 
deteriorate [di'tisriareit] achteruit- 

gaan, verslechteren. 
deterioration [ditiaria'reijsn] ver- 

slechtering, achteruitgang. 
determination [ditsimi'neijan] bepa- 

ling; besluit o; vastberadenheid. 
determine [di'taimin] bepalen; (doen) 

besluiten; beslissen; beeindigen. 
determined [di'taimind] vastberaden, 

vastbesloten. 
deterrent [di'terant] afschrikkend 

(middel o). 
detest [di'test] verfoeien. 
detestable [di'testabl] verfoeilijk, af- 

schuwelijk. 
dethrone [di'Sroun] onttronen. 



detour 



66 



die 



detour [di'tua] omweg. 

detract [di'traekt] ~' from, afbreuk 

doen aan, verkleinen. 
detraction [di'traskj'sn] kleinering; 

kwaadsprekerij. 
detractor [di'trtekta] kwaadspreker. 
detriment ['detrimsnt] nadeel o. 

schade. 
detrimental [detri'mental] nadelig, 

schadelijk. 
deuce [dju:s] twee [op dobbelstenen 

en speelkaarten], 40 gelijk [tennis]; 

duivel, drommel. 
deuced ['djuisid] verduiveld. 
devaluation [di:vaelju'eij3n] devalua- 

tie. 
devastate ['devasteit] verwoesten. 
devastation [devas'teijsn] verwoes- 

ting. 
develop [di'vebp] (zich) ontwikke- 

len, tot ontwikkeling brengen (ko- 

men); uitbreiden; ontginnen; krij- 

gen, optreden [koorts]; ontstaan; 

aan de dag leggen. 
development [di'vebpmsnt] ontwik- 
keling; uitbreiding; ontginning; be- 

bouwing, (op)bouw; fig verloop o\ 

await ■ — ^j', verdere gebeurlijkheden 

afwachten. 
deviate ['di:vieit] afwijken. 
deviation [di'.vi'eijan] afwijking. 
device [di'vais] plan o, oogmerk o; 

middel o\ list, (uit)vinding; toesteJ 

o\ zinspreuk; left to his own ■ — s, 

aan zijn lot overgelaten. 
devil ['devi] duivel. 
devilish ['devlij] duivels. 
devious ['diivias] kronkelend; afwij- 

kend; — way, omweg. 
devise [di'vaiz] uitdenken, bedenken, 

verzinnen, beramen. 
•devoid [di'vDid] ontbloot; — of, be- 

roofd (gespeend) van, zonder. 
devolve [di'v^lv] doen overgaan, 

overdragen; ■ — ' upon, neerkomen 

op, overgaan op, toevallen aan. 
devote [di'vout] (toe)wijden. 
■devoted [di'voutid] (toe)gewijd, 

(aan elkaar) gehecht, verknocht. 



devotee [devou'ti:] dweper; enthou- 

siast liefhebber. 
devotion [di'voujan] (toe)wijding; 

godsvrucht. 
devour [di'vaua] verslinden; fig ver- 

teren. 
devout [di'vaut] godvruchtig, vroom. 
dew [dju;] dauw; vi dauwen. 
dexterity [deks'teriti] behendigheid, 

handigheid. 
dexterous ['dekstaras] behendig, 

handig. 
diabetes [dai3'bi:ti:z] suikerziekte. 
diabetic [dais'biitik] lijder, -es aan 

suikerziekte; af suikerziekte-. 
diabolic [daia'bolik] duivels. 
diadem ['daisdam] diadeem. 
diagnosis [daiag'nousis] diagnose. 
diagonal [dai'asgsnsl] diagonaal. 
diagram ['daiagrtem] diagram a. 
dial ['daial] zonnewijzer; wijzerplaat. 

(kies)schiijf; vt draaien, kiezen, 

(automatisch) opbellen. 
dialect ['daialekt] tongval, dialect o 
dialogue ['daiabg] samenspraak. 
diameter [dai'aemits] middellijn. 
diamond ['daiamand] diamant o 

[stofnaam], diamant jn [voorwerps 

naam] ; ruit; a] diamanten. 
diaphragm ['daiafrsem] middenrif o 
diary ['daiari] dagboek o. 
dice [dais] dobbelstenen; vi dobbelen. 
dictate ['dikteit] voorschrift o, ge- 

bod o\ [dik'teit] vt voorzeggen, 

dicteren, ingeven; voorschrijven. 
dictation [dik'teijan] dictee o. 
dictator [dik'teita] dictator. 
dictatorial [dikta't3:rial] dictatoriaal. 
dictatorship [ dik'teita Jip] dictatuur. 
diction ['dikjan] voordracht. 
dictionary ['dikjanari] woordenboek c. 
did [did] V.T. van do. 
didactic [di'dasktik] didactisch, leer-. 
die [dai] dobbelsteen; muntstempel, 

the — is cast, de teerling is ge- 

worpen; vi sterven, overlijden; weg- 

sterven, verflauwen; — away, ~ 

down, wegstervcn; afnemen, vermin- 

deren. 



diesel engine 



(n 



direct 



diesel engine ['di:2lend3in] diesel- 

motor. 
diet E'daiat] leefregel; dieet o\ voed- 

sel o\ rijks-, landdag. 
differ ['difa] (van mening) ver- 

schillen. 
difference ['difrsns] verschil o\ ge- 

schil(punt) o. 
different ['difrsnt] verschillend, an- 

der; anders (dan, jrom, to). 
difficile ['difisi:!] lastig, moeilijk te 

voldoen. 
difficult E'difikalt] moeilijk, lastig. 
difficulty ['difikalti] moeilijkheid, 

bezwaar o\ moeite. 
diffidence ['difidsns] schroomvallig- 

heid. 
diffident ['difidant] schroomvallig. 
diffuse [di'fju:s] verspreid; breed- 

sprakig, wijdlopig; [di'fju:z] vt 

verspreiden. 
diffusion [di'fju:33n] verspreiding. 
dig [dig] por, duw; steek (onder wa- 
ter); vt graven, spitten. 
digest E'daidjest] overzicht o\ [di-, 

dai'dsest] vt verteren, verwerken. 
digestion [di-, dai'dsestjan] (spijs)- 

vertering; verwerking. 
digger ['diga] (goud) graver. 
dignified ['dignifaid] waardig. 
dignitary ['dignitari] waardigheids- 

bekleder, dignitatis. 
dignity ['digniti] waardigheid. 
digress [dai'gres] afdwalen, uitwei- 

den. 
digression [dai'grej'an] afdwaling, 

uitweiding. 
dike [daik] sloot; dijk. 
dilapidated [di'lsepideitid] verwaar- 

loosd, vervallen, bouwvallig. 
dilatation [daila'teijan] uitzetting; 

uitweiding. 
dilate [dai'leit] uitzetten; '—d eyes, 

opengespalkte ogen; -~ upon, uit- 

weiden over. 
dilemma [di'lema] dilemma o. 
diligence ['dilidjans] ijver, vlijt. 
diligent ['dilidsant] ijverig, vlijtig. 
dilly-dally ['dilidaeli] treuzelen. 



dilute [dai-, di'I(j)u:t] verdunnen. 
dilution [dai-, di'](!)u:Jan] verdun- 

ning. 
diluvium [di'l(j)u:viam] diluvium o. 
dim [dim] duister, dof; vaag; flauw; 

vt verduisteren, dof maken, bene- 

velen; temperen [licht]. 
dime [daim] ^/j^o dollar. 
dimension [di'menjan] afmeting. 
diminish [di'minij"] verminderen. 
diminution [dimi'DJuiJan] verminde- 

diminutive [di'minjutiv] verklein- 

woord o; aj verkleinend, verklei- 

nings-; klein, gering; miniatuur-. 
dimness ['dimnis] duister-, dofheid. 
dimple ['dimpi] (wang)kuiltje o. 
din [din] geraas o, lawaai o. 
dine [dain] dineren, eten. 
dinghy ['dirjgi] (rubber)bootje o. 
dingy ['dindsi] duister, vuil, goor. 
dining-car ['dainirjka:] restauratie- 

wagen. 
dining-room ['dainirjrum] eetkamer. 
dinner ['dins] middagmaal o, middag- 

eten o, diner o. 
dinner-jacket ['dinadssekit] smoking. 
dinner-party ['dinapa:ti] diner o. 
dinner-plate ['dinapleit] plat bord o. 
dinner-time ['dinataim] etenstijd. 
dinner-vv'agon ['dinawEgan] dien- 

tafel. 
diocese ['daiasis] bisdom o. 
dip [dip] (in)dopen; duiken. 
diphtheria [dif'Biaria] difterie. 
diphthong ['dif-, 'dip93i]] tweeklank. 
diploma [di'plouma] diploma o. 
diplomacy [di'ploumasi] diplomatic. 
diplomat ['diplamast] diplomaat. 
diplomatic [dipla'mzetik] diploma- 

tisch; diplomatiek. 
diplomatist [di'ploumatist] diplomaat. 
dipsomania [dipsou'meinia] drank- 

zucht. 
dipsomaniac [dipsou'meiniask] 

drankzuchtige. 
dire ['daia] akelig, verschrikkelijk. 
direct [di'rekt, dai'rekt] direct, recht- 

(streeks); onmiddellijk; ronduit, op 



direction 



68 



disconnect 



de man af; '~ current, gelijkstroom; 

vt (be)sturen, richten, (ge)leiden; 

regisseren; last geven; voorschrijven; 

dirigeren; inlichten, de weg wijzen; 

adresseren. 
direction [di-, dai'rekjan] directie, 

bestuur o, besturing, leiding, regie; 

richting; aanwijzing; voorschrift o\ 

adres o. 
directive [di-, dai'rektiv] richtlijn. 
directly [di-, dai'rektli] aanstonds, da- 

delijk, direct; zodra. 
director [di-, dai'rekts] directeur, lei- 

der, bestuurder, (film)regisseur; 

commissaris [v. maatschappij]. 
directory [di'rektari] adresboek o. 
directress [di'rektris] directrice. 
dirge [d3:d3] lijk-, klaagzang. 
dirigible ['dirid3ibl] bestuurbaar. 
dirk [dsik] ponjaard. 
dirt [d3;t] vuil o, slijk o. 
dirt-cheap ['d3:t'tji:p] spotgoedkoop. 
dirty ['daiti] vuil; smerig; vt vuil 

maken. 
disable [dis'eibl, di'zeibl] onbekwaam 

maken; — d, invalide, buiten ge- 

vecht gesteld; ontredderd. 
disabuse [diss'bjuiz] uit de droom 

helpen. 
disadvantage [dissd'vaintids] nadeel 

o. 
disadvantageous [dis2edv3n'teid33s] 

nadelig, onvoordelig. 
disaffected [diss'fektid] ontevreden. 
disagree [disa'gri:] verschillen, het 

oneens zijn, niet passen (bij, with). 
disagreeable [disa'griabl] onaange- 

naam. 
disagreement [diss'griimsnt] verschil 

o, onenigheid, afwijking. 
disappear [diss'pia] verdwijnen. 
disappearance [disa'piarans] verdwij- 

ning. 
disappoint [disa'point] teleurstellen. 
disappointment [disa'psintmsnt] te- 

leurstelling. 
disapprobation [disaspra'beijan], dis- 
approval [disa'pru.val] afkeuring. 
disapprove [diss'pruiv] afkeuren. 



disarm [dis'a:m, di'za:m] ontwape- 

nen. 
disarmament [dis'aimamant, di'z-] 

ontwapening. 
disaster [di'zaista] ramp. 
disastrous [di'zaistras] rampspoedig. 
disavow [disa'vau] (ver)loochenen, 

ontkennen, niet erkennen. 
disavovi'al [disa'vaual] (ver)looche- 

ning, ontkenning, niet-erkenning. 
disband [dis'baend] afdanken; ont- 

binden; uiteengaan. 
disbelief ['disbi'li:f] ongeloof o. 
disburse [dis'baisj f uit)betalen, 

voorschieten. 
discard [dis'ka:d] opruimen, ter zijde 

leggen; afdanken. 
discern [di'zain] onderscheiden, ont- 

waren. 
discernible [di'zainibl] (duidelijk) te 

onderscheiden, waarneembaar. 
discerning [di'z3:nir)] schrander. 
discernment [di'zainmsnt] onderschei- 

dingsvermogen o, doorzicht o, 

schranderheid. 
discharge [dis'tjaidj] ontslag o\ 

kwijtschelding; ontheffing, vrij- 

spraak; afschieten o, schot o\ af- 

lossing; ontlading; ontlasting; vt af-, 

ontladen; afschieten, lessen; ontlas- 

ten; ontheffen, kwijtschelden, vrij- 

spreken; ontslaan. 
disciple [di'saipl] leerling. 
disciplinary ['disiplinari] disciplinair. 
discipline ['disiplin] tucht, discipline; 

vt disciplineren; tuchtigen. 
disclose [dis'klouz] openbaren, ont- 

hullen, openbaar maken. 
disclosure [dis'klousa] openbaring, 

onthulling, openbaarmaking. 
discolour [dis'kAb] verkleuren. 
discomfit [dis'k.\mfit] verslaan, uit 

het veld slaan, verijdelen [plan], 
discomfort [dis'kAmfat] ongemak o\ 

leed o\ vt hinderen. 
disconcert [diskan'sait] verijdelen; 

ontstellen, van zijn stuk brengen. 
disconnect [diska'nekt] losmaken; af- 

koppelen; scheiden. 



disconsolate 



69 



dishevel 



disconsolate [dis'lcDnsslit] trooste- 

loos, ontroostbaar. 
discontent [diskan'tent] misnoegen o. 
discontented [disksn'tentid] ontevre- 

den. 
discontinue [diskan'tinju:] staken, af- 

breken, ophouden met; opzeggen 

[abonnement]; opheffen [zaak]. 
discord ['disk^id] onenigheid, tw'ee- 

dracht, wanklank. 
discordant [dis'koidsnt] onharmo- 

nisch, niet-overeenstemmend, uit- 

eenlopend; onenig. 
discount ['diskaunt] disconto o, kor- 

ting; at a -^, beneden pari; fig 

niet in aanzien; [dis'kaunt] vt 

(ver)disconteren; jig weinig (geen) 

geloof hechten aan. 
discountenance [dis'kauntansns] van 

zijn stuk brengen; niet aanmoedi- 

gen, tegengaan. 
discourage [dis'kArids] ontmoedi- 

gen; afschrikken; niet aanmoedigen, 

tegengaan. 
discouragement [dis'kAridsmsnt] ont- 

moediging; tegenwerking. 
discourse [dis'kDis] verhandeling, 

voordracht; rede (veering) ; vi spre- 

ken (over, on, of). 
discover [dis'kAva] ontdekken. 
discoverer [dis'kAvsra] ontdekker. 
discovery [dis'kAvari] ontdekking. 
discredit [dis'kredit] diskrediet o\ vt 

niet geloven; in diskrediet brengen. 
discreditable [dis'kreditDbl] schan- 

delijk. 
discreet [dis'kri:t] voorzichtig, tact- 

vol, verstandig, discreet. 
discrepancy [dis'krepansi] tegenstrij- 

digheid, onverenigbaarheid. 
discrepant [dis'krepant] tegenstrij- 

dig, onverenigbaar. 
discretion [dis'krejsn] oordeel o (des 

onderscheids), beleid o\ at the — 

of, overgeleverd aan de willekeur 

van; at your ■ — ', tot uw dienst; naar 

uw verkiezing. 
discriminate [dis'krimineit] onder- 

scheiden; onderscheid maken. 



discrimination [diskrimi'neijsn] on- 
derscheidingsvermogen o; onder- 
scheid o\ scherpzinnigheid. 

discus L'diskss] discus. 

discuss [dis'kAs] bespreken. 

discussion [dis'kAjan] bespreking. 

disdain [dis'dein] minachting, ver- 
smading; vt minachten, versmaden, 
't beneden zich achten. 

disdainful [dis'deinful] minachtend. 

disease [di'zi:z] ziekte, kwaal. 

diseased [di'zirzd] ziek. 

disembark [disim'ba:k] (zich) ont- 
schepen, landen. 

disembarkation [disemba/keijan] 
ontscheping, landing. 

disenchant [disin'tja:nt] ontgoochelen. 

disenchantment [disin'tjaintmsnt] 
ontgoocheling. 

disengage [disin'geids] los-, vrijma- 
ken, bevrijden. 

disengaged [disin'geid3d] bevrijd; 
los, vrij, onbezet [van tijd]. 

disentangle [disin'tferjgl] ontwarren; 
los-, vrijmaken, bevrijden. 

disfavour [dis'feivs] ongenade. 

disfigure [dis'figa] mismaken, schen- 
den, ontsieren. 

disgorge [dis'gDids] uitbraken, (zich) 
ontlasten; op-, teruggeven. 

disgrace [dis'greis] ongenade, schan- 
de, schandvlek; vt in ongenade doen 
vallen; onteren, te schande maken; 
tot schande strekken. 

disgraceful [dis'greisful] schandelijk. 

disguise [dis'gaiz] vermomming; in 
■ — ■, vermomd, verkapt; without — , 
onomwonden; vt vermommen; ver- 
bloemen; verbergen. 

disgust [dis'gASt] afkeer; walging; vt 
doen walgen (van, with); be ■ — ed 
at, walgen van. 

disgusting [dis'gAstirj] walglijk. 

dish [dij] schotel, schaal, gerecht o\ 
vt — up, opdissen. 

dish-cloth ['diJkbG] vaatdoek. 

dishearten [dis'ha:tn] ontmoedigen. 

dishevel [di'Jevsl] in de war bren- 
gen; — led, ook: verfomfaaid. 



dishonest 



70 



disperse 



dishonest [dis'Dnist] oneerlijk, on- 

oprecht. 
dishonesty [dis'Dnisti] oneerlijheid, 

onoprechtheid. 
dishonour [dis'sna] oneer, schande; 

vt onteren; niet honoreren. 
dishonourable [dis'Dnarsbl] schande- 

lijk; eerloos. 
disillusion [disi'l(j)u:33n] ontgooche- 

ling; vt ontgoochelen. 
disillusionize [disi'l(j)u:33naiz] ont- 
goochelen. 
disillusionment [disi'l ( j ) uisanmsnt] 

ontgoocheling. 
disinclined [disin'klaind] ~- to, niet 

genegen om, afkerig van. 
disinfect [disin'fekt] ontsmetten. 
disinfection [disin'fekjsn] ontsmet- 

ting. 
disingenuous [disin'd3enju3s] onop- 

recht, geveinsd. 
disinherit [disin'herit] onterven. 
disintegration [disinti'greij'sn] ont- 

binding, uiteenvallen o. 
disinter [disin'ta:] opgraven. 
disinterested [dis'int(3)restid] be- 

langeloos. 
disinterment [disin'tsimsnt] opgra- 

disjoin [dis'ds^in] scheiden, losma- 

ken. 
disjoint [dis'dsDint] ontw'richten; 

— ed, onsamenhangend, los. 
disjunction [dis'dsArjkJsn] scheiding. 
disk [disk] discus, (,werp)schijf. 
dislike [dis'laik] afkeer, tegenzin; vt 

niet houden van. 
dislocate ['disbkeit] ontwrichten. 
dislocation [disb'keijsn] ontwrich- 

_ ting, 
dislodge [dis'bdsl verdrijven, verja- 

disloyal [dis'bial] ontrouw, trouwe- 

loos. 
disloyalty [dis'bislti] ontrouw, trou- 

weloosheid. 
dismal ['dizmsl] akelig, treurig. 
dismantle [dis'masntl] ontmantelen, 

demonteren; onttakelen [schip]. 



dismay [dis'mei] ontsteltenis, versla- 

genheid; vt ontmoedigen, terneer- 

slaan, doen ontstellen. 
dismiss [dis'mis] wegzenden, ont- 

sban, afdanken; van zich afzetten 

[gedachte], laten varen, zich afma- 

ken van, afpoeieren; afwijzen; laten 

inrukken; — !, ingerukt! 
dismissal [dis'misal] afzetting, ont- 

slag o\ afdanking; afwijzing. 
dismount [dis'maunt] afstijgen; uit- 

stappen; afwerpen; demonteren. 
disobedience [disa'biidjans] onge- 

hoorzaamheid. 
disobedient [diss'biidjsnt] ongehoor- 

zaam. 
disobey [disa'bei] niet gehoorzamen, 

niet luisteren naar, overtreden. 
disorder [dis'oids] wanorde; kwaal; 

'-~s, ook; ongeregeldheden; vt van 

streek (in de war) maken. 
disorderly [dis'D;d3li] on-, wanorde 

lijk, ongeregeld; rumoerig. 
disown [dis'oun] niet erkennen, ver- 

loochenen. 
disparage [dis'pceridj] verkleinen, 

kleineren, neerhalen. 
disparagement [dis'p£erid3m3nt] ver- 

kleining, kleinering. 
disparity [dis'pseriti] ongelijkheid, 

verschil o. 
dispassionate [dis'pasjanit] bezadigd, 

onpartijdig. 
dispatch [dis'pastj] verzending; spoed; 

bericht o\ vt (met spoed) verzen- 

den, afdoen, afmaken. 
dispatch-rider [dis'paetjraida] (mo- 
tor) ordonnans. 
dispel [dis'pel] verdrijven. 
dispensary [dis'penssri] apotheek. 
dispensation [dispen'seij'3n] bedeling; 

ontheffing, vrijstelling. 
dispense [dis'pens] uitdelen, toedie- 

nen; klaarmaken [recept] ; vrijstel- 

len (van, from); — with, bet stel- 

len buiten. 
dispersal [dis'psisl] zie dispersion. 
disperse [dis'psis] verstrooien, ver- 

spreiden; uiteenjagen; uiteengaan. 



dispersion 71 

dispersion [dis'paijan] verspreiding, 

verstrooiing. 
dispirit [dis'pirit] ontmoedigen. 
displace [dis'pleis] verplaatsen; ver- 

vangen; afzetten; verdringen. 
display [dis'plei] vertoning, uitstal- 

ling; demonstratie; vt (ver)tonen, 

ten toon spreiden; uitstallen. 
displease [dis'pli:z] mishagen; — d, 

misnoegd, ontevreden (over, at). 
displeasure [dis'ple33] misnoegen o. 
disposal [dis'pouzsl] beschikking. 
dispose [dis'pouz] (rang)schikken; 

regelen; (voorbe)stemmen; — of, 

beschikken over; weerleggen, ont- 

zenuwen; zich ontdoen van, verko- 

pen; - — 'd, geneigd, gezind. 
disposition [disps'zijan] (rang)schik- 

king; regaling; (wils) beschikking; 

aard; neiging, stemming. 
dispossess [disps'zes] beroven (van, 

of) ; onteigenen. 
dispossession [dispa'zejsn] beroving, 

onteigening. 
disproportion [dispra'pDifan] oneven- 

redigheid, wanverhouding. 
disprove [dis'pruiv] weerleggen. 
dispute [dis'pjuit] (rede)tvi'ist, ge- 

schil o; beyond {ivithout) — , bui- 

ten kijf; vi (rede)twisten; vt discu- 

teren over; betwisten. 
disqualify [dis'kwDlifai] onbekwaam 

maken, zijn bevoegdheid ontnemen, 

uitsluiten, diskwalificeren. 
disquiet [dis'kwaiat] onrust, onge- 

rustheid; vt verontrusten. 
disregard [disri'ga:d] veronachtza- 

ming, geringschatting; vt geen 

acht slaan op, veronachtzamen. 
disreputable [dis'repjutsbl] berucht. 
disrepute [disri'pju:t] slechte naam. 
disrespect [disris'pekt] oneerbiedig- 

heid. 
disrespectful [disris'pektful] oneer- 

biedig. 
dissatisfaction [dissastis'faekjan] on- 

tevredenheid, onvoldaanheid. 
dissatisfy [dis'ssetisfai] teleurstellen; 

ontevreden stemmen 



distort 

dissect [di'sekt] ontleden. 
dissection [di'sekjan] ontleding. 
dissemble [di'sembl] ontveinzen, ver- 

helen; huichelen, veinzen. 
disseminate [di'semineit] (uit)- 

zaaien, uitstrooien, verspreiden. 
dissension [di'senjsn] verdeeldheid. 
dissenter [di'sents] afgescheidene. 
disservice [dis's3:vis] ondienst. 
dissimilar [di'simib] ongelijk. 
dissimulate [di'simjuleit] ontveinzen, 

verbergen; huichelen. 
dissimulation [disimju'leijsn] vein- 

zerij; ontveinzing. 
dissipate ['disipeit] verspreiden, ver- 

drijven; verstrooien; verspillen. 
dissipation [disi'peijan] verspreiding, 

verdrijving, verstrooiing; verspil- 

ling; losbandigheid. 
dissociate [di'soujieit] (af)scheiden. 
dissolute ['dis3l(j)u:t] los(bandig). 
dissolve [di'zolv] oplossen, ontbin- 

den; smelten; uiteengaan. 
dissonance ['dissnsns] wanklank. 
dissuade [di'sweid] af-, ontraden; af- 

brengen (van, from), 
distance ['distans] afstand; verte. 
distant ['distant] ver, verwijderd, af- 

gelegen; fig op een afstand. 
distaste [dis'teist] tegenzin. 
distasteful [dis'teistful] onaange- 

naam, onsmakelijk. 
distil [dis'til] afdruipen; distilleren. 
distillation [disti'leijan] distillatie. 
distiller [dis'tib] distillateur. 
distillery [dis'tibri] distilleerderij. 
distinct [dis'tii](k)t] onderscheiden, 

verschillend; gescheiden, apart; dui- 

delijk; bepaald, beslist; as — from, 

in tegenstelling met. 
distinction [dis'tig(k)j3n] onder- 

scheiding, onderscheid o\ aanzien o, 

distinctie, voornaamheid. 
distinguish [dis'tirjgwij] onderschei- 
den. 
distinguished [dis'tirjgwijt] voor- 

naam; eminent; gedistingeerd. 
distort [dis't3:t] verwringen, ver- 

draaien. 



distortion 



72 



doctrine 



distortion [dis'to.Jan] verwringing, 

verdraaiing. 
distract [dis'trskt] afleiden [de aan- 

dacht] ; verwarren, gek maken. 
distracted [dis'trasktid] verward, ver- 

bijsterd; gek, dol. 
distraction [dis'trsekjsn] afleiding; 
verwarring; (verstands)verbijste- 
ring; to — , waanzinnig. 
distress [dis'tres] nood, ellende; vt 

benauwen, bedroeven, kwellen. 
distribute [dis'tribjut] verspreiden, 

rond-, uitdelen, verdelen. 
distribution [distri'bjuijan] uit-, 

rond-, verdeling, verspreiding. 
district ['distrikt] district o; gebied o; 

wijk. 
distrust [dis'ttASt] wantrouwen io). 
distrustful [dis'ttAStful] wantrouwig. 
disturb [dis'tsib] (ver)storen, veront- 

rusten. 
disturbance [dis'taibsns] (ver)storing: 
stoornis; rustverstoring; opschud- 
ding; — s, ongeregeldheden. 
disunion [dis'juinjan] scheiding; on- 

enigheid. 
disunite [disju'nait] scheiden, verde- 
len. 
disuse [dis'juis] fall into ■ — ', in on- 

bruik raken. 
ditch [ditj] sloot, greppel. 
ditto ['ditou] dito. 
ditty ['diti] deuntje o, wijsje o. 
divan [di'vjen] divan. 
dive [daiv] duik, duikvlucht; vi dui- 
ken; tasten [in de zak]; zich ver- 
diepen (in, into). 
dive-bomber ['daivbDms] duikbom- 

menwerper. 
diver ['daiva] duiker. 
diverge [dai-, di'v3:d3] afwijken, uit- 

eenlopen. 
divergence [dai-, di'vaidsans] afwij- 

king. 
divergent [dai-, di'vaidssnt] afwij- 

kend, uiteenlopend. 
diverse [dai'vais] verschillend. 
diversion [dai'vaijan] afleiding; 
verzet(je) o. 



diversity [dai-, di'v3:siti] verschei- 

denheid. 
divert [dai-, di'v3:t] afwenden, aflei- 
den; om-, verleggen; onttrekken; 
(tot een ander doel) aanwenden; 
amuseren, afleiding geven. 
diverting [dai-, di'vaitirj] vermakelijk. 
divest [dai-, di'vest] ontdoen, ont- 

bloten, beroven (van, of). 
divide [di'vaid] (ver)delen, scheiden; 

zich verdelen; stemmen. 
dividend ['dividand] deeltal o\ divi- 
dend o\ uitkering. 
divine [di'vain] goddelijk; vt raden; 

voorspellen. 
diving-bell ['daivirjbel] duikerklok. 
divinity [di'viniti] goddelijkheid, 

godheid; godgeleerdheid. 
divisibility [divizi'biliti] deelbaar- 

heid. 
divisible [di'vizibl] deelbaar. 
division [di'vissn] (ver) deling, afde- 
ling, divisie; (af) scheiding; stem- 
ming. 
divisor [di'vaizs] deler. 
divorce [di'vDis] (echt) scheiding; vt 

(zich laten) scheiden. 
divulge [dai-, di'vAJdj] onthullen, 

openbaren, ruchtbaar maken. 
dizzy ['dizi] duizelig; duizelingwek- 

kend. 
do [du:] doen; maken; gedijen; that 
tvill — , zo is 't goed (voldoende); 
that won't — , dat gaat niet aan, 
dat kan zo niet; how do you — ?, 
hoe maak je het?; — or die, erop 
of eronder; — away with, van 
zich afzetten; wegnemen; afschaf- 
,fen; van kant maken. 
docile ['dousail, 'dssail] leerzaam, 

volgzaam, handelbaar, gezeglijk. 
dock [dok] dok o\ '-~s, haven; vt dok- 

ken [schip]; kortstaarten; korten. 
dock company ['dokkAmpani] veem o. 
docker ['doka] bootwerker, havenar- 

beider. 
dockyard ['d^kjaid] (marine)werf. 
doctor ['dDkts] doctor, dokter. 
doctrine ['daktrin] leer, leerstuk o. 



document 



73 



downcast 



document ['dokjumsnt] (bewijs)stuk 

o, document o\ vt documenteren. 
documentary [dDkju'mentsri] docu- 

mentair(e film). 
dodge [dods] zijsprong; true; kunst- 

je o\ vi ter zijde springen, uitwijken; 

vt ontduiken 
doe [dou] hinde; wijfje o. 
dog [dDg] bond; mannetje o; lucky 

— , geluksvogel; go to the — s, naar 

de maan gaan; vt (ver)volgen. 
dog-cake ['dDgkeik] hondebrood o. 
dog-days ['dsgdeiz] hondsdagen. 
dogged E'dDgid] taai. 
dogma ['dogma] dogma o, leerstuk o. 
doily ['doili] vingerkomdoekje o. 
doing ['du:ir)] daad, bedrijf o\ his 

'~j', zijn doen en laten o. 
dole [doul] aalmoes; (werklozen)- 

uitkering; he on the '— , steun trek- 
doleful ['doulful] treurig. [ken. 
doll [dol] pop. 
dolphin ['dolfin] dolfijn. 
dolt [doult] botterik, sul. 
domain [da'mein] domein a, gebied 

o. 
dome [doum] koepel. 
domestic [da'mestik] bediende; dienst- 

bode; aj huiselijk, huishoudelijk, 

huis-; binnenslands. 
domicile ['dDmisail] domicilie o, 

woonplaats. 
dominant E'dDminant] (over)heersend, 

dominerend. 
dominate ['dDmineit] be-, overheersen. 
domination [domi'neijsn] be-, over- 

heersing. 
domineer [dDmi'nia] heersen, de baas 

spelen. 
dominion [da'minjsn] heerschappij; 

Brits rijksdeel o. 
domino ['dDminou] domino o & m. 
donation [dou'neijsn] gift. 
done [dAn] gedaan; gebraden, gaar; 

klaar; ~-.', top!; '~ jor, naar de 

bliksem, weg. 
donkey ['dDrjki] ezel. 
donor ['douna] gever, schenker. 
don't [dount] = do not. 



doom [du:m] vonnis o, lot o\ onder- 

gang; vt vonnissen, doemen. 
door [da:] deur. 
door-keeper ['daikiipa] portier. 
door-plate ['doipleit] naamplaatje o. 
door-step ['daistep] drempel. 
doorway ['daiwei] ingang; deur- 

opening; portiek [v. winkel]. 
dope [doup] smeersel o, vernis o & 

7n, lak o & m\ bedwelmend middel 

o\ nieuws o; inlichting; leugen(s). 
dormant ['daimant] slapend, sluime- 

rend; stil [vennoot]. 
dormitory ['daimitri] slaapzaal. 
dose [dous] dosis; vt afpassen, afwe- 

gen; ■ — • with, ingeven. 
dot [dat] stip, punt; vt stippelen; — 

one's i's, de puntjes op de i zetten; 

■^ted line, stippellijn. 
dotage ['doutid3] sufferij, kindsheid. 
dotard ['doutad] suffer. 
dote [dout] suffen; verzot (do!) zijn 

(op, on, upon). 
double ['dAbl] dubbelganger; dupli- 

caat o\ dubbelspel o [bij tennis]; 

at the '~, in de looppas; aj dub- 

bel; vt verdubbelen, (om)vouwen; 

— up, dubbel vouwen; dubbel 

slaan, ineenkrimpen. 
double-dealing ['dAbl'diilii)] huiche- 

larij. 
double-edged ['dAbl'edsd] tweesnij- 

dend. 
doubt [daut] twijfel; vt betwijfelen; 

vi twijfelen (aan, of). 
doubter ['dauta] tu'ijfelaar. 
doubtful ['dautful] twijfelachtig. 
doubtless ['dautlis] ongetwijfeld. 
dough [dou] deeg o. 
dove [dAv] duif. 
dowager ['dauad3a] douairiere. 
dowdy ['daudi] slonzig. 
dower ['daua] bruidsschat; weduw- 

goed o; vt begiftigen. 
down [daun] dons o\ heuvelachtige 

vlakte; (naar) beneden, neer, onder, 

af, langs; — with...!, weg met...! 
downcast ['daunka:st] (ter)neerge- 

slagen. 



aifall 



downfall ['daunfo:!] val, instorting. 
down-hearted ['daun'haitid] ontmoe- 

digd. 
downpour ['daunp^:] stortbui. 
downright ['daunrait] bepaald, recht- 

uit (gezegd), volslagen. 
downstairs [daun'steaz] (naar) be- 

neden. 
downward (s) ['daunw3d(z)] naar 

beneden. 
downy ['dauni] donzig. 
dowry ['dau(3)ri] bruidsschat. 
doze [douz] dutje o; vi soezen, dut- 

ten. 
dozen ['dAzn] dozijn o. 
drab [drasb] lichtbruin, vaal (bruin); 

kleurloos, grauw, saai. 
draft [dra:ft] trekken o; ontwerp o, 

klad o, schets; wissel; detachement 

o, lichting; vt ontwerpen, opstellen; 

detacheren. 
drag [drseg] dreg; fig rem; iit slepen, 

sleuren; (af)dreggen; traineren, niet 

opschieten; — on, (zich) voortsle- 

pen. 
drag-net ['drsegnet] sleepnet o. 
dragon ['drjegan] draak. 
dragon-fly ['draeganflai] waterjuffer. 
dragoon [drs'guin] dragonder. 
drain [drain] afvoerbuis; afwatering; 

riool o\ vt afvoeren, afwateren; 

droogleggen; uitdrinken. 
drainage ['dreinids] drooglegging, 

afwatering; riolering. 
drake [dreik] woerd. 
dram [draem] beetje o\ borreltje o. 
drama ['draima] drama o. 
dramatic [dra'mastik] dramatisch, 

toneel-; indrukwekkend. 
drank [draeijk] V.T. van drink. 
draper ['dreipa] manufacturier. 
drapery ['dreipsri] manufacturen; ma- 

nufacturenzaak, -handel; draperie. 
drastic ['drasstik] drastisch. 
draught [dra:ft] tocht; slok, teug; 

drankje o\ trek; vangst; ontwerp 

0, schets; diepgang; wissel; — s, 

damspel o. [o. 

draught-horse ['dra:fthD:s] trekpaard 



74 dredger 

draughtsman ['dra:ftsm3n] tekenaar; 
ontwerper; damschijf. 

draughty ['dra:fti] tochtig. 

draw [drD:] onbesliste wedstrijd; vi 
trekken; rekken; opmaken [een rap- 
port]; halen; tekenen; gelijk spelen; 
— off, af-, wegtrekken; — on, 
naderbij komen; ten gevolge heb- 
ben; — u p, optrekken; ontwerpen; 
(zich) opstellen; stilhouden; — 
t/ p o n, trekken op; gebruik maken 
van, putten uit, aanspreken [kapi- 
taal]. 

drawback ['diDibaek] bezwaar a, 
schaduwzijde. 

draw-bridge ['drDibrids] ophaalbrug. 

drawee [drD:'i:] betrokkene [v. wis- 
sel]. 

drawer ['drDa] trekker [v. wissel]; 
tekenaar; lade; — s, onderbroek; 
zwembroek; commode. 

drawing ['droiir)] trekking; tekening; 
tekenkunst. 

drawing-master ['drD:ir|ma:st3] te- 
kenmeester, tekenleraar. 

drawing-pen ['droiirjpen] trekpen. 

drawing-pin ['drDiirjpin] punaise. 

drawing-room ['droirirum] salon m 
& o. 

drawl [dr3:l] temen. 

drawn [drD:n] V.D. v. draw. 

dray [drei] sleperswagen. 

dray-horse ['dreihDis] sleperspaard o. 

dread [dred] vrees; vt vrezen. 

dreadful ['dredful] vreselijk, ver- 
schrikkelijk. 

dreadnought ['drednDit] slagschip o 

dream [dri:m] droom; vt & vi dro 
men. 

dreamer ['driims] dromer. 

dreamt [dremt] V.T. & V.D. v. 
dreain. 

dreamy ['dri;mi] dromerig; vaag. 

dreary ['driori] akelig, somber, woest. 

dredge [dreds] sleepnet o, dreg; bag- 
germachine; vt met een sleepnet 
vissen; (uit)baggeren; (af)dreggen. 

dredger ['dredsa] baggerman; bag- 
sermachine; strooibus. 



dredging-machine 75 

dredging-machine ['dredsirjma'J'iin] 

baggermachine. 
dregs [dregz] grondsop o, droesem; 

heffe; uitschot o; to the — s, tot 

op de bodem. 
drench [drenj] (door)nat maken, 

doorweken; drenken. 
dress [dres] kleding, kleren; toilet o, 

kostuum o; japon; vt kleden; berei- 

den; bewerken; [het haar] opma- 

ken, kappen; verbinden [wond]; — 

up, uitdossen, kostiimeren; vi zich 

kleden. 
dress-circle ['dres'ssikl] balkon o [in 

schouwburg] . 
dress-coat [dres'kout] rok [v. heer]. 
dresser ['dress] aanrecht o & in\ dres- 

soir o &i. m. 
dressing ['dresirj] (aan) kleding; be- 

reiding; verband o; mest. 
dressing-case ['dresirjkeis] kapdoos; 

verbandkist. 
dressing-down ['dresirj'daun] schrob- 

bering, pak o slaag. 
dressing-gown ['dresirjgaun] kamer- 

japon. 
dressing-table ['dresirjteibl] toilet- 

tafel. 
dressmaker ['dresmeika] kleermaak- 

ster; dameskleermaker. 
dress-parade ['drespareid] modeshow. 
drew [dru:] V.T. van draw. 
drift [drift] drift; sneeuwjacht; zand- 

verstuiving; vi (af)drijven; (op)- 

waaien; zich opeenhopen. 
drift-wood ['driftwud] drijfhout o. 
drill [dril] boor; exercitie; dressuur; 

gymnastiek; dril o [linnen]; vt dril- 

len; dresseren; boren. 
drink [drigk] drank; dronk; borrel; 

vt (op-, uit)drinken. 
drinkable ['drirjkabl] drinkbaar. 
drinker ['drigks] drinker, drinke- 

broer. 
drip [drip] druipen, druppelen. 
drive [draiv] rit, ritje o\ oprijlaan; 

drijfjacht; aandrijving; drijf-, stuw- 

kracht; energie; campagne, actie; 

slag; vt drijven, aan-, voort-, ver-, 



drum 



indrijven; rijden; mennen, besturen; 

---' mad, gek maken. 
drivel ['drivl] kwiji; gebazel <?; vi 

kwijlen; bazelen. 
driven ['drivn] V.D. van drive. 
driver ['draivs] koetsier, chauffeur, 

bestuurder; machinist; drijver. 
drizzle ['drizl] motregen; vi motrege- 

nen. 
droll [droul] snaak; aj snaaks. 
drollery ['droubri] snaaksheid. 
dromedary ['dr^m-, 'drAmidari] dro- 

medaris. 
drone [droun] hommel; vi gonzen, 

brommen, ronken; dreunen. 
droop [dru:p] (laten) hangen; [de 

ogen] neerslaan; (weg)kwijnen. 
drop [drop] drup(pel); oorbel; flik- 

je o, drupsje o; val, (prijs)daling; 

vt laten vallen; opgeven, laten va- 

ren; neerlaten; af-, uitwerpen [uit 

vliegtuig]; [een passagier] afzetten; 

[een pakje] afgeven; neerslaan 

[ogen], laten dalen [stem]; — a 

hint, een weak geven; — a line, een 

lettertje schrijven; ■ — ■ itl, schei uit!; 

vi (om-, neer) vallen; dalen; 

behind, achterraken; ~' i n 

{round), even aan-, oplopen (bij 

iemand, upon one). 
dross [drDs] (metaal)schuim o. 
drought [draut] droogte. 
drove [drouv] kudde, school; drom, 

troep; V.T. v. drive. 
drover ['drouvs] veedrijver. 
drown [draun] verdrinken; overstem- 

men, smoren [de stem]; overstro- 

men; he was — ed, hij verdronk. 
drowse [drauz] soezen. 
drowsy ['drauzi] soezerig, slaperig. 
drub [drAb] afrossen. 
drudge [drAds] zwoeger; sloof; vi 

zwoegen, zich afsloven. 
drug [drAg] drogerij; farmaceutisch 

artikel o; bedwelmend middel o; vt 

bedwelmen. 
druggist ['drAgist] drogist. 
drum [drAm] trom, trommel, bus; 

tamboer; vi trommelen. 



drumhead 



1^ 



dwarf 



drumhead ['diAmhed] trommelvel o. 

drummer ['drAma] tamboer. 

drumstick ['drAmstik] trommelstok. 

drunk [drAgk] dronken; V.D. v. 
drink. 

drunkard E'drArjksd] dronkaard. 

drunken ['drArjksn] dronken. 

drunkenness [MrAriksnnis] dronken- 
schap. 

dry [drai] droog; niet zoet [wijn]; 
'--' goods, manufacturen; vt (laten) 
drogen; ^^ up, op-, uitdrogen. 

dry-cleaning ['drai'kli:nii]] 't che- 
misch reinigen, (uit)stomen. 

dryly ['draili] droog(jes). 

dry-nurse ['drain3:s] baker. 

dub [dAb] tot ridder slaan; noemen. 

dubious ['dju:bi3s] twijfelachtig. 

ducal ['dju:k3l] hertogelijk, hertogs-. 

duchess ['dAtJis] hertogin. 

duchy C'dAtJi] hertogdom o. 

duck [dAk] eend(en); duik; stevig 
linnen o\ vt in-, onderdompelen; 
ontduiken, wegduiken voor; vi dui- 
ken; (zich) bukken. 

duckling ['dAklir)] jonge eend. 

duckweed ['dAkwi:dJ (eende)kroos o. 

due [dju:] verplicht, verschuldigd; be- 
hoorlijk; vervallen [v. wissel]; in 
'—' time, op tijd; te zijner tijd; 
/'/ was — to him, hem te danken 
(te wijten); become {fall) — , ver- 
vallen; the train is — , de trein 
moet aankomen. 

duel E'djuisl] duel o\ vi duelleren. 

dues [dju:z] (te betalen) gelden, rech- 
ten. 

duet [dju'et] duet o. 

dug [dAg] V.T. & V.D. V. dig. 

dug-out C'dAgaut] bomvrije schuil- 
plaats. 

duke [dju:k] hertog. 

dull [dAl] dom, dof, stomp, suf, loom, 
saai; slap; donker; --^ of hearing, 
hardhorig; vt af-, verstompen. 

duly ['dju:li] behoorlijk; op tijd; te- 
recht. 

dumb [dAm] stom. 

dumb-bell E'dAmbel] halter. 



dumbfound [dAm'faund] verstomd 
doen staan, verbluffen. 

dummy ['dAmi] bhnde [kaartspel]; 
(kostuum)pop; lege fles enz.; aj 
nagemaakt, vals; loos. 

dump [dAmp] plof; vuilnisbelt; op- 
slagplaats; vt neergooien; [puin] 
storten; op de markt gooien. 

dun [dAo] schuldeiser; aanmaning; 
aj donkerbruin; vt manen. 

dunce [dAns] domoor, ezel. 

dune [dju:n] duin. 

dung [dAt)] mest; vt (be)mesten. 

dungeon ['dAndsan] kerker. 

dunghill ['dAfjhil] mesthoop. 

dupe [dju:p] bedrogene; vt bedotten, 
bedriegen. 

duplicate ['djuiplikit] afschrift o, du- 
plicaat o\ aj dubbel; ['dju:plikeit] 
vt verdubbelen; in dupio (op) ma- 
ken. 

duplicity [djui'phsiti] dubbelhartig- 
heid. 

durability [djuars'biliti] duurzaam- 
heid. 

durable ['djuarabl] duurzaam. 

duration [dju'reijsn] duur. 

during ['djuarirj] gedurende, onder. 

durst [dsist] V.T. van dare. 

dusk [dAsk] schemering. 

dusky E'dAski] schemerachtig, donker. 

dust [dAst] stof o\ vt afstoffen. 

dustbin ['dAstbin] vuilnisbak. 

duster ['dASts] stoffer, stofdoek. 

dustman ['dAstman] vuilnisman; the 
D~, Klaas Vaak. 

dusty E'dASti] stoffig. 

Dutch [dAtJ] Nederlands; the ~, de 
Nederlanders. 

Dutchman ['dAtJman] Nederlander. 

dutiful ['dju:tiful] gehoorzaam; 
plichtmatig. 

duty ['dju:ti] plicht; dienst; functie, 
bezigheid, werkzaamheid; recht o, 
rechten; be off — •, geen dienst heb- 
ben, vrij zijn; be on ^-^ , dienst 
hebben, in dienst zijn, op wacht 
staan. 

dwarf [dw3:f] dwerg. 



dwell 



dwell [dwell wonen, verblijven; ~- 
on of upon, rusten op [v. het oog] ; 
uitweiden over [iets]. 

dwelling ['dwelir)] woning. 

dwelt [dwelt] V.T. & V.D. v^n dwell. 

dwindle ['dwindl] afnemen, vermin- 
deren, achteruitgaan, slinken. 



n economy 

dye [dai] verf(stof), kleur; vt verven 

[v. stoffen of haar]. 
dyer ['dais] verver [van stoffen]. 
dynamite ['dainamait] dynamiet o. 
dynamo ['dainsmou] dynamo. 
dynasty ['dinssti] dynastie. 



E 



e [i:] (de letter) e. 

each [i:tj] elk, ieder; — other, el- 

kander. 
eager ['i:g3] vurig, begerig; verlan- 

gend; gretig; onstuimig. 
eagle ['i:gl] arend, adelaar. 
ear [ia] oor o\ aar. 
ear-drop ['iadrop] oorbelletje o. 
ear-drum ['iadiAm] trommelvlies o. 
earl [a:!] graaf. 
early ['3:Ii] vroeg; vroegtijdig; spoe- 

dig; bijtijds; an hour — , een uur 

te vroeg; as ■ — ' as Aiay, reeds in 

mei; ■ — ' next month, in het begin 

van de volgende maand. 
earmark ['iaraaik] (merk)teken o\ vt 

merken; [gelden] bestemmen. 
earn [am] verdienen, verkrijgen; be- 

zorgen [iemand iets]. 
earnest ['ainist] ernst; be in — -, het 

menen; in good {sober) ■ — ■, in 

alle ernst; aj ernstig. 
earnings ['a:nii)z] verdienste(n). 
earphone(s) ['iafoun(z)] koptele- 

foon. 
earth [a:6] aarde, grond. 
earthen ['a:9n] van aarde, aarden. 
earthenware ['a:6nw£a] aardewerk o. 
earthly ['a;01i] aards. 
earthquake ['a:6kweik] aardbeving. 
earthwork ['a:6wa:k] grondwerk o. 
earwig ['iawig] oorworm. 
ease [i:z] rust, gemak o, verlichting; 

ongedwongenheid; at ■ — •, op zijn 

gemak; vt geruststellen; verlichten; 

verminderen. 
easel ['i:zl] schildersezel. 



easiness ['i:zinis] gemakkelijkheid. 
East [i;st] oosten o\ aj oost(elijk). 
Easter ['i:sta] Pasen; aj paas-, Paas-. 
eastern ['i:stan] costers; oostelijk, 

oosten-, oost-. 
East-Indies [i:st'indiz] the — , Oost- 

Indie o. 
easy ['i:zi] gerust; gemakkelijk; on- 

gedwongen; kalm; welgesteld; in — 

circujnstances, in goeden doen, wel- 
gesteld. 
easy chair ['i:zi'tje3] leunstoel. 
eat [i:t] (op)eten. 
eatable ['i:tabl] eetbaar. 
eaten ['i:tn] V.D. v. eat. 
eater ['i:ta] eter. 
eavesdropper ['i:vzdr)pa] luister- 

vink. 
ebb [eb] eb(be); vi ebben. 
ebony ['ebani] ebbehout o. 
eccentric [ek'sentrik] excentriek. 
ecclesiastical [ikli:zi'£estikl] geeste- 

lijk, kerkelijk. 
echo ['ekou] echo; vt weerkaatsen; 

herhalen; vi weerklinken. 
eclipse [i'klips] verduistering; vi 

verduisteren; overschaduwen. 
economic [iika'mmik] economisch, 

(staat)huishoudkundig; ■ — 'S, 

( staat) huishoudkunde. 
economical [i:ka'nDmikl] spaarzaam, 

zuinig, zuinigheids-, economisch. 
economist [i'ksnamist] (staat)huis- 

houdkundige. 
economize [i'konamaiz] (be)sparen, 

bezuinigen, zuinig zijn met. 
economy [i'konami] huishoudkunde, 



ecstasy 



78 



elaboration 



economic, bedrijfsleven o\ spaar- 
zaamheid, zuinigheid; besparing, be- 
zuiniging; political — , staathuis- 
houdkunde. 

ecstasy ['ekstasi] verrukking. 

eddy ['edi] draaikolk; wervelwind; vi 
rbnddwarrelen, weivelen. 

edge [edj] sne(d)e, scherp o, scherp- 
te; rand, kant, zoom; vt scherpen; 
omzomen; schuiven, dringen; 
in a word about..., handig een 
woordje plaatsen over; ■ — a n, aan- 
zetten, ophitsen. 

edging ['edjit]] rand; boordsel o. 

edible ['edibl] eetbaar. 

edification [edifi'keijon] opbouw, 
stichting. 

edifice ['edifis] gebouw o. 

edify ['edifai] opbouwen, stichten. 

edifying L'edifaiir)] stichtelijk. 

edit ['edit] bewerken; redigeren. 

edition [i'dijan] uitgaaf, druk. 

editor ['edita] bewerker; redacteur. 

editorial [edi'tDirial] hoofdartikel o\ 
a] redactioneel. 

educate ['edjukeit] opvoeden. 

education [edju'keijan] opvoeding, 
ontwikkeling, onderwijs o. 

eel [i;I] aal, paling. 

efface [i'feis] uitwissen. 

effect [i'fekt] (uit)werking, gevolg 
o, effect o; ■ — s, bezittingen, goed 
o, goederen; {a notice') to the — 
that..., inhoudende; assurances to 
this — , in deze geest (zin); vt uit- 
werken, teweegbrengen, bewerkstel- 
ligen, tot stand brengen, uitvoeren. 

effective [i'fektiv] werkzaam, krach- 
tig; doeltreffend; van kracht. 

effectual [i'fektjusl] krachtig; doel- 
treffend; van kracht. 

effeminate [i'feminit] verw'ijfd. 

effervesce [efs'ves] mousseren, (op)- 
bruisen. 

efficacious [efi'keijss] werkzaam, 
doeltreffend, probaat. 

efficiency [i'fijansi] kracht (dadig- 
heid), doeltreffendheid; geschikt- 
heid; nuttig effect o. 



efficient [i'fijant] werkend, kracht- 

(dadjig, doeltreffend; geschikt. 
effigy ['efid3i] afbeeldsel o, beeld o. 
effort ['efat] poging, inspanning. 
effrontery [e'ftAntari] onbeschaamd- 

heid. 
e.g. = for instance, bijvoorbeeld. 
egg [eg] ei o; vt in: — on, aanzet- 

ten, ophitsen. 
egg-cup E'egkAp] eierdopje o. 
egg-shell ['egjel] eierschaal. 
egg-spoon ['egspu:n] eierlepeltje o. 
eglantine ['egl^ntain] egelantier. 
egoism ['egouizmj ego'isme o, zelf- 

zucht, eigenbaat. 
egoist ['egouist] egoist. 
egoistic [egou'istik] egoi'stisch. 
egress ['i;gres] uitgang. 
Egypt ['iidsipt] Egypte o. 
Egyptian [i'd3ipj"3n] Egyptenaar; aj 

Egyptisch. 
eider-down ['aidadaun] eiderdons o\ 

dekbed o (van donsj. 
eight [eit] acht. 
eighteen ['ei'tiin] achttien. 
eighteenth ['ei'tirnO] 18e (deel o). 
eighth [eit9] achtste (deel o). 
eightieth ['eitii9] tachtigste (deel o). 
eighty ['eiti] tachtig. 
either ['aiSa, 'iiSa] (een van) beide; 

de een zowel als de andere; ■ — of 

us, een onzer; ■ — ...or, (of)... of; 

/■/... /•■// not go &. — , dan ga ik 

ook niet. 
eject [i'd3ekt] uitvA'erpen; (met ge- 

weld) uitzetten. 
ejection [i'dsekjan] uitwerping; 

uitzetting. 
ejection seat [i'dsekjansiit] schiet- 

stoel. 
eke [i:k] — out, aanvullen, rekken; 

— out a livelihood, zijn kostje bij- 

eenscharrelen. 
elaborate [i'lasbarit] doorwrocht, uit- 

gewerkt; ingewikkeld; uitgebreid, 

uitvoerig; [i'lsebareit] vt nauwkeu- 

rig, grondig uit-, bewerken. 
elaboration [ilaeba'reijan] (grondige) 

uit-, bewerking. 



elapse 

elapse [i'laeps] verlopen, verstrijken. 
elastic [i'lasstik] elastiek o\ aj veer- 

krachtig, elastisch; rekbaar. 
elasticity [ilaes'tisiti] veerkracht, rek- 

baarheid. 
elate(d) [i'leit(id)] opgeblazen; op- 

getogen. 
elation [i'leijsn] opgeblazenheid; op- 

getogenheid. 
elbow ['elbou] elleboog; bocht; vt 

met de ellebogen duwen, dringen. 
elder ['elds] vlier; oudere; ouderling; 

a] Guder, oudste [v. twee]. 
elderly ['eldali] (enigszins) bejaard. 
eldest ['eldist] oudste. 
elect [i'lekt] (ver)kiezen (tot); «/ 

(uit)verkoren, gekozen. 
election [i'lekjsn] keus, verkiezing. 
elector [i'lekta] kiezer; keui-vorst. 
electoral [i'lektsrsl] kies-, kiezers-, 

verkiezings-; keurvorstelijk. 
electorate [i'iektarit] kiezerscorps o\ 

keurvorstendom o. 
electric [i'lektrik] elektrisch. 
electrical [i'lektrikl] elektrisch; elek- 

triseer-; '~- engineer, elektrotechni- 

cus; — engineering, elektrotechniek. 
electrician [ilek'trijan] elektricien. 
electricity [ilek'trisiti] elektriciteit. 
electrification [ilektrifi'keijsn] elek- 

trisering; elektrificatie. 
electrify [i'lektrifai] elektriseren; 

elektrificeren. 
electron [i'lektrDn] elektron o. 
electronic [ilek'tronik] elektronisch; 

— s, elektronica. 
elegance ['eligans] sierlijkheid, be- 

valligheid. 
elegant ['eligant] sierlijk, bevallig. 
elegy ['elidsi] treurzang. 
element ['elimant] grondstof; bestand- 

deel o, element o\ '-^s, ook: begin- 

selen. 
elementary [eli'mentsri] elementair, 

begin-, aanvangs-, grond-; ■ — • school, 

lagere school. 
elephant ['elifsnt] olifant. 
elevate ['eliveit] (op)heffen, verhef- 

fen; opslaan [ogen]; opwekken; ver- 



79 emaciation 

edelen. 
elevated ['eliveitid] verheven; — 

railway, luchtspoorweg. 
elevation [eli'veijan] op-, verheffing, 

verhoging, hoogte, verhevenheid. 
elevator C'eliveits] elevator; lift. 
eleven [i'levn] elf; elftal o. 
eleventh [i'levnB] elfde; at the — 

hour, ter elfder ure. 
elf [elf] elf, fee. 
elfin ['elfin] elf; a] zie elfish. 
elfish C'elfiJ] elfachtig, elf en-; jig 

ondeugend. 
eligibility [elidsi'biliti] (ver)kies- 

baarheid; geschiktheid, aannemelijk- 

heid, wenselijkheid. 
eligible ['elidsibl] (ver)kiesbaar; ge- 

schikt, aannemelijk, wenselijk. 
eliminate [i'limineit] wegwerken; 

buiten beschouwing laten, uitscha- 

kelen. 
elimination [ilimi'neijon] wegwer- 

king, verw'ijdering, terzijdestelling, 

uitschakeling. 
ell [el] el. 

ellipse [i'lips] ellips; uitlating. 
elm [elm] olm, iep. 
elope [i'loup] weglopen, zich laten 

schaken (door, with). 
elopement [i'loupmsnt] weglopen o\ 

vlucht, schaking. 
eloquence ['ebkwsns] welsprekend- 

heid. 
eloquent ['ebkwant] welsprekend. 
else [els] anders. 
elsewhere ['els'wEa] ergens anders, 

elders. 
elucidate [i'l(j)u:sideit] ophelderen, 

toelichten; verklaren. 
elucidation [il(j)u:si'deij3n] ophel- 

dering, toelichting, verklaring. 
elude [i'l(j)u:d] ontgaan; ontwijken, 

ontduiken. 
elusive [i'l(j)u:siv] ontwijkend; (aan 

alle nasporing) ontsnappend. 
emaciate [i'meijieit] vermageren, uit- 

teren. 
emaciation [imeiji'eijsn] vermage- 

ring, uittering. 



emanate 

emanate ['emaneit] — from, voort- 

vloeien, voortkomen uit, uitgaan 

van, afkomstig zijn van. 
emancipate [i'maensipeit] bevrijden, 

vrijiaten, vrijmaken. 
emancipation [imasnsi'peij'an] bevrij- 

ding, vrijlating, vrijmaking. 
embalm [em'ba:m] balsemen. 
embankment [em'basrjkmant] indij- 

king; (spoor) dijk; kade. 
embargo [em'ba:gou] beslag o. 
embark [em'bark] (zich) inschepen: 

— on {upon), zich wagen (bege- 

ven) in, beginnen aan. 
embarkation [emba/keijan] insche- 

ping. 
embarrass [em'baeras] verlegen maken. 

verwarren, in verwarring brengen; 

hinderen, belemmeren. 
embarrassment [em'hsrasmant] 

(geld)verlegenheid, verwarring; 

moeilijkheid. 
embassy ['embasi] ambassade; gezant- 

schap o. 
embed [em'bed] insluiten, (vast)zet- 

ten, (vast)leggen. 
embellish [em'belij] versieren, ver- 

fraaien. 
embellishment [em'bclijmsnt] ver- 

siering, verfraaiing. 
embers ['embsz] as, gloeiende kolen 
embezzle [em'bezl] verduisteren. 
embezzlement [em'bezlmant] ver- 

duistering. 
embitter [em'bita] verbitteren; ver- 

gallen; verergeren. 
embitterment [em'bitamsnt] verbit- 

tering; vergalling; verergering. 
emblem C'embbm] zinnebeeld o. 
embodiment [em'bDdimant] belicha- 

ming. 
embody [em'bDdi] belichamen; be-, 

omvatten. 
embrace [em'breis] omhelzing; vt 

omhelzen; omvatten. 
embrocation [embrs'keijan] wrijf- 

middel o, smeersel o. 
embroider [em'bnida] borduren. 



80 employee 

embroidery [em'brDidari] borduur- 

werk o, borduursel o. 
emerald ['emsrsld] smaragd o [stof- 
naam], smaragd m [voorwerps- 
naam]. 
emerge [i'maidj] opduiken, oprijzen; 
te voorschijn komen; naar voren ko- 
men; blijken. 
emergency ['i'maidssnsi] onver^'ach- 
te gebeurtenis; moeilijke omstandig- 
heid; noodtoestand; in case of ~-, 
in an — , in geval van nood. 
emergency door [i'm3:d33nsid3:] 

nooddeur. 
emergency meeting [i'm3:d33nsimi:- 

tirj] spoedvergadering. 
emery-paper ['emsripeipa] schuur- 

papier o. 
emigrant ['emigrant] emigrant, land- 

verhuizer. 
emigrate ['emigreit] emigreren, uit 

bet land trekken, uitw,'ijken. 
emigration [emi'greijan] emigratie. 
eminence ['eminans] hoogte, groot- 
heid, verhevenheid, uitstekendheid, 
uitmuntendheid; eminentie. 
eminent ['eminant] hoog, verheven, 

uitstekend, uitnemend, eminent. 
emissary ['emisari] (af)gezant. 
emit [i'mit] uitzenden; uit-, voort- 
brengen [geluid]; uiten; uitgeven, 
uitvaardigen. 
emolument [i'maljumant] honorari- 
um o, (bij)verdienste. 
emotion [i'moujan] ontroering. 
emperor ['emparaj keizer. 
emphasis ['emfasis] nadruk, klem. 
emphasize ['emfasaiz] de nadruk leg- 
gen op. 
emphatic [em'fstik] uit-, nadrukke- 

lijk, met klem. 
empire ['empaia] (keizer) rijk o, im- 

perium o; heerschappij. 
employ [em'pbi] dienst; werk o; vt 
gebruiken; in dienst hebben, te werk 
stellen; be ■ — ed on, bezig zijn met 
(aan). 
employee [empbi'i:] employe; werk- 
nemer. 



employer 



employer [em'pbia] werkgever, pa- 
troon. 

employment [em'pbimant] gebruik o, 
aanwending; tewerkstelling; werkge- 
legenheid; bezigheid, werk o, be- 
roep o. 

empower [em'paua] machtigen. 

empress ['empris] keizerin. 

emptiness ['em(p)tinis] ledigheid, 
leegte. 

empty ['em(p)ti] ledig, leeg (hoof- 
dig); ijdel; — oj, ontbloot van, 
zonder; vt ledigen, leegmaken, uit- 
halen; vi leeglopen, zich uitstorten. 

emulate ['emjuleit] wedijveren met. 

emulation [emju'leijsn] wedijver. 

enable [e'neibl] in staat stellen. 

enamel [e'naemsl] email o\ vt email- 
leren. 

encamp [en'k^emp] kamperen. 

enchant [en'tjaint] betoveren; beko- 
ren, verrukken. 

enchantment [en'tjaintmsfit] betove- 
ring, bekoring, verrukking. 

encircle [en's3:kl] omringen, omslui- 
ten, omsingelen. 

enclose [en'klouz] om-, insluiten, 
omheinen, omringen. 

enclosure [en'klou33] (om)heining; 
besloten ruimte; bijiage (ingesloten 
brief &). 

encompass [en'kAmpas] omgeven, om- 
ringen, omsluiten; om-, bevatten. 

encore [Dri'ks:] bis o; vt bisseren. 

encounter [en'kaunts] ontmoeting; 
treffen o, gevecht o; vt ontmoeten, 
aantreffen, (onder)vinden. 

encourage [en'kArids] aanmoedigen. 

encouragement [en'kAridsmsnt] aan- 
moediging. 

encroach [en'kroutj] inbreuk maken; 
zich indringen, veld winnen. 

encumber [en'kAmba] belemmeren, 
hinderen; bezwaren. 

encumbrance [en'kAmbrsns] belemme- 
ring, hindernis, last; hypotheek. 

encyclopaedia [ensaikb'piidis] ency- 
clopedic. 

end [end] eind(e) o\ (eind)doel o\ 

Eng. Zakwrdbk. 11 



>1 engage 

no — oj..., massa's, hopen...; ...bij 

de vieet; make both -^j meet, kun- 

nen rondkomen; in the — , ten 

slotte; op den duur; on ■ — , over- 

eind; achter elkaar; t o no ■ — ■, te- 

vergeefs; to what '-~?, waarvoor, 

waartoe?; vt & vi eindigen. 
endanger [en'dein(d)33] in gevaar 

brengen. 
endear [en'dis] bemind (dierbaar) 

maken. 
endearing [en'diarir)] innemend; lief, 
endeavour [en'deva] poging, streven 

o\ vi trachten, pogen, streven. 
ending ['endir|] einde o\ uitgang [v. 

woord]. 
endive ['endiv] andijvie. 
endless ['endlis] eindeloos. 
endorse [en'dsrs] endosseren; //';? steu- 

nen, onderschrijven, bevestigen. 
endorsee [endoi'si:] geendosseerde. 
endorsement [eo'dsismant] endosse- 

ment o. 
endorser [en'dDisa] endossant. 
endow [en'dau] begiftigen. 
endowment [en'daumant] begiftiging, 

schenking; gave, talent o. 
endurance [en'djuarsns] geduld <?; 

uithoudingsvermogen o. 
endure [en'djua] verduren, verdragen, 

lijden, dulden, iiithouden; (voortj- 

duren, blijven (bestaan). 
enemy ['enimi] vijand. 
energetic [ena'dsetik] energiek. 
energy ['ensdsi] energie. 
enervate ['enaveit] ontzenuwen, ver- 

slappen, verzwakken. 
enfeeble [en'fi:bl] verzwakken. 
enfeeblement [en'firblmant] verzwak- 

king. 
enforce [en'fDis] afdwingen, dwingen 

tot; kracht bijzetten; uitvoeren, de 

hand houden aan. 
enforcement [en'fDismant] handha- 

ving, uitvoering; dwang. 
enfranchise [en'fr£en(t)J'aiz] bevrijden, 

vrijmaken; het burgerrecht of kies- 

recht verlenen. 
engage [en'geids] verbinden, engage- 



engagement 

ren, aannemen, in dienst nemen; in 
beslag nemen; huren, bespreken 
[plaatsenj; (in de strijd, in het ge- 
sprek) wikkelen; aanvailen; grijpen 
in; inschakelen; -~ in, zich bege- 
ven in, zich bezighouden met. 

engagement [en'geidsmant] verplich- 
ting, verbintenis, afspraak; enga- 
gement o, verloving; bezigheid; 
treffen o, gevecht o\ be under an 
— , zijn woord gegeven hebben; 
without — , vrijblijvend. 

engaging [en'geid3ir|] innemend. 

engender [en'd3end3] voortbrengen, 
veroorzaken. 

engine ['endsin] machine; locomotief; 
motor; jig middel o. 

...-engined ['endsind] ...motorig. 

engine-driver ['endsindraiva] machi- 
nist. 

engineer [endsi'nis] ingenieur; tech- 
nicus; machinist; jig bewerker; 
(Royal) Engineers, genie (troepen); 
vt jig op touw zetten, (weten te) 
bewerken. 

engineering [endsi'nisrirj] (werk- 
tuig)bouwkunde; techniek; — 
works, machinefabriek. 

England ['iggbnd] Engeland o. 

English ['igglij] het Engels; the — , 
de Engelsen; aj Engels. 

Englishman ['irjglijman] Engelsman. 

Englishwoman ['irjglijwuman] En- 
gelse. 

engrave [en'greiv] graveren; griffen. 

engraver [en'greivs] graveur. 

engraving [en'greivii]] gravure. 

engross [en'grous] — ed in, verdiept 
in; — ing, jig boeiend. 

engulf [en'gAlf] verzwelgen. 

enhance [en'ha:ns] verhogen, verhef- 
fen, vermeerderen, vergroten. 

enigma [i'nigma] raadsel o. 

enigmatic(al) [enig'm£tik(])] raad- 
selachtig. 

enjoin [en'dsDin] opleggen, gelasten; 
— upon, op het hart drukken. 

enjoy [en'dssi] genieten (van); • — 
oneselj, zich amuseren; genieten. 



82 enter 

enjoyable [en'dsDiabl] genoeglijk; ge- 

nietbaar. 
enjoyment [en'dsDimant] genot o, ge- 

noegen o. 
enlarge [en'la:d3] vergroten; verrui- 

men; ■ — ■ upon, uitweiden over. 
enlargement [en'laidjmant] vergro- 

ting; verruiming; uitweiding. 
enlighten [en'laitn] verlichten; jig 

in-, voorlichten, verhelderen. 
enlist [en'list] (aan)werven; dienst 

nemen [als soldaat]. 
enlistment [en'listmant] werving; 

dienstneming. 
enliven [en'laivn] verlevendigen, op- 

vrolijken, opwekken. 
enmity ['enmiti] vijandschap. 
ennoble [e'noubl] veredelen, adelen. 
enormous [i'noimas] enorm, ontzag- 

lijk, kolossaal. 
enough [i'nAf] genoeg; well ^~^ , vrij 

goed; heel (zeer) goed. 
enquire, zie inquire. 
enrage [en'reids] woedend maken. 
enrapture [en'rasptja] verrukken. 
enrich [en'ritj] verrijken. 
enroll [en'roul] inschrijven; aan- 

monsteren, aanwerven. 
ensign ['ensain] vaandel o, vlag; 

vaandrig. 
enslave [en'sleiv] tot slaaf maken. 
ensnare [en'snea] verstrikken. 
ensue [en'sju:] volgen, voortvloeien 

(uit, jrom). 
ensure [en'Jus] verzekeren; waar- 

borgen. 
entail [en'teil] meebrengen. 
entangle [en'taeggl] in de war maken, 

verwarren, verstrikken. 
entanglement [en'tserjglmant] verwik- 

keling, verwarring; (draad)versper- 

ring. 
enter ['enta] binnentreden, ingaan, 

binnengaan, binnenkomen; zich be- 

geven in; boeken; (laten) inschrij- 
ven; aangeven; inklaren; opkomen 

[acteur]; — into, aangaan, aan- 

knopen, beginnen; ingaan op, zich 

verplaatsen in, voelen voor; deel 



enterprise 



83 



equator 



uitmaken van, te pas komen aan; 

• — ■ upon, aanvaarden; beginnen. 
enterprise ['entapraiz] onderneming, 

waagstuk o\ ondernemingsgeest, 

initiatief o. 
enterprising ['entspraizirj] onderne- 

mend. 
entertain [enta'tein] onderhouden, ont- 

vangen, onthalen; bezighouden, amu- 

seren; ingaan op [voorstel]; koes- 

teren [gevoelens]. 
entertainer [ents'teins] gasthcer; in 't 

openbaar optredende goochelaar &. 
entertainment [enta'teinmant] onthaal 

o, partij, vermakeliikheid. 
enthrall [en'Gro:!] tot slaaf maken; 

jig betoveren; boeien. 
enthrone [en'0roun] op do troon 

plaatsen. 
enthusiasm [en'Ojuiziszm] enthousi- 

asme o, geestdrift. 
enthusiast [en'9ju:zi£est] enthousiast. 
enthusiastic [eoGjuizi'sestik] enthou- 
siast, geestdriftig. 
entice [en'tais] (ver)lokken, verlei- 

den. 
entire [en'taia] (ge)heel, volkomen; 

gaaf. 
entitle [en'taitl] noemen, betitelen; — 

to, recht, aanspraak geven op. 
entrails ['entreilz] ingewanden. 
entrance ['entrans] ingang, entree, op- 

komen o, binnenkomst; toegang; 

aanvaarding [v. ambt]; [en'tra:ns] 

vt verrukken. 
entreat [en'tri:t] bidden, smeken. 
entreaty [en'tri:ti] (smeek)bede. 
entrench [en'trenj'] verschansen. 
entrenchment [en'trenjmant] ver- 

schansing, schans. 
entrust [en'trASt] •~ /'/ to him, ■ — ' 

him with it, het hem toevertrou- 

wen. 
entry ['entri] intocht; ingang; toe- 
gang; intrede; inschrijving; boeking, 

post; declaratie. 
enumerate [i'njuimareit] opsommen, 

(op)tellen, opnoemen. 
enumeration [injuima'reijan] opsom- 



ming, (op) telling, 
enunciate [i'nAnJieit] verkondigen, 

verklaren, uiten. 
envelop [en'velap] (om)hullen, om- 

wikkelen, (in)wikkelen. 
envelope ['envaioup] (om)hulsel o; 

enveloppe, omslag. 
envenom [en'venam] vergiftigen. 
enviable ['enviabl] benijdenswaar- 

d(ig). 
envious ['envias] afgunstig. 
environ [en'vaiaran] omringen; om- 

geven. 
environment [en'vaiaranmant] omge- 

ving, milieu o. 
environs [en'vaiaranz, 'enviranz] om- 

streken. 
envisage [en'vizids] onder het oog 

zien; beschouwen; overwegen. 
envoy ['envai] (af)gezant. 
envy ['envi] nijd, afgunst; vt benij- 

den, misgunnen. 
epic ['epik] heldendicht o, epos o; aj 

episch. 
epidemic [epi'demik] epidemic; aj 

epidemisch. 
epilepsy ['epilepsi] vallende ziekte. 
epilogue ['epibg] naschrift o, slot- 
rede. 
episcopal [i'piskapal] bisschoppelijk. 
episode ['episoud] episode. 
epistle [i'pisl] brief, epistel o of m. 
epitaph ['epita:f] grafschrift o. 
epithet L'epiOet] benaming, bij-, 

toenaam. 
epoch ['iipak] tijdperk o\ tijdstip o. 
equal ['iikwal] gelijke, weerga; aj ge- 

lijk(matig), de-, hetzelfde; — vote, 

staking van stemmen; — to, ook: 

opgewassen tegen; vt gelijkmaken; 

gelijk zijn aan, evenaren, gelijken. 
equality [i'kwDliti] gelijkheid. 
equalization [iikwalai'zeijan] gelijk- 

making. 
equalize ['i:kwalaiz] gelijkmaken. 
equanimity [irkwa'nimiti] gelijkmoe- 

digheid. 
equation [i'kweijan] vergelijking. 
equator [i'kweita] evenaar. 



equestrian 



84 



estuary 



equestrian [i'kwestrian] ~ statue, 

ruiterstandbeeld o. 
equilateral [iikwi'lEetsral] gelijkzijdig. 
equilibrist [i:'kwilibrist] koorddan- 

ser, balanceerkunstenaar. 
equilibrium [iikwi'libriam] evenwicht 

o. 
equip [i'kwip] toe-, uitrusten. 
equipment [i'kwipmant] toe-, uitrus- 

ting. 
equitable ['ekwitsbl] billijk; onpar- 

tijdig. 
equity ['ekwiti] billijkheid. 
equivalence [i'kwivsbns] gelijkwaar- 

digheid. 
equivalent [i'kwivabnt] equivalent o; 

a] gelijkwaardig. 
equivocal [i'kwivaki] dubbelzinnig; 

twijfelachtig; verdacht. 
equivoke, equivoque ['ekwivouk] 

dubbelzinnigheid. 
era ['isrs] jaartelling; tijdperk o, 

periode. 
eradicate [i'raedikeit] ontwortelen; 

uitroeien. 
eradication [iraedi'keijan] ontworte- 

ling; uitroeiing. 
erase [i'reis] uitschrappen, doorhalen, 

uitwissen; wegvegen. 
erasure [i'reiss] uitschrapping, door- 
haling, uitwissing. 
ere [ea] eer, voordat. 
erect [i'rekt] opgericht, recht(op), 

overeind(staand); vt oprichten, 

bouwen, opzetten. 
erection [i'rekjan] oprichting. 
Erin ['erin] Erin: lerland o. 
ermine ['3:min] hermelijn m [dier], 

hermelijn o [bont]. 
erode [i'roud] wegvreten. 
erosion [i'rou33n] wegvreting. 
err [a:] dolen, dwalen; een fout be- 

gaan, zich vergissen; falen. 
errand ['ersnd] boodschap; go {run) 

— s, boodschappen doen. 
errant ['erant] (rond)dwalend, zwer- 

vend, dolend. 
erroneous [e'rounjss] onjuist. 
error ['era] dwaling; vergissing, fout. 



erupt [i'rApt] uitbarsten [vulkaan]. 

eruption [i'rApJan] uitbarsting; uit- 
slag [v. huid]. 

erysipelas [eri'sipilas] roos [huid- 
ziekte]. 

escape [is'keip] ontsnapping, ont- 
vluchting; lek o [van gas]; make 
one's ■ — ■, ontsnappen; vi ontsnap- 
pen, ontkomen, ontglippen. 

escort ['eskD:t] (gewapend) geleide o; 
[\s'\a:t] vt escorteren, begeleiden. 

especial [is'pejsl] bijzonder, speciaal. 

especially [is'pejali] (in het) bijzon- 
der, vooral. 

espionage ['espisnids] spionage. 

Esq. = esquire [is'kwaia] Robert 
Bell ~, de Weledele Hear R. Bell. 

essay ['esei] proef (neming); proeve, 
verhandeling; poging; vt [e'sei] be- 
proeven; op de proef stellen. 

essence ['esans] wezen o\ essence. 

essential [i'senjal] wezenlijk, vol- 
strekt noodzakelijk, essentieel. 

establish [is'tasblij"] vestigen, oprich- 
ten, stichten, instellen; tot stand 
brengen; vaststellen, (met bewijzen) 
staven; an — ed fact, een voldon- 
gen feit. 

establishment [is'tseblijmsnt] vesti- 
ging, oprichting, stichting, instel- 
ling; vaststelling, staving; personeel 
o\ formatie, sterkte. 

estate [is'teit] staat; rang; (land)- 
goed o; land o, terrein o, bezitting; 
plantage, onderneming; housing — , 
(nieuwe) woonwijk; real — , onroe- 
rende goederen. 

esteem [is'ti:m] achting, waardering; 
vt achten, schatten, waarderen. 

estimate ['estimit] schatting, raming, 
begroting, waardering; ['estimeit] 
vt schatten, waarderen; ramen, be- 
groten (op, at). 

estimation [esti'meijan] schatting, 
waardering, achting; mening. 

estrangement [is'treind3m3nt] ver- 
vreemding. 

estuary ['estjuari] (brede) monding 
[v. rivier]. 



etch 



85 



exact 



etch [etj] etsen. 

etching ['etjirj] ets. 

eternal [i'tainal] eeuwig(durend). 

eternity [i'tarniti] eeuwigheid. 

ethic(al) ['eeik(l)] ethisch. 

ethics ['e9iks] ethica. 

etiquette [eti'ket] etiquette. 

etui [e'twi:] etui o, foedraal o. 

eulogize ['juibdsaiz] prijzen, roemen, 

loven. 
eulogy ['juibdsi] lofrede, lofspraak. 
Europe ['juarsp] Europa o. 
European [jusra'pian] Europeaan; aj 

Europees. 
evacuate [i'vsekjueit] ledigen, lozen; 

evacueren, (ont)ruimen. 
evacuation [ivaekju'eijan] lediging, 

lozing, evacuatie, ontruiming. 
evacuee [ivskju'i:] geevacueerde. 
evade [i'veid] ontwijken, ontduiken, 

ontgaan, ontsnappen aan. 
evaluate [i'vseljueit] de waarde be- 

palen van. 
evangelic(al) [i:v2en'd3elik(l)] evan- 

gelisch. 
evaporate [i'vsepareit] verdampen, 

vervluchtigen, vervliegen. 
evaporation [ivaepa'reijan] verdam- 

ping, vervluchtiging. 
evasion [i'veisan] uitvlucht, ontwij- 

king, ontduiking. 
evasive [i'veisiv] ontwijkend. 
eve [i:v] vooravond. 
even [i:vn] (ja) zelfs; • — • as ..., net 

toen ...; — now, zo pas nog; op 

dit ogenblik; aj gelijk(matig), effen; 

even. 
evening ['i:vnir)] avond(stond). 
evening-dress ['i:vnir]'dres] avond- 

toilet o. 
event [i'vent] gebeurtenis; (sport) - 

nummer o, v/edstrijd; after the 

— , achteraf; at all '~.r, in alle 

geval; /' n any — \ wat er ook ge- 

beurt; hoe 't ook zij, toch; In either 

■ — ■, in beide gevallen; in the ■ — ■, 

uiteindelijk; in the — oj his coming, 

ingeval hij komt. 
eventful [i'ventful] rijk aan gebeur- 



tenissen, veelbewogen, belangrijk. 
eventual [i'ventjual] daaruit voort- 

vloeiend; gebeurlijk, mogelijk, 

eventueel; eind-. 
eventually [i'ventjuali] ten slotte, 

uiteindelijk. 
ever ['eva] ooit, weleens; immer, 

eeuwig; ■ — ■ and again {anon), van 

tijd tot tijd; teikens weer; — so 

much, heel veel; thank you — so 

much!, mijn bijzondere dank!; jar 

— , (voor) altijd, eeuwig; X for 

'—!, hoera voor X! 
everlasting [eva'la:stii)] eeuwig- 

(durend). 
evermore ['eva'mD:] (voor) altijd, 

eeuwig. 
every ['evri] ieder, elk, al; — other 

day, om de andere dag. 
everybody ['evribDdi] iedereen. 
everyday ['evridei] (alle)daags. 
everyone ['evriwAn] iedereen. 
everything ['evriGir]] alles. 
everyway ['evriwei] in alle opzich- 

ten, alleszins. 
everywhere ['evriwSa] overal. 
evict [i'vikt] uitzetten [v. huurder]. 
eviction [i'vikjan] uitzetting. 
evidence ['evidans] klaarblijkelijk- 

heid; getuigenis o Si v\ bewijs o, 

bewijsmateriaal o; give {bear) — , 

getuigen, blijk geven (van, of); vt 

bewijzen, (aan)tonen; getuigen van. 
evident ['evidant] blijkbaar, klaar- 

blijkelijk, kennelijk, duidelijk. 
evil ['i:v(i)l] kwaad o, euvel o\ 

kwaal; aj slecht, kwaad, boos, 

snood. 
evoke [i'vouk] oproepen; fig wek- 

ken, uitlokken. 
evolution [i:va'l(j)u:j3n] ontplooiing, 

ontwikkeling; evolutie. 
evolve [i'volv] (zich) ontvouwen, 

ontplooien, ontwikkelen. 
ewe [ju:] ooi. 
ewer ['jua] lampetkan. 
exact [ig'zaskt] nauwkeurig, stipt; 

juist, precies; afgepast; exact; vt 

vorderen; eisen, afpersen; too 



exaction 



86 



execute 



'^ing, te veeleisend. 
exaction [ig'zaskjan] vordering, eis; 

afpersing. 
exactitude [ig'zaektitju:d], exactness 

[ig'zaektnis] nauwkeurigheid. 
exaggerate [ig'za;d33reit] overdrijven. 
exaggeration [igzaed33'reij3n] over- 

drijving. 
exalt [ig'zDilt] verheffen, verhogen, 

verheerlijken. 
exaltation [egzDil'teiJan] verheffing, 

verhoging; (geest)vervoering; ver- 

heerlijking. 
exalted [ig'zDiltid] verheven, hoog; 

geestdriftig. 
examination [igzaemi'neijan] examen 

0, onderzoek o, visitatie, ondervra- 

ging, verhoor o. 
examine [ig'zsmin] onderzoeken, vi 

siteren; examineren; ondervragen. 
examinee [igzasmi'ni:] examinandus. 
examiner [ig'zaemina] examinator; 

ondervrager, onderzoeker. 
example [ig'za:mpl] voorbeeld o, mo- 
del o; for — , bijvoorbeeld. 
exasperate [ig'zatspsreit] verbitteren; 

tot het uiterste brengen. 
exasperation [igzaisps'reijan] prikke- 

ling, verbittering, terging. 
excavation [ekska'veijan] op-, uit- 

graving, uitholling, holte. 
excavator ['ekskaveita] graafmachine. 
exceed [ek'si:d] overtreffen, over- 

schrijden, te boven (buiten) gaan. 
exceeding (ly) [ek'si:dir)(li)] bijzon- 

der, uiterst. 
excel [ek'sel] overtreffen, uitmunten, 

uitsteken boven. 
excellence ['eksabns] uitmuntend- 

heid. 
excellency ['eksabnsi] excellentie. 
excellent ['ekssbnt] uitmuntend, uit- 

stekend. 
except [ek'sept] behalve, uitgezon- 

derd; ■ — ■ for, behalve; behoudens; 

I't uitzonderen. 
excepting [ek'septirj] uitgezonderd. 
exception [ek'sepjsn] uitzondering; 

tegenwerping. 



exceptional [ek'sepjanal] ongemeen, 

uitzonderlijk, bijzonder; uitzonde- 

rings-. 
excerpt [ek's3:pt] aanhaling, passage; 

vt aanhalen. 
excess [ek'ses] overmaat, overdaad, 

buitensporigheid; overschot o; extra 

o; in — of, boven, meer dan. 
excessive [ek'sesiv] overdadig, buiten- 

sporig, buitengewoon. 
exchange [eks'tj'ein(d)3] om-, uit-, 

in-, (ver)wisseling, railing; ruil; 

wisselkoers; deviezen, valuta; beurs; 

telefooncentrale; vt uit-, inwisse- 

len, (ver)ruilen. 
exchequer [eks'tjeks] schatkist. 
excise [ek'saiz] accijns. 
excite [ek'sait] aanzetten, prikkelen, 

(op)\vekken, aanhitsen; opwinden. 
excitement [ek'saitmant] aanzetting, 

prikkeling; aanhitsing; opwinding. 
exclaim [eks'kleim] uitroepen. 
exclamation [ekskb'meijsn] uitroep. 
exclude [eks'klu:d] buiten-, uitsluiten. 
exclusion [eks'klu:33n] buiten-, uit- 

sluiting. 
exclusive [eks'klu:siv] uitsluitend; ex- 

clusief; • — ' of, met uitsluiting van; 

ongerekend, niet inbegrepen. 
excommunicate [ekska'mjutnikeit] ex- 

communiceren, in de ban doen. 
excommunication [eksksmjumi'kei- 

Jan] excommunicatie, (kerk)ban. 
exculpate ['ekskAlpeit] verontschul- 

digen, vrijpleiten. 
exculpation [ekskAl'peiJan] veront- 

schuldiging, vrijpleiten o. 
excursion [eks'koij'sn] excursie, uit- 

stapje o, uitweiding; afdwaling. 
excursion train [eks'kaijsntrein] 

pleziertrein. 
excuse [eks'kju:s] verontschuldiging, 

excuus o\ [eks'kju:z] vt veront- 

schuldigen, excuseren; vrijstellen [v. 

lessen &]; beg to be — d, — one- 
self, zich verontschuldigen; bedan- 

ken [voor uitnodiging]. 
execute ['eksikju:t] uitvoeren, verrich- 

ten; volbrengen; voltrekken [een 



execution 



87 



vonnis] ; terechtstellen. 

execution [eksi'kjiKjsn] uitvoering, 
volbrenging; voltrekking; terecht- 
stelling. 

executioner [eksi'kjutjsna] beul. 

executive [ig'zekjutiv] uitvoerende 
macht; (dagelijks) bestuur o; be- 
stuurder, leider, hoofd o, directeur; 
aj uitvoerend; leidend. 

exemplary [ig'zemplari] voorbeeldig. 

exempt [eg'zem(p)t] ontslaan, vrij- 
stellen; aj vrij(gesteld). 

exemption [eg'zem(p) Jan] vrijstel- 
ling. 

exercise ['eksssaiz] uitoefening; oefe- 
ning, (lichaams)beweging; vt uit- 
oefenen, gebruiken; (be)oefenen; la- 
ten exerceren, drillen; beweging la- 
ten nemen. 

exercise-book ['eksasaizbuk] schrift o. 

exert [eg'zsit] aanwenden, inspannen, 
gebruiken; uitoefenen. 

exertion [eg'z3:j3n] aanwending; in- 
spanning; krachtige poging. 

exhalation [ekss'leijsn] uitademing, 
uitwaseming, damp. 

exhale [eks'heil] uitademen, uitw^ase- 
men. 

exhaust [eg'z3:st] uitlaat; vt uitput- 
ten, leegmaken; grondig behandelen 
— -' [onderwerp] . 

exhaustion [eg'z3:stj3n] uitputting. 

exhaustive [eg'zDistiv] uitputtend, 
grondig. 

exhibit [eg'zibit] uitstalling; inzen- 
ding [op tentoonstelling]; vt (ver)- 
tonen, tentoonstellen, aan de dag 
leggen. 

exhibition [eksi'bijsn] vertoning, ten- 
toonstelling; 77iake an --^ of oneself, 
zich (belachelijk) aanstellen. 

exhilarate [eg'zibreit] opvrolijken. 

exhilaration [egzib'reijan] opvrolij- 
king; vrolijkheid. 

exhort [eg'zDit] aan-, vermanen. 

exhortation [egzDi'teiJan] aan-, ver- 
maning. 

exigence ['eksidsans] '^cy [-si] ver- 
eiste o, eis; behoefte, nood. 



expedite 

exile ['eksail] verbanning, balling- 

schap; balling; vt (ver)bannen. 
exist [ig'zist] bestaan, zijn. 
existence [ig'zistsns] bestaan o. 
existent [ig'zistant] bestaand. 
exit ['eksit] (gaat) af; aftreden o [v. 

toneel]; uitgang; heengaan o 

[dood]; he made his — , hij ging 

been, hij trad af. 
exodus ['eksadss] uittocht. 
exonerate [eg'zDnsreit] ontlasten, ont- 

heffen; (van blaam) zuiveren. 
exoneration [egzDns'reiJan] ontlas- 

ting, ontheffing; zuivering. 
exorbitance [eg'zDrbitans] buitenspo- 

righeid. 
exorbitant [eg'z3:bit3nt] buitensporig. 
exorcise ['eksD:saiz] bezweren [gees- 
ten]. 
exotic [ek'sDtik] uitheems. 
expand [eks'psend] (zich) uitspreiden, 

(zich) uitbreiden, (doen) uitzet- 

ten; (zich) ontplooien; toenemen. 
expanse [eks'psens] uitgestrektheid; 

the — (of heaven), het uitspansel. 
expansible [eks'psensibl] uitzetbaar. 
expansion [eks'psenjsn] uitspreiding, 

uitbreiding; uitzetting; ontplooiing; 

uitgestrektheid. 
expansive [eks'peensiv] uitzettend; uit- 

zettings-; uitgebreid, wijd; expan- 

sief, mededeelzaam. 
expatiate [eks'peijieit] ■^ on {upon), 

uitweiden over. 
expatiation [ekspeiji'eijan] uitwei- 

ding. 
expect [ek'spekt] verw'achten; denken. 
expectancy [ek'spektansi] verwach- 

ting; (voor)uitzicht o. 
expectant [ek'spektsnt] af-, verwach- 

tend; vol verwachting; aanstaande 

[moeder] ; vermoedelijk. 
expectation [ekspek'teijgn] af-, ver- 
wachting, vooruitzicht o, hoop. 
expedience [eks'piidisns] -^cy [-si] 

gepastheid, doelmatigheid. 
expedient [eks'piidiant] (red)middel 

o\ a] gepast, doelmatig, dienstig. 
expedite E'ekspidait] bevorderen, be- 



expedition < 

spoedigen, verhaasten, (vlug) af- 

doen. 
expedition [ekspi'dijan] expeditie; 

spoed. 
expeditious [ekspi'dijas] snel, vlug. 
expel [eks'pel] uit-, verdrijven, ver- 

bannen, uitzetten, royeren. 
expend [eks'pend] uitgeven, besteden, 

verbruiken. 
expenditure [eks'penditja] uitgeven o, 

uitgaaf; verbruik o. 
expense [eks'pens] (on)kosten, uit- 
gaaf; at the — oj, ten koste van. 
expensive [eks'pensiv] kostbaar, duur. 
experience [eks'piarisns] ondervin- 

ding; ervaring; belevenis; vt onder- 

vinden, ervaren, door-, meemaken, 

beleven; — d, ervaren. 
experiment [eks'perimant] proef( na- 
ming); vt proeven nemen. 
experimental [eksperi'mental] proef- 

ondervindelijk, proef-. 
experimentation [eksperimen'teijan] 

proefneming. 
expert ['eksp9:t] deskundige, expert; 

a] deskundig; [eks'pait] bedreven. 
expiate ['ekspieit] boeten. 
expiation [ekspi'eijan] boete(doe- 

ning). 
expiration [ekspi'reijsn] uitademing; 

einde o\ vervallen o, verstrijken o, 

afloop, vervaltijd. 
expire [eks'paia] uitademen; de laat- 

ste adem uitblazen; aflopen, verstrij- 
ken, vervallen; uitgaan. 
explain [eks'plein] uitleggen, verkla- 

ren; • — ■ away, v/egredeneren, goed- 

praten. 
explainable [eks'pleinabl] verklaar- 

baar. 
explanation [ekpb'neijsn] verkla- 

ring, uitlegging. 
explanatory [eks'plajnstari] verkla- 

rend. 
explicit [eks'plisit] duidelijk, uit- 

drukkelijk. 
explode [eks'ploud] ontploffen, tot 

ontploffing komen (brengen), (uit)- 

barsten; — d theory, theorie, die 



3 exquisite 

afgedaan heeft. 
exploit ['ekspbit] (helden)daad, wa- 

penfeit o\ [eks'pbit] vt exploiteren; 

uitbuiten. 
exploitation [ekspbi'teijsn] exploi- 

tatie; uitbuiting. 
exploration [ekspb/reijan] navorsing, 

nasporing, onderzoeking. 
explore [eks'pb:] nasporen, onder- 

zoeken. 
explorer [eks'pbira] navorser, onder- 

zoeker; ontdekkingsreiziger. 
explosion [eks'ploujan] ontploffing, 

uitbarsting. 
explosive [eks'plousiv] ontploffings- 

middel o, springstof; aj ontplof- 

baar, ontploffings-, spring-, brisant; 

jig opvliegend. 
export ['eksp3:t] uitvoer, export; 

[eks'p3:t] vt exporteren. 
exportation [ekspj/teijan] uitvoer, 

export. 
exporter [eks'pjita] uitvoerder, ex- 

porteur. 
expose [eks'pouz] uitstallen; tentoon- 

stellen; blootstellen; belichten [fo 

to]; jig aan de kaak stellen [ie- 

mand], ontmaskeren; uiteenzetten 

[theorieen]. 
exposure [eks'pouss] ontbloting; 

blootstelling; uitstalling; ontmaske- 

ring; belichting [v. foto]. 
expound [eks'paund] uitleggen. 
express [eks'pres] expresse; expres- 

trein; a] uitdrukkelijk; bepaald, spe- 

ciaal; expres; vt uitpersen; uitdruk- 

ken, te kennen geven; vertolken. 
expression [eks'prejan] uitdrukking; 

uiting, gezegde o; uitpersing. 
expressive [eks'presiv] uitdrukkend; 

expressief; veelzeggend. 
expropriate [eks'prouprieit] onteige- 

nen, ontzetten (uit, jior?t). 
expropriation [eksproupri'eijsn] ont- 

eigening. 
expulsion [eks'pAlJon] uit-, verdrij- 

ving, uitzetting, verbanning; weg- 

jagen o; royement o. 
exquisite ['ekskwizit] uitgelezen, uit 



extant 



89 



eye-witness 



gezocht, keurig; volmaakt. 
extant ['ekstsnt] bestaande, voorhan- 

den, aanwezig. 
extemporize [eks'tempsraiz] improvi- 

seren. 
extend [eks'tend] (zich) uitstrekken; 

uit-, toesteken; (.zich) uitbreiden; 

verlengen; (uit)rekken; doen toeko- 

men, te beurt doen vallen; verle- 

nen, betonen; '--'ed order, versprei- 

de orde; ■ — ing table, schuif-, uit- 

trektafel. 
extension [eks'tenjan] uitstrekking, 

(uit)rekking, uitbreiding, verlen- 

ging, uitgebreidheid; — table, 

schuif-, uittrektafel. 
extensive [eks'tensiv] uitgebreid, uit- 

gestrekt, omvangrijk. 
extensively [eks'tensivli] op grote 

schaal, veel. 
extent [eks'tent] uitgebreidheid, uit- 

gestrektheid, omvang; hoogte, mate. 
extenuate [eks'tenjueit] verzachten; 

vergoelijken. 
exterior [eks'tiaria] uiterlijk o; bui- 

tenkant; aj uitwendig, uiterlijk; 

buitenste, buiten-. 
exterminate [eks'taimineit] uitroeien, 

verdelgen. 
extermination [ekstaimi'neijan] uit- 

roeiing, verdelging. 
external [eks'tainal] uitwendig; uiter- 
lijk; buitenlands; buiten-. 
extinct [eks'tirjkt] (uit)geblust, uitge- 

doofd; uitgestorven; afgeschaft. 
extinction [eks'tirjkjan] (uit)blussing, 
uitdoving; uitsterving; demping; 

(ver)delging; ondergang. 
extinguish [eks'tirjgwij] (uit)blus- 
sen, (uit)doven, dempen; (ver) del- 
gen, 
extinguisher [eks'tirjgwijs] blusser; 

dompertje o; blusapparaat o. 
extol [eks'tol] prijzen, ophemelen. 
extort [eks'Dit] ontwringen, afpersen 



extortion [eks'tDiJan] afpersing. 
extortionate [eks'toijanit] exorbitant 
extra ['ekstra] extra, 
extract ['ekstraekt] extract o, uittrek- 

sel o; [eks'traekt] vt (uit)trekken. 
extraction [eks'trjekjsn] (uit) trek- 
king; af- herkomst. 
extradite ['ekstrgdait] uitleveren. 
extradition [ekstra'dijan] uitlevering. 
extraordinary [eks'traidinari] buiten- 

gewoon. 
extravagance [eks'trasvsgsns] buiten- 

sporigheid; overdrijving. 
extravagant [eks'traevagant] buiten- 
sporig; overdreven, ongerijmd; ver- 
kwistend. 
extreme [eks'tri:m] uiterste, laatste, 

hoogste; buitengewoon. 
extremely [eks'tri;mli] uiterst, hoogst, 

bijzonder, zeer. 
extremity [eks'tremiti] uiterste o, 

(uit)einde o. 
extricate ['ekstrikeit] los-, vrijmaken, 

ontwarren, helpen (uit from). 
exuberance [eg'zju:b3r3ns] weelderig- 
heid [v. groei]; overvloed; uitbun- 
digheid. 
exuberant [eg'zjurbarant] weelderig, 

oveivloedig, uitbundig; overvol. 
exult [eg'zAlt] juichen, jubelen (over, 
at); ■ — in, zich verkneukelen in. 
exultant [eg'zAltsnt] juichend, triom- 

fantelijk. 
exultation [egZAl'teiJan] gejuich o, ge- 

jubel o, uitbundige vreugde. 
eye [ai] cog o; vt aan-, bekijken, be- 

schouwen, naogen. 
eye-ball ['aibo:!] oogappel. 
eyebrow ['aibrau] wenkbrauw. 
eye-glass ['aiglais] monocle; — es, 

lorgnet. 
eyelash ['ailsj"] wimper, ooghaar o. 
eyelid ['ailid] ooglid o. 
eye-sight C'aisait] gezicht o. 
eye-witness ['aiwitnis] ooggetuige. 



90 
F 



fak( 



f [ef] (de letter) f. 

fable ['feibl] fabel, sprookje o. 

fabric ['fcebrik] gebouw o, maaksel 

o, weefsel o, stof. 
fabricate ['fa?brikeit] maken; fig fa- 

briceren, verzinnen. 
fabulous C'fajbjubs] fabelachtig. 
fagade [fa'said] (voor)gevel, voor- 

zijde. 
face [feis] (aan)ge2icht o\ aanzien o, 
voorkomen o; (voor)zijde, -kant; 
vlak o; oppervlakte; wijzerplaat; fig 
onbeschaamdheid, brutaliteit; / « — 
of, tegenover; in the — of, tegen... 
in; ondanks; tegenover; o n the — 
of It, op het eerste gezicht; klaar- 
blijkelijk; / o his ~, in zijn gezicht, 
waar hij bij is; ~ to ~, tegenover 
elkaar; ■ to "-^ with, tegenover; 
vt in het (aan)gezicht zien; (ko- 
men te) staan tegenover; tegemoet 
treden; onder de ogen zien, het 
hoofd bieden; liggen op [het zuiden 
&] ; bekleden, afzetten [met lint &] . 
facetious [iVsiiJas] boertig, grappig. 
face value ['feisva;lju:] nominale 
waarde; accept at its ~, zonder 
meer accepteren. 
facilitate [fs'siliteit] vergemakkelijken 
facility [fa'siliti] gemakkelijkheid, 
gemak o\ faciliteit; vaardigheid, 
vlugheid; meegaandheid. 
fact [faekt] feit o\ daad; werkelijk- 
heid; in ~, inderdaad, feitelijk, 
in feite. 
faction ['fa^kjan] factie, partij (schap) . 
factious ['takjss] partijzuchtig; op- 

roerig. 
factitious [fsk'tijas] kunstmatig, na- 

gemaakt. 
factor ['fskta] agent; factor. 
factory ['fjektari] factorij; fabriek. 
faculty ['faskslti] vermogen o, macht, 

bevoegdheid, faculteit. 
fad [fsd] stokpaardje o, liefhebberij, 

gril, manie. 
fade [feid] verwelken, verschieten; 



verbleken; ~ {away), verflauwen 
(weg)kwijnen, verdwijnen. 
fag [fag] zich afsloven; ~ {out), 

uitputten. 
fag-end ['fieg'end] zelfkant, rafel- 

emd a; uiteinde o, uitschot o. 
faggot ['faegat] takkenbos. 
fail [feil] ontbreken; mislukken; mis- 
sen, te kort schieten; falen;' fail- 
leren; in gebreke blijven; teleur- 
stellen; in de steek laten, begeven 
[krachten]; you cannot -~ to..., u 
moet wel...; without — , zeker. 
failure ['feiija] mislukking, fiasco o\ 
failliet o, failiissement o; verzuim 
o, nalatigheid; fout, defect o, sto- 
ring. 
fain [fein] he was ~ to..., hij moest 
wel...; he would ~..., gaarne, met 
vreugde. 
faint [feint] flauwte, bezwijming; a] 
zwak, (afge)mat; flauw(hartig); w 
in zwijm vallen; -—ing fit, flauwtt. 
faint-hearted ['feint'ha:tid] lafhartig. 
fair ['fsa] jaarmarkt, kermis; {in- 
dustries, trade) ~, jaarbeurs; a] 
schoon, mooi, fraai; blond, licht; 
blank; tamelijk; billijk; eerlijk; a 
— copy, een in het net geschreven 
afschrift o. 
fairly ['fgali] eerlijk; nogal, tamelijk, 

_vrij(wel); bepaald, werkelijk. 
fair-spoken ['fea'spoukn] minzaam. 
fairy ['feari] tovergodin, fee. 
fairy-lamp ['fearilasmp] fairy-light 

_['fe3rilait] illumineerglaasje a. 
fairy-tale ['fssriteil] sprookje o. 
faith [feie] geloof o, (goede) trouw; 
vertrouwen o; (ere)woord o\ {in) 
'-^l, op mijn woord!; in good — , 
te goeder trouw. 
faithful ['feieful] (ge) trouw; gelovig. 
faithfully ['feiGfuli] (ge) trouw; yours 

_ — , uw dienst^villige dienaar. 
faithless ['fei61is] trouweloos; onge- 

lovig. 
fake [feik] bedrieglijke namaak, na 



falcon 



91 



fare 



maaksel o, bedrog o\ vt namaken; 
ven'alsen. 

falcon C'fDilkan] valk. 

fall [fo:!] val; helling; daling; water- 
val; {in Amerika) herfst; vi vallen; 
dalen; sneuvelen; — ill {in love), 
ziek (verliefd) worden; his face 
fell, zijn gezicht betrok; — /' n, in- 
vallen; aantreden; — in with, 
(aan)treffen. tegen 't lijf lopen; ak- 
koord gaan met [een voorstel]; — 
into line, aantreden; fig zich aan- 
sluiten; • — • on, (aan)treffen, ko- 
men op; aan-, overvallen; — out, 
uitvallen; gebeuren; ruzie krijgen 
(met, tvith); — through, in 
duigen vallen, mislukken, vallen 
[v. voorstel]; — to, aanpakken, be- 
ginnen. 

fallacious [fs'ieij'as] bedrieglijk. 

fallacy ['fsbsi] bedrieglijkheid, 
drogreden, dwaalbegrip o. 

fallen ['fD;l(3)n] V.D. van fall. 

fallibility [faeli'biliti] feilbaarheid. 

fallible ['fselibl] feilbaar. 

fallovi' ['fjelou] vaalrood, vaalbruin; 
braak [land]. 

false [foils] vals, onwaar, verkeerd; 
trouweloos, ontrouw. 

falsehood ['foilshud] valsheid, leugen. 

falsification [fDilsifi'keiJsn] verval- 
sing. 

falsify ['fDiIsifai] vervalsen; logen- 
straffen, beschamen. 

falsity ['foilsiti] valsheid; onjuist- 
heid, onwaarheid. 

falter ['foilts] strompelen; stamelen, 
stotteren; haperen, weifelen. 

fame [feim] faam, vermaardheid; 
roem, (goede) naam. 

famed [feimd] beroemd, vermaard. 

familiar [fa'miljs] gemeenzaam; 
(wel)bekend; vertrouwelijk, ver- 
trouwd, intiem; (al te) familiaar. 

familiarity [fsmili'jeriti] gemeen- 
zaamheid, vertrouwelijkheid, ver- 
trouwdheid; familiariteit. 

familiarize [fa'miljaraiz] gemeen- 
zaam maken, vertrouwd maken. 



family ['faemili] gezin o; familie; ge- 
slacht o, huis o. 

famine ['fsmin] hongersnood; 
schaarste, gebrek o, nood. 

famish ['fsmij] uithongeren; (ver)- 
hongeren. 

famous ['feimas] beroemd; prachtig. 

fan [fasn] wan; waaier; blaasbalg; 
enthousiast, maniak; vt wannen; 
waaien, koelte toewuiven; aanwak- 
keren, aanblazen. 

fanatic [fa'naetik] dweper, fanaticus; 
aj fanatiek, dweepziek. 

fanaticism [fs'nsetisizm] dweepzucht, 
fanatisme o. 

fancier ['fsensia] liefhebber. 

fanciful ['fjensiful] fantastisch; gril- 
lig; denkbeeldig, hersenschimmig. 

fancy ['fsensi] fantasie, ver-, inbeel- 
ding; denkbeeld o, voorstelling; in- 
val, gril; liefhebberij; lust, zin; vt 
zich verbeelden, zich voorstellen, 
denken; zin krijgen of hebben in, 
houden van. 

fancy articles ['fsensi'aitiklz] galante- 
rieen. 

fancy dress ['fasnsi'dres] kostuum o 
[voor gekostumeerd bal]. 

fancy fair ['fsnsi'fes] liefdadigheids- 
bazaar. 

fancy price ['fasnsi'prais] fabelach- 
tige prijs. 

fang [fasrj] slagtand, giftand; klauw. 

fantastic [faen'tEestik] denkbeeldig; 
fantastisch, grillig. 

far [fa:] ver, afgelegen; verre(weg), 
veel; by — , ■ — ■ and away the best, 
verreweg de beste; — and near, ■ — ■ 
and wide, wijd en zijd, heinde en 
ver; as — as, tot (aan); as {so) 
■ — ■ as, voor of in zover; so — , tot 
zover; tot nu toe, tot dusver; in zo- 
ver. 

farce [fa:s] klucht. 

farcical ['fa:sikl] kluchtig; klucht-. 

fare [fes] vracht; passagier; vracht- 
prijs, tarief o\ (geld o voor) kaart- 
je o; kost, voedsel o\ vi (er bij) 
varen, zich bevinden. 



farewell 



92 



fear 



farewell ['fes'wel] vaarwel; vaarwel 

0, afscheid o, 
far-fetched ['fa:'fetjt] vergezocht. 
farm [fa:m] boerderij, fokkerij, kwe- 

kerij; vt (ver)pachten, verhuren; 

uitbesteden (ook: •-— oa/);bebouwen. 
farmer ['farms] pachter; boer, [scha- 

pen- &] fokker, [pluimvee- &] hou- 

der, [oester- &] k^\^eker. 
farming ['faimirj] landbouw, boeren- 

bedrijf o, [fruit- &] teelt; aj land- 
bouw-, pacbit-. 
farmland ['faimlasnd] bouwland o. 
farmstead ['fa:msted] boerderij. 
farmyard ['fa:m'ja:d] boerenerf o. 
far-reaching ['fa:'ri:tjir)] verreikend; 

verstrekkend, ingrijpend. 
farrier ['fserie] hoefsmid. 
far-seeing ['fa:'si:ir)], far-sighted 

['fa/saitid] verziend; jig (ver) 

vooruitziend. 
farther ['fa :3a] verder. 
farthermost ['faiSsmoust] verst. 
farthest ['fa:3ist] verste; at {the) — , 

op zijn hoogst; uiterlijk. 
farthing ['faiSig] 1/4 penny; jig duit. 
fascinate ['fssineit] betoveren, be- 

goochelen, boeien, bekoren. 
fascination [fsesi'neijan] betovering. 
fascist ['fsesist] fascist (isch). 
fashion ['fasjsn] manier, wijze; mode; 

trant; vorm, snit, fatsoen o\ people 

of — , mensen van stand; vt vormen. 
fashionable ['faejansbl] in de, naar de 

mode; modieus; tot de grote wereld 

behorende, deftig; gangbaar; con- 

ventioneel. 
fast [fa:st] vasten o\ vi vasten; aj vast, 

wasecht; (ge)hecht; snel, vlug, vlot; 

— friends, dikke vrienden; — train, 

sneltrein; my watch is — , mijn hor- 

loge is voor. 
fasten ['fa:sn] vastmaken; sluiten, 

dichtdoen; vestigen [de blik]. 
fastener ['fatsns] fastening ['fa:snig] 

sluiting. 
fastidious [faes'tidias] lastig, kies- 

keurig. 
fasting ['fa:stir)] vasten o. 



fat [fast] vet o; the — is in the fire, 
nu heb je de poppen aan het dan- 
sen; aj vet; dik. 

fatal ['feitl] noodlottig; dodelijk. 

fatality [fs'tseliti] noodlot o, noodlot- 
tigheid; ramp; 200 fatalities, 200 
doden. 

fate [feit] noodlot 0; lot o. 

fateful ['feitful] fataal, profetisch; 
gewichtig. 

father ['farSa] vader; pater; Father 
Christmas, het kerstmannetje. 

fatherhood ['fa.Sshud] vaderschap 0. 

father-in-law ['faiSarinb:] schoon- 
vader. 

fatherly ['faiSsli] vaderlijk. 

fathom ['faeSam] vadem; vt vademen, 
doorgronden, peilen. 

fathomless ['fseSsmlis] peilloos, gron- 
deloos. 

fatigue [fa'tiig] afmatting, vermoeid- 
heid, vermoeienis; corvee; vt afmat- 
ten, vermoeien. 

fatten ['fastn] (vet)mesten. 

fatty ['fjeti] vettig, vet. 

fatuity [fs'tjuiiti] dwaasheid. 

fatuous ['fsetjuas] onzinnig, dwaas. 

fault [f3:lt] fout; schuld; find ■— 
with, berispen, aanmerking(en) ma- 
ken op. 

faultiness ['fsrltinis] gebrekkigheid; 
onjuistheid, verkeerdheid. 

faultless ['fD:ltlis] feilloos. 

faulty ['f3:lti] met fouten, onjuist, 
verkeerd, gebrekkig, defect. 

favour ['feiva] gunst, genade; lint o, 
strik; your ■ — ' of the 14th inst., Uw 
geacht schrijven van de l4e dezer; 
in — of, ten gunste van; be in — 
of, gunstig gezind zijn, voor iets 
zijn; vt zijn voor; begunstigen; be- 
vorderen, steunen; bevoorrechten. 

favourable ['feivarsbl] gunstig. 

favourite ['feivarit] gunsteling(e); 
favoriet [bij wedstrijd]; lieveling; 
aj geliefkoosd, lievelings-. 

fear [fia] vrees (voor, of), angst; for 
■~~' of {lest), uit vrees dat; vt vre- 
2en, bang zijn. 



fearful 



93 



ferocious 



fearful ['fisful] vreesachtig; vreselijk; 
— of, bevreesd voor. 

fearless ['fialis] onbevreesd. 

feasible ['fi:zibl] doenlijk, uitvoer- 
baar, mogelijk. 

feast [fi:st] feest o, gastmaal o; pi 
feestvieren, smullen, brassen; • — ■ on, 
zich vergasten aan, [de ogen] wei- 
den aan. 

feat [fi:t] daad; (wapen)feit o; pres- 
tatie. 

feather ['feSa] ve(d)er. 

feathered ['feSsd] be-, gevederd, snel. 

feature ['fiitja] ( gel aats) trek; (hoofd)- 
punt o, glanspunt o; speciaal arti- 
kel o enz.; klankbeeld o [radio]; 
hoofdfilm; vt presenteren, vertonen, 
brengen [speciaal artikel, enz.]. 

February ['februari] februari. 

fed [fed] V.T. & V.D. v. feed; he ~ 
up with, zijn bekomst hebben van, 
beu zijn van. 

federal ['fedaral] federaal, bonds-. 

federate ['fedsreit] (zich) tot een 
(staten)bond verenigen. 

federation [feda'reijan] (staten)- 
bond, federatie. 

fee [fi:] loon o, honorarium o; (en- 
tree-, abonnements-, school)geld o. 

feeble ['fi:bl] zwak. 

feed [fi:d] voeden, spijzigen; voe(de)- 
ren, (laten) weiden; zich voeden; 
eten; — on, leven van, (zich) voe- 
den met. 

feeder ['fiida] voeder, eter; vetwei- 
der; voedingskanaal o, -leiding, 
aanvoerwals; zijhjn; zuigfles. 

feeding-bottle ['fi:dir)b3tl] zuigfles. 

feeding-stuffs ['fiidigstAfs] voederar- 
tikelen. 

feel [fi:l] (ge)voelen, betasten; vin- 
den, menen, achten; (zich) voelen; 
aanvoelen; 7iot ■ — ■ like food {going 
8c), geen trek hebben; / do not — 
u p to it, ik heb er geen lust in. 

feeler ['fi:b] voelhoorn. 

feeling ['fiilirj] gevoel(en) o\ stem- 
ming; opwinding; verontwaardiging; 
with a touch of '~, een tikje ge- 



raakt; a] gevoelvol, gevoelig. 
feet [fi:t] mv. van foot. 
feign [fein] veinzen, huichelen; — ed 

hand, verdraaide hand. 
feint [feint] list; voorwendsel o\ 

schijnbeweging. 
felicitous [fi'lisitas] gelukkig [be- 

dacht &]. 
felicity [fi'lisiti] geluk o, gelukzalig- 

heid; felicities, gelukkige vondsten, 

gedachten &. 
feline ['fi:lain] katte(n)-, katachtig, 

kattig; poeslief. 
fell [fel] (neer)vellen; V.T. van fall. 
felloe ['felou] veig [v. e. rad]. 
fellow ['felou] maat, kameraad; vent; 

andere of gelijke (van twee); weer- 

ga; lid o\ af mede-. 
fellow-feeling ['felou'fi:lii]] medelij- 

den o, medegevoel o; sympathie. 
fellowship ['feloujip] kameraadschap- 

(pehjkheid); broederschap; (deel)- 

genootschap o\ omgang, gemeen- 

schap; lidmaatschap o. 
felly ['feli] veig [v. e. rad]. 
felon ['febn] booswicht; af snood. 
felony ['felani] (hals)misdaad. 
felt [felt] vilt o\ aj vilten; V.T. & 

V.D. V. feel. 
female ['fi:meil] wijfje o\ aj vrouwe- 

lijk, vrouwen-, wijfjes-. 
feminine ['feminin] vrouwelijk; ver- 

wijfd. 
fen [fen] moeras o, 
fence [fens] schutting, omheining, hek 

o, heg; vt omheinen; beschutten; 

pareren; '— off, afslaan; vi scher- 
fencer ['fensa] schermer. [men. 

fencing ['fensig] schermen o. 
fend [fend] afweren; — for oneself, 

voor zich zelf zorgen. 
fender ['fenda] haardrand. 
fennel ['fenal] venkel. 
ferment ['fsimant] gist; gisting; 

[f3:'ment] {vt &) vi (doen) gisten. 
fermentation [f3:men'teij3n] gisting. 
fern [fain] varen(s). 
ferocious [fi'roujas] woest; wreed; 

verscheurend. 



ferocity 



94 



figure 



ferocity [fi'rDsiti] woestheid; wreed- 

heid. 
ferret ['ferit] fret o\ vi snuffelen; — 

out, uitdrijven, uitjagen; uitvissen; 

opscharrelen. 
ferruginous [fe'ruidsinss] ijzerhou- 

dend. 
ferrule ['feru:I] metalen beslag o. 
ferry ['feri] veer o\ vt overzetten. 
ferry-boat ['feribout] veerpont. 
ferryman ['ferimaen] veerman. 
fertile ['fsitail] vruchtbaar. 
fertility [fai'tiliti] vruchtbaarheid. 
fertilizer ['faitilaiza] (kunst)mest- 

(stof). 
ferule L'feru:!] plak [op school]. 
fervency ['fsivsnsi] gloed, vuur o. 
fervent ['fsivant] vurig, warm. 
fervour ['fsiva] ijver, vurigheid, 

gloed. 
festal ['festal] feestelijk, feest-. 
fester ['fests] zweren, etteren. 
festival ['festival] feest o. 
festive ['festiv] feestelijk, feest-. 
festivity [fes'tiviti] feestelijkheid. 
festoon [fes'tuin] festoen o & m, 

slinger. 
fetch [fetj] (be)halen, brengen; op- 

brengen; bereiken; jig pakken [het 

publiek]; slaken [zucht]. 
fetid ['fetid] stinkend. 
fetter ['fets] keten, boei, kluister; vt 

boeien; binden; belemmeren. 
feud [fju:d] vijandschap, vete. 
feudal ['fju:d3l] feudaal, leen-. 
fever ['fi:v3] koorts. 
feverish ['fiivsrij"] koorts (acht)ig. 
few [fju:] weinig; a — , enige, wei- 

nige; een paar, enkele. 
fiance(e) [fi'a:nsei] aanstaande, ver- 

loofde. 
fib [fib] leugentje o, jokkentje o. 
fibre ['faiba] vezel; jig aard. 
fibrous ['faibrss] vezel (acht)ig. 
fickle ['fikl] wispelturig, wuft, gril- 

lig. 
fiction ['fikjan] verdichting; verdicht- 

sel o, verzinscl o\ fictie; romanlite- 

ratuur, romans. 



fictitious [fik'tijas] verdicht; verzon- 

nen; fictief, gefingeerd; denkbeeldig, 

onecht. 
fiddle ['fidl] viool. 
fiddler ['fidb] vioolspeler. 
fiddlestick ['fidlstik] strijkstok; -~sl, 

larie! 
fidelity [fi'deliti] getrouwheid, trouw. 
fidget ['fidsit] zenuwachtig zijn, (ze- 

nuwachtig) draaien. 
fidgety ['fidjiti] onrustig, ongedurig. 
fie [fai] foei! bah! 
fief [fi:f] leen(goed) o. 
field [fi;ld] veld o, terrein o, gebied 

o. 
field-glasses ['fi:ldgla:siz] veldkijker. 
field-marshal ['fiild'maijsl] veld- 

maarschalk. 
fiend [fi:nd] boze geest; duivel. 
fiendish ['fi:ndij] duivelachtig, dui- 
vel s. 
fierce [fias] wild, woedend, verwoed; 

v/reed; onstuimig, fel. 
fieriness ['fai?rinis] vurigheid. 
fiery ['faiari] vurig, vlammend, ge- 

makkelijk ontbrandbaar; vuur-. 
fife [faif] (dwars)fluit; pijper. 
fifer ['faifa] pijper. 
fifteen ['fif'ti:n] vijftien. 
fifteenth ['fif'ti:n6] vijftiende (deel 

o). 
fifth [fife] vijfde (deel o). 
fiftieth ['fiftiiB] vijftigste (deel o). 
fifty ['fifti] vijftig. 
fig [fig] vijg; / don't care a ■ — ■, ik 

geef er geen zier om. 
fight [fait] gevecht o, strijd; vecht- 

partij; vi vechten; strijden; vt be- 

vechten, vechten met of tegen, be- 

strijden; laten vechten. 
fighter ['faita] strijder, vechter(s- 

baas); jager [vliegtuig]. 
fighting ['faitig] vechten o, gevecht 

o, gevechten, strijd; a] strijdbaar; 

strijd-, gevechts-. 
figment ['figmant] verdichtsel o, 

fictie. 
figurative ['figjur-Ttiv] figuurlijk. 
figure ['figa] figuur, gedaante, ge- 



filament 



95 



fire-annihilator 



stake, afbeelding; beeld o\ cijfer o\ 
prijs; vt afbeelden, (zich) voorstel- 
len; — out, becijferen, uitrekenen; 
— up, optellen; vi figureren, voor- 
komen; • — ■ as, optreden als, door- 
gaan voor; /'/ — s out at..., het 
komt op... 

filament ['fibmant] vezeltje o; 
(gloei)draad [v. el. lamp]. 

filbert ['filbat] hazelnoot. 

filch [fil(t)|] (weg)kapen, gappen. 

file [fail] vijl; rij, file; gelid o, rot 
o\ lias, rol; volledig bewaarde num- 
mers, enz., dossier <?; — s, ook: 
archief o [v. kantoor]; in Indian 
(single) — , een voor een achter 
elkaar; vt (af)vijlen; aan een snoer 
rijgen; rangschikken, opbergen; de- 
poneren; [een aanklacht] indienen; 
~' one's petition, faillissement aan- 
vragen; vi een voor een achter el- 
kaar gaan (lopen, rij den). 

filial ['filjal] kinderlijk. 

filibuster ['filibASta] vrijbuiter. 

filing-cabinet ['failigkasbinit] carto- 
theek. 

filings ['failirjz] vijlsel o. 

fill [fil] vullen, aan-, vervullen [een 
ambt]; bezetten, bekleden, inhemen, 
beslaan [plaats]; zich vullen; ■ — 
out, in-, aan-, opvullen; drink {eat) 
one's — , drinken (eten) tot men 
genoeg heeft. 

filling station ['filigsteijsn] laadsta- 
tion o. 

filly ['fili] (merrie)veulen o. 

film [film] vlies o; film; vt met een 
vlies bedekken; (ver)filmen. 

filmy ['filmi] vliezig. 

filter ['filta] filter; vt filtreren, zui- 
veren; ~' through, doorsijpelen; fig 
uitlekken. 

filth [fil9] vuil o, vuiligheid. 

filthy ['fil9i] vuil, smerig. 

fin [fin] vin. 

final ['fainsl] eind(wed)strijd; aj 
laatste, beslissend, eind-, slot-, de- 
finitief, uiteindelijk. 

finally ['fainsli] eindelijk, ten laatste, 



ten slotte, uiteindelijk; afdoend, be- 
slissend, definitief. 

finance [fi-, fai'neens] financien, gel- 
delijk beheer o; geldwezen o\ vt fi- 
nancieren, geldelijk steunen. 

financial [fi-, fai'nEenJsl] financieel, 
geldelijk. 

financier [fi-, fai'naensia] financier; 
[fi-, fainaen'sia] vt financieren. 

finch [finlt);] vink. 

find [faind] vondst; vindplaats; vt 
vinden; onder-, bevinden; aantref- 
fen, ontdekken; zoeken, halen, aan-, 
verschaffen; [een vonnis] vellen; — 
out, ontdekken; betrappen. 

fine [fain] (geld)boete; vt beboeten; 
aj mooi, fraai, schoon; fijn; uitste- 
kend, prachtig. 

finery ['fainsri] opschik. 

finger ['firjgs] vinger; little — , pink; 
at one's '—s' ends, op zijn duim- 
pje; vt bevoelen, betasten. 

finger-bowl, finger-glass ['firjgaboul, 
-gla;s] vingerkom. 

finger-post ['firjgspoust] handwijzer. 

finger-print ['firjgaprint] vingeraf- 
druk. 

finish ['finij] einde o, slot o; afwer- 
king; vt eindigen, voltooien, af- 
maken [ook: doden]; afwerken; uit- 
lezen; op-, leegeten; leeg-, uitdrin- 
ken; vi ophouden, uitscheiden. 

finishing ['finijirj] afwerking; -^ 
stroke, genadeslag. 

Finland ['finbnd] Finland o. 

Finn [fin] Fin. 

Finnish ['finiJ] Fins. 

fir [fa:] den, denneboom. 

fire ['fais] vuur o; brand, hitte; ka- 
chel, haard; on — , brandend, in 
brand; gloeiend; set — to, in brand 
steken; take — , vlam vatten; vt in 
brand steken; afschieten, lossen [een 
schot] ; fig aanvuren, aanwakkeren; 
vi vuren, schieten; • — ' aw ay I, voor- 
uit!; begin maar! 

fire-alarm ['faisralaim] brandmelder. 

fire-annihilator ['fai3r3'nai(h)iieit3] 
blusapparaat o, snelblusser. 



fire-arm 



96 



flank 



fire-arm ['faiaraim] vuurwapen o. 

firebrand ['faisbraend] stokebrand. 

fire-brigade ['faiabrigeid] brand- 
weer. 

fire-engine ['fai3rend3in] brandspuit. 

fire-escape ['faiariskeip] brandtrap; 
redding(s) toestel o. 

fire-extinguisher ['faisreks'tiggwijs] 
zie jire-unnihilator. 

fire-fly ['faiaflai] glimworm. 

fire-insurance ['faisrinjuarsns] 
brandverzekering. 

fireman ['faiamsn] brandweerman; 
stoker. 

fireplace ['faiapleis] haard. 

fire-proof ['fai3pru:f] vuurvast, 
brandvrij. 

fire-screen ['faisskriin] vuurscherm o. 

fireside ['faia'said] haard. 

fireworks ['faiswsiks] vuurwerk o. 

firm [f3:m] naam, firma; aj vast, 
standvastig; vastberaden; hard, ste- 
vig, flink. 

firmament ['fsimamsnt] uitspansel o. 

first [f3:st] eerst; ten eerste; ■ — • cous- 
in, voile neef (nicht); -~ night, 
premiere; at {the) — , in het be- 
gin; eerst, aanvankelijk; fro7?i the 
— , van het begin, al dadelijk; it 
may be years ~', het kan nog wel 
jaren duren. 

first-hand ['f3:st'haend] uit de eerste 

firstly ['fsistli] ten eerste. [hand. 

first-rate E'faist'reit] prima. 

firth [faiO] zeearm, riviermond. 

fish [fij] vis; an odd {queer) '-^, een 
rare sijs; ft vissen. 

fish-bone ['fijboun] (vis)graat. 

fisherman ['fijsman] visser. 

fishery ['fijsri] visserij. 

fishing-boat ['fijigbout] vissersboot. 

fishing-tackle ['fijifjtaekl] vistuig o. 

fishmonger ['fiJmArjga] vishandelaar. 

fishy C'fiji] visachtig; visrijk; fig ver- 
dacht, met een luchtje er aan; a 
— meal, een vismaal o. 

fissile E'fisail] splijtbaar. 

fission ['fijan] splijting. 

fissure ['fija] kloof, spleet, scheur. 



fist [fist] vuist. 

fit [fit] aanval, vlaag, bevlieging; it 
tvas a bad ■ — , het zat niet goed; 
a shivering — ', een rilling; by — s 
and starts, met horten en stoten, 
bij vlagen; aj geschikt, bekwaam; 
behoorlijk, gepast, voegzaam; fris, 
gezond; vt passen (op, bij, voor, 
in), goed zitten; — on, aanpas- 
sen; aanbrengen, aanzetten; — out, 
uitrusten; ' — 'to, (aan)zetten aan; 
geschikt maken voor, bekrwamen 
voor; — up, aanbrengen [toestel]; 
[huis] inrichten; monteren; uitrus- 
ten; ■ — ■ to a nicety {to a T), pre- 
cies passen. 

fitful ['fitful] ongestadig; ongeregeld; 
veranderlijk, grillig. 

fitter L'fita] monteur; (gas) fitter. 

five [faiv] vijf. 

fix [fiks] moeilijkheid; vt vastmaken. 
-stellen; (be)vestigen, bepalen, aan- 
brengen; fixeren; — up, op touw 
zetten, regelen; —- {up) on, kiezen; 
besluiten (tot). 

fixation [fik'seijan] vaststelling, vast- 
legging; bevestiging. 

fixed [fikst] vast. 

fixedly ['fiksidii] vast, strak. 

fizz [fiz] sissen, bruisen. 

fizzle ['fizl] sissen; --^ out, met een 
sisser aflopen. 

fizzy ['fizi] mousserend, gazeus. 

flabby ['flsbi] zacht, week, slap. 

flag [flaeg] vlag; platte steen; lis; t'l 
mat hangen, verslappen, verflauwen, 
kwijnen. 

flagrant ['fleigrant] flagrant, in het 
oog lopend; schandalig. 

flag-stone ['fIa;gstoun] platte steen. 

flail [fleil] (do"rs)vlegeI. 

flake [fleik] vlok, schilfer; ~ of 
ice, ijsschots. 

flame [fleim] vlam; vi op-, ont- 
vlammen, vlammen. 

Flanders ['flaindaz] Vlaanderen o. 

flange ['flasnds] flens. 

flank [fliegk] zijde; flank; vt flan- 
keren. 



flannel 



flannel ['fl8en(3)l] flanel o\ aj flanel- 

len. 
flap [flasp] lap, lapje o, slip; (vlie- 

ge)klap; afhangende rand [v. hoed]; 

rt [met de vleugels] slaan. 
flapper ['flaspa] bakvisje o. 
flare [flea] geflakker o, (flakker)- 

vlam, fakkel; pronkerij; vi flakke- 

ren, (op)vlammen, flikkeren; — up, 

fig opstuiven. 
flash [flasj] glans, flikkering, straal, 

schicht, flits; a '—' of lightning, een 

bliksemstraal; in a '~, in een oog- 

wenk; vi flikkeren, bliksemen; fon- 

kelen; opvlammen; (voort)schieten, 

flitsen. 
flash-light ['flsjlait] flikkerlicht o; 

flitslicht o, magnesiumlicht o\ zak- 

lantaarn. 
flask [fla:sk] flacon. 
flat [fla;t] vlakte; plat o [v. sabel] ; 

platte kant; etage(woning), flat; on- 

diepte; vlet; aj vlak, plat; eenvou- 

dig; smakeloos, verschaald; saai; 

flauw; a ■ — ■ failure, een compleet 

fiasco o. 
flat-iron ['flaetaisn] strijkijzer o. 
flatly ['flsetli] vlak, plat; botweg; 

vierkant, totaal. 
flatten ['flsetn] plat, vlak malcen; 

(ter)neerdrukken of slaan; pletten. 
flatter ['fljeta] vleien; flatteren. 
flatterer ['flastara] vieier. 
flattery ['flaetsri] vleierij. 
flaunt [fb:nt] wapperen, zwieren; — 

{with), pronken (met). 
flavour ['fleivs] geur, smaak; aroma 

o\ vt geur geven, kruiden. 
flaw [fb:] barst, breuk, scheur; fout; 

vlek, smet; rukwind. 
flawless ['fb:lis] zonder scheur of 

breuk; zonder fout, vlekkeloos. 
flax [fleeks] vlas o. 
flaxen ['fljeksan] vlassig; vlas-. 
flay [flei] villen, (af)stropen. 
flea [fli:] vlo; send one away with 

a — in his ear, iemand afschepen. 
fled [fled] V.T. & V.D. v. flee. 
flee [fli:] (ont)vluchten, vlieden. 

Eng-. Zakwrdbk. 11 



97 floating 

fleece [fli:s] (schaaps)vacht; vlies o. 

fleecy ['fli:si] wollig; vlokkig. 

fleet [fli:t] vloot; schare, groep; af 
vlug, rap; vi (heen) Snellen. 

fleeting ['fli:tir)] voorbijgaand, ver- 
gankelijk, vluchtig. 

Flemish ['flemij] Vlaams. 

flesh [flej] vlees o\ in the — , in 
levenden lijve. 

fleshy ['fleji] vlezig; vlees-; dik. 

flew [flu:] V.T. van fly. 

flexible ['fleksibl] buigzaam, plooi- 
baar; handelbaar. 

flick [flik] tikje o\ knip; vt tikken; 
• — away (off), wegknippen. 

flicker ['fliks] geflakker o, (op) flik- 
kering; vi flakkeren, flikkeren. 

flight [flait] vlucht; loop, vaart; 
reeks; zwerm, troep; escadriUe 
[vliegtuigen] ; — of stairs, trap; 
— of steps, bordes o; put to '~, 
op de vlucht drijven; take ■ — \ op 
de vlucht gaan. 

flight-deck ['flaitdek] vliegdek o. 

flighty ['flaiti] wispelturig; lichtzin- 
nig; halfgaar. 

flimsy ['flimzi] dun, onsolide, on- 
deugdelijk; luchtig, los; armzalig. 

flinch [flinj] aarzelen, terugdeinzen; 
krimpen [v. pijn]. 

fling [flig] gooien, (af)werpen, smij- 
ten; vliegen, stormen [uit vertrek]. 

flint [flint] keisteen, vuursteen o & 
m [stofnaam], vuursteen m [voor- 
werpsnaam]. 

flip [flip] knip, tik; vt een tikje ge- 
ven; (■weg)knippen. 

flippancy ['flipansi] Ios(lippig)heid. 

flippant ['flipsnt] los(lippig), lucht- 
hartig, onbezonnen, lichtzinnig. 

flirt [fb:t] flirt; vi fladderen; flirten. 

flirtation [fb:'teij3n] geflirt o, flirt. 

flit [flit] zweven, vliegen, fladderen. 

float [flout] vlot o\ dobber; vi zwe- 
ven; drijven, dobberen; wapperen; 
vt vlot maken; onder water zetten; 
in omloop brengen; lanceren, uit- 
strooien [praatje]. 

floating ['floutif)] drijvend; viottend 



flock 



98 



foe 



[schuld]; -^ bridge, schipbrug. 
flock [fbk] kudde, tioep, zwerm; vlok; 

vi in: • — • {together) , samenkomen, 

samenscholen, stromen (naar, to). 
floe [flou] ijsschots. 
flog [fbg] slaan, (af)ranselen. 
flood [fUd] vioed, stroom, overstro- 

ming; zondvloed; vt onder water 

zetten, overstromen. 
floodgate ['flAdgeit] sluisdeur. 
floodlight ['fUdlait] (verlichten door 

middel van) strijklicht o. 
floor [fb:] vioer; grond; verdieping. 
floor-cloth ['fb:kb9] (vloer)zeil o. 
flop [fbp] klap, flap; plof; vi flap- 
pen, ploffen; vt kwakken. 
floral ['fbirsl] bloeme(n)-, bloem-. 
florid E'fbrid] bloemrijk; blozend; 

zwierig. 
florin ['fbrin] gulden, florijn [in 

Engeland: twee-shilling-stuk]. 
florist E'fbrist] bloemist. 
flotilla [flou'tib] flottielje. 
flounder ['flaunds] bot [vis]; vi [in 

de modder &] baggeren, spartelen; 

hakkelen, knoeien. 
flour ['flaus] bloem, meel o. 
flourish ['fUriJ] zwaai; zwierige 

wending, versiering, krul; fanfare; 

vi bloeien, gedijen; vt versieren [met 

krullen] ; zwaaien met; pronken met. 
flow [flou] (over)vloed, stroom; 

loop; vi vloeien, overvloeien, stro- 
men; golven [v. kleed]. 
flower ['flaus] bloem; bloei; vi 

bloeien; -^ed, gebloemd, met bloe- 

men. 
flower-pot ['flauapDt] bloempot. 
flowery ['flausri] bloemrijk. 
flown [floun] V.D. v. fly. 
flu [flu:] influenza, griep. 
fluctuate ['flAktjueit] op en neer 

gaan, schommelen; weifelen. 
fluctuation [fUklju'eiJan] schomme- 

ling [v. prijzen &] ; weifeling. 
flue [flu:] rookkanaal o\ vlampijp; 

(lucht)koker. 
fluency ['flu:3nsi] vloeiendheid, vaar- 

dig-, vlotheid; bespraaktheid. 



fluent ['flu:3nt] vioeiend; bespraakt; 
vlot. 

fluff [fUf] dons o, piuis o. 

fluffy ['fUfi] donzig, dons-. 

fluid ['flu:id] vloeistof; fluidum o; aj 
vloeibaar, niet vast; beweeglijk, 
vioeiend. 

fluke [flu:k] bof [geluk]. 

flung [fUrj] V.T. & V.D. v. fling. 

flunkey ['fUrjki] lakei. 

flurry ['fUri] zenuwachtig maken; in 
de war brengen. 

flush [fUJ] (plotselinge) toevloed; 
stroom; opwelling; bios; gloed, roes, 
opwinding; vi gutsen; blozen; gloei- 
en; — ed, ook: verhit; aj overvloe- 
dig (voorzien van, of) ; gelijk, ef- 
fen, vlak. 

Flushing ['fJAjiij] Vlissingen o. 

flute [flu:t] fluit; groef; plooi. 

flutter E'fJAts] gefladder o; agitatie; 
vi fladderen; wapperen; dwarrelen; 
flakkeren [licht]; popelen ['t hart]; 
vt haasten, agiteren. 

flux [fUks] vloed. 

fly [flai] vlieg; no flies on him, 
iemand die er wezen mag; vi vlie- 
gen; vluchten; wapperen; let — , 
laten schieten, vieren; — into a 
passion {rage), woedend worden; 
vt vluchten uit; laten wapperen, 
voeren [een vlag]; vliegen met, om, 
over; — a kite, een vlieger opla- 
ten; een balletje over lets opgooien. 

flyer ['flais] vluchteling; (hoog)vlie- 
ger. 

flying-boat ['flaiiijbout] vliegboot. 

flying-bridge ['flaiirj'brids] nood- 
brug; gierpont. 

fly-wheel ['flaiwi:l] vliegwiel o. 

foal [foul] veulen o. 

foam [foum] schuim o\ vi schuimen; 

— at {the) mouth, schuimbekken. 
fob [fob] horlogezakje o\ vt bedotten; 

— off, afschepen. 

focus ['foukas] brandpunt o; vt in- 

stellen; concentreren [aanJacht]. 
fodder ['fods] voeder o. 
foe [fou] vijand. 



fog 



99 



forbidding 



fog [fog] mist, nevel. 

foggy ['f3gi] mistig, nevelig; vaag; 
beneveld. 

foil [f^il] schermdegen; verfoeliesel 
o\ he a ■ — • to, beter doen uitkomen; 
vt verijdelen, verlegen maken, het 
winnen van. 

foist [fDist] — something on one, 
iemand lets aansmeren. 

fold [fould] vouw; kudde; schaaps- 
kooi; vt vouwen; sluiten. 

folding-bed ['fouldirjbed] opklapbed 
o; veldbed o\ kermisbed o. 

folding-chair ['fouldig'tjEa] vouw- 
stoel. 

foliage ['fouliid3] loof(werk) o. 

folk [fouk] mensen, volk(je) o. 

follow ['tblou] volgen (op), navol- 
gen; najagen. 

follower ['fsloua] volgeling. 

folly ['f3li] dwaasheid. 

fond [fand] liefhebbend, teder; dwaas, 
mal; be ■ — oj, houden van. 

fondle C'fDndl] strelen, liefkozen. 

fondly E'fDndli] teder, vol liefde. 

fondness ['fjndnis] tederheid, liefde, 
genegenheid; dwaasheid. 

font [font] doopvont; vv^ijwaterbakje o. 

food [fu:d] spijs, voedsel o, eten o. 

foodstuffs ['fu:dstAfs] levensmiddelen. 

fool [fu:l] gek, dwaas, zot; (hof)nar; 
make a — oj, voor de gek hou- 
den; make a '-~- of oneself, zich be- 
lachelijk maken; vi beuzelen, gek- 
heid maken; vt voor de gek hou- 
den; -— atvay, verbeuzelen; 
into ...ing, verleiden cm te... 

foolery ['fuilsri] dwaasheid. 

foolhardy ['fu:lha:di] roekeloos. 

fooling ['fu;Iir]] voordegekhouderij, 
gekke streken, gemal o. 
^Toolish ['fu:lij] dwaas, gek, mal, zot, 
stom; look — , gek (op zijn neus) 
staan kijken. 

foolishness ['fuilijnis] dwaasheid. 

fool-proof ['fu:lpru:f] absoluut veilig. 

foot [fut] voet; voeteneind o; in- 
fanterie, voetvolk o; be on ~, op 
de been zijn; aan de gang zijn; put 



one's ~' down, zeggen waar het op 

staat, ,,optreden"; vi te voet gaan 

(ook: -^ /■/). 
foot-and-mouth ['futsn'mauO] — 

disease, mond- en klauwzeer o. 
football ['futbDilJ voetbal o [spel], 

voetbal m [voorwerpsnaam]. 
footballer ['futbDib] voetballer. 
foothold ['futhould] steun voor de 

voet; fig vaste voet. 
footing ['futir)] vaste voet; on an 

equal ■ — ■, op voet van gelijkheid. 
footlights i'futlaits] voetlicht o. 
footman ['futmsn] lakei. 
foot-mark ['futma:k] voetspoor o. 
foot-path ['futpaiB] (voet) pad o. 
footstool ['futstu:l] voetbankje o. 
foot-wear ['tutwes] schoeisei o. 
fop [fDp] fat, kwast, modegek. 
foppish ['fDpiJ] fatterig, kwasterig. 
for [Fd:] want; voor, in plaats van; 

gedurende; uit; om; vanwege, we- 

gens; wat betreft; niettegenstaande; 

naar; ■ — ' all I care, voor mijn part; 

— all I know, voor zover ik weet; 

• — ■ all she was gifted, hoe talent- 

vol ze ook was; — hours, uren 

lang; — joy, van vreugde; now — 

itl, nu er op los!, nu komt het er 

op aan! 
forage ['f^ridg] voe(de)r o, foerage; 

vt foerageren. 
forbade [fa'basd] V.T. van forbid. 
forbear ['foibes] voorvader, -zaat; 

[fji'bea] vt nalaten, zich onthou- 

den van; zich wachten voor; vi ge- 

duld hebben, wat door de vingers 

zien. 
forbearance [fD/besrans] onthouding; 

verdraagzaamheid, geduld o, toege- 

vendheid; — is no acquittance, uit- 

stel is geen afstel. 
forbearing [fD/besrirj] verdraag- 

zaam, toegevend. 
forbid [fs'bid] verbieden; Heaven 

— .', dat verhoede God! 
forbidden [fa'bidn] V.D. van forbtd. 
forbidding [fa'bidirj] terugstotend, 

afschrikwekkend, onaanlokkelijk. 



forbore 



100 



formality 



forbore [fo/bD:] V.T. v. forbear. 

forborne [fD:'bD:n] V.D. v. forbear. 

force ih.s] kracht, macht, geweld o; 
the {armed) '~~^s, de strijdkrach- 
ten; by {mam) ■ — ■, met geweld; 
by — of, door middel van; in — , 
van kracht; goad op dreef; in gro- 
ten getale; come into ■ — ■, in wer- 
king treden; vt dwingen, noodza- 
ken; vermeesteren; af dwingen; open- 
breken, forceren; dringen, drijven; 
— back, terugdringen, terugdrij- 
ven; ■ — ■ down, met geweld door- 
krijgen of -slikken; — into, dwin- 
gen tot; — /'/ o n one, opdringen. 

forcedly ['f^isidli] gedwongen; ge- 
zocht. 

forcible ['fjisibl] krachtig; geweld- 
dadig. 

ford [fD:d] waadbare plaats; vt door- 
waden. 

fore [fo:] voor(ste). 

foreboding [fDi'boudir)] voorspelling; 
voorgevoel o. 

forecast ['f3:ka:st] (wear) voorspel- 
ling; [fD:'ka:st] vt ontwerpen, 
voorzien; voorspallen. 

forecastle ['fouksl] vooronder a. 

forefather ['fsifaiSs] voorvader. 

forefinger ['fDifirjgs] wijsvinger. 

forefront ['fDifiAnt] voorgevel; voor- 
zijde; fig voorhoede, eerste gelid o. 

foregoing [f3:'gouir)] voorafgaand. 

foregone ['f3:gon] — conclusion, 
uitgeraaakte zaak. 

foreground ['fsigraund] voorgrond. 

forehead ['farid] voorhoofd o. 

foreign ['forin] vreemd, buitenlands. 

foreigner E'fDrina] vreemdeling, bui- 
tenlander. 

foreman ['foimsn] voorman, measter- 
knacht; voorzitter [v. jury]. 

foremost ['tb:moust] voorste, eerste. 

forenoon ['fD:nu:n] voormiddag. 

foresee [fst'si:] voorzien, vooruitzian. 

foresight ['id: salt] vooruitziende blik; 
overleg o. 

forest ['fsrist] bos o, woud o. 

forestall [fDi'stoJ] voor zijn, voor- 



komen. 
forester ['farists] houtvastar. 
forestry ['fsristri] bosbouw. 
foretaste ['foitaist] voorsmaak; voor- 

proefje o. 
foretell [fDi'tal] voorzeggan, voor- 

spellen. 
forethought ['f3:9D:t] voorbedacht- 

heid, voorzorg, overleg o. 
forfeit ['f3:fit] varbauren o; verbaurde 

o, boate; pand o\ play (at) — .f, 

pand verbeuren; vt verbeuren, ver- 

spelen, verliezen. 
forfeiture ['fD:fitj3] verbeuren o; vcr- 

lies o. 
forge [folds] smedarij, smidsvuur o; 

smeltoven; /■/ smeden; verzinnen; 

namakan, vervalsan. 
forger ['fsidsa] smeder; verzinner; 

wie namaakt, vervalser, falsaris. 
forgery ['foidsari] vervalsing; vals- 

heid in geschrifte; namaak; verdicht- 

sel o. 
forget [fa'gat] vergeten. 
forgetful [f3'getful] vargeetachtig. 
forget-me-not [fs'getminst] vergeet- 

mij-nietje o. 
forgive [fa'giv] vergeven, kwijtschel- 

den. 
forgiveness [fs'givnis] vergiffenis; 

vergevensgezindhaid. 
forgiving [fa'givir)] vargavansgezind. 
forgo [fo/gou] afstand doen van, af- 

zien van, zich ontzeggen, opgavan. 
forgot (ten) [fa'got(n)] V.T. & 

(V.D.) van forget. 
fork [f3:k] vork; vertakking; t^-ee- 

sprong; vi zich vertakkan. 
forlorn [fa'bin] varlaten; wanhopig. 
form [fD:m] vorm, gedaante; formu- 

lier o; fatsoen o; bank (zonder lea- 
ning); (school)klasse; leger o [v. 

haas]; bad — , niet ,,netjes"; good 

— , netjes, zoals het hoort; in due 

'—', naar de eis, bahoorlijk; vt vor- 

men; (uit)makan; formeran. 
formal ['foimal] formael; stellig, uit- 

drukkelijk; vormelijk; officieel. 
formality [fDi'mxliti] formaliteit. 



formation 



101 



fountain-pen 



formation [fDi'meiJan] vorming, for- 

matie. 
former ['fsjma] vorig, eerste, vroeger; 

the — ...the latter, de eerste (ge- 
ne)..., de laatste (deze). 
formerly ['foimali] vroeger, eertijds. 
formidable ['fDimidabl] ontzaglijk, 

vreselijk, geducht. 
formula ['foimjuls] formule. 
formulate ['f3:mjuleit] formuleren. 
forsake [fa'seik] verzaken, in de steek 

laten, verlaten. 
forsaken [fa'seikn] V.D. v. forsake. 
forsook [fa'suk] V.T. v. forsake. 
forswear [fDi'swEs] afzweren; onder 

ede ontkennen; ■ — ■ oneself, een 

meineed doen. 
fort [f3:t] fort o, bolwerk o. 
forth [fD:6] voort, vooruit; uit, (naar) 

buiten; from that day — , van die 

dag af. 
forthcoming [f3:6'kAmii)] ophanden 

(zijnd), aanstaande; aanwezig; be 

■ — ', er komen of zijn. 
forthright ['fD:9rait] openhartig, on- 

omwonden. 
forthwith [fD:0'wi6] op staande voet, 

onmiddellijk, aanstonds. 
fortieth ['foitiiB] veertigste (deel o). 
fortification [fD:tifi'keij3n] verster- 

king. 
fortify ['f3:tifai] versterken. 
fortitude ['fD:titju:d] (ziels)kracht, 

vastberadenheid. 
fortnight E'fDitnait] veertien dagen; 

Monday — , maandag over 14 da- 
gen. 
fortnightly ['f3;tnaitli] veertiendaags; 

alle veertien dagen. 
fortress ['f3:tris] sterkte, vesting. 
fortuitous [f3;'tjuit3s] toevallig. 
fortunate ['foitjanit] gelukkig. 
fortune ['fartjan] geluk o, lot o, for- 

tuin o [geluk, geldelijk vermogen], 

fortuin v [lot, noodlot]. 
fortune-teller ['fortjanteb] waarzeg- 

ger, -ster. 
forty ['fD:ti] veertig. 
forv^'ard ['fsiwad] vooruit, voor- 



waarts; (ver)gevorderd; vooruitstre- 
vend; bijdehand [kind] ; vroeg- 
(rijp); voorbarig, voortvarend; be- 
reidwillig; brutaal, vrijpostig; from 
this day ■ — \ van nu af (aan); vt 
bevorderen, vooruithelpen; af-, op-, 
na-, door-, overzenden, verzenden. 

forwarding ['foiwsdig] bevordering; 
afzending; expeditie; ^^ agency, ex- 
peditiezaak; • — ■ agent, expediteur. 

fossil E'fDsil] fossiel o. 

foster ['fosta] (aan)kweken, (op)voe- 
den, bevorderen, koesteren. 

foster-brother ['fastsbrASs] zoog- 
broeder. 

foster-child C'fDstatJaild] voedster- 
kind o. 

foster-daughter ['fostadotta] pleeg- 
dochter. 

fosterer ['fDstars] voedster-, pleeg- 
vader; beschermer, bevorderaar. 

foster-father ['fDst3fa:33] pleegvader. 

foster-mother ['fostsmASs] pleeg- 
moeder. 

foster-parents ['fsstapesrants] pleeg- 
ouders. 

foster-sister ['fDstssists] zoogzuster. 

foster-son ['fsstssAn] pleegzoon. 

fought [f3:t] V.T. & V.D. v. fight. 

foul [faul] vuil, onrein, bedorven; ge- 
meen; vals, oneerlijk; — copy, klad 
o; vt bevuilen, bezoedelen; in bot- 
sing (aanvaring) komen met, sto- 
ten op. 

found [faund] stichten, grond(ves- 
t)en; oprichten; [metaal] gieten; 
V.T. & V.D. V. find. 

foundation [faun'deijsn] grondslag; 
fondement o, fundering; grond; 
grondvesting, stichting, oprichting; 
fends o. 

founder ['faunda] grondlegger, op- 
richter, stichter; ( metaal )gieter; vi 
zinken; vergaan; mislukken. 

foundling ['faundlii)] vondeling. 

foundry ['faundri] gieterij. 

fountain ['fauntin] bron, fontein. 

fountain-head ['fauntinhed] bron. 

fountain-pen ['fauntinpen] vulpen. 



four 



102 frequently 



four [Fd:] vier; they crept on all — .r, 

zij kropen op handen en voeten. 
fourteen ['f3:'ti:n] veertien. 
fourteenth ['f3:'ti:n6] veertiende 

(deel o). 
fourth [fD:6] vierde (deel o). 
fourthly ['f3:6Ii] ten vierde. 

fowl [faul] vogel, kip; gevogelte o. 

fox [foks] vos. 

fraction ['frsekjan] breuk; brokstuk o, 
brok m & v of o; onderdeel o\ 
fractie. 

fracture ['fraektja] breuk; vt breken. 

fragile ['frsedsail] breekbaar, 
bro(o)s, 2wak. 

fragility [fra'dsiliti] breekbaarheid, 
bro(o)sheid, zwakheid. 

fragment ['frasgmant] brok m & v oi 
0, stuk o, brokstuk o, fragment o. 

fragrance ['freigrsns] gear, welrie- 
kendheid. 

fragrant ['freigrsnt] geurig, welrie- 
kend. 

frail [freil] broos, zwak, teer. 

frailness ['freilnis] frailty ['freilti] 
broosheid, zwakheid, teerheid. 

frame [freim] raam o, geraamte o, 
frame o\ lijst; samenstel o, inrich- 
ting; lichaamsbouw, lichaam o; ge- 
steldheid; vt bouwen, vormen, ma- 
ken; ontwerpen, op touw zetten; in-, 
omiijsten. 

framework ['freimw3:k] raam o, ge- 
raamte o, kader o. 

franc [fraetjk] frank. 

France [fra:ns] Frankrijk o. 

franchise ['fraen(t)J'aiz] (voor)recht 
o, vrijstelling; burgerrecht o\ stem- 
recht o. 

frank [fr^gk] openhartig, oprecht. 

frantic ['frasntik] dol, razend. 

fraternal [frs'tsinsl] broederlijk. 

fraternity [frs'tsmiti] broederschap. 

fraternize ['fraetsnaiz] zich verbroe- 
deren; vriendschappelijk omgaan 
(met, with). 

fraud [fn):d] bedrog o; bedrieger. 

fraudulent ['fr3:djubnt] bedrieglijk; 
frauduleus. 



fraught [fr):t] beladen; vol. 

fray [frei] twist, gevecht o, strijd; 

vt & vi rafelen; verslijten. 
freak [fri:k] gril, kuur. 
freakish ['friikij] grillig, nukkig. 
freckle ['frekl] sproet. 
free [fri;] vrij; ongedwongen; vrij- 

willig; vrijmoedig; gratis, kosteloos, 

franco; royaal [met geld]; — and 

easy, ongedwongen, ongegeneerd; 

make — with, zich ongegeneerd van 

iets bedienen; vt in vrijheid stel- 

len; bevrijden. 
freebooter ['fri.buits] vrijbuiter, 
freedom ['fri:d3m] vrijdom, vrijheid; 

ongedwongenheid; ereburgerschap o. 
free-handed ['fri:'h;Endid] vrijgevig, 

gul, royaal. 
freely ['fri:li] vrij(elijk), vrijuit; 

royaal; gaarne. 
freemason ['friimeisn] vrijmetselaar. 
freemasonry ['fri:meisnri] vrijmetsela- 

rij. 
free-spoken ['fri:spoukn] ronduit, 

rondborstig, vrijmoedig. 
freethinker ['fri:'9ir)k3] vrijdenker. 
free trade ['fri:'treid] vrijhandel. 
freeze [fri:z] vriezen, bevriezen, stol- 

len. 
freight [freit] vracht, lading; vt be- 

vrachten, laden. 
freighter t'freita] bevrachter; vracht- 

schip o, -vliegtuig o, -auto. 
freight train ['freittrein] goederen- 

trein. 
French [fren(t)J] Frans; — bean, 

snijboon, witte boon; the ■ — , de 

Fransen. 
Frenchman ['fren(t)Jm3n] Fransman. 
frenzied ['frenzid] waanzinnig. 
frenzy ['frenzi] waanzin, razernij. 
frequency ['fri:kw3nsi] herhaald 

voorkomen o, gedurige herhaling; 

veelvuldigheid; frequentie. 
frequent ['fri:lcRQnt] herhaald, vaak 
voorkomend; veelvuldig; [fri'kwent] 

vt (dikwijls) bezoeken, omgaan of 

verkeren met. 
frequently ['fri.k^sQntli] herhaaldelijk. 



fresh 

vaak, dikwijls, veelvuldig. 
fresh [frej] fris, vers; nieuw. 
freshen ['frejn] op-, verfrissen; toe- 

nemen [v. wind]. 
freshly ['frejli] fris, vers; onlangs, 

pas. 
freshman ['frejmsn] student van het 

eerste jaar, groen, nieuweling. 
freshwater ['freJwDita] zoetwater-. 
fret [fret] knagen, in-, wegvreten; ir- 

riteren; uitsnijden, uitzagen, randen; 

zich ergeren, kniezen; — and jmne, 

razen en tieren; -^-^ away {out) 

one's life, zich doodkniezen. 
fretful ['fretful] gemelijk, prikkel- 

baar. 
fret-saw ['fretsD:] figuurzaag. 
friar ['frais] monnik, breeder. 
friction ['frikjsn] wrijving. 
Friday ['fraidi] vrijdag. 
fried [fraid] gebakken. 
friend [frend] vriend, vriendin. 
friendly ['frendli] vriendelijk, vriend- 

schappelijk; bevriend, vrienden-. 
friendship ['frendjip] vriendschap. 
frigate ['frigit] fregat o. 
fright [frait] schrik, vrees; look a — , 

eruit zien als een vogelverschrikker. 
frighten ['fraitn] verschrikken, doen 

schrikken; — away, verjagen. 
frightful ['fraitful] verschrilckelijk. 
frigid ['fridsid] koud, koel, kil. 
frill [fril] jabot; put on — s, zich 

airs geven; vt plooien. 
fringe [frinds] franje; zoom, rand; 

ponyhaar o, pony; vt afzetten, om- 

randen. 
Frisian ['frizian] Fries. 
frisk [frisk] dartelen, springen. 
frisky ['fri'ski] dartel. 
fritter ['frits] poffertje o, beignet; vt 

— away, versnipperen, verbeuzelen, 

verspillen. 
frivolity [fri'voliti] wuftheid. 
frivolous ['frivabs] wuft, beuzel- 

achtig. 
friz(z) [friz] frizzle ['frizl] krullen, 

kroezen, friseren. 
frizzy ['frizi] krullend, kroes-. 



103 fry 

frock [frok] pij, jurk; kiel. 

frock-coat ['frDk'kout] geklede jas. 

frog [frDg] kikvors, kikker. 

frolic ['frolik] pret, pretje o, grap; 
vi prct maken, dartelen. 

from [frDm] van (...af), vandaan, 
(van) uit; (te oordelen) naar; aan 
de hand van; door. 

front [frAnt] voorkant, -zijde; voor- 
gevel; front o\ gezicht o; in — , 
voorop, voorin; van voren; in '—' 
of, tegenover, v66r; voor... uit; aj 
voorste, voor-, eerste; vi — to {to- 
wards, upon), liggen op, uitzien op. 

frontage ['frAntidj] front o\ gevel. 

front-door ['frAnt'd?:] voordeur. 

frontier ['frAntjs] grens. 

frontispiece ['frAntispi:s] titelplaat. 

frost [frDst] vorst; glazed ■~', ijzel; vt 
glaceren [taart]; mat maken. 

frost-bitten ['frDstbitn] bevroren. 

frost-bound ['frostbaund] vast-, inge- 
vroren, bevroren. 

frostwork ['frDstw3:k] ijsbloemen. 

frosty ['frDsti] vriezend, vorstig, 
vries-; kil, ijzig koud. 

froth [frD9] schuim o\ vi schuimen. 

frothy ['fnSi] schuimachtig; schui- 
mend; winderig, (zin)ledig. 

frown [fraun] fronsen, stuurs kijken; 
— at {on, upon), met geen goed 
oog aanzien; afkeuren. 

froze [frouz] V.T. van freeze. 

frozen [frouzn] V.D. van freeze. 

frugal ['fruigal] matig, sober, karig, 
spaarzaam (met, of). 

frugality [fru'gasliti] matigheid, so- 
berheid, karigheid, spaarzaamheid. 

fruit [fru:t] vrucht, vruchten, fruit o. 

fruiterer ['fruitsra] fruithandelaar. 

fruitful ['fruitful] vruchtbaar. 

fruitless ['fruitlis] vruchteloos. 

fruit-tree ['fru:ttri:] vruchtboom. 

frump [frAmp] slons. 

frustrate [frAs'treit] verijdelen, dwars- 
bomen, teleurstellen. 

frustration [frAs'treiJan] verijdeling, 
teleurstelling. 

fry [frai] gebraden vlees o\ jonge vis- 



frying-pan 



104 



fuselage 



sen; the lesser — , de mindere go- 
den, de kleine luiden; the small — , 
het jonge volkje, het kleine grut; 
vt bakken, braden. 

frying-pan C'fraiigpaen] braadpan; out 
of the ■ — ■ into the jive, van de re- 
gen in de drop. 

ft. = joot\ feet. 

fuel C'fjuil] brandstof; vt van brand- 
stof voorzien; vi brandstof (benzi- 
ne) innemen. 

fugitive ['fju:d3itiv] vluchteling; aj 
vluchtig, voorbijgaand; voortvluch- 
tig. 

fulfil [ful'fil] vervullen, uitvoeren. 

fulfilment [ful'filmant] vervuUing. 

full [ful] vol, gevuld; volledig, vol- 
tallig; — of, vol van, vol; at the 
{her) — , vol [v. maan]; in ■ — ■, 
voluit; ten voile; volledig; t o the 
— , ten voile, geheel en al. 

full-blooded ['ful'bUdid] volbloe- 
d(ig). 

full-grovv'n ['furgroun] volwassen. 

fully ['full] ten voile, geheel, volop; 
voluit; volledig. 

fulminate ['fAlmineit] knallen, ont- 
ploffen, donderen, fulmineren. 

fulsome ['fulssm] walglijk, overdre- 
ven (lief &). 

fumble C'fAmbl] (be)voelen, (be)- 
tasten, frommelen. 

fume [fju:m] damp, uitwaseming; 
lucht; vi roken, dampen; koken [v. 
woede]; vt uit-, beroken. 

fun [fAn] grap, aardigheid; pret, pret- 
je o, plezier o\ make ■ — • of, voor 
de gek houden, de draak steken 
met; in — , voor de aardigheid; 
like ■ — ', dat het een aard heeft. 

function ['fAfjkJsn] ambt o; functie; 
plechtigheid, feestelijkheid, partij; vi 
functioneren, werken. 

functionary ['fAijkJanari] functiona- 
ris, ambtenaar. 

fund [fAnd] fonds o; —s, fondsen, 
geld o, kapitaal o\ in •~j, bij kas. 

fundamental [fAnda'mentl] grondbe- 
ginsel o, grondslag, basis; aj prin- 



cipieel, grond-. 
funeral ['fjurnsrsl] begrafenis. 
fun fair ['fAnfea] lunapark o, kermis. 
fungous ['fAijgasJ zwamachtig. 
fungus ['fAijgas] zwam; paddestoel. 
funicular [fju'nikjub] — railway, 

kabelspoorweg. 
funk [fArjk] angst; bangerd; vt ■ — • it, 

bang zijn, niet (aan)durven. 
funnel ['fAnl] trechter; pijp [v. stoom- 

schip]. 
funny ['fAni] grappig, aardig, mop- 
pig; vreemd, gek [v. gevoel &]. 
fur [fa:] bont o, pelswerk o, pelterij, 

pels, pelsjas; aj bonten, bont-; vt 

met bont voeren, bekleden; vi be- 

slaan [v. tong]. 
furbish ['f3;bij'] polijsten, bruineren, 

(op)poetsen; — up, opknappen. 
furious ['fjusriss] woedend, tazend 

(op, with). 
furl [f3:l] [zeil] oprollen; opvouwen. 
furlough ['fsilou] verlof o. 
furnace ['famis] (stook)oven. 
furnish ['fainij] verschaffen, leveren; 

voorzien (van, with); uitrusten; 

meubileren. 
furnisher ['fsmija] leverancier; meu- 

belmaker. 
furniture ['fainitjs] meubelen, meubi- 

lair o, huisraad o, stoffering; '~ 

van, verhuiswagen. 
furrier ['fAria] bont\\'erker. 
furriery ['fAriari] pelterij. 
furrow E'fArou] voor, groef; vt gwe- 

ven, doorploegen. 
further ['fa:3a] verder; verste [v. 

twee] ; fig nader [bericht] ; vt be- 

vorderen. 
furtherance ['fa:3arans] bevordering. 
furthermore L'faiSamD:] verder, daar- 

bij. 
furthermost ['fa:3amoust] verst. 
furtive ['faitiv] heimelijk, steels. 
fury ['fjuari] woede, razernij. 
fuse [fju:z] lont, buis [v. granaat]; 

zekering; vi & ft (samen)smelten. 
fuselage ['fjuizilids] romp [v. vlieg- 

tuig]. 



fusion 



105 



gaol 



fusion E'fjuigan] (samen) smelting. 
fuss [fAs] opschudding, drukte; piet- 

lut; zeur; vi druk doen, drukte 

maken. 
fussy E'fAsi] druk; pietluttig. 
fusty E'fAsti] duf, muf. 
futile ['fju:tail] beuzelachtig, ver- 

geefs, nutteloos, waardeloos, nietig. 
futility [fju'tiliti] beuzelachtigheid, 



kinderachtigheid, nietigheid. 
future ['fjurtja] toekomst; toekomen- 

de tijd; aanstaande; aj toekomstig, 

aanstaand. 
fuzzy ['fAzi] vlokkig; donzig; kroes; 

vaag; beneveld. 
fy [fai] foei! 
fylfot L'filfot] hakenkruis o, swastika. 



g [d3i] (de letter) g. 

gable E'geibl] geveltop, puntgevel. 

gad Egasd] — about, rondlopen, lan- 

terfanten. 
gad-fly E'gaedflai] brems, horzel. 
gadget E'gasdsit] instrumentje o, ding 

o, snufje o; true. 
gag Egasg] mondprop; verlakkerij; leu- 
gen; vt knevelen; (woorden) inlas- 

sen in; beetnemen. 
gage Egeids] pand o, onderpand o. 
gaiety E'geiati] vrolijkheid, pret. 
gaily E'geili] zie gay. 
gain Egein] (aan)winst, voordeel o\ 

vt verwerven, (ver)krijgen; verdie- 

nen, winnen; bereiken, behalen; vi 

voorlopen Ev. kick] ; '^ over, over- 

halen. 
gainings ['geinirjz] winst. 
gainsay Egein'sei] tegenspreken. 
gait Egeit] gang, pas. 
gaiter E'geits] slobkous. 
gale Egeil] bries; storm. 
gall Ego:l] gal; ontvelling; vt 't vel 

afschaven; drukken Ev. zadel]; ver- 

bitteren, kwellen, ergeren. 
gallant E'gaebnt] dapper, kranig; fier; 

zwierig. 
gallantry E'gaslantri] dapperheid. 
gallery E'gaelsri] galerij; schilderijen- 

museum o; tribune; schellinkje o. 
galley E'gseli] galei; kombuis. 
gallon E'gEebn] gallon — 4.54 liter. 
gallop E'gsebp] galop; vi galopperen; 

— ing consumption, vliegende te- 

ring. 



gallows E'gselouz] galg. 
galore Egs'b:] in overvloed. 
galosh [ga'bj] overschoen. 
gamble E'gasmbI] gok, fig loterij; vi 

gokken, dobbelen. 
gambler E'gfembb] dobbelaar, gokker. 
gambol E'gsmbal] sprong; vi sprin- 

gen, huppelen. 
game Egeim] spel o\ wild o\ have a 

— of..., een spelletje... "doen; WiZ^e 

— of, voor de gek houden; the '--' 
is up, het spel is verloren, het is 
mis; ■— and ■ — ■, gelijk op; aj flink, 
dapper, branie; lam, mank Ev. 
been]; be — for, aandurven, voor 
iets te vinden zijn; die ■ — ■, moedig 
sterven; vi spelen, dobbelen. 

game-bag E'geimbaeg] weitas. 

game-cock E'geimkok] vechthaan. 

gamekeeper E'geimkiipa] jachtopzie- 
ner. 

gamester E'geimsts] speler. 

gaming-house E'geimighaus] speel- 
huis o. 

gammon E'gasmsn] bedriegerij, mal- 
ligheid. 

gamut E'gasmat] gamma. 

gander E'gasnda] mannetjesgans. 

gang Eg£er)] (misdadigers)bende; 
ploeg werklieden. 

gang-board E'ga£r)bD:d] loopplank. 

gangster E'gasQSta] bendelid o, ban- 
diet. 

gangvi^ay E'gaerjwei] (midden) pad o, 
doorgang; loopplank. 

gaol Edseil] zie ]ail. 



gaoler 



106 



generosity 



gaoler ['d3eil3] zie jailer. 

gap [giEp] gat o, opening, gaping, 
leemte, tekort o\ bres; fig kloof. 

gape [geip] gapen; ^^ at, aangapen. 

garage ['gaerids] garage. 

garb [ga:b] gewaad o, kleding. 

garden ['ga:dn] tuin, hof. 

gardener ['gaidna] tuinman. 

gardening ['gaidnirj] tuinbouw, tui- 
nieren o. 

garden-party ['ga:dnpa:ti] tuinfeest o. 

gargle E'gaigl] gorgelen. 

garland ['ga:bnd] guirlande. 

garlic ['ga:lik] knoflook o &l m. 

garment ['ga:m3nt] kledingstuk o, 
gewaad o. 

garnish ['ga:nij] garneren, opmaken, 
versieren; voorzien (van, with). 

garret ['gsrit] vliering, zolderkamer- 
tje o. 

garrison ['gaerissn] garnizoen o; vt 
bezetten; in garnizoen leggen. 

garrulous I'gasrubs] praatziek. 

garter ['gaits] kouseband. 

gas [g£es] gas o\ vt (ver)gassen. 

gaselier [gaesa'lis] gaskroon. 

gaseous ['gssias] gasvormig, gas-. 

gas-fire ['gaesfaia] gaskachel, gas- 
haard. 

gash [g£J] sne(d)e, jaap, houw; vt 
(open)snijden, japen. 

gasp [ga:sp] hijgen o\ snik; be at 
the last -~, zieltogen; vi (naar 
adem) snakken, hijgen. 

gas-ring ['gassrir)] gasstel o. 

gas-stove ['gsesstouv] gaskomfoor o, 
-fornuis o\ gaskachel. 

gastronomer [gjes'trDnama] fijnproe- 
ver. 

gasworks ['gasswaiks] gasfabriek. 

gate [geit] poort; hek o. 

gateway ['geitwei] poort. 

gather ['gjeSa] vergaren, bijeen-, in-, 
verzamelen; krijgen [vaart] ; pluk- 
ken; innemen, plooien; afleiden, op- 
maken; zich verzamelen; bijeenko- 
men; with ■ — ing..., met stijgende 
of klimmende...; — breath, (weer) 
op adem komen. 



gathering ['gaeSarirj] in-, verzameling; 

bijeenkomst; gezelschap o; abces o. 
gauche [gouj] fig links. 
gaucherie ['goujari] fig linksheid. 
gaudy ['gD:di] opzichtig, bont. 
gauge [geid3] maat; fig maatstaf; 

spoorwijdte; diepgang; kaliber o\ vt 

peilen. meten. 
gaunt [go:nt] schraal, mager. 
gauntlet ['gD:ntlit] (scherm-, rij-, lan- 

ge dames)handschGen; run the — , 

door de spitsroeden lopen. 
gauze [go:z] gaas o. 
gave [geiv] V.T. van give. 
gay [gei] vrolijk, levendig; luchthar- 

tig; los(bandig), bont, (veeljkleu- 

rig. 
gaze [geiz] starende blik; vi staren. 
gazette [ga'zet] (Engelse) Staatscou- 

rant. 
gear [gia] tuig o, gareel o\ gerei o; 

versnelling; out of ■ — , afgekoppeld; 

fig ontredderd; in de war. 
gear-case ['giskeis] kettingkast. 
gearing ['giarirj] overbrengwerk o. 
gee [dsi:] hu!; sakkerloot! 
geese [gi:s] ganzen. 
gelatin (e) ['dselstin] gelatine. 
gem [d3em] edelgesteente o, kieinood 

o\ juweel o. 
gender ['dgenda] geslacht o. 
general ['d5en3r3l] algemeen o; ge- 

neraal; in — ■, in (over) 't alge- 
meen; a] algemeen. 
generalization [dsenarslai'zeijsn] ver- 

algemening; generalisering. 
generalize ['djensralaiz] generalise- 

ren. 
generally ['dsenarali] gewoonlijk; al- 
gemeen, in (over) het algemeen. 
generate ['djenareit] voortbrengen; 

ontwikkelen [gas], opwekken [elek- 

triciteit]; generating station, (elek- 

trische) centrale. 
generation [dsena'reijsn] voortbren- 

ging; opwekking; generatie, geslacht 

o. 
generosity [dsens'r^siti] edelmoedig- 

heid, mildheid, milddadigheid. 



generous 



107 



gherkin 



generous ['dsensras] edel(moedig), 

mild(dadig); overvloedig. 
genesis ['dsenisis] genesis: wording (s- 

gescl-iiedenis). 
genial ['djiinisl] opgewekt, gemoede- 

lijk; (lekker) warm [weer]. 
genitive ['dsenitiv] genitief, tweede 

naamval. 
genius ['dsirniss] genius; geest; be- 

schermgeest; genie o, (natuurlijke) 

aanleg. 
Genoa ['dsenoua] Genua o. 
gent [dsent] heer, poen. 
genteel [djen'ti:!] net, fijn, deftig. 
gentile ['d3entail] heiden: niet-jood; 

a] heidens: niet-joods. 
gentle ['dsentl] zacht; vriendelijk; van 

goede geboorte; the ■ — ■ sex, het 

schone geslacht. 
gentlefolk(s) ['dsentlfoukfs)] voor- 

name lieden, betere stand (en). 
gentleman ['dsentlmsn] (mijn)heer; 

gentleman: fatsoenlijk man. 
gentlemanlike ['dsentlmsnlaik], 
gentlemanly ['dsentlmanii] fatsoen- 
lijk, beschaafd, als een heer. 
gentleness ['dsentlnis] zachtheid. 
gentlewoman [dsentlwuman] vrouw 

van geboorte, (eciite) ,,dame". 
gently ['dsentli] zaciit(jes), vriende- 
lijk. 
gentry ['dsentri] de deftige stand, ko- 

mend na de adel; these '~, die 

,,heren". 
genuine ['dgenjuin] echt. 
genus ['d3i:n3s] geslacht o, soort. 
geographer [dgi'Dgrafa] aardrijks- 

kundige. 
geographic (al) [d3i3'grcefik(I)] 

aardrijkskundig. 
geography [dsi'sgrafi] aardrijks- 

kunde. 
geology [dsi'Dbdgi] geologic. 
geometric(al) [d3i3'metrik(l)] meet- 

kundig. 
geometry [d3i'Dmitri] meetkunde. 
geranium [d3i'reinj3m] geranium. 
germ [d33:m] kiem. 
german ['d33:m3n] brother {cousin) 



"-, voile breeder (neef). 

German ['d33:m3n] Duitser; (het) 
Duits; a] Duits. 

Germany ['d33:m3ni] Duitsland o. 

germinate ['d33:mineit] (doen) ont- 
kiemen, ontspruiten. 

germination [d33:mi'neij3n] ontkie- 
ming. 

gerund ['d3er3nd] gerundium o. 

gesticulate [d3es'tikjuleit] gesticule- 
ren. 

gesticulation [d3estikju'leij3n] gesti- 
culatie, gebaar o, gebarenspel o. 

gesture ['d3estj3] gebaar o. 

get [get] (ver)krijgen; begrijpen; beet- 
nemen; — /'/ done {copied &) lets 
laten doen (overschrijven &); — 
you gone!, scheer je weg!; — rich, 
ill &, rijk, ziek & worden; 1 got 
■ ■■ing, ik begon te...; — at, komen 
bij (aan), bereiken, te pakken krij- 
gen; ■ — ■ away, wegkomen, zich 
wegpakken; er vandoor gaan; ~' 
down, afstappen, naar beneden 
gaan; jig onder krijgen; — on, 
vooruitkomen, vorderen, opschieten; 
// is {you are) — ting on my nerves, 
het (je) maakt me zenuwach- 
tig; — on with, overweg kunnen 
met; — out, uitkomen, uitlekken; 
uitstappen; --~' out!, eruit!; -~ 
over, [een verlies] te boven ko- 
men; — round, weer beter war- 
den; • — • round the difficulty, om- 
zeilen; — through, (telefonisch) 
aansluiting krijgen; komen door; — 
t o, komen bij, bereiken, er toe ko- 
men (om); the fire was got un- 
der, men werd de brand meester; 
— up, opstaan; op-, instappen; in 
elkaar zetten, op touw zetten, mon- 
teren. 

get-up [get'Ap] opmaken o\ regeling, 
aankleding [v. e. stuk], uitvoering, 
verzorging [v. e. boek] ; uitrusting. 

gewgaw ['gju:g3:] prul o. 

ghastly ['ga:stli] doodsbleek; spook- 
achtig; akelig; afgrijselijk. 

gherkin ['g3:kin] augurkje a. 



ghost 



108 



glide 



ghost [goust] geest, spook o, schiin, 

verschijning; schijntje o. 
ghostly ['goustli] spookachtig. 
GI ['dsii'ai] Amerikaanse soldaat. 
giant ['dsaiant] reus. 
gibberish ['gibsrij] brabbeltaal. 
gibbet ['dsibit] galg; kraanarm. 
gibe [dsaib] schimpscheut, hatelijk- 

heid; vi honen, schimpen, spotten 

(met, at). 
giddy i'gidi] duizelig; duizelingwek- 

kend; onbezonnen. 
gift [gift] gave, gift, geschenk o. 
gifted C'giftid] begiftigd; begaafd. 
gig [gig] cabriolet; giek. 
gigantic [dsai'gsntik] reusachtig. 
giggle ['gigl] giechelen. 
gild [gild] vergulden, (ver)sieren. 
gill [gil] kieuw; lei. 
gillyflower ['d3iliflau3] anjelier. 
gilt [gilt] verguldsel o\ aj verguld. 
gilt-edged ['giltedsd] verguld op 

snee; goudgerand [effecten]. 
gin [dsin] (val)strik; jenever. 
ginger ['dsindss] gember; rode; fut. 
ginger beer ['d3ind33'bi3] gember- 

bier o. 
gingerbread ['d3ind33bred] peper- 

koek. 
gingerly ['dsindsali] behoedzaam. 
ginger-nut ['d3ind33nAt] pepernoot. 
gipsy ['d3ipsi] zigeuner(in). 
giraffe [d3i'ra:f] giraffe. 
gird [g3;d] aan-, omgorden; om-, in- 

sluiten, omgeven, omsingelen. 
girder ['gsida] (dwars)balk. 
girdle ['gaidl] gordel; vt omgorden. 
girl [g3:l] meisje o\ his best ~', zijn 

,,meisje" o; old — , beste (meid). 
girl guide ['gail'gaid] padvindster. 
girlhood ['gailhud] meisjesjaren; 

meisjes. 
girlish ['gsilij"] meisjesachtig, meis- 
jes-. 
girt [g3:t] V.T. & V.D. v. gird. 
gist [dsist] hoofdpunt o, kern. 
give [giv] geven; ~^ battle, slag le- 

veren; — a w a y, weggeven; fig 

verklappen, verraden; — / ;;, [stuk- 



ken &] inleveren; onderdoen (voor, 
to), toegeven, bet opgeven; betui- 
gen [adhesie]; — into, ^~- 
{ti p)o n, uitkomen op; • — -up, op- 
geven; afstand doen van. 

given ['givn] gegeven; geneigd (tot, 
to), verslaafd (aan). 

gizzard ['gizad] spiermaag; that 
sticks in his — , dat zit hem dvi^ars. 

glacier ['glsesja] gletsjer. 

glad [gl£ed] blij(de), verheugd. 

gladden ['glaedn] verblijden. 

gladly ['glaedli] blij; blijmoedig; met 
genoegen, graag, gaarne. 

gladness ['glasdnis] blijdschap. 

glamorous ['glsemaras] betoverend. 

glamour ['glaema] betovering. 

glance [gla:ns] flikkering; oogopslag, 
blik; at a -~, met een oogopslag 
(blik); vi blinken; kijken; afscham- 
pen. 

gland [glaend] klier. 

glare [glea] schel licht o; gloed; 
glans; schittering; woeste blik; vi 
schitteren, hel schijnen; fel afste- 
ken; woest kijken. 

glaring ['glearir)] schel, (oog)verblin- 
dend, schitterend [oog]; brutaal, 
schril [v. contrast]. 

glass [gla.s] glas o; spiegel; (verre)- 
kijker; zandloper; barometer; — es, 
lorgnet; bril; aj glazen, glas-. 

glass-blovi'er ['glaisbloua] glasblazer. 

glassy ['gla;si] glasachtig, glazig; 
glas-; (spiegel) glad. 

glaze [gleiz] verglaassel o, glazuur o; 
glans; vt achter (in) glas zetten; 
verglazen; glanzen, glaceren. 

glazier ['gleizia] glazenmaker. 

gleam [gli:m] glans, schijnsel o, 
straal; vi blinken, glanzen, schijnen. 

glean [gli:n] naiezen, op-, in-, ver- 
zamelen; opvangen. 

glee [gli:] vrolijkheid. 

gleeful ['gli;ful] vrolijk, blijde. 

glen [glen] dal o; vallei. 

glib [glib] glad, rad (van tong), 
welbespraakt. 

glide [glaid] glijvlucht, zweefvlucht; 



glider 



109 



go 



vi glijden; zweven. 
glider ['glaida] glijder; zweefvlieger; 

zweefvliegtuig o. 
glimmer ['glima] zwak schijnsel o, 

glinstering, (licht)schijn, glimp, 

(zwakke) opflikkering, flauw idee 

o; vi schemeren, gloren, blinken, 

(even) opflikkeren. 
glimpse [glim(p)s] glimp, (licht)- 

straal, schijnsel o; (vluchtige) blik, 

kijkje o\ vt even zien. 
glint [glint] glimp, glinstering, 

schijnsel o, blinken o; vi glinsteren, 

blinken. 
glisten ['glisn] glinsteren, flikkeren, 

fonkelen. 
glitter Cglits] flikkering, geflonker 

o, glans; vi flikkeren, flonkeren, 

schitteren. 
gloaming ['gloumir)] schemering. 
gloat [glout] — on, upon of over, 

zich verkneukelen in. 
globe [gloub] (aard)bol; (oog)bal; 

ballon [v. lamp]; viskom. 
globe-trotter ['gloubtrDta] wereld- 

reiziger. 
globular ['gbbjub] bolvormig. 
globule ['gbbju:l] bolletje o. 
gloom [glu:m] duisterheid, donker- 

heid, somberheid. 
gloomy ['glu:mi] donker, duister, 

somber, droefgeestig; droevig. 
glorification [gbrrifi'keijsn] ver- 

heerlijking. 
glorify ['gbirifai] verheerlijken. 
glorious ['gbrrias] roem-, glorierijk, 

glansrijk, heerlijk, prachtig. 
glory ['gb:ri] roem, lof, eer; heer- 

lijkheid; glorie, stralenkrans; vi '~ 

in, prat gaan op. 
gloss [gbs] glans, luister; (schone) 

schijn; glosse, commentaar m of o\ 

vt glanzen; glossen maken bij (op), 

uitleggen; — over a. thing, iets ver- 

goelijken, iets bemantelen. 
glossary ['gbsari] verklarende woor- 

denlijst. 
glossy ['gbsi] glanzend. 
glove [glAv] handschoen. 



glove-fight ['gUvfait] bokspartij. 

glow [glou] gloed, vuur o\ vi gloei- 
en, branden. 

glower E'glaua] staren, boos of drei- 
gend kijken (naar, at, upon). 

glow-worm ['glouw3:m] glimworm. 

gloze [glouz] ^- over, bemantelen, 
vergoelijken. 

glue [glu:] lijm; vt lijmen, kleven, 
plakken. 

gluey ['glu:i] lijmig, kleverig. 

glum [gUm] donker, somber, nors. 

glut [gUt] (over)verzadigen; overla- 
den, overvoeren. 

glutton ['gUtn] gulzigaard; veelvraat; 
be is a — for, hij is del op. 

gluttonous ['glAtanas] gulzig, vraat- 
zuchtig. 

gluttony ['glAtsni] gidzigheid, vraat- 
zucht. 

gnarl [na:l] knoest. 

gnarled [na:ld], gnarly ['na.li] 
knoestig. 

gnash [naej] knarsen (op). 

gnat [ncEt] mug. 

gnaw [nD:] knagen, (af)kluiven. 

gnome [noum] kabouter. 

go [gou] gaan, lopen; heengaan, ver- 
dwijnen; wegraken; reiken [v. geld, 
gezag &]; worden; zijn; — bad, be- 
derven; — far, vet gaan (reizen); 
het ver brengen, voordelig in 't ge- 
bruik zijn; '~-' strong, (nog) kras 
zijn; as the phrase {term) ■ — es, zo- 
als het heet; — shares, gelijk op 
delen; .■ — • itl, toe maar!, geef hem!; 
— one better than, meer bieden; 
meer doen, overtreffen; '^ about, 
rondlopen; in omloop zijn; een om- 
weg maken; -^ about it the wrong 
way, de zaak (het) verkeerd aan- 
pakken; •^-' along, voortgaan; • — • 
along with you!, loop rond!; —^ a t 
it, er op los gaan, aanpakken; '^ 
b y, voorbijgaan, passeren; •^^ by 
appearances, afgaan op het uiterlijk, 
oordelen naar de schijn; ■ — ■ down, 
naar beneden gaan; ondergaan [de 
zon] ; naar de kelder gaan; — for. 



goad 110 

af-, losgaan op; — jor a drive, 
een toertje gaan maken; — jor 
little {nothing), weinig (niet) mee- 
tellen; geen effect hebben; — in 
jor, (mee)doen aan [sport &]; •— - 
o n, doorgaan, verder gaan (met) 
voorbijgaan [tijd]; aan de gang 
(aan de hand) zijn; te keer gaan 
he went on to say..., hij vervolg 
de...; — through, doorgaan 
doorlopen [v. les]; doorzoeken [zijn 
zakken]; doorstaan, meemaken; -^^ 
w i t h o u t {one' s dinner, grog &), 
het stellen zonder (buiten), niet 
krijgen; that — es without saying, 
dat spreekt vanzelf; (a 1 s z e 1 f s t. 
nmw.) vaart; gang; mode; aanval; 
keer; beurt; it's a — .', top!; {these 
hats are) all the — , quite the — , 
de mode; a jolly {nice, pretty) — /, 
een mooie boel; /'/ is no — , dat 
(het) gaat niet; het geeft (baat) 
niets; have a — (at), het eens pro- 
beren, onder handen nemen. 

goad [goud] prikkel; vt prikkelen, 
aansporen (tot, into, to). 

go-ahead ['goushed] voortvarend. 

goal [goul] eind-, merkpaal, doel- 
(einde) o\ doelpunt o. 

goal-keeper ['goulkirpa] doelverdedi- 
ger. 

goat [gout] geit; bok. 

gobble ['gDbl] opslokken. 

go-between ['goubitwi:n] bemidde- 
laar, tussenpersoon. 

goblet ['gDblit] beker. 

goblin ['goblin] kabouter, (boze) 
geest. 

go-by ['goubai] give the — , achter 
zich laten; ontsnappen aan; laten 
schieten; afdanken. 

God, god [god] God, (af)god; the 
^^s, het schellinkje. 

godchild ['godtjaild] petekind o. 

goddaughter ['goddaits] peetdochter. 

goddess ['godis] godin. 

godfather ['godfaiSs] peet(oom). 

godliness ['godlinis] godsvrucht. 

godly ['gDdli] godvruchtig. 



good-natured 



godmother ['godmASa] petemoei. 

godsend ['godsend] uitkomst, buiten- 
kansje o, meevaller. 

godson ['godsAn] peetzoon. 

God-speed ['god'spi;d] hid •~, geluk 
of goede reis wensen. 

goggles ['goglz] (stof)bril; oogklep- 
pen. 

going ['gouig] gaande; be ■~ to, op 
het punt zijn om; van plan zijn 
om; — , — , gone, eenmaal, ander- 
maal, derdemaal. 

goings-on [gouirj'zon] gedrag o, ge- 
doe o. 

goitre ['goita] kropgezwel o. 

gold [gould] goud o\ aj gouden. 

golden ['gouldn] gouden, gulden. 

gold-fish ['gouldfij] goudvis. 

goldsmith ['gouldsmi6] goudsmid. 

golf [golf, gof] golfspel o; vi golf 
spelen. 

golliwog ['goIiwDg] boeman(pop). 

golosh [gs'bj] overschoen. 

gondola ['gondsb] gondel. 

gone [gon] V.D. van go; verloren, 
weg, op; dood. 

good [gud] goed; ,,zoet" [v. kinde- 
ren]; aardig; braaf; knap, sterk & 
goed (in, at); make ■ — ■, (weer) 
goedmaken, vergoeden; goed terecht- 
komen, er komen; bewijzen; ten uit- 
voer brengen; it is no {not a bit 
oj) — , 't is van (heeft) geen nut, 
't geeft niet(s); tv hat's the '~- {oj 
it)?, wat geeft (baat) het?; it is 
jor your — , om uw bestwil; coyne 
t o — , gedijen; be ten pounds to 
the — , £ 10 voordeel hebben, nog 
£ 10 te goed hebben; zie ook: 



good-breeding [gud'bri:dif)] welgema- 

nierdheid, beschaafdheid. 
good-bye [gud'bai] (goeden)dag; say 

— , afscheid nemen (van, to). 
goodies ['gudiz] lekkers o, snoep a. 
goodish ['gudij] goedig, tamelijk 

(goed). 
good-natured [gud'neitjsd] goedaar- 

dig, goedhartig. 



goodness 111 

goodness ['gudnis] goedheid; 

{gracious)!, goeie genade; 

knows where, de hemel weet waar; 

thank — I, goddank; jar — ' sake, 

cm godswil. 
goods [gudz] goederen, goed o\ wa- 

ren; /'/ is the ■ — •, je ware. 
goodwill E'gud'wil] welwillendheid; 

klandizie, clientele. 
goody E'gudi] bonbon; a] sullig; 

zoetsappig. 
goose [gu:s] gans. 
gooseberry ['guzbari] kruisbes. 
gorge [goidj] strot, keel; bergengte; 

vt opslokken, inslikken; volstoppen. 
gorgeous ['gDids^s] prachtig, koste- 

lijk. 
gorse [gD:s] brem. 
gospel ['gDspsl] evangelic o. 
gossamer ['gDsama] herfstdraad, 

-draden; a] ragfijn. 
gossip ['gDsip] babbelaar(ster); buur- 

praatje a, gepraat o, gebabbel o\ vi 

babbelen, kletsen. 
got [gpt] V.T. & V.D. van get. 
gout [gaut] jicht. 
gouty t'gauti] jichtig. 
govern ['gAvan] regeren, besturen, 

leiden, beheersen. 
governance ['gAvsnsns] bestuur o, 

leiding. 
governess ['gAvanis] gouverneurs- 

vrouw; bestuurster; gouvernante. 
government ['gAvanmant] bestuur o, 

regering; leiding; gouvernement a. 
governor ['gAvana] landvoogd, gou- 

verneur; bestuurder; directeur; ouwe 

beer, baas, chef. 
gown [gaun] japon, kleed o; tabberd, 

toga. 
grab [grseb] greep, vangst, buit; 7nake 

a ■ — ■ at, grijpen naar; vi ■ — at, grij- 

pen naar; vt pakken. 
grace [greis] genade, gunst, beval- 

ligheid, gratie; respijt o, uitstel o\ 

tafelgebed o; good ■ — s, gunst; he 

had the ■ — ' to..., was zo fatsoenlijk 

(beleefd) om...; with a bad — , met 

tegenzin, niet van harte; with a 



grand duchess 



good — ', graag, van harte; met fat- 
soen; vt (ver)sieren, opluisteren; 
vereren; begunstigen. 

graceful t'greisful] bevallig, gracieus. 

graceless ['greislis] snood; onbevallig. 

gracious ['greijas] genadig; gunstig; 
minzaam; good — .', '~-' me!, goeie 
genade! 

grade [greid] graad, rang, trap; kwa- 
liteit; vt graderen, rangschikken, 
sorteren. 

gradual ['grasdjual] trapsgewijze op- 
klimmend &, geleidelijk. 

graduate ['graedjueit] in graden ver- 
delen; graderen; promoveren; (ge- 
leidelijk) overgaan (in, into); ['grse- 
djuit] gegradueerde. 

graduation [graedju'eijan] promotie; 
gradering. 

graft [gra:ft] ent; vt enten. 

Grail [greil] graal. 

grain [grein] graan o, koren o; 
(graan)korrel; grein (tje) o\ kor- 
reling, kern; draad; against the — , 
tegen de draad; ;/ goes against the 
■ — • with me, het staat me tegen, stuit 
me tegen de borst; vt korrelen; 
grein(er)en; nerven, aderen. 

grammar ['grsema] spraakkunst, -leer, 
grammatica; — school, gymnasium 
o. 

grammatical [gra'majtikal] gramma- 
ticaal. 

gramme [grsm] gram o. 

gramophone ['graemafoun] grammo- 
foon. 

granary ['graenari] korenschuur. 

grand [grsend] vleugel [piano]; a] 
groot, groots; voornaam, edel, prach- 
tig- 

grandam ['grasndsem] grootje o. 

grand-aunt ['graenda:nt] oudtante. 

grandchild ['graen(d)tjaild] klein- 
kind o. 

grand-dad ['graenddasd] opa. 

grand-daughter ['graenddD:ta] klein- 
dochter. 

grand duchess ['grasnd'dAtJis] groot 
hertogin. 



grand duke 1 1 2 



grand duke ['grasnd'djuik] groother- 
tog. 

grandfather ['grcen(d)fa:33] groot- 
vader; — 's clock, staande klok. 

grandiloquence [grjen'dibkwsns] 
bombast; grootspraak. 

grandmother ['gr8en(d)mA33] groot- 
moeder. 

grand-nephew ['graendnevju:] achter- 
neef. 

grand-niece ['graendnirs] achternicht. 

grandson ['gr£en(d)sAn] kleinzoon. 

grand-uncle ['grsndArjkl] oudoom. 

granite ['grsenit] graniet o. 

grannie, granny ['grseni] grootje o. 

grant [gra:nt] schenking, concessie, 
bijdrage, subsidie; vt vergunnen, 
toestaan, inwilligen, verlenen, schen- 
ken; toegeven, toestemmen; God — 
;'/, God gave het!; take for ■ — ed, 
(als vanzelfsprekend) aannemen. 

granular ['grsenjub] korrelig. 

granulate ['grsenjuleit] korrelen. 

grape [greip] druif. 

grape-fruit ['greipfru:t] pompelmoes. 

grape-shot ['greippt] schroot o. 

graphic ['grasfik] grafisch. 

grapnel ['grx-pnsl] dreg(ge). 

grapple ['grspl] enteren; aanklampen; 
omklemmen, beetpakken; • — • with, 
worstelen met. 

grasp [gra:sp] greep, bereik o\ macht; 
houvast o\ bevattingsvermogen o\ vt 
aan-, vastgrijpen, beetpakken, (om)- 
vatten, begrijpen; omklemmen, vast- 
houden. 

grasping ['grarspirj] inhalig. 

grass [gra:s] gras o. 

grasshopper ['graishspa] sprinkhaan. 

grass-plot ['gra:spbt] grasperk o. 

grate [greit] traliewerk o; rooster; 
(vuur)haard; vt tralien; wrijven, 
knarsen [op de tanden]; krassen, 
schuren. 

grateful ['greitful] dankbaar. 

grater ['greita] rasp. 

gratification [graetifi'keijan] bevredi- 
ging; genoegen o, behagen o\ belo- 
ning, gratificatie. 



green 



gratify ['graetifai] bevredigen, vol- 

doen; behagen; belonen; — tng, ook: 

aangenaam, verheugend. 
gratis ['greitis] gratis, kosteloos. 
gratitude ['grastitju:d] dankbaarheid. 
gratuitous [gra'tjuritas] gratis, koste- 
loos; ongemotiveerd, ongegrond; no- 

deloos. 
gratuity [gra'tjuiiti] gift; fooi; gra- 
tificatie. 
grave [greiv] graf o; a] deftig, stem- 

mig, statig, plechtig, ernstig. 
grave-digger ['greivdiga] doodgraver. 
gravel ['gr£ev3l] kiezel o & in, kiezel- 

zand o, grind o\ vt begrinden. 
graveyard ['greivja:d] kerkhof o. 
gravitation [grasvi'teijan] zwaarte- 

kracht. 
gravity ['graeviti] gewicht o\ gewich- 

tigheid; deftigheid, ernst; zwaarte, 

zwaartekracht; spec/fic '-~, soorte- 

lijk gewicht o. 
gravy ['greivi] vleesnat o, jus. 
gray [grei] zie grey. 
graze [greiz] (laten) grazen, weiden; 

schaven; schampen; rakelings voor- 

bijgaan, even aanraken. 
grazier ['greizis] vetu'cider. 
grease [gri:s] vet o, smeer o & m\ 

[gri:z] rt smeren, in-, besmeren; 

(in)vetten; de handen smeren. 
greasy ['gri:zi] smerig, vettig. 
great [greit] groot; heerlijk, leak, 
greatcoat ['greit'kout] overjas. 
great-grandfather ['greit'grasn(d)- 

fa:33] overgrootvader. 
great-grandson ['greit'grasn(d)sAn] 

achterkleinzoon. 
greatly ['greitii] grotelijks; zeer. 
greatness ['greitnis] grootte, groot- 

heid. 
Greece [gri:s] Griekenland o. 
greed [gri:d], greediness ['gri:dinis] 

hebzucht, begerigheid, gretigheid, 

gulzigheid. 
greedy ['gri:di] hebzuchtig, begerig 

(naar, of), gretig, gulzig. 
Greek [gri:k] Griek; aj Grieks. 
green [griin] groen, onrijp, nieuw, 



greenery 



113 



around 



vers, fris; '— stuff {food, meat), 

groenten; the — , het grasveld; het 

dorpsplein; — s, groente(n). 
greenery ['griinsri] oranjerie, serre. 
greengage ['griin'geids] reine-claude. 
greengrocer ['griingrousa] groen(te)- 

boer. 
greenhorn ['gri:nhD:n] groen, sul. 
greenhouse ['gri:nhaus] oranjerie, 

serre. 
Greenland ['gri inland] Greenland o. 
greet [gri:t] begroeten, groeten. 
greeting ['griitit]] begroeting, greet. 
gregarious [gri'gearias] in groepen 

levend [v. dieren]. 
grenade [gri'neid] (hand)granaat. 
grenadier [grena'dia] grenadier. 
grew [gru:] V.T. van grow. 
grey [grei] grijs, grauw. 
greybeard ['greibisd] grijsaard. 
greyhound L'greihaund] windhond. 
grid [grid] rooster; (hoogspannings)- 

net o; centrale (elektriciteits-, gas)- 

veorziening. 
gridiron ['gridaian] (braad) rooster. 
grief [gri:f] dreefheid, smart; ver- 

driet, leed o, kemmer; come to -~', 

een engeluk krijgeo; een val deen; 

de nek breken, mislukken, stranden, 

schipbreuk lijden. 
grievance ['gri;v3ns] grief. 
grieve [gri;v] bedroeven, verdrieten, 

leed (aan)doen; betreuren; treuren 

(over, at, over). 
grievous ['grirvas] zwaar, drukkend, 

pijnlijk, smartelijk, bitter, deerlijk, 

jammerlijk. 
grill [gril] rooster; geroosterd vices 

o; vt reesteren, braden; ■ — ing hot, 

smoorheet. 
grille [gril] traliewerk o, -hek o. 
grim [grim] grimmig, bars; bar, 

streng, hard, verschrikkelijk; fel, 

verwoed, verbeten, woest. 
grimace [gri'meis] grimas, grijns. 
grime [graim] vuil o, reet o. 
grimy ['graimi] vuil, smerig. 
grin [grin] grijns, grijnslach; vi 

grijnzen, grinniken. 

Eng. Zakwrdbk. 11 



grind [graind] malen, fijn wrijven; 
(af)slijpen; draaien [orgel]; drillen 
[jengens]; zich afbeulen, ploeteren, 
blokken; knarsen; — one's teeth, 
tandenknarsen. 

grinder ['grainda] kies, maaltand; 
slijper. 

grindstone ['graindstoun] slijpsteen. 

grip [grip] greep, heuvast o, vat; 
come to — s, handgemeen worden; 
vt (vast)grijpen, beetpakken; fig 
pakken, boeien. 

grisly ['grizli] akelig, griezelig. 

gristle ['grisi] kraakbeen o. 

grit [grit] steengruis o\ zand- of bik- 
steen o &. tn; fig energie, fut; -~j, 
grutten; vt wrijven; knarsen (op). 

gritty ['griti] zandig, korrelig; fig 
flink. 

grizzled ['grizld] grijs, grauw. 

grizzly ['grizli] grijs (achtig). 

groan [groun] gesteun o, gekreun o\ 
vi ste(u)nen, kreunen, kermen. 

groats [grouts] grutten. 

grocer ['grousa] kruidenier. 

grocery ['grousari] kruidenierswaren; 
kruidenierswinkel. 

groin [grDin] lies. 

groom [gru:m] stalknecht; rijknecht; 
(livrei)bediende; kamerheer; bruide- 
gom; vt verzergen [v. uiterlijk]. 

groove [gru:v] groef, sponning; gleuf; 
fig sleur; vt groeven. 

grope [group] (tastend) zoeken, 
(rond)tasten (naar, for, after). 

gross [grous] gres o; aj dik, groot, 
grof, ruw; schremelijk, erg; brute. 

grotesque [greu'tesk] gretesk, petsier- 
lijk. 

grotto ['grDtou] grot. 

ground [graund] grend; bodem; ter- 
rein a; ■ — s, grendsop o, (koffie)- 
dik o\ aanleg, plantsoen o, park o\ 
change {shift) one's — , van stand- 
punt (positie) veranderen; gain ^~-, 
veld winnen, vorderen; lose — , ter- 
rein verliezen; on the — of..., op 
grond van; on the — {s) that..., op 
grend van het feit, dat...; vt gron- 

8 



groundfloor 114 



den; grondvesten; gronderen; well 

— ed, gegrond; goed onderlegd (in, 

in); vi aan de grond lopen, stran- 

den; V.T. & V.D. van grind; -— 

glass, matglas o. 
groundfloor ['graund'fb:] heneden- 

verdieping. 
ground-plan ['graundplsn] platte- 

grond. 
group [gru:p] groep; vt groeperen. 
grouping ['gru.pir)] groepering. 
grouse [graus] korhoen o, korhoen- 

ders. 
grove [grouv] bosje o. 
grovel E'grDvl] kruipen, zich in 't stof 

vernederen. 
grow [grou] groeien; toenemen; wor- 

den; laten groeien (staan), (ver)- 

bouwen, kweken, telen; — - upon 

one, vat krijgen op; zich opdringen 

[v. gedachte]. 
grower ['grous] verbouwer, kweker. 
growl [graul] grauw, snauw, geknor 

0, gebrom o; vi snauwen, knorren, 

grommen, brommen. 
grown [groun] V.D. v. grow; be- 

groeid; volwassen; greet. 
grown-up ['groun'Ap] volwassen. 
growth [grouO] groei; toeneming, 

vermeerdering; gewas o, produkt o; 

gezwel 0. 
grub [grAb] larve, made; eten o, kest; 

vi graven; pioeteren. 
grubby ['giAbi] vol maden; vuil, vies. 
grudge [grAds] wrok; bear (owe) 

one a ■ — ■, have a ■ — ' against one, 

(een) wrek koesteren jegens; rt 

misgunnen, niet gunnen; he — s no 

labour, geen arbeid is hem te veel. 
grudgingly ['grAd3ir|li] met tegenzin, 

ongaarne. 
gruel ['grual] dunne pap, brij. 
gruesome ['gru:s3m] ijselijk, grieze- 

lig, ijzingwekkend, afschuwelijk. 
gruff [grAf] nors, bars, gref. 
grumble ['grAmbl] morren, knorren; 

brommen; rommelen. 
grumpy ['grAmpi] brombeer; aj brom- 

merig. 



gu.nca-pig 

Grundy ['grAndiJ Mrs — , de boze, 

kwaadsprekende wereld. 
grunt [grAnt] knorren [v. varken]. 
guarantee [gasrsn'ti:] (waar)borg, 

garantie; vt waarborgen, garande- 

ren; vrijwaren. 
guard [ga:d] wacht, hoede, beschut- 

ting, dekking; bescherming, bewa- 

king; bewaker, wachter; garde; cen- 

ducteur; vt (be)heeden, beschermen; 

bewaken; vi zich hoeden, eppassen 

(voor, against). 
guarded ['ga:did] voorzichtig, gere- 

serveerd. 
guardian ['gaidjan] voogd; bewaarder, 

bewaker; curator, opziener; — an- 
gel, bescherm.engek 
guardianship ['ga:dj3njip] voogdij, 

bewaking, hoede. 
guess [ges] gissing; give a ~- {at), 

raden (naar); by — , op de gis; vi 

raden, gissen; denken; vermoeden. 
guest [gest] gast, lege; introduce; 

paying ■—-, betalend loge. 
guest-house ['gesthaus] tehuis o, 

pension o. 
guest-room ['gestrum] logeerkamer. 
guidance ['gaidans] leiding; geleide 

o; voorlichting. 
guide [gaid] leidsman, (ge)leider, 

gids; vt (ge)leiden, (be)sturen. 
guide-book ['gaidbuk] gids. 
guide-dog ['gaiddog] geleidehond. 
guide-post ['gaidpoust] weg\\'ijzer. 
guild [gild] gilde o & v. 
guilder ['gilds] gulden. 
guile [gail] (arg)list, valsheid. 
guileful ['gailful] arglistig, vals. 
guileless ['gaillis] argeloos. 
guillotine [gib'tiin] guillotine; — 

window, schuilraam o; vt guilioti- 

neren. 
guilt [gilt] schuld; misdaad. 
guiltless ['giltlis] onschuldig. 
guilty ['gilti] schuldig (aan, of); 

misdadig; schuldbewust. 
guinea ['gini] gienje (21 shilling). 
guinea-pig ['ginipig] Guinees bigge- 

tje o, marmetje o; fig preefkonijn o. 



guise 



115 



half 



guise Lgaiz] gedaante; uiterlijk o, 
voorkomen o, schijn; in {under) the 
— oj, bij wijze (onder de schijn) 
van, als. 

guitar [gi'ta:] gitaar. 

gulf [gAlf] golf, (draai)ko]k, zee- 
boezem; jig afgrond, klove. 

gull [gAl] (zee)meeuw; jig onnozele; 
vt voor 't lapje houden. 

gullet ['gAlit] slokdarm, keel. 

gullibility [gAli'biliti] lichtgelovig- 
heid, onnozelheid. 

gullible ['gAlibl] lichtgelovig, onnozel. 

gully ['gAli] goot; geul; ravijn o. 

gulp [gAlp] siok; at a (one) ■ — ^, in 
een siok (teug); vt inslikken; ~ 
down, slikken, inslokken. 

gum [gAm] gom m of o\ — s, tand- 
vlees o; vt gommen. 

gun [gAn] geweer o\ kanon o; revol- 
ver; (saluut)schot o; jager; stand 
(stick) to one's ■ — s, op zijn post 
blijven, standhouden; voet bij stuk 
houden. 

gunboat ['gAnbout] kanonneerboot. 



gun-carriage ['gAnkseridsl affuit. 
gun-cotton ['gAnkstn] schietkatoen o 

& m. 
gunner ['gAna] kanonnier; schutter. 
gunpowder ['gAnpauds] (bus)kruito. 
gush [gAj] stroom, uitstorting, uit- 

barsting; vi gutsen, (uit)stromen; 

jig dwepen. 
gust [gASt] vlaag; windvlaag. 
gusto ['gAstou] smaak, genot o\ ani- 

mo. 
gut [gAt] darm; — s, buik; jig fut, lef 

o Si m\ vt uithalen; leeghalen, plun- 

deren; uitbranden. 
gutter ['gAts] goot, groef. 
gutter-snipe ['gAtssnaip] straatjongen. 
guttural CgAtarsl] keelklank. 
guy [gai] vogelverschrikker; kerel. 
guzzle E'gAzl] brassen; schrokken. 
gymnasium [dsim'neizjsm] gymnas- 

tiekzaal; [buiten Engeland] gymna- 
sium 0. 
gymnastic [dsim'nsestik] gymnastisch, 

gymnastiek-; ' — s, gymnastiek. 



H 



h [eitj] (de letter) h. 

habit ['habit] gewoonte, aanwensel o; 

(rij)kleed o\ dracht. 
habitation [haebi'teijsn] woning, 

woonplaats. 
habitual [ha'bitjusl] gewoon. 
habitually [hs'bitjuali] gewoonlijk. 
habituate [ha'bitjueit] (ge)wennen. 
habitude ['heebitjuid] gewoonte, heb- 

belijkheid. 
hackle ['hzekl] (vlas)hekel; vt heke- 

len; stukhakken, verminken. 
hackney ['hskni] rij-, huurpaard o; 

huurrijtuig o\ aj huur-; '--'ed: afge- 



had [had] V.T. & V.D. v. have. 
haddock ['haedak] schelvis. 
haft [hasft] heft o, handvat o. 
hag [haeg] heks, toverkol. 



haggard ['hasgad] wild, verwilderd. 
haggle ['haegl] kibbelen, (af)dingen. 
Hague (The) [Sa 'heig] Den Haag. 
hail [heil] hagel; heil!; out oj 

(within) — , niet te (te) beroepen; 

vi hagelen; — jrom, vandaan ko- 

men; vt aanroepen; begroeten. 
hailstorm ['heilstaim] hagelbui. 
hair [h£a] haar o. 
hairbreadth ['heabred9] haarbreed o. 
hairdo ['headu:] kapsel o. 
hairdresser ['headresa] kapper. 
hairpin ['heapin] haarspeld. 
hair-splitting ['heasplitii]] haarklove- 

rij. 
hairy ['heari] harig, behaard; haren. 
hale [heil] fris, gezond, flink. 
half [ha:f] helft; ~ past (jive), 

half (zes); aj half; not — .', en of!; 



half-caste 



116 



hang 



not ^~-' had, nog zo kwaad niet. 

half-caste ['ha:fka:st] halfbloed. 

half-hearted ['ha:f' ha;tid] lauw, half- 
slachtig, weifelend. 

half-pay ['ha;f'pei] non-activiteits- 
traktement o, wachtgeld o. 

halfpenny ['heipsni] halve stuiver. 

half-time ['ha:f' taim] rust; aj voor de 
halve tijd. 

halfway ['ha:f'wei] halverwege, 

halibut E'haelibAt] heilbot. 

hall [hD:l] hal; vestibule; zaal. 

hall-mark ['hDiI'maik] stempel o Scm. 

hallow ['haelou] heiligen, wijden. 

hall-porter ['hD:lp3:t3] portier. 

hall-stand ['hDiIstaend] gangkapstok. 

hallucination [h3l(j)u:si'neij3n] hal- 
lucinatie, zinsbegoocheling. 

halt [h3:lt] halte, stilstand; halt!; 
kreupelheid; vi halt houden, stil- 
staan; mank, kreupel lopen; fig 
weifelen; mank gaan; '~ between 
two opinions, op twee gedachten 
hinken; vt halt laten houden, tot 
staan brengen. 

halter ['hDilts] halster, strop. 

halt sign ['h3:ltsain] stopbord o. 

halve [ha:v] halveren. 

ham [haem] dij; ham. 

hamlet ['hsmlit] gehucht o. 

hammer ['hsma] hamer; throwing the 
•~-, kogelslingeren o; vi hameren. 

hammock ['haemak] hangmat. 

hamper ['hasmpa] pakmand; sluitkorf; 
vt bemoeilijken, belemmeren, ver- 
strikken. 

hamster ['hzemsta] hamster. 

hand [haend] hand; wijzer [v. uur- 
werk]; arbeider, man; be a bad 
{poor) ■ — ■ {not much of a — ) at, 
slecht zijn in, geen bolleboos zijn 
in; he is a new ■ — ', een nieuweling, 
beginner; he is an old —-, hij is 
een oudgediende; — s off!, afblij- 
ven!; — s tip!, handen omiioog!; be 
a t — , bij de hand zijn, in de buurt 
zijn; op handen zijn; from — to 
mouth, van de hand in de tand; be 
o n — , aanwezig zijn, voorradig 



zijn; on all ■ — s, van alle kanten; 
on the other — , van de andere 
kant; — over fist, — over — , 
hand over hand; steeds veldwinnen- 
de; vlug; come t o ~-, in handen 
vallen; zijn bestemming bereiken [v. 
brieven]; no... to ■-~, geen... bij de 
hand; with all -^j (on board), 
met man en muis; vt aan-, over- 
reiken, ter hand stellen, overhandi- 
gen, afgeven; — down, aangeven; 
overleveren; ■ — ■ /' n, inleveren, aan- 
bieden, afgeven; ■ — • out, uitdelen; 
■ — over, in-, afleveren, overhan- 
digen; fig overmaken, -leveren, -dra- 
gen; — ■ r II n d, ronddelen, rond- 
dienen. 

handbag ['hasndbaeg] handtas. 

handbill ['hsendbil] strooibiljet o. 

handcuff ['hsndkAf] handboei; vt 
boeien. 

handicap ['hsendiksep] handicap; fig 
hindernis; nadeel o\ vt handicappen; 
fig in minder gunstige positie bren- 
gen, belemmeren. 

handicraft ['hsendikraift] handwerk o. 

handkerchief ['hcegkatjif] zakdoek. 

handle ['hcendl] handvat o, hengsel o, 
(hand)greep, kruk, zwengel; (deur)- 
knop; vt betasten; hanteren; aan- 
pakken; behandelen; omgaan met; 
bedienen [geschut]. 

handle-bar ['hsndlba:] stuur o [v. 
fiets]. 

hand-made ['hsendmeid] uit (met) de 
hand gemaakt, handwerk-. 

handshake ['hfendjeik] handdruk. 

handsome ['haenssm] mooi, fraai, 
knap, royaal, mild; aardig, flink. 

handwriting ['hsendraitirj] handschrift 

0. 

handy ['hsendi] handig; van pas; bij 
de hand. 

handy-man ['haendim^n] duivelstoe- 
jager, hulp. 

hang [haerj] (op)hangen, behangen; 
laten hangen; — fire, fig niet op- 
schieten; geen opgang maken; ^^ 
;'/.', drommels!; — on, aanhangen. 



hangar 117 



harrow 



vasthangen; volhouden. 

hangar ['h^gga:] (vliegtuig)loods. 

hangdog ['haerjdDg] • — look, gluipe- 
rige blik, boeventronie. 

hanging ['h£er)ii]] ophanging, hangen 
o\ '-~'S, draperie(en); behang(sel) 
o\ aj (af)hangend, hang-; a — af- 
fair {matter), een halsmisdaad. 

hangman ['hasrjman] beuL 

hanker ['hsrjks] (vurig) verlangen, 
hunkeren (naar, for, after). 

hanky-panky ['hierjki'paerjki] hocus- 
pocus. 

hansom (cab) ['hasnsam Ckaeb)] han- 
som [tweewielig huurrijtuig]. 

haphazard [hsp'harzad] bloot toeval 
o\ at {by) — , op goed geluk; aj 
op de bof & ondernomen, (in 't 
wild) gewaagd. 

hapless ['hseplis] ongelukkig. 

happen ['hsepn] (toevallig, vanzelf) 
gebeuren, voorvallen; — on {up- 
on), toevallig ontmoeten; 1 ■ — ed to 
see him, toevallig zag ik hem; as 
it — s, as it — ed, juist. 

happenings ['hspnigz] gebeurtenis- 
sen. 

happiness ['hcepinis] geluk o, blij- 
heid, tevredenheid. 

happy ['haspi] gelukkig, blij, tevreden. 

happy-go-lucky E'haepigou'lAki] zorge- 
loos, lukraak (uitgevoerd). 

harangue [hs'rser]] aanspraak; (hefti- 
ge) toespraak; vt toespreken. 

harass ['haerss] kwellen, teisteren; 
afmatten; bestoken. 

harbour ['haibs] haven; vt herber- 
gen; koesteren [gedachten]. 

hard [ha:d] hard, zwaar, moeilijk; 
hardvochtig, streng; -^ cash, klin- 
kende munt; --^ labour, tuchthuis- 
straf; '--' names, scheldwoorden; — 
of hearing, hardhorig; look — at, 
strak aankijken; ■ — ■ on {upon), 
vlak bij (op); hard (streng) voor; 
■ — ■ u p, slecht bij kas; verlegen (om, 
for). 

harden ['ha:dn] harden, hard (ge- 
voelloos) maken, verharden. 



hardened ['ha:dnd] verstokt. 
hard-hearted ['ha:d'ha:tid] hardvoch- 
tig. 
hardihood ['ha:dihud] onversaagd- 

heid, koenheid; onbeschaamdheid. 
hardly ['ha:dli] nauwelijks, ternau- 

wernood, bijna niet; moeilijk; — 

ever, bijna nooit; — ...when {be- 
fore), nauwelijks... of. 
hardship ['ha:d,fip] moeilijkheid, on- 

gemak o, onbillijkheid; ontbering. 
hardware ['ha:dw83] ijzerwaren. 
hard-wearing ['hatd'wEarir)] sterk, 

niet gauw slijtend. 
hardy ['ha:di] gehard; stout(moedig), 

koen; flink. 
hare [hea] haas. 
hare-brained ['heabreind] onnaden- 

kend. 
haricot ['hasrikou] snijboon. 
hark [ha:k] luisteren; ■— - back, terug- 

gaan, terugkomen (op, to). 
harlequin ['hatlikwin] harlekijn. 
harm [harm] kwaad o, schade; na- 

deel o, letsel o; be out of -^'j way, 

geborgen zijn; vt kwaad doen, scha- 

den, benadelen. 
harmful ['harmful] nadelig, schade- 

lijk. 
harmless ['haimlis] onschadelijk; ar- 

geloos, onschuldig. 
harmonic [ha:'mDnik] harmonisch. 
harmonious [ha:'mounJ9s] harmoni- 

erend, overeenstemmend, wellui- 

dend; eendrachtig. 
harmonize ['haimanaiz] harmonieren, 

overeenstemmen; in overeenstem- 

ming brengen. 
harmony ['haimani] harmonic, over- 

eenstemming, eensgezindheid. 
harness ['ha:nis] harnas o; (paarde)- 

tuig o; gareel o; vt harnassen; (op)- 

tuigen, aanspannen; fig aanwenden, 

gebruiken (voor, to). 
harp [ha:p] harp; vi op de harp spe- 

len; -^^ on the same string, er tel- 

kens op terugkomen. 
harpoon [ha:'pu:n] harpoen. 
harrow ['hjerou] eg(ge); vt eggen; 



harry 118 

pijnigen, folteren. 
harry ['hasri] vervolgen, kwellen, 

teisteren, plunderen, afstropen. 
harsh [ha:J] hard, scherp, grof, ruw, 

wrang, stroef; streng. 
hart [ha:t] hert o. 
harvest ['ha:vist] oogst; vt (in)- 

oogsten, in-, opzamelen. 
harvester ['haivista] oogster. 
has [haez] 3de pers. enk. v. have. 
hash [haej] hachee m & o\ fig men- 

gelmoes o Sc v, (rommel)zootje o; 

vt '~- {up), (fijn) hakken. 
haste [heist] haast, spoed; more — 

less speed, haastige spoed is zelden 



head-gear 



hasten ['heisn] zich haasten (spoe- 
den); verhaasten, bespoedigen. 

hasty C'heisti] haastig; gehaast, over- 
ijld; driftig. 

hat [hst] hoed. 

hatch [haetj] broedsel o\ luik o\ vt 
uitbroeden; arceren. 

hatchet ['hastjitj bijl. 

hate [heit] haten, het land (een he- 
kel) hebben aan. 

hateful ['heitful] hatelijk; gehaat; 
akelig. 

hat-rack ['hstrEk] kapstok. 

hatred ['heitrid] haat. 

haugthy ['h3;ti] hoogmoedig, hoog- 
hartig, trots; uit de hoogte. 

haul [h3:l] trek, haal; vangst; Vifinst; 
buit; vt trekken, slepen; vervoeren; 
halen. 

haunch [hD:n(t)J] heup [v. dier], 
lendestuk o\ bout; dij. 

haunt [hD:nt] verblijfplaats, verzamel- 
plaats [v. dieren]; schuilplaats, le- 
ger o\ vt bezoeken, (rond)waren in, 
om, bij; (steeds) vervolgen, kwellen 
[gedachten]; • — ed house, spookhuis 
o. 

have [haev] hebben; beetnemen; laten; 
/ will — a suit made, laten ma- 
ken; what will you ^^ me do?, dat 
ik doen zal?; let him — it, hem 
er van langs geven; there you ■ — - 
7ne, daar kan ik gecn antwoord op 



geven. 

haven ['heivn] haven; toevluchtsoord 
o, 

havoc E'haevsk] verwoesting; make ■ — ■ 
oj, vreselijk huishouden met; ver- 
woesten. 

hawk [hD:k] havik; vt (rond)venten 
(ook: — about'); jig uitstrooien, 
verspreiden. 

hawker ['h3:ka] venter, marskramer. 

hawthorn ['h3:6D:n] hagedoorn. 

hay [hei] hooi o; make — , hooien, 
make — while the sun shines, het 
ijzcr smeden als het heet is. 

hayrick ['heirik], haystack ['heistiek] 
hooiberg. 

hazard ['haezsd] toeval o\ risico o, ge- 
vaar o; kans; vt wagen. 

hazardous ['hcezsdss] gewaagd. 

haze [heiz] damp, nevel, waas o. 

hazel ['heizl] hazelaar; als a] licht- 
bruin; — -nut, hazelnoot. 

hazy E'heizi] dampig, wazig, nevelig; 
jig beneveld; vaag. 

he [hi:] hij. 

head [hed] (opper)hoofd o; kop; 
kruin, top, spits; gewei o; hoofd- 
einde o\ stuk o, stuks [vee]; ■ — ■ 
over heels, hals over kop; I can 
make neither ^^ nor tail oj it, ik 
kan er geen touw aan vastknopen; 
keep your — , houd u kalm, verlies 
't hoofd niet; it has turned his ■ — ^, 
't heeft hem het hoofd op hoi ge- 
bracht; — j o r e 7n o s t, voorover; 
o j j his — , niet wel bij 't hoofd, 
gek; n that ■ — , op dat punt, te 
dien aanzien; bring the afjair t o 
this — , tot dit resultaat; het zo ver 
laten komen; vt aan het hoofd staan 
van; aanvoeren; toppen [bomen]; 
koppen [voetbal]; an article '-^ed 
..., met het opschrift...; — jor 
{towards), aansturen op, gaan naar; 
• — ■ o j j, opvangen, de pas afsnijden. 

headache ['hedeik] hoofdpijn. 

head-dress ['heddres] kapsel o\ hoofd- 
tooi. 

head-gear ['hedgia] hoofddeksel o. 



heading 



119 



hedge 



heading ['hedir)] hoofd o, titel, op- 

schrift o\ rubriek. 
headland ['hedbnd] voorgebergte o. 
head-light ['hedlait] koplicht o. 
head-line ['hedlain] kop [als op- 

schrift]. 
headlong ['hedbrj] met het hoofd 

vooruit, hals over kop; dol, blin- 

delings; onstuimig, roekeloos. 
head-master ['hed'maista] hoofd o 

van school; directeur; rector. 
headphone (s) ['hedfoun(z)] kop- 

telefoon. 
headquarters ['hed'kw3:t32] hoofd- 

kwartier o\ hoofdkantoor o. 
headstrong ['hedstrsr)] koppig, eigen- 

zinnig. 
headway ['hedwei] vaart, gang; make 

■ — ■, opschieten, vooruitkomen; zich 

uitbreiden. 
head wind ['hedwind] tegenwind. 
heady ['hedi] koppig; onbesuisd. 
heal [hi;l] helen, genezen. 
health [helO] gezondheid, welzijn o\ 

in {good) — , gezond. 
healthful ['helOful] gezond. 
healthiness ['heI9inis] gezondheid. 
healthy ['helOi] gezond. 
heap [hi:p] hoop, stapel; vt ophopen; 

'—'... upon, ■ — ' with..., overladen 

met... 
hear [hia] horen, luisteren (naar); 

verhoren, overhoren; vernemen. 
heard [hsid] V.T. & V.D. v. hear. 
hearer ['hiara] (toe)hoorder. 
hearing ['hiarir)] gehoor o\ verhoor o. 
hearsay C'hiasei] by {from, on) — , 

van lioren zeggen. 
hearse [hais] lijkwagen. 
heart [ha:t] hart o\ kern, binnenste 

o; -—s, harten [in 't kaartspel]; 

lose — , de moed verliezen; take '~ 

{of grace), moed vatten; at ■-^, in 

zijn hart; in de grond (van zijn 

hart); get {know, learn) by — , 

van buiten; lay t o ^~-', iets ter har- 

te nemen; zich iets aantrekken; take 

it {heavily) to — , zich iets (erg) 

aantrekken. 



heartache ['haiteik] hartzeer o, harte- 

leed o. 
heart-breaking ['hattbreikir)] hartver- 

scheurend. 
hearten ['ha:tn] bemoedigen. 
heart failure ['haitfeilja] hartverlam- 

ming. 
heartfelt ['ha:tfelt] diepgevoeld, op- 

recht, innig. 
hearth [ha: 6] haard, haardstede. 
hearth-rug ['ha:6rAg] haardkleedje o. 
heartily ['ha:tili] hartelijk, van harte; 

hartgrondig; hartig; flink. 
heartiness ['ha:tinis] hartelijkheid; 

animo. 
heart-rending ['ha:trendir)] hartver- 

scheurend. 
hearty ['ha:ti] hartelijk; hartig; flink; 

hartgrondig. 
heat [hi:t] hitte, warmte, gloed, vuur 

o; manche [in wedstrijd]; vt heet 

(warm) maken, verwarmen, verhit- 

ten; opwinden. 
heath [hi:9] heide. 
heathen ['hiiSan] heiden; aj heidens. 
heathenish ['hiiSaniJ] heidens. 
heathenism ['hiiSanizm] heidendom o. 
heather ['heSa] heidekruid o. 
heat-wave ['hi:tweiv] hittegolf. 
heave [hi:v] vt opheffen, (op)tillen, 

ophalen; doen zwellen; ^^ a sigh, 

een zucht slaken; vi rijzen, zich ver- 

heffen, deinen; zwoegen [v. borst]; 

(op) zwellen; kokhalzen. 
heaven ['hevn] hemel; by — s!, good 

^^-■s!, goeie hemel!; for — 's sake, 

om 's hemelswil. 
heavenly ['hevnli] hemels; hemel-; 

„zalig" (lekker &). 
heavy ['hevi] zwaar, zwaarmoedig; 

loom; hevig; druk [verkeer]; — 

type, vette letter; — with, zwanger 

van, bezwangerd met [geuren &]. 
Hebrew ['hiibru:] het Hebreeuws; 

Hebreeer; aj Hebreeuws. 
hectic ['hektik] teringachtig, tering-; 

fig koortsachtig, jachtig, opwindend, 

dol. 
hedge [hed3] heg, haag; vt omheinen, 



hedgehog 



1 20 hereby 



in-, afsluiten; vi zich gedekt houden, 
een slag om de arm houden. 

hedgehog ['hedshog] egel. 

hedgerow ['hed3rou] haag. 

heed [hi:d] opmerkzaamheid, oplet- 
tendheid; pay (no) '—■ to, (niet) 
letten op, zich (niet) bekreunen 
om; take ■^, oppassen, zich in acht 
nemen; vt acht geven (slaan) op, 
letten op. 

heedful ['hi:dful] oplettend; behoed- 
zaam; be — of, letten op. 

heedless ['hi:dlis] onachtzaam, zorge- 
loos; — of, niet lettend op. 

heel [hi:I] hiel, hak; show one's — s 
{a clean pair of -^-J), take to one's 
-~j, het hazepad kiezen; be at the 
— s of, op de hielen zitten; bring to 
-~, doen gehoorzamen, klein krij- 
gen. 

he-goat ['hi:gout] bok. 

heifer ['hefs] vaars. 

height [hait] hoogte, toppunt o\ 
hoogste graad; lengte. 

heighten ['haitn] verhogen. 

heinous ['heinss] snood, gruwelijk. 

heir [es] erfgenaam. 

heiress ['earis] erfgename. 

heirless ['ealis] zonder erfgenaam. 

heirloom ['ealuim] erfstuk o. 

held [held] V.T. & V.D. v. hold. 

helicopter ['helikopta] hefschroef- 
vlicgtuig o. 

hell [hel] hel; the ■ — ■ of a row 
{noise), een hels kabaal o. 

hellish ['helij] hels. 

helm [helm] helmstok, roer o. 

helmet ['helmit] helm. 

helmsman ['helmzman] roerganger. 

help [help] hulp; there is no — for 
it, er is niets aan te doen; be of 
-~, helpen; vt helpen; / could not 
■ — ■ laughing, ik kon niet nalaten te 
lachen, moest wel lachen; // can't 
be "^ed, er is niets aan te doen; 
— one to the gravy, de jus aan- 
geven, bedienen van. 

helpful ['helpful] behulpzaam, hulp- 
vaardig; bevorderlijk; nuttig, bruik- 



baar. 
helping ['helpirj] portie [eten]. 
helpless ['helplis] hulpeloos; onbe- 

holpen. 
helter-skelter ['helt3'skelt3] holderde- 

bolder, overhaast. 
helve [helv] steel [v. bijl]. 
hem [hem] zoom; vt (om)zomen, 

omringen. 
hemisphere ['hemisfis] halfrond o, 

halve bol. 
hemlock ['hembk] dollekervel. 
hemp [hemp] hennep. 
hempen ['hempsn] hennepen. 
hen [hen] hoen o, hen, kip; wijfje o 

[v. vogels]. 
hence [hens] van nu af, van hier; 

hieruit, vandaar; daarom; a week 

— , over een week. 
henceforth ['hens'fDiO], — forward 

[-'fDiwad] van nu af, voortaan. 
henchman ['hen(t)Jm3n] bediende, 

volgeling, trawant, handlanger. 
hen-house ['henhaus] hoenderhok o. 
henpecked ['henpekt] onder de pan- 

toffel zittend. 
her [ha:] haar. 
herald ['herald] heraut; fig voorlo- 

per, (voor)bode; vt aankondigen, 

inluiden (ook; - — ' in). 
heraldry ['hersldri] wapenkunde. 
herb [hsib] kruid o. 
herd [h3:d] kudde; troep; herder, hoe- 

der; vi -—^ together, bijeenkruipen, 

samenscholen; vt bijeendrijven; hoe- 
den. 
herdsman ['hsidzman] veehoeder. 
here [his] hier, alhier; it's neither — ■ 

nor there, het heeft er niets mee te 

maken; het doet er niet toe; dat 

raakt kant noch wal; ^~-' s to you!, 

(op je) gezondheid!; — you are, 

alstublieft; — goes, vooruit!, daar 

gaat ie! 
hereabout(s) ['hisrabautfs)] hierom- 

trent, hier in de buurt. 
hereafter [hia'raifta] hierna; the — , 

het hiernamaals. 
hereby ['hia'bai] hierbij; hierdoor. 



hereditary 121 

hereditary [hi'reditari] (over)erfelijk, 

overgeerfd, erf-. 
heredity [hi'rediti] erfelijkheid; over- 

erving. 
herein ['hia'rin] hierin. 
hereof L'hia'rDv] hiervan. 
heresy ['herisi] ketterij. 
heretic ['heritik] ketter. 
heretical [hi'retikl] ketters. 
hereto ['hia'tu:] hiertoe. 
hereupon ['hiara'pon] hierop. 
herewith ['hia'wiS] hiermede; hierbij. 
heritage ['heritidsl erfdeel o, erfenis. 
hermetic(al) [ha;'metik(l)] herme- 

tisch, luchtdicht. 
hermit ['hsimit] kluizenaar. 
hernia ['hstnis] breuk. 
hero ['hisrou] held. 
heroic [hi'rouik] heldhaftig; helden-. 
heroine ['herouin] heldin. 
heroism ['herouizm] heldhaftigheid, 

heldenmoed. 
heron ['heran] reiger. 
herring ['herirj] haring; red — , ge- 

rookte bokking. 
hers [haiz] de, het hare, van haar. 
herself [ha/self] zij-, haarzelf, zich 

zelve, zich; by ■ — ■, alleen. 
hesitate ['heziteit] aarzelen; naar zijn 

woorden zoeken, haperen. 
hesitation [hezi'teijan] aarzeling, 

weifeling; hapering. 
heterogeneous [hetara'dsiinias] hete- 

rogeen, ongelijksoortig. 
hew [hju:] (be-, uit)houwen, hakken. 
hewn [hju:n] V.D. v. hew. 
heyday ['heidei] bloeitijd, hoogte- 

punt o. 
hiatus [hai'eitas] gaping, leemte. 
hibernate ['haibaineit] overwinteren. 
hiccough, hiccup ['hikAp] hik; vi 

hikken. 
hid [hid] V.T. & V.D. V. hide. 
hidden ['hidn] V.D. v. hide. 
hide [haid] huid, vel o\ vt verber- 

gen, verstoppen (voor, jrom)\ vi 

zich verbergen. 
hide-and-seek ['haidan'si:k] verstop- 

pertje o. 



hidebound ['haidbaund] jig bekrom- 
pen. 

hideous ['hidias] afschuwelijk, afzich- 
teHjk. 

hiding ['haidirj] rammeling; verber- 
gen o\ schuilplaats; be in '-~, zich 
schuilhouden; go into ■ — ■, zich ver- 
bergen, onderduiken. 

hiding-place ['haidirjpleis] schuil- 
plaats. 

higgledy-piggledy ['higldi'pigldi] op 
en door elkaar, overhoop. 

high [hai] hoog, verheven; sterk; — 
noon, voile middag; the ■ — ' road, 
de grote weg; — school, middel- 
bare school; a ■ — ■ sea, een zware 
zee; the ■ — ■ seas, de voile (open) 
zee; ■ — ■ and low, overal. 

highfalutin(g) ['haifa'lu;tin(r))], 
high-flown ['haifloun] hoogdra- 
vend. 

high-handed ['hai'haendid] eigen- 
machtig, laatdunkend. 

highland ['hailandj bovenland o, 
hoogland o. 

Highlander ['hailanda] Hooglander. 

high life ['hai'laif] de grote wereld. 

high light ['hai'lait]' glanspunt o. 

highly ['haili] hoog; hoogst, zeer. 

high-minded ['hai'maindid] edel, 
grootmoedig. 

highness ['hainis] hoogheid, hoogte. 

high priest ['hai'pri:st] hogepriester. 

high-spirited ['hai'spiritid] vurig, 
fier, hooghartig, stoutmoedig. 

highway ['haiweij grote weg. ' 

highwayman ['haiweiman] struik- 
rover. 

hike [haik] voetreis. wandeltocht; vi 
trekken. 

hiker ['haika] trekker. 

hilarious [hi'lSarias] vrolijk. 

hilarity [hi'lsriti] vrolijkheid. 

hill [hil] berg, heuvel, hoop. 

hill-side [hil'said] heuvelhelling. 

hilly ['hili] bergachtig, heuvelachtig. 

hilt [iiilt] gevest o, hecht o, heft o; 
up to the — , geheel en al. 

him [him] hem. 



himself 



122 



hold 



himself [him'self] hij-, hemzelf, zich- 

(zelf); by ^-, alleen. 
hind [haind] hinde; boer; aj achter- 

st(e), achter-. 
hinder ['hainda] achter (ste); ['hinda] 

vt hinderen; verhinderen, beletten. 
hind(er)most ['haind(3)moust] ach- 

terste. 
hindrance ['hindrans] hindernis; be- 

letsel o. 
Hindu ['hin'du:] Hindoe. 
hinge [hin(d)3] hengsel o, scharnier 

o\ fig spil; vi draaien, rusten (om, 

op, on, upon). 
hinny ['hini] muilezel. 
hint [hint] wenk; zinspeling; zweem, 

spoor o; take the ~^, de wenk be- 

grijpen of opvolgen; vt aanduiden, 

te kennen geven, laten doorscheme- 

ren; [een idee] opperen; — at, zin- 

spelen op. 
hinterland ['hintalzend] achterland o. 
hip [hip] heup. 
hippopotamus [hipa'potamss] nijl- 

paard o. 
hire ['haia] huur, loon a; vt huren; 

— {out), verhuren. 
hireling ['haialif]] huurling. 
hire-purchase ['haia'paitjis] huur- 

koop, afbetalingsstelsel o. 
hirer ['haiara] huurder. 
his [hiz] zijn; van hem; he and — , 

hij en de zijnen. 
hiss [his] gesis o, gefluit o\ vi sissen; 

(uit)fluiten; — down, uitfluiten. 
historian [his'toirian] geschiedkundi- 

ge. 
historic(al) [his'tDrik(l)] geschied- 

kundig, historisch. 
history ['histari] geschiedenis; ver- 

haal o. 
hit [hit] stoot, slag; tref; treffer; steek 

(onder water), fijne zet; succes- 

(stuk) o; direct — , voltreffer; vt 

slaan, raken, treffen, stoten; raden; 

/'/ — my fancy, viel net in raijn 

smaak; — or miss, lukraak; — 

(up) on, toevallig aantreffen, vin- 

den; komen op [de gedachte]; V.T. 



& V.D. V. hit. 

hitch [hitj] ruk; kink (in de kabel) ; 
hapering, beletsel o; vi blijven ha- 
ken (steken); vt vastmaken, vast- 
haken. 

hitch-hike ['hitjhaik] liften. 

hitch-hiker ['hitjhaika] lifter, -ster. 

hither ['hiSa] hierheen, hier; '~ and 
thither, heen en weer. 

hitherto ['hiSa'tu:] tot hier(toe), tot 
nog toe, tot dusver. 

hive [haiv] bijenkorf, (bijen)zwerm. 

hoard [h3:d] hoop, voorraad, schat; 
vt vergaren, (op)sparen; hamsteren. 

hoarding ['haidir)] houten schutting. 

hoar-frost ['hD/frast] rijp, rijm. 

hoarse [ha:s] bees, schor. 

hoary ['ha:ri] grijs, wit. 

hoax [houks] fopperij; grap; vt fop- 
pen, voor de gek houden. 

hobble ['habl] strompelen, hinken. 

hobbledehoy ['habldi'hai] slungel. 

hobby ['hsbi] stokpaardje o; liefheb- 
berij. 

hobby-horse ['habi'hais] hobbelpaard 
o. stokpaardje o. 

hock [hak] rijnwijn. 

hockey ['haki] hockey(spel) o. 

hod [had] kalkbak; stenenbak. 

hodge-podge ['hadspadj] hutspot, 
mengelmoes o Si v. 

hodman ['hadman] opperman. 

hoe [hou] schoffel; vt schoffelen. 

hog [hag] varken o. 

hogshead ['hagzhed] okshoofd o 
(238,5 1). 

hoist [haist] (op)hijsen; (op)lichten. 

hold [hould] houvast o, vat, greep; 
steunpunt o\ (scheeps)ruim o; catch 
{get, lay, seize, take) -~ of, grij- 
pen, pakken, te pakken krijgen; keep 
— of, vasthouden; vt houden, te- 
rug-, vast-, weerhouden; inhouden, 
bevatten; achten, van oordeel zijn; 
crop nahouden, huldigen [theorie]; 
boeien [lezers]; bekleden, innemen 
[plaats]; hebben, bezitten; vi aan- 
houden, (blijven) duren; doorgaan; 
gelden, van kracht zijn; bet uit-, 



hole 



123 



hook 



volhouden; ■ — by, vasthouden aan; 
— forth, betogen; oreren; 
good, gelden, van kracht zijn; door- 
gaan. 

hole [houl] gat o, ho! o, kuil. 

holiday ['hDlidi] feestdag, vakantie- 
dag; the — s, de vakantie. 

holiness ['houlinis] heiligheid. 

Holland ['habnd] Holland o, Neder- 
land o. 

hollow ['HdIou] holte; aj hoi; vt 
uithollen. 

holly ['HdH] hulst. 

hollyhock ['lulihDk] stokroos. 

holster ['houlsta] holster. 

holy ['houli] heilig, gewijd. 

Holy Saturday ['houli'saetadi] Paas- 
zaterdag. 

Holy Thursday ['houli'63:zdi] He- 
melvaartsdag. 

holy water ['houIi'wDita] wijwater o. 

Holy Week ['houH'wi:k] Goede 
Week. 

homage ['hDmidsl hulde, huldiging; 
do {pay) ■ — ■ to, hulde bewijzen, 
huldigen. 

home [houm] huis o, t(e)huis o; 
woonstede; (vader)Iand o\ — is 
■ — ■ be it ever so homely, eigen haard 
is goud waard; at ~-, t(e)huis; in 
't (vader)land, hier (te lande); 
make yourself at ~', doe alsof je 
thuis bent; a] huiselijk, huis-; in-, 
binnenlands; raak, gevoelig; ~' de- 
partment {Home Office), Ministe- 
rie o van Binnenlandse Zaken; bring 
-- to..., aan het verstand brengen, 
doen beseffen; drive ■ — ■, in-, vast- 
slaan; fig kracht bijzetten; go '~-, 
naar huis gaan; fig raak zijn; see 
— , thuisbrengen. 

home-bred ['houm'bred] inlands; fig 

huisbakken; eenvoudig. 
homely ['houmli] huiselijk; eenvou- 
dig, alledaags, gewoon, lelijk. 
home-made ['houm'meid] eigenge- 

maakt; van inlands fabrikaat. 
homesick ['houmsik] het heimwee 
hebbend, 



homesickness ['houmsiknis] heimwee 

o. 
homespun ['houmspAn] eigengespon- 

nen; fig huisbakken; eenvoudig. 
homestead ['houmsted] hofstede. 
home truth ['houmtru;9] harde waar- 

heid. 
homeward ['houmwad] huiswaarts; 

— boi/nd, op de thuisreis. 
homily ['hsmili] leerrede, (zeden)- 

preek. 
homogeneous [hDma'dsimias] homo- 

geen, gelijksoortig. 
hone [houn] wetsteen; vt aanzetten. 
honest ['onist] eerlijk, rechtschapen, 

onvervalst; braaf, eerbaar. 
honesty ['^nisti] eerlijkheid, recht- 

schapenheid, braafheid, eerbaarheid; 

— is the best policy, eerlijk duurt 
het langst. 

honey ['hAni] honi(n)g; {my) — , 

snoes, schat. 
honeycomb ['hAnikoum] honi(n)g- 

raat. 
honeymoon ['hAnimu:n] wittebroods- 

weken, huwelijksreis. 
honeysuckle ['hAnisAkl] kamperfoelie. 
honk [horjk] toeteren [met hoorn]. 
honorary ['anarsri] ere-, 
honour ['ons] eer, eerbewijs o\ eer- 

gevoel o\ erewoord o; Your Honour! , 

Edelachtbare [rechter]; pay due — 

to a bill, een wissel honoreren; / n 

--^ of, ter ere van; upon my 

{word and) — , op mijn erewoord; 

vt eren, vereren; honoreren [wissel]. 
honourable ['snarabl] eervol; acht- 

baar, eerzaam, eerwaardig. 
honourably ['Dnarsbli] eervol, met 

ere. 
hood [hud] kap. 
hoodwink ['hudwii]k] blinddoeken, 

misleiden, om de tuin leiden. 
hoof [hu:f] hoef. 
hook [huk] haak, vishaak, angel; sik- 

kel, snoeimes o\ duim, kram; bocht; 

by — or by crook, op de een of 

andere manier; eerlijk of oneerlijk; 

n his own ■-~, op eigen houtje 



hooked 



124 



hound 



(risico); vt aan-, dichthaken; aan de 

haak slaan; naar zich toe halen; vi 

(blijven) haken. 
hooked [hukt] krom. 
hooligan ['huiligan] straatschender. 
hoop [hu:p] hoepel. 
hooping-cough ['huipirjkof] kink- 

hoest. 
hoot [hu:t] (uit)jouwen; schreeuwen 

[v. uil]; toeten, toeteren; — after 

(at), na-, uitjouwen. 
hooter ['huita] sirene, toeter. 
hop [hap] hop [plant]; sprongetje o; 

dansje o, danspartij; w huppelen, 

hinken, springen, dansen; ^^ //, 

'em smeren, ophoepelen. 
hope [houp] hoop, verwachting; vi 

hopen (op, for), verwachten. 
hopeful ['houpful] hoopvol; veelbe- 

lovend. 
hopeless ['houplis] hopeloos. 
hop-o'-my-thumb ['hopsmiOAm] 

kleinduimpje o, peuter. 
hopscotch ['hDpsivDtJ"] hinkelspel o. 
horde [had] horde. 
horizon [ha'raizn] horizon. 
horizontal [hDii'zDntl] horizontaal. 
horn [h3:n] hoorn, horen o [stof- 

naam], hoorn, horen m [voorwerps- 

naam]; voelhoorn; aj hoornen. 
horned [hD:nd] gehoornd, hoorn-; 

hoornvormig. 
hornet ['hD:nit] horzel. 
horny ['hatni] hoornachtig; eeltig. 
horrible ['hDribl] afschuwelijk, afgrij- 

selijk, akelig, gruwelijk. 
horrid ['harid] afschuwelijk. 
horrify ['hDrifai] met afschuw ver- 

vullen; — ing, afschuwelijk. 
horror ['bars] huivering, rilling; 

(af)schrik, afschuw; gruwel, ver- 

schrikking. 
horse [hD:s] paard o; cavalerie; 

schraag, rek o, bok; white — s, 

witgekuifde golven. 
horseback ['hsisbask] on ■-~^, te paard. 
horse-chestnut ['h3:stJ'esnAt] wilde 

kastanje. 
horse-cloth ['hD:skb9] paardedek o. 



horsehair ['hDishsa] paardehaar <?; aj 

paardeharen. 
horseman ['hDisman] ruiter. 
horsemanship ['hDismanJip] rijkunst. 
horse-power ['haispaua] paardekracht. 
horse-shoe ['HdisJu:] hoefijzer o. 
horse-show ['hDisJou] paardenten- 

toonstelling; concours hippique o & 

m. 
horsewhip ['hD:swip] rijzweep. 
horsewoman ['hoiswuman] paard- 

rijdster. 
horticultural [hDiti'kAltJsral] tuin- 

bouwkundig, tuinbouw-. 
horticulture ['hDitikAltJa] tuinbouw. 
hose [houz] slang [v. brandspuit]. 
hosier ['hou33] winkelier in gebreid 

of geweven ondergoed. 
hosiery ['houssri] gebreid of gewe- 
ven ondergoed o, kousen. 
hospitable ['haspitsbl] herbergzaam, 

gastvrij. 
hospital ['hDspital] ziekenhuis o, 

hospitaal o. 
hospitality [hDspi'tasliti] herberg- 

zaamheid, gastvrijheid. 
host [houst] heer o, leger o, schaar, 

menigte; gastheer; waard, herber- 

gier; hostie. 
hostage ['hostidsl gijzelaar. 
hostel ['hDstal] hospitium o; kosthuis 

o\ (jeugd)herberg. 
hostess ['houstis] gastvrouw; waar- 

din. 
hostile ['hDstail] vijandelijk; vijandig. 
hostility [has'tiliti] vijandelijkheid; 

vijandigheid. 
hot [hst] heet, warm; vurig, hevig; 

heftig; be — on, gebrand zijn op; 

in -~ haste, in vliegende vaart. 
hot-bed ['hDtbed] broeibak; broeinest 

o. 
hotchpot (ch) ['hDtJpDtCJ)] hutspot, 

mengelmoes o & v. 
hotel [hou'tel] hotel o. 
hothead ['hathed] heethoofd, driftkop. 
hothouse ['hathaus] broeikas. 
hound [haund] jachthond, bond; vt 

achtervolgen, vervolgen. 



hour 



125 



hundredweight 



-s, de 



hour [aua] uur o\ the small 

uren na middernacht. 
hour-glass ['au3gla:s] 2andloper. 
hour-hand ['auahsend] uurwijzer. 
house [haus] huis o\ (schouwburg)- 

zaal; woning; [hauz] vt onder dak 

brengen; huisvesten; stallen. 
house-boat ['hausbout] woonschip o. 
housebreaker ['hausbreika] inbreker; 

sloper. 
household ['haushould] (huis)gezin 

o, huishouden o\ a] huishoudelijk, 

huiselijk; huis-; ■~' word, bekend 

gezegde o, begrip o. 
housekeeper ['hauski: pa] huishoudster. 
housekeeping ['hauski:pir|] huishou- 

ding. 
housemaid ['hausmeid] werkmeid. 
housewife ['hauswaif] huisvrouw; 

-moeder; ['hAzif] naainecessaire. 
hove [houv] V.T. & V.D. v. heave. 
hovel ['hDvl] hut, stulp; krot o, kot o. 
hover ['hava] fladderen, zweven, (blij- 

ven) hangen; weifelen. 
how [hau] hoe; -^ about...?, hoe 

staat het met... ? 
however [hau'evs] niettemin; echter, 

evenwel, maar; hoe... ook. 
howitzer ['hauitsa] houwitser. 
howl [haul] gehuil o, gejank o\ vi 

huilen, janken. 
howler ['haula] flater. 
h.p. = horse-power, paardekracht, 

p.k. 
hub [hAb] naaf; jig middelpunt o. 
hubbub E'hAbAb] geraas o, rumoer o. 
huckster ['hAksta] venter, kramer. 
huddle E'hAdl] (verwarde) hoop; war- 

boel; vt op een hoop of door elkaar 

smijten. 
hue [hju:] kleur; tint, schakering. 
hued [hju:d] getint. 
hug [hAg] omhelzing; vt omhelzen, 

knuffelen; koesteren. 
huge [hju:d3] ^^^^ gtoot, kolossaal. 
hulk [hAlk] oud, onttakeld schip o. 
hulking ['hAJkii)] log, lomp, plomp. 
hull [hAl] schil, dop; (om)hulsel o; 

romp [v. schip]. 



hum [hAm] gegons o, gezoem o, ge- 

snor o, gebrom o, geneurie o\ vi 

gonzen, zoemen, snorren, neurien. 
human ['hju:man] menselijk, mensen-. 
humane [hju'mein] menslievend, hu- 

maan; — society, redding(s)maat- 

schappij. 
humanity [hju'mzeniti] mensheid; 

menselijkheid. 
humanize ['hju:manaiz] heschaven. 
humanly ['hju:manli] menselijk; — 

speaking, menselijkerwijs gespro- 

ken. 
humble L'hAmbl] deemoedig, nederig; 

bescheiden; onderdanig; vt vernede- 

ren. 
humbug ['hAmbAg] kale bluf, larie; 

bluffer; vt bedotten. 
humid ['hju:mid] vochtig. 
humidity [hju'miditi] vochtigheid. 
humiliate [hju'milieit] vernederen. 
humiliation [hjumili'eijan] vernede- 

ring. 
humility [hju'militi] nederigheid, 

ootmoed. 
humming-bird ['hAmir)ba:d] kolibrie 
humming-top E'hAmirjtDp] bromtol. 
humorist ['hju:marist] humorist. 
humorous ['hju:maras] luimig, grap 

humour ['hju:ma] (lichaams)vocht o\ 

humeur a, stemming, luim; humor; 

out of — , in een kwade luim; vt 

zijn zin geven, believen, toegeven 

(aan). 
hump [hAmp] bult, bochel; give 

{have) the -~-, het land opjagen 

(hebben). 
humpback E'hAmpbsk] bochel; ge- 

bochelde. 
humpbacked E'hAmpbjekt] gebocheld. 
hunch [hAn(t)J'] bochel; homp; vt 

krommen, optrekken. 
hunchback(ed) ['hAn(t)Jbask(t)] zie 

humpback{ed). 
hundred E'hAndrad] honderd. 
hundredth ['hAndrad9] honderdste 

(deel o). 
hundredweight ['hAodradweit] cente- 



hung 



126 



ice-bound 



naar (= 112 Eng. ponden = ± 

50 kilo). 
hung [Hai]] V.T. en V.D. v. hang. 
Hungarian [hArj'gearian] Hongaar(s). 
Hungary ['liArjgsri] Hongarije o. 
hunger ['hArjga] honger; hunkering; 

t'i hongeren, hunkeren (naar, after, 

for). 
hungry ['hAfjgri] hongerig; hunkerend; 

be — , honger hebben. 
hunt [hAnt] jacht; vi jagen; fig 

snuffelen, zoeken; — after (for), 

najagen, jacht maken op. 
hunter ['hiAnts] jager; jachtpaard o. 
hunting ['hAntirj] jacht, jagen o. 
huntress ['hAntris] jageres. 
huntsman ['hAntsman] jager; pikeur. 
hurdle [h3:dl] (tenen) horde. 
hurdy-gurdy ['haidigaidi] draaiorgel- 

tje o. 
hurl [h3:l] slingeren, werpen. 
hurrah [hu'ra:] hoera! 
hurricane ['hAriksn] orkaan. 
hurried ['hArid] haastig, gehaast. 
hurry ['hAri] haast, haastige spoed; be 

in a ■ — •, haast hebben; zich haasten; 

vi zich haasten; — up, haast ma- 
ken, voortmaken; vt haasten; ver- 

haasten; overhaasten. 
hurt [hstt] letsel o, wonde; slag; na- 

deel o, schade; vt pijn doen; won- 

den; kwetsen, beledigen; schaden; 

V.T. & V.D. V. him. 
hurtful ['h9:tful] schadelijk, nadelig. 
husband ['hAzband] echtgenoot, man. 
husbandry ['hAzbsndri] landbouw; 

teelt; huishoudkunde, zuinig beheer 

o. 
hush [hAj] zwijgen o, (diepe) stilte; 

vt tot zwijgen brengen, sussen; — .', 



stil!, st!; — up, in de doofpot stop- 
pen. 
husk [hAsk] schil, bolster, kaf o; 

(om)hulsel o\ vt schillen, pellen. 
husky ['hAski] schor, hees. 
hussar [hu'za:] huzaar. 
hussy ['hAzi] ondeugd, feeks. 
hustle E'hAsl] gejacht o, geduw o, 

gedrang o; vt dringen, (■weg)du- 

wen; voortjagen, jachten. 
hut [hAt] hut, keet; barak. 
hutch [hAtj] kist; trog; hok o. 
hutment ['hAtmant] barak(ken). 
hyacinth ['haiasinOJ hyacint. 
hydraulic [hai'dr3:lik] hydraulisch. 
hydrochloric [haidrs'kbirik] — acid, 

zoutzuur o. 
hydrogen ['haidridssn] waterstof. 
hydrophobia [haidrs'foubia] water- 

vrees, hondsdolheid. 
hydroplane ['haidrsplein] watervlieg- 

tuig o. 
hyena [hai'iins] hyena. 
hygiene ['haid3i:n] gezondheidsleer. 
hygienic [hai'dsiinik] hygienisch. 
hymn [him] lofzang, gezang o. 
hyphen ['haifsn] koppelteken o. 
hypnosis [hip'nousis] hypnose. 
hypnotic [hip'nDtik] hypnotisch. 
hypnotist ['hipnstist] hypnotiseur. 
hypnotize ['hipnstaiz] hypnotiseren. 
hypochondria [haipa'kDndria] zwaar- 

moedigheid. 
hypochondriac [haips'kDodriaek] 

zwaarmoedig demand). 
hypocrisy [hi'pakrisi] huichelarij. 
hypocrite ['hipskrit] huichelaar. 
hypocritical [hipa'kritikl] huichel- 

achtig, gehuicheld, geveinsd. 
hypothesis [hai'pDBisis] hypothese, 

^'eronderstelling. 



i [ai] (de letter) i. 
I [ai] ik. 

ice [ais] ijs o\ vt bevriezen; frappe- 
ren [drankenj; glaceren [suiker- 



werk] . 
iceberg ['aisbaig] ijsberg. 
ice-bound ['aisbaund] ingevroren; 

dicht-, toegevroren, bevroren. 



ice-cream 



127 



illusion 



ice-cream ['ais'kriim] (room)ijs o. 
Iceland ['aisbnd] IJsland o. 
Icelandic [ais'laendik] IJsIands. 
icicle ['aisikl] ijskegel. 
icy ['aisi] ijsachtig, ijskoud, ijzig, ijs-. 
idea [ai'dis] denkbeeld o, begrip o, 

gedachte, idee o &. v. 
ideal [ai'disl] ideaal o; a; ideaal; 

ideeel; denkbeeidig. 
identic(al) [ai'dentik(l)] (de-, het)- 

zelfde, gelijk, identiek. 
identification [aidentifi'keijan] ver- 

eenzelving, gelijkstelling; identifi- 

catie. 
identify [ai'dentifai] vereenzelvigen, 

gelijkstellen, -maken, identificeren. 
identity [ai'dentiti] gelijk(luidend)- 

heid; persoon(lijkheid) ; identiteit; 

— card, identiteitsbewijs o. 
idiocy ['idiasi] stompzinnigheid. 
idiom ['idiam] idioom o, taaleigen o. 
idiot ['idist] idioot. 
idiotic [idi'otik] idioot, mal. 
idle ['aidl] stil(zittend, -staand, -lig- 

gend), nietsdoend, werk(e)loos; lui; 

ongebruikt; ijdel, nutteloos; pi leeg- 

lopen, niets doen, luieren, lanter- 

f an ten. 
idleness ['aidlnis] lediggang, luiheid; 

nutteloosheid, ijdelheid. 
idler ['aidb] leegloper, dagdief. 
idol ['aidl] afgod. [ding. 

idolatry [ai'dobtri] afgoderij; vergo- 
idolization [aidslai'zeijan] ver(af)- 

goding. 
idolize ['aidalaiz] ver(af)goden. 
idyl(l) ['aidil] idylle. 
i. e. = that is, dat is, d.i. 
if [if] indien, zo, als, ingeval; zo... 

al, al; of. 
ignite [ig'nait] in brand steken, 

(doen) ontbranden, (doen) gloeien. 
ignition [ig'nijsn] ontbranding, ont- 

steking; gloeiing. 
ignoble [ig'noubl] onedel, schandelijk. 
ignominious [igna'minias] schande- 
lijk; smadelijk. 
ignominy ['ignsmini] schande(lijk- 

heid), oneer; smaad. 



ignorance ['ignarans] onkunde, on- 

wetendheid. 
ignorant ['ignarant] onwetend, on- 

kundig; — of, onbekend met; on- 

kundig van. 
ignore [ig'nD:] niet willen weten of 

kennen, geen notitie nemen van, ne- 

geren. 
ill [il] kwaad o, kwaal, ramp; aj 

kwaad, slecht, ziek; take it — , het 

kwalijk nemen; ■ — ■ at ease, niet op 

zijn gemak. 
ill-advised ['ilad'vaizd] onberaden. 
ill-bred ['il'bred] onopgevoed; onbe- 

schaafd. 
illegal [i'liigal] onwettig. 
illegality [ili'gseliti] onwettigheid. 
illegibility [iled3i'biliti] onleesbaar- 

heid. 
illegible [i'ledsibl] onleesbaar. 
illegitimate [ili'd3itimit] onwettig, 

ongeoorloofd, onecht. 
ill-fated ['il'feitid] ongelukkig, ramp- 

spoedig. 
ill-feeling ['il'fiilir)] kwade gevoelens; 

onwelwillendheid, kwaad bloed o. 
illicit [i'lisit] ongeoorloofd; onwettig. 
illiterate [i'litarit] ongeletterd; an- 

alfabeet. 
ill-judged ['iI'dsAdsd] onberaden; on- 

wijs, onverstandig. 
ill-mannered ['il'maenad] ongema- 

nierd. 
ill-natured ['iKneitJad] kwaadaardig. 
illness ['ilnis] ongesteldheid, ziekte. 
illogical [i'bd3ikl] onlogisch. 
ill-tempered ['il'tempad] kwaadge- 

luimd; humeurig. 
ill-treat ['il'triit] mishandelen; slecht 

(verkeerd) behandelen. 
illuminate [i'l(j)u:mineit] verlichten; 

belichten; voorlichten; licht werpen 

op; verhelderend werken; verluch- 

ten. 
illumination [il(j)u:mi'neijan] ver- 

lichting; belichting; voorlichting; 

verluchting; glans. 
illusion [i'l(j)ii:3an] illusie; (zins)- 

begoocheling, zinsbedrog o. 



illusive 



128 



impassable 



illusive [i'l(j)u:siv], illusory [i- 

'l(j)u:s3ri] denkbeeldig; bedrieglijk. 
illustrate ['ibstreit] toelichten, op- 

helderen; illustreren. 
illustration [ibs'treijan] illustratie; 

toelichting; verduidelijking. 
illustrative [i'Ustrativ] illustrerend, 

ophelderend, verduidelijkend. 
illustrious [i'lAStriss] doorluchtig, 

beroemd, roemrijk, vermaard. 
ill-will ['il'wil] wrok, kwaadwillig- 

heid. 
image ['imids] beeld o, beeltenis; 

evenbeeld o; toonbeeld o; vt afbeel- 

den, afspiegelen, voorstellen. 
imaginable [i'msedsinabl] denkbaar. 
imaginary [i'mgedsinari] ingebeeld, 

denkbeeldig. 
imagination [imasdsi'neijan] verbeel- 

ding, fantasie, voorstelling. 
imaginative [i'msedsinativ] vol ver- 

beeldingskracht; van fantasie getui- 

gend; van de verbeelding. 
imagine [i'mtedsin] zich in-, verbeel- 

den, zich voorstellen. 
imbecile ['imbisail] zwakhoofdig, 

idioot. 
imbecility [imbi'siliti] geesteszwakte, 

onnozelheid. 
imbibe [im'baib] op-, inzuigen, (in 

zich) opnemen. 
imbue [im'bju:] doortrekken; drenkcn; 

verven; doordringen; fig vervullen 

(van, with). 
imitate ['imiteit] navolgen, naboot- 

sen, namaken, nadoen. 
imitation [imi'teijan] navolging, na- 

bootsing; imitatie. 
imitative ['imiteitiv] nabootsend, na- 

volgend; nabootsings-. 
imitator ['imiteita] navolger, naboot- 

ser, wie namaakt. 
immaculate [i'miekjulit] onbevlekt, 

smetteloos; onberispelijk. 
immaterial [ima'tiarial] onstoffelijk, 

onlichamelijk; van geen betekenis. 
immature [ims'tjua] onrijp. 
immeasurable [i'mesarabl] onmeet- 

baar; onmetelijk, oneindig. 



immediate [i'mi:dj3t] onmiddellijk, 

direct; naast(bij zijnd). 
immemorial [imi'mDirisl] onheuglijk. 
immense [i'mens] onmetelijk, onein- 
dig, kolossaal. 
immensity [i'mensiti] onmetelijkheid, 

oneindigheid. 
immerse [i'mais] indompelen, onder- 

dompelen; '—d in, verdiept in. 
immersion [i'maijsn] in-, onderdom- 

peling; het verdiept zijn. 
immigrant ['imigrant] immigrant. 
immigrate ['imigreit] immigreren. 
immigration [imi'greijan] immigratie. 
imminent ['iminsnt] dreigend, na- 

kend, ophanden (zijnd), aanstaande. 
immobile [i'moubil] onbeweeglijk. 
immobility [ima'biliti] onbeweeglijk- 

heid. 
immoderate [i'mDdarit] on-, boven- 

matig, onredelijk, overdreven. 
immodest [i'mDdist] onbescheiden; 

onbetamelijk, onzedig. 
immoral [i'maral] onzedelijk; zede- 

loos. 
immorality [ima'rsliti] onzedelijk- 

heid; zedeloosheid. 
immortal [i'msital] onsterfelijk. 
immortality [im3:'t£eliti] onsterfelijk- 

heid. 
immortalize [i'moitslaiz] onsterfe- 
lijk maken. vereeuwigen. 
immovable [i'muivabl] onbeweegbaar, 

onbeweeglijk; onveranderlijk, on- 

wrikbaar; onroerend, vast; '-~s, on- 

roerende of vaste goederen. 
immune [i'mjurn] immuun: onvatbaar 

(voor, from), vrij (van, from). 
imp [imp] duiveltje o, rakker. 
impact ['impaskt] stoot, schok, bot- 

sing; inwerking, invloed. 
impair [im'pes] benadelen, aantasten, 

verzwakken. 
impalpable [im'pselpsbl] ontastbaar. 
impart [im'pa;t] mededelen, geven. 
impartial [im'paijal] onpartijdig. 
impartiality [impa:Ji'aeliti] onpartij- 

digheid. 
impassable [im'pa:s3bl] onbegaan- 



impassible 



129 



importunity 



baar, ontoegankelijk. 
impassible [im'pasibl] onbewogen, 

ongevoelig, gevoelloos. 
impassive [im'paesiv] onbewogen, on- 
gevoelig, onverstoorbaar. 
impatience [im'peijans] ongeduld o. 
impatient [im'peijant] ongeduldig; 

■ — • oj, niet kunnende uitstaan of 

dulden. 
impeach [ira'piitj] in twijfel trekken; 

beschuldigen, aanklagen. 
impeachment [im'piitjmsnt] ver- 

dachtmaking; (stellen o in staat 

van) beschuldiging, aanklacht. 
impecunious [impi'kju;ni3s] onbe- 

middeld, onvermogend. 
impede [im'pi:d] bemoeilijken, ver- 

hinderen, belemmeren, beletten. 
impediment [im'pedimant] verhinde- 

ring, belemmering, beletsel o. 
impel [im'pel] aandrijven, (voort)- 

bewegen; aanzetten. 
impend [im'pend] dreigen [v. ge- 

vaar], ophanden zijn. 
impenetrable [im'penitrabl] ondoor- 

dringbaar, ondoorgrondelijk. 
imperative [im'perativ] gebiedende 

wijs; a'l gebiedend, noodzakelijk, 

verplicht(end) (voor, upon). 
imperceptible [impa'septibl] onmerk- 

baar. 
imperfect [im'p3:fikt] onvolmaakt, 

onvolkomen; ^^ tense, onvoltooid 

verleden tijd. 
imperfection [imps'fekjan] onvol- 

maaktheid, onvolkomenheid. 
imperial [im'pisrisl] keizerlijk, kei- 

zer(s)-, rijks-. 
imperil [im'peril] in gevaar brengen. 
imperious [im'pisriss] gebiedend, 

heerszuchtig; bazig. 
imperishable [im'perijabl] onvergan- 

kelijk, onverslijtbaar. 
impersonate [im'paissneit] verper- 

soonlijken. 
impertinence [im'psitinans] niet ter 

zake zijn o\ onbeschaamdheid. 
impertinent [im'p3:tin3nt] niets met 

de zaak te maken hebbend, niet van 

Eng. Zakwrdbk. 11 



pas; ongepast; onbeschaamd. 
imperturbable [imp3't3:b3bl] onver- 
stoorbaar. 
impervious [im'p3:vi3s] ondoordring- 

baar; ontoegankelijk, niet vatbaar 

(voor, to). 
impetuous [im'petju3s] onstuimig, 

heftig. 
impetus ['impit3s] aandrang, aan- 

drift; vaart, stoot, vlucht. 
impiety [im'paisti] goddeloosheid, 

oneerbiedigheid. 
impious ['impiss] goddeloos, profaan. 
impish E'impiJ] duivels, ondeugend. 
implacable [im'pleiksbl] onverzoen- 

lijk. 
implant [im'pla:nt] (in)planten, zaai- 

en; inprenten. 
implement ['implim3nt] gereedschap 

o; werktuig o\ — ^.r, uitrusting. 
implicate ['implikeit] insluiten, (ver)- 

wikkelen, betrekken (bij, in). 
implication [impli'keijsn] verwikke- 

ling; gevolgtrekking; stilzvirijgende 

conditie; by — , stilzwijgend; in- 
direct. 
implicit [im'plisit] daaronder begre- 

pen, stilzwijgend (aangenomen) ; 

onvoorwaardelijk; blind [vertrou- 

wen]. 
implore [im'pb:] smeken (om, jor), 

afsmeken. 
imply [im'plai] insluiten, inhouden; 

vooronderstellen. 
impolite [imp3'lait] onbeleefd. 
import ['impD;t] invoer, import; 

[im'pDit] vt invoeren, importeren. 
importance [im'p3;t3ns] belang o, 

gewicht o, betekenis. 
important [im'p3:t3nt] belangrijk, 

van gewicht, gewichtig (doend). 
importation [impo/teij'sn] invoer; in- 

gevoerd artikel o\ invoering. 
importer [im'p3:t3] importeur. 
importunate [im'pD:tjunit] lastig, 

opdringerig. 
importune [im'pD:tjun] lastig vallen, 

overlast aandoen. 
importunity [impD:'tju:niti] lastig- 

9 



impose 



130 



inability 



heid; overlast; onbescheiden aan- 

houden o. 
impose [im'pouz] opieggen; — ' {up')- 

on, imponeren; misleiden; bedrie- 

gen; in de handen stoppen. 
imposing [im'pouzirj] imposant, in- 

drukwekkend. 
imposition [imps'zijan] opiegging; 

belasting; strafwerk o; misleiding. 
impossibility [impDsi'biliti] onmoge- 

lijkheid. 
impossible [im'pDsibl] onmogelijk. 
impostor [im'posta] bedrieger. 
imposture [im'pDstJ'a] bedrog o. 
impotence ['impatsns] onmacht, 

machteloosheid; onvermogen o. 
impotent ['impstsnt] onmachtig, 

machteloos; onvermogend. 
impoverish [im'pDvsriJ"] verarmen. 
impoverishment [im'pDvsriJmant] 

verarming. 
impracticable [im'praektiksbl] on- 

doenlijk, onuitvoerbaar; onbruik- 

baar, onbegaanbaar [v. weg]. 
imprecation [impri'keijan] verwen- 

sing. 
impregnable [im'pregnsbl] onneem- 

baar; onaantastbaar. 
impregnate [im'pregneit] doortrekken, 

doordringen (van, with) ; verzadi- 

gen. 
impress ['impres] indruk; afdruk, 

stempel o&Lin; [im'pres] z^/ inpren- 

ten, stempelen; indruk maken op; 

— u p o n, (zijn stempel) drukken 
op; op het hart drukken; inprenten; 

— with, doordringen van. 
impression [im'prejsn] af-, indruk; 

stempel o &i m; druk [v. boek]. 

impressionable [im'prejsnabl] voor 
indrukken vatbaar, gevoelig. 

impressive [im'presiv] indruku'ck- 
kend. 

imprint ['imprint] indruk [v. voet 
&], afdruk; stempel o & m; [im- 
'print] vt drukken, stempelen, in- 
prenten. 

imprison [im'prizn] gevangenzetten. 

imprisonment [im'priznmant] gevan- 



genschap, gevangenzetting, gevange^ 

nis(straf). 
improbability [imprDbs'biliti] on- 

waarschijnlijkheid. 
improbable [im'prDbabl] onwaar- 

schijnlijk. 
improper [im'propa] ongeschikt; on- 

behoorlijk, ongepast; onjuist. 
improve [im'pru:v] verbeteren, beter 

maken, verhogen, veredelen, vervol- 

maken; beter worden, vooruitgaan; 

~- on of upon, verbeteringen aan- 

brengen in of aan; verbeteren, over- 

treffen. 
improvement [im'pruivmsnt] verbete- 

ring, beterschap, vooruitgang. 
improvisation [impravai'zeijan] im- 

provisatie. 
improvisator [im'pnvizeita] improvi- 
sator. 
improvise ['impravaiz] improviseren. 
imprudence [im'prutdans] onvoor- 

zichtigheid. 
Imprudent [im'pruidant] onvoorzich- 

tig. 
impudence ['impjudsns] onbe- 

schaamdheid, schaamteloosheid. 
impudent ['impjudsnt] onbeschaamd, 

schaamteloos. 
impulse ['impAls], impulsion [im'pAl- 

Jan] aandrijving, aandrang, opwel- 

ling, stoot. 
impulsive [im'pAlsiv] aandrijvend; 

voortstuwend, stuw-; impulsief. 
impunity [im'pju:niti] straffeloosheid; 

with — , straffeloos. 
impure [im'pjus] onzuiver, onrein. 
imputable [im'pjuitsbl] te wijten aan. 
imputation [impju'teijsn] beschuldi- 

Sing. 

impute [im'pju:t] toeschrijven, wijten, 
toedichten, ten laste leggen. 

in. := inch{es). 

in [in] in, naar, bij, volgens, aan, op; 
met... aan (op), met; over; binnen, 
thuis; --^ itself, op zich zelf; you 
are — for it, je bent ,,zuuj". 

inability [ina'biliti] onvermogen o, 
onbekv,'aamheid. 



inaccessible 



131 



inclusive 



inaccessible [inask'sesibl] ongenaak- 

baar; ontoegankelijk, onbeklimbaar, 

onbereikbaar. 
inaccurate [i'naekjurit] onnauwkeurig. 
inaction [i'naekjan] werkeloosheid, 

nietsdoen o. 
inactive [i'nsektiv] werkeloos; niet ac- 

tief; traag. 
inadequate [i'nsdikwit] onevenredig; 

onvoldoende, ontoereikend. 
inadmissible [insd'misibl] onaanne- 

melijk; ontoelaatbaar. 
inadvertence [insd'vaitans], ^'Cy 

[-si] onachtzaamheid, onoplettend- 

heid. 
inalienable [i'neiljanabl] onver- 

vreemdbaar. 
inane [i'nein] leeg, zinloos; idioot. 
inanimate [i'naenimit] levenloos, on- 

bezield. 
inanity [i'nseniti] (zin)ledigheid; 

zinloosheid; banaliteit. 
inappropriate [ina'proupriit] onge- 

schikt, ongepast. 
inapt [i'naspt] ongeschikt, onbe- 

kwaam. 
inarticulate [ina:'tikjulit] ongeleed; 

niet gearticuleerd, onduidelijk. 
inasmuch [insz'mAtJ] •^^ as, aange- 

zien. 
inaudible [i'ojidibl] onhoorbaar. 
inaugurate [i'nD.gjureit] inwijden, in- 

huldigen, onthuUen, openen, inlei- 

den [tijdperk]. 
inauguration [inDigju'reiJsn] inwij- 

ding, inhuldiging. 
inborn ['in'boin], inbred ['in'bred] 

aan-, ingeboren, ingeschapen. 
incalculable [in'kaslkjubbl] onbere- 

kenbaar. 
incandescent [inkasn'desant] (wit)- 

gloeiend; — light, (gas)gloeilicht o. 
incapable [in'keipsbl] onbekwaam; 

onbevoegd; — oj, niet kunnende, 

niet in staat om. 
incarnate [in'kaineit] incarneren, be- 

lichamen. 
incarnation [inka/neijan] incarnatie, 

vleeswording, belichaming. 



incendiary [in'sendjari] brandstichter; 

jig stokebrand, opruier; brandbom; 

a] brandstichtend; brand-; jig op- 

ruiend. 
incense ['insens] wierook; vt bewie- 

roken; [in'sens] vertoornen. 
incentive [in'sentiv] prikkel, aanspo- 

ring, drijfveer. 
incessant(ly) [in'ses3nt(li)] aanhou- 

dend, onophoudelijk. 
inch [in(t)J] Engelse duim [V12 voet 

= 2V2 cm]; every ■ — ' a gentleman, 

op-en-top een heer; — by — , by 

'-~es, langzaam; langzamerhand; to 

an ■ — ■, precies, op een haar. 
incident ['insidsnt] voorval 0, inci- 
dent o; aj (in)vallend [v. straal]; 

■ — ■ to, voortvloeiend uit; verbonden 

met, eigen aan. 
incidental [insi'dental] toevallig, bij- 

komend, bijkomstig, bij-; tussen-. 
incidentally [insi'dentali] toevallig; 

terloops; tussen t\\'ee haakjes; overi- 

gens. 
incinerate [in'sinsreit] verassen. 
incise [in'saiz] insnijden, kerven. 
incision [in'si33n] insnijding, snede. 
incisive [in'saisiv] snijdend; scherp; 

snij-. 
incisor [iii'saiza] snijtand. 
incite [in'sait] aansporen, prikkelen; 

aanzetten, aanhitsen. 
incitement [in'saitmsnt] aansporing, 

prikkel, aanhitsing. 
inclement [in'klemant] bar, guur. 
inclination [inkli'neijsn] helling; in- 

clinatie; neiging, genegenheid. 
incline [in'klain] helling; vi neigen, 

buigen, (over)hellen, geneigd zijn; 

vt doen (over)hellen, schuinzetten; 

— d plane, hellend vlak o. 
include [in'klu:d] insluiten, be-, om- 

vatten, meetellen, -rekenen; opne- 

men. 
including [in'klu:dir)] met inbegrip 

van..., (erbij) inbegrepen. 
inclusion [in'klu:33n] insluiting; op- 
name. 
inclusive [in'klursiv] insluitend; in- 



incoherent 



132 



indelicate 



clusief; from..., to... — , van... tot 

en met...; ■ — ■ of, met inbegrxp van. 
incoherent [inkou'hiarsnt] onsamen- 

hangend. 
incombustible [inksm'bAstibl] on- 

brandbaar. 
income ['inkam] inkomen o, inkom- 

sten. 
incoming ['inkAmirj] in-, binnenko- 

mend; nieuw [v. ambtenaar]. 
incommode [inka'moud] lastig val- 

len, storen, belemmeren. 
incomparable [in'kDmpsrsbl] onver- 

gelijkelijk, weergaloos. 
incompatible [inkam'psetibl] onver- 

enigbaar; geheel uiteenlopend. 
incompetence [in'kDmpitans], — cy 

[-si] onbekwaamheid, ongeschikt- 

heid, onbevoegdheid. 
incompetent [in'kDmpitsnt] onbe- 

kwaam; ongeschikt, onbevoegd. 
incomplete [inksm'pliit] onvolkomen, 

onvolledig. 
incomprehensible [inkDmpri'hensibl] 

onbegrijpelijk. 
inconceivable [inkan'siivsbl] onbe- 
grijpelijk; ondenkbaar. 
incongruous [in'korjgruas] ongelijk- 

(soortig), onverenigbaar; ongerijmd, 

ongepast. 
inconsiderate [inksn'sidsrit] onbe- 

zonnen, ondoordacht; onattent. 
inconsistent [inkan'sistant] niet in 

overeenstemming, onverenigbaar 

(met, with); inconsequent. 
inconsolable [inkan'soulabl] on- 

troostbaar. 
inconspicuous [inksn'spikjuss] niet 

opvallend; onaanzienlijk. 
inconstant [in'kjnstsnt] onbestendig, 

onstandvastig, wispelturig. 
incontestable [inksn'testabl] onbe- 

t^'istbaar. 
inconvenience [inksn'virnjsns] onge- 

legenheid, ongemak o, ongerief o; 

vt in ongelegenheid brengen, tot 

last zijn; lastig vallen. 
inconvenient [inksn'virnjant] ongele- 

gen, lastig, ongeriefelijk. 



incorporate [in'koipareit] inlijven 
(bij, in, with), opnemen [in een 
corporatie &]; rechtspersoonlijkheid 
verlenen. 

incorporation [inko;p3'reiJ'3n] inlij- 
ving, opname. 

incorrect [inka'rekt] onnauwkeurig, 
onjuist; niet correct. 

incorrigible [in'koridsibl] onverbe- 
terlijk. 

increase ['inkri:s] groei, aanwas, was- 
sen o, toename, vermeerdering; ver- 
hoging; be on the — , aangroeien, 
wassen, toenemen; [in'kri:s] vi 
(aan)groeien, toenemen, stijgen; vt 
doen aangroeien &; vermeerderen, 
vergroten, verhogen, uitbreiden. 

incredible [in'kredibl] ongelofelijk. 

incredulity [inkri'dju:liti] ongelovig- 
heid. 

incredulous [in'kredjulss] ongelovig. 

incriminate [in'krimineit] beschuldi- 
gen. 

inculcate [in'kAlkeit] inprenten. 

incumbent [in'kAmbsnt] rustend (op, 
on)\ it is ■ — • upon you, het is uw 
plicht. 

incur [in'ka:] zich op de hals halen; 
zich blootstellen aan. 

incurable [in'kjuarsbl] ongeneeslijk. 

incursion [in'kaijsn] inval. 

indebted [in'detid] schuldig, verplicht; 
we are — to him for..., we heb- 
ben hem... te danken; we zijn hem 
erkentelijk voor... 

indecent [in'diissnt] onbetamelijk, 
onvertogen, onwelvoeglijk. 

indecision [indi'si33n] besluiteloos- 
heid. 

indecourous [in'dek3r3s] onwelvoeg- 
lijk. 

indeed [in'di:d] inderdaad, (voor)- 
zeker, waarachtig, wel, ja (zelfs), 
dan ook, trouwens. 

indefatigable [indi'ffetigsbl] onver- 
moeibaar, onvermoeid. 

indefinite [in'definit] onbepaald. 

indelible [in'delibl] onuit^isbaar. 

indelicate [in'delikit] onkies. 



indemnification 



133 



individual 



indemnification [indemnifi'keijan] 

schadeloosstelling, vergoeding. 
indemnify [in'demnifai] schadeloos 

stellen; vrijwaren (voor, against, 

from). 
indemnity [in'demniti] vrijwaring; 

schadeloosstelling, vergoeding; 

kwijtschelding; afkoopsom. 
indent [in'dent] uittanding, insnijding, 

inkerving, (in) keep; vt intanden, 

(uit)tanden, insnijden. 
indenture [in'dentjs] contract o. 
independence [indi'pendsns] onaf- 

hankelijkheid. 
independent [indi'pendant] onafhan- 

kelijk; zelfstandig. 
indescribable [indis'kraibsbl] onbe- 

schrijfelijk. 
indestructible [indis'trAktibI] onver- 

woestbaar, onvernielbaar. 
indeterminate [indi't3:minit] onbe- 

paald, vaag. 
indetermination [indit3:mi'neij3n] 

onbepaaldheid; besluiteloosheid. 
index ['indeks] index; wijsvinger, 

(hand)wijzer; inhoudsopgaaf; lijst 

[v. boeken]. 
index card ['indekska:d] fiche o 8c v. 
India L'indjs] India o; Further -~-, 

Achter-Indie o. 
Indian ['indjan] Indier; Indiaan; aj 

Indisch, Indiaas; Indiaans. 
india-rubber ['indja'tAba] gomelastiek 

o. 
indicate ['indikeit] (aan)wijzen, aan- 

duiden, te kennen geven; wijzen op. 
indication [indi'keijan] aanwijzing, 

aanduiding, teken o. 
indicative [in'dikstiv] aantonend(e 

wijs). 
indict [in'dait] aanklagen. 
indictment [in'daitmant] aanklacht; 

akte van beschuldiging. 
Indies ['indiz] the — , Indie o. 
indifference [in'difrans] onverschil- 

ligheid. 
indifferent [in'difrant] onverschillig 

(voor, to); van geen of weinig be- 

langr niet veel zaaks, middelmatig. 



indigence ['indidsans] behoeftigheid, 

armoede. 
indigenous [in'didsinss] inlands, in- 

heems; ingeboren. 
indigent ['indidsant] behoeftig, arm. 
indigestible [indi'dsestibl] onver- 

teerbaar. 
indigestion [indi'd3estjan] slechte 

spijsvertering. 
indignant [in'dignant] verontwaar- 

digd (over, at, with). 
indignation [indig'neijan] veront- 

waardiging. 
indignity [in'digniti] smaad, boon. 
indigo ['indigou] indigo m [plant, 

verfstof], indigo o [kleur]. 
indirect [indi'rekt] zijdelings; indi- 
rect; — object, medewerkend voor- 

werp o. 
indiscernible [indi'za:nibl] niet te 

onderscheiden of te onderkennen. 
indisciplinable [in'disiplinabl] tuch- 

teloos. 
indiscipline [in'disiplin] tuchteloos- 

heid. 
indiscreet [indis'kri:t] onvoorzichtig; 

indiscreet: loslippig. 
indiscretion [indis'krejan] onvoor- 

zichtigheid; indiscretie. 
indiscriminate [indis'kriminit] geen 

onderscheid makend, zonder onder- 

scheid of in den blinde (toegepast). 
indispensable [indis'pensabl] onver- 

mijdelijk; onmisbaar; noodzakelijk. 
indispose [indis'pouz] ongeschikt 

maken; afkerig maken. 
indisposed [indis'pouzd] niet gezind; 

ongenegen; ongesteld. 
indisposition [indispa'zijan] onge- 

steldheid, onwelwillendheid, onge- 

neigdheid; afkerigheid. 
indisputable [in'dispjutabl] onbe- 

twistbaar. 
indissoluble [indi'sDljubl] onoplos- 

baar, onverbreekbaar. 
indistinct [indis'tir)(k)t] onduidelijk, 

verward. 
individual [indi'vidjual] eenling; per- 

soon; individu o\ ai individueel, 



indivisible 



134 



infantile 



afzonderlijk, apart. 
indivisible [indi'vizibl] ondeelbaar. 
indolence ['indabns] traagheid. 
indolent ['indabnt] traag, vadsig. 
indomitable [in'dDmitabI] ontembaar, 

onbedwingbaar. 
Indonesia [indou'ni:j'i3] Indonesie o. 
Indonesian [indou'niijian] Indonesier; 

a] Indonesisch. 
indoor ['indD:] binnen-, huiselijk, 

huis-, kamer-. 
indoors [in'dDiz] binnen(shuis). 
indorse [in'dDis] zie endorse. 
indubitable [in'djuibitabl] ontwijfel- 

baar. 
induce [in'dju;s] bewegen, nopen; 

aanleiding geven tot, veroorzaken; 

afleiden. 
inducement [in'djuismsnt] aanleiding, 

drijfveer; overredingsmiddel o. 
induction [in'dAkJan] gevolgtrek- 

king; inductie. 
indulge [in'dAld3] toegeven (aan), 

zijn zin geven; — in, zich de weel- 

de veroorloven van, zich permitte- 

ren, zich overgeven aan. 
indulgence [in'dAldjans] bevrediging; 

inschikkelijkheid, toegeeflijkheid; 

gunst; aflaat. 
indulgent [in'dAldssnt] inschikkelijk, 

toegeeflijk. 
industrial [in'dAStrisl] industrieel, 

industrie-, nijverheids-, bedrijfs-. 
industrialist [in'dAstrisIist] indus- 
trieel. 
industrialization [ indAstrialai'zeiJ'an] 

industrialisering. 
industrialize [in'dAStrislaiz] industri- 

aliseren. 
industrious [in'dAStrias] arbeidzaam, 

werkzaam, nijver, vlijtig. 
industry ['indsstri] naarstigheid; nij- 

verheid, industrie, bedrijf o. 
inebriate [i'ni:brieit] dronken maken. 
inebriation [iniibri'eijan], inebriety 

[ini'braiati] dronkenschap. 
inedible [i'nedibl] oneetbaar. 
ineffable [i'nefabl] onuitsprekelijk. 
ineffaceable [ini'feisabl] onuitwisbaar. 



inefficient [ini'fijsnt] ongeschikt, on- 

bruikbaar; geen effect sorterend. 
inept [i'nept] ongerijmd; ongeschikt. 
ineptitude [i'neptitju:d] ongerijmd- 

heid; ongeschiktheid. 
inequality [ini'kwDliti] ongelijkheid. 
inequity [i'nekrwiti] onbillijkheid. 
inert [i'nait] log, loom, traag. 
inertia [i'naijia] traagheid. 
inescapable [inis'keipsbl] onontkoom- 

baar. 
inevitable [i'nevitabl] onvermijdelijk. 
inexact [inig'zaekt] onnauwkeurig, 

onjuist. 
inexcusable [iniks'kjuizabi] onver- 

geeflijk. 
inexhaustible [inig'zDistibI] onuitput- 

telijk. 
inexorable [i'nekssrabl] onverbidde- 

lijk. 
inexpedient [iniks'pi:di3nt] ondoel- 

matig, ongeschikt, ondienstig. 
inexpensive [iniks'pensiv] goedkoop. 
inexperience [iniks'pisrians] onerva- 

renheid. 
inexperienced [iniks'piarianst] oner- 

varen. 
inexplicable [i'nekspliksbl] onver- 

klaarbaar. 
inexpressible [iniks'presibl] onuit- 
sprekelijk. 
inextinguishable [iniks'tirjgwijabl] 

on(uit)blusbaar, onlesbaar, onbe- 

daarlijk. 
infallibility [infaeli'biliti] onfeilbaar- 

heid; onbedrieglijkheid. 
infallible [in'fElibl] onfeilbaar; on- 

bedrieglijk. 
infamous ['infamgs] schandelijk; 

berucht. 
infamy ['infami] schande(lijkheid); 

schanddaad. 
infancy ['infansi] kindsheid; minder- 

jarigheid; beginstadium o. 
infant ['infant] zuigeling (ook: • — in 

arms); kind o; aj jong; opkomend; 

kinder-. 
infantile ['infsntail] kinderlijk, kin- 

derachtig, kinder-. 



infantry 



135 



ingenuous 



infantry ['infantri] infanterie. 
infant school ['infsntsku.l] kleuter- 

school. 
infatuate [in'faetjueit] verdwazen; ver- 

blinden; ■ — d with, verliefd op. 
infatuation [infaetju'eijsn] ver- 

dwaasdheid; bevlieging; malle ver- 

liefdheid. 
infect [in'fekt] aansteken, besmetten; 

bederven, verpesten. 
infection [in'fekjsn] infectie, aanste- 

king, besmetting; bederf o, verpes- 

ting; aanstekelijkheid. 
infectious [in'fekjas] besmettelijk, 

aanstekelijk; smet-. 
infer [in'fa:] besluiten, afleiden, op- 

maken; insluiten, beduiden. 
inference ['infsrans] gevolgtrekking. 
inferior [in'fiaris] mindere, onderge- 

schikte; a] minder, lager, onderge- 

schikt; onder-. 
inferiority [infiari'ariti] minderheid, 

minderwaardigheid; ondergeschikt- 

heid. 
infernal [in'fsmsl] hels, duivels. 
infertile [in'fartail] onvruchtbaar. 
infest [in'fest] onveilig maken; ver- 
pesten. 
infidel ['infidal] ongelovig(e). 
infidelity [infi'deliti] ongeloof o\ 

ontrouw. 
infiltrate [in'filtreit] insijpelen, lang- 

zaam doordringen. 
infinite ['infinit] oneindig. 
infinitesimal [infini'tesimsl] oneindig 

klein. 
infinitive [in'finitiv] onbepaalde wijs. 
infinity [in'finiti] oneindigheid. 
infirmary [in'faimari] ziekenhuis o\ 

ziekenzaal. 
infirmity [in'faimitij zwakheid, zwak- 

te, ziekelijkheid, gebrek o. 
inflame [in'fleim] doen ontvlammen; 

doen gloeien; (doen) ontsteken. 
inflammable [in'fla^msbl] ontvlam- 

baar. 
inflammation [infla'meij'sn] ontvlam- 

ming, ontsteking. 
inflammatory [in'flcematari] verhit- 



tend; ontstekings-; opruiend. 
inflate [in'fleit] opblazen; oppompen; 

opdrijven [prijzen]. 
inflation [in'fleijan] opblazen of 

oppompen o; inflatie. 
inflator [in'fleita] fietspomp. 
inflexible [in'fleksibl] onbuigbaar; 

onbuigzaam. 
inflict [in'flikt] opleggen [straf]; 

[slag] toebrengen (aan, upon); 

doen ondergaan. 
infliction [in'flikjsn] (straf)opleg- 

ging, straf, kwelling. 
influence ['influans] invloed; vt 

invloed hebben op, beinvloeden. 
influential [influ'enjsl] invloedrijk. 
influenza [influ'enza] griep. 
inform [in'fDim] mededelen, berich- 

ten, onderrichten, in-, voorlichten; 

— - oj, berichten, melden. 
informal [in'fDimal] informed; fa- 

miliaar, zonder complimenten. 
informant [in'fDimant] zegsman. 
information [infa'meijsn] kennisge- 

ving, mededeling, onderricht o, be- 

richt o\ kennis; voorlichting, inlich- 

ting(en). 
informed [in'foimd] goed ingelicht, 

op de hoogte. 
informer [in'fsims] aanbrenger. 
infraction [in'frskjan] zie infringe- 
ment. 
infrequent [in'friikwant] zeldzaam. 
infrequently [in'friikwantli] zelden. 
infringe [in'frin(d)3] overtreden, 

schenden, inbreak maken op. 
infringement [in'frin(d)3m3nt] over- 

treding, schending, inbreak. 
infuriate [in'fjuarieit] razend (woe- 

dend, dol) maken. 
infuse [in'fja:z] ingieten, inboezemen, 

bezielen; laten trekken [thee]. 
infusion [in'fju:33n] ingieting, inge- 

ving; aftreksel o. 
ingenious [in'dsiinjss] vindingrijk, 

vernuftig. 
ingenuity [indsi'njuiiti] vindingrijk- 

heid, vernuftigheid. 
ingenuous [in'dsenjuss] ongekun- 



inglorious 



136 



inopportune 



steld, openhartig; na'ief. 
inglorious [in'gbirias] roemloos. 
ingot ['ir)g3t] baar, staaf. 
ingrained [in'greind] doortrokken; 

ingeworteld; doortrapt. 
ingratiate [in'greijieit] — oneself 

with, zich bemind maken bij. 
ingratitude [in'grastitju:d] ondank- 

baarheid. 
ingredient [in'griidiant] ingredient o, 

bestanddeel o. 
ingress ['ingres] binnentreden o, 

-dringen o\ in-, toegang. 
inhabit [in'hsbit] bewonen. 
inhabitant [in'hasbitant] in-, bewoner. 
inhalation [inhs'leijsn] inademing, 

inhalatie. 
inhale [in'heil] inademen, inhaleren. 
inherent [in'hisrant] onafscheidelijk 

verbonden, inherent. 
inherit [in'herit] (over) erven. 
inheritance [in'heritans] overerving; 

erfenis. 
inhibit [in'hibit] beletten, stuiten, 

remmen. 
inhibition [inhi'bij'an] belemmering, 

remming; rem. 
inhospitable [in'hDspitsbl] onherberg- 

zaam, ongastvrij. 
inhuman [in'hju:m3n] onmenselijk. 
inimical [i'nimiksl] vijandig; schade- 

lijk. 
inimitable [i'nimitsbl] onnavolgbaar. 
iniquitous [i'nikwitss] onrechtvaar- 

dig, onbillijk; ongerechtig, snood. 
iniquity [i'nikwiti] ongerechtigheid, 

onbillijkheid; snoodheid. 
initial [i'nijsl] eerste letter, initiaal; 

aj eerste, voorste, begin-, aanvangs-; 

vt paraferen. 
initiate [i'nijieit] inwijden; inleiden, 

beginnen; [i'nijiit] ingewijde. 
initiation [iniji'eijan] inwijding; 

begin o. 
initiative [i'nijistiv] begin o, initia- 

tief o; aj inleidend, begin-, eerste. 
inject [in'djekt] inspuiten. 
injection [in'djekjsn] inspuiting. 
injudicious [indsu'dijas] onoordeel- 



kundig, onverstandig. 
injunction [in'dsArjkJan] uitdrukke- 

lijk bevel o, gebod o. 
injure ['in(d)33] benadelen, onrecht 

aandoen, kwaad doen, kwetsen. 
injurious [in'(d)3U3ri3s] nadelig, 

schadelijk; beledigend, krenkend. 
injury ['in(d)33ri] nadeel o, onrecht 

o, kwaad o; kwetsuur, verwonding, 

letsel 0, schade. 
injustice [in'dsAStis] onrecht o, on- 

rechtvaardigheid. 
ink [igk] inkt. 
inkling ['irjklir)] aanduiding, flauw 

vermoeden o. 
inkstand ['ir)kst£end] inktkoker. 
ink-well ['ir|kwel] inktpot. 
inky ['ir]ki] inktachtig, vol inkt; 

zo zwart als inkt. 
inlaid ['inleid] ingelegd (linoleum o). 
inland ['inland] binnenland o\ aj bin- 

nenlands; landinwaarts. 
inlet ['inlet] ingang, opening, weg; 

inham; inzetsel o. 
inmate ['inmeit] (mede) bewoner, 

huisgenoot; inzittende. 
inmost ['inmoust] binnenste; ge- 

heimste. 
inn [in] herberg, logement o. 
innate [i'neit] in-, aangeboren. 
innavigable [i'naevigsbl] onbevaar- 

baar. 
inner ['ins] inwendig, binnenst, bin- 

nen-; verborgen. 
innermost ['inamoust] binnenste. 
innkeeper ['inkirpa] herbergier. 
innocence ['inasans] onschuld; onno- 

zelheid. 
innocent ['inasant] onschuldig (aan, 

of); onschadelijk; onnozel; • — of 

windows, zonder ramen. 
innocuous [i'nakjuas] onschadelijk. 
innumerable [i'njuimarabl] ontelbaar, 

talloos. 
inoculate [i'nakjuleit] (in)enten. 
inoffensive [ina'fensiv] onschadelijk, 

onschuldig. 
inopportune [i'nDpatjuin] ontijdig, 

ongelegen. 



inordinate 



137 



instance 



inordinate [i'n3:dinit] ongeregeld; 
bovenmatig, buitensporig. 

inquest ['inkwest] onderzoek o; {cor- 
oner's) — , gerechtelijke lijkschou- 
wing. 

inquire [in'kwais] navraag doen, 
vragen, informeren, onderzoeken; 
---^ into, onderzoeken. 

inquiry [in'kwaisri] vraag, onderzoek 
o\ aan-, navraag; make inquiries, 
inlichtingen inwinnen, een onder- 
zoek instellen. 

inquiry-office [in'kwaisriDfis] infor- 
matiebureau o. 

inquisitive [in'kwizitiv] (alles) on- 
derzoekend, nieuwsgierig. 

inroad ['inroud] inval; inbreuk. 

insane [in'sein] krankzinnig. 

insanity [in'saeniti] krankzinnig- 
heid. 

insatiable [in'seijiabl] onverzadelijk. 

inscribe [ins'kraib] in-, opschrijven, 
griffen. 

inscription [ins'krippn] inschrijving; 
in-, opschrift o. 

inscrutable Lins'kru.-tsbl] ondoor- 
grondelijk, onnaspeurlijk. 

insect ['insekt] insekt o. 

insecure [insi'kjus] onveilig, onvast. 

insensible [in'sensibl] ongevoelig 
(voor, o/, /o); gevoelloos; bewus- 
teloos; onbewust; onmerkbaar. 

inseparable [in'sepsrsbl] onafscheide- 
lijk (van, from). 

insert [in's3:t] invoegen, inlassen, 
inzetten; plaatsen [in krant]. 

insertion [in's3;J'3n] invoeging, inlas- 
sing; plaatsing [i. e. krant]. 

inset ['inset] inzetsel o\ ingevoegd 
blad o, bijkaartje o, medallion o [v. 
illustratie]. 

inside ['in'said] binnenkant; • — out, 
het binnenste buiten; door en door 
[kennen]; ['insaid] aj binnenst, 
binnen-; — information, inlichtin- 
gen van ingevi'ijden; [in'said] bin- 
nen in, (naar, van) binnen, in. 

insider [in'saids] ingewijde. 

insidious [in'sidias] arglistig; verra- 



derlijk. 
insight ['insait] inzicht o. 
insignificant [insig'nifikant] onbete- 
kenend, onbeduidend, onbelangrijk, 
gering. 
nsincere [insin'sis] onoprecht. 
nsinuate [in'sinjueit] handig of on- 
gemerkt indringen, inschuiven, te 
verstaan geven, insinueren. 
insinuation [insinju'eijan] indringen 
o &; bedekte toespeling; insinuatie. 
insipid [in'sipid] smakeloos, flauw, 

geesteloos. 
insipidity [insi'piditi] smakeloosheid, 

fiauwheid. 
insist [in'sist] aanhouden, volhouden; 
(nadrukkelijk) beweren; aandrin- 
gen; — on, staan op; stilstaan bij; 
bhjven bij. 
nsistence [in'sistsns] aanhouden o, 

aandringen o, aandrang. 
nsolence ['insabns] onbeschaamd- 

heid. 
nsolent ['inssbnt] onbeschaamd. 
nsoluble [in'soljubl] onoplosbaar. 
nsolvency [in'sDlvonsi] onvermogen 

o tot betaling, insolventie. 
nsolvent [in'sDlvant] onvermogend 

om te betalen, insolvent. 
insomnia [in'sDmnis] slapeloosheid. 
inspect [in'spekt] onderzoeken, in- 

specteren. 
inspection [in'spekjan] inzage, be- 
zichtiging, onderzoek o, inspectie, 
toezicht o. 
inspector [in'spekta] onderzoeker; op- 

ziener, inspecteur. 
inspiration [inspi'reijsn] inademing; 

inblazing, ingeving, inspiratie. 
inspire [in'spaia] inademen; inblazen, 

ingeven, inboezemen, bezielen. 
inst. ^ instant, dezer. 
nstall [in'stD:!] een plaats geven; in- 

stalleren. 
nstallation [instDi'leiJan] installatie. 
instalment [in'stDilmsnt] installatie, 
aanleg; aflevering, termijn, gedeel- 
te o. 
instance ['instans] aandrang, drin- 



instant 



138 



intent 



gend verzoek o; voorbeeld o, geval 

o\ instantie; jor — , bij voorbeeld; 

vt (als voorbeeld) aanhalen. 
instant ['instant] ogenblik o\ aj drin- 

gend; ogenblikkelijk; the twentieth 

~, de twintigste dezer. 
instantaneous [instan'teinjas] ogen- 
blikkelijk; ~' photo, momentopna- 

me. 
instantly ['instsntli] ogenblikkelijk, 

onmiddellijk, op staande voet. 
instead [in'sted] in plaats daarvan; 

~ of, in plaats van. 
instep ['instep] wreef [v. voet]. 
instigate ['instigeit] aansporen; aan-, 

ophitsen. 
instigation [insti'geijan] aansporing; 

aan-, ophitsing; at the ~- oj, op 

aandrang van. 
instil (1) [in'stil] indruppelen; jig in- 

boezemen, inprenten (in, into}. 
instinct ['instigkt] instinct o. 
instinctive [ins'tirjktiv] instinctief. 
institute ['institju:t] instituut o, in- 

stelling; vt instellen, stichten; in- 

stalleren, aanstellen (tot). 
institution [insti'tjuijan] instituut o, 

instelling, stichting; aanstelling. 
instruct [ins'ttAkt] onderwijzen, on- 

derrichten; last geven. 
instruction [ins'ttAkJan] onderwijs o, 

les; lastgeving, opdracht, instructie, 

voorschrift o. 
instructive [ins'trAktiv] onderwijzend, 

leerzaam, leerrijk. 
instrument ['instrumant] instrument 

o; gereedschap o, werktuig o\ — 

panel, instrumentenbord o. 
insubordination [ins3bD:di'neiJ'3n] 

weerspannigheid, verzet o. 
insufferable [in'sAfarabl] onduldbaar, 

onverdraaglijk; onuitstaanbaar. 
insufficient [msa'fijant] onvoldoend. 
insular ['insjub] eiland-; fig bekrom- 

pen. 
insulate ['insjuleit] afzonderen; iso- 

leren. 
insulation [insju'leijan] afzondering; 

isolatie. 



insulator ['insjuleita] isolator, 
insult ['insAlt] belediging, boon; 

[in'sAlt] vt beledigen, honen. 
insuperable [in'sjuiparabl] onover- 

komelijk. 
insupportable [ins3'pD:t3bl] on(ver)- 

draaglijk. 
insurance [in'Juarans] verzekering, 

assurantie. 
insure [in'Jua] verzekeren, assureren. 
insurgent [in'saidsant] oproerig. 
insurmountable [insa'mauntabl] on- 

overkomelijk. 
insurrection [insa'rekjan] opstand. 
intact [in'taekt] intact, gaaf. 
intangible [in'tcendsibl] ontastbaar. 
integral ['intigral] integrerend; ge- 

heel, volledig, integraal. 
integrity [in'tegriti] volledigheid, in- 

tegriteit, onkreukbaarheid, eerlijk- 

heid; zuiverheid; geheel o. 
intellect ['intilekt] intellect o, ver- 

stand o. 
intellectual [inti'lektjual] intellectu- 

eel, geestelijk; geestes-. 
intelligence [in'telidsans] verstand o, 

begrip o, schranderheid; nieuws o, 

berichten, inlichtingen. 
intelligent [in'telidsant] verstandig, 

vlug (van begrip), intelligent. 
intelligible [in'telidsibl] begrijpelijk. 
intemperance [in'temparans] onma- 

tigheid. 
intemperate [in'temparit] onmatig. 
intend [in'tend] van plan zijn, de be- 

doeling hebben, bedoelen; bestem- 

men (voor, for). 
intended [in'tendid] voorgenomen &, 

aanstaande; opzettelijk. 
intending [in'tendirj] aanstaand; • — ■ 

purchasers, gegadigden. 
intense [in'tens] ingespannen, hevig, 

krachtig, diep, intens. 
intensify [in'tensifai] versterken. 
intensity [in'tensiti] hevigheid, 

kracht. 
intensive [in'tensiv] intensief. 
intent [in'tent] oogmerk o, bedoeling, 

opzet o; to all ■ — s and purposes, 



intention 



139 



interruption 



reitelijk; aj ingespannen; — upon, 

gericht op; uit op; verdiept in; •~-' 

upon mischief, kwaad in zijn schild 

voerend. 
intention [in'tenjsn] voornemen o, 

oogmerk o, bedoeling. 
intentional [in'tenjansl] voorbedach- 

telijk, opzettelijk, met opzet. 
inter [in'ta:] begraven. 
intercalate [in'tsikaleit] invoegen, 

inlassen. 
intercalation [intaika'leijan] invoe- 

ging, inlassing. 
intercede [inta'siid] tussenbeide ko- 

men. 
intercept [inta'sept] onderscheppen, 

opvangen, (de pas) afsnijden. 
intercession [inta'sejsn] tussenkomst, 

bemiddeling, voorspraak. 
intercessor [inta'sesa] (be)middelaar. 
intercourse ['int3kD:s] omgang, ge- 

meenschap, verkeer o. 
interdict [inta'dikt] verbieden. 
interdiction [inta'dikjsn] verbod o. 
interest ['int(3)rest] belang o\ be- 

langstelling; aandeel o\ invloed; 

parti); rente, interest; of ■ — ■, be- 

langwekkend, interessant; vt inte- 

resseren, belang inboezemen; belang 

doen stellen (in, for, in); de be- 

langen raken van. 
interested ['int(3)restid] belangstel- 

lend; belang hebbend; betrokken; 

zelfzuchtig. 
interesting ['int(3)restir)] interessant. 
interfere [inta'fia] tussenbeide komen, 

ingrijpen, zich mengen (in, in); — 

with, zich bemoeien met; belemme- 

ren, (ver)storen. 
interference [inta'fisrsns] tussen- 
komst, inmenging; storing. 
interim ['intsrim] tussentijd. 
interior [in'tiaria] binnenste o; bin- 

nenland o; interieur o; aj binnen-; 

inwendig; binnenlands; innerlijk. 
interject [inta'dsekt] er tussen gooi- 

en, uitroepen. 
interjection [inta'dsekjan] tussen- 

werpsel o, uitroep. 



interloper [inta'loups] onderkruiper; 

beunhaas. 
interlude ['int3l(j)u:d] pauze; inter- 
mezzo 0. 
intermediary [inta'mirdiari] tussen- 

persoon, bemiddelaar; bemiddeling; 

a'l tussen-; bemiddelend. 
intermediate [inta'miidjat] tussenlig- 

gend, tussen-. 
interment [in'taimant] begrafenis. 
interminable [in'taiminabl] eindeloos, 

oneindig'. 
intermission [inta'mijan] onderbre- 

king, tussenpoos, verpozing. 
intermittent [inta'mitant] (af)wisse- 

lend, intermitterend. 
intern [in'tain] interneren. 
internal [in'tainsi] inwendig, inner- 
lijk; binnenlands; binnen-. 
international [inta'nsejanal] inter- 

nationaal. 
internment [in'taiomant] internering. 
interpellant [inta'pebnt] interpel- 

lant. 
interpellate [in'taipeleit] interpelle- 

ren. 
interpellation [intaipe'leijan] inter- 

pellatie. 
interpret [in'taiprit] uitleggen, ver- 

tolken. 
interpretation [intaipri'teijan] uitleg- 

ging, vertolking. 
interpreter [in't3;prit3] uitlegger, 

vertolker, tolk. 
interrogate [in'terageit] (onder)- 

vragen. 
interrogation [intera'geijan] onder- 

vraging, vraag. 
interrogative [inta'rsgativ] vragend. 
interrogator [in'terageita] (onder)- 

vrager. 
interrogatory [inta'rDgatari] vraag; 

ondervraging; verhoor o; aj (on- 

der) vragend. 
interrupt [inta'rApt] af-, onderbre- 

ken; (ver)hinderen, storen; in de 

rede vallen. 
interruption [inta'rApJan] af-, on- 

derbreking, storing; interruptie. 



intersect 



140 



invective 



intersect [inta'sekt] (door)snijden, 

(door)kruisen; elkaar snijden. 
intersection [inta'sekjsn] (door)snij- 

ding; snijpunt o; kruispunt o. 
interstice [in'tsistis] tussenruimte, 

opening, spleet. 
interval ['intaval] tussenruimte; tus- 

senpoos; pauze. 
intervene [ints'viin] tussenbeide ko- 

men; ingrijpen; zich voordoen. 
intervention [ints'venjan] interventie, 

tussenkomst. 
interview ['intavju:] interview o; 

vraaggesprek o\ vt interviewen. 
intestate [in'testit] zonder testament 

(overledene). 
intestine [in'testin] darm, ingewan- 

den (meest -^j); a] inwendig; bin- 

nenlands. 
intimacy E'intimssi] vertrouwelijk- 

heid, intimiteit, innigheid. 
intimate ['intimit] intieme vriend; a] 

innerlijk, innig; vertrouwelijk; in- 

tiem; ['intimeit] vt bekendmaken, 

te kennen geven, aanduiden. 
intimation [inti'meijan] kennisgeving; 

wenk, aanduiding. 
intimidate [in'timideit] bang maken; 

vrees, schrik aanjagen. 
into ['intu] in, tot. 
intolerable [in'tDisrsbl] on(ver)- 

draaglijk, onduldbaar. 
intolerance [in'tobrans] onverdraag- 

zaamheid. 
intolerant [in'tDbrant] onverdraag- 

zaam. 
intoxicant [in'Dksikant] bedwelmend 

middel o, sterke drank. 
intoxicate [in'tsksikeit] dronken ma- 
ken, bedwelmen. 
intoxication [intDksi'keiJsn] dron- 

kenschap, roes. 
intractable [in'trsektabl] onhandel- 

baar, lastig. 
intransitive [in'tra;nsitiv] onover- 

gankelijk [werkwoord]. 
intrepid [in'trepid] onverschrokken. 
intrepidity [intri'piditi] onverschrok- 

kenheid. 



intricacy ['intrikssi] ingewikkeld- 

heid. 
intricate ['intrikit] ingewikkeld. 
intrigue [in'tri:g] kuiperij, gekonkel 

o, intrige; vi kuipen, intrigeren. 
intriguer [in'trirga] intrigant. 
intrinsic [in'trinsik] innerlijk, wezen- 

lijk, intrinsiek. 
introduce [intr3'dju;s] invoeren; in- 

leiden, binnenleiden; indienen 

[wet]; voorstellen [iemand], intro- 

duceren. 
introduction [intra'dAkJan] invoe- 

ring, inleiding; indiening; voorstel- 

ling; introductie. 
introductory [intra'dAktari] inleidend. 
intrude [in'truid] (zich) in-, opdrin- 

gen; (iemand) lastig vallen. 
intruder [in'tru:da] indringer. 
intrusion [in'truijan] binnendringen 

o. 
intrusive [in'tru:siv] indringend; in- 

dringerig, opdringerig. 
intrust [in'ttASt] zie entrust. 
intuition [intju'ijan] intui'tie. 
inundate ['ioAndeit] onder water 

zetten, overstromen. 
inundation [inAn'deiJan] onderwater- 

zetting; overstroming. 
inure [i'njua] gewennen, harden. 
invade [in'veid] een inval doen in, 

binnendringen, inbreuk maken op. 
invader [in'veida] vijandelijke indrin- 
ger. 
invalid ['invaliid] zieke, lijder; inva- 

lide; a] gebrekkig, gebrekkelijk, zie- 

kelijk, lijdend; [in'vaelid] niet gel- 

dend; ongeldig. 
invalidate [in'vaelideit] ongeldig ma- 
ken; ontzenuwen [v. argumenten]. 
invalidity [inva'liditi] zwakheid, 

krachteloosheid; ongeldigheid. 
invaluable [inVseljuabl] onschatbaar, 

van onschatbare waarde. 
invariable [in'veariabi] onverander- 

lijk. 
invasion [in'veisan] (vijandelijke) 

inval; invasie. 
invective [in'vektiv] smaadrede; 



inveigh 



141 



irony 



scheldwoord o, scheldwoorden; aj 

scheldend. 
inveigh [in'vei] (heftig) uitvaren, 

schelden, schimpen. 
invent [in'vent] uitvinden; bedenken, 

verzinnen. 
invention [in'venjan] (uit)vinding, 

uitvindsel o, verzinsel o. 
inventive [in'ventiv] vindingrijk. 
inventor [in'venta] uitvinder; ver- 

zinner. 
inventory ['invsntri] inventaris. 
inverse [in'v3:s] omgekeerd. 
inversion [in'vaijan] orakering, om- 

zetting, inversie. 
invert [in'v3:t] omkeren, omzetten; 

— ed commas, aanhalingstekens. 
invertebrate [in'vaitibrit] ongewer- 

veld; jig slap, karakterloos; ■ — s, 

ongewervelde dieren. 
invest [in' vest] bekleden; insluiten; 

[geld] beleggen, investeren. 
investigate [in'vestigeit] onderzoeken, 

navorsen. 
investigation [investi'geijsn] onder- 

zoek o, navorsing. 
investigator [in'vestigeits] onderzoe- 

ker, navorser. 
investment [in'vestmsnt] (geld)be- 

legging, investering. 
investor [in'vests] (geld)belegger. 
inveterate [in'vetarit] verstokt, aarts-; 

ingeworteld, ingekankerd. 
invidious [in'vidiss] hatelijk; aansto- 

telijk; netelig. 
invigorate [in'vigareit] kracht bij- 

zetten of geven, versterken. 
invincible [in'vinsibl] onoverwinne- 

lijk. 
inviolable [in'vaiabbl] onschendbaar. 
inviolate [in'vaialit] ongeschonden, 

ongerept. 
invisible [in'vizibl] onzichtbaar. 
invitation [invi'teijan] uitnodiging. 
invite [in'vait] (uit)nodigen, verzoe- 

ken (cm); uitlokken. 
inviting [in'vaitir]] uitnodigend, aan- 

lokkelijk, verleidelijk. 
invocation [inva'keijan] in-, aanroe- 



ping, afsmeking. 
invoice ['invois] factuur; vt facture- 

ren. 
invoke [in'vouk] in-, aanroepen, af- 

smeken, zich beroepen op. 
involuntary [io'vobntari] onwille- 

keurig; onvrijwillig. 
involve [in'volv] wikkelen of hullen, 

verwikkelen, betrekken; insluiten, 

meebrengen; the persons — d, de 

daarbij betrekken personen. 
invulnerable [in'vAlnsrsbl] onkwets- 

baar. 
inward ['inwad] inwendig; innerlijk; 

naar binnen. 
iodine ['aiadirn] jodium o. 
iodoform [ai'DdafDim] iodoform. 
I O U =: / oive you [ik ben u schul- 

dig], schuldbekentenis. 
Irak, zie Iraq. 
Iran [is'rain] Iran a. 
Iranian [ai'reinjsn] Iranier m; aj 

Iraans. 
Iraq [i'raik] Irak o. 
Iraqi [i'ra:ki] Irakier; aj Iraaks. 
irascible [i'rassibl] opvliegend. 
irate [ai'reit] woedend, toornig. 
ire ['aia] toorn. 
Ireland ['aiabnd] lerland o. 
iris ['aiaris] iris. 

Irish ['aiarij] lers; the — , de leren. 
Irishman ['aiarijmsn] ler. 
Irishwoman ['aisrijwuman] Terse, 
irksome ['sikssm] ergerlijk, hinder- 

lijk, vervelend. 
iron ['aian] ijzer o; strijkijzer o\ aj 

ijzeren; vt strijken; ■ — • out, vereffe- 

nen. 
ironclad ['aisnklaed] pantserschip o. 
ironer ['aisns] strijk(st)er. 
ironic(al) [ai'rDnik(l)] ironisch. 
ironing-board ['aianigbord] strijk- 

plank. 
ironmonger ['aisnmAfjga] handelaar 

in ijzerwaren. 
ironwork ['aianwatk] ijzerwerk <?; 

■ — s, ijzergieterij, ijzerfabriek. 
irony ['aiarani] ironie; ['aisni] aj 

ijzerachtig, ijzerhard, ijzer-. 



irradiate 



142 



ivy 



irradiate [i'reidieit] bestralen, doen 
stralen (van, with). 

irradiation [ireidi'eijan] bestraling. 

irrational [i'rasjsnl] onredelijk; rede- 
loos; irrationeel; onmeetbaar. 

irreconcilable [i'rekansaibbl] onver- 
zoenlijk; onverenigbaar. 

irredeemable [iri'ditmabi] onafkoop- 
baar, onaflosbaar; onherstelbaar. 

irrefragable [i'refragabl] onweerleg- 
baar. 

irrefutable [i'refjutabi] onomstotelijk, 
onweerlegbaar. 

irregular [i'regjub] onregelmatig; 
ongeregeld; — s, ongeregelde troe- 
pen. 

irrelevant [i'relivsnt] niet ter zake 
(dienende). 

irremediable [iri'miidisbl] onher- 
stelbaar. 

irreparable [i'repsrabl] onherstel- 
baar. 

irrepressible [iri'presibi] niet te on- 
derdrukken; onbedwingbaar. 

irreproachable [iri'proutjabl] onbe- 
rispelijk. 

irresistible [iri'zistibl] onweerstaan- 
baar. 

irresolute [i'rez3l(j)u:t] besluiteloos. 

irresolution [irez3'l(j)u:j3n] beslui- 
teloosheid. 

irrespective [iris'pektiv] — of, zon- 
der te letten op; ongeacht. 

irresponsible [iris'ponssbl] onverant- 
woordelijk; ontoerekenbaar. 

irretrievably [iri'triivabli] onherstel- 
baar; •-— lost, onherroepelijk ver- 
loren. 

irreverent [i'revsrsnt] oneerbiedig. 

irrevocable [i'revaksbl] onherroepe- 
lijk. 

irrigate ['irigeit] bevochtigen, be- 
sproeien, bevloeien, irrigeren. 

irrigation [iri'geijan] bevochtiging, 
besproeiing, bevloeiing, irrigatie. 

irritable ['iritabl] prikkelbaar. 

irritate ['iriteit] prikkelen. 



irritation [iri'teijsn] prikkeling, ge- 

prikkeldheid. 
irruption [i'rApJan] binnendringen o, 

inval. 
is [iz] derde pers. enk. van be, is. 
island E'ailsnd] eiland o. 
isle [ail] eiland o. 
isolate ['aissleit] afzonderen, isoleren. 
isolation [aisa'leijan] afzondering, 

isolement o. 
isotope ['aisatoup] isotoop. 
Israel ['izreial] Israel a. 
Israeli [iz'reiali] Israeli; a; Israelisch. 
Israelite ['izrialait] Israeliet. 
Israelitish ['izrislaitij] Israelitisch. 
issue ['isju:] uitstroming; nakomeling- 

schap; uitgang; uitweg; uitslag, re- 

sultaat o; uitvaardiging; uitgifte; 

nummer o [v. tijdschrift] ; emissie; 

(geschil)punt a, kwestie, strijdvraag; 

be at — , in het geding zijn; vt uit- 

stromen, naar buiten komen (ook: 

— forth, out); ■ — ■ fro7n, komen 

uit; voortkomen uit; afstammen 

van; vt af-, uitgeven; uitvaardigen; 

verzenden. 
isthmus ['ismas] landengte. 
it [it] het, hij, zij. 
Italian [i'tasljsn] Italiaan; af Italiaans. 
italic [i'taslik] cursief; cursieve letter; 

in — s, cursief. 
Italy ['itali] Italic o. 
itch [itj] schurft; jeuking, jeuk; vi 

jeuken; hevig verlangen. 
item ['aitem] artikel o, stuk o, post, 

punt o [op agenda], nummer o [v. 

program]; (nieuws)bericht o. 
itinerant [ai'tinsrant] rondtrekkend. 
itinerary [ai'tinsrsri] reisboek o; 

reisroute; reisbeschrijving; af 

(rond)reizend, reis-. 
its [its] zijn, haar. 
itself [it'self] zich (zelf). 
ivory ['aivsri] ivoor m of o\ af ivo- 

ren. 
ivy [aivi] klimop. 



h: 



Jew 



j [dsei] (de letter) j. 

jab [dsab] steek, por; vi steken, por- 
ren. 

jabber ['dsseba] kakelen, brabbelen, 
wauwelen. 

Jack [d3£ek] Jan, Jantje o; jantje 
o (= matroos); '~ Ketch, de beul; 
before you could say ■ — ■ Robinson, 
in een, twee, drie. 

jack [d3£ek] vijzel, krik; (houten) 
bok; boer [in 't kaartspel]; man- 
netje o [van diersoorten]. 

jackal ['dsasks;!] jakhals. 

jackanapes ['dsasksneips] aap; kwast. 

jackass ['dsaekss] ezel. 

jacket ['dsaskit] buis o; omhulsel o\ 
omslag; schil [v. aardappel]. 

jack-towel ['dsasktaual] rolhanddoek. 

jade [dseid] knol, oud paard o\ bit- 
tersteen o 81 m\ vt afjakkeren. 

jagged ['dsaegid] getand, geschaard. 

jail [dseil] gevangenis. 

jail-bird ['dgeilbaid] boef. 

jailer ['dseib] cipier. 

jam [dscem] jam; opeenhoping, op- 
stopping, gedrang o\ vt (samen)- 
drukken, -pakken, -duwen; vastzet- 
ten, klemmen; versperren; storen 
[radiouitzendingen] . 

jamb [dsasm] (deur)stijl, pijler. 

jangle [d3£ei]gl] ontstemmen; ramme- 
len, rinkelen (met). 

January ['dsasnjuari] januari. 

Japan [dsa'pasn] Japan o\ aj Japans. 

japan [dsa'pEn] lak & m; vt (ver)- 
lakken. 

Japanese [d32ep3'ni:z] Japanner(s); 
a] Japans. 

jar [d3a:] fles, kruik, pot; gekras o, 
schuurgeluid o\ wanklank; vi kras- 
sen, schuren; — ring note, wan- 
klank; — with, in botsing komen 
met, niet harmonieren met. 

jaundice ['d33:ndis] geelzucht. 

jaunt [d3D:nt] tochtje o. 

jaunty ['dsDinti] zwierig. 

Java ['dga:v3] Java o. 



Javanese [d3asv3'ni:z] Javaan, Ja- 

vanen; a] Javaans. 
javelin ['d3£evlin] speer. 
jaw [d3D:] kaak; klauw [v. tang]; 

jig brutale bek; geklets o\ vt klet- 

sen. 
jealous ['d3el3s] jaloers, naijverig (op, 

o/); angstvallig bezorgd of wakend 

(voor, about, of). 
jealousy ['dsebsi] jaloezie, naijver, 

angstvallige bezorgdheid. 
jeep [d3i:p] jeep [autootje]. 
jeer [dsia] hoongelach o, spotternij; 

vi spotten (met, at); schimpen (op, 

at); vt bespotten, beschimpen, ho- 

nen. 
jejune [d3i'd3u:n] nuchter; mager, 

dor. 
jelly ['dseli] gelei. 111 o Si m, dril; 

gelatinepudding. 
jelly-fish ['dselifij] kwal. 
jeopardize ['dsepsdaiz] in gevaar 

brengen. 
jeopardy ['d3ep3di] gevaar o. 
jerk [d39:k] stoot, ruk, hort, schok; 

vi stoten, rukken, schokken; vt ruk- 

ken aan, stoten; keilen. 
jerky ['dsaiki] hortend. 
jerry ['dseri] mof [persoonsnaam]. 
jersey ['d33:zi] trui. 
jessamine ['d3es3min] jasmijn. 
jest [dsest] kwinkslag, grap; in — , 

voor de aardigheid; schertsend; vi 

schertsen. 
jester ['d3est3] spotvogel; nar. 
Jesuit ['d3ezjuit] jezui'et. 
Jesus ['d3i:z3s] Jezus. 
jet [dset] (water) straal, fontein; 

(gas)vlam; (gas)bek; straalvliegtuig 

o; git o; a] gitten; vi (uit)spuiten. 
jet-black ['dset'blsek] gitzwart. 
jet fighter ['dsetfaita] straaljager. 
jet plane ['d3etplein] straalvliegtuig o. 
jet-propelled ['dsetpra'peld] met 

straalaandrijving, straal-. 
jetty ['dseti] havendam, pier, steiger. 
Jew [d3u:] jood. 



jewel 



144 



judiciary 



jewel E'dsuil] juweel o. 

jeweller ['dsuila] juwelier. 

jewel(le)ry ['dsuilri] juwelen. 

Jewess ['d3uis] jodin. 

Jewish ['d3uij] joods. 

jib [d^ib] kluiver. 

jiffy ['d3ifi] in a — , in een wip. 

jigsaw ['dgigss:] '~- puzzle, legkaart. 

jingle ['d3ir)gl] (laten) rinkelen. 

jingo ['dsiijgou] jingo: (Engelse) 
chauvinist. 

job [d3Db] werk o, taak, karwei, baan; 
zaakje o; and a good •—' tool, en 
maar goed ook!; vt uitvoeren [aan- 
genomen werk]; (ver)huren; han- 
delen in; gokken [op de beurs]. 

jobber ['d3Db3] stukwerker; stalhou- 
der; (effecten)handelaar. 

jobmaster ['dsDbmaista] stalhouder. 

jockey ['dsDki] jockey. 

jocose [d33'kous] grappig. 

jocosity [dss'kositi] grappigheid; 
grap. 

jocular ['ds^kjub] grappig, snaaks. 

jocund ['dsokand] vroHjk, opgewekt. 

jog [d33g] duwtje 0, por; sukkel- 
drafje o\ vt aanstoten, schudden, 
aanporren; vi sjokken. 
oggle ['d3Dgl] schudden; sjokken. 

og-trot ['dsDg'trDt] sukkeldrafje o. 

oin [d33in] verenigen, samenvoegen, 
verbinden; leggen (zetten) [bij of 
tegen]; bij-. toevoegen; zich voe- 
gen (aansluiten) bij; toetreden tot; 
zich verenigen (met); dienst nemen 
[bij 't leger]; — battle, de strijd 
aanbinden; — hands, de handen 
vouwen; jig de handen ineenslaan; 
• — ■ in, deelnemen aan; meedoen 
(aan), meezingen. 

joiner ['d3Din3] schrijnwerker. 

joint [d3Dint] verbinding, voeg; ge- 
writht o; gelid o; scharnier o; 
knoop; stuk a (vlees); out of — , 
uit het hd, uit de voegen; vt ver- 
binden; voegen; aj verbonden, geza- 
menhjk; gemeenschappelijk; mede-. 

joint-stock ['d3Dint'stDk] maatschap- 
pelijk kapitaal o\ '~~ company, 



maatschappij op aandelen. 
joke [d30uk] scherts, grap, aardigheid; 

in -—, voor de aardigheid, uit gek- 

heid; vi schertsen, gekheid maken; 

joking apart, alle gekheid op een 

stokje. 
joker ['d30uk3] grappenmaker; joker 

[in kaartspel]. 
jolly ['d33li] vrolijk, jolig; leuk; aar- 

dig; drommels; heel. 
jolt [d30ult] hort, stoot, schok; vi 

stoten, schokken, schudden. 
jostle ['d3DsI] [met de elleboog] sto- 
ten, duwen; verdringen; dringen, 

hossen. 
jot [d33t] jota; vt — {dowji), op- 

schrijven, aantekenen, noteren. 
journal ['dssinsl] dagboek o, jour- 

naal o; (dag)blad o, tijdschrift o. 
journalism ['dssmalizm] journalis- 

tiek. 
journalist ['d33:n3list] journalist. 
journey ['d33:ni] reis; go on a — ■, 

op reis gaan; vi reizen. 
journeyman ['dsainiman] gezel, 

knecht. 
Jove [d30uv] Jupiter; by -~.', sakker- 

loot! 
jovial ['dsouvjsl] vrolijk, blijmoedig. 
joy [d33i] vreugde, blijdschap. 
joyful ['ds^iful], joyous ['d3Di3s] 

vreugdevol; blijde, vrolijk. 
jubilant ['d3u:bil3nt] jubelend, jui- 

chend; opgetogen. 
jubilate ['d3u:bileit] jubelen, juichen. 
jubilation [d3u:bi'leij3n] gejubel o, 

gejuich o. 
jubilee ['d3u:bili:] jubileum o. 
judge [d3Ad3] rechter, beoordelaar, 

kenner; jurylid o [tentoonsteliing]; 

vt oordelen (ook: achten), beoor- 

delen; schatten [afstand]. 
judg(e)ment ['d3Ad3m3nt] oordeel o; 

vonnis o\ mening, (gezond) ver- 

stand o\ give ■ — ■, uitspraak doen. 
judicial [d3u'dij'3l] gerechtelijk, 

justitieei; onpartijdig. 
judiciary [d3u'dij3ri] rechterlijk(e 

macht). 



judicious 145 

judicious [dsu'dijas] verstandig, 
oordeelkundig. 

jug [dsAg] kruik; kan. 

juggle ['d3AgI] goochelen. 

juggler ['dsAgb] goochelaar. 

jugglery ['dsAgbri] goochelarij. 

juice [d3u:s] sap o. 

juicy ['d3u:si] saprijk, sappig. 

July [dsu'lai] juli. 

jumble ['d3Ambl] mengelmoes o &l v, 
warboel; vt dooreengooien. 

jump [d3Amp] sprong; vi springen, 
opspringen; -^ at an offer {a pro- 
posal), met beide handen aangrij- 
pen; vt laten springen; springen 
over; overslaan. 

jumpy E'dsAmpi] zenuwachtig. 

junction ['d3Ar)kJ'3n] verbinding(s- 
punt o), vereniging(spunt o). 

juncture ['dsArjktJs] voeg, naad, (kri- 
tiek) ogenblik a. 

June [d3u:n] juni. 

jungle ['d3Ar)gl] (tropische) wildernis. 

junior ['d3u:nJ3] jongere, junior; 
jnngste [bediende]. 

juridical [dsu'ridiki] gerechtelijk, ju- 
ridisch. 

jurisdiction [dsusris'dikjan] rechts- 
gebied o; rechtsbevoegdheid; recht- 



keeper 



spraak. 
jurisprudence [d3U3ris'pru:d3ns] 

rechtsgeleerdheid. 
jurist ['d3U3rist] jurist, rechtsgeleer- 

de. 
jury ['d3U3ri] gezworenen, jury, 
juryman ['d3u3rim3n] gezworene. 
just [d3Ast] gerechtig, rechtvaardig; 

verdiend, billijk, juist; even; (daar)- 

net; eens (even); (alleen) maar; — 

so!, precies!; — what does this 

mean?, wat betekent dit eigenlijk?; 

not — yet, nu niet; vooreerst niet; 

it's ■ — ■ possible, wel (best) moge- 

lijk. 
justice ['d3AStis] gerechtigheid, recht- 

vaardigheid; recht o\ justitie; rech- 

ter [van het Hooggerechtshof ] ; ■ — ■ 

of the peace, plaatselijke magistraat. 
justification [d3Astifi'keij3n] recht- 

vaardiging, verdediging, verant- 

v/oording; wettiging. 
justify ['d3Astifai] rechtvaardigen, 

verantwoorden, wettigen. 
jut [d3At] uitsteeksel o\ vi uitsteken, 

uitspringen. 
jute [d3u:t] jute. 
juvenile ['d3u:vinail] jeugdig; jong; 

voor (van) de jeugd. 



K 



k [kei] (de letter) k. 

Kaffir ['kaef3] Kaffer. 

kale [keil] (boeren)kool. 

kangaroo [k£er)g3'ru:] kangoeroe. 

keel [ki:l] kiel [v. schip]. 

keen [ki:n] scherp, hevig, vurig, bits; 
del, fel, happig, gebrand (op, af- 
ter, on), hartstochtelijk. 

keen-sighted ['ki:n'saitid] scherp van 
gezicht. 

keep [ki:p] vt houden; behouden, te- 
gen-, op-, terughouden; (be)hoeden; 
bewaren; er op na houden, (in 
voorraad) hebben; onderhouden; 
vieren; ■ — one waiting, laten wach- 

Eng. Zakwrdbk. 11 



ten; vi zich (goed) houden, goed 
blijven [v. vruchten]; — (o«) run- 
ning, looking 8c, blijven lopen, kij- 
ken &; — at it, ermee doorgaan; 
— down, bedwingen, in bedwang 
houden; '~' /' n, inhouden; school- 
houden; — out, (er) buiten hou- 
den; buiten blijven; — to, (zich) 
houden aan; bhjven bij; — to- 
gether, bijeenhouden of -blijven; 
'^ u p, opblijven; ophouden, onder- 
houden [vriendschap, kennis, strijd 
&]; handhaven; volhouden. 
keeper ['kirps] bewaarder; bewaker, 
oppasser, opzichter; cipier. 

10 



keeping 



146 



knacker 



keeping ['kiipirj] bewaring; hoede; 

onderhoud o\ overeenstemming; in 

{out of) '-~' with, (niet) strokendmet. 
keepsake ['ki:pseik] herinnering, 

souvenir o. 
keg [keg] vaatje o. 
ken [ken] gezichtskring, (ge)zicht o. 
kennel ['kenl] (honde)hok o; troep 

[jachthonden]; hoi o; goot. 
kept [kept] V.T. & V.D. van keep. 
kerchief ['ksrtjif] hoofddoek, hals- 

doek. 
kernel ['ksmsl] korrel; pit, kern. 
ketch [ketj] kaag [schip]. 
kettle ['ketl] ketel; a pretty ~ of 

fish, een mooie boel. 
key [ki:] sleutel; toon(aard); toets, 

klep; aj sleutel-, hoofd-, voornaam- 

ste, belangrijk, onmisbaar; vt span- 

nen; stemmen; — up, opschroeven. 
keyboard ['ki:bD:d] klavier o, toet- 

senbord o. 
keyhole ['ki:houl] sleutelgat o. 
keynote ['ki:nout] grondtoon. 
key-ring ['kiirig] sleutelring. 
keystone ['ki:stoun] sluitsteen. 
khaki ['ka:ki] kaki a. 
kick [kik] schop, trap; (terug)stoot; 

fig fut; vi schoppen, trappen; sto- 

ten; ■ — • off, de aftrap doen. 
kick-off ['kik'3:f] aftrap. 
kid [kid] jonge geit; geitele(d)er o, 

glace o [leer]; kind o, jochie o. 
kiddy ['kidi] peuter, kleine. 
kid glove ['kid'gkv] glacehandschoen. 
kidnap ['kidnaep] ontvoeren. 
kidnapper ['kidnasps] ont\'oerder. 
kidney ['kidni] nier; of that — , van 

dat slag (soort). 
kidney-bean ['kidni'bi:n] bruine 

boon; snijboon; pronkboon. 
kill [kil] doden; slachten; fig te niet 

doen, afmaken [een wet]; be — ed, 

ook: sneuvelen. 
killing ['kilir)] dodelijk, moorddadig; 

onweerstaanbaar aardig, leuk &. 
kill-joy ['kildgDi] spelbederver. 
kiln [kil(n)] (droog)oven. 
kilogram (me) ['kibgraem] kilogram o. 



kilometer, — ^metre ['kibmiita] kilo- 
meter. 
kilt [kilt] rokje o der Bergschotten. 
kin [kin] verwantschap, geslacht Oj 

familie; ■ — ■ to, verwant aan. 
kind [kaind] soort, slag o, aard; 

...of a '—', zo'n soort...; / — of 

thought so, dat dacht ik wel half 

en half; nothing of the — !, niets 

van dien aard; niets daarvan!; af 

vriendelijk, goed. 
kind-hearted ['kaind'ha:tid] goed- 

_ (hartig). 
kindle ['kindl] ontsteken; aansteken, 

doen ontvlammen of ontbranden; 

vuur vatten. 
kindliness ['kaindlinis] goedheid, 

vriendelijkheid, welwillendheid. 
kindly ['kaindli] vriendelijk, goed- 

(aardig), welwillend; — tell me..., 

wees 20 goed mij te zeggen. 
kindness ['kaindnis] vriendelijkheid, 

goedheid. ■ 
kindred ['kindrid] (aan)verwant. 
king [kig] koning, heer; dam; go to 

'—, dam halen. 
kingdom ['kigdam] koninkrijk o. 
kinship ['kinjip] (bloed)verwant- 

schap. 
kinsman ['kinzmsn] bloedverwant. 
kipper ['kips] gezouten en gerookte 

baring of andere vis; vt zouten en 

roken. 
kiss [kis] kus, zoen; schuimpje o; vt 

kussen, zoenen. 
kit [kit] uitrusting; gereedschappen. 
kitchen ['kitjin] keuken. 
kitchen-garden ['kitjin'gaidn] moes- 

tuin. 
kitchen-range ['kitjinreindg] kook- 

fornuis o. 
kite [kait] wouw; vlieger. 
kith [ki6] '^ and kin, kennissen en 

verwanten. 
kitten ['kitn] katje o. 
knack [n£ek] slag, handigheid; (zot- 

te) gewoonte, aanwensel o. 
knacker ['naeks] (paarden)vilder; 

sloper. 



knapsack 147 

knapsack ['naepsaek] ransel, knapzak. 
knave [neiv] schurk, schelm; boer [in 

het kaartspel]. 
knavery ['neivsri] schurkerij. 
knavish ['neivij] schurkachtig, schur- 

ken-. 
knead [ni:d] kneden. 
knee [ni:] knie. 

knee-breeches ['niibritjiz] kniebroek. 
knee-cap ['ni:kaep] kniebeschermer; 

knieschijf. 
kneel [ni:I] knielen (voor, to). 
knelt [nelt] V.T. & V.D. v. kneel. 
knew [nju:] V.T. v. know. 
knickerbockers ['nikaboksz], knickers 

['nikaz] wijde kniebroek. 
knick-knack ['niknaek] snuisterij. 
knife [naif] mes o. 
knife-board ['naifbDid] slijpplank. 
knife-grinder ['naifgrainda] messen- 

slijper, scharenslijper. 
knife-rest ['naifrest] messelegger. 
knight [nait] ridder; paard o [v. 

schaakspel]; vt tot ridder slaan; tot 

de adelstand verheffen. 
knight-errant ['nait'erant] dolende 

ridder. 
knighthood ['naithud] ridderschap o 

[waardigheid], ridderschap v [ver- 

zamelnaam]. 
knightly ['naitli] ridderlijk, ridder-. 
knit [nit] breien, knopen; (ver) bin- 
den, verenigen; he — his brows, 

hij fronste de wenkbrauwen; V.T. 

& V.D. van knit. 
knitting-needle ['nitir)ni:dl] brei- 

naald. 
knob [oDb] knobbel, knop; knoest. 
knobby ['nobi] knobbelig. 



labourer 



knobstick ['nsbstik] knuppel. 

knock [oDk] slag, klap, klop, geklop 
o; there is a ■ — tat the door), er 
wordt geklopt; vi slaan, (aan)klop- 
pen, bonzen; — about, rondslen- 
teren; rondscharrelen; — {one's 
head) against, het hoofd stoten 
tegen; — d o w n, neerslaan, om- 
gooien, omverlopen, aanrijden [met 
auto]; uit elkaar nemen; toewijzen 
[op vendutie]; verslaan; — out, 
(er) uitslaan, uitkloppen; verslaan; 
bewusteloos slaan [bij 't boksen]. 

knocker ['naka] klopper. 

knock-knees ['nokniiz] x-benen. 

knock-out ['oDk'aut] het uitslaan [bij 
boksen], genadesiag. 

knot [oDt] knoop; strik; band; knob- 
bel; knoest; knoedel, knot; groepje 
o (mensen); vt knopen; verbinden; 
ven,\fikkelen. 

knotted ['nDtid] knoestig, kwastig. 

knotty C'nati] vol knoesten; netelig, 
ingewikkeld. 

know [nou] kennen, (soms: kunnen); 
herkennen; weten; ondervinden, mer- 
ken, zien; there is no — ing..., men 
kan niet weten. 

knowing ['nouirj] kundig, schrander; 
geslepen, slim; veelbetekenend. 

knowingly ['nouigli] willens en we- 
tens, met opzet; kundig; veelbete- 
kenend. 

knowledge ['nalidg] kennis, kunde; 
(mede)weten o; it is common — , 
't is algemeen bekend. 

known [noun] V.D. van know. 

knuckle ['nAkl] knokkel; schenkel. 



1 [el] (de letter) 1. 

label ['leibl] etiket o, label, strook; 

benaming; vt etiketteren; noemen. 
laboratory ['laebaratari] laborato- 

rium o. 
laborious [la'b3:rias] werkzaam; 



moeizaam, zwaar. 
labour ['leiba] arbeid, werk o\ 

moeite; de werkkrachten of arbei- 

ders; vi arbeiden, werken, zich 

moeite geven, zwoegen. 
labourer ['leibara] arbeider. 



laburnum 



148 



landed 



laburnum [b'bainam] goudenregen. 
labyrinth ['laebirinG] doolhof. 
lac [leek] lak o Si m, lakwerk o. 
lace [leis] veter, rijgsnoer o; boord- 

sel o, galon o 8i ;«; kant; vt rijgen, 

snoeren; galonneren; versieren. 
lace-boot ['leisburt] rijglaars. 
lacerate ['lEsareit] (ver)scheuren. 
lacing E'leisif)] veter, boordsel o. 
lack [leek] gebrek o, gemis o, behoef- 

te, tekort o (aan, of); vt gebrek 

hebben aan; be — ing, ontbreken. 
lackey ['laeki] lakei. 
laconic [b'konik] laconiek, kort en 

bondig. 
lacquer ['lasks] lak o Si m, vernis o 8i 

m\ lakwerk o\ vt (ver)lakken, ver- 

nissen. 
lacuna [b'kjurns] leemte, gaping, 
lad [laed] knaap; jongen. 
ladder ['lasds] ladder; vi ladderen. 
laddie ['laedi] knaap, ventje o. 
lade [leid] laden, beladen. 
laden ['leidn] V.D. v. lade. 
lading ['leidirj] lading. 
ladle ['leidl] pollepel; vt [met een 

lepel] opscheppen. 
lady ['leidi] dame, vrouw (des hui- 

zes), „mevrouw" [v. de meid]; lady 

[echte dame & titel]; the {my) old 

-"j moeder de vrouw; Our Lady, 

Onze-Lieve- Vrouw. 
ladybird ['leidibatd], '~-bug [-bAg] 

lieveheersbeestje o. 
Lady Day ['leididei] Maria-Bood- 

schap. 
lady friend ['leidi'frend] vriendin. 
lady help ['leidi'help] hulp in de 

huishouding. 
ladylike ['leidilaik] vrouwelijk, als 

een dame. 
ladyship ['leidijip] ladyschap, lady's 

titel; her (your) '~, Lady... 
lady's-maid ['leidizmeid] kamenier. 
lag [Iseg] achteraankomen, achter- 

blijven. 
lager ['laiga] lagerbier o. 
laggard ['lasgad] talmer, achterblijver; 

aj achterblijvend, traag. 



lagoon [b'gu:n] lagune. 

laic ['leiik] leek m; aj leke(n)-. 

laid [leid] V.T. & V.D. v. lay. 

lain [lein] V.D. v. lie [liggen]. 

lair [lea] hoi o, leger o [v. dier]. 

lake [leik] meer o. 

lamb [lam] lam o; lamsvlees o. 

lambent ['laembant] lekkend, spelend 

[v. vlammen]; tintelend. 
lambkin ['laemkin] lammetje a. 
lamblike ['lasmlaik] (zacht) als een 

lam. 
lame [leim] mank, kreupel; gebrek- 

kig, armzalig; vt mank (kreupel) 

maken; verlammen. 
lament [b'ment] jammerklacht, wee- 

klacht; vi (wee)klagen, jammeren; 

vt bejammeren, betreuren; the late 

■ — ed zaliger, wijlen... 

lamentable ['Isemsntsbl] beklagens- 

waardig, betreurenswaardig; jam- 

merlijk. 
lamentation [Ijemen'teijan] weeklacht, 

jammerklacht, gejammer o\ klaag- 

lied 0. 
lamina ['lasmins, meerv. laminae 

'Isemini:] dunne plaat; laag; blad o. 
lamp [Ijemp] lamp, lantaarn. 
lamp-chimney ['lasmptjimni] lampe- 

glas o. 
lampion ['Ijempisn] illumineer- 

glaasje a, vetpotje o. 
lamplighter ['laemplaits] lantaarnop- 

steker. 
lampoon [l£em'pu:n] schotschrift o. 
lamp-post ['lasmppoust] lantaarn- 

(paal). 
lance [Ia:ns] lans. 
lancer ['larnss] lansier. 
lancet ['la:nsit] lancet o. 
land [lasnd] land a; bodem; see how 

the ■ — ■ lies, poolshoogte nemen; by 

— , over land; te land; vt (laten) 

landen, doen belanden, aan land 

brengen, lossen; jig brengen [in 

moeilijkheden]; vi (aan-, be)Ian- 

den; neerkomen. 
landed ['laendid] landerijen bezitten- 

de, grond-. 



landholder 



149 



late 



landholder ['laendhoulda] grondbezit- 

ter. 
landing ['Isendir)] landing; lossing; 

aanvoer, vangst [v. vis]; landings- 

plaats, losplaats; trapportaal o. 
landing craft ['Isendirjkrarft] landings- 

vaartuig o, landingsvaartuigen. 
landing-net ['lcendir|net] schepnet o. 
landing-stage ['l£endir)steid3] aanleg- 

steiger. 
landlady ['Isendleidi] hospita; waar- 

din; huiseigenares; landvrouw. 
landlord ['Isndbid] landheer; huis- 

baas; kostbaas; waard. 
landmark ['l£endma:k] grenspaal; ba- 

ken o\ (bekend) punt o; fig mijl- 

paal. 
land-owner ['lEendouna] grondbezit- 

ter. 
landscape ['l£en(d)skeip] landschap o. 
landslide ['laendslaid] grote verschui- 

ving, nederlaag, overwinning (bij 

de verkiezing). 
landslip ['laendslip] bergstorting, 

aardverschuiving. 
land-tax ['laendtaeks] grondbelasting. 
lane [lein] landweg [tussen heggen]; 

doorgang; steeg. 
language ['lasrjgwids] taal, spraak; 

use (bad) — , vloeken, schelden. 
languid ['lasrjgwid] mat, slap, loom, 

smachtend. 
languish ['laeggwij] verflauwen; 

(ver)kv.'ijnen, (ver)smachten. 
languor ['Isrjgs] matheid, loomheid. 
languorous ['laerjgsras] kwijnend, 

smachtend; mat, loom. 
lank(y) ['l£er)k(i)] schraal, lang en 

mager; sluik [v. haar]. 
lantern ['Isntsn] lantaarn; Chinese 

— , lampion. 
lantern-slide ['laentanslaid] lantaarn- 

plaatje o. 
lap [lasp] schoot, pand [v. kleding- 

stuk]; (oor)lel; gekabbel o; vt (om)- 

wikkelen; (op)leppen, (op)slorpen; 

vi kabbelen. 
lap-dog E'lspdDg] schoothondje o. 
lapel [b'pel] lapel [v. ias]. 



Lapp [lasp], Lapponian [b'pounisn] 

Laplander; aj Laplands. 
lapse [laeps] verval o, verloop o, val, 

loop; afval(ligheid); fout; vi verlo- 

pen; (ver)vallen; afvallen, afdwa- 

len. 
lapwing ['laspwig] kievit. 
larceny ['la:sni] diefstal. 
lard [la:d] reuzel; v/ larderen, (door)- 

spekken. 
larder ['laida] provisiekamer, -kast. 
large [la:d3] groot, ruim, breed (voe- 

rig), veelomvattend; royaal; at —-', 

breedvoerig; vrij, op vrije voeten; 

over het algemeen; in 't wilde weg. 
largely ['la:d3li] in den brede; ruim- 

schoots, veel; grotendeels. 
large-minded t'laids'maindid] breed 

van opvatting, ruim van blik. 
largeness ['laidsnis] grootte; onbe- 

krompenheid. 
largess(e) ['laidses] mildheid. 
lark [la:k] leeuwerik; pret, geintje o; 

vi lol maken; vt voor 't lapje hou- 

den. 
larva [']a:v3, meerv. larvae 'la:vi:] 

larve. 
larynx ['lasrirjks] strottehoofd o. 
lash [IseJ] slag, zweepslag, gesel; wim- 

per, ooghaartje o\ vt zwepen; jig 

opzwepen; geselen; striemen; slaan; 

(vast)sjorren. 
lass [lees] deerntje o, meisje o. 
lassitude ['laesitju:d] moeheid, loom- 
heid, matheid; afmatting. 
lasso ['lassou] lasso. 
last [la:st] leest; last o & m; aj laatst; 

vorig(e), jongstleden; hoogst; the 

■ — ■ but one, op een na de laatste; 

■ — ■ night, gisteravond; at — , ein- 

delijk, ten slotte; vi (blijven) du- 

ren; voortduren; goed blijven; het 

uithouden. 
lasting ['la:stir|] duurzaam, bestendig. 
lastly ['la:stli] ten laatste, ten slotte. 
latch [IsetJ] klink. 
latchkey ['Istjki:] huissleutel. 
late [leit] laat; te laat; laatst; jong- 

st(e); vergevorderd; vorig, gewe- 



lately 

zen; wijlen; of -~, in de laatste 

tijd. 
lately ['leitli] laatst, onlangs; in de 

laatste tijd. 
latent ['leitsnt] verborgen; latent. 
later ['leits] later; — on, later, 

naderhiand. 
lateral ['Isetaral] zijdelings, zij-. 
latest ['leitist] laatste; Alonciay at 

{the) — , op zijn laatst. 
lath [la:e] lat. 
lathe [leiS] draaibank. 
lather ['laeSa] zeepsop o\ schuim o\ vi 

schuimen; vt inzepen. 
Latin ['lastin] Latijn o; a] Latijns. 
latitude ['lastitju:d] (geografische) 

breedte; hemelstreek; vrijheid, speel- 

ruimte; omvang. 
latter ['lasts] laatstgenoemde, laatste 

(van twee). 
lattice ['Isetis] traliewerk o, open lat- 

werk o\ vt van tralie-, latwerk voor- 

zien. 
laud [b:d] loven, prijzen. 
laudable ['bidabl] lof-, prijzens- 

waardig. , 

laudatory ['bidatari] prijzend, lo- 

vend; lof-. 
laugh [la:f] lach, gelach o\ get {have) 

the — oj a person, iemand (kun- 

nen) uitlachen; vi lachen; -^ at, 

lachen cm, uitlachen. 
laughable ['laifabl] belachelijk. 
laughing-stock ['laifirjstDk] voorwerp 

o van bespotting. 
laughter ['la.fta] gelach o, lachen o. 
launch [b:nj, lainj"] barkas; vt wer- 

pen, slingeren; te water laten; lan- 

ceren, beginnen, inzetten, ontkete- 

nen; •~ forth fig in zee steken; 

• — ' into, aan... beginnen. 
launder ['b:n-, 'lainda] wassen en 

opmaken. 
laundress ['b;n-, 'la:ndris] wasvrouw. 
laundry ['b;n-, 'la:ndri] was; was- 

huis o, wasserij. 
laurel ['brsl] laurier; lauwerkrans; 

■ — s, fig lauweren; vt lauweren. 
lava ['la:v3] lava. 



150 lay sister 



lavatory ['l£ev3t3ri] wasplaats; toilet 
o, retirade, W.C. 

lavender L'lsevinds] lavendel. 

lavish ['IseviJ] verkwistend, kw,'istig 
(met, of); overvloedig; vt kwistig 
uitdelen; verkwisten (aan, upon). 

law [b:] wet; recht o; justitie; voor- 
sprong; bedenktijd; be at — , in 
proces liggen; go to ~, de weg 
van rechten inslaan; procederen. 

law-abiding ['biabaidirj] gehoorzaam 
(aan de wet), ordelievend. 

law-breaker [']3:breik3] wetsovertre- 
der. 

lawcourt ['b:kD:t] rechtbank. 

lawful ['b:ful] wettig. 

lawless ['b:lis] wetteloos; bandeloos. 

lawn [b:n] grasperk o\ batist o. 

lawn-mower ['binmous] grasmaai- 
machine. 

lawsuit ['b:siu:t] rechtsgeding o, pro- 
ces o. 

lawyer ['bijs] rechtsgeleerde, advo- 
caat. 

lax [Isks] los, slap, laks. 

lay [lei] ligging; lied o, zang; V.T. 
V. lie [liggen]; aj wereldlijk, le- 
ke(n)-; vt leggen; aan-, beleggen; 
richten [kanon]; — the cloth, — 
dinner, de tafel dekken; • — b y, 
ter zijde, wegleggen, afdanken; 
sparen; — d o w n, neerleggen; 
(vast)stellen [regels], voorschrijven, 
bepalen, uitstippelen; -^^ // o n, 
overdrijven; — it on thick, het er 
dik opleggen; — • out, uit-, aan- 
leggen; uitgeven, besteden (aan, 
/'«); be laid up, (ziek) liggen, het 
bed moeten houden. 

lay brother ['lei'brASa] lekebroeder. 

lay-days ['leideiz] ligdagen. 

laydown ['leidaun] • — collar, liggen- 
de boord o Si m. 

layer ['leia] laag; leghen. 

lay figure ['lei'figs] ledenpop. 

layman ['leiman] leek. 

lay-out ['lei'aut] aanleg; ontwerp o; 
uitvoering; inrichting. 

lay sister ['iei'sists] lekezuster. 



laze 



151 



lee 



laze [leiz] luilakken, lummelen. 
lazy ['leizi] lui, vadsig. 
lazy-bones ['leizibounz], lazy-boots 

['leizibu:ts] luiwammes, luilak. 
lb. = pound {s) [gewicht]. 
lead [led] lood o\ the — s (of a 

house), het plat; aj loden; ft loden. 
lead [li;d] leiden; (aan)voeren; voor- 

opgaan, de leiding hebben; uitko- 

men [bij 't kaarten]; -^ the way, 

voorgaan, vooropgaan; be led, a - 

way, zich laten meeslepen; — on, 

vooropgaan, aanvoeren; meeslepen; 

take the —^, de leiding nemen. 
leaden ['ledn] loden, loodzwaar; 

loodgrijs. 
leader ['liida] (ge)leider, leidsman, 

aanvoerder; hoofdartikel o. 
leadership ['li:dajip] leiding. 
leading ['li:dir|] leiding; aj leidend; 

vooraanstaand; eerste, voorste, voor- 

naamste; hoofd-. 
leading-strings ['li:dir)strir)z] leiband. 
lead-pencil ['led'pensil] potlood o. 
leaf [li:f] blad o; vleugel [v. deur]; 

turn over a new ■ — ■, een nieuw en 

beter leven beginnen. 
leaflet ['li:flit] blaadje o\ strooibil- 

jet 0, traktaatje o. 
league [li;g] verbond o, bond; (zee)- 

mijl; L — oj Nations, Volkenbond; 

be in ■ — ■ with, samenspannen (heu- 

len) met; vt & vi een verbond aan- 

gaan, (zich) verbinden. 
leak [li:k] lek o; lekkage; vi lekken. 
leakage ['li:kid3] lekkage, lek a. 
leaky ['li:ki] lek. 
lean [li:n] (laten) leunen; (over)- 

hellen, neigen; a] mager, schraal. 
leaning ['liinirj] overhelling; neiging. 
leant [lent] V.T. & V.D. v. lean. 
leap [li:p] sprong; by -^j- {and 

bounds'), met (grote) sprongen; vi 

springen; vt over... springen; over- 

slaan. 
leap-frog ['li:pfng] haasje-over o. 
leapt [lept] V.T. & V.D. v. leap. 
leap-year ['liipjis] schrikkeljaar o. 
learn [bin] leren; vernemen; te we- 



ten komen. 

learned [b:nt, -d] leerde; [heb] ge- 
leerd; ['Isinid] aj geleerd. 

learning ['binir)] geleerdheid, weten- 
schap. 

learnt [b:nt] V.T. & V.D. van learn. 

lease [li:s] huurceel, -contract o; 
verhuring; huurtijd; pacht, huur; 
long — , erf pacht; my ■ — ' oj life, 
mijn levensduur; vt (ver)huren; 
(ver)pachten. 

leasehold ['li.should] pacht; pacht- 
hoeve, pachtgoed o. 

leaseholder ['litshoulda] pachter. 

leash [li:J] koppel; band; drietal o 
[honden &]; vt binden, (aan)kop- 
pelen. 

least [li:st] kleinste, minste, gering- 
ste; at — , ten minste; not in the. 
— , volstrekt niet. 

leather ['leSa] leder, leer o\ aj leren; 
vt met leer bekleden; (af)ranselen. 

leathery ['leSsri] leerachtig, leer-. 

leave [li;v] verlof o; take -~, af- 
scheid nemen; take French - — •, stil- 
letjes weggaan of verdwijnen; b y 
your ■ — ■, met uw verlof; o « — , 
met verlof; vi weggaan, vertrek- 
ken; vt verlaten; nalaten; overlaten; 
laten, achterlaten, laten staan (lig- 
gen); — alone, er van afblij- 
ven, zich niet bemoeien met, met 
rust laten; — off, afleggen [kle- 
ren]; ophouden met; ■ — ■ out, uit-, 
weglaten; overslaan; voorbijgaan. 

leaven ['levn] zuurdeeg o; zuurdesem; 
vt desemen; doortrekken, doordrin- 
gen (van, with). 

leavings ['li:vir)z] overblijfsel o, over- 
schot o, kliekjes, afval o 8i m. 

lecture ['lektjs] lezing; college o\ 
strafpreek; vi lezing (en) houden, 
college geven; de les lezen. 

lecturer ['lektjara] wie een lezing 
houdt, spreker; lector. 

led [led] V.T. & V.D. v. lead. 

ledge [leds] richel, rand. 

ledger ['ledsa] grootboek o. 

lee [li:] lij. 



leech 



152 



lessor 



leech ['li:tj] bloedzuiger. 

leek [li;k] prei. 

leer [lis] gluren. 

lees [li:z] droesem, grondsop o. 

leeward ['li:w3d] lijwaarts, onder de 

wind. 
leeway ['li:wei] make ■ — ■, afdrijven; 

make up '~, de achterstand inha- 

len. 
left [left] linkerhand, linkerzijde; aj 

links, linker; V.T. & V.D. v. leave; 

any tea ~-?, nog thee over? 
left-handed ['left'hsendid] links. 
left-overs ['left'ouvsz] kliekjes. 
leg [leg] been o, bout; poot; pijp [v. 

broek]; schacht [v. laars]; jig ge- 

deelte o, etappe; give one a — 

{up'), een handje helpen, een zetje 

geven; pull a person' s ■ — • , iem. voor 

't lapje houden; vt in: — ;'/, lopen. 
legacy ['legasi] legaat o, erfenis. 
legal ['li:g3l] wettig; rechtskundig. 
legality [ii'gseliti] wettigheid. 
legalization [liigslai'zeijsn] legalisa- 

tie; wettiging. 
legalize ['liigslaiz] legaliseren; wet- 

tigen. 
legatee [lega'ti:] legataris. 
legation [li'geij'sn] legatie. 
legend ['ledssnd] legende; rand- 

schrift o, opschrift o, onderschrift o. 
legendary ['ledssndsri] legendarisch. 
legging ['legif)] beenkap. 
legible ['ledsibl] leesbaar, te lezen. 
legion ['li:d33n] legioen o\ legio. 
legislation [ledsis'leijan] wetgeving. 
legislative ['ledsisleitiv] wetgevend. 
legislator ['ledsisleita] wetgever. 
legitimacy [li'dsitimssi] wettigheid, 

rechtmatigheid, echtheid. 
legitimate [li'd3itimit] wettig, recht- 

matig, echt; [li'd3itimeit] vt wet- 

tigen, echten. 
legitimation [lidsiti'meijan] wettig-, 

echtverklaring, echting. 
leisure ['lesa] (vrije) tijd; at — , op 

zijn gemak; be at — , onbezet zijn, 

niets te doen (om handen) hebben; 

ai vrij. 



leisured ['le33d] met veel (vrije) tijd. 
leisurely ['lesali] op zijn gemak; be- 

daard. 
lemon ['leman] citroen. 
lemonade [lema'neid] (citroen)li- 

monade. 
lemon-squash ['lemsn'skwoj] citroen- 

kwast. 
lemon-squeezer ['lemanskwiiza] ci- 

troenpers. 
lend [lend] (uit)lenen; verlenen; — a 

{helping) hand, een handje helpen. 
lender ['lends] (uit)lener; geldschie- 

ter. 
length [lei] 6] lengte, grootte; af stand, 

duur; eind(je) o\ at ■ — ■, eindelijk, 

ten slotte; voluit; uitvoerig; {at) 

full — , languit; ten voeten uit; le- 

vensgroot. 
lengthen ['lerjOn] (ver)lengen. 
lengthy ['lerjGi] lang(gerekt), wijd- 

lopig, langdradig. 
leniency ['liinisnsi] zachtheid, zacht- 

zinnigheid; toegevendheid. 
lenient ['liiniant] zacht(zinnig); toe- 

gevend. 
lenitive ['lenitiv] verzachtend (mid- 
del o). 
lens [lenz] lens; loep. 
Lent [lent] vasten. 
lent [lent] V.T. & V.D. v. lend. 
lenten ['lentsn] vasten-. 
lentil ['lentil] linze. 
leopard ['lepad] luipaard. 
leper ['leps] melaatse, lepralijder. 
leprosy ['leprssi] lepra, melaatsheid. 
leprous ['lepras] melaats. 
lesion ['li:33n] beschadiging, benade- 

ling; letsel o, kneuzing. 
less [les] minder, kleiner; min(us). 
lessee [le'si:] huurder, pachter. 
lessen ['lesn] verminderen; afnemen; 

kleiner worden, verkleinen. 
lesser ['less] kleiner, minder; 

klein(st). 
lesson ['lesn] les; teach one a '-', 

iemand een lesje geven. 
lessor [le'sD;] verhuurder, verpach- 

ter. 



lest 



153 



life 



lest [lest] uit vrees dat, opdat niet. 

let [let] verhinderen, (be)letten; la- 
ten, toelaten; verhuren; to — , te 
huur; ■ — ' alone, zich niet be- 
moeien met; — • alone, laat staan, 
daargelaten dat...; ■ — ' down, neer- 
laten, laten zakken; jig in de steek 
laten; erin laten lopen; — ojj, 
los-, vrijlaten; laten vallen; kwijt- 
scheiden; ontslaan, vrijstellen van; 
afschieten, afsteken [vuurwerk]; 
V.T. & V.D. van let. 

lethargy ['leBadgi] slaapzucht, diepe 
slaap, doffe onverschilligheid. 

letter ['leta] brief; letter; verhuur- 
der; man of ^^s, geleerde, letter- 
kundige; by '—, per brief, schrif- 
telijk; to the — , letterlijk; vt let- 
teren, merken. 

letter-box ['letabsks] brievenbus. 

letterpress ['letspres] bijschirift o, 
tekst [bij plaatje]. 

lettuce ['letis] latuw, salade, sla. 

levee ['levi] receptie [ten hove voor 
heren]. 

level ['levl] waterpas o\ niveau o, 
Spiegel, peil o; vlakte; vlak o; on a 
— , op gelijke hoogte; op een lijn 
(staand); a] waterpas, horizontaal, 
vlak; gehjk(matig); get ■ — ■ with, 
quitte worden, afrekenen met; vt 
gelijkmaken, slechten; waterpassen; 
richten, aanleggen [geweer] ; mun- 
ten (op, at). 

level crossing ['levl'krDsir)] overweg. 

lever ['li:v3] hefboom. 

leviathan [li'vaiaBan] kolos. 

levity ['leviti] licht(zinnig)heid. 

levy ['levi] heffing; lichting; vt hef- 
fen; lichten; — war, een oorlog be- 
ginnen, oorlog voeren. 

lewd [lju:d] ontuchtig, wulps. 

liability [laia'biliti] verantwoordelijk- 
heid; (geldelijke) verplichting; jig 
last, blok o aan het been, nadeel o\ 
liabilities, passief o. 

liable ['laiabl] verantwoordelijk; on- 
derhevig, blootgesteld (aan, to); ■ — 
to service, dienstplichtig. 



liar ['laia] leugenaar. 

libel ['laibal] smaadschrift o; smaad; 
vt belasteren. 

libellous ['laibabs] lasterlijk. 

liberal ['libarsl] mild, royaal; over- 
vloedig; liberaal, vrijzinnig; vrij. 

liberality [libs'rasliti] mildheid, gul- 
heid; vrijzinnigheid. 

liberate ['libsreit] bevrijden, vrij- 
laten, ontslaan. 

liberation [liba'reijan] bevrijding, 
vrijlating. 

liberator ['libareits] bevrijder. 

libertine ['libstin] lichtmis; aj los- 
bandig. 

liberty ['libati] vrijheid; at ~', vrij; 
in vrijheid. 

librarian [lai'brEsrian] bibliothecaris. 

library ['laibrari] bibliotheek; stu- 
deerkamer. 

lice [lais] meerv. van louse. 

licence ['laissns] verlof o, vergun- 
ning, vrijheid, losbandigheid; pa- 
tent 0, diploma o\ rijbewijs o. 

license ['laissns] vergunning verlenen, 
toelaten, patenteren. 

licentious [iai'senjas] los(bandig). 

lichen ['laiksn] korstmos o. 

lick [lik] lik; mep; vt likken (aan); 
(af)ranselen, het winnen van. 

licking ['likirji rammeling. 

lid [lid] deksel o\ lid o; that puts the 
— on it, dat doet de deur dicht, 
dat is het toppunt. 

lie [lai] leugen; ligging; give a per- 
son the ~', iemand iets heten lie- 
gen; give the ■ — ■ to, verloochenen, 
logenstraffen; vi liegen; liggen; — 
about, rondslingeren; — down, 
gaan liggen; — down under, op 
zich laten zitten; — low, zich koest 
(schuil) houden. 

liege [Ii;d3] leenheer; leenman. 

lien ['li:3n] pandrecht o. 

lieu [Iju:], in — oj, in plaats van. 

lieutenant [lef'ten3nt] luitenant; 
plaatsvervanger; jig schildknaap. 

life [laif] leven o, (levens)duur, le- 
vensbeschrijving; as large as ■ — ■, le- 



lifebelt 



154 



limitation 



vensgroot; in levenden lijve; for 
dear {very) ~', for his ■ — ■, uit 
alle macht, wat hij (zij &) kon; 
not for the — of me, nog voor 
geen geld van de wereld; / o the 
■ — •, sprekend gelijkend. 

lifebelt ['laifbelt] redding(s)gordeI. 

lifeboat ['laifbout] redding(s)boot. 

lifebuoy ['laifboi] redding(s)boei. 

life-guard ['laifga:d] lijfwacht. 

life-insurance ['laifinjusrans] levens- 
verzekering. 

life-jacket ['laifd3aekit] redding(s)- 
vest o. 

lifeless ['laiflis] levenloos. 

lifelong ['laifbrj] levenslang. 

Iife-si2e(d) ['laif'saiz(d)] (op) na- 
tuurlijke grootte, levensgroot. 

lifetime ['laiftaim] levensduur; men- 
senleeftijd. 

lift [lift] (op)heffing; til; lift; get a 
-~', (voor niets) mee mogen rijden; 
give one a — , iemand mee laten 
rijden; fig hem een zetje geven; vt 
(op)heffen, (op)tillen, (op)lichten; 
verheffen; opslaan [de ogen]; op- 
steken [de hand &]; rooien; om- 
hooggaan, rijzen; optrekken [v. 
mist]. 

light [lait] licht o; levenslicht o\ 
vlammetje o, lucifer; vt verlichten, 
bij-, voorlichten; aan-, op-, ontste- 
ken; vi lichten; af licht, helder; ge- 
makkelijk; lichtzinnig, luchtig; los 
[v. grond]. 

lighten ['laitn] verlichten, verhelde- 
ren, opklaren; (weer) lichten. 

lighter ['laita] aan-, ontsteker; lich- 
ter. 

light-headed ['lait'hedid] licht in 't 
hoofd; lichtzinnig. 

light-hearted ['lait'haitid] opgewekt; 
luchtig, lichthartig. 

lighthouse ['laithaus] vuurtoren; '~ 
keeper, vuurtorenwachter. 

lightning ['laitnifj] weerlicht o & m, 
bliksem; a] bliksemsnel. 

lightning-conductor, ~rod, ['laitnirj- 
ksndAkts, -rod] bliksemafleider. 



lignite ['lignait] bruinkool. 

like [laik] gelijke, weerga; • — ' draws 

to -~, soort zoekt soort; the ■ — , 

iets dergelijks; a] gelijk, dergelijk, 

(de)zelfde; gelijkend; (zo)als; zo; 

what is it ■ — ■ .'', hoe ziet het er uit, 

hoe is het, wat is het voor iets?; 

that is just — him, dat is net iets 

voor hem. 
like [laik] voorliefde; — s and dis- 
likes, sympathieen en antipathieen; 

vt houden van, (gaarne) mogen, 't 

prettig (aardig, lekker &) vinden; 

/'/ you ■ — ■, als u wilt; I ■ — to see 

it, ik zie het graag. 
Iik(e)able ['laikabl] prettig, aange- 

naam, sympathiek. 
likelihood ['laiklihud], likeliness 

['laiklinis] waarschijnlijkheid. 
likely ['laikli] waarschijnlijk; ge- 

schikt, aardig; knap [v. uiterlijk]; 

not '~.', kan je begrijpen! 
liken ['laikn] vergelijken (bij, to). 
likeness ['laiknis] gelijkenis; gedaan- 

te; portret o. 
likewise ['laikwaiz] evenzo; des-, 

insgelijks, eveneens, ook. 
liking ['laikirj] zin, smaak, lust, 

(voor) lief de. 
lilac ['laibk] sering; a] lila. 
Lilliputian [lili'pjuijsn] Lilliputter, 

fig lilliputter. 
lily ['lili] lelie; — of the valley, le- 

lietje-van-dalen o. 
limb [lim] lid o\ '~j, ledematen. 
lime [laim] (vogel)lijm; kalk; linde- 

boom; limoen. 
limelight ['laimlait] kalklicht o\ in 

the — , in het schelle licht der pu- 

bliciteit. 
limestone ['laimstoun] kalksteen o & 

m. 
lime-tree ['laimtri:] lindeboom. 
limit ['limit] (uiterste) grens, grens- 

lijn; limiet; that's the ■ — \ dat is 

het toppunt; vt begrenzen, beper- 

ken; limiteren. 
limitation [limi'teijsn] beperking, 

grens; beperktheid. 



ited 



155 



litter 



limited ['limitid] begrensd, beperkt; 
bekrompen; — liability company, 
naamloze vennootschap (met be- 
perkte aansprakelijkheid). 

limp [limp] slap; vi hinken, mank, 
kreupel lopen. 

limpid ['limpid] helder, doorschij- 
nend. 

linden ['lindsn] lindeboom, linde. 

line [lain] lijn, regel, streep; grens- 
(lijn); regeltje o; (richt)snoer o; 
touw o\ linie; reeks, rij; branche, 
vak o; artikel o\ ■ — ■ oj action {of 
conduct), gedragslijn; draw the — 
somewhere, een grens trekken; take 
a '^ of one's own (one's own — ), 
zijn eigen weg gaan, zijn eigen in- 
zicht volgen; along the — s of, 
in de geest (zin, trant) van, op de 
wijze van; /' n — with, op een lijn 
(staand) met; in overeenstemming 
met; come into ■ — ' with..., zich 
scharen aan de zijde van; o n these 
■^s, op deze basis (voet, leest); pt 
strepen; afzetten [met soldaten], 
staan langs; voeren, bekleden, be- 
leggen, beschieten; — t/p, (zich) 
opstellen. 

lineage ['liniidg] geslacht o, afkomst; 
nakomelingschap. 

lineament ['liniamant] (gelaats)trek. 

linen ['linin] linnen(goed) o; aj lin- 
nen. 

linen-draper ['linindreips] manufac- 
turier. 

liner ['lains] lijnboot. 

linger ['lirjga] toeven, talmen; wei- 
felen; kwijnen. 

lingo E'lirjgou] (vreemd) taaltje o. 

linguist ['lifjgwist] taalkundige. 

linguistic [lirj'gwistik] taalkundig, 
taal-; --^j, taalwetenschap. 

liniment ['linimsnt] smeersel o. 

lining ['lainii]] voering, bekleding. 

link [ligk] schakel; (pek)toorts; fig 
band; ■ — 'S, golfbaan; schakelman- 
chetknopen; vt steken (door, in); 
— (up), (aaneen)schakelen, (zich) 
verbinden, (zich) verenigen, (zich) 



aansluiten. 
linoleum [li-, lai'nouljam] linoleum o 

& m. 
linseed ['linsiid] lijnzaad o. 
lion ['laian] leeuw. 
lioness ['laisnis] leeuwin. 
lip [lip] lip. 

lipstick ['lipstik] lippenstift. 
liqueur [li'kjua] likeur. 
liquid ['likwid] vioeistof; aj vloei- 

baar; vloeiend; liquide. 
liquidate ['likwideit] vereffenen; li- 

quideren. 
liquidation [likwi'deijan] vereffening; 

liquidatie. 
liquor ['lika] vocht o; (sterke) 

drank. 
liquorice ['liksris] zoethout o; drop. 
lisp [lisp] lispelen, lispen. 
list [list] lijst; catalogus; zelfkant; 

slagzij(de), overhelling; ~-j-, 

(strijd)perk o; vt in-, opschrijven, 

noteren, catalogiseren, vermelden, 

opsommen; vi overhellen. 
listen ['Hsn] luisteren (naar, to); — 

in (to), luisteren (naar), beluiste- 

ren [radio], 
listener ['lisns] luisteraar. 
listener-in ['lisns'rin] (radio) luiste- 
raar. 
listless ['listlis] lusteloos, slap, 
lit [lit] V.T. & V.D. v. light. 
litany ['litsni] litanie. 
literal ['litaral] letterlijk. 
literary ['litsrsri] letterkundig; ge- 

letterd. 
literature ['lit(3)ratj'3] literatuur, 

letterkunde; (reclame) drukwerk o: 

brochures, enz. 
lithe(some) ['Iai5(s3m)] buigzaam, 

lenig. 
lithography [li'SDgrsfi] lithografie. 
litigious [li'tid33s] pleitziek; be- 

tvv"istbaar; recht(s)-. 
litmus ['litmss] lakmoes o. 
litre ['li:t3] liter. 
litter ['lits] draagkoets, (draag)baar; 

(stal)stro o, strooisel o; worp [var- 

kens]; rommel; vt van stro voor- 



little 



156 



lodging-house 



zien, strooien; bezaaien; overal (or- 
deloos) neergooien. 

little ['litl] klein, kleinzielig; weinig; 
■ — ■ butter, weinig boter; a — but- 
ter, een beetje (wat) boter; the ■ — 
one(s), de kleine(n); after a ~', 
na korte tijd; — by — , langza- 
merhand; for a ■ — , een' poosje; 
/' « — , in het klein. 

liturgy ['litadsi] liturgie. 

live [laiv] levend; levendig; edit, heus 
[beest]; actief, energiek; gloeiend 
[kool]; scherp, niet ontploft, gela- 
den, onder stroom; actueel, bran- 
dend [v. kwestie]; [liv] vt leven, 
bestaan; blijven leven; wonen; — 
o n, blijven leven, voortleven; leven 
van; — 0)2 grass, zich voeden met 
gras; — to (be) a hundred, hon- 
derd jaar worden; — to see..., het 
beleven dat. 

livelihood ['laivlihud] kostwinning, 
kost, onderhoud o, bestaan o. 

liveliness ['laivlinis] levendigheid, 
vrolijkheid; drukte. 

livelong ['livbi]] the ■ — • day, de 
godganse dag. 

lively ['laivli] levendig, vrolijk; druk. 

liver ['liva] lever; wie leeft, levende; 
a free {loose) ■—, een losbol. 

livery ['livari] livrei. 

live-stock E'laivst^k] vee o, veestapel. 

livid ['livid] lood-, lijkkleurig, 
(doods)bleek. 

lividity [li'viditi] loodkleur, lijkkleur, 
doodsbleekheid. 

living ['livir)] leven o, bestaan o, kost; 
predikantsplaats; aj levend; --^ wage, 
een menswaardig bestaan verzeke- 
rend loon o. 

living-room ['livirjrum] huiskamer. 

lizard ['lizad] hagedis. 

lo [lou] zie!, kijk! 

load [loud] lading, last, vracht; ge- 
wicht o\ — J- of..., hopen; vt (be)- 
laden, bevrachten; bezwaren; vullen 
[pijp]; overladen. 

loading ['loudir)] lading, vracht. 

loaf [louf] brood o\ vt leeglopen. 



rondslenteren (ook: • — ' about). 
loafer ['loufs] leegloper, schooler, 
loam [loum] leem o Sc m. 
loan [loun] lening; vt (uit)lenen. 
loath [lou9] afkerig; ongenegen. 
loathe [louS] verafschuwen, een af- 

keer hebben van, walgen van. 
loathing ['lou5ir)] walg(ing), weer- 

zin. 
loathsome ['louSssm] walglijk, af- 

schuvv'elijk. 
lobby ['bbi] voorzaal, portaal o; 

koffiekamer, foyer; wandelgang. 
lobe [loub] lob; lei. 
lobster ['bbsta] zeekreeft. 
local ['loukal] plaatselijk; plaats-. 
locality [lou'kasliti] plaatselijkheid; 

plaats, lokaliteit. 
locate [lou'keit] de plaats bepalen 

van, plaatsen, vestigen. 
location [lou'keijsn] plaatsbepaling, 

plaatsing, plaats, ligging. 
loch [bx, bk] meer o. 
lock [bk] lok; slot <?; sluis; u>2der 

' — and key, achter slot en grendel; 

vt sluiten, op-, in-, om-, wegslui- 

ten; klemmen. 
lock-chamber ['bktjeimbs] schutkolk, 

sluiskolk. 
locker ['bka] kastje o, kist. 
locket ['bkit] medallion o. 
lock-keeper ['bkkiipa] sluiswachter. 
lock-out ['bk'aut] uitsluiting. 
locksmith ['bksmiG] slotenmaker. 
locomotive ['louksmoutiv] locomo- 

tief; a] zich (automatisch) voortbe- 

wegend; bewegings-. 
locum tenens ['louksm'timenz] plaats- 

vervanger. 
locust E'louksst] sprinkhaan. 
lodge [bds] optrekje o, huisje o\ 

loge [v. vrijmetselaars]; vt (neer)- 

leggen, huisvesten, zetten; depone- 

ren; indienen, inzenden (bij, with); 

vi wonen. 
lodger ['bdga] huurder. 
lodging ['bd3if)] huisvesting, (in)- 

woning, kamers; in — s, op kamers 
lodging-house ['bdsighaus] woning 



loft 



157 



loquacity 



waar kamers verhuurd worden. 
loft [bft] zolder, vliering; duiven- 

til; galerij. 
lofty ['bfti] verheven, hoog; trots. 
log [bg] blok o\ logboek o. 
logarithm ['bgariOm] logaritme. 
logbook ['bgbuk] logboek o. 
loggerhead ['bgahed] be at ^~s, el- 

kaar in het haar zitten. 
logic E'bdsik] logica, redeneerkunde. 
logical ['bdsikl] logisch. 
loin [bin] lende, lendestuk o. 
loiter ['bita] talmen, treuzelen; — 

about, rondslenteren. 
loiterer ['iDitsrs] treuzelaar, slente- 

raar. 
loll [bl] lui liggen, leunen, hangen. 
lollipop ['blipDp] snoepje o, lolly. 
London ['Undsn] Londen o. 
Londoner ['JAndsns] Londenaar. 
lone [loun] eenzaam, verlaten. 
loneliness ['lounlinis] eenzaamheid. 
lonely ['lounli], lonesome ['loun- 

S3m] eenzaam. 
long [br)] lang, langdurig; hoog 

[prijs] ; groot; — jump, versprin- 

gen o\ don't be '—, blijf niet te 

lang weg; so ' — !, tot ziens!; be- 
fore — , eerlang, weldra; vi ver- 

langen (naar, for). 
longanimity [brjga'nimiti] lankmoe- 

digheid. 
longboat ['brjbout] sleep. 
long-drawn ['br)'dr3:n] langgerekt. 
longer ['brjgs] langer; no "-, niet 

langer (meet). 
longest ['iDrjgist] langst; at (the) — , 

op zijn langst. 
longing ['bgir)] (sterk) verlangen o; 

aj verlangend. 
longitude ['bn(d)3itju:d] (geogra- 

fische) lengte. 
long-playing record ['b^jpleiirj'rekDid] 

langspeelplaat. 
long-range ['bgreinds] verdragend 

[geschut]; lange-afstands [vlucht]; 

op lange termijn. 
long-sighted ['brj'saitid] verziend; 

fig vooruitziend; — bill, langzicht- 



wissel. 

long-suffering ['brj'sAf (3)rir)] lank- 
moedig. 

long-term ['br)t3:m] op lange termijn; 
voor lange tijd. 

long-winded ['br|'windid] langdradig. 

look [luk] blik; aanzien o, gezicht o; 
voorkomen o, uiterlijk o; have a ^~-' 
at, (even) kijken naar; vi kijken, 
zien, er uitzien; lijken; ~- like, ge- 
lijken op; er naar uitzien (dat); 

— before you leap, bezint eer gij 
begint; vt er uitzien als; verraden; 
(er voor) zorgen; — after, acht 
geven op; letten op, zorgen voor; 

— at, kijken naar, bekijken; be- 
schouwen; ■ — • hack, achteruitzien, 
terugzien; omkijken; — for, uit- 
zien naar; verwachten; zoeken 
(naar) ; ■ — ■ forward to, verlan- 
gend uitzien naar; tegemoet zien; 

— o n, toekijken; — out, uitzien, 
uit... zien; (goed) uitkijken; ~- 
out], opgepast!; ■ — ■ out for, uitzien 
naar; (zeker) verwachten; ■ — to, 
(uit) zien naar; letten op, passen op; 
zorgen voor; rekenen op; verwach- 
ten; — up, opzien, opkijken; op- 
zoeken. 

looker-on ['luka'nn] toeschouwer. 
looking-glass ['lukir)gla:s] Spiegel, 
look-out E'luk'aut] uitkijk. 
loom [lu:m] weefgetouw a; vi op- 

doemen. 
loop [Iu:p] lis, lus; bocht; duikel- 

vlucht; vi omduikelen. 
loop-hole ['lu:phoul] kijkgat o, 

schietgat o\ fig uitvlucht, uitweg. 
loose [lu:s] los; ruim, wijd; slap, 
loose-fitting ['Iu:s'fitir)] loszittend. 
loosen ['lu:sn] losmaken; losgaan. 
loot [lu:t] buit, roof; plundering; vt 

(uit)plunderen, (be)roven. 
lop [bp] (af)kappen; afhakken; 

snoeien, toppen. 
loquacious [b'kweijas] babbelziek: 

spraakzaam. 
loquacity [b'kwassiti] babbelzucht; 

spraakzaamheid. 



Lord 



158 



lubricate 



Lord, lord [b:d] heer, meester; lord; 
{the) — Mayor, titel van burge- 
meesters in 't Britse Rijk; the ^^'s 
supper, het (laatste, heilig) Avond- 
maal; vt & vi — (/'/), de baas 
spelen. 

lordly ['b;dli] als een groot heer; 
voornaam, vorstelijk. 

lordship ['btdjip] heerschappij; heer- 
lijkheid; lordschap o\ your {his) 
— , Uwe (Zijne) Genade. 

lorgnette [b:n'jet] face-a-main; to- 
neelkijker. 

Lorraine [b'rein] Lotharingen o. 

lorry E'bri] vrachtauto. 

lose [lu:z] verliezen; verzuimen, laten 
voorbijgaan; kwijtraken; doen ver- 
liezen; achterlopen [uurw'erk] ; — 
one's labour, vergeefse moeite doen; 
— one's way, verdwalen. 

loser ['Iu:z3] verliezer. 

losing ['lu:zir)] verliezend; niet te 
winnen, hopeloos; — s, verlies o. 

loss [bs] verlies o, nadeel o, schade; 
at a -~, met verlies; het spoor bijs- 
ter; niet wetend [wat..., hoe...]; 
never at a —-' for a reply, nooit om 
een antwoord verlegen. 

lost [bst] V.T. & V.D. V. lose; ver- 
loren (gegaan), weg; verdwaald; 
omgekomen, verongelukt, vergaan. 

lot [bt] lot o, deel o; portie, partij, 
kaveling, perceel o\ stel o; hoop, 
heel wat, boel. 

loth [lou6] zie loath. 

lottery ['btsri] loterij. 

loud [laud] luid; luidruchtig; op- 
zichtig, schreeuwend [kleuren]. 

loud-speaker ['laud'spiika] luidspre- 
ker. 

lounge [laun(d)3] promenade; hal 
[v. hotel]; sofa, ligstoel; vi luieren; 
slenteren; lummelen. 

lounge-suit ['laun(d)3s(j)u:t] colbert- 
kostuum 0, Colbert o & m. 

louse [laus] luis. 

lousy ['lauzi] luizig; fig min. 

lout [laut] (boeren)kinkel, pummel. 

loutish ['lautij] pummelig, slungelig. 



lovable ['Uvabl] beminnelijk, bemin- 
nenswaardig, lief (tallig). 

love [Iav] liefde; geliefde; schat; 
{give) my -~ to all, de groeten 
aan allemaal; 7nake — to, vrijen 
met, het hof maken aan; for — , 
uit liefde; for the — of God, om 
godswil; in ~, verliefd (op, 
u>ith)\ out of ■ — , uit liefde; vt 
liefhebben, beminnen, houden van, 
gaarne hebben of willen. 

lovely ['Uvli] beminnelijk, lief(tal- 
lig); prachtig, mooi, heerlijk. 

lover ['1av3] (be)minnaar, liefhebber; 
a couple of — s, een vrijend (min- 
nend) paartje o. 

loving ['Uvir)] liefhebbend, liefdevol; 
toegenegen, teder. 

low [lou] laag; gering; Neder- 
[Duits]; gemeen, min; neerslach- 
tig; zacht [stem]; zwak [pols]; 
diep [bulging]; — 7nass, stille mis; 
get {run) — , opraken; vi loeien. 

low-born ['louboin] van lage ge- 
boorte. 

lower E'lous] lager (staand), laag; 
dieper; minder, geringer; beneden-, 
onder(ste); later; vt lager maken 
of draaien; temperen; verlagen; la- 
ten zakken, strijken [zeil]; fnuiken 
[trots]; ['laus] vi nors, dreigend, 
somber zien (naar, at, upon); drei- 
gen [v. wolken]. 

lowermost ['lousmoust] laagst(e). 

lowest ['louist] laagst(e); at ■ — ■, op 
zijn laagst (minst). 

lowland ['loubnd] laagland o. 

lowly ['louli] nederig, ootmoedig. 

low-minded E'lou'maindid] onedel, 
ordinair. 

lowness ['lounis] laagte, geringheid; 
neerslachtigheid. 

low-spirited ['lou'spiritid] neer- 
slachtig. 

loyal ['bial] (ge)trouw, loyaal. 

loyalty ['bialti] getrouwheid, fon- 
derdanen)trouw, loyaliteit. 

lozenge ['bzindsj ruitje o\ tabletje o. 

lubricate ['Uj)u:brikeit] olien, sme- 



lucid 



159 lyrical 



ren; lubricating oil, smeerolie. 
lucid ['I(j)u:sid] schitterend, stra- 

lend; fig helder. 
lucidity [I(j)u:'siditi] helderheid. 
luck [Uk] toeval o, geluk o, bof; 

bad — , pech; good ~-.', veel suc- 

ces!; worse — , ongelukkigerwijs; ^e 

down on one's — , be out of — , 

pech hehben. 
lucky ['Uki] gelukkig; — bird, ge- 

luksvogel, boffer. 
lucrative ['I(j)u:kr3tiv] winstgevend. 
lucre ['l(j)u:k3] winst, voordeel o. 
ludicrous ['l(j)u:dikr3s] belachelijk, 

lachwekkend, koddig. 
luff [Uf] loef(zijde); vi loeven. 
lug [lAg] trekken, slepen. 
luggage ['lAgidg] bagage. 
luggage-ticket ['JAgidstikit] bagage- 

regu o. 
luggage-van ['Ugidsvasn] bagage- 

wagen. 
lugger ['lAgs] logger. 
lugubrious [l(j)u'gju:bri3s] luguber, 

somber, treurig. 
lukewarm ['l(j)u:kwD:m] lauw. 
lull [IaI] (korte) stilte, (ogenblik o) 

rust; vt (in slaap) sussen, paaien; 

vi gaan liggen [wind]. 
lullaby ['lAJabai] wiegelied(je) o. 
lumbago [Um'beigou] spit o in de 

rug. 
lumber ['Umba] (oude) rommel. 
luminous ['l(j)u:min3s] lichtgevend, 

stralend, helder, licht-. 
lump [JAmp] stuk o, klomp, klont, 

klontje o; brok ?n &. v oi o; bult; 

hoop, boel; by (in) the ■■^, bij de 

roes, en bloc; vt bijeengooien, -ne- 

men. 
lump-sugar ['lAmp'Juga] klontjes- 

suiker. 
lunacy ['l(j)u:n3si] krankzinnigheid. 
lunar ['l(j)u:n3] maan-. 



lunatic ['l(j)u:n3tik] maanziek(e); 

krankzinnig(e); gek. 
lunch(eon) ['lAnJ(3n)] lunch; vt 

lunchen. 
lung [Ia:)] long. 
lurch [l3;tj] ruk, plotselinge slinge- 

ring; leave in the '-~, in de steek 

laten; vi slingeren, plotseling op 

zijde schieten. 
lure [Ijua] lokaas o, verlokking; vt 

(aan)lokken, weg-, verlokken. 
lurid ['l(j)u3rid] (doods)bleek, vaal- 

(bruin); ros(sig), somber; prikke- 

lend. 
lurk [bik] loeren; zich schuil hou- 

den; op de loer liggen; ^-^ing rocks, 

blinde klippen. 
luscious E'IaJss] sappig, lekker. 
lush [IaJ] sappig, mals, weelderig. 
lust [JASt] (zinnelijke) lust, wellust, 

begeerte; — of blood, bloeddorst; 

vi (vurig) begeren, dorsten (naar, 

after, for). 
lustre ['lASta] luister, glans. 
lustrous E'lAStras] luisterrijk, glans- 

rijk, schitterend. 
lusty E'lASti] kloek, flink (en ge- 

zond), krachtig, ferm. 
lute [lju:t, lu;t] luit; kit; vt (ver)- 

kitten. 
luxuriance [lAg'3u3ri3ns] weelderig- 

heid, weligheid. 
luxuriant [lAg'suariant] weelderig, 

welig. 
luxurious [lAg'3u3ri3s] luxueus, 

weelderig; wellustig. 
luxury ['lAkJsri] luxe, weelde; genot 

o\ wellust; luxuries, weeldeartike- 

len; heerlijkheden. 
lye [lai] loog. 
lynch [lin(t)J'] lynchen. 
lynx [ligks] los, lynx. 
lyre ['lais] lier. 
lyrical ['lirikl] lyrisch, lier-. 



160 



main 



M 



m [em] (de letter) m. 
macaroni [mseka'rouni] macaroni. 
mace [meis] foelie; staf, scepter. 
mace-bearer ['meisbeara] stafdrager, 

pedel. 
machinate ['maekineit] pi kuipen, in- 

trigeren; rt smeden, beramen. 
machination [maeki'neijan] intrige, 

kuiperij. 
machine [m3'J'i:n] machine, toestel o; 

fig apparaat o; fiets. 
machine-gun [m3'Ji:ngAn] mitrail- 

leur; vt mitrailleren. 
machine-gunner [ms'JirngAna] mi- 

trailleurschutter. 
machine-made [ms'Jiinmeid] machi- 

naal (vervaardigd), fabrieks-. 
machinery [ms'Jiinsri] machinerie, 

machines; mechaniek; fig apparaat 

o; inrichting; opzet. 
machine tool [ms'Jiintu:!] werktuig- 

machine. 
mackerel ['maskrsl] makreel. 
mackintosh ['maekintDj] regenjas. 
mad [maed] gek, del; krankzinnig, ra- 

zend; as ■ — as a hatter {as a Alarch 

hare), stapelgek. 
madam ['masdam] mevrouw, juf- 

frouw. 
madden ['meedn] gek, del, razend 

maken. 
made [meid] V.T. & V.D. v. make; 

a — man, iemand die binnen is; 

— up, (op)gemaakt; a ^^ up sto- 
ry, een verzonnen verhaal o. 
madhouse L'msedhaus] gekkenhuis o. 
madman ['maedman] gek, krankzin- 

nige. 
madness ['maednis] krankzinnigheid, 

razernij. 
magazine [masga'zim] magazijn o; 

tijdschrift o. 
maggot L'maegat] made. 
magic ['msdsik] toverkracht, -kunst, 

betovering; aj magisch, toverach- 

tig, betoverend, tover-. 
magician [ma'dsijan] tovenaar. 



magistrate ['mced3istrit] magistraat; 

politierechter. 
magnanimity [maegna'nimiti] groot- 

moedigheid. 
magnanimous [masg'oEoimas] groot- 

moedig. 
magnate ['maegneit] magnaat. 
magnesium [maeg'niiziam] magne- 
sium o. 
magnet ['masgnit] magneet. 
magnetic [maeg'netik] magnetisch, 

magneet-. 
magnetize ['maegnitaiz] magnetiseren. 
magneto [maeg'niitou] magneet. 
magnificence [maeg'nifisans] pracht, 

heerlijkheid, luister. 
magnificent [maeg'nifisant] prachtig, 

heerlijk, luisterrijk. 
magnify ['maegnifai] vergroten. 
magnifying-glass ['maegnifaiii]gla:s] 

vergrootglas o, loep. 
magnitude ['maegnitjuid] grootte; 

grootheid. 
magpie ['maegpai] ekster. 
mahogany [ma'hogani] mahonie- 

hout o. 
Mahometan [ma'homitan] zie Alo- 

hammedan, 
maid [meid] meid; meisje o, maagd; 

old ■ — •, oude vrijster. 
maiden ['meidn] jonkvrouw, meisje 

o, maagd; aj maagdelijk, jonkri'rou- 

welijk; ongetrouwd, meisjes-; eerste. 
maidenly ['meidnli] maagdelijk, jonk- 

vrouwelijk. 
maid-servant ['meidsa:vant] dienst- 

meisje o. 
mail [meil] malienkolder, pantser- 

hemd o\ mail, post; vt (be)pantse- 

ren; met de post of mail (ver)zen- 

den, posten. 
mail-bag ['meilbasg] postzak. 
mail-coach ['meilkoutj] postwagen. 
maim [meim] verminken. 
main [mein] hoofdleiding [v. gas], 

(licht)net o; aj voornaamste, groot- 

(ste); hoofd-; the ~- force, de 



mainland 



161 



man 



hoofdmacht; by '~ force, door ge- 
weld alleen; in the — , in hoofd- 
zaak, over 't algemeen. 

mainland ['meinbnd] vasteland o, 
hoofd(ei)land o. 

mainly ['meinli] voornamelijk. 

mainspring ['meinsprirj] grote veer; 
fig hoofdoorzaak, drijfveer. 

maintain [men'tein] handhaven, in 
stand liouden; hooghouden; steunen, 
onderhouden; volhouden, beweren; 
ophouden [waardigheid], bewaren 
[stilzwijgen]. 

maintenance ['meintinans] handha- 
ving, verdediging; onderhoud o. 

maize [meiz] mais. 

majestic [m3'd3estik] majestueus. 

majesty ['msdsisti] majesteit. 

major ['meidsa] majoor; meerderjari- 
ge; aj groot, van formaat, belang- 
rijk, hoofd-; grootste; majeur; '— 
road, voorrangsweg. 

major-general ['meidsa'dsenaral] ge- 
neraal-majoor. 

majority [ma'dsDriti] meerderheid; 
meerderjarigheid; merendeel o\ the 
— of..., ook: de meeste... 

make [meik] maaksel o, fabrikaat o; 
soort; slag o\ vt maken; doen; la- 
ten; houden [redevoering]; geven 
[antwoord], brengen [offers], leve- 
ren [bijdrage] ; stellen [voorwaar- 
den] ; treffen [regeling] ; zetten 
[koffie], opmaken [bed]; trekken 
[gezicht]; afleggen [afstandj; voe- 
ran [oorlog]; sluiten [vrede]; ver- 
dienen [geld]; halen [trein, slag]; 
bereiken; klaarspelen; he will never 
■ — ■ an author, hij zal nooit een 
(goed) schrijver worden; ■ — for, 
aan-, afgaan op, zich begeven naar, 
aansturen op; bevorderlijk zijn aan, 
bijdragen tot [geluk &] ; — off, 
er vandoor gaan; — out, onder- 
scheiden, ontdekken; begrijpen; be- 
wijzen, aantonen [iets]; — to go, 
aanstalten maken om te gaan; '~' 
up, (op)maken, klaarmaken; vor- 
men; in elkaar zetten; bijleggen [ge- 

Eng-. Zakwrdbk. 11 



schil] ; aanvullen [leemte] ; inhalen 
[tijd]; vergoeden [verlies]; (zich) 
grimeren; fig komedie spelen; — 
up one's mind, een besluit nemen, 
besluiten. 

make-believe ['meikbili:v] schijn, ko- 
medie, aanstellerij; af voorgewend. 

maker ['meika] maker, vervaardiger, 
schepper; fabrikant. 

makeshift ['meikjift] hulpmiddel o, 
redmiddel o\ als aj ...om zich te be- 
helpen, bij wijze van noodhulp. 

make-up ['meik'Ap] opmaak; samen- 
stelling; gesteldheid; grime; ver- 
momming; verzinsel o. 

makeweight ['meikweit] toegift. 

malady ['maebdi] ziekte. 

malaria [ma'learia] malaria. 

Malay [ma'lei] Maleier; a] Maleis. 

male [mail] mannetje o [v. dieren]; 
af mannelijk, mannen-. 

malediction [msli'dikjan] vervloe- 
king. 

malefactor ['maelifaekta] boosdoener, 
misdadiger. 

malevolent [ma'levabnt] kvi^aad- 
willig, boosaardig. 

malice ['mcelis] boos(aardig)heid; 
boos opzet o. 

malicious [ma'lijas] boos(aardig); 
opzettelijk. 

malign [ma'lain] verderfelijk, slecht, 
ongunstig; vt belasteren. 

malignant [ma'lignant] boos(aardig); 
kwaadaardig; kwaadwillig. 

mall [masl, mD:l] maliebaan. 

mallard ['mselad] wilde eend. 

malleable ['msliabl] smeedbaar; 
fig kneedbaar, buigzaam. 

mallet ['mslit] (houten) hamer. 

malt [mailt] mout o & m\ vt mouten. 

mam(m)a [ma'ma:] ma, mama. 

mammal ['masmal] zoogdier o. 

man [mzen] man, mens; werkman, 
knecht, bediende; (schaak)stuk o, 
(dam)schijf; a ■— , men, je, iemand; 
old — I, ouwe jongen!; the — in 
the street, Jan Publiek, Jan en alle- 
man; to a — , als een man, tot de 



manage 



162 



manutacturer 



laatste man, eenparig; alien; vt be- 
mannen, bezetten, bedienen; — • ot2e- 
self, zich vermannen. 

manage ['masnids] besturen, behande- 
len, beheren; — to..., het z6 weten 
aan te leggen, dat..., net nog kun- 
nen; '~ it {?natters), het klaarspe- 
len; het hem leveren. 

manageable ['maenid33bl] handelbaar, 
meegaand. 

management ['ma£nid3m3nt] behande- 
ling, bediening; bestuur o, beheer 
o, administratie, directie, leiding; 
tact. 

manager ['msenidsa] bestuurder, lei- 
der, administrateur, directeur. 

mandarin ['masndarin] mandarijn. 

mandate ['maendeit] bevelschrift o, 
opdracht, mandaat o. 

mandatory ['m£end3t3ri] mandataris; 
aj lastgevend; gebiedend. 

mandible ['mjendibl] kinnebak; kaak 
[v. insekt]. 

mandolin(e) [mjenda'lim] mando- 
line. 

mane [mein] manen [v. paard]. 

manful ['m^enful] dapper, manhaftig. 

manganese [masggs'niiz] mangaan o. 

mange [mein(d)3] schurft. 

manger ['mein (d) 33] krib(be), trog. 

mangle ['masrjgl] mangel; vt mange- 
len; verscheuren; havenen, vermin- 
ken; verknoeien. 

mangy ['mein(d)3i] schurftig. 

manhood ['maenhud] mannelijkheid; 
mannen; menselijkheid; moed. 

mania ['meinis] manie, waanzin, 
waan. 

maniac ['meiniaek] maniak, waanzin- 
nige. 

manifest ['maenifest] manifest o\ aj 
openbaar, duidelijk, kennelijk; vt 
openbaren, openbaar maken, aan de 
dag leggen; manifesteren. 

manifestation [masnifes'teijan] mani- 
festatie; openbaarmaking, openba- 
ring, uiting. 

manifesto [masni'festou] manifest o. 

manifold ['maenlfould] menigvuldig, 



veelvuldig, vele. 
manikin ['msenikin] ledenpop; fan- 

toom o; mannetje 0. 
manipulate [ma'nipjuleit] hanteren, 

behandelen, bewerken, manipuleren, 

knoeien met. 
mankind ['maenkaind] de mannen; 

[masn'kaind] mensdom o, mensheid. 
manlike ['masnlaik] mannelijk. 
manly ['msenli] mannelijk, manmoe- 

dig, mannen-. 
manner ['masna] manier, wijze; soort, 

slag o; ■ — s, fgoede) manieren; 

after the — oj..., in de trant 

(stiji) van; in a — , in zekere zin; 

in this — , op deze manier (wijze). 
mannered ['msnadj gemanierd. 
mannerism ['mEoarizm] gemaaktheid; 

'~-s, maniertjes. 
mannerly ['ma;n3li] vv^elgemanierd, 

beleefd. 
manoeuvre [m3'n(j)u:v3] manoeuvre; 

vi manoeuvreren. 
man-of-war ['m2en9(v)'wD:] oorlogs- 

schip o. 
manor ['maena] (ambachts)heerlijk- 

heid; landgoed o. 
man-servant ['masnsaivant] knecht, 

bediende. 
mansion ['maenjan] herenhuis o, 
manslaughter ['msensbita] (onvrijwil- 

lige) doodslag, manslag. 
mantel (piece) ['m£ntl(pi:s)] 

schoorsteenmantel. 
mantelshelf ['maentljelf] schoorsteen- 

rand. 
mantle ['msentl] mantel; gloeikousje 

o\ vt bemantelen, bedekken. 
mantrap ['msentraep] voetangel, klem, 

val. 
manual ['maenjual] manuaal o [or- 

gel]; handboek o; aj hand (en)-. 
manufactory [m£enju'fasktari] fabriek. 
manufacture [mmju'fcektja] vervaar- 

diging, fabricage; fabrikaat o; vt 

vervaardigen, fabriceren; • — d, ook: 

fabrieks-. 
manufacturer [maenju'faektjara] fabri- 

kant. 



manure 



163 



manure [ms'njus] mest; vt (be)- 
mesten. 

manuscript ['msnjuskript] manuscript 
o, handschrift o; aj (met de hand) 
geschreven. 

many ['meni] veel, vele; ■ — ' a fnan, 
■ — ' a one, menigeen; ■ — ' a time, 
menigmaal; the ■ — ■, de menigte, de 
grote hoop; a good {great) — , 
zeer veel (velen). 

many-sided ['menisaidid] veelzijdig. 

map [masp] (land)kaart; vt — {otit), 
in kaart brengen, ontwerpen. 

maple ['meipl] ahorn(boom). 

mar [ma;] bederven. 

maraud [ma'rjid] plunderen. 

marble ['ma:bl] marmer o\ knikker; 
aj marmeren; vt marmeren. 

March [maitj] maart. 

march [maitj] mars; opmars, (voort)- 
gang, loop; vi marcheren; op-, aan- 
rukken; — past, defileren (voor). 

marchioness ['maijsnis] markiezin. 

marchpane ['maitjpein] marsepein. 

march past ['ma:tj'pa:st] defile o. 

mare [mSa] merrie. 

margarin(e) [ma:d33'ri:n, ma;g3'ri:n] 
margarine. 

margin ['ma:d3in] rand, kant; marge; 
J!g speelruimte. 

marginal ['maidsinal] kant-, rand-. 

marigold ['msrigould] goudsbloem. 

marine [ma'riin] handelsvloot, mari- 
ne; zeestuk o\ marinier; aj zee-, 
scheeps-. 

mariner ['mserins] zeeman, matroos. 

maritime ['maeritaim] maritiem, kust-, 
zee-. 

mark [ma:k] merk o, stempel o 8c m; 
teken o, cijfer o, punt o [op school]; 
spoor o; blijk o, bewijs o; doel- 
(wit) o; peil o; (Duitse) mark; a 
man of — , een man van betekenis; 
be up to the — , aan de (gestel- 
de) eisen voldoen; vt merken, teke- 
nen; kenmierken; onderscheiden; no- 
teren, aantekenen; bestemmen; aan- 
geven, aanduiden, laten merken; op- 
merken, letten op; -^ me, let op 



martyrdom 

' time, de pas 



mijn woorden!; 

markeren. 
marked [ma:kt] opvallend, duidelijk, 

merkbaar. 
marker ['maika] aantekenaar, mar- 

keur; leeswijzer; fiche o & v, 
market ['ma:kit] markt; vt ter markt 

brengen, verkopen. 
marketable ['maikitabl] (goed) ver- 

koopbaar, courant. 
market-gardener ['ma:kit'ga:dn3] 

tuinder. 
marketing ['ma:kitir|] markten o; 

verkoop; inkoop. 
market-place ['maikitpleis] markt- 

plein o, markt. 
marksman ['maiksmsn] (scherp)- 

schutter. 
marl [ma:l] merge!. 
marmalade ['maimsleid] marmelade. 
maroon [ma'ru.n] isoleren, afsnijden, 

afzonderen. 
marquee [ma:'ki:] grote tent. 
marquess, marquis ['ma:kwis] mar- 

kies. 
marquise [ma:'ki:z] markiezin. 
marriage ['meerids] huwelijk o; re- 
lated by — , aangetrouwd; ask in 

— , ten huwelijk vragen. 
married ['msrid] gehuwd, getrouwd; 

huwelijks-. 
marrow ['maerou] merg o; fig pit o 

&: V. 
marrowfat ['maeroufset] kapucijner. 
marry ['ma5ri] trouwen; (uit)huwen; 

fig verbinden; — a fortune, een 

vrouw met geld trouwen; — off, 

aan de man brengen. 
marsh [ma:]"] moeras o, 
marshal ['majsl] maarschalk; vt or- 

denen, opstellen, rangschikken; aan- 

voeren; — ling yard, rangeerterrein 

o. 
marshy ['ma:Ji] moerassig. 
marten ['ma:tin] matter. 
martial ['maijal] krijgshaftig, krijgs-. 
martin ['ma:tin] huiszwaluw. 
martyr ['ma its] martelaar. 
martyrdom ['martsdsm] martelaar- 



marvel 



164 



matrimony 



schap o, marteldood; marteling. 

marvel ['ma:v3l] wonder o\ vi zich 
verwonderen (over, at'), verbaasd 
staan, zich afvragen. 

marvellous ['ma:v(3)]3s] wonderbaar- 
(lijk), wonder-, verbazend. 

marzipan [ma:zi'p£en] marsepein. 

masculine ['maeskjulin] mannelijk. 

mash [m^J] moutbeslag o\ mengvoer 
o\ mengelmoes o Si. v\ puree; jig 
brij; vt mengen [mout]; fijnstam- 
pen; — ed potatoes, (aardappel)- 
puree. 

mask [ma:sk] masker o, mom o\ vt 
maskeren; vermommen. 

mason ['meisn] steenhouwer; vrij- 
metselaar. 

masonic [ma'sDoik] vrijmetselaars-. 

masonry ['meisnri] metselwerk o\ 
vrijmetselarij. 

masquerade [mseska'reid] maskerade; 
vi zich vermommen; — as, ook: 
zich voordoen als, zich uitgeven 
voor. 

mass [mass, ma:s] mis [kerkdienst]; 
[m£es] massa; hoop; vt (in massa) 
bijeenbrengen, op-, samenhopen; 
combineren; vi zich verzamelen. 

massacre ['msesska] moord, bloedbad 
o, slachting; vt uit-, vermoorden. 

massage [ms'saij] massage; vt mas- 
seren. 

massive ['massiv] massief, zwaar; 
massaal, aanzienlijk, indrukwekkend. 

mast [ma:st] mast. 

master ['ma:st3] meester, heer (des 
huizes); eigenaar, baas, chef; hoofd 
o (v. college'), rector; leraar; schip- 
per; gezagvoerder; Master Henry, de 
jongeheer Hendrik; the ■ — ■ and 
mistress, mijnheer en mevrouw; vt 
zich meester maken van, overmees- 
teren, meester worden; beheersen. 

masterful ['maistsful] meesterachtig; 
despotisch, bazig. 

masterkey L'maistski:] loper [sleu- 
tel]. 

masterly ['marstsli] meesterlijk. 

masterpiece ['ma:st3pi:s] meesterstuk 



o, meesterwerk o. 

mastership ['ma:st3jipj meester- 
schap o. 

mastery ['maistari] meesterschap a. 
overhand, heerschappij. 

masticate ['masstikeit] kauwen. 

mastiff ['ma:stif] bulhond. 

mat [meet] mat, matje o. 

match [mstj] lucifer, lont; gelijke; 
partij, huwelijk o; wedstrijd; be a 
■ — ■ for, opgewassen zijn tegen; be 
a good '-^ for, goed komen bij; 
find (meet) one's ■ — ■, zijn man 
vinden; vt paren, evenaren; tegen- 
over elkaar stellen, in overeenstem- 
ming brengen (met, to)\ vi een 
paar vormen, bij elkaar horen (ko- 
men); ...to — , daarbij komende. 

match-box ['maetjb^ks] lucifers- 
doosje o. 

matchless ['mstjlis] weergaloos. 

mate [meit] maat, makker, kameraad; 
helper; (levens)gezel(lin) ; man- 
netje o of wijfje o [v. dieren]; 
stuurman; vt paren, (in de echt) 
verenigen; huwen. 

material [ma'tisrial] materiaal o, 
(bouw)stof; aj stoffelijk, lichame- 
lijk, materieel; van belang, belang- 
rijk, wezenlijk. 

materialize [ma'tisrislaiz] realiseren; 
zich verwezenhjken. 

maternal [ma'tsrnsl] moederlijk, 
moeder(s)-; van moederszijde. 

maternity [ms'tatniti] moederschap o. 

mathematical [m£9i'maetikl] mathe- 
matisch, wiskundig. 

mathematician [majGima'tiJsn] wis- 
kunstenaar, wiskundige. 

mathematics [mseGi'mstiks] wis- 
kunde. 

matriculate [ma'trikjuleit] (zich la- 
ten) inschrijven [als student]. 

matriculation [matrikju'leijan] in- 
schrijving, toelating (als student), 
toelatingsexamen o. 

matrimonial [maetri'mounjal] huwe- 
lijks-, echtelijk. 

matrimony ['maetrimsni] huweJijk; o. 



matron 



165 



meddle 



matron ['meitran] getrouwde dame, 
matrone; moeder [v. weeshuis]; 
juffrouw voor de huishouding [v. 
kostschool]; directrice [v. zieken- 
huis]. 

matter ['maets] stof, materie; zaak, 
ding o\ aangelegenheid, kwestie; et- 
ter; a • — ■ oj course, lets vanzelf- 
sprekends; a — oj fact, een feit o; 
as a — of fact, in feite; inderdaad; 
trouwens; what is the —^ {with 
you)?, wat is er?, wat scheelt er 
aan?; for that — , wat dat aan- 
gaat, trouwens; in the — of..., in- 
zake...; vi van belang zijn; /'/ does 
not -~, het komt er niet op aan. 

matter-of-fact [msetorav'fsekt] zakelijk, 
nuchter, prozaisch. 

mattock ['maetsk] houweel o. 

mattress ['msetris] matras. 

mature [ma'tjua] rijp; vi rijpen. 

matured [ma'tjuad] rijp; belegen. 

maturity [ma'tjuariti] rijpheid; ver- 
valtijd, -dag. 

maul [ma:l] moker; vt beuken, er 
op timmeren; toetakelen. 

Maundy Thursday ['m3:ndi'6a:zdi] 
Witte Donderdag. 

maw [ma:] pens, krop, maag. 

mawkish ['ma:kij'] walglijk zoet; sen- 
timenteel. 

maximum ['maeksimam] maximum o. 

May [mei] mei; meidoorn. 

may [mei] mogen, kunnen. 

maybe ['meibi:] misschien, mogelijk. 

mayor ['m8a] burgemeester. 

mayoral ['mearal] burgemeesterlijk. 

mayoralty ['mSaralti] burgemeester- 
schap o. 

mayoress ['mearis] burgemeesters- 
vrouw; vrouwelijke burgemeester. 

maze [meiz] doolhof; verbijstering; 
in a — , de kluts kwijt. 

me [mi:] mij. 

meadow ['medou] weide. 

meagre ['mi:ga] mager, schraal. 

meal [mi:l] meel o\ maaltijd, maal o\ 
at ^—s, bij de maaltijd; aan tafel. 

mealy ['mi:li] meelachtig; melig; 



vlekkig; bleek; fig zoetsappig. 
mean [mi:n] gemiddelde o, middel- 

maat, middenweg, middelevenredige; 

the — between, het midden tus- 

sen...; a] gemiddeld, middelbaar [v. 

tijd]; middel-; gering; min, laag, 

verachtelijk; gierig; vt bedoelen; 

menen; van plan zijn; betekenen; 

bestemmen. 
meander [mi'snda] kronkeling; vi 

kronkelen, zich slingeren. 
meaning ['mi:nir)] bedoeling; beteke- 

nis; a] veelbetekenend. 
meaningless ['mi:nir)lis] zinledig; 

nietszeggend. 
means [mi:nz] middelen; inkomsten; 

middel o\ by all — , vooral, zeker, 

stellig; by no -~, geenszins, vol- 

strekt niet; by — of, door middel 

van. 
meant [ment] V.T. & V.D. v. mean. 
meantime ['mi:n'taim] in the — , in- 

tussen, ondertussen. 
meanwhile ['miin'hwail] intussen, 

ondertussen. 
measles ['mi:zlz] mazelen. 
measurable ['me33rabl] meetbaar. 
measure ['mesa] maat, mate; maat- 

staf; deler; maatregel; in a — , in 

zekere mate, tot op zekere hoogte; 

made to — , op maat; vt meten, 

op-, afmeten, toemeten; de maat ne- 

men. 
measurement C'mesamant] meting, af- 

meting, maat. 
meat [mi:t] vlees o; spijs, kost; eten o. 
mechanic [mi'kaenik] handwerksman; 

mecanicien, monteur; dental — , 

tandtechniker; — s, werktuigkunde, 

mechanica. 
mechanical [mi'kasnikl] machinaal, 

werktuiglijk; machine-. 
mechanician [meka'nijan] werktuig- 

kundige. 
mechanize ['mekanaiz] mechaniseren. 
medal ['medl] (gedenk) penning, me- 

daille. 
meddle ['medl] zich bemoeien, zich 

inlaten (met, with). 



meddler 



166 



mend 



meddler ['media] bemoeial. 

meddlesome ['medlsam], meddling 
['medlir)] bemoeiziek. 

mediaeval [medi'i:v3l] middeleeuws. 

mediate ['mi:diit] tussen(liggend); 
['miidieit] vi bemiddelen. 

mediation [mi.di'eijsn] bemiddeling. 

mediator ['mitdieita] bemiddelaar. 

medical ['mediki] medisch, genees-, 
geneeskundig; ■ — ' man, medicus, 
dokter; ^^ officer, officier van ge- 
zondheid; arts v. d. Geneesk. Dienst; 
'^ superintendent, geneesheer-direc- 
teur. 

medicine ['medsn] medicijn, genees- 
middel o; geneeskunde. 

mediocre ['miidiouka] middelmatig. 

mediocrity [mi:di'3kriti] middelma- 
tigheid. 

meditate ['mediteit] nadenken, pein- 
zen; overdenken, denken over. 

meditation [medi'teijan] overdenking, 
over-, bepeinzing. 

meditative ['mediteitiv] (na)den- 
kend, peinzend. 

Mediterranean [medita'reinjan] (van 
de) Middellandse Zee. 

medium ['miidiam] midden o, mid- 
denweg; middelsoort; middenterm; 
middel o, medium o; by {through) 
the — of, door (bemiddeling of 
tussenkomst van); aj middelsoort-; 
middelfijn, middelgroot &. 

medlar ['medb] mispel. 

medley ['medli] mengelmoes o & v\ 
mengeling; aj gemengd, bont. 

meek [mi:k] zachtmoedig, zachtzinnig, 
ootmoedig, gedwee. 

meerschaum ['miajsm] meerschuim o. 

meet [mi:t] geschikt, gepast; vt ont- 
moeten, tegenkomen, (aan)treffen, 
vinden; tegemoet komen (aan); vol- 
doen (aan); voorzien in; het hoofd 
bieden, opvangen; beantwoorden; 
kennis maken met; bezoeken; •— 
one at the station, afhalen; vi el- 
kaar ontmoeten; samen-, bijeenko- 
men; --^ with, ontmoeten; krijgen 
[ongeluk]; (onder)vinden; lijden; 



wegdragen [goedkeuring] . 

meeting ['miitirj] ontmoeting, bij- 
eenkomst, vergadering; wedstrijd, 
wedren. 

megalomania [megalou'meinja] 
grootheidswaan(zin). 

melancholy ['mebnkali] melancholic, 
zwaarmoedigheid, droefgeestigheid; 
aj melancholiek, zwaarmoedig, droef- 
geestig; droevig, treurig, triest. 

melee ['melei] verward gevecht o, 
handgemeen o. 

mellow ['melon] rijp, mals, murw, 
zacht; vi rijp & worden; vt doen 
rijpen; temperen, verdoezelen. 

melodious [mi'loudjas] melodieus, 
welluidend, zangerig. 

melody ['mebdi] melodie. 

melon ['mebn] meloen. 

melt [melt] smelten, vermurw-en, ver- 
tederen. 

melting-pot ['meltiripot] smeltkroes. 

member ['memba] lid o, lidmaat o. 

membership ['membajip] lidmaat- 
schap o\ ledental o. 

membrane ['membrein] vlies o. 

membranous ['membranas] vliezig. 

memento [mi'mentou] gedachtenis, 
herinnering, aandenken o. 

memoir ['memwa:] verhandeling; -^j, 
memoires, gedenkschriften. 

memorable ['memarabl] gedenkwaar 
dig, heuglijk. 

memorandum [mema'rsendam] memo- 
randum o, notitie; nota. 

memorial [mi'mD:rial] gedachtenis, 
herinnering; verzoekschrift o, no- 
ta, memorie; gedenkstuk o, gedenk- 
teken o\ aj geheugen-; herinnerings-, 
gedenk-. 

memorize ['memaraiz] optekenen; in 
de herinnering bewaren. 

memory ['memari] geheugen o\ her- 
innering, aandenken o. 

men [men] meerv. v. man. 

menace ['menis] (be)dreiging; drei- 
gement o\ vt (be)dreigen. 

menagerie [mi'naed.3ari] beestenspel o. 

mend [mend] gestopte of verstelde 



mendacious 



167 



mess-tin 



plaats; be on the — , beterende; vt 
(ver)beteren, repareren, verstellen, 
lappen, stoppen; vi beteren, beter 
worden; vooruitgaan [zieke]; zich 
(ver)beteren. 
mendacious [men'deij'ss] leugenach- 

mendacity [men'dcesiti] leugenachtig- 

heid. 
mendicant ['mendilont] bedelaar; be- 

delmonnik; aj bedelend, bedel-. 
mendicity [men'disiti] bedelarij; be- 

delstand. 
menial ['miinisl] (dienst)knecht, 

huurling; aj dienend; dienstbaar; 

huurlingen-; fig laag. 
Mennonite ['mensnait] doopsgezinde, 

mennoniet. 
mensurable ['menjursbl] meetbaar. 
mental ['mentl] geestelijk, geestes-; 

— arithmetic, hoofdrekenen o; ■ — 

home, zenuwinrichting; — nurse, 

krankzinnigenverpleger, -verpleeg- 

ster; -~ patient, zenuwpatient. 
mentality [men'tsliti] geestesgesteld- 

heid; denkwijze; geestkracht. 
mentally ['mentali] geestelijk. 
mention ['menjan] (ver)melding, ge- 

wag o\ vt (ver)meJden, noemen; 

don't — itl, geen dank! 
menu ['menju:] menu o & m, spijs- 

kaart. 
mercantile ['msikantail] koopmans-, 

handels-. 
mercenary ['maisinari] huurling; aj 

gehuurd, huur-; veil, (voor geld) 

te koop; baatzuchtig. 
mercer ['m3:s3] manufacturier (in 

zijden en wollen stoffen). 
mercery ['maisari] zijden en wollen 

stoffen; manufactuurzaak. 
merchandise ['msitjandaiz] koopwaar, 

waren. 
merchant ['msitjant] koopman, 

(groot)handelaar; aj handels-. 
merchantman ['m3:tj3ntm3n] koop- 

vaardijschip o. 
merciful ['msisiful] barmhartig, ge- 

nadig. 



merciless ['msisilis] onbarmhartig, 

meedogenloos. 
mercury ['maikjuri] kwik(zilver) o. 
mercy ['maisi] barmhartigheid, gena- 

de; weldaad, geluk o; jor — ' s sake, 

om godswil!; at the ■ — • oj, overge- 

leverd aan de genade van. 
mere [mis] louter, zuiver, enkel; 

maar; a — boy, nog maar een jon- 

gen. 
merely ['miali] enkel, louter, alleen. 
merge [maids] samensmelten (met, 

into); samenvloeien, (doen) opgaan; 

be — d in, opgaan in. 
meridian [ma'ridisn] meridiaan, 

middaghoogte, toppunt o. 
merit ['merit] verdienste; the — s of 

the case, het essentiele (eigenlijke) 

der zaak; on its {own) ■ — s, op 

zich zelf; vt verdienen. 
meritorious [meri't3:ri3s] verdien- 

stelijk. 
mermaid ['maimeid] meermin. 
merriment ['merimsnt] vrolijkheid. 
merry ['meri] vrolijk; make • — ■, vro- 

lijk zijn, pret maken. 
merry-andrew ['meri'aendru:] paljas, 

hansworst. 
merry-go-round ['merigouraund] 

draaimolen. 
merry-making ['merimeikig] pretma- 

kerij, feestje o. 
mesh [mej] maas; — es, net(werk) o. 
mess [mes] gerecht o; menage, bak; 

knoeiboel; vuil goedje o; make a ■ — ■ 

of it, de boel verknoeien, in de war 

schoppen; be in a — , overhoop lig- 

gen; be in a fine ~, er lelijk in 

zitten; vt bemorsen, vuil maken; 

verknoeien; vi morsen, knoeien; ~^ 

about, (rond)scharrelen. 
message ['mesidsj (koninklijke) 

boodschap; bericht o, telegram o. 
messenger ['mesindss] bode, bood- 

schapper, voorbode; — boy, loop- 

jongen. 
mess-room ['mesrum] eetkamer. 
Messrs ['messz] de Heren. 
mess-tin ['mestin] eetketeltje o. 



messy 



168 



militate 



messy ['mesi] vuil, wanordelijk. 
met [met] V.T. & V.D. v. 7neet. 
metal ['metl] metaal o; steenslag o; 

■ — s, rails; ai metalen, metaal-; vl 

met metaal bedekken; verharden [een 

weg]. 
metallic [mi'taelik] metaalachtig, me- 
talen, metaal-. 
metallurgy [me'tasbidsi] metallurgie: 

metaalbewerking. 
metamorphosis [mets'moifasis] ge- 

daanteverwisseling. 
metaphor ['metsfs] beeldspraak, 

overdrachtelijke spreekwijze. 
metaphorical [mets'forikl] over- 

drachtelijk, figuurlijk. 
mete [mi:t] — out, toedelen. 
meteor ['miitjs] meteoor. 
meteorological [mirtjsrs'bdsikl] me- 

teorologisch, weerkundig. 
meter ['miits] meter [voor gas &]. 
method L'meBsd] methode. 
methodical [mi'BDdikl] methodisch. 
meticulous [mi'tikjulss] overangst- 

vallig, bijzonder nauwgezet. 
metre t'mita] metrum o; meter. 
metrical ['metrikl] metrisch. 
metropolis [mi'trDpslis] hoofdstad; 

wereldstad (speciaal Londen). 
mettle ['metl] vuur o, moed, fut. 
Meuse [mju:z] Maas. 
mew [mju:] m(i)auwen. 
Mexican ['meksikan] Mexicaan; a] 

Mexicaans. 
mice [mais] meerv. van mouse. 
microbe ['maikroub] microbe. 
microphone ['maikrafoun] micro- 

foon. 
microscope ['maikrsskoup] micro- 
scoop. 
mid air ['mid'es] in -~, in de lucht, 

tussen hemel en aarde. 
midday ['middei] middag. 
middle ['midl] midden o, middei o 

[v. 't lichaam]; aj midden-, middei-, 

tussen-, middelbaar. 
middle-aged ['midi'eidsd] van mid- 

delbare leeftijd. 
middle-class ['midl'klais] burger- 



klasse, (gegoede) middenstand; «/ 

burgerlijk. 
middleman ['midlmsn] tussenpersoon. 
middlemost ['midlmoust] middelste. 
middle-sized ['midlsaizd] van mid- 

delbare grootte, middelsoort-. 
middling ['midlirj] middelmatig, ta- 

melijk, 20 zo. 
midge [mids] mug; jtg dwerg. 
midget ['midsit] dwergje o; als a] 

miniatuur. 
midland ['midland] bet midden van 

een land; the Midlands, Midden- 

Engeland o. 
midnight ['midnait] middernacht; a] 

middernachtelijk. 
midriff ['midrif] middenrif 0. 
midshipman ['midjipman] adelborst. 
midst [midst] midden o\ in the — 

oj, te midden van. 
midway ['mid'wei] halverwege, in 

het midden. 
mien [mi:n] uiterlijk o, voorkomen o. 
might [mait] macht, kracht; V.T. v. 

may. 
mighty ['maiti] machtig, groot; erg. 
mignonette [minja'net] reseda. 
migrant ['maigrant] trekvogel; land- 

verhuizer; zwerver; a] zwervend; 

verhuizend; trek-. 
migrate [mai'greit] verhuizen, trek- 
ken [v. vogels of vis], zwerven. 
migration [mai'greijan] verhuizing, 

trek. 
migratory ['maigretari] verhuizend, 

zwervend; trek-; '^ birds, trekvo- 

gels. 
milch-cow ['miltjkau] melkkoe. 
mild [maild] zacht(aardig); goedaar- 

dig [ziekte]; zwak, flauw; licht [si- 

gaar] . 
mile [mail] Engelse mijl [1609 m]. 
milestone ['mailstoun] mijlsteen; 

mijlpaal. 
militancy ['militansi] strijdlust. 
militant ['militant] strijdend, strijd- 

lustig. 
military ['militari] militair. 
militate ['militeit] vechten, strijden; 



militia 



169 



ministry 



fig pleiten; bevorderlijk zijn (voor, 
for). 

militia [mi'lij'a] militie. 

milk [milk] melk; v( melken. 

milker ['milka] melk(st)er; melkkoe. 

milkmaid ['milkmeid] melkmeisje o. 

milkman ['milkm3n] melkboer. 

milky ['milki] melkachtig, melk-. 

mill [mil] molen; fabriek; spinnerij; 
vt malen; pletten; vollen; kartelen 
[munt]. 

millipede ['milipi:d] miijoenpoot. 

miller ['mib] molenaar. 

millet ['milit] gierst. 

milliard ['miljsd] miljard o. 

millimetre ['milimiits] millimeter. 

milliner ['milina] modemaakster, 
modiste. 

millinery ['milinsri] modes, mode- 
vak o. 

million ['miljan] miljoen o. 

millionaire [milja'nea] miljonair. 

mill-owner ['milouna] fabrikant. 

millstone ['milstoun] molensteen. 

milt [milt] milt; hom. 

mime [maim] gebarenspel o; vt mi- 
meren, door gebaren voorstellen. 

mimic ['mimik] nabootser, naaper; aj 
nabootsend; geveinsd, schijn-, on- 
echt; -^^ warfare, spiegelgevecht o; 
vt nabootsen, naapen. 

mimicry ['mimikri] mimiek; naboot- 
sing; mimicry. 

mince [mins] fijnhakken; do not ^-^ 
matters, wind er geen doekjes om. 

mincemeat ['minsmiit] vulsel a van 
fijngehakte krenten, appels &; make 
— of, tot moes (kort en klein) 
slaan. 

mincing ['minsig] gemaakt, nuffig. 

mind [maind] gemoed o\ verstand o, 
geest; gedachten; gevoelen o, me- 
ning, opinie; gezindheid, neiging, 
lust, zin; speak one's ■ — ■, zeggen 
Y/aar 't op staat; be i n two •—'S 
about it, het nog niet met zich zelf 
eens zijn, in twijfel zijn; be of 
one's — , het met iemand eens zijn; 
that's a great anxiety off my — , 



dat is mij een pak van 't hart; he 
has something o n his — , hij heeft 
lets op het hart; he is out of 
his — , hij is niet wel bij het hoofd; 
gek; / o my ■ — ■ , naar mijn zin; in 
mijn opinie; vt bedenken, denken 
(geven) om; acht slaan op; passen 
op; ervoor zorgen dat; er lets op 
tegen hebben dat; ^-^ your own 
business!, bemoei je met je eigen 
zaken!; I should not — a cup of 
tea, ik zou wel een kopje thee wil- 
len hebben; would you — telling 
me?, zoudt u zo vriendelijk willen 
zijn mij te zeggen?; never — !, dat 
komt er niet op aan; never ■ — ■ about 
that, never you — I, bekommer u 
daar niet over; never — him, stoor 
je niet aan hem. 

minded ['maindid] gezind, ingesteld; 
be — to, van zins zijn; zin of lust 
hebben om. 

mindful ['maindful] indachtig, oplet- 
tend, zorgvuldig, behoedzaam; be 
— of, denken om. 

mindless ['maindlis] onoplettend, 
achteloos. 

mine [main] de, het mijne; van mij. 

mine [main] mijn; vt ondermijnen; 
be — d, op een mijn lopen. 

miner ['maina] mijnwerker. 

mineral ['minarsl] mineraal o, delf- 
stof; aj mineraal, delfstoffen-. 

mingle ['mirjgl] (zich) mengen, ver- 
mengen. 

minimize ['minimaiz] tot een mini- 
mum herleiden; verkleinen, bagatel- 
liseren. 

minimum ['minimam] minimum o. 

mining ['mainit)] mijnbouw. 

minion ['minjan] gunsteling. 

minister ['minista] minister; gezant, 
predikant; vi dienen; de dienst ver- 
richten; — to, behulpzaam zijn in, 
bijdragen tot; voorzien in; verzor- 
gen. 

ministerial [minis'tiarial] ministeri- 
eel; geestelijk; dienend. 

ministry ['ministri] ministerie o\ be- 



minor 



170 



jfire 



diening, verzorging, zorg; (predik)- 
ambt o, dienst; medewerking, tus- 
senkomst. 

minor fmaina] minderjarige; aj min- 
der, klein(er); mineur. 

minority [mai-, mi'nDriti] minder- 
heid; minderjarigheid. 

minstrel ['minstrsl] minstreel; neger- 
zanger. 

mint [mint] munt; a — ■ of..., een 
boel (hoop, bom)...; vt munten. 

minuend ['minjuend] aftrektal o. 

minus ['mainas] minus, min, minte- 
ken o; zonder, behalve. 

minute ['minit] minuut; the ^J, de 
notulen; this — , op staande voet; 
een ogenblik geleden, zo net; to 
the {a) '-~^, op de minuut (af); vt 
minuteren; notuleren; [mai'nju:t, 
mi'nju:t] aj klein, gering, minu- 
tieus, haarfijn. 

minute-book ['minitbuk] notulen- 
boek o\ kladboek o. 

minute-hand ['minithsnd] minuut- 
wijzer. 

minutely [mai-, mi'nju;tli] omstan- 
dig, haarfijn. 

minx [mirjks] feeks, kat. 

miracle ['mirskl] wonder o, mirakel o. 

miraculous [mi'reekjubs] miraculeus, 
wonderbaarlijk; wonderdadig, won- 
der-. 

mirage [mi'ra:3] luchtspiegeling. 

mire ['mais] modder; slik o. 

mirror ['mira] spiegel; vt af-, weer- 
spiegelen. 

mirth [m3;6] vrolijkheid, lustigheid. 

mirthful ['msieful] vrolijk, lustig. 

mirthless ['m3:61is] droefgeestig. 

miry ['maiari] modderig, slijkerig. 

misadventure ['misad'ventjs] onge- 
luk o, tegenspoed. 

misanthrope ['mizanOroup] mensen- 
hater. 

misapprehension ['misa?pri'henjan] 
misverstand o, misvatting. 

misappropriation ['misaproupri'eijan] 
onrechtmatige toeeigening. 

misbecome ['misbi'kAm] misstaan, 



niet passen, niet voegen. [drag o. 

misbehaviour ['misbi'heivja] wange- 

misbelief ['misbi'li:f] verkeerd geloof 
o, dwaalleer; dwaalbegrip o. 

miscalculation ['miskaelkju'leifan] 
misrekening; verkeerde berekening. 

miscall ['mis'kD:!] verkeerd noemen; 
• — ed , ook: zogenaamd. 

miscarriage [mis'kajrids] wegraken o\ 
verongelukken o; mislukking; • — ■ oj 
justice, rechteilijke dwaling. 

miscellaneous [misi'leinjas] gemengd, 
veelsoortig; veelzijdig. 

miscellany ['misilani] mengelwerk o, 
mengeling. 

mischance [mis'tjains] ongeluk o; by 
— •, bij ongeluk. 

mischief ['mistjif] onheil o. k^'aad o, 
kattekwaad o, ondeugendheid. 

mischiefmaker ['mistjifmeika] on- 
ruststoker. 

mischievous ['mistjivas] schadelijk; 
moedwillig, boosaardig, ondeugend. 

misconceive ['miskan'si:v] verkeerd 
begrijpen of opvatten. 

misconception ['miskan'sepjan] mis- 
vatting, wanbegrip a. 

misconduct ['mis'kandakt] slecht be- 
stuur o\ wangedrag <?; ['miskan- 
'dAkt] slecht beheren, verkeerd lei- 
den; — oneself, zich misdragen. 

miscount ['mis'kaunt] verkeerde (op)- 
teiling; vt verkeerd (op)tellen. 

miscreant ['miskriant] onverlaat. 

misdeed ['mis'di:d] wandaad. 

misdemeanour ['misdi'mi:na] wange- 
drag o\ vergrijp o, misdrijf o. 

misdirect ['misdi'rekt] verkeerde aan- 
wijzingen geven; verkeerd leiden; 
verkeerd adresseren. 

misdoing ['mis'du:ir|] misslag; mis- 
daad. 

miser ['maiza] gierigaard, vrek. 

miserable ['mizarabi] ellendig, ramp- 
zalig; droevig, armzalig. 

miserly ['maizali] gierig, vrekkig. 

misery ['mizari] miserie, eliende. 

misfire ['mis'faia] ketsing; vi ketsen; 
weigeren. 



misfortune 



171 



iniz(z)en 



misfortune [mis'fDitj'an] ongeluk o. 

misgiving [mis'givir]] bezorgdheid, 
angstig voorgevoel o\ argwaan. 

misgovernment ['mis'gAvanmant] 
wanbestuur o, wanbeheer o. 

misguide ['mis'gaid] verkeerd leiden; 
misleiden; ■ — 'd, ook: onverstandig. 

mishap [mis'hEp] ongeval o, onge- 
luk o. 

mishmash ['mijmaej] mengelmoes o 

& V. 

misinterpret ['misin'taiprit] misdui- 
den, verkeerd uitleggen. 

misjudge ['mis'dsAdg] verkeerd (be-) 
oordelen. 

mislay [mis'lei] op een verkeerde 
plaats leggen, zoekmaken. 

mislead [mis'li:d] misleiden, bedrie- 
gen. 

mismanagement ['mis'm2enid3m3nt] 
slecht bestuur o, wanbeheer o\ ver- 
keerde regeling, verkeerd optreden o. 

misplace ['mis'pleis] verkeerd plaat- 
sen of aanbrengen, misplaatsen. 

misprint ['mis'print] drukfout. 

misrepresentation ['misreprizen'tei- 
Jsn] onjuiste of verkeerde voorstel- 
jing. 

misrule ['mis'ru:!] wanorde, verwar- 
ring, tumult o\ wanbestuur o. 

miss [mis] (me)juffrouw; misslag, 
misstoot, misschot o\ vt missen, 
misslaan, misschieten, mislopen; 
verzuimen [school, lessen of gele- 
genheden]; weglaten; — //Ve, zie 
misjire\ be '—ing, er niet zijn, ont- 
breken; vermist worden. 

missal ['misal] missaal o, misboek o. 

misshapen [mis'Jeipn] mismaakt, 
misvormd, wanstaltig. 

missile ['misail] projectiel o. 

mission ['mijan] zending, missie; ge- 
zantschap o; opdracht; roeping. 

missionary ['mijanari] missionaris; 
zendeling. 

missive ['misiv] missive, brief. 

misstatement ['mis'steitmsnt] verkeer- 
de of onjuiste voorstelling (opga- 
ve), onjuistheid. 



missus ['mis3s] (moeder de) vrouw, 
mevrouw [v. dienstboden]. 

mist [mist] mist, nevel. 

mistake [mis'teik] vergissing, dwaling, 
fout; make a — , een fout maken; 
zich vergissen (in, over'); by {in) 
— , per abuis; a... and no ■ — ■, van 
je welste, een echte...; vt misver- 
staan, ten onrechte aanzien (voor, 
for)\ zich vergissen in. 

mistaken [mis'teikn] verkeerd begre- 
pen, verkeerd; misplaatst; be -~, 
zich vergissen. 

mister ['mists] mijnheer, de heer; 
baas. 

mistletoe ['misltou] maretak, vogel- 
lijm. 

mistook [mis'tuk] V.D. v. mistake. 

mistress ['mistris] gebiedster, meeste- 
res; vrouw des huizes; onderwijze- 
res, lerares; juffrouw [in burger- 
kringen]; mevrouw [altijd geschre- 
ven ISirs. en uitgesproken: 'misiz]. 

mistrust ['mis'trAStl wantrouwen (o). 

misty ['misti] mistig, beneveld, vaag. 

misunderstand ['misAods'stfend] mis- 
verstaan, verkeerd of niet begrijpen. 

misunderstanding ['misAnda'staendig] 
misverstand o, geschil o. 

misuse ['mis'ju;s] misbruik o\ ['mis- 
'ju:z] vt misbruiken; mishandelen. 

mite [mait] mijt; penning; kleinig- 
heid, ziertje o; peuter. 

mitigate ['mitigeit] verzachten; leni- 
gen. 

mitigation [miti'geijsn] verzachting; 
leniging. 

mitre ['maita] mijter. 

mitten ['mitn] want; mitaine; get the 
— , de bons krijgen. 

mix [miks] mengen, vermengen; ■ — ■ 
up, dooreen-, vermengen; (met el- 
kaar) verwarren; — one up in it, 
iemand in iets betrekken; ■ — ■ with, 
ook: omgaan met. 

mixer ['mikss] menger [v. dranken]; 
molen [voor beton]. 

mixture ['mikstja] mengsel o. 

miz(z)en ['mizn] bezaan. 



moan 



1 72 monkey-wrench 



moan [moun] kreunen, kermen, jam- 

meren; betreuren, bejammeren. 
moat [mout] (kasteel)gracht. 
mob [mab] grauw o, gepeupel o; 

troep, bende; menigte; vt hinderlijk 

volgen, zich verdringen om. 
mobile ['moubail] beweeglijk; ver- 

plaatsbaar, rijdend; mobiel. 
mobility [mou'biliti] beweeglijkheid. 
mobilization [moubilai'zeijan] mobi- 

lisatie. 
mobilize ['moubilaiz] mobiliseren. 
mock [mok] bespotting, spot, voor- 

werp o van spot; aj vals, onecht, 

nagemaakt, schijn-, huichelachtig, 

ironisch; vt spotten met, voor de 

gek houden, spottend naapen; vi 

spotten (met, at). 
mocker ['moka] spotter. 
mockery ['msksri] spot, bespotting, 

aanfluiting. 
mock-fight ['raDk'fait] spiegelgevecht o. 
mock-turtle ['msk'taitl] nagemaakte 

schildpadsoep. 
mode [moud] mode; vorm, wijze. 
model ['mDdl] model o, voorbeeld o, 

toonbeeld o; aj model-; vt modelle- 

ren, boetseren, vormen. 
moderate ['mDdarit] matig, gematigd; 

middelmatig; ['mDdsreit] vt mati- 

gen, stillen. 
moderation [mDds'reiJsn] matiging, 

tempering, gematigdheid; maat. 
modern ['madan] modern. 
modernize ['mDdanaiz] moderniseren. 
modest ['modist] bescheiden, zedig. 
modesty ['modisti] bescheidenheid, 

zedigheid. 
modification [mDdifi'keiJen] wijzi- 

ging; verzachting. 
modify ['madifai] wijzigen; matigen, 

verzachten. 
modish ['moudij] modisch, fatterig. 
Mohammedan [mou'hasmidan] mo- 

hammedaan(s). 
moist [msist] vochtig, nat. 
moisten ['mDisn] bevochtigen; vochtig 

worden. 
moisture ['maistja] vochtigheid, vocht 



o & V. 
molar ['moub] maaltand, kies. 
mole [moul] mol; havendam, pier; 

moedervlek. 
molecule ['mDlikju:!] molecule. 
mole-hill ['moulhil] molshoop. 
molest [ms'lest] molesteren, lastig 

vallen. 
mollification [mDlifi'keiJsn] verzach- 
ting; vertedering, vermurwing. 
mollify ['mDlifai] verzachten; vertede- 

ren, vermurwen. 
mollusc ['mabsk] weekdier o. 
molten ['moultn] V.D. v. melt. 
moment ['moumant] moment o\ ogen- 

blik o; belang o\ the — / knew, zo- 

dra ik wist; this '~, ogenblikkeHjk; 

daar net; of great {little) ■ — •, van 

groot (weinig) belang. 
momentarily ['moumantsrili] (voor) 

een ogenblik. 
momentary ['moumantari] (voor) 

een ogenblik, vluchtig. 
momentous [mou'mentas] gewichtig. 
monarch ['manak] vorst, vorstin; 

(alleen)heerser, monarch. 
monarchic(al) [mD'na:kik(l)] mo- 

narchaal. 
monarchy ['manaki] monarchic. 
monastery C'manastri] (mannen)- 

klooster o. 
monastic [ma'nsestik] kloosterlijk; 

klooster-; kloosterachtig. 
Monday ['mAndi] maandag. 
monetary ['mAnitari] geldelijk, mo- 

netair, munt-. 
monetize ['mAnitaiz] aanmunten. 
money ['mAni] geld o. 
money-box ['mAnibaks] spaarpot. 
moneyed C'mAnid] bemiddeld, rijk. 
moneyless ['mAnilis] zonder geld. 
money-order ['mAnia:da] postwissel. 
Mongol ['marjgal], Mongolian [marj- 

'goulian] Mongool; aj Mongools. 
mongrel ['mAngral] bastaard. 
monk [mArjk] monnik. 
monkey ['mArjki] aap; vt naapen; vi 

morrelen, donderjagen. 
monkey-wrench ['mArjkirenJ] schroef- 



monocle 



173 



mortgage 



sleutel. 
monocle ['mDnDkl] monocle. 
monogram ['rriDnagrasm] monogram o. 
monologue ['mDosbg] alleenspraak. 
monoplane ['mDnsplein] eendekker. 
monopolize [mo'nDpsIaiz] monopoli- 

seren; (alleen) in beslag nemen. 
monopoly [ms'nDpsli] monopolie o. 
monosyllabic [mDnasi'lsbik] eenlet- 

tergrepig; jig weinig spraakzaam. 
monosyllable [mDna'silsbl] eenletter- 

grepig woord o. 
monotonous [mo'nDtanas] eentonig. 
monotony [ma'nDtsni] eentonigheid. 
monsoon [niDn'suin] moesson. 
monster E'mDnsto] monster o, ge- 

drocht o. 
monstrosity [mDns'trDsiti] monster- 

achtigheid, monster o, gedrocht o. 
monstrous ['monstras] monsterachtig 

(groot), afschuwelijk, monster-. 
month [mAnG] maand. 
monthly ['mAnOli] maandelijks; 

maandschrift o, -blad o. 
monument ['mDnjumsnt] monuments, 

gedenkteken o, -steen. 
monumental [mDnju'mental] monu- 

mentaal; kolossaal. 
moo [mu:] loeien [v. koeien]. 
mood [mu:d] stemming, luim; wijs 

[v. werkwoord]. 
moody ['mu:di] humeurig; somber. 
moon [mu:n] maan; vi dromen; — 

about, rondlummelen; — away, 

verdromen. 
mooncalf ['mu:nka:f] //'^ uilskuiken o. 
moonlit ['mu:nlit] door de maan ver- 

licht, maan-. 
moonshine ['mu:njain] maneschijn; 

jig lak, bedotterij. 
moor [mua] hei(de), veen o\ vt 

(vast)meren, vastleggen. 
Moor [mus] Moor. 
moorings ['musrirjz] meertouwen; 

ligplaats. 
Moorish ['musrij] Moors. 
mop [mDp] stokdweil, zwabber; (bor- 

den)kwast; raagbol [haar]; vt dwei- 

len, zwabberen, (af)wissen. 



mope [moup] kniezen; — oneselj to 

death, zich doodkniezcn. 
mopish ['moupij], mopy ['moupi] 

kniezerig. 
moral ['mDrsl] zedcnles, moraal; • — s, 

zeden; zedenleer; liis — s, zijn zede- 

lijk gedrag o; a] moreel, zedelijk; 

zedenkundig, zeden-. 
morale [mo'ra:!] moreel o [v. leger], 
moralist C'mDrslist] zedenmeester. 
morality [ma'rseliti] zedenleer, zede- 

lijkheid; moraliteit. 
moralize ['mDralaiz] moraliseren, een 

zedenpreek houden voor (over). 
morass [ma'ries] moeras o. 
morbid ['m3:bid] ziekelijk, ziekte-; 

somber. 
morbidity [mD:'biditi] ziekelijkheid; 

ziektecijfer o\ somberheid. 
mordant ['mDidsnt] belts, bijtmiddel 

o; a] bijtend, scherp, sarcastisch. 
more [niD:] mcer- not... any — , niet 

meer, niet langer; niet wear; niets 

meer; one ■ — glass, nog een glas; 

■ — or less, mm of meer; the — ..., 

the ■ — ..., Iioe meer..., des te meer 

...; no — ...than, evenmin... als; 

no — does be, hij ook niet. 
moreover [mDi'rouvs] bovendien. 
morning ['mD:nir)] morgen, ochtend. 
morning coat ['mDinirj'kout] jacquet 

o & r. 
morning paper ['moinigpeips] och- 

tendblad o. 
Moroccan [ma'rokan] Marokkaan; aj 

Marokkaans. 
Morocco [ms'rDkou] Marokko o. 
morocco [ms'rokou] marokijn(Ieer) o. 
morose [ma'rous] gemelijk, knorrig. 
morsel ['mD:s3l] bete, stukje o, brok- 

je o. 
mortal ['mD:t3l] sterveling; aj 

sterfelijk; dodelijk, dood(s)-. 
mortality [mDi'tceliti] sterfelijkheid; 

sterfte, sterftecijfer o. 
mortar t'mDits] vijzel; mortier; moi- 

tel. 
mortgage ['mDigidsJ hypotheek; vt 

( ver) hypothekeren. 



mortgage-bond 



174 



mount 



mortgage-bond ['mD:gid3bDnd] pand- 

brief. 
mortgagee [mDiga'dsi:] hypotheek- 

houder. 
mortgagor [moiga'dsD:] hypotheek- 

gever. 
mortification [mDitifi'keiJan] grieven- 

de vernedering, beschaming, teleur- 

stelling; doding des vlezes, kastij- 

ding; af-, versterving. 
mortify ['m3:tifai] vernederen, bescha- 

men; [bet vlees] doden, kastijden. 
mortuary ['moitjusri] lijkenhuis o; aj 

sterf-, graf-, begrafenis-, lijk-. 
mosaic [ms'zeiik] mozaiek o. 
Moselle [mo'zel] Moezel; moezel- 

(wijn). 
Moslem ['mDzbm] mohammedaan; a] 

mohammedaans. 
mosque [mDskJ moskee. 
mosquito [m3s'ki:tou] muskiet. 
moss [mDs] mos o. 
mossy E'mDsi] bemost; mosachtig. 
most [moust] meest, grootst; zeer, bij- 

zonder; at {the) — , op zijn hoogst, 

hoogstens. 
mostly L'moustli] meest(a!), mees- 

tendeels. 
mote [mout] stofje o. 
moth [mD6] mot; nachtvlinder. 
mother ['mASs] moeder; azijnmoer; 

vt als kind aannemen; zorgen voor; 

bemoederen. 
motherhood ['niASahud] moeder- 

schap o. 
mother-in-law ['mASsrinb:] schoon- 

moeder. 
motherless ['mASalis] moederloos. 
motherly ['mASsli] moederlijk. 
mother-of-pearl ['niASarav'pg:!] 

paarlemoer o. 
motion ['moujgn] beweging; voor- 

stel o, motie; vt wenken, een wenk 

geven cm te... 
motionless ['moujanlis] beweging- 

loos, roerloos. 
motion picture ['moujsnpiktja] film. 
motive ['moutiv] motief o, beweeg- 

reden; from — s of delicacy, kies- 



heidshalve; aj bewegend, bewe- 
gings-, beweeg-; vt motiveren, be- 
wegen. 

motley ['mDtli] boot, gemengd. 

motor ['mouta] motor; beweegkracht; 
auto; vi met of in een auto rijden, 
autorijden. 

motor-boat ['moutsbout] motorboot. 

motor-bus E'moutabAs] autobus. 

motor-car ['moutaka:] auto(mobiel); 
motorwagen [v. tram]. 

motor-coach ['moutakoutj] touring- 
car; rijtuig o [v. elektr. trein]. 

motor-cycle ['moutasaikl] motorfiets. 

motor-cyclist ['moutssaiklist] motor- 
rijder. 

motor-hearse ['moutahsis] rouwauto. 

motorist ['moutarist] automobilist. 

motorization [moutarai'zeijan] moto- 
risering. 

motorize ['moutaraiz] motoriseren; 
-^d bicycle, bromfiets. 

motor-man ['moutamaen] wagenbe- 
stuurder [van elektr. tram]. 

motor scooter ['moutaskuits] scooter. 

motor-spirit ['moutaspirit] benzine. 

motor-truck ['moutatrAk], motor-van 
['moutavsen] vrachtauto. 

mottled ['matld] gevlekt, geaderd, 
gestreept. 

motto ['matou] motto o. 

mould [mould] losse aarde, teelaarde; 
schimmel; roestvlek; (giet)vorm, 
mal; pudding; fig type o, aard; vi 
beschimmelen; vt vormen; gieten; 
kneden. 

moulder ['moulda] vormer; vi ver- 
molmen, vergaan, vervallen. 

moulding ['mouldirj] lijstwerk o, 
lijst. 

mouldy ['mouldi] beschimmeld; ver- 
molm(en)d; vergaan (d). 

moult [moult] ruien, verharen. 

mound [maund] wal, dijk, heuveltje o. 

mount [maunt] berg; rijdier o: paard, 
enz.; vi klimmen, (op)stijgen, op- 
gaan, rijzen; optrekken [mist]; vt 
opgaan, beklimmen, bestijgen; op- 
stellen, (in)zetten, monteren; — 



mountain 



175 



mulberry 



guard, de wacht betrekken. 

mountain ['mauntin] berg. 

mountaineering [maunti'niarir)] berg- 
sport. 

mountainous ['mauntinss] bergachtig, 
berg-; hemelhoog, kolossaal. 

mountebank ['mauntib£er]k] kwak- 
zalver. 

mounted ['mauntid] bereden. 

mourn [m3:n] treuren, rouwen; be- 
treuren, bewenen. 

mourner ['moina] treurende, rouw- 
drager. 

mournful ['mDinful] treurig, droevig. 

mourning ['m3:nir)] droefheid; rouw. 

mouse [maus] muis; [mauz] vi mui- 
zen vangen; snuffelen. 

mousetrap ['maustraep] muizeval. 

moustache [mas'taij] snor. 

mouth [mauG] mood, muil, bek; men- 
ding; 7nake one's — water, iem, 
doen watertanden. 

mouthful L'mauOful] mondvol. 

mouth-organ ['mauBDigsn] mond- 
harmonika. 

mouthpiece ['mau0pi:s] mondstuk o; 
woordvoerder, spreekbuis. 

movable ['muivabl] beweeglijk, be- 
weegbaar; veranderlijk; '— proper- 
ty, roerend goed o; — s, roerende 
goederen, meubilair o. 

move [mu:v] beweging; zet, fig stap; 
verhuizing; get a — on, maak wat 
voort!; on the — , in beweging; vi 
zich bewegen, zich in beweging 
zetten; zich roeren, iets doen; 
(weg)gaan, verhuizen; — on, ver- 
der gaan; oprukken; vt bewegen, 
in beweging brengen; verplaatsen, 
overbrengen, vervoeren; (op)wek- 
ken; (ont) roeren; voorstellen, in- 
dienen [motie &]. 

movement ['muivmsnt] beweging; 
fig aandrang, opwelling; mechaniek 
[v. klok] ; vervoer o. 

mover ['mu:v3] beweger; fig voor- 
steller; drijfveer. 

movie ['mu:vi] film; the ■ — s, de 
bioscoop; aj film-, bioscoop-. 



moving ['mu:vir)] (zich) bewegend; 
beweeg-, drijf-; roerend, treffend; 

— pictures, bioscoop. 

mow [mau] hooiberg, opper; [mou] 

vt maaien. 
mower ['mous] maaier. 
mown [moun] V.D. v. mow. 
M. P. = Alember of Parliament. 
Mr. zie mister. 
Mrs. zie mistress. 
much [mAtJ] veel; zeer, erg; / thought 

as — ■, dat dacht ik wel; nothing 

■ — ', niet veel (zaaks); zo erg niet; 

not so ■ — as, niet eens; ■ — ' the same, 

— as usual, zowat, vrijwel hetzelf- 
de. 

muck [mAk] natte mest, vuil o, vui- 
ligheid; rommel. 

mucky L'mAki] smerig, vuil. 

mucous ['mju:k3s] slijmig; slijm-. 

mucus ['mjuikas] slijm o & m. 

mud [mAd] modder, slijk o\ leem o 
& rn. 

muddle ['mAdI] warboel; vt vertroe- 
belen, benevelen, bedwelmen; in de 
war gooien; in de war brengen; 
verknoeien; — together, ^~^ 
u p, (met elkaar) verwarren; vi 
modderen, ploeteren; — along, 

— o n, voortsukkelen, voortploete- 
ren; ~ throng h, er zich door- 
heen slaan. 

muddle-head ['mAdlhed] warhoofd o 
& m-v. 

muddy ['mAdi] modderig; modder-; 
bemodderd, vuil, vaal; verward. 

mudguard ['mAdga;d] spatbord o. 

muff [mAf] mof; sul, flauwerd; klun- 
gel; vt bederven, verknoeien. 

muffin E'mAfin] theegebak o. 

mu ffle L'mAfl] moffel (oven) ; vt in- 
wikkelen, inpakken; omwikkelen, 
dempen; omfloersen [trom]; de 
mond snoeren (ook: • — ■ up). 

muffler ['mAfb] bouffante. 

mufti L'mAfti] in — , in burger. 

mug [mAg] pot; drinkkroes; sul, uil. 

mulatto Lmju'lastouJ mulat. 

mulberry ['mAlbsri] moerbei. 



ilct 



176 



mutilation 



mulct [mAlkt] geldboete; vt beboeten 

(met, in'). 
mule [mju:I] muildier o\ jig stijfkop; 

muiltje o. 
mulish ['mju:lij] koppig. 
multifarious [mAlti'fesrias] veelsoor- 

tig, velerlei, verscheiden. 
multiform ['mAltif3:m] veelvormig. 
multilateral [mAlti'Iaetsrsl] veelzijdig. 
multimillionaire [niAltimiljs'nea] 

multimiljonair, miljardair. 
multiple ['mAJtipl] veelvoud o\ aj 

veelvuldig; veelsoortig, vele; — 

shop, filiaal(bedrijf) o. 
multiplicand [mAltipIi'kjend] verme- 

nigvuldigtal o. 
multiplication [niAltipli'keiJ'an] ver- 

menig\'uldiging. 
multiplier ['niAltiplaia] vermenigvul- 

diger. 
multiply ['mAJtiplai] (zich) vermenig- 

vuldigen. 
multitude L'mAltitjuid] menigte, 

(grote) massa; hoop. 
mum [mAm] mevrouw; maatje o\ aj 

stil; be {keep) ■ — ■, zwijgen, geen 

woord zeggen; — ^'j- the word!, 

mondje dicht! 
mumble ['mAmbl] gemompel o; vi 

mompelen. 
mummery ['mAmsril maskerade, 

mommerij; jig komedie. 
mummy ['mAmi] mummie; maatje o, 

moesje a. 
mumps [mAmps] bof [ziekte]; lan- 

derigheid, ,,lDokkepruik". 
munch [mAnJ] knabbelen. 
mundane ['mAndein] werelds. 
Munich ['mju:nik] Munchen(er). 
municipal [mju'nisipsl] gemeentelijk, 

stedelijk, gcmeente-. 
municipality [mjunisi'p£eliti] ge- 

meente, gemeentebestuur o. 
munificent [mju'nifissnt] mild- 

(dadig), royaal. 
munition [mju'nijan] (am)munitie. 
mural ['mjuarsl] muur-, wandschil- 

dering; a] muur-, wand-. 
murder ['maida] moord; vt vermoor- 



den. 
murderer ['m3:d3r3] moordenaar. 
murderess ['mardaris] moordenares. 
murderous ['msidarss] moorddadig. 
murky ['m3:ki] duister, donker. 
murmur ['maims] gemompel o, ge- 

mopper o, gemor o; gemurmel o, 

geruis o; vi mompelen, mopperen, 

morren; murmelen, ruisen. 
muscle ['mAsI] spier; spierkracht. 
muscular ['mAskjuIa] gespierd; spier-. 
Muse [mju;z] muze. 
muse [mjuiz] peinzen, mijmeren. 
museum [mju'ziam] museum o. 
mushroom ['niAjrum] paddestoel. 
music ['mju:zik] muziek. 
musical ['mju:zik!] muzikaal; muziek-; 

— (comedy, play), operette. 
music-hall ['mju:zikhD:l] variete- 

theater o. 
musician [mju'zijan] muzikant, mu- 

sicus. 
musing ['mju:zir)] gepeins o, gemij- 

mer o. 
musk [roAsk] muskus. 
musket E'mAskit] musket o, geweer o. 
musketry E'mAskitri] geweervuur o\ 

infanterie; geweren; schietoefeningen. 
musky ['mAski] muskusachtig. 
Muslim ['mAzlim] zie Moslem. 
muslin ['mAzlin] mousscline, netel- 

doek o & ?n. 
mussel ['mAsI] mossel. 
must [mAst] meet, moest, moe(s)ten; 

most [v. vruchten]. 
mustard ['mAstad] mosterd. 
muster ['mASta] monstering; inspectie; 

pass — ', de toets doorstaan, er mee 

door kunncn; vt monsteren; (laten) 

verzamelen. 
musty ['mASti] beschimmeld; muf, 

duf; suf [v. ouderdom]. 
mutation [mju'teijsn] verandering; 

mutatie. 
mute [mju:t] stom, sprakeloos. 
mutilate ['mjuitileit] verminken, 

schenden. 
mutilation [mjuiti'leijan] verminking, 

schending. 



mutineer 



177 



nation 



mutineer [mjuiti'nia] muiter, muite- 

ling; vi aan 't muiten slaan. 
mutinous ['mju:tin3s] muitziek, op- 

roerig, opstandig. 
mutiny ['mjurtini] muiterij, opstand, 

oproer o\ vi in opstand komen, mui- 
ten. 
mutter ['mAta] gemompel o; vi mom- 

pelen; mopperen; rommelen. 
mutton E'mAtn] schapevlees o. 
mutton-chop E'mAtn'tjDp] schaaps- 

kotelet. 
mutual ['mju:tju3l] onderling; weder- 

kerig; wederzijds. 
muzzle ['mAzI] muil, bek, snuit; muil- 

korf, -band; mond [vuurwapen] ; vt 

muilbanden. 
my [mai] mijn; {oh) ■ — ■!, goeie ge- 

nade! 
myopic [mai'Dpik] bijziend. 
myriad ['mirisd] myriade [tiendui- 



zendtal]; duizenden en duizenden, 

ontelbare. 
myrmidon ['msrmidan] handlanger. 
myrrh [ma:] mirre. 
myrtle ['maitl] mirt. 
myself [mai'self] zelf, ik (zelf); 

mij(zelve); by ■ — ■, alleen. 
mysterious [mis'tiarias] geheimzin- 

nig; verborgen. 
mystery ['mistari] verborgenheid, ge- 

heim o, raadsel o, mysterie o; ge- 

heimzinnigheid. 
mystic ['mistik] mysticiis; aj mystiek, 

verborgen. 
mystification [mistifi'keijan] mystifi- 

catie, fopperij, bedotterij. 
mystify ['mistifai] mystificeren, be- 

dotten, foppen. 
myth [mie] mythe; fig fabel. 
mythic(al) ['mi6ik(l)] mythisch. 



N 



n [en] (de letter) n. 

nag [naeg] hit; vi zaniken, vitten. 

nail [neil] spijker, nagel; vt (vast)- 

spijkeren. 
nail-file ['neilfail] nagelviji. 
naive [na:'i:v] na'ief, ongekunsteld. 
naivete [na:'i:vtei] naiveteit, ongekun- 

steldheid. 
naked ['neikid] naakt, bloot, kaal. 
name [neim] naam, benaming; vt 

noemen, benoemen. 
nameless ['neimlis] nameloos; onbe- 

kend; onnoemelijk. 
namely ['neimli] namelijk, te weten. 
name-plate ['neimpleit] naambordje o. 
namesake ['neimseik] naamgenoot. 
Namur ['neima] Namen o. 
nannie, nanny ['nsni] kinderjuf- 

frouw; — goat, geit. 
nap [nasp] dutje o\ vi dutten. 
nape [neip] nek. 
napery ['neiperi] tafellinnen o. 
napkin ['naepkin] servet o; doek; 

luier. 

Eng. Zakwrdbk, U 



narcissus [na'sisas] narcis. 

narcotic [na/katik] narcotisch (mid- 
del o). 

narrate [nas'reit] verhalen, vertellen. 

narration [nae'reijan] verhaal o, re- 
laas o. 

narrative ['naerativ] verhaal o, relaas 
o; vertelling; aj verhalend. 

narrator [nae'reita] verhaler, verteller. 

narrow ['naerou] eng, nauw; smal; 
nauwkeurig [onderzoek]; bekrom- 
pen; beperkt, klein, gering [meer- 
derheid]; • — 'S, (zee)engte(n); vt 
vernauwen, beperken; vi nauwer 
worden, inkrimpen. 

narrowly ['nasrouli] zie narrow, ook: 
ternauwernood, op het kantje af. 

narrow-minded L'naErou'maindid] 
kleingeestig, bekrompen. 

nasal ['neizal] neus-. 

nasty ['narsti] vuil; smerig, vies; ake- 
lig, gemeen, lehjk; hatelijk. 

natal ['neitl] geboorte-. 

nation ['neijan] volk o, natie. 

IZ 



national 



178 



needs 



national ['naejsnsl] nationaal; lande- 
lijk; vaderlands; volks-, staats-, 
lands-; — s, landgenoten, onderda- 
nen. 

nationality [nasja'nseliti] nationali- 
teit. 

nationalize ['nEjsnalaiz] nationalise- 
ren; naturaliseren; naasten, ont- 
eigenen. 

native ['neitiv] inboorling, inlander; 
a — of A, iemand uit, geboortig 
van A; aj aangeboren, natuurlijk, 
oorspronkelijk; inheems; inlands; 
gedegen, zuiver [mineralen]; ge- 
boorte-. 

natural ['naetjral] natuurlijk; aange- 
boren; menseiijk; natuur-. 

naturalize ['nsetjrslaiz] naturaliseren. 

naturally ['nastjrsli] op natuurlijke 
wijze; van nature, uiteraard; natuur- 
lijk (erwijze). 

nature ['neitja] natuur, karakter o, 
aard, soort; by — , van nature, 
uiteraard; anything i n the — of, 
alles wat bet karakter heeft van. 

naught [nDit] niets, nul. 

naughty ['nDiti] ondeugend, stout. 

nausea ['noisia] misselijkheid, wal- 
ging; zeeziekte. 

nauseating ['nDrsieitirj] walglijk. 

nauseous ['nDisias] walglijk. 

nautical ['nD:tikl] zeevaart-, zee-. 

naval ['neival] zee-; scheeps-, ma- 
rine-, vloot-. 

nave [neiv] naaf; schip o [v. kerk]. 

navel ['neivl] navel. 

navigable ['naevigsbl] bevaarbaar. 

navigate ['nasvigeit] varen; bevaren, 
varen op, (be)sturen. 

navigation [nsvi'geijsn] (scheep)- 
vaart, stuurmanskunst. 

navigator ['njevigeita] zeevaarder; na- 
vigator [v. vliegtuig]. 

navvy ['ntevi] grondwerker. 

navy ['neivi] maiine, (oorlogs)vloot, 
zeemacht. 

nay [nei] wat meer is, ja (zelfs); 
neen; nu, maar. 

neap-tide ['niip'taid] doodtij o. 



near [nia] na, nabij; dichtbij, om- 
trent; naverw'ant, dierbaar; vasthou- 
dend, gierig; bijna; /'/ ivas a ~- 
thing {the '~~-est of things), bet 
hield erom, het was op bet nip- 
pertje; het scheelde maar weinig; a 
■ — • translation, een getrouwe ver- 
taling; he came ■ — ■ falling Sc, hij 
was bijna gevallen. 

nearly ['nisli] van nabij, na; bijna; 
not ■ — so rich, lang zo rijk niet. 

near-sighted ['nis'saitid] bijziend. 

neat [ni:t] net(jes), proper, zuiver; 
netto; handig, knap. 

nebulous ['nebjubs] nevel(acht)ig, 
vaag. 

necessary ['nesissri] noodwendig, 
noodzakelijk, nodig. 

necessitate [ni'sesiteit] noodzakelijk 
maken, noodzaken, dwingen. 

necessitous [ni'sesitss] behoeftig; 
kommerlijk. 

necessity [ni'sesiti] noodzaak, nood- 
zakelijkheid, noodwendigheid; nood, 
nooddruft, behoeftigheid; of — , 
noodzakelijkerwijs; noodwendig. 

neck [nek] hals, halsstuk o; hals- 
lengte; (land)engte. 

neckerchief ['nekatjif] halsdoek. 

necklace ['neklis] halssnoer a, collier. 

neck-tie [nektai] das. 

need [ni:d] nood, noodzaak; — s, be- 
hoefte(n), benodigdheden; /'/ ~- be, 
zo nodig; in geval van nood; at — , 
in geval van nood; desnoods; stand ] 
;' n ■ — of, van node hebben; vt no- 
dig hebben, (be)hoeven; be — ed, 
ook: nodig zijn. 

needful ['ni:dful] nodig, noodzakelijk. 

needle ['ni:dl] naald. 

needle-case ['niidlkeis] naaldenkoker. 

needless ['ni:dlis] onnodig, nodeloos. 

needlewoman ['niidlwuman] naaister. 

needlework ['ni:dlw3:k] naaldwerk o\ 
handwerk o, handwerken; naaiwerk o. 

needs [ni:dz] noodzakelijk; he ■ — must 
go, hij moe(s)t wel gaan; he inust 
— go, hij moest (wilde) met alle 
geweld gaan. 



needy 1 79 



newly 



needy ['ni:di] behoeftig; hulpbehoe- 

vend. 
ne'er-do-well ['neadurwel] deugniet. 
negation [ni'geijan] ontkenning. 
negative ['negstiv] ontkennend; wei- 

gerend; negatief. 
neglect [ni'glekt] verzuim o\ verwaar- 

lozing; to the ■ — of, met verwaar- 

lozing van; vt verzuimen, verwaar- 

lozen, over 't hoofd zien. 
neglectful [ni'glektful] achteloos, na- 

latig; be — oj, verwaarlozen. 
negligence ['neglidsans] nalatigheid, 

achteloosheid, veronachtzaming. 
negligent ['neglidjant] nalatig, achte- 
loos; be — oj, veronachtzamen. 
negligible ['neglidsabl] te verwaar- 
lozen, niet noemenswaard, miniem. 
negotiable [ni'goujiabl] verhandel- 

baar. 
negotiate [ni'goujieit] onderhandelen 

(over); verhandelen; tot stand bren- 

gen, sluiten [huwelijk, lening &]; 

springen over [hek &]. 
negotiation [nigouji'eijsn] onderhan- 

deling; verhandeling. 
negotiator [ni'goujieita] onderhan- 

delaar; verhandelaar. 
negress ['ni:gris] negerin. 
negro ['nirgrou] neger. 
neigh [nei] hinniken. 
neighbour ['neiba] buur, buurman, 

buurvrouw; naaste; vi ■~- upon, 

grenzen aan. 
neighbourhood ['neibshud] buurt, 

(na)buurschap, nabijheid. 
neighbouring ['neibsrirj] naburig. 
neighbourly ['neibali] buur-; als goe- 

de buren. 
neither ['naiSa, 'ni:33] geen van bei- 

de(n); geen (van alien); ook... 

niet; — he nor she, noch hij, noch 

zij. 
nephevif ['nevju] neef [oomzegger]. 
nerve [n3:v] zenuw, nerf, pees; 

( spier) kracht; energie; moed; bru- 

taliteit; vt kracht geven, een hart 

onder de riem steken; • — oneself, 

zich vermannen. 



nervous ['nsivas] krachtig, gespierd; 
zenuw-; zenuwachtig; nerveus. 

nervy ['nsivi] krachtig, gespierd; ner- 
veus; moedig; driest. 

nest [nest] nest o; vi (zich) neste- 
len; nestjes uithalen. 

nest-egg ['nesteg] nestei o\ spaar- 
duitje o. 

nestle ['nesl] zich nestelen; — down, 
zich neervlijen. 

net [net] net(je) o; vt in een net 
vangen, in zijn (haar) netten van- 
gen; knopen; netto opbrengen of 
verdienen, in de wacht slepen; a] 
netto, zuiver. 

nether ['neSa] onderste, onder-, be- 
neden-. 

Netherlands, The [Sa'neSsbndz] 
Nederland o; als a] Nederlands. 

netting ['netirj] netwerk o\ gaas o. 

nettle ['netl] (brand) netel; vt nete- 
len; jig ergeren. 

network ['netw3:k] netwerk o, net o. 

neurotic [nju'rotik] zenuwziek. 

neuter ['njuita] onzijdig. 

neutral ['njuitrsl] neutraal, onzijdig. 

neutrality [nju'trseliti] neutraliteit, 
onzijdigheid. 

neutralize ['njuitrslaiz] neutraliseren, 
te niet doen, opheffen. 

never ['nevs] nooit, nimmer; (in het 
minst) niet; toch niet; — .', och 
kom!; Well, I — !, heb ik van mijn 
leven!; -^ fear, wees maar niet 
bang. 

nevermore ['nevs'mD:] nooit meer. 

nevertheless [nevsSa'les] niettemin, 
niettegenstaande dat^ 

new [nju:] nieuw, vers; groen. 

new-born ['nju:bD:n] pasgeboren; we- 
dergeboren. 

new-comer ['nju:'kAma] pas aangeko- 
mene, nieuweling. 

new-fangled ['nju/faerjgld] nieuwer- 
wets. 

new-fashioned ['njui'fasjand] nieuw- 
modisch. 

new-laid ['nju/leid] vers (gelegd). 

newly ['nju:li] nieuw; onlangs, pas. 



new-made 



180 



nodose 



new-made ['nju:'meid] pas gemaakt, 

nieuw. 
news [nju:z] nieuws o, bericht o, be- 

richten. 
newspaper ['nju:zpeip3] krant. 
newsprint ['nju:zprint] kranten- 

papier o. 
newsreel ['nju:zri:I] (film)journaal o\ 

— theatre, cineac. 

newt [nju:t] watersalamander. 

New Year ['njurjia] nieuwjaar o\ — ' s 
Eve, oudejaarsavond, oudejaar o. 

next [nekst] naast, (eerst)volgend, 
volgend op..., aanstaand; (daar)na, 
vervolgens; de volgende keer; the 

— best, op een na de beste; our — 
best customer after..., onze beste 
klant na...; he lives ■ — ■ door, hij 
woont hiernaast; — door to, naast; 
grenzend aan; zo goed als; the — 
policeman, de eerste de beste agent; 
•^ of kin, naaste bloedven\'ant(en); 

— to nothing, zo goed als niets; 
the largest city — to London, na 
Londen. 

next-door ['nekstdD:] ■ — neighbour, 

naaste buur; zie ook: 7ie.\t. 
nib [nib] snavel, punt, spits. 
nibble ['nibl] knabbelen (aan, at). 
nice [nais] lekker; prettig, aardig, lief; 

mooi, keurig, nauwkeurig; delicaat; 

kieskeurig; net. 
nicety ['naisiti] lekkere, fijne smaak; 

kieskeurigheid, nauwkeurigheid; fijn- 

heid, fijne onderscheiding, finesse; 

to a — , uiterst nauwkeurig, precies. 
niche [nitj] nis; fig plaatsje o. 
Nicholas ['nikslas] Nicolaas, Klaas. 
nick [nik] (in) keep, kerf, insnijding; 

in the {very) ■ — ' {of time'), juist 

op het nippertje; net op tijd. 
nickel ['nikl] nikkel o\ aj nikkelen; 

vt vernikkelen. 
nickname ['nikneim] bijnaam, spot- 

naam; vt een bijnaam geven. 
nicotine L'nikstiin] nicotine. 
niece [ni:s] nicht [oomzegster]. 
niggard ['nigad] vrek, gierigaard. 
niggardly ['nigadli] krenterig, gierig. 



nigh [nai] na, nabij, dicht bij; nauw; 

■ — ' at hand, dicht bij. 
night [nait] nacht, avond; at -~ , 

's avonds; des nachts; by — , des 

nachts; o f — s, des nachts. 
nightcap ['naitkaep] slaapmuts. 
night-dress ['naitdres] nachtpon. 
nightingale ['naitirjgeil] nachtegaal. 
nightly ['naitli] nachtelijk; iedere 

avond, iedere nacht; des nachts. 
nightmare ['naitmea] nachtmerrie. 
nighty ['naiti] nachtpon. 
nil [nil] niets, nul, nihil. 
Nile [nail] Nijl. 

nimble ['nimbi] vlug, rap, vaardig. 
nimbus ['nimbss] licht-, stralenkrans. 
nincompoop ['nigkampuip] sul. 
nine [nain] negen. 
ninepins ['nainpinz] kegelspel o, 

kegels. 
nineteen ['nain'ti:n] negentien. 
nineteenth ['nain'ti:n9] negentiende 

(deel o). 
ninetieth ['naintiiO] negentigste (deel 

ninety ['nainti] negentig. 

ninny ['nini] uilskuiken o; sul. 

ninth [nainO] negende (deel o). 

nip [nip] (k)nijpen, beknellen, klem- 
men; bijten [v. kou]; •-^ in the bud, 
in de kiem smoren. 

nitrogen ['naitradsan] stikstof. 

no [nou] geen; niet; neen. 

nobiliary [nou'biliari] adellijk, adel-. 

nobility [nou'biliti] adel. 

noble ['noubl] edelman; aj edel; 
adellijk; nobel; prachtig; the -^ art, 
de bokskunst. 

nobleman ['noubleman] edelman. 

nobody ['noubadi] niemand. 

nocturnal [n3k'ta:nl] nachtelijk; 
nacht-. 

nod [nod] knik, knikje o; wenk; give 
a — , knikken; vi knikken [met 
hoofd] ; knikkebollen; • — approba- 
tion, goedkeurend knikken. 

node [noud] knobbel, knoest, knoop, 
knooppunt o. 

nodose [nou'dous] knoestic. 



noise 



181 



note 



noise [nDiz] leven o, lawaai o, ka- 

baal o; geraas o, geluid o; vt ^—' it 

abroad, het ruchtbaar maken. 
noiseless ['noizlis] geluidloos, geruis- 

loos, stil. 
noisome ['nDisam] schadelijk, onge- 

zond; stinkend, walglijk. 
noisy ['nDizi] luidruchtig; gehorig; 

druk [kleuren &]. 
nomad ['oDmsd] zwerver. 
nomadic [nou'maedik] nomadisch, 

zwervend. 
nomenclature ['noumankleitja] no- 

menclatuur; naamlijst. 
nominal ['nDminal] nominaal, naam- 

(s)-; in naam; naamwoordelijk; ge- 

ring, klein. 
nominate ['oDmineit] benoemen; kan- 

didaat stellen, voordragen. 
nomination [nDmi'neiJsn] benoeming; 

kandidaatstelling, voordracht. 
nominative ['n^minstiv] nominatief, 

eerste naamval. 
nonage ['nounids] minderjarigheid. 
non-commissioned ['nonka'mij'and] 

■ — ■ officer, onderofficier. 
nonconformist E'nDnksn'fDimist] afge- 

scheidene (v. d. Engelse Kerk) . 
nondescript ['nondiskript] niet te be- 

schrijven, vreemdsoortig, wonder- 

lijk; veelsoortig, rommelig. 
none [hao] geen, niet een; niemand, 

niets; • — ' other than, niemand an- 

ders dan; ■-~' the less, niettemin. 
nonentity [nD'nentiti] onbeduidend 

mens, onbeduidendheid. 
nonsense ['nDnsansj onzin, larie, gek- 

heid. 
nonsensical [non'sensikl] onzinnig, 

ongerijmd, gek, zot, absurd. 
non-stop C'nDn'sDp] doorgaand [v. 

trein], ononderbroken, doorlopend. 
noodle ['nu:dl] uilskuiken o. 
nook [nuk] hoekje o, (uit)hoek. 
noon [nu:n] middag, middaghoogte; 

at ~-, cm 12 uur 's middags. 
noose [nu:s] knoop, lus, strik. 
nor [nD:] noch, (en) ook niet; dan 

ook niet. 



normal ['noimsl] normaal; gewoon. 

normally E'nDimali] normaal, door- 
gaans, in de regel, gewoonlijk. 

Norman ['nDimsn] Normandier; aj 
Normandisch. 

Normandy ['nDimsndi] Normandie o\ 
aj Normandisch. 

Norseman ['noismsn] Noor; Noor- 
man. 

north [nD:6] noorden o; noordelijk; 
noord(er)-; ■ — ■ of, ten noorden van. 

northern ['nDiSan] noordelijk, noord-. 

North Sea ['n3:6'si:] Noordzee. 

Norway ['noiwei] Noorwegen o. 

Norwegian [nD'wiidssn] Noor; het 
Noors; aj Noors. 

nose [nouz] neus; tuit; turn up one's 
— at, de neus optrekken voor; un- 
der his ■ — •, vlak voor zijn neus, 
waar hij bij stond; vi neuzen, snuf- 
felen. 

nosegay ['nouzgei] ruiker. 

nostalgia [oDs'taeldsis] heimwee o. 

nostril ['nDstril] neusgat o. 

nosy ['nouzi] bemoeiziek. 

not [nDt] niet; / think — , ik denk 
van niet. 

notability [nouta'biliti] merkwaar- 
digheid; notabele. 

notable ['noutsbl] merkwaardig; op- 
merkelijk; aanzienlijk; eminent; 
C'nDtabl] werkzaam, flink. 

notably ['noutabli] merkbaar, aanmer- 
kelijk; belangrijk; inzonderheid, met 
name. 

notary ['noutsri] notaris. 

notch [notj] inkeping, keep, kerf; vt 
inkepen, kerven. 

note [nout] merk a, teken o; ken-, 
merkteken o; toon; noot, aanteke- 
ning, nota; (order) brief je o\ bete- 
kenis, aanzien o\ notitie; '~- of ad- 
miration (^exclamation) , uitroepte- 
ken o\ ■ — ■ of hand, orderbriefje o, 
promesse; — of interrogation, 
vraagteken o\ make a mental — of 
it, het in zijn oor knopen; take — 
of, nota nemen van; notitie nemen 
van; vt noteren, opschrijven, opteke- 



note-book 



182 



numeral 



nen (ook: ■ — - down); nota of notitie 
nemen van, opmerken. 

note-book ['noutbuk] notitieboekje o. 

note-case ['noutkeis] portefeuille. 

noted ['noutid] bekend, vermaard. 

note-paper ['noutpeips] postpapier o. 

noteworthy ['noutw'3:3i] opmerkens- 
waardig. 

nothing ['nASir)] niets; -^ doing, er 
is niets te doen, er gaat niets om; 
het zal niet gaan; co?ne to —-', niet 
doorgaan, mislukken. 

notice ['noutis] opmerkzaamheid; aan- 
kondiging, bekendmaking, bericht 
o, kennisgeving; waarschuwing; gire 
■ — ■, aankondigen, kennis geven, la- 
ten weten; waarschuwen; give — 
{to quit), de huur (de dienst) op- 
zeggen; take — of, kennis nemen 
van; notitie nemen van; at a mo- 
ment's ' — ■, op staande voet; vt acht 
slaan op, (veel) notitie nemen van, 
opmerken; bespreken, recenseren. 

noticeable t'noutissbl] merkbaar, 
waarneembaar; merkwaardig; ver- 
meldenswaardig. 

notification [noutifi'keijan] aanschrij- 
ving, kennisgeving. 

notify ['noutifai] ter kennis brengen, 
bekendmaken, kennis geven van. 

notion ['noujsn] begrip a, denkbeeld 
o, idee o & v, notie. 

notoriety [nouta'raiati] (algemene) 
bekendheid; beruchtheid. 

notorious [nou'tDirias] (algemeen) be- 
kend; berucht. 

notwithstanding [nDtwiG'stJendir)] 
niettegenstaande, ondanks, trots. 

nougat ['nu:ga:] noga. 

nought [nD:t] niets, nul. 

noun [naun] (zelfstandig) naam- 
woord o. 

nourish ['nAriJ] voeden, koesteren, 
aankrveken, grootbrengen. 

nourishing ['nAtiJirj] voedzaam. 

nourishment ['nAriJmant] voedsel o, 
vocding. 

novel L'nDval] roman; a] nieuw. 

novelist E'nDvalist] romanschrijver. 



novelty ['njvslti] nieuwigheid, 
nieuws o. 

November [nou'vemba] november. 

novice ['nsvis] novice; nieuweling. 

now [nau] nu, thans; by — , nu wel 
]ust — , zo even; op het ogenblik 
— ..., — •..., nu eens..., dan weer... 
■ — • and then, ■ — • and again, nu en 
dan, bij tussenpozen; every ■ — • and 
then, every — and again, telkens. 

nowadays ['nausdeiz] tegenwoordig. 

nowhere ['nouvv^ea] nergens. 

noxious ['nDk^ss] schadelijk, verder- 
felijk. 

nozzle ['nozl] neus, snuit, mondstuk 
o, tuit, pijp. 

nuclear ['njuiklia] kern-. 

nuclei ['nju:kliai] meerv. v. nucleus. 

nucleus ['njuikliss] kern. 

nude [nju:d] naakt, bloot. 

nudge [nAds] duwtje o (met de elle- 
boog); vt aanstoten. 

nudity ['nju;diti] naakt-, blootheid. 

nugget ['oAgit] klomp [inz. good]. 

nuisance ['nju:s3ns] plaag, (over)last; 
burengerucht o, lastpost. 

null [nAl] krachteloos, nietig, ongel- 
dig; ■ — and void, van nul en gener 
waarde. 

nullification [nAlifi'keiJsn] nietig-, 
ongeldigverklaring, vernietiging. 

nullify C'nAlifai] krachteloos maken, 
vernietigen, nietig of ongeldig ver- 
klaren, te niet doen. 

nullity E'nAliti] ongeldigheid, nietig- 
heid; nulliteit. 

numb [nAm] gevoelloos, verstijfd, ver- 
kleumd, verdoofd; vt verstijven; 
doen verkleumen; verdoven. 

number ['nAmba] nummer o; getal o, 
aantal o\ come i n ■ — s, in groten 
getale komen (opzetten); to the 
■ — o/..., ten getale van...; vt num- 
meren, tellen; rekenen (onder, 
among, in, with); bedragen, ten 
getale zijn van. 

numberless E'nAmbalis] talloos. 

numeral ['njuimarsl] telwoord o; Ro- 
man '~j', Romeinse cijfers; aj getal-. 



numeration 



183 



oblige 



nummer-. 
numeration [njuima'reijan] telling. 
numerator ['njuimsreits] teller [v. 

breuk]. 
numerical [nju'merikl] numeriek, ge- 

tal-. 
numerous ['njuimsrss] talrijk, vele. 
nun [nAn] non. 

nunnery ['nAnsri] nonnenklooster o. 
nuptial ['nApJal] huwelijks-, brui- 

lofts-, braids-; '-~s, bruiloft. 
nurse [nais] baker; kinderjuffrouw; 

ziekenverpleegster; verzorger, kwe- 

ker; vt oppassen, verplegen, ver- 

zorgen; koesteren; zuinig omgaan 

met. 
nurse-maid ['nsismeid] kindermeisje o. 
nursery ['nsisri] kinderkamer; kinder- 

bewaarplaats; kweekschool; kweek- 

plaats; (boom)kwekerij. 
nursery rhyme ['nsisriraim] baker- 



rijmpje o. 
nursery school ['n3:srisku:l] bewaar- 

school. 
nursing home ['naisighoum] zieken- 

verpleging(sgesticht o). 
nursling ['nsislirj] zoogkind o, troe- 

telkind o. 
nut [oAt] noot; moer [v. schroef]; ker- 

sepit, bol; fat; be off one's — , van 

lotje getikt zijn. 
nutcracker ['oAtkraeka] notekraker 

(ook: '~j). 
nutmeg ['oAtmeg] notemuskaat. 
nutrition [nju'trijan] voeding, 

voedsel o. 
nutritious [nju'trijas], nutritive 

['nju:tritiv] voedend, voedzaam. 
nutshell ['nAtJel] notedop; /'« a -~, 

in weinig (een paar) woorden, zeer 

eenvoudig. 
nymph [nimf] nimf; pop [v. insekt]. 



o 



o [ou] (de letter) o. 

oak [ouk] elk, eikehout o; eikeloof o; 

aj eiken, eikehouten. 
oaken ['oukn] eiken, eikehouten. 
oar [d:] (roei)riem; roeier. 
oarsman ['jizmsn] roeier. 
oasis [ou'eisis] case. 
oat [out] haver {gew. ■ — s); rolled 

~^j, havermout; he has sown his 

wild — s, hij is uitgeraasd, uitge- 

boemeld. 
oath [ou0] eed; vloek; b y — -, on- 

der ede; o 7i {his) ^^, onder ede. 
oatmeal ['outmi:l] havermeel o; — 

porridge, havermoutpap. 
obduracy ['Dbdjurssi] verstoktheid, 

verharding. 
obdurate ['Dbdjurit] verstokt, verhard. 
obedience [ou'biidjsns] gehoorzaam- 

heid; in — to, gehoorzamend aan; 

overeenkomstig. 
obedient [ou'bi:dJ3nt] gehoorzaam. 
obediently [ou'bi;dJ3ntli] gehoor- 
zaam; yours — , uw dienstwillige. 



obelisk ['obilisk] gedenknaald. 
obese [ou'bi:s] corpulent, zwaarlijvig. 
obesity [ou'bi:siti] corpulentie, 

zwaarlijvigheid. 
obey [ou'bei] gehoorzamen, gehoor ge- 

ven aan [roepstem]; luisteren naar 

[het roer]. 
object ['Dbd3ikt] voorwerp o; oog- 

merk o, doel o\ onderwerp o [v. 

onderzoek] ; [3b'd3ekt] vt inbrengen 

(tegen, against, to), tegenwerpen; 

vi tegenwerpingen maken, bezwaar 

hebben (tegen, to). 
objection [ab'dsekjsn] tegenwerping; 

bezwaar o. 
objectionable [3b'd3ekj3n3bl] aansto- 

telijk, afkeurenswaardig; onaange- 

naam. 
objective [sb'dsektiv] objectief. 
obligation [obli'geijsn] verbintenis, 

verplichting. 
obligatory ['Dbligatari] verplicht, ver- 

plichtend, (ver)bindend. 
oblige [a'blaids] verbinden, (aan zich) 



obliging 184 

verplichten, dwingen; be -~J to, 

ook: moeten. 
obliging [a'blaidsir)] voorkomend, 

minzaam, inschikkelijk, gedienstig. 
oblique [a'bliik] scheef, schuin(s), 

hellend; zijdelings; slinks. 
obliterate [s'blitsreit] uitwissen, door- 

halen; afstempelen [postzegels]; ver- 

nietigen. 
obliteration [ablita'reijsn] uitwissing, 

doorhaling; afstempeling; vernieti- 

ging. 
oblivion [a'blivian] vergetelheid. 
oblivious [a'blivias] vergeetachtig; 

• — ■ of {to), vergetend. 
oblong ['abbr)] langwerpig. 
obnoxious [ab'nDkJas] aanstotelijk; 

gehaat; onaangenaam. 
obscene [ab'siin] gemeen. 
obscenity [Db'si:-, ob'seniti] gemeen- 

heid. 
obscure [ab'skjus] duister, donker, 

obscuur; onduidelijk; onbekend; vt 

verduisteren; duister(der) maken; 

verdoezelen; fig overschaduwen. 
obscurity [ab'skjuariti] duister o, 

duisternis, donker o, donkerte; duis- 

terheid, donkerheid; obscurities, fig 

onbekende grootheden. 
obsequies ['Dbsikwiz] lijkdienst; uit- 

vaart, begrafenis. 
obsequious [sb'siikwias] onderdanig, 

overgedienstig, kruiperig. 
observance [sb'zaivans] waarneming; 

inachtneming, naleving, viering; 

voorschrift o. 
observant [ab'zsivsnt] opmerkzaam, 

opiettend; — of, streng... in acht 

nemend. 
observation [sbza'veijan] waarne- 
ming, observatie; opmerking. 
observatory [sb'zsivstri] sterren- 

wacht. 
observe [ab'zsiv] waarnemen, gade- 

slaan, observeren; opmerken; in acht 

nemen, naleven, nakomen; vieren 

[feestdagen]. 
observer [ab'zatvs] waarnemer, op- 

merKer. 



occupant 



obsess [Db'ses] niet loslaten, vervolgen 

[v. gedachten]. 
obsession [Db'sejsn] obsessie. 
obsolete ['obssli:!] verouderd. 
obstacle ['Dbstakl] hinderpaal, bin- 

dernis, beletsel o. 
obstinacy ['obstinssi] hardnekkig- 

heid, koppigheid. 
obstinate ['sbstinit] hardnekkig, kop- 

pig- 
obstreperous [ab'streparss] luidruch- 

tig, rumoerig, woelig. 
obstruct [ab'strAkt] verstoppen; be- 

lemmeren, versperren. 
obstruction [ab'stiAkJan] obstructie, 

verstopping, belemmering, versper- 

ring. 
obtain [ab'tein] (ver)krijgen, verwer- 

ven, behalen; heersen, gelden. 
obtainable [ab'teinabl] verkrijgbaar. 
obtainment [ab'teinmsnt] verkrijging, 

verw'erving, verschaffing. 
obtrude [ab'trurd] (zich) opdringen 

(aan, upon). 
obtrusion [9b'tru:33n] opdringing. 
obtrusive [ab'truisiv] op-, indringend, 

op-, indringerig. 
obtuse [ab'tjuis] stomp, bot. 
obviate ['obvieit] afwenden, voorko- 

men, uit de weg ruimen. 
obvious [bbvias] voor de hand lig- 

gend, klaarblijkelijk, duidelijk. 
occasion [g'keisan] gelegenheid; aan- 

leiding; gebeurtenis; one's lawful 

— s, bezigheden, bedrijf o\ on the 

■ — ' of, bij gelegenheid van; have 

— to, moeten; vt veroorzaken, aan- 

leiding geven tot. 
occasional [a'keissnsl] toevallig, nu 

en dan (voorkomend); gelegenheids-. 
occasionally [s'keisansli] at en toe, 

nu en dan, van tijd tot tijd. 
Occident ['oksidant] westen o. 
occidental [aksi'dental] westerling; 

a] westelijk, westers. 
occiput ['DksipAt] achterhoofd o. 
occult [D'kAlt] occult, verborgen, ge- 

heim. 
occupant ['okjupsnt] wie bezit neemt, 



occupation 



185 



office 



bezitter; bewoner; the •—s, ook: de 
inzittenden; the — of a post, de be- 
kleder van een ambt. 

occupation [Dkju'peijsn] bezit o, be- 
zitnemins;; bezetting; bezigheid, be- 
roep o. 

occupier ['^kjupaia] bezetter; ook = 
occupant. 

occupy ['Dkjupai] bezetten, beslaan 
[plaats], innemen; in beslag nemen 
[tijd &], bezighouden; bewonen 
[huis]; bekleden [post]; -~ oneself 
in, zich bezighouden met. 

occur [s'ka:] voorkomen; opkomen 
(bij, to), invallen; voorvallen, ge- 
beuren, zich voordoen. 

occurrence [a'kMsns] gebeurtenis; 
voorval o\ voorkomen o. 

ocean ['oujsn] oceaan. 

ochre ['ouks] oker. 

o'clock [a'kbk] what — is it?, hoe 
laat is het?; ;'/ is eight — , het is 
acht uur. 

octave ['oktiv] octaaf o Si v. 

octavo [Dk'teivou] octavo [formaat]. 

October [ok'toubs] oktober. 

ocular ['okjub] oog-; gezichts-. 

oculist ['okjulist] oogarts. 

odd [sd] oneven; overblijvend; niet bij 
eikaar horend; zonderling; vreemd; 
raar; in some — corner, hier of 
daar in een hoek; an ■ — • hand, ex- 
tra-bediende, noodhulp; duivelstoe- 
jager; an — hour, een tussenuur o\ 
'— jobs, allerhande karweitjes; — 
motnents, verloren ogenblikken; an 
''- volume, een enkel deel o [van 
een meerdelig werk]; fifty '~ 
pounds, vijftig en zoveel pond. 

oddity ['Dditi] zonderlingheid, 
vreemdheid; gek type o. 

odds [odz] ongelijkheid, verschil o\ 
onenigheid; voorgift; voordeel o\ 
overmacht; waarschijnlijkheid; 
and ends, stukken en brokken, brok- 
stukken, rommel; at --~, oneens, 
overhoop liggend (met, with)\ by 
all ~, verreweg [de beste &]; on- 
tegenzeglijk; take the —-', de wed- 



denschap aannemen. 
ode [oud] ode. 
odious ['oudjss] hatelijk, afschuwe- 

lijk, verfoeilijk. 
odoriferous [ouda'rifsras] welrie- 

kend, geurig. 
odour ['ouds] reuk, geur. 
of iov, 3v] van; — itself, vanzelf; 

uit zichzelf. 
off [3:f] er af, af, weg; van... (af), 

van... (weg); verwijderd van; op zij 

van, in de buurt van; — white, bij 

't gele af; be '-~', niet doorgaan [v. 

match &]; „af" zijn [engagement]; 

opstappen; be badly ^~-, er slecht 

aan toe zijn; have a day — , een 

vrije dag hebben; — and on, af en 

toe; an — street, een zijstraat. 
offal ['ofal] afval o 8<. m [v. geslacht 

dier] ; fig uitschot o, bocht o & m. 
off-day ['Difdei] vrije dag; niet druk- 

ke dag. 
offence [s'fens] belediging; aanstoot, 

ergernis; aanval; overtreding, ver- 

grijp o, delict o; take — at, zich 

beledigd gevoelen over. 
offend [a'fend] beledigen, ergeren, 

aanstoot geven; — against, zondi- 

gen tegen, schenden. 
offender [a'fenda] belediger; overtre- 

der, delinquent; zondaar. 
offensive [a'fensiv] beledigend, aan- 

stotelijk, ergerlijk, onaangenaam; 

aanvallend, offensief (o). 
offer ['Dfs] (aan) bod o, offerte, (hu- 

weIijks)aanzoek o\ vt (aan)bieden; 

offeren; ten beste geven; maken 

[opmerkingen &]; vi zich aanbie- 

den; zich voordoen. 
offering ['ofarif)] offerande, offergave, 

offer o. 
off-hand ['oif'haend] op staande voet; 

voor de vuist; zonder plichtplegin- 

gen. 
off-hours ['D:fau3z] vrije uren. 
office ['ofis] ambt o, betrekking, 

dienst; bediening; taak; (kerk)- 

dienst; ministerie o, kantoor o, bu- 
reau o. 



officer 



II 



one-sided 



officer ['Dfisa] beambte, ambtenaar; 

functionaris; agent [van politic]; of- 

ficier. 
official [a'fijsl] ambtenaar, beambte, 

functionaris; a] ambtelijk, officieel, 

ambts-. 
officiate [a'fijieit] een ambt waarne- 

men, dienst doen; de dienst doen. 
officious [a'fijas] gedienstig; opdrin- 

gerig; officieus. 
offing ['3:fir)] open zee. 
offset ['D:fset] uitloper; tegenwicht o, 

compensatie; vt opwegen tegen, 

goedmaken, neutraliseren. 
offside ['Dif'said] verste kant ( = 

rechts of links); buitenspel o [voet- 

bal]. 
offspring ['Difsprir;] (na)kroost o\ na- 

geslacht o; resultaat o, vrucht(en). 
often ['D:f(t)3n] dikwijls, vaak. 
ogle E'ougl] lonk, (verliefde) blik; 

vt (aan-, toe)lonken. 
ogre ['ougs] weerwolf, menseneter; 

boeman. 
oil [Dil] olie; petroleum; -^s, oliejas; 

vt olien, insmeren; stookolie laten 

innemen. 
oilcake ['Dilkeik] lijnkoek. 
oilcloth ['3ilkb6] wasdoek o Si m. 
oil-colour ['DilkAb] olieverf (ook: 

~s). 

oil-painting ['oilpeintir)] olieverf - 

schilderij o 8^ v. 
oilskin ['Dilskin] gewaste taf; oliejas. 
oily ['oili] olieachtig, vet; olie-; jig 

zaivend. 
ointment ['Dintmsnt] zaif, smeersel o. 
O.K. ['ou'kei] in orde! 
old [ould] oud; ouderwets; of '—', van 

ouds. 
olden [ouldn] oud. 
old-fashioned ['ould'fEeJsnd] ouder- 
wets. 
old-time ['ould'taim] ouderwets; oud. 
old-timer ['ould'taima] oudgediende; 

oudgast. 
olfactory [sl'faktari] reuk-. 
olive ['dHv] olijf(tak). 
Olympic [ou'limpik] olympisch. 



omelet (te) ['smlit] omelet. 

omen ['oumen] voorteken o. 

ominous ['Dminas] onheilspellend; 
• — of..., ...voorspellend. 

omission [ou'mijsn] weglating, uitla- 
ting; verzuim o. 

omit [ou'mit] weg-, uitlaten; nalaten, 
verzuimen. 

omnibus ['smnibas] omnibus. 

omnipotence [am'nipatans] almacht. 

omnipotent [Dm'nipstant] almachtig. 

omnipresence [Dmni'prezsns] alom- 
tegenwoordigheid. 

omnipresent [amni'prezant] alom- 
tegenwoordig. 

omniscience [Dm'nijsns] alwetendheid. 

omniscient [am'nijant] alwetend. 

omnivorous [Dm'nivarss] omnivoor, 
allesetend. 

on [on] op, aan, in, bij, om, met, 
van, over, tegen, volgens; door, 
voort, verder [bij werkw]; what is 
— .'', wat is er aan de hand.'; — 
to, op, naar. 

once [wAns] eens, eenmaal; als (een- 
maal), zodra; — and again, af en 
toe, een enkele maal; — upon a 
time, (er was er) eens; at — , da- 
delijk; tegelijk; all at — , plotse- 
ling; for — , een enkele maal; bij 
(hoge) uitzondering; this — , dit- 
maal. 

oncoming ['DnkAmirj] nadering; aj 
naderend, aanstaand. 

one [wAn] een, een; een enkele; (een 
en) dezelfde; een zekere; enig(e); 
men; de een; iemand; — another, 
elkaar; that's a good -~.', die is 
goed; /'/ is all — , het is allemaal 
hetzelfde; be a t — with him on 
{about), het met hem eens zijn over; 
— by — , een voor een; X f o r — , 
X bijvoorbeeld. 

one-eyed ['wAn'aid] eenogig. 

onerous ['sneras] lastig, bezwaarlijk, 
zwaar; bezwaard [eigendom]. 

oneself [wAn'self] zich; zichzelf; zelf. 

one-sided ['wAn'saidid] eenzijdig, 
partijdig. 



onion 



187 



oppress 



onion ['Anjan] ui. 

onlooker ['snluka] toeschouwer. 

only ['ounli] enig(e); enig; alleen, 
enkel; pas, net; eerst; maar. 

onrush ['onrAj] stormloop, opmars. 

onset ['Dnset] aanval; begin o. 

onslaught ['3nsb:t] aanval, bestor- 
ming. 

onward ['onwad] voorwaarts, vooruit. 

onwards ['Dowsdz] voorwaarts, voor- 
uit; from... ■ — ■, van... af. 

ooze [u:z] modder, slik o\ in sijpe- 
len; • — • out, doorsijpelen, (uit)lek- 
ken. 

oozy ['u:zi] modderig, slijkerig. 

opacity [ou'passiti] ondoorschijnend- 
heid, donkerheid, duisterheid; dom- 
heid, botheid. 

opaque [ou'peik] ondoorschijnend, 
donker, duister; dom, bot. 

open ['oup(3)n] open; jig openhar- 
tig; onverholen; openlijk; openbaar; 
be — to, open zijn (staan) voor; 
blootgesteld zijn aan; onderhevig 
zijn aan [twijfel]; toegankelijk 
(vatbaar) zijn voor; gaarne willen 
(ontvangen, enz.); it is — to you 
to..., het staat u vrij om...; lay 
oneself ~' to, zich blootstellen aan; 
in the '—, in de open lucht; onder 
de blote heme!, in open zee; fig in 
het openbaar; bring into the — , 
aan het licht brengen; come out 
into the — , naar buiten komen; fig 
naar buiten optreden; vt openen, 
openmaken; blootleggen; inleiden 
[onderwerp] ; beginnen; ontginnen 
[terrein]; vi opengaan, zich ope- 
nen; aanbreken, beginnen; ~ into, 
on {on to), uitkomen op; — up, 
toegankelijk maken; open-, bloot- 
leggen; ontginnen; beginnen. 

open-handed ['oup(3)n'hasndid] mild, 
royaal. 

open-hearted ['oup(3)n'ha:tid] open- 
hartig; grootmoedig; hartelijk. 

opening ['oup(3)nir)] opening; begin 
o, inleiding; kans; gelegenheid. 

openly ['oup(3)nli] openlijk. 



open-minded ['oup(3)n'maindid] on- 
bevangen, onbevooroordeeld. 

opera ['apsrs] opera. 

opera glass (es) ['3p3r3gla:s(iz)] to- 
neelkijker. 

operate ['opareit] werken; uitwerking 
hebben; opereren; van kracht zijn; 
bewerken; teweegbrengen; drijven; 
exploiteren; leiden; bedienen [ma- 
chine]. 

operation [Dps'reijsn] (uit)werking, 
werkzaamheid, verrichting, bewer- 
king, (be)handeling, bediening [v. 
machine]; exploitatie; operatic; come 
into — , in werking treden; bring 
{put) into ' — •, in werking doen 
treden; in bedrijf stellen. 

operative ['Dpsrstiv] werkman; aj 
werkzaam, werkend; werk-; opera- 
tief; become '^, in werking treden. 

operator ['opareits] operateur; (be)- 
werker; exploitant; speculant; tele- 
grafist; telefonist; bestuurder. 

operetta [spa'reta] operette. 

opinion [s'pinjan] opinie, idee o & v; 
mening, gevoelen o; in my ^~' , vol- 
gens mijn mening. 

opinionated [a'pinjaneitid] eigenwijs, 
eigenzinnig. 

opium E'oupjam] opium. 

opponent [a'pounant] tegenstander. 

opportune ['opstjuin, Dpa'tjuin] juist 
op tijd, van pas (komend), gele- 
gen, geschikt, gunstig. 

opportunity [Dps'tjuiniti] (gunstige) 
gelegenheid. 

oppose [a'pouz] stellen, plaatsen (te- 
genover, to), tegenover elkaar stel- 
len; zich kanten tegen, zich verzet- 
ten tegen, bestrijden [voorstel]. 

opposite E'Dpazit] tegen (over) gesteld, 
-gelegen; (daar) tegenover, aan de 
overkant; — neighbour, overbuur; 
'— number, partner, collega; tegen- 
speler; — pirty, tegenpartij. 

opposition [spa'zijan] oppositie, te- 
genstand, tegenkanting; tegenover- 
stelling; tegenstelling. 

oppress [a'pres] onderdrukken; yer- 



oppression 



li 



drukken; drukken, bezwaren. 
oppression [s'prejsn] onder-, ver- 

drukking; druk, benauwing. 
oppressive [s'presiv] (onder) druk- 

kend, benauwend. 
oppressor [a'press] onder-, verdruk- 

ker. 
opprobrious [a'proubriss] smadend, 

beledigend, smaad-. 
opprobrium [a'proubrism] smaad, 

schande. 
opt [3pt] opteren, kiezen. 
optic E'Dptik] optisch, gezichts-; — s, 

optica; ogen. 
optical i'Dptikl] optisch, gezichts-; — 

illusio?!, gezichtsbedrog o. 
optician [sp'tijan] opticien. 
optimism ['optimizm] optimisme o. 
optimist ['Dptimist] optimist; aj op- 

timistisch. 
optimistic [apti'mistik] optimistisch. 
option L'DpJsn] keus, verkiezing, op- 
tie. 
optional ['opjanl] naar keuze, facul- 

tatief. 
opulence ['Dpjubns] rijkdom, over- 

vloed, weelde(righeid). 
opulent ['spjubnt] rijk, overvloedig, 

weelderig. 
or [d:] of; ^^ else, of wel, anders. 
oracle ['argkl] orakel o. 
oral ['3:r3l] mondeling; mond-. 
orange ['Drindg] sinaasappel; oranje o. 
orator ['orata] redenaar, spreker. 
oratory ['oratari] welsprekendheid; 

(bid)kapel. 
orb [D:b] bol; kring. 
orbit ['3:bit] baan; oogholte, -kas. 
orchard ['Ditjad] boomgaard. 
orchestra ['sikistra] orkest o. 
orchid ['D:kid] orchidee. 
ordain [o/dein] aan-, instellen; beve- 

len, verordenen; bestemmen, bepa- 

len; (tot priester) wijden. 
ordeal [D;'di:al, D:'di:l] godsgericht o, 

beproeving; fig vuurproef. 
order ['D:da] (rang)orde, klasse, 

soort; stand; volgorde; regeling, 

schikking; order, bevel o, bestel- 



8 originality 

ling; formulier o; (toegangs)biljet 
o; tenue o & v; holy •^j, de gees- 
telijke wijding; b y his '-~s, op zijn 
bevel; in ~, in orde; in — to, 
om (te), teneinde te; on ~-, in 
bestelling; out of — , niet in or- 
de; ordeloos; stuk; to — , op com- 
mando (bevel); volgens bestelling; 
op (naar) maat; aan order; vt or- 
denen, (be)schikken, regelen; ver- 
ordenen, gelasten, bevelen, voor- 
schrijven; bestellen. 

orderly ['D:dali] oppasser; ordonnans; 
aj ordelijk, geregeld. 

ordinal ['jidinal] rangtelwoord o. 

ordinance ['sidinans] voorschrift o, 
verordening, ordonnantie. 

ordinary ['a:d(i)nari] gewoon, alle- 
daags. 

ordination [a:di'neijan] (ver)orde- 
ning, raadsbesluit o\ priesterwijding. 

ordnance ['Didnans] geschut o, artil- 
lerie. 

ordure ['D:djua] vuilnis; vuil o. 

ore [d:] erts o. 

organ ['D:gan] orgel o; werktuig o\ 
orgaan o. 

organ-grinder ['3;gangrainda] orgel- 
draaier. 

organic [ai'gasnik] organisch, organiek. 

organism ['Diganizm] organisme o. 

organist ['oiganist] organist. 

organization [aiganai'zeijan] organi- 
satie. 

organize ['oiganaiz] organiseren; zich 
organiseren. 

organizer ['D:ganaiza] organisator. 

orgy L'Dtdgi] zwelg-, braspartij. 

Orient ['airiant] oosten o. 

oriental [airi'ental] oosterling; aj 
oostelijk; costers. 

orientate ['airianteit] orienteren. 

orifice ['Drifis] opening; mond. 

origin ['Dtidgin] oorsprong, begin o, 
af-, herkomst; oorzaak. 

original [a'ridginal] oorspronkelijk, 
origineel; — sin, erfzonde. 

originality [aridgi'nasliti] oorspron- 
kclijkheid; originaliteit. 



originate 



189 



outing 



originate [a'ridsineit] voortbrengen; 

voortspruiten (uit, in), afkomstig 

zijn (van, from, with). 
ornament ['Dinamsnt] ornament o, 

versiersel o, versiering; sieraad o\ 

['D:n3ment] vt (ver)sieren, tooien. 
ornamental [otns'mentsl] (ver)sie- 

rend; sier-. 
ornate [3:'neit] (te) zeer versierd, 

overladen. 
orphan ['Drfan] wees; aj ouderloos, 

wees-. 
orphanage ['sifanidg] ouderloosheid; 

weeshuis o. 
orthodox ['DiGad^ks] orthodox, 

rechtzinnig; gebruikehjk; echt. 
orthodoxy ['DiQadaksi] orthodoxie, 

rechtzinnigheid. 
orthography [Di'S^grafi] (juiste) 

spelling; spellingleer. 
oscillate t'Dsileit] slingeren, schom- 

melen. 
oscillation [osi'leijan] slingering, 

schommeling. 
osier ['ou33] wilg; rijs o\ teen; aj 

tenen. 
osseous E'osias] beenachtig, beender-. 
ossify ['osifai] doen verbenen; in been 

veranderen; verharden. 
ossuary ['Dsjuari] knekelhuis o. 
ostensible [3s'tensibl] voorgewend, 

ogenschijnlijk, zogenaamd. 
ostensibly [Ds'tensibli] zoals voorge- 

geven wordt (werd), ogenschijnlijk, 

zogenaamd. 
ostentation [ssten'teijsn] (uiterlijk) 

vertoon o, pralerij; ostentatie. 
ostentatious [Dsten'teijas] pralend, 

pralerig, pronkerig. 
ostler C'Dsb] stalknecht. 
ostrich E'DstritJ] struisvogel. 
other ['aSs] ander; nog (meer) ; an- 

ders, verschillend; the — day, on- 

langs; the ^^ night, laatst op een 

avond; '— - than, ook: behalve. 
otherwise [VSawaiz] anders, anders- 

zins; wise a?id ■ — ■, wijs en niet wijs; 

rich or ~', rijk of arm. 
otter E'ota] (zee) otter. 



ought [D:t] moeten, behoren; you — 

to..., je moe(s)t... 
ounce [auns] ons o (^/is Eng. pond). 
our ['aua] ons, onze. 
ours ['au3z] de onze, het onze, de 

onzen; van ons. 
ourself [aus'self], ourselves [aus- 

'selvz] wij (zelf); ons, (ons) zelf. 
oust [aust] uit het bezit stoten; ver- 

dringen. 
out [aut] uit, naar buiten; erop uit; 

op; om; uit de mode; — ■ and away, 

verreweg [de beste &]; — of, uit; 

buiten; zonder; van. 
out-and-out ['autand'aut] degelijk, 

eerste rangs-; echt; aarts-. 
outbalance [aut'bsebns] zwaarder 

wegen dan. 
outbreak ['autbreik] uitbreken o; 

uitbarsting. 
outbuilding ['autbildii)] bijgebouw o. 
outburst ['autbsist] uitbarsting; fig 

uitval. 
outcast ['autka;st] verworpeling; aj 

verworpen; diep gezonken. 
outcome E'autkAm] uitslag, resultaat o. 
outcry ['autkrai] geschreeuw o\ pro- 
test o. 
outdistance [aut'distsns] achter zich 

laten, voorkomen. 
outdo [aut'du:] overtreffen. 
outdoor ['autds:] buiten-; voor bui- 

tenshuis. 
outdoors E'aut'dDiz] buiten (shuis). 
outer ['auta] buiten-, buitenste, uiter- 

ste; his ■ — ■ man, zijn uiterlijk. 
outermost ['autsmoust] buitenste, ui- 

terste. 
outfit ['autfit] uitrusting. 
outfitter ['autfits] leverancier van 

uitrustingen. 
outgoing ['autgouirj] uitgaande; aflo- 

pend [getij]; vertrekkende [trein]; 

aftredende [minister]; • — s, uitgaven, 

(on)kosten. 
outgrow [aut'grou] over 't hoofd 

groeien; te groot worden voor. 
outing ['autirj] uitgang, uitgaansdag; 

uitstapje o. 



outlander 



190 



overcharge 



outlander ['autlasnds] buitenlander, 

vreemdeling. 
outlandish [aut'laendij] buitenlands; 

vreemd; (ver)afgelegen. 
outlast [aut'la:st] langer duren dan. 
outlaw ['autb;] vogelvrij verklaarde, 

balling; bandiet; vt buiten de wet 

stellen. 
outlay ['autlei] uitgave, (on)kosten. 
outlet ['autlet] uitgang; uitweg; af- 

voerkanaal o\ afzetgebied o. 
outline ['autlain] oratrek, schets; om- 

lijning; vt (in omtrek) schetsen, 

aftekenen, omlijnen. 
outlive [aut'liv] overleven. 
outlook C'autiuk] uitkijk; kijk, ziens- 

wijze, opvatting; uitzicht o, voor- 

uitzicht o. 
outlying ['autlaiirj] afgelegen. 
outnumber [aut'nAmba] in aantal 

overtreffen. 
out-of-date ['autsv'deit] ouderwets, 

verouderd. 
out-of-the-way [autavSs'wei] afgele- 
gen; ongewoon. 
outpost ['autpoust] buitenpost; voor- 

post. 
outpour (ing) ['autpD:(rif))] uitstor- 

ting; ontboezeming. 
output ['autput] opbrengst, produk- 

tie; effect o, vermogen o. 
outrage ['autrids] smaad; aanranding, 

vergrijp o, belediging, gewelddaad, 

aanslag; vt beledigen, schenden. 
outrageous [aut'reid33s] beledigend, 

schandelijk, gewelddadig; overdre- 

ven. 
outright ['aut'rait] dadelijk, op slag; 

in zijn geheel; terdege, totaal, vol- 

slagen; ronduit, zonder meer. 
outrival [aut'raivsl] het winnen van. 
outrun [aut'rAn] harder lopen dan, 

voorbijlopen; voorbijstreven. 
outset ['autset] begin o. 
outside E'aut'said] (van, naar) bui- 
ten; buitenzijde, -kant; uitwendige 

o; buitenste o\ uiterste o; maximum 

o; aj E'autsaid] van buiten (ko- 

mend); uiterste; buiten-. 



outsider [aut'saids] buitenstaander. 

outskirts ['autskaits] zoom, grens; 
rand; buitenwijken. 

outspoken [aut'spoukn] onbewim- 
peld, openhartig. 

outstanding [aut'stsendirj] uitsprin- 
gend; uitstaand, onbetaald; onafge- 
daan; onuitgemaakt; markant, bij- 
zonder, uitzonderlijk. 

outstrip [aut'strip] voorbijstreven, 
achter zich laten. 

outvote [aut'vout] overstemmen. 

outward ['autwsd] uitwendig, uiter- 
lijk; naar buiten (gekeerd); bui- 
ten-; — bound, op de uitreis. 

outwear [aut'wea] verslijten; te bo- 
ven komen; langer duren dan. 

outweigh [aut'wei] zwaarder wegen 
dan; jig meer gelden dan. 

outwit [aut'wit] verschalken, te slim 
af zijn. 

ouzel ['u:zl] merel. 

oval ['ouvsl] ovaal (<?), eirond. 

ovation [ou'veijan] ovatie, hulde. 

oven [Avn] oven. 

over ['ouva] over, boven, over... been; 
in verband met, met betrekking tot; 
bij [een glas wijn]; door [de tele- 
foon]; gedurende; voorbij, afgelo- 
pen, uit; om; omver; meer dan; — 
and above, (boven en) behalve; — 
and ■ — • {again'), keer op keer, tel- 
kens weer; all — , van boven tot 
onder, van top tot teen; twice ■ — ■, 
tweemaal; — there, (daar)ginder, 
aan de overkant. 

overall ['ouv3r3:I] (jongens)kiel, 
stofjas, huishoudscliort, ~~5, werk- 
broek, overall; aj totaal. 

overawe [ouva'n:] ontzag inboeze 
men, imponeren. 

overbearing [ouvs'besrir)] aanmati- 
gend. 

overboard ['ouvsboid] overboord. 

overburden [ouvs'bsidn] overladen. 

overcast ['ouvs'kaist] betrokken [v. 
lucht]. 

overcharge [ouv3'tJa;d3] overladen; 
overvragen. 



overcoat 



191 



owing 



overcoat ['ouvskout] overjas. 

overcome [ouva'kAm] overwinnen; te 
boven komen; aj onder de indruk; 
overmand, verslagen. 

overcrowded [ouvs'kraudid] overvol, 
overbevolkt. 

overdo [ouva'du:] (de zaak) over- 
drijven, te ver drijven; afmatten; te 
gaar koken &. 

overdue ['ouva'dju:] over zijn tijd; 
achterstallig [v. schulden]; reeds 
lang noodzakelijk. 

overeat ['ouva'riit] zich overeten. 

overflow [ouva'floul overvloeien, 
overlopen, overstromen; -^ its 
banks, buiten de oevers treden. 

overgrown ['ouva'groun] begroeid, 
bedekt [met gras &]. 

overhang ['ouvs'haer)] hangen over, 
boven (lets); uitsteken. 

overhaul ['ouvahDil] nazien o, onder 
handen nemen o, revisie [v. ma- 
chines]; [ouvs'hs:!] vt nazien, on- 
der handen nemen, reviseren [ma- 
chines]; inhalen. 

overhead ['ouvs'hed] boven ons, bo- 
ven het (ons, zijn) hoofd; ['ouvs- 
hed] aj in: ■ — charges {cost, ex- 
penses), '~(j) ['ouv3hed(z)] alge- 
mene onkosten; — railway, lucht- 
spoorweg; — wires, bovenleiding. 

overhear [ouva'his] bij toeval horen, 
opvangen, afluisteren. 

overland ['ouvslsend] over land 
(gaand). 

overlap [ouvs'laep] (elkaar) gedeelte- 
lijk bedekken, gcdeeltehjk samenval- 
len (met), in elkaar grijpen. 

overleaf [ouva'liif] aan ommezijde 
(van het blad). 

overload ['ouva'loud] overladen. 

overlook [ouvs'luk] overzien; over 't 
hoofd of door de vingers zien. 

overnight [ouva'nait] de avond 
(nacht) te voren; gedurende de 
nacht; ineens, plotseling. 

overpower [ouvs'paua] overmannen, 
overstelpen, overweldigen. 

overrate ['ouva'reit] overschatten. 



overreach [ouvs'riitj] verder reiken 

dan; bedriegen. 
override [ouva'raid] afjakkeren, af- 

beulen; met voeten treden, vernieti- 

gen, te niet doen. 
overrule [ouvs'ru;!] de overhand heb- 

ben over; besturen; te niet doen; 

overstemmen; be ■ — d, ook: moeten 

zwichten. 
oversea(s) ['ouv3'si:(z)] over zee, 

naar overzeese gewesten; aj over- 
zees. 
overseer ['ouvosia] opzichter, inspec- 

teur; controleur. 
overshadow [ouvs'Jaedou] overscha- 

duwen. 
overshoe ['ouvaju:] overschoen. 
oversight ['ouvasait] toezicht o\ on- 

oplettendheid, vergissing. 
oversleep ['ouv3'sli:p] --~ (oneself), 

zich verslapen. 
overstrain ['ouva'strein] overspannen; 

fig te breed uitmeten. 
overstrung [ouva'strAf]] geexalteerd, 

overspannen [v. zenuwen]. 
overtake [ouva'teik] inhalen, achter- 

halen; bijwerken; overvallen. 
overtax ['ouvs'taeks] al te zwaar be- 

lasten; te veel vergen van. 
overthrow ['ouvsOrou] omverwerping; 

val [v. e. minister &]; nederlaag; 

[ouva'Orou] vt om(ver)werpen; ten 

val brengen; verslaan, vernietigen. 
overtime ['ouvstaim] overuren; work 

— , overuren maken, overwerken. 
overturn [ouvs'tain] om(ver)werpen; 

omslaan, omvallen. 
overweening [ouva'wiinif)] aanmati- 

gend, verwaand; overdreven. 
overweight ['ouvsweit] over(ge)- 

wicht o. 
overwhelm [ouva'welm] overstelpen; 

verpletteren. 
overwrought ['ouv3'r3:t] overspan- 
nen; overladen [met details]. 
owe [ou] schuldig zijn, verschuldigd 

zijn, te danken, te wijten hebben 

(aan). 
owing ['ouir|] te betaleo (zijnd); ~' 



owl 



192 



palace 



to, ten gevolge van, dank zij. 

owl [aul] uil. 

own [oun] eigen; — cousin, voile 
neef (van, to); vt bezitten; (in be- 
zit) hebben; toegeven, erkennen; — 
to, bekennen, dat...; '~ up, be- 
kennen, opbiechten. 

owner ['ouna] eigenaar; reder. 

ownerless ['ounslis] onbeheerd. 

ownership ['ounsjip] eigendom, ei- 



gendomsrecht o, bezit(recht) o. 
ox [sks] OS; rund o. 
oxen ['oksan] meerv. van ox. 
oxide ['oksaid] oxyde o. 
oxidize ['sksidaiz] oxyderen. 
oxygen ['oksidssn] zuurstof. 
oyster ['sists] oester. 
oz. = ounce (s). 
ozone ['ouzoun, ou'zoun] ozon o & m. 



p [pi:] (de letter) p. 

pace [peis] stap, pas, trede, schrede; 

gang [v. paard]; tempo o; I'i stap- 

pen; vt afpassen; stappen door. 
pace-maker ['peismeika] gangmaker. 
pacific [ps'sifik] vredelievend; vreed- 

zaam; the Pacific (Ocean), de Stil- 

le Zuidzee. 
pacify ['passifai] tot vrede (rust) 

brengen; stillen; kalmeren. 
pack [p£ek] pak o, last; bepakking; 

troep; bende; pakijs o\ spel o [kaar- 

ten]; vt (in)pakken; bepakken; ver- 

pakken; volstoppen, -proppen; — 

(off), zijn biezen pakken; —^ed 

with, ook; vol... 
package ['paekids] verpakking; pak o; 

— s, ook: colli; vt verpakken. 
pack-cloth ['pjekkbO] paklinnen o. 
packet E'paekit] pakje o, pakket o. 
pact [pa;kt] verdrag o, verbond o. 
pad [pasd] kussen(tje) o; opvulsel o; 

onderlegger, (schrijf)blok o; vt 

(op)vullen. 
padding ['pEdirj] (op)vulsel o. 
paddle ['paedl] pagaai; blad o [v. 

riem]; (scheprad)schoep; vt pagaai- 

en; vi plassen. 
paddle-steamer ['paEdlsti:m3] rader- 

(stoom)boot. 
paddle-wheel ['pasdlwi:!] scheprad o. 
paddock ['pasdak] paddock: omheinde 

afdeling. 
padlock ['paedbk] hangslot o. 



padre ['pa:drei] (leger-, vloot)predi- 
kant, (leger-, vloot)aaImoezenier. 

pagan ['peigsn] heiden; aj heidens. 

paganism ['peiganizm] heidendom o. 

page [peids] page; livreiknechtje o\ 
bladzijde; vt pagineren. 

pageant ['pasdsant] praal, vertoning; 
schouwspel o\ (historische) optocht. 

pageantry ['pasdsantri] praal (verto- 
ning). 

paid [peid] V.T. & V.D. v. pay. 

pail [peil] emmer. 

pain [pein] pijn, smart, lijden o; straf; 
— s, ook: moeite, inspanning; vt 
pijnlijk zijn, pijn doen; leed doen, 
bedroeven. 

painful ['peinful] pijnlijk. 

painstaking ['peinzteikirj] ijverig; 
nauwgezet. 

paint [peint] verf; blanketsel o\ vt 
schilderen; verven [gezicht &]. 

painter ['peinta] schilder. 

painting ['peintirj] schilderkunst; 
schilderij o &. v. 

paintress ['peintris] schilderes. 

pair [pea] paar o; span o; paartje o; 
that's another — - of shoes {stock- 
ings), dat's heel wat anders; vt 
paren. 

Pakistan [pEki'sta:n] Pakistan o. 

Pakistani [paeki'sta:ni] Pakistaner; aj 
Pakistaans. 

pal [pffil] kameraad. 

palace ['paelis] paleis o. 



palatable 



193 



parachutist 



palatable ['pzebtabi] smakelijk, aan- 

genaam. 
palate ['paelit] verhemelte o. 
pale [pcil] paal; omheining, grenzen; 

gebied o, terrein o\ a] bleek, dof, 

flauw; vt verbleken. 
Palestine ['paelistain] Palestina o. 
palette ['paslit] palet o. 
paling ['peiliij] omheining. 
palisade [pasli'seid] paalwerk o, pa- 

lissade; vt palissaderen. 
pall [pD:l] baarkleed o, lijkkleed o\ 

jig mantel, sluier; vt verzadigen, 

doen walgen; vi ■ — upon, gaan te- 

genstaan, vervelen. 
pall-bearer ['p^dbears] slippedrager. 
pallet ['pxlit] palet o\ strozak, stro- 
bed o. 
palliate ['paelieit] verzaciiten, lenigen; 

bewimpelen, verbloemen. 
palliative ['paelistiv] lapmiddel o, 

doekje o voor 't bloeden. 
pallid L'pslid] (doods)b]eek. 
pallor ['psb] bleekheid. 
palm [pa:m] palm. 
palpable ['paelpsbl] tastbaar. 
palpitate ['paelpiteit] kloppen [van 

het hart], popelen, trillen, lillen. 
palsy ['p3:lzi] verlamming; vt ver- 

lammen. 
palter ['pDtlta] draaien, uitvluchten 

zoeken; • — ■ with, het op een ak- 

koordje gooien met, knoeien met. 
paltry t'pDdtri] armzalig, nietig. 
paludal [pa'l(i)u:dl] moeras-; — 

fever, malaria. 
pamper ['pfempa] overvoe(de)ren; 

vertroetelen, verwennen. 
pamphlet ['pjemflit] vlugschrift o, 

brochure, pamflet o. 
pan [pasn] pan. 
pancake ['psenkeik] pannekoek. 
pandemonium [pasndi'mounjsm] hels 

lawaai o. 
pane [pein] (glas)ruit; (muur)vak o; 

paneel o [v. deur]. 
panegyric [paeni'dsirik] lofrede. 
panel ['pasnal] paneel o; vak o, tus- 

senschot o; lijst, naamrol; jury; com- 

Eng. Zakwrdbk. 11 



missie; vt (met panelen) lambrizeren. 
panel doctor ['paensldokta] fonds- 

dokter. 
pang [psrj] pijn, steek; kwelling, 

angst. 
panic ['peenik] paniek; aj panisch. 
panic-stricken ['psnikstrikn] door een 

paniek aangegrepen. 
pannikin ['pasnikin] pannetje o; 

kroes. 
panorama [pasn3'ra:m3] panorama o. 
pansy ['psenzi] driekleurig viooltje o. 
pant [psent] hijgen; — ■ for, snakken 

naar. 
pantaloons [p£ent3'lu;nz] pantalon. 
pantechnicon [pasn'tekniksn] meubel- 

pakhuis o; ■ — ' (van), verhuiswagen. 
panther ['psenBa] panter. 
pantomime ['pcentamaim] pantomime. 
pantry ['pasntri] provisiekamer, -kast. 
pants ['paents] pantalon; onderbroek. 
pap [p£ep] pap. 
papa [ps'pa:] papa. 
papacy ['peipssi] pausschap o, paus- 

dom 0. 
papal ['peipal] pauselijk. 
paper ['peipa] papier o; krant; op- 

stel o; verhandeling; examenopga- 

ve; agenda [in Parlement]; lijst; 

behangselpapier o; aj papieren; vt 

behangen [kamer]. 
paper-bound ['peipsbaund] ingenaaid. 
paper-cutter ['peipskAta] vouwbeen o. 
paper-hanger ['peipshasgs] behanger. 
paper-hangings ['peipshasrjigz] be- 

hang(selpapier) o. 
paper-knife ['peipanaif] vouwbeen o. 
paper-weight ['peipaweit] presse- 

papier. 
pappy ['paspi] pappig, zacht, sappig. 
par [pa:] gelijkheid; parikoers; at ■ — •, 

a pari; be on a — , gelijk staan, op 

een lijn staan. 
parable ['p^erabl] parabe], gelijkenis. 
parachute ['paerajuit] valscherm o; vi 

(met een valscherm) afspringen; vt 

(met een valscherm) afwerpen. 
parachutist ['pasrajuitist] parachu- 

tist(e). 

13 



parade 



194 



parrot 



parade [ps'reid] parade; fig vertoon 
o; exercitieplaats; appel o, aantre- 
den o\ openbare wandelplaats, pro- 
menade, (strand) boulevard; optocht; 
(mode) show; vt pronken met; pa- 
rade laten maken, laten aantreden; 
laten marcheren; doortrekken; vi 
paraderen, in optocht voorbijtrek- 
ken; aantreden. 

paradise ['paeradais] paradijs o. 

paradisiacal [pasrsdi'zaiakl] paradijs- 
achtig, paradijs-. 

paradox L'paersdDks] paradox. 

paradoxical [psera'dDksikl] para- 
doxaal. 

paraffin ['pasrafin] paraffine. 

paragon ['paeragsn] model o, voor- 
beeld o, toonbeeld o. 

paragraph ['psersgraif] alinea, para- 
graaf; krantebericht o. 

parakeet ['pjerakiit] parkiet. 

parallel ['pseralel] evenwijdige lijn, 
parallel; without {a) — , zonder 
weerga; aj evenwijdig (met, to, 
with), parallel; vt evenwijdig lopen 
met; op een lijn stellen, vergelij- 
ken; evenaren. 

paralyse ['pseralaiz] verlammen. 

paralysis [pa'rselisis] verlamming. 

paralytic [pjers'litik] lam. 

paramount ['psersmaunt] opperste, 
hoogste; overheersend. 

parapet ['pierapit] borstwering. 

paraphernalia [psrafa'neiljs] lijfgoe- 
deren, gerei o; uitrusting; sieraden, 
tooi. 

paraphrase ['psrsfreiz] omschrijving; 
vt omschrijven. 

parasite ['pserasait] parasiet. 

parasitic(al) [p£r3'sitik(I)] parasiet- 
achtig; parasiterend. 

parasol ['pEerasol] parasol. 

paratrooper ['p£er3tru:p3] parachutist. 

paratroops ['pasratruips] parachutis- 
ten. 

paratyphoid [psra'taifDid] paratyfus. 

parcel ['pa:sl] perceel o\ pakje o, pak 
o, pakket a; partij, hoop; vt — 
(out), verdelen, uitdelen. 



parcel post ['pa:slpoust] pakketpost. 
parch [pa:tj] (doen) verdrogen, 

schroeien; zacht roosteren. 
parchment ['pa:tjm3nt] perkament o. 
pardon ['pa:dn] pardon o, vergiffe- 

nis, genade, gratie; aflaat; general 

■ — ■, amnestic; beg ■ — ?, wat blieft 

u?; vt vergeven; begenadigen. 
pardonable ['paidnabl] vergeeflijk. 
pare [pea] schillen [appel]; (af)knip- 

pen [nagel]; wegsnijden; besnoeien 

(ook: — down). 
parentage ['pEarantids] afkomst, ge- 

boorte, geslacht o, familie. 
parental [pa'rental] ouderlijk. 
parentheses [pa'ren0isi:z] meerv. v. 

parenthesis; in — , tussen haakjes. 
parenthesis [pa'renBisis] tussenzin, 

haakje o. 
parents ['pearants] ouders. 
pariah ['pasria, 'pa:ria] paria. 
paring ['pearig] schil, knipsel o, 

afval o & m. 
Paris ['paeris] Parijs o. 
parish ['paerij] parochie, (kerkelijke) 

gemeente. 
parishioner [pa'rijana] parochiaan. 
Parisian [pa'rizjan] Parijzenaar, Pa- 
ri jse; a] Parijs. 
parity ['paeriti] gelijkheid; pariteit. 
park [pa:k] park o; parkeerterrein o; 

{national) — , natuurmonument o; 

vt parkeren. 
parlance ['paJans] taal. 
parliament ['pailamant] parlement o. 
parliamentary [pa:la'mentari] parle- 

mentair, parlements-. 
parlour ['pa:la] zitkamer; spreekka- 

mer; salon [v, kapper]. 
parochial [pa'roukjal] parochiaal; jig 

kleinsteeds, bekrompen. 
parody ['pasradi] parodie; vt paro- 

dieren. 
parole [pa'roul] (ere)woord o; parool 

o, wachtwoord o. 
parquet ['pa:kit] parket o. 
parquetry ['paikitri] parketvloer; in- 

legwerk o. 
parrot ['pa:rat] papegaai; vt nabau- 



parry 



195 



pass 



wen; nadoen. 

parry ['pseri] afweren, pareren; ont- 
wijken. 

parse [pa:s] taalkundig ontleden. 

parsimonious [pa:si'mounJ3s] spaar- 
zaam, karig, schriel. 

parsimony ['paisimsni] spaarzaam- 
heid, karigheid, schrielheid. 

parsley ['pa:sli] peterselie. 

parson ['pa:sn] predikant, dominee. 

parsonage ['pa:snid3] predikants- 
woning, pastorie. 

part [pa:t] part o, (aan)deel o, ge- 
deelte o\ plicht; taak; partij; stem; 
rol; ■ — s, bekwaamheden, talent o; 
in these — s, in deze streek (buurt); 
play a ^~', een rol spelen; fig kome- 
die spelen; play one's ■ — •, ook: het 
zijne (zijn plicht) doen, zijn deel 
bijdragen; take —' in, deelnemen 
aan, meedoen aan; / n — , deels; 
gedeeltelijk; o n my — , mijner- 
zijds; vt verdelen; scheiden; -~ 
company, uiteengaan, scheiden (van, 
w/V/s); w uiteengaan, scheiden (als); 
breken; '~ fro m, weggaan van, 
scheiden van; • — ' with, van de 
hand doen, afstand doen van. 

partake [pa:'teik] deelnemen, deel 
hebben (aan, in, of, /'»); • — ■ of, ge- 
bruiken; iets hebben van. 

partial ['paijal] gedeeltelijk; partijdig; 
eenzijdig; be — to, een voorliefde 
hebben voor, bijzonder gaarne mo- 
gen. _ 

partiality [pa:Ji'aeliti] partijdigheid; 
eenzijdigheid, voorliefde. 

participant [pa:'tisip3nt] deelnemer, 
deelhebber; aj deelnemend, deel 
hebbend. 

participate [pa:'tisipeit] delen, deel- 
nemen, deel hebben (in, aan, in). 

participation [paitisi'peijsn] deelne- 
ming. 

participle ['pa:tisipl] deelwoord o. 

particle ['pa:tikl] deeltje o, greintje o. 

parti-coloured ['paitikAbd] bont, 
veelkleurig. 

particular [ps'tikjub] bijzonderheid, 



bijzondere omstandigheid, punt o\ 
aj bijzonder; speciaal; persoonlijk; 
kies-, nauwkeurig; veeleisend; he is 
not ■ — ■ to a few guilders, hij ziet 
niet op een gulden of wat; in — , 
in het bijzonder, speciaal. 

particularity [patikju'lferiti] bijzon- 
derheid. 

particularly [pa'tikjulali] bijzonder; 
zeer; in 't bijzonder, speciaal. 

parting ['pa.tir)] scheiding, afscheid o, 
vertrek o\ aj afscheids-; — breath, 
laatste ademtocht. 

partisan [pa:ti'zasn] aanhanger; mede- 
stander; partijganger, -genoot. 

partition [pa/tijsn] (ver) deling; 
scheiding; scheidsmuur; (be)schot 
o, vak(je) o, afdeling; vt (ver)- 
delen; afscheiden. 

partly ['pa:tli] gedeeltelijk; deels. 

partner ['paitna] makker; deelgenoot, 
compagnon, firmant, vennoot; part- 
ner. 

partnership ['paitnsjip] deelgenoot- 
schap, vennootschap. 

partridge ['pa:trid3] patrijs. 

party ['pa:ti] partij, gezelschap o; af- 
deling, groep, troep; deelnemer; be 
a — to, deel hebben, deelnemen, 
meedoen aan. 

pass [pa:s] pas, bergpas, doorgang; 
reis-, verlofpas; toegangsbewijs o, 
vrijbiljet o\ uitval [bij schermen]; 
toestand, staat van zaken; come to 
— ■, gebeuren; how did it come to 
— ?, hoe heeft het zich toegedra- 
gen?; vi voorbijgaan, passeren; er 
door komen of kunnen; aangeno- 
men worden; passen [bij 't kaart- 
spel]; vt voorbijgaan, passeren; 
overgaan, overtrekken, -steken; te 
boven gaan; laten passeren, aanne- 
men [voorstel], er door of toelaten; 
met goed gevolg afleggen; door- 
brengen [tijd]; uitspreken [oor- 
deel]; (door)geven; — along, 
doorlopen; ~- away, voorbijgaan; 
verdwijnen; heengaan, overlijden; 
verdrijven [tijd]; '~-' h y, passeren; 



passable 



196 



patriot 



— for, doorgaan voor; — ■ i }i t o, 
overgaan in; worden; • — ' o n, door- 
lopen, verder gaan; — ;'/ on, het 
doorgeven; • — o v e r, gaan over; 
voorbijgaan; voorbijtrekken [on- 
weer] ; — through, gaan door; 
doormaken, meemaken; doorlopen 
[school]; '~~ to, overgaan tot (op, 
naar) . 

passable ['paissbl] gangbaar; begaan- 
baar, berijd-, bevaarbaar; draaglijk, 
tamelijk, voldoend. 

passage ['passids] doorgang, doortocht; 
doorvaart; passeren o, overtocht; 
voorbijgaan o\ gang; uitgang; pas- 
sage; aannemen o [v. wetsvoorstel]. 

passenger ['p£esind33] passagier. 

passenger car ['paesind33ka:] perso- 
nenauto. 

passer-by ['paisa'bai] voorbijganger. 

passing ['paisirj] voorbijgaand; door- 
trekkend; terloops gemaakt; in hoge 
mate, zeer; /« --, terloops. 

passion ['ptejan] lijden o, drift, harts- 
tocht; in rf •— -■, in drift, woedend; 
jail (fly) into a ■ — , vi^oedend (drif- 
tig) worden. 

passionate ['pcejsnit] hartstochtelijk; 
driftig. 

passive ['passiv] lijdelijk; lijdend. 

pass-key ['pa:ski:] loper [sleutel]. 

Passover ['parsouva] joods paasfeest 
o. 

passport ['pa:spD:t] paspoort o, pas. 

password ['pa:s\v3:d] wachtwoord o. 

past [pa:st] verleden, geleden; vroe- 
ger, ex-; voorbij, afgelopen, over, 
na; ■ — ■ hope, hopeloos; — • saving, 
reddeloos verJoren; the — , het ver- 
leden; de verleden tijd. 

paste [peist] deeg o, pap, stijfsel [om 
te plakken]; pasta; smeersel o\ vt 
(be)plakken, opplakken. 

pasteboard ['peistboid] bordpapier o\ 
a] bordpapieren. 

pastime ['pa:staim] tijdverdrijf o. 

pastor ['paists] herder, predikant. 

pastoral ['paistarsl] herderlijk schrij- 
ven o\ herderszang, -dicht o\ aj her- 



derlijk, landelijk; herders-. 

pastry E'peistri] gebak o. 

pastry-cook ['peistrikuk] pasteibak- 
ker, banketbakker. 

pasture ['paistja] weide; ti & vt (la- 
ten) weiden, (af)grazen. 

pasty ['peisti] deegachtig; bleek. 

pat [peet] tikje o, klapje o; stukje o 
[boter]; vt tikken, kloppen {op)\aj 
raak, toepasselijk; prompt, vlot. 

patch [paetj] lap, lapje o, stukje o 
(grond), plek; moesje o; he (it) 
is not a — on, hij (het) haalt niet 
bij; vt oplappen; — - up, oplappen, 
opknappen; in elkaar flansen. 

patchwork ['psetjwaik] lapwerk o. 

patchy ['psetji] gelapt; ongelijk. 

pate [peit] kop, bol, knikker. 

patent ['peitsnt] patent o, vergun- 
ning; octrooi o; — ■ oj nobility, 
adelbrief; a] open(baar); gepaten- 
teerd, patent-; duidelijk; patent, uit- 
stekend; ■ — ' leather, verlakt leer o\ 
vt patenteren. 

paternal [ps'tsinal] vaderlijk, vader-; 
van vaderszijde. 

paternity [ps'tsiniti] vaderschap o. 

path [pa:0] pad o, weg. 

pathetic [ps'Setik] pathetisch, aan- 
doenlijk, gevoelvol; beklagenswaar- 
dig, deerniswekkend, zielig. 

pathos ['pei63s] pathos a. 

pathway ['pa;6wei] (voet)pad o, weg. 

patience ['peijans] geduld o, lijd- 
zaamheid; patience o [met de kaar- 
ten]; have no — with, niet kun- 
nen uitstaan. 

patient ['peijant] patient, lijder; aj 
geduldig, lijdzaam. 

patriarch ['peitria:k] patriarch, aarts- 
vader; nestor. 

patriarchal [peitri'a:kl] patriarchaal, 
aartsvaderlijk. 

patrician [pa'trijsn] patricier; aj 
patricisch. 

patrimony ['pitrimsni] vaderlijk erf- 
deel o, erfgoed o. 

patriot ['pei-, 'pitriat] patriot, vader- 
lander. 



patriotic 



197 



peasant 



patriotic [paetri'Dtik] vaderlandslie- 

vend. 
patriotism ['patristizm] vaderlands- 

liefde. 
patrol [pa'troul] patrouille, ronde; 

vt 8c P! (af)patrouilleren. 
patron ['peitran] beschermer, be- 

schermheer; patroon, beschermheili- 

ge; vaste klant. 
patronage ['pstr3nid3] bescherming; 

beschermheerschap o\ klandizie; 

steun, medewerking. 
patroness ['peitranis] beschermster, be- 

schermvrouw; patrones, bescherm- 

heilige. 
patronize ['pstrsnaiz] beschermen, be- 

gunstigen, geregeld bezoeken; steu- 

nen. 
patter ['paets] gekletter o, geratel o; 

gesnap o; getrippel o; praatje o; vi 

kletteren [hagel]; ratelen; trippelen; 

kakelen, praten. 
pattern ['pajtan] model o, patroon o, 

staal o; toonbeeld o. 
patty ['paeti] pasteitje o. 
paunch [pD:n(t)J'] pens, bulk. 
pauper ['pDipa] arme, bedeelde. 
pause [p3:z] rust; pauze; stilstand; 

vi pauzeren, even rusten, stilstaan; 

nadenken, zich bedenken. 
pave [peiv] bestraten, plaveien; — 

the way for, de weg banen voor. 
pavement ['peivmsnt] bestrating, 

plaveisel o\ trottoir o. 
pavilion [pa'viljan] paviljoen o, tent. 
paving ['peivir]] bestrating; plaveisel o. 
paving-stone ['peivigstoun] straat- 

steen. 
paw [p3:] poot, klauvi'. 
pawn [p3:n] pand o; pion [schaak- 

spel]; vt verpanden, belenen. 
pawnbroker ['poinbrouka] lommerd- 

houder. 
pawnshop ['pDinJap] lommerd. 
pawn-ticket E'pDintikit] lommerd- 

briefje o. 
pay [pei] betaling, bezoldiging, loon 

o, soldij, gage; /'« the '~ of, in 

dienst van; pt betalen; Cde moeite) 



lonen; boeten (voor, for); — at- 
tention, aandacht schenken (aan, 
to), opletten, acht slaan (op, to); 
'~~' a visit, een bezoek afleggen; — 
one's way, zich (zelf) bedruipen; 
'-•'in, storten [geld] ; ■ — ' into an 
account {a bank), storten op een 
rekening (bij een bank); — out, 
(uit)betalen; vieren [touw]. 

payable ['peiabl] betaalbaar. 

pay-box ['peibaks] loket o, bespreek- 
bureau o, 

P.A.Y.E. = pay-as-you-earn {income- 
tax) , loonbelasting. 

payer ['peia] betaler. 

paymaster ['peima:sta] betaalmeester; 
stand ■ — ■, betalen. 

payment ['peimant] betaling; loon o. 

pea [pi:] erwt. 

peace [pi:s] vrede; rust; — !, stil!; 
at '~, in vrede; in ■ — ■, in vrede; 
met rust. 

peaceable ['piisabl] vreedzaam; vrede- 
lievend. 

peaceful ['pi:sful] vreedzaam; vredig. 

peacemaker ['piismeika] vredestich- 
ter. 

peach [pi:tj] perzik; perzikboom; 
snoesje o, juweel o; vi klikken. 

peacock ['piikak] pauw. 

pea-hen ['pii'hen] pauwin. 

pea-jacket ['piidssekit] pijjekker. 

peak [pi:k] spits, punt, top; fig hoog- 
tepunt o, maximum o, record o; 
piek; klep [v. pet]. 

peaked [pi:kt], peaky ['pi:ki] puntig; 
smalletjes [v. gezicht]; spits, scherp; 
peaked cap, pet. 

peal [pi:l] gelui o; geratel o; a •-^ of 
laughter, een schaterend gelach o; 
vi schallen, klinken, galmen. 

peanut ['pi:nAt] apenootje o, pinda. 

pear [p£a] peer. 

pearl [pari] pare!; vi parelen; pa- 
rels vissen. 

pearly ['paili] parelachtig. 

peasant ['pezant] boer, landman; --^ 
farmer, eigenerfde (boer); a] boe- 
ren-. 



peasantry 



198 



penknife 



peasantry ['pezantri] boerenstand. 

peat [pi:t] turf. 

peat-bog E'piitbDg] veengrond, veen o. 

peaty ['pi:ti] turfachtig, turf-. 

pebble C'pebl] kiezelsteen. 

peck [pek] pik; kus; vt pikken; bik- 

ken; ~- at, pikken in (naar); jig 

hakken op. 
pectoral ['pektsrsl] borst-. 
peculiar [pi'kjuilis] bijzonder; eigen- 

aardig; — to, eigen aan. 
peculiarity [pikjuili'seriti] bijzonder- 

heid, eigenaardigheid. 
pecuniary [pi'kjuiniari] geldelijk; 

geld-. 
pedal ['pedal] pedaal o &l m; vi ped- 

delen, trappen, fietsen. 
pedant ['pedant] pedant, schoolvos. 
pedantic [pi'd£entik] pedant, school- 

meesterachtig. 
pedantry ['pedsntri] pedanterie, 

schoolmeesterachtigheid. 
peddle ['pedl] (rond)venten. 
pedestal ['pedistl] voetstuk o\ — 

cupboard, nachtkastje o. 
pedestrian [pi'destrisn] voetganger; 

a] te voet; voet-; jig alledaags, plat- 

vloers. 
pedigree ['pedigri:] geslachtsboom, 

stamboom; afkomst; -^ cattle, stam- 

boekvee o\ •-^ dog, rashond. 
pedlar ['pedb] marskramer. 
peel [pi:l] schil; candied — , sukade; 

vt schillen, pellen. 
peep [pi:p] (glurende) blik; the — 

oj day, het aanbreken van de dag; 

vi gluren, kijken (naar, a/); piepen. 
peep-bo ['piipbou] kiekeboe. 
peep-hole ['pi:phoul] kijkgat o. 
peep-show ['pi:pJou] kijkkast. 
peer [pis] pair; gelijke, weerga; vi 

turen, kijken; gluren. 
peerage ['pisrids] pairschap o\ adel- 

(stand); adelboek o. 
peeress ['pisris] vrouw van een pair; 

vrouwelijke pair. 
peerless ['pialis] weergaloos. 
peevish ['piivij] korzelig, gemelijk. 
peg [peg] pin; kapstok; vt vastpin- 



nen. 

pegtop ['pegtDp] priktol. 

pelican ['pelikan] pelikaan. 

pellet ['pelit] balletje o; propje o\ 
kogeltje o. 

pellicle ['pelikl] vlies(je) o. 

pell-mell ['pel'mel] door en over el- 
kander; holderdebolder. 

pelt [pelt] gooien, beschieten, beko- 
gelen, bombarderen; neerkletteren 
[regen]; iat) jull — , zo snel mo- 
gelijk. 

pelvis ['pelvis] (nier)bekken o, 

pen [pen] pen; (schaaps)kooi, perk o, 
hok o\ (baby) box; vt (neer)pen- 
nen, schrijven; perken; opsluiten. 

penal ['piinal] strafbaar, straf-; — 
servitude, dwangarbeid. 

penalty ['pen(3)Iti] straf, boete. 

penance ['pensns] boete (doening). 

pence [pens] meerv. van penny. 

pencil ['pensil] potlood o\ griffel; 
penseel o; vt (met potlood) teke- 
nen, optekenen, (op) schrijven. 

pending ['pendig] (nog) hangend, 
onafgedaan; gedurende; in afwach- 
ting van. 

pendulum ['pendjubm] slinger. 

penetrate ['penitreit] doordringen 
(van, with); doorgronden; binnen- 
dringen. 

penetrating ['penitreitirj] doordrin- 
gend, scherp. 

penetration [peni'treijan] doordrin- 
gen o\ binnendringen o\ doorgron- 
den o\ doorzicht o. 

penguin ['perjgwin] pingui'n. 

penholder ['penhoulda] penhouder. 

penicillin [peni'silin] penicilline. 

peninsula [pi'ninsjub] schiereiland o. 

penitence ['penitans] berouw o, boe- 
te, boetvaardigheid. 

penitent ['penitsnt] berouu^'ol, boet- 
vaardig. 

penitential [peni'tenjsl] boetvaardig, 
berouwvol; boet-. 

penitentiary [peni'tenjari] verbeter- 
huis o. 

penknife ['pennaif] pennemes o. 



pennant 



199 



perhaps 



pennant ['pensnt] wimpel. 
penniless ['penilis] arm. 
pennon ['penan] wimpel; banier. 
penny ['peni] stuiver. 
penny-in-the-slot machine ['peniin- 

Sa'sbtmajim] muntautomaat. 
penny-wise ['peni'waiz] — and poimd- 

joolish, verkeerde zuinigheid (in 

kleine dingen en verkwisting aan de 

andere kant) betrachtend. 
pennyworth ['peniwsrB, 'pensO] voor 

een stuiver. 
pension ['penjsn] jaargeld o, pensi- 

oen o; vt een jaargeld geven; ■ — • 

ojj, pensioneren. 
pensive ['pensiv] peinzend, zwaar- 

moedig. 
pent [pent] V.D. v. pen. 
penthouse ['penthaus] afdak o, lui- 

fel. 
pent-up ['pent'Ap] op-, ingesloten; 

jig lang ingehouden, opgekropt. 
penurious [pi'njuarias] karig, schraal, 

behoeftig; gierig. 
penury ['penjuri] armoede, behoeftig- 

heid, gebrek o (aan, of). 
pen-wiper ['penwaipa] inktlap. 
peony ['piani] pioenroos. 
people ['pi:pl] volk o\ mensen; lie- 
den, personen; men; my ■ — ^, ook: 

mijn familie; vt bevolken. 
pep [pep] fut. 

pepper ['pepa] peper; vt peperen. 
pepperbox ['pepaboks] peperbus. 
peppermint ['pepamint] pepermunt. 
peppery ['pepari] vol peper; gepe- 

perd, scherp; opvliegend. 
per [pa:] per; as — , volgens. 
perambulator [p(a)'r£embjuleita] kin- 

derwagentje o. 
perceive [pa'si:v] (be)merken, ont- 

waren, waaroemen. 
perceiving [pa'siivig] scherpziend, 

pienter. 
per cent [pa'sent] percent o. 
percentage [pa'sentids] percentage o; 

percenten, commissieloon o. 
perceptible [pa'septibl] merkbaar, 

waarneembaar. 



perception [pa'sepjan] waarneming, 

gewaarwording. 
perch [paitj] baars; stokje o, stang; 

vt gaan zitten, roesten [vogels] ; 

neerstrijken (op, upon); be ■ — ed, 

(hoog) zitten. 
perchance [pa'tjains] misschien. 
percolate ['parkaleit] (laten) doorzij- 

gen, filtreren, doordringen. 
percolator ['paikaleita] filter; fil- 

treer(koffie)kan. 
percussion [pa'kAjan] schok, slag, 

stoot. 
perdition [pa/dijan] verderf o, on- 

dergang. 
peregrination [perigri'neijan] rond- 

zwerven o, zwerftocht. 
peremptory C'peramtari] gebiedend; 

afdoend, beslissend. 
perennial [pa'renjal] het gehele jaar 

durend; voortdurend, (over)blijvend, 

onvergankelijk, eeuwig. 
perfect ['pa:fikt] volmaakt, volkomen; 

echt; [pa'fekt] vt volmaken, verbe- 

teren, perfectioneren. 
perfection [pa'fekjan] volmaaktheid, 

volkomenheid; volmaking; to ^^, in 

de perfectie. 
perfidious [pa'fidias] trouweloos, 

vals. 
perfidy ['paifidi] trouvvreloosheid, 

valsheid. 
perforate ['pa;fareit] doorboren. 
perform [pa'fDim] volvoeren, nako- 

men, volbrengen, vervullen; verrich- 

ten; presteren; uit-, opvoeren, ver- 

tonen, spelen; doen; optreden; -^'ing 

elephant, gedresseerde olifant. 
performance [pa'fDimans] volvoering, 

verrichting, vervuUing; op-, uitvoe- 

ring, vertoning, voorstelling, pres- 

tatie, werk o, spel o. 
perfume ['p3:fju:m] geur; parfum o 

Si m; [pa'fju:m] vt doorgeuren, par- 

fumeren. 
perfunctory [pa'fAtjktari] (gedaan) 

omdat het moet; in a — way, ook: 

voor de leus. 
perhaps [pa'haeps] misschien. 



peri] 



200 



perspire 



peril ['peril] gevaar o\ at your {own) 

— , op uw eigen risico; he was i n 

— oj his life, hij was in levens- 

gevaar. 
perilous ['perilas] gevaarlijk. 
period ['piarisd] tijdvak o, tijdperk 

o\ periode. 
periodical [pisri'Ddikl] periodiek, 

tijdschrift o; aj periodiek. 
periphery [ps'rifsri] omtrek. 
periscope ['periskoup] periscoop. 
perish ['perij] omkomen, te gronde 

gaan; vergaan (van, with). 
perishable ['perijsbl] vergankelijk; 

aan bederf onderhevig. 
periwig ['periwig] pruik. 
perjure ['p3:d33] — oneself, vals 

zweren, een meineed doen; — d, 

meinedig. 
perjurer ['psidsara] meinedige. 
perjury ['pardsari] meineed; woord- 

breuk. 
perky ['p3:ki] parmant(ig), brutaal. 
permanent ['paimanant] voortdurend, 

bestendig, blijvend, vast. 
permeable ['parmiabl] doordringbaar. 
permeate ['paimieit] doordringen, 

doortrekken; doorsijpelen. 
permissible [pa'misibl] toelaatbaar; 

geoorloofd. 
permission [ps'mijan] permissie, 

vergunning, verlof o. 
permit ['paimit] schriftelijke vergun- 
ning; verlof o; [pa'mit] vt ver- 

oorloven, toelaten, vergunnen; — 

of, toelaten, dulden. 
pernicious [ps/nijas] verderfelijk, 

schadelijk, fnuikend. 
perpendicular [paipan'dikjula] lood- 

lijn; aj loodrecht, rechtop. 
perpetrate ['pa:pitreit] bedrijven, be- 

gaan, plegen. 
perpetual [pa'petjual] eeuwig-, altijd- 

durend, eeuwig; levenslang. 
perpetuate [pa'petjueit] vereeuwigen, 

bestendigen. 
perpetuation [papetju'eijan] vereeu- 

wiging, bestendiging. 
perpetuity [parpi'tjuiti] eeuwigheid; 



doorlopende lijfrente. 
perplex [pa'pleks] in de war bren- 

gen, verwarren, onthutsen. 
perplexity [pa'pleksiti] verwardheid, 

verlegenheid. 
perquisite ['paikr^azit] bijverdienste; 

foci. 
persecute ['pa:sikju:t] ven,'olgen; las- 
tig vallen. 
persecution [pa:si'kju;J'an] vervolging. 
perseverance [pa:si'viarans] volhar- 

ding. 
persevere [pa:si'via] volharden. 
Persia ['pa:Ja] Perzie o. 
Persian ['pa:Jan] Pers; het Perzisch; 

aj Perzisch; '-— blinds, zonneblin- 

den. 
persist [pa'sist] volharden, hardnek- 

kig volhouden, blijven (bij, in), 

doorgaan (met, in); voortduren. 
persistence, — ^cy [pa'sistans(i)] vol- 

harding; hardnekkigheid. 
persistent [pa'sistant] volhardend, 

aanhoudend, blijvend; hardnekkig. 
person ['p3:sn] persoon. 
personage ['pa:s3nid3] persoon, per- 
sonage o & v. 
personal ['pa:san(a)l] persoonlijk, 

personeel; eigen. 
personality [pa:sa'n£eliti] persoonlijk- 

heid. 
personification [pasDoifi'keiJan] ver- 

persoonlijking. 
personify [pa'sDnifai] verpersoonlij- 

ken. 
personnel [paisa'nel] personeel o. 
perspective [pa'spektiv] perspectief; 

fig verschiet o, (voor)uitzicht o. 
perspicacious [pa:spi'keijas] scherp- 

ziend, scherpzinnig, schrander. 
perspicacity [paispi'kassiti] scherp- 

ziendheid, scherpzinnigheid. 
perspicuity [pa:spi'kjuiti] klaarheid, 

duidelijkheid, helderheid. 
perspicuous [pa'spikjuas] duidelijk, 

helder. 
perspiration [paispi'reijan] uitwase- 

ming; transpiratie. 
perspire [pas'paia] uitwasemen; 



persuade 



201 philanthropic 



(uit)zweten, transpireren. 
persuade [ps'sweid] overreden, over- 

halen, overtuigen. 
persuasion [pa'sweisan] overreding, 

overtuiging; geloof o, gezindte, rich- 
ting. 
persuasive [ps'sweisiv] overredend, 

overtuigend. 
pert [p3:t] vrijpostig, neuswijs, bru- 

taal. 
pertain [pa/tein] — to, behoren bij 

(tot); aangaan. 
pertinacious [paiti'neijas] hardnek- 

kig, vasthoudend. 
pertinacity [paiti'nsesiti] hardnekkig- 

heid, volharding. 
pertinent ['paitinant] toepasselijk, ter 

zake (dienend), zakelijk. 
perturb [pa'taib] (ver)storen, in be- 

roering brengen, verontrusten. 
perturbation [pa.ta/beijanj storing, 

verontrusting, beroering. 
peruke [pa'ruik] pruik. [zing, 

perusal [pa'ruizal] (nauwkeurige) le- 
pervade [ps'veid] doordringen, door- 

trekken, vervullen (van, with, by). 
perverse [pa'vais] onhandelbaar, onre- 

delijk; averechts, verdorven. 
perversion [pa'vaijan] verdraaiing, 

omkering; bederf o. 
perversity [pa'varsiti] onhandelbaar- 

heid, slechtheid, verdorvenheid. 
pervert [pa'va:!] verdraaien [v. 

woord]; bederven; verleiden; mis- 

bruiken. 
pessimism ['pesimizm] pessimisme o. 
pessimist ['pesimist] pessimist; aj 

pessimistisch. 
pessimistic [pesi'mistik] pessimistisch. 
pest [pest] plaag, pest; lastpost, scha- 

delijk dier o, schadelijk insekt o of 

gewas o. 
pester ['pesta] lastig vallen, kwellen, 

plagen. 
pestiferous [pes'tifaras] verpestend. 
pestilence ['pestilans] pest. 
pestilent ['pestilant], pestilential 

[pesti'lenjal] pestachtig, verpestend, 

pest-; pestilent, verderfelijk. 



pestle ['pes(t)l] stamper [v. vijzel]. 
pet [pet] kwade luim, boze bui; lie- 

veling, tarn dier o; aj geliefd, ver- 

troeteld; lievelings-; — name, troe- 

telnaam; vt (ver)troetelen, liefko- 

zen, aanhalen. 
petal ['petl] bloemblad o. 
petition [pi'tijan] smeekschrift o, 

verzoek(schrift) o, petitie, bede; vt 

smeken; verzoeken. 
petitioner [pi'tijana] verzoeker, 

adressant. 
petrel ['petral] stormvogeltje o. 
petrify ['petrifai] verstenen. 
petrol ['petral] benzine. 
petroleum [pi'trouljam] petroleum, 
petticoat ['petikout] rok, onderrok. 
petticoat government ['petikout- 

'gAvanmant] vrouwenregering; be 

under — , onder de pantoffel zitten. 
pettifogger ['petifaga] beunhaas; 

rechtsverdraaier, chicaneur. 
petty ['peti] klein, gering; klein(zie- 

lig) ; — officer, onderoff icier [b. d. 

marine], 
petulant ['petjulant] prikkelbaar, 

lastig, knorrig. 
pew [pju:] kerkbank. 
pewit ['pi;wit] kievit. 
pewter ['pju:ta] peauter o [mengsel 

van tin en lood]. 
phantom ['fasntam] spook o, schim, 

geest; droombeeld o. 
Pharisaic [fsri'seiik] farizees, fari- 

zeisch, schijnheilig. 
Pharisee ['faerisi:] farizeeer, schijn- 

heilige; the Pharisees, de Farizeeen. 
pharynx ['fasrirjks] keelholte. 
phase [feiz] fase, stadium o. 
pheasant ['fezant] fazant. 
phenomena [fi'namina] meerv. v. 

phenomenon. 
phenomenal [fi'naminal] zinnelijk 

waarneembaar; fenomenaal. 
phenomenon [fi'naminan] verschijn- 

sei o\ fenomeen o. 
phial ['faial] flesje o. 
philanthropic [filan'Orapik] menslie- 

vend; liefdadigheids-. 



philantropist 



202 



piece 



philanthropist [fi'lsnOrspist] men- 

senvriend. 
philanthropy [fi'lsenGrgpi] mensen- 

min, -liefde; menslievendheid. 
philosopher [fi'bsafa] wijsgeer. 
philosophic (al) [fil3'sDfik(l)] wijs- 

gerig. 
philosophize [fi'bssfaiz] filosoferen. 
philosophy [fi'bsafi] wijsbegeerte. 
phlegm [flem] slijm o & m\ flegma 

o, koelheid. 
phlegmatic [fleg'mastik] flegmatisch; 

koel. 
phone [foun] zie telephone. 
phonetic [fou'netik] fonetisch; — .r, 

fonetiek, klankleer. 
phonograph ['founsgraif] fonograaf. 
phosphate ['fDsfit] fosfaat o. 
phosphorescent [fssfs'ressnt] fosfo- 

rescerend, lichtend, glimmend. 
phosphorus ['fDsfsras] fosfor. 
photograph ['foutagraif] fotografie; 

vt fotograferen. 
photographer [fou'tDgrafa] fotograaf. 
photographic (al) [fouta'grjefikCl)] 

fotografisch. 
photography [fou'tDgrafi] fotografie. 
phrase [freiz] frase; zegs-, spreek- 

wijze; vt onder woorden brengen, 

inkleden. 
phthisical ['tiziki] teringachtig. 
phthisis ['Oaisis] (long)teiing. 
physic ['fizik] geneeskunde; genees- 

middel o\ ■ — s, natuurkunde. 
physical ['fizikl] natuurkundig; fy- 

siek, lichamelijk, lichaams-. 
physician [fi'zijan] dokter, genees- 

heer. 
physiognomy [fizi'Dnsmi] gelaatkun- 

de; voorkomen o, wezen o. 
pianist ['pianist] pianist. 
piano ['pjsenou] piano. 
pick [pik] punthouweel o\ tandesto- 

ker; keus; the — of..., de (het) 

beste van...; vt hakken, (op)pik- 

ken, (open)steken; uitpeuteren; 

(af)kluiven; schoonmaken [salade]; 

plukken; (uit)zoeken; (uit)kiezen; 

— pockets, zakkenrollen; — up, op- 



pikken, oprapen, opnemen; opdoen; 
— up a living, zijn kostje bijeen- 
scharrelen. 

pickax(e) ['pikseks] houweel o. 

picket E'pikit] piketpaal, staak; pi- 
ket o; post [bij staking]; vt aan 
een paal vastmaken; posten [bij sta- 
king]. 

pickle ['pikl] pekel; zuur o\ lastig 
kind o, lastpost; vt pekelen, in- 
maken, inleggen. 

pick-me-up ['pikmiiAp] hartsterking. 

pickpocket ['pikpokit] zakkenroller. 

picnic E'piknik] picknick; vi pick- 
nicken. 

pictorial [pik'tDirial] picturaal, schil- 
der-; beeld-; geillustreerd, schilder- 
achtig. 

picture ['piktjs] schilderij o & v, 
prent; afbeelding, tafereel o\ beelte- 
nis, portret o\ evenbeeld o\ foto; 
film; the — s, de bioscoop; it is 
a ■ — ', het is beelderig; vt (af)schil- 
deren, afbeelden; — {to oneself), 
zich voorstellen. 

picture-book ['piktjsbuk] prenten- 
boek o. 

picture-card ['piktjakard] pop [kaart]. 

picture-gallery ['piktJagEebri] schil- 
derijzaal, schilderijenmuseum o. 

picture-house ['piktjahaus] bioscoop. 

picture-postcard ['piktj3pous(t)ka:d] 
prentbriefkaart. 

picture-puzzle ['piktJapAzI] rebus. 

picture-show ['piktjsjou] schilderij- 
ententoonstelling; bioscoopvoorstel- 
ling. 

picturesque [piktjs'resk] schilder- 
achtig. 

picture-theatre ['piktJaBiato] bio- 
scoop. 

piddle E'pidl] prutsen, beuzelen. 

pie [pai] ekster; pastei. 

piebald ['paib3:ld] bont; geschakeerd. 

piece [pi:s] stuk o\ a -—, per stuk; a 
■ — ■ oj advice, een raad; a — of 
folly, een dwaze daad; a — of good 
fortune, een buitenkansje o; in — s, 
aan stukken, stuk; vt lappen, ver- 



piece-goods 



203 



piping 



stellen, samenvoegen; aaneenhechten. 
piece-goods ['piisgudz] geweven goe- 

deren. 
piecemeal ['pi:smi:l] bij stukken en 

brokken, bij gedeelten. 
piece-work ['piiswsik] stukwerk o. 
pied [paid] bont, gevlekt. 
pier [pia] (brug)pijler; havendam, 

pier. 
pierce [piss] doorboren, doorsteken; 

doordringen; doorgronden. 
piety ['paiati] vroomheid, pieteit. 
pig [pig] varken o; varkensvlees o\ 

fig mispunt o; schrokker; gieteling; 

klomp ruw ijzer of lood. 
pigeon ['pid33n] duif. 
pigeon-hole ['pidsanhoul] loket o, 

vakje o; vt opbergen. 
pigeon-house ['pidssnhaus] duiventil. 
piggish ['pigij] varkenachtig, vies; 

gulzig; inhalig; koppig. 
pigheaded ['pig'hedid] koppig, dwars; 

eigenwijs. 
pig-iron ['pigaisn] ruw ijzer o. 
pigment ['pigmant] pigment o, kleur- 

stof. 
pigsty ['pigstai] varkenskot o. 
pigtail ['pigteil] (varkens)staart, 

(meisjes)vlecht, vlechtje o. 
pike [paik] pick, spies; tolboom; 

snoek. 
pile [pail] hoop, stapel; [elektrisch] 

element o; zuil; brandstapel; (hei)- 

paal; vt (op)stapelen, ophopen; be- 

laden; heien; — up, (zich) opsta- 

pelen, (zich) ophopen. 
pile-driver ['paildraiva] heimachine. 
pilfer ['pilfa] kapen, ontfutselen. 
pilgrim ['pilgrim] pelgrim. 
pilgrimage ['pilgrimids] bedevaart, 

pelgrimstocht. 
pill [pil] pil. 
pillage ['pihds] plundering, roof; vt 

plunderen, roven. 
pillar ['pib] pilaar, pijler; zuil, stijl. 
pillar-box ['pibbaks] brievenbus. 
pillion ['piljan] duo(zitting). 
pillory ['pibri] schandpaal; vt aan 

de kaak stellen. 



pillow ['pilou] (oor)kussen o. 
pillow-case ['piloukeis], pillow-slip 

['pilouslip] kussensloop. 

pilot ['paibt] loods, gids; bestuurder, 
piloot; vt loodsen, (be)sturen. 

pimpernel ['pimpanel] guichelheil o. 

pimple ['pimpl] puist, blaasje o. 

pin [pin] speld; pin; / do not care 
a — for it, ik geef er geen steek 
om; vt (vast)spelden; vastklemmen, 
vastzetten, vasthouden. 

pinafore ['pinatb:] (kinder) schort. 

pincers ['pinsaz] nijptang (ook: pair 
of — ); schaar [v. kreeft &]. 

pinch [pinj] kneep; klem; nijpen o, 
nijpende nood; snuifje o; at a ~', 
als 't er op aankomt, in geval van 
nood, desnoods; vt knijpen, knellen; 
op elkaar klemmen; dichtknijpen; be- 
knibbelen; gappen; knippen [dief]; 
be ■ — ed for..., krap aan zijn met...; 

— oneself, zich bekrimpen. 
pin-cushion ['pinkujan] speldenkus- 

sen o. 
pine [pain] pijn(boom); vi (ver)- 

Ivwijnen, smachten; — after (for), 

hunkeren naar. 
pine-apple ['painEpl] ananas, 
pinion ['pinjan] vleugel; rondsel o, 

tandwiel o; vt kortwieken, (vast)- 

binden, knevelen; boeien. 
pink [pifjk] anjelier; he was in the 

— {of condition), in uitstekende 
conditie; a] roze(kleurig). 

pin-money ['pinmAni] speldengeld o. 
pinnacle ['pinakl] tinne; top; fig 

toppunt 0. 
pint [paint] pint [Vs gallon = 

0.568 1]. 
pioneer [paia'nia] pionier. 
pious ['paias] godvruchtig, vroom. 
pipe [paip] pijp, buis; fluit; gefluit 

o\ vt pijpen, fluiten. 
pipe-line ['paiplain] pijpleiding. 
piper ['paipa] fluitspeler; doedelzak- 

blazer; pay the •— -, fig het gelag 

betalen. 
piping ['paipig] pijp-, buiswerk o, 

pijpen, buizen; bies. 



piquant 



204 



plant 



piquant ['piiksnt] pikant. 

pique [pi:k] pik, wrok; vt krenken; 
prikkeien, gaande maken; • — • one- 
self on, zich laten voorstaan op. 

piracy ['paisrssi] zeeroverij. 

pirate ['paiarit] zeerover; roofschip 
o; vi zeeroverij plegen; vt roven. 

pistil ['pistil] stamper [v. bloem]. 

pistol E'pistsl] pistool o. 

piston E'pistsn] zuiger. 

pit [pit] (kolen)put, mijnschacht, 
groeve; putje o, holte, kuil; diepte; 
parterre o S<. in [in schouwburg] ; 
vt kuiltjes vormen in; inkuilen. 

pitch [pitj] pik & m, pek o & m\ 
hoogte; graad; toppunt o; helling; 
spoed [v. e. schroef ] ; stampen o [v. 
schip]; worp; standplaats; ( sport) - 
terrein o; vt (be)pekken; opslaan 
[tent &]; stellen, zetten; [hoog] 
spannen [verwachtingen] ; gooien, 
keilen; a ^-^ed battle, een geregelde 
veldslag; — a tale {a yarti), een 
verhaal doen; vi neerkomen; tuime- 
len; stampen [schip]. 

pitch-dark ['pitjda:k] pikdonker. 

pitcher ['pitjs] kruik, kan. 

pitchfork ['pitjfoik] hooivork. 

pitch-pine ['pitjpain] grenehout o. 

piteous ['pitias] erbarmelijk, deerlijk, 
jammerlijk, treurig. 

pitfall ['pitfDil] val; valstrik. 

pith [pi9] pit o & V, kern; (rugge)- 
merg o; kracht. 

pithless ['piGlis] zonder pit, krachte- 
loos. 

pithy ['piGi] pittig, kernachtig. 

pitiable ['pitisbl] beklagenswaardig, 
deerniswaardig, jammerlijk. 

pitiful ['pitiful] medelijdend; treurig, 
erbarmelijk. 

pitiless ['pitilis] meedogenloos, on- 
barmhartig. 

pity ['piti] medelijden o\ it is a 
{great) — , het is (erg) jammer; 
have {take) — on, medelijden heb- 
ben met; vt medelijden hebben met, 
beklagen. 

pivot ['pivat] spil; tap; {vt &) vi 



(doen) draaien (om, upon). 

placard ['plaeka;d] plakkaat o, aan- 
plakbiljet o; vt beplakken; aanplak- 
ken, afficheren. 

place [pleis] plaats, plek; huis o\ bui- 
ten o\ positie, betrekking, post, ambt 
0; Rive ■ — ■ to, plaats maken voor, 
wijken voor; take — , plaatshebben, 
plaatsgrijpen; /' n ■ — •, op zijn (hun) 
plaats; out of ~-, buiten betrek- 
king; niet op zijn plaats; vt plaat- 
sen, zetten, stellen. 

placid ['plassid] onbewogen, rustig, 
vreedzaam, stil. 

plagiarism ['pleidsiarizm] plagiaat o. 

plagiary ['pleidjisri] letterdief, na- 
schrijver; letterdieverij. 

plague [pleig] pest; plaag; vt kwel- 
len; pesten. 

plaice [pleis] schol [vis]. 

plaid [plced] omslagdoek; reisdeken. 

plain [plein] vlakte; a/ vlak, effen; 
eenvoudig; ongelinieerd, ongekleurd; 
niet mooi; gevvoon, alledaags; open- 
hartig; duidelijk. 

plain-clothes ['pleinklouSz] in bur- 
ger (kleren). 

plaintiff ['pleintif] klager, eiser. 

plaintive ['pleintiv] klagend, klaag-. 

plait [plfet] vouw, plooi; vlecht; vt 
vouwen, plooien; vlechten. 

plan [plsen] plan o, ontwerp o, schets; 
vt ontw^erpen (ook: ■ — ■ out); in- 
richten; beramen; plannen maken 
voor; — ned economy, planmatige 
huishouding, geleide economic. 

plane [plein] plataan; schaaf; (plat) 
vlak o; plan o, niveau o; vliegtuig 
o\ a] vlak; vt schaven; vi vliegen; 
glijden. 

planet ['plasnit] planeet. 

planetary ['plfenitari] planeet-, pla- 
netair. 

planish ['plaenij] polijsten; gladmaken. 

plank [pL-erjk] (dikke) plank. 

planning ['plaenir)] planologie, plan- 
nering. 

plant [plaint] plant, gewas o; in- 
stallatie; materieel o; outillage; fa- 



plantation 



205 



plenitude 



briek; vt planten, beplanten, poten, 
(neer)zetten. 

plantation [plasn'teij'sn] (be) planting; 
plantage; vestiging; volksplanting; 
plantsoen o. 

planter ['plaints] planter. 

plaster ['plaista] pleister o [stof- 
naam], pleister v [voorwerpsnaam], 
pleisterkalk; gips o; ■ — • of Paris, 
gebrande gips o\ aj gipsen; vt (be)- 
pleisteren. 

plasterer ['plaistara] stukadoor. 

plastic ['plasstik] plastiek o [kunst- 
stof ] ; aj plastisch, vormend, beel- 
dend; fig kneedbaar. 

plate [pleit] naambord o, plaat; bord 
o\ schaal [voor collecte]; vaatwerk 
o\ goud- of zilverwerk o\ tafelzil- 
ver o\ harnas o\ vt platteren: ver- 
gulden, verzilveren, enz.; pantseren. 

plate glass ['pleitgla:s] spiegelglas o. 

platform ['plsetibim] perron o\ terras 
o\ balkon o [van tram]; podium o\ 
politiek program o. 

platform ticket ['plstfDimtikit] per- 
ronkaartje o. 

platinum ['plsetinsm] platina o. 

platitude ['plstitjuid] banaliteit, ge- 
meenplaats. 

platoon [pb'tuin] peloton o. 

platter ['plseta] platte schotel. 

plausible ['pb:zibl] aannemelijk, 
schoonschijnend; aangenaam [in de 
omgang], innemend. 

play [plei] spel o, speling, speelruim- 
te; (toneeljstuk o\ vt spelen (op), 
bespelen; — the game, eerlijk spel 
spelen; • — the game of, in de kaart 
spelen van; — into one's hands, 
in iemands kaart spelen; — them 
off against each other, ze tegen 
elkaar uitspelen. 

play-bill ['pleibil] affiche o & v; 
programma o. 

player ['pleia] speler. 

playfellow ['pleifelou] speelmakker. 

playful ['pleiful] speels; schalks. 

playground ['pleigraund] speelplaats; 
ontspanningsoord o. 



playmate ['pleimeit] speelmakker. 

playpen ['pleipen] babybox. 

plaything ['pleiSirj] (stuk) speelgoed 
o\ fig speelbal. 

playwright ['pleirait], play-writer 
E'pleiraita] toneelschrijver. 

plea [pli:] pleidooi o, pleit o\ veront- 
schuldiging; voorwendsel a. 

plead [pli:d] pleiten; bepleiten; aan- 
voeren [gronden]; — (not) guilty, 
(niet) bekennen; — illness, ziekte 
voorwenden. 

pleader ['pliida] pleiter, verdediger. 

pleading ['pliidi.^] pleiten o; plei- 
dooi o. 

pleasant ['plezsnt] aangenaam, prettig. 

pleasantry ['plezsntri] scherts, grap, 
aardigheid. 

please [pli:z] behagen; bevallen; be- 
lieven; ■ — •.', alstublieft!; om u te 
dienen!; // you ■ — ', alstublieft; nota 
bene, waarachtig; — God, zo God 
wil, God geve dat...; be -—d at, 
zich verheugen over; be — d with, 
blij zijn met; / shall be — d to, 
bet zal mij aangenaam zijn; — 
yourself, doe zoajs je verkiest. 

pleasing ['pliizirj] behaaglijk, aange- 
naam, innemend. 

pleasure ['plesa] vermaak o, genoe- 
gen o, genot o, plezier o\ (wel)- 
behagen o; believen o, welgevallen 
o, goedvinden o\ at — , naar ver- 
kiezing, naar eigen goedvinden. 

pleat [pli:t] plooi; vt plooien. 

plebeian [pli'biisn] plebejer; a] ple- 
bejisch. 

plebiscite ['plebisit] plebisciet o. 

pledge [pled3] pand o. onderpand o\ 
borgtocht; belofte; toost; vt verpan- 
den; (ver)binden; plechtig beloven; 
drinken op dc gezondheid van; — 
oneself, zijn woord geven, zich ver- 
binden (om, to). 

plenary ['pliinari] volkomen, volledig, 
geheel; ■ — powers, volmacht. 

plenipotentiary [plenips'tenjsri] ge- 
volmachtigd(e). 

plenitude ['plenitjuid] volheid, over- 



plentiful 



206 



pocket 



vloed. 

plentiful ['plentiful] overvloedig. 

plenty ['plenti] overvloed; overvloe- 
dig; rijlcelijk. 

pliable ['plaiabi] buigzaam; fig plooi- 
baar, meegaand. 

pliancy ['plaiansi] buigzaamheid, 
plooibaarrieid, soepel-, gedweeheid. 

pliant ['plaisnt] buigzaam, plooibaar, 
soepel, gedwee. 

pliers E'plaiaz] buigtang. 

plight [plait] staat, toestand, conditie; 
in a sore — , in sorry ■ — ■, er slecht 
(naar) aan toe; vt verpanden, be- 
loven. 

plod [pbd] ploeteren, blokken, sjou- 
wen. 

plot [pbt] stuk (plekje) o grond; sa- 
menzwering, komplot o\ intrige; vt 
in kaart brengen, uitzetten, ontwer- 
pen; beramen; vi plannen maken, 
intrigeren; samenzweren. 

plotter ['pbts] ontwerper; samen- 
zweerder; intrigant. 

plough [plau] ploeg; vt (om)ploe- 
gen; doorploegen [het gelaat] ; door- 
klieven [de golven]; — through a 
book, doorworstelen. 

ploughshare ['plaujes] ploegschaar. 

plover ['pUva] pluvier; ook: kievit. 

pluck [plAk] rukje o, trek; moed, 
durf; vt (af)rukken, (af)plukken; 
trekken (aan, at); be —-ed, zakken 
[bij examen]. 

plucky ['pUki] moedig, dapper. 

plug [plAg] prop, tap; stop; pruim- 
pje o (tabak); vt dichtstoppen; 
plomberen (ook: -^ up). 

plum [pUm] pruim; rozijn. 

plumage ['pluimids] pluimage. 

plumb [pUm] (schiet)lood o\ diep- 
lood o; a] loodrecht; vt waterpas ma- 
ken; peilen. 

plumber ['plAma] loodgieter. 

plumbing ['pJAmir)] loodgieterswerk 
o, sanitair o. 

plume [plu:m] vederbos; veer, pluim; 
vt van veren voorzien; [de veren] 
gladstrijken; — oneself on, zich 



wat laten voorstaan op. 

plummet ['pLvmit] schiet-, dieplood o. 

plump [pUmp] gevuld, vlezig, mollig, 
dik; a — lie, een vierkante leugen; 
vi (neer)ploffen; vt neerkwakken; 
'~-', plof; pardoes, botw^eg. 

plum-pudding ['plAm'pudir)] rozijnen- 
pudding. 

plunder ['pUnda] plundering; buit, 
winst; vt plunderen; (be)roven. 

plunderer ['plAndsra] plunderaar. 

plunge [plAnds] in-, onderdompeling, 
(onder)duiking; sprong, val; make 
{take) the — ', de (grote) sprong 
wagen; vt dompelen; storten, sto- 
len (in, into); vi zich storten, dui- 
ken; stampen [v. schip]; — d in 
thought, in gedachten verdiept. 

pluperfect ['plu;'p3:fikt] voltooid 
verleden (tijd). 

plural ['pluarsl] meervoud o; aj 
meervoudig. 

plurality [plu'reliti] meervoudigheid, 
meervoud a; menigte; meerderheid, 
merendeel o. 

plus [pUs] plus. 

plus fours ['plAs'f3:z] wijde golf- 
broek. 

plush [plAJ] pluche o & m. 

ply [plai] plooi, vouw; draad [v. ga- 
ren]; laag [v. plank]; vt gebruiken; 
hanteren; uitoefenen [beroep], drij- 
ven [zaak]; volstoppen; voeren; vi 
(been en weer) varen (rijden, vlie- 
gen, gaan). 

plywood ['plaiwud] triplex o & m. 

P. M. ^ post meridiem, na de mid- 
dag. 

pneumatic [nju'ma;tik] pneumatisch; 
lucht-; — tyre, luchtband. 

pneumonia [nju'mounja] longontste- 
king. 

poach [poutj] stropen. 

poacher ['pout fa] stroper. 

pocket ['p3kit] zak; be 5 sh. in ~', 
5 sh. rijk zijn; 5 sh. gewonnen of 
verdiend hebben; be out of — , 
er op toeleggen; vt in de zak ste- 
ken; stoppen [een bal]. 



pocket-book 207 

pocket-book ['pDkitbuk] zakboekje o\ 
portefeuille. 

pock-marked ['pDkma:kt] pokdalig. 

pod [pDd] dop, schil; peul. 

poem ['pouim] gedicht o. 

poet ['pouit] dichter. 

poetess ['pouitis] dichteres. 

poetic(al) [pou'etik(l)] dichterlijk, 
poetisch, dicht-. 

poetry ['pouitri] dichtkunst, poezie. 

poignancy ['poinansi] scherpheid. 

poignant ['poinsnt] scherp, bijtend. 

point [point] punt v Si o [= (lees)- 
teken]; punt m [=■ spits]; punt o 
[andere bett.]; stip(pel); decimaal; 
spits; stift; (ets)naald; kant; stop- 
contact o; fig pointe [v. aardig- 
heid], zaak; ^~~'S, wissel [v. spoor- 
weg]; the — s of the compass, de 
streken van het kompas; to the — 
ter zake; vt (aan)punten, scherpen 
spitsen; richten (op, at), mikken 
wijzen met [vinger &] ; — out 
(aan)wijzen, wijzen op, aantonen 
te kennen geven. 

point-blank ['point'blastjk] vlak in zijn 
gezicht, op de man af. 

pointed ['psintid] scherp, puntig; op- 
vallend. 

pointer ['pDinta] staande bond; wij- 
zer; aanwijsstok; aanwijzing. 

pointsman ['pDintsman] wisselwach- 
ter; verkeersagent. 

poise [poiz] evenwicht o, balanceren 
o; houding [v. hoofd &]; vt in even- 
wicht houden of brengen; balance- 
ren; wegen; houden. 

poison E'poizn] vergif(t) o, gif(t) o; 
vt vergiftigen, fig vergallen. 

poisonous ['pDiznas] (ver)giftig. 

poke [pouk] scharrelen; stoten, ste- 
ken; tasten; oppoken; (op)porren. 

poker ['pouka] (kachel)pook; poker 
o [spel]. 

pok(e)y C'pouki] nauv/; klein. 

Poland ['poubnd] Polen o. 

polar ['poub] pool-; — bear, ijsbeer. 

Pole [poul] Pool. 

pole [poul] pool; paal, pols, stok; 



polytechnic 



disselboom. 

polecat ['poulkaet] bunzing. 

polemic [pa'lemik] — (j), polemiek; 
aj polemisch. 

police [p3'Ii:s] politie. 

policeman [p(3)'li:sm3n] politie- 
agent. 

police-station [pa'liissteijsn] politie- 
bureau o. 

policy ['pDlisi] staatkunde; (staats)- 
beleid o, politick; polls. 

poliomyelitis [pDlioumais'laitis] kin- 
derverlamming. 

polish ['pDliJ] politoer o Si m; poets- 
middel o; glans; fig beschaving; vt 
polijsten, politoeren, poetsen, boe- 
nen. 

Polish ['poulif] Pools. 

polite [pa'lait] beleefd; beschaafd. 

politeness [ps'Iaitnis] beleefdheid. 

politic ['politik] staatkundig, politick; 
— s, politick, staatkunde. 

political [ps'litikl] politick, staatkun- 
dig. 

politician [pali'tijsn] politicus, staat- 
kundige, staatsman. 

polka ['poI-, 'poulks] polka. 

poll [poul] kop, hoofd o; stembus; 
(schriftclijkc) stemming; (uitge- 
brachtc) stemmen; lorretje o [pa- 
pcgaai]; ^^ of public opinion, pub- 
lic opinion '~-, opinie-ondcrzoek o\ 
vt toppcn, knotten; (stemmen) ver- 
werven; vi stemmen (op, for). 

pollard-willow ['pobdwilou] knot- 
wilg. 

pollen ['pDJin] stuifmcci o. 

polling-booth ['poulif)bu:5] polling- 
station ['poulirjsteijsn] stcmbureau 
o. 

pollute [p3'l(j)u:t] bezocdclcn; ont- 
wijden; verontrcinigen. 

pollution [p3'J(j)u:J'3n] bezoedeling; 
ontwijding; vcrontreiniging. 

poltroon [pDl'trum] lafaard. 

polyp ['pDlip] poliep [diet]. 

polypus ['polipas] poliep [gezwel]. 

polytechnic [pDli'teknik] polytech- 
nisch. 



pomade 



pomade [pa'maid] pomatum [pa'mei- 

tsm] pomade. 
pomegranate ['pDmgraenit] granaat- 

appel, granaatboom. 
pommel ['pAml] degenknop; zadel- 

knop; vt beuken, slaan. 
pomp [pDmp] pracht, praal, luister. 
pompous ['pAmpss] deftig doend, 

hoogdravend, pralend; gezwolleii. 
pond [pDnd] poel, vijver; wed o. 
ponder ['pDnds] overwegen, overden- 

ken; peinzen (over, on'). 
ponderous ['pDndaras] zwaar, zwaar- 

wichtig, zwaar op de hand. 
poniard ['ponjsd] dolk. 
pontifical [pon'tifiki] opperpriester- 

lijk; pontificaal; in full ■ — s, in 

pontificaal; in vol ornaat. 
pontoon [p3n'tu:n] ponton. 
pony ['pouni] hit. 
poodle ['pu:dl] poedel. 
pool [pu:l] poel, plas; (zwem)bas- 

sin o\ potspel o\ inzet, pot; syndi- 

caat o; vt samenleggen [v. kapi- 

taal]; samendoen. 
poop [pu:p] achterschip o. 
poor [pua] arrn, behoeftig; armoedig, 

schraal; gering, pover, armzalig; er- 

barmelijk; slecht; my — father, 

(mijn) vader zaliger. 
poorly ['puali] arm(elijk), armzalig, 

erbarmelijk; niet erg gezond. 
pop [pop] pof, plof, klap, knal; vi 

poffen, knallen, ploffen; vt doen 

knallen, afschieten; • — 'at, schieten 

op; — /■ n, (ergens) binnen komen 

vallen; — off, wegwippen, hem 

poetsen; uitknijpen, kreperen; — 

u p, opduiken. 
pope [poup] paus. 
popgun ['p3pgAn] kinderpistooltje o. 
poplar ['pDpla] populier. 
poppy E'popi] papaver, klaproos. 
populace E'pDpjulis] volk o, menigte, 

massa; gepeupel o. 
popular ['pDpjub] populair, volks-. 
popularity [pDpju'Isriti] populari- 

teit. 
populate ['pDpjuIeit] bevolken. 



208 Portuguese 

population [pDpju'leiJsn] bevolking. 
populous C'pDpjubs] volkrijk, dicht- 

bevolkt. 
porcelain ['p3:slin] porselein o. 
porch [pD:tJ] (voor)portaal o, por- 

tiek. 
porcupine ['pD:kjupain] stekelvarken o. 
pore [p3:] porie; vi '—' at {on), tu- 

ren naar, staren op; — over (on), 

zich verdiepen in. 
pork [p3;k] varkensvlees o. 
porous ['pDiras] poreus. 
porpoise ['poipss] bruinvis. 
porridge ['poridsl (meel)pap. 
porringer ['psrindsa] soepkommetje 

o; (diep) bord o\ pannetje o. 
port [pD:t] haven(plaats); geschut- 

poort; patrijspoort; bakboord; hou- 

ding; port(wijn); — of call, aan- 

loophaven. 
portable ['pDitabl] draagbaar, ver- 

plaatsbaar, koffer-. 
portal C'poital] poort; portaal o. 
portend [pDi'tend] (voor)beduiden, 

voorspellen, betekenen. 
portent ['p3:tent] voorteken o, 
portentous [pD:'tent3s] onheiispellend; 

vervaarlijk, geweldig. 
porter ['pDits] portier; drager, sjou- 

wer, besteller, kruier, witkiel; por- 
ter [bier]. 
porterage C'pDitarids] draagloon o, 

hestelloon o. 
portfolio [pD:t'fouliou] portefeuille. 
port-hole ['pDithoul] patrijspoort; ge- 

schutpoort. 
portico E'pDitikou] portiek. 
portion ['pDiJan] dee! o, portie, aan- 

deel o\ huwelijksgoed o; vt verde- 

len, uitdelen; bedelen. 
portly E'pDitli] deftig; dik, welgedaan. 
portmanteau [pDit'maentou] valies o. 
portrait ['pDitrit] portret o; schilde- 

ring. 
portray [po/trei] portretteren, (af)- 

schilderen. 
Portugal ['pDitjugsI] Portugal o. 
Portuguese [p3:tju'gi:z] Portugees, 

Portugezen; aj Portugees. 



pose 



209 



poultry-yard 



pose [pouzj pose, houding; aanstelle- 
rij; vt stellen [een vraag]; plaat- 
sen; zetten; vi poseren. 

poser ['pouza] strikvraag; moeilijk- 
heid; poseur. 

position [pa'zijan] ligging, positie, 
houding, rang, stand; betrekking; 
plaats; standpunt o; toestand; stal- 
ling; / am not iti a ■ — ' lo..., ik 
kan niet... 

positive ['pDzitiv] stellende trap; po- 
sitief o; aj stellig, bepaald, volstrekt, 
zeker; positief, the — degree, de 
stellende trap. 

possess [pa'zes] bezitten, hebben; like 
one ■ — ed, als een bezetene; — - one- 
self, zich beheersen. 

possession fps'zejsn] bezitting; ei- 
gendom o. bezit o\ bezetenheid; 
take — of. in bezit nemen, [een 
huis] betrekken. 

possessive [pa'zesiv] bezit-; bezittelijk. 

possessor [pa'zess] bezitter. 

possibility [pDsi'biliti] mogelijkheid. 

possible ['pDsibl] mogelijk. 

possibly E'pDsibli] mogelijk, mis- 
schien; he cannot ■ — ■ come, hij kan 
onmogeiijk komen. 

post [poust] post; paal, stijl, stut; vt 
posten; posteren; aanplakken; boe- 
ken; jig op de hoogte brengen; • — 
up, afficheren; bijhouden [boeken]; 
fig op de hoogte brengen of houden. 

postage ['poustid3] port a & m. 

postage stamp ['poustid3St£emp] post- 
zegel. 

postal ['poustsl] post-. 

postcard ['pous(t)ka:d] briefkaart. 

poster ['pousta] aanplakbiljet o, af- 
fiche o 8i V. 

posterior [pos'tisria] later. 

posterity [pDs'teriti] nakomeling- 
schap, nageslacht o. 

post-free ['poust'fri:] franco. 

posthumous ['pDstjumas] postuum: na 
de dood geboren; nagelaten. 

postman ['pous(t)m3n] (brieven)- 
besteller, postbode. 

postmaster ['pous(t)ma:st3] directeur 

Eng. Zakwrdbk. 11 



van een postkantoor; P- — General, 

Directeur-Generaal van de Poste- 

rijen. 
post office ['poustDfis] postkantoor o\ 

post-office order, postwissel. 
post-paid ['poustpeid] gefrankeerd, 

franco. 
postpone [pous(t)'poun] uitstellen. 
postponement [pous(t)'pounm3nt] 

uitstel o. 
postscript ['poustskript] naschrift o. 
posture ['pDstJs] houding, pose; 

staat; vi poseren. 
post-war ['poust' wd:] naoorlogs. 
posy ['pouzi] ruiker, bloemtuil; fig 

bundel. 
pot [pDt] pot; kan; kroes; vt potten; 

inmaken, zulten. 
potable ['poutsbl] drinkbaar. 
potash ['pjtaej] potas. 
potassium [pa'taesism] kali. 
potato [ps'teitou] aardappel. 
pot-bellied ['pDtbelid] dikbuikig. 
potency ['poutansi] macht, kracht, 

vermogen o. 
potent ['poutantj machtig, krachtig. 
potentate ['poutanteit] potentaat. 
potential [pa'tenjal] potentieel, moge- 
lijk, eventueel. 
pother ['pD5a] rumoer o, drukte. 
pot-herb ['p3tha:b] groente. 
pot-house ['pDthaus] kroeg. 
potion C'poujan] drank [medicijn]. 
pot-luck E'pDt'lAk] wat de pot schaft. 
potpourri E'pou'puri] potpourri. 
potsherd ['pDtJa:d] potscherf. 
potter ['pDta] pottenbakker; vi strom- 

pelen; sukkelen; knutselen. 
pottery ['pDtari] pottenbakkerij; aar- 

dewerk o. 
pouch [pautj] zak, tas; buidel; krop 

[v. vogel]. 
poulterer ['poultara] poelier. 
poultice ['poultis] pap, vi'arme om- 

slag. 
poultry ['poultri] gevogelte o, 

pluimvee o, kippen. 
poultry-yard ['poultrija:d] hoender- 

hof. 



14 



pound 210 



pound [paund] pond o [16 ons. 
453-59 gram avoirdupois, 373 gram 
troy-weight\\ pond o sterling; vt 
(fijn)stampen; er op los slaan. 

pour [p3:] (uit)gieten, (uit)storten; 
(in-, uit)schenken; stromen; stort- 
regenen. 

pout [paut] gepruil o\ vt vooruitste- 
ken [lippen]; vi pruilen. 

poverty ['povsti] arnioe(de). 

poverty-stricken ['pDvatistrikn] arm, 
armoedig. 

powder ['pauda] poeder o Si m [stof- 
naam], poeier o Sa. m [stofnaam]; 
poeder r' [voorwerpsnaam], poeier 
V [voorwerpsnaam]; (bus)kruit o\ 
stof o\ vt tot poeder stampen; poeie- 
ren, bestrooien. 

powder-puff ['paudspAf] poederdons. 

powdery ['paudari] poederachtig, fijn 
als poeder; gepoeierd. 

power ['paua] kracht, macht, gezag 
o, vermogen o\ energie; bevoegd- 
heid, volmacht; mogendheid; — s, 
ook: geestesgaven, talent o; vt ener- 
gie leveren, aandrijven. 

powerful ['pauaful] machtig, krach- 
tig, vermogend, sterk, geweldig. 

power-house ['pauahaus] elektrische 
centrale. 

powerless ['pauslis] machteloos. 

power-plant ['pauaplarnt] kracht- 
installatie, 

practicable ['praektikabi] doenlijk, uit- 
voerbaar; bruikbaar; begaanbaar, be- 
vaarbaar. 

practical ['prsktikl] praktisch; a — 
joke, een handtastelijke, ruwe aar- 
digheid. 

practice ['praektis] be-, uitoefening; 
praktijk; oefening; gebruik o\ ge- 
woonte; '^ makes perfect, oefening 
baart kunst; keep {oneself) in — , 
zich blijven oefenen; put in{to) -- , 
in praktijk brengen; be out of ■ — ■, 
lang niet meer geoefend hebben. 

practise ['pra?ktis] uit-, beoefenen; 
oefenen, instuderen [muziekstuk], 
zich oefenen in of op; gebruiken; 



precious 

praktizeren. 
practised ['prsektist] bedreven, erva- 

ren. 
practitioner [praek'tijana] praktize- 

rend geneesheer {medical — ) of 

advocaat {legal — ); beoefenaar; 

general — , arts. 
Prague [preig] Praag o. 
praise [preiz] lof, lofspraak; vt prij- 

zen; loven. 
praiseworthy ['preizw3:3i] loffelijk; 

lof-, prijzenswaardig. 
pram [praem] kinderwagentje o. 
prance [pra:ns] steigeren; trots stap- 

pen, pronken. 
prank [prserik] streek; poets. 
prate [preit] snappen, babbelen. 
prattle ['prasti] babbelen. 
pray [prei] bidden, smeken, verzoeken. 
prayer ['preia] bidder, biddende; 

[prSa] gebed o, (smeek)bede; ver- 

zoek o\ the Lord's -~', het onze- 

vader. 
preach ['pri:tj] prediken, preken; ~ 

a sermon, een preek houden; • — 

d o IV n, preken tegen, ijveren tegen; 

afbreken; — up, preken ten gunste 

van, ijveren voor; aanprijzen; op- 

hemelen. 
preacher ['priitjs] predikant, predi- 

ker. 
preamble [pri:'asmbl] inleiding. 
precarious [pri'keariss] onzeker, 

wankel, hachelijk. 
precaution [pri'kDiJsn] voorzorg, 

voorzorgsmaatregel . 
precautionary [pri'koijanari] voor- 

zorgs-. 
precede [pri'siid] voorafgaan, gaan 

voor; vooraf laten gaan. 
precedence [pri'siidans] voorrang. 
precedent ['presidant] precedent o. 
precept ['pri:sept] voorschrift o, stel- 

regel, bevel (schrift) o. 
preceptor [pri'septa] (leer)meester. 
precinct ['pri:sir]kt] grens; gebied o. 
precious ['prejas] kostbaar; dierbaar; 

edel [metalen]; kostelijk; geducht; 

verbazend; '~ stones, edelstenen. 



precipice 



211 



preliminary 



precipice ['presipis] steilte; jig af- 

grond. 
precipitance, '-^cy [pri'sipit3ns(i)] 

overhaasting, overijling. 
precipitate [pri'sipitit] neerslag; aj 

steil; overhaast, haastig; overijld, 

onbezonnen; [pri'sipiteit] vt (neer)- 

storten; (neer)werpen; aandrijven; 

(o)verhaasten, bespoedigen; (doen) 

neerslaan. 
precipitation [prisipi'teijan] neer- 

storting; overhaasting, haast, over- 

ijljng. 
precipitous [pri'sipitas] steil; over- 
ijld, overhaast. 
precise [pri'sais] nauwkeurig, juist; 

stipt, nauwgezet; precies. 
precision [pri'si33n] nauwkeurigheid, 

juistheid, precisie. 
preclude [pri'klu:d] uitsluiten; de pas 

afsnijden, voorkomen, verhinderen, 

beletten. 
precocious [pri'koujss] vroeg(rijp), 

vroeg wijs, wijsneuzig. 
precocity [pri'kositi] vroegrijpheid. 
precursor [pri'kaiss] voorloper. 
predatory ['predatsri] rovend, roof- 

zuchtig; rovers-, roof-. 
predecessor ['pri:dises3, pri;di'ses3] 

( ambts ) voorganger. 
predestine [pri'destin] voorbestem- 

men, voorbeschikken. 
predetermine ['pri:di't3:min] vooraf 

bepalen; vooraf vaststellen; voorbe- 
schikken. 
predicament [pri'diksmant] staat, toe- 
stand; (kritiek) geval o. 
predicate ['predikit] (toegekend) pre- 

dikaat o\ (grammaticaal) gezegde o. 
predict [pri'dikt] voorspellen. 
prediction [pri'dikjsn] voorspelling. 
predilection [pri:di'lekj'3n] voorlief- 

de, voorkeur. 
predisposition ['priidisps'zijan] vat- 

baarheid, ontvankelijkheid. 
predominance [pri'dDminsns] over- 

heersing, overhand, overwicht o, 

heerschappij. 
predominant [pri'dDminsnt] over- 



heersend; ^-'ly, overwegend. 
predominate [pri'dDmineit] overheer- 

sen, op de voorgrond treden. 
pre-eminence [pri'eminans] voorrang, 

superioriteit. 
pre-eminent [pri'eminsnt] uitmun- 

tend, uitstekend, voortreffelijk; — ly, 

bij uitstek. 
pre-fab [pri:'fsb] montagewooing. 
pre-fabricate [pri/fsbrikeit] prefabri- 

ceren: vooraf de onderdelen ver- 

vaardigen van; ~-^ house, montage- 

woning. 
preface ['prefis] voorrede, voorbericht 

o\ inleiding; vt inleiden, laten voor- 

afgaan; voorafgaan aan. 
prefatory ['prefatari] voorafgaand, 

inleidend. 
prefer [pri'fa:] verkiezen, de voorkeur 

geven (boven, to, before of above) 

verheffen, bevorderen (tot, to) 

voordragen, indienen; — red, ook 

preferent. 
preferable ['prefsrsbl] te verkiezen 

(boven, to). 
preferably E'prefarabli] bij voorkeur, 

liefst; — to, liever dan. 
preference ['prefsrans] voorkeur; pre- 

ferentie; — shares, preferente aan- 

delen. 
preferential [pref^'renjal] preferen- 

tieel [v. rechten], voorkeurs-. 
preferment [pri'faimant] bevordering. 
prefix ['pri:fiks] voorvoegsel o; [pri- 

'fiks] vt voorplaatsen, laten voor- 
afgaan. 
pregnant ['pregnant] zwanger; vrucht- 

baar; rijk aan gevolgen; veelzeg- 

gend; pregnant. 
prehistoric ['pri:his't3rik] voorhisto- 

risch. 
prejudice ['predsudis] vooroordeel o; 

schade, nadeel o; vt voorinnemen; 

benadelen, schaden. 
prejudicial [predsu'dijal] nadelig, 

schadelijk. 
prelate ['prelit] prelaat. 
preliminary [pri'liminari] vooraf- 
gaand, inleidend, voor-. 



prelude 



212 



preservation 



prelude ['prelju:d] voorspel o; inlei- 
ding; vt inzetten [met een voor- 
spel]; een inleiding vormen tot. 

premature ['premstjua] ontijdig; 
voorbarig. 

premediate [pri'mediteit] vooraf be- 
ramen (overleggen) ; •^d murder, 
moord met voorbedachten rade. 

premeditation [primedi'teijan] voor- 
bedachtheid, voorafgaand overleg o\ 
with — , met voorbedachten rade. 

premier ['premjs] minister-president; 
aj eerste; voornaamste. 

premises ['premisiz] huis o (en erf), 
gebouw o, zaak. 

premium ['priimjam] prijs; premie; 
at a ' — •, boven pari, hoog, duur; 
met winst; jig opgeld doend. 

premonition [priima'nijsn] (vooraf- 
gaande) waarschuwing. 

preoccupation [priiokju'peijan] be- 
zorgdheid; eerste zorg. 

preoccupied [pri/skjupaid] van eigen 
gedachten vervuld, bezorgd. 

prepaid ['pri:'peid] vooruitbetaald, 
franco. 

preparation [prepa'reijan] voorberei- 
ding, toebereidsel o\ (microscopisch) 
preparaat o, bereiding. 

preparative [pri'pasrativ] voorbereid- 
sel o; aj voorbereidend. 

preparatory [pri'pseratari] voorberei- 
dend; voorafgaand. 

prepare [pri'pea] voorbereiden; (toe)- 
bereiden, klaarmaken; zich voorbe- 
reiden, zich gereedmaken; we are 
— d to, wij zijn bereid... 

prepay ['pri:'pei] vooruitbetalen; fran- 
keren. 

prepayment ['prii'peimsnt] vooruitbe- 
taling; frankering. 

preponderance [pri'pDndsrsns] over- 
wicht 0. 

preponderant [pri'pondarant] over- 
wegend, van overw-egend belang. 

preposition [prepa'zijsn] voorzetsel o. 

prepossess [priips'zes] innemen (voor, 
in favour of; tegen, against)\ be- 
invloeden; a — ing appearance, een 



innemend voorkomen o. 

prepossession [priips'zejan] vooringe- 
nomenheid; vooroordeel o. 

preposterous [pri'postaras] averechts, 
ongerijmd, onzinnig, mal. [o. 

prerogative [pri'rDgativ] (voor)recht 

presage ['presids] voorteken o\ voor- 
gevoel o\ [pri'seids] rt voorspellen; 
een voorgevoel hebben van. 

prescribe [pris'kraib] voorschrijven. 

prescription [pris'kripjan] voor- 
schrift o, recept o. 

prescriptive [pris'kriptiv] verjaard, 
oud [v. recht]. 

presence ['prezans] tegenwoordigheid, 
aanwezigheid; voorkomen o, ver- 
schijning; persoonlijkheid; — of 
mind, tegenwoordigheid van geest. 

present ['prezant] tegenwoordige tijd, 
heden o; geschenk o\ make a person 
a —^ of something, iemand iets ten 
geschenke geven; at ■ — ■, nu, op het 
ogenblik; for the ~, voor het 
ogenblik, momenteel; aj tegenwoor- 
dig, aanwezig; onderhavig; the — 
writer, schrijver dezes; [pri'zent] vt 
presenteren; voorstellen [aan hof of 
publiek] ; aanbieden, voorleggen, in- 
dienen, vertonen; bieden, opleveren; 
begiftigen (met, with); — itself, 
zich voordoen [gelegenheid &]; op- 
komen [gedachte]. 

presentable [pri'zentabl] presentabel, 
toonbaar. 

presentation [prezan'teijan] aanbie- 
ding; indiening [v. stukken]; voor- 
stelling [aan 't hof]; voordracht; on 
— , bij aanbieding, op vertoon. 

presentation copy [prezan'teijankapi] 
presentexemplaar o. 

present-day ['prezantdei] hedendaags, 
tegenwoordig, actueel, modern. 

presentiment [pri'zentimant] voorge- 
voel o. 

presently ['prezantli] aanstonds, da- 
delijk, z6 (meteen), weldra. 

preservation [preza'veijan] bewaring; 
behoeding, behoud o; verduurza- 
ming. 



preserve 



213 



pride 



preserve [pri'z3:v] gereserveerde jacht 
of visserij, wildpark o; fig gebied o, 
terrein o\ — s, conserven; vt behoe- 
den (voor, from), bewaren; inma- 
ken, inleggen, konfijten. 

preside [pri'zaid] voorzitten; preside- 
ren. 

presidency ['prezidansi] president- 
schap o. 

president ['prezidsnt] president, 
voorzitter. 

presidential [prezi'denjsl] presidents-. 

press [pres] pers; drukpers; gedrang 
o, drang; drukte; (kleer)kast; at 
■^, in the — , ter perse; vt (uit-, 
ineen-, op-, samen)persen; drukken 
(op); aandringen; kracht (klem) 
bijzetten; achterheen zitten, besto- 
ken; tot de dienst pressen; vi knel- 
len; (op)dringen [menigte]; pres- 
seren. 

pressing ['presirj] dringend; nijpend, 
dreigend. 

pressure ['preja] drukking; druk; put 
(a) ■ — ■ on, bring — to bear on, 
druk uitoefenen op. 

prestige [pres'tirs] aanzien o, invloed, 
gewicht 0, prestige o. 

presumable [pri'zjuimabl] vermoede- 
lijk. 

presume [pri'zju:m] vermoeden; zich 
inbeelden; — to..., het wagen, de 
vrijheid nemen... 

presuming [pri'zju:mig] verwaand. 

presumption [pri'zAm(p)J'3n] vermoe- 
den o, (ver)onderstelling; aanmati- 
ging, verwaandheid. 

presumptive [pri'zAm(p)tiv] vermoe- 
delijk. 

presumptuous [pri'zAm(p)tju3s] aan- 
matigend, ingebeeld, verwaand. 

presupposition [priiSAps'ziJsn] 
(voor)onderstelling. 

pretence [pri'tens] voorwendsel o, 
schijn; pretentie, aanspraak. 

pretend [pri'tend] voorwenden, voor- 
geven; (ten onrechte) beweren; doen 
alsof; ' — to, zich aanmatigen; aan- 
spraak maken op. 



pretender [pri'tenda] veinzer; (huwe- 
lijks)kandidaat; (kroon)pretendent. 

pretension [pri'tenjan] pretentie, aan- 
spraak; voorwendsel o\ aanmatiging. 

pretentious [pri'tenjas] pretentieus. 

preterit(e) ['pretarit] verleden (tijd). 

pretext ['pri:tekst] voorwendsel o. 

pretty ['priti] aardig, lief, mooi, 
fraai; tamelijk, vrij. 

prevail [pri'veil] de overhand hebben; 
heersen; ■ — on {upon), overha- 
len, overreden; — ■ wit h, ingang 
vinden bij, vat hebben op. 

prevalent ['prevalant] heersend. 

prevaricate [pri'vcerikeit] uitvluchten 
zoeken, draaien. 

prevent [pri'vent] voorkomen; belet- 
ten, verhoeden, verhinderen. 

prevention [pri'venjan] voorkoming, 
verhoeding; verhindering. 

previous ['priivjas] voorafgaand, vo- 
rig, vroeger; ■ — ■ to..., voor... 

previously ['pri:vjasli] (van) te vo- 
ren, vroeger (al), voor die tijd. 

pre-war ['pri/wa:] vooroorlogs. 

prey [prei] prooi, buit; beast of — , 
roofdier o\ vt — {up)on, plunde- 
ren; azen op; fig knagen aan. 

price [prais] prijs; koers; waarde; vt 
prijzen (voor, at). 

price-current ['praiskArant] prijs- 
courant. 

priceless ['praislis] onschatbaar; kos- 
telijk, heerlijk. 

price-list ['praislist] prijscourant. 

prick [prik] prik, steek, punt; prik- 
kel, stekel; fig knaging, wroeging; 
vt prikken (in), steken; door-, open- 
steken; prikkelen; de sporen geven, 
aansporen; — the ears, de oren 
spitsen. 

prickle ['prikl] prikkel, stekel, doren- 
tje o; vt prikk(el)en, steken. 

prickly ['prikli] stekelig; stoppelig; 
netelig. 

pride [praid] hoogmoed; fierheid, 
trots; luister; vi — oneself on, trots 
zijn op; zich beroemen op, prat gaan 
op. 



priest 



214 



proceed 



priest [pri:st] priester; geestelijke. 
priesthood ['pri:sthud] priesterschap o. 
priestly ['pri:stli] priesterlijk. 
prig [prig] pedant, kwast. 
priggish ['prigij] ingebeeld, pedant. 
prim [prim] gemaakt, stijf, preuts. 
primarily ['praimsrili] in de eerste 

plaats, voornamelijk. 
primary ['praimari] oorspronkelijk; 

eerste, voornaamste, hoofd-; grond-; 

— school, lagere school. 

prime [praim] eerste, voornaamste; 
oorspronkelijk; prima, best; in the 

— oj life, in de bloei der jaren. 
primer ['praima] boek o voor begin- 
ners, eerste beginselenboekje o. 

primeval [prai'mi:vl] eerste, oer-. 

primitive ['primitiv] oorspronkelijk, 
oudste, oer-; primitief. 

primordial [prai'mD:di3l] eerste, oud- 
ste, oorspronkelijk, oer-. 

primrose ['primrouz], primula ['prim- 
jub] sleutelbloem. 

prince [prins] vorst, prins; ■ — ■ royal, 
kroonprios. 

princely ['prinsli] prinselijk, vorste- 
lijk. 

princess [prin'ses, 'prinses] prinses, 
vorstin. 

principal ['prinsipsl] hoofd o, chef, 
patroon; directeur [v. school] ;hoofd- 
persoon, lastgever, principaal; hoofd- 
som; aj voornaamste, hoofd-. 

principality [prinsi'paeliti] vorstelijke 
waardigheid; vorstendom o. 

principally ['prinsipali] hoofdzakelijk, 
voornamelijk. 

principle ['prinsipl] beginsel o\ oor- 
sprong; bestanddeel o; principe o\ 
on ■ — •, uit principe; principieel. 

print [print] merk o, teken o, spoor 
o\ stempel o Si m, afdruk; plaat, 
prent; a book out of — , uitver- 
kocht; vt drukken, bedrukken; in- 
prenten; --^ed matter, drukwerk o. 

printer ['prints] drukker. 

printing-office ['printirjofis] drukke- 
nJ-_ 

printing-press ['printirjpres] druk- 



pers. 
prior ['praia] prior; aj vroeger, ou- 

der, voorafgaand; ■ — ■ to..., voor, 

voordat... 
priority [prai'Driti] prioriteit, voor- 

rang. 
prism [prizm] prisma o. 
prismatic [priz'msetik] prismatisch. 
prison ['prizn] gevangenis. 
prisoner ['prizna] gevangene; arres- 

tant, (de) verdachte; — of war, 

krijgsgevangene. 
privacy ['privasi] afzondering, een- 

zaamheid; stilte, geheimhouding. 
private ['praivit] (gewoon) soldaat; 

aj privaat, prive, eigen; geheim, 

heimelijk; vertrouv/elijk; onder- 

hands; particulier, persoonlijk; ge- 
woon [soldaat]. 
privateer [praiva'tia] kaper, kaper- 

schip o\ vl ter kaap varen. 
privation [prai'veijan] ontbering, ge- 

brek o, gemis o. 
privilege ['privilids] privilegie o; 

voorrecht o\ vt bevoorrechten; vrij 

stellen (van, from). 
privy ['privi] geheim, verborgen. 
prize [praiz] prijs; beloning; buit; aj 

bekroond; vt op prijs stellen, schat- 

ten; prijs maken [schip]; — open 

{up), openbreken. 
prize-fight ['praizfait] bokspartij. 
prize-fighter ['praizfaita] bokser. 
pro [prou] pro, voor; the — s and 

cons, het voor en tegen. 
probability [proba'biliti] waarschijn- 

lijkheid. 
probable ['prababl] waarschijnlijk, 

vermoedelijk; aannemelijk. 
probation [pra'beijan] proef, onder- 

zoek o; proeftijd. 
probe [proub] peilen, onderzoeken. 
probity ['prabiti] eerlijkheid. 
problem ['prablim] vraagstuk o. 
proboscis [pra'basis] snuit. 
procedure [pra'siidja] werkwijze, 

handelwijze, procedure. 
proceed [pra'si:d] voortgaan, verder 

gaan; vervolgen; gaan, zich bege- 



proceeding 2 1 5 



profuse 



ven; voortkomen; te werk gaan; 
de weg van rechten inslaan (tegen, 
against). 

proceeding [pra'siidir)] handelwijze; 
handeling, maatregel; institute legal 
'~j, take '-~'S, een actie (vervol- 
ging) instellen. 

proceeds ['prousi:dz] opbrengst, 
provenu o. 

process ['prouses] voortgang; verloop 
0, loop; handeling; werkwijze, pro- 
cede o; proces o; vt bewerken; ver- 
duurzamen. 

procession [prs'sejan] stoet, omgang, 
optocht; processie. 

proclaim [pra'kleim] afkondigen; ver- 
kondigen; uitroepen tot [koning&]; 
proclameren. 

proclamation [pnkla'meijan] procla- 
matie; afkondiging; verkondiging. 

procrastination [proukrassti'neifsn] 
uitstel o. 

procreation [proukri'eijsn] voort- 
brenging, voortplanting. 

procuration [prDkju'reiJan] verschaf- 
fing, bezorging, verkrijging; vol- 
macht, procuratie. 

procure [pra'kjua] (zich) verschaffen, 
bezorgen, (ver)krijgen. 

prod [prod] prikkel; priem; por; vt 
prikken, porren. 

prodigal ['prodigal] verkwister; a] 
verkwistend; the ■ — ■ son, de verlo- 
ren zoon. 

prodigality [prDdi'gsliti] verkwis- 
ting; icwastigheid. 

prodigious [pr3'did33s] wonderbaar- 
lijk; verbazend, ontzaglijk. 

prodigy ['prodidsi] wonder o. 

produce ['prodjuis] voortbrengsel o, 
voortbrengselen, produkt o, (land- 
bouw)produkten; opbrengst; colonial 
—', koloniale waren; [pra'djurs] vt 
voortbrengen, produceren, opbren- 
gen, opleveren; teweegbrengen; in 
het licht geven; voor 't voetlicht 
brengen, opvoeren, vertonen; te 
voorschijn halen; aanvoeren, over- 
leggen. 



producer [pra'djuiss] producent. 
product ['pndskt] voortbrengsel o, 

produkt o; fig vrucht. 
production [pra'dAkJan] produktie, 

voortbrenging; voortbrengsel o; 

overlegging [stukken]; vertoning, 

opvoering. 
productive [pra'dAktiv] produktief, 

vruchtbaar; produktie-. 
profanation [prsfa'neijan] ontwijding. 
profane [pra'fein] profaan, on(in)ge- 

wijd; goddeloos; werelds; vt profa- 

neren, ontwijden. 
profess [pra'fes] belijden; betuigen, 

verklaren; uit-, beoefenen. 
professed [pra'fest] verklaard; van be- 

roep, beroeps-; voorgevi^end, be- 

weerd, zogenaamd. 
professedly [pra'fesidli] openlijk; 

ogenschijnlijk. 
profession [pra'fejan] (openlijke) be- 

lijdenis, betuiging; verklaring; kloos- 

tergelofte; beroep o, stand; by — , 

van beroep, beroeps-. 
professional [pra'fejanal] vakman, be- 

roepsspeler; aj vak-, beroeps-, 

ambts-; van beroep. 
professor [pra'fesa] hoogleraar; pro- 
fessor. 
proffer ['prDfa] toesteken, aanbieden. 
proficiency [pra'fijansi] vaardigheid, 

bedrevenheid, kundigheid. 
proficient [pra'fijant] vaardig, bedre- 

ven, knap (in zijn vak). 
profile ['proufil] profiel o. 
profit ['profit] voordeel o, winst, nut 

o\ baat; ,*; a — , met winst; vt voor- 
deel afwerpen voor, baten; helpen; 

vi profiteren (van, by). 
profitable ['profitabl] winstgevend, 

voordelig, nuttig. 
profiteer [profi'tia] profiteur; vi on- 

geoorloofde winst maken. 
profligate ['profligit] losbol; aj los- 

bandig. 
profound [pra'faund] diep; diepzin- 

nig; grondig, groot; — ly, ook: 

hoogst, zeer. 
profuse [pra'fju:s] kwistig, verkwjs- 



profusion 216 



propagate 



tend; overvloedig, rijk. 
profusion [pr3'fju:33n] overvloed. 
progeny ['piDdgini] nageslacht o, 

kroost o. 
prognostic [prjg'oDstik] voorspellend; 

■ — ' sign (symptom) , voorteken o. 
prognosticate [prDg'oDstikeit] voor- 

spellen. 
prognostication [prognDsti'keiJan] 

voorspelling. 
program(me) ['prougrjem] program- 
ma o, program o. 
progress ['prougres] vordering(en); 

voortgang, vooruitgang; loop(baan); 

gang [v. zaken]; tocht; [pra'gres] 

vi vooruitgaan, vorderen, opschieten. 
progressive [pra'gresiv] voortgaand, 

(geleidelijk) opklimmend, toene- 

mend; vooruitstrevend. 
prohibit [prs'hibit] verbieden. 
prohibition [proui'bijsn] verbod o. 
prohibitive [pro'hibitiv] verbiedend; 

— duties, beschermende (invoer-) 
rechten; • — ■ price, afschrikwekkend 
hoge prijs. 

project ['prsdsekt] ontwerp o, plan o: 

[pr3'd3ekt] vt ontwerpen; projecte- 

ren, ( vooruit)werpen; vi vooruit-, 

uitsteken, uitspringen. 
projectile ['pr3d3ektail] projectiel o. 
projector [prs'djekta] zoeklicht o, 

projectietoestel o. 
proletarian [prouli'tearian] proleta- 

rier; aj proletarisch. 
proletariat [prouli'teariat] proletariaat 

o. 
prolific [pra'lifik] vruchtbaar. 
prolix ['prouliks] wijdlopig, breed- 

sprakig, langdradig. 
prolixity [prou'Iiksiti] wijdlopigheid, 

breedsprakigheid, langdradigheid. 
prologue ['proubg] proloog. 
prolong [pra'brj] verlengen, rekken; 

— ed, ook: langdurig. 
prolongation [proubrj'geij'an] verlen- 

ging- 
promenade [promi'naid] promenade, 
wandeling, wandelplaats; vi wande- 
len; vt rondleiden. 



prominent ['prominant] (voor)uitste- 

kend, hoog(staand); voornaam, 

vooraanstaand, uitstekend. 
promise ['prDmis] belofte; of (great) 

— , veelbelovend; vt beloven; ■ — ■ 

well, veel beloven. 
promising ['promisir]] veelbelovend. 
promissory ['pr^missri] belovend; 

— note, promesse. 
promontory ['prDmantri] voorge- 

bergte o. 
promote [prs'mout] bevorderen; op- 

richten [maatschappij] . 
promotion [pra'moujan] bevorde- 

ring. 
prompt [prompt] vaardig, vlug, 

prompt; contant; vt voorzeggen, 

souffleren; ingeven. inblazen; aan- 

sporen, (aan)drijven. 
prompter ['prompts] souffleur; voor- 

zegger. 
promptitude ['promptitjuid] snelheid, 

vaardigheid, speed; stiptheid. 
promulgate ['promalgeit] afkondigen, 

uitvaardigen; verkondigen. 
promulgation [promsTgeiJan] afkon- 

diging, uitvaardiging; verkondiging. 
prone [proun] gebogen, vooroverlig- 

gend; '-' to, geneigd tot; aanleg 

hebbend voor. 
prong [prDi]] (hooi)vork; tand van 

een vork. 
pronoun ['prounaun] voornaam- 

woord o. 
pronounce [prs'nauns] uitspreken; 

uitspraak doen, verklaren (dat). 
pronouncement [pra'naunsmsnt] uit- 
spraak, verklaring. 
pronunciation [pranAnsi'eiJgn] uit- 
spraak. 
proof [pru:f] bewijs o, blijk o\ proef, 

drukproef; sterktegraad [alcohol]; 

/'« — of, ten bewijze van; aj be- 

proefd, bestand. 
prop [prop] stut, steun; steunpilaar, 

schoor; vt stutten, steunen. 
propaganda [propa'geenda] propa- 
ganda. 
propagate ['prDpsgeit] (zich) voort- 



propagation 



217 



protestant 



planten, verbreiden, verspreiden. 
propagation [prDps'geiJsn] voortplan- 

ting, verbreiding, verspreiding. 
propel Lpra'pel] (voort)drijven, voort- 

stuwen, voortbewegen. 
propeller [pra'peb] voortdrijver; 

schroef. 
propensity [prs'pensiti] neiging. 
proper ['props] eigen; eigenlijk, echt, 

rechtmatig; geschikt, behoorlijk, 

juist, gepast; fatsoenlijk; aangewe- 

zen. 
property E'propati] eigenschap; eigen- 

dom 0, bezit o, bezittingen, land- 

goed o\ properties, rekwisieten; a 

man of — , een grondbezitter. 
prophecy ['prsfisi] voorspelling. 
prophesy ['prsfisai] voorspellen. 
prophet ['profit] profeet. 
prophetic [pra'fetik] profetisch. 
propitious [pra'pijas] genadig; gun- 

stig. 
proportion [prs'poijsn] evenredig- 

heid, verhouding; deel o. 
proportional [prs'poijanal] evenredig, 

geevenredigd (aan, to). 
proposal [prs'pouzl] voorstel o\ 

aanzoek o. 
propose [pra'pouz] voorstellen; opge- 

ven [raadsel]; een dronk instellen 

op; zich voorstellen, van plan zijn; 

'^ to a girl, een meisje ten huwe- 

lijk vragen. 
proposition [propa'zijan] voorstel o\ 

stelling, probleem o; zaak, zaakje o. 
proprietor [pra'praista] eigenaar, 

(grond)bezitter. 
proprietress [prs'praiatris] eigenares. 
propriety [pra'praiati] gepastheid; 

iuistheid; behoorlijkheid, fatsoen o. 
propulsion [pra'pAlJan] voortdrijving, 

voortstuwing, stuwkracht. 
propulsive [pra'pAlsiv] voortdrijvend, 

stuw-. 
prorogation [proura'geijan] verda- 

ging, sluiting. 
prorogue [pra'roug] verdagen, slui- 

ten. 
prosaic(al) [prou'zeiik(l)] prozaisch. 



proscription [pras'kripjan] vogelvrij- 

verklaring, uit-, verbanning. 
prose [prouz] proza o. 
prosecute ['prasikjuit] vervolgen. 
prosecution [prosi'kjuijan] (gerechte- 

lijke) vervolging; voortzetting; uit- 

oefening [v. beroep]; the ~, ook: 

de eiser; counsel jar the ■ — ', (amb- 

tenaar van) het Openbaar Ministe- 

rie. 
prosecutor ['prosikjuita] vervolger, 

eiser; the public — , de Off icier van 

Justitie. 
proselyte ['prosilait] proseliet. 
prospect ['prDspekt] uitzicht o, ver- 

schiet o; vooruitzicht o. 
prospective [pras'pektiv] te verwach- 

ten, aanstaand, toekomstig. 
prospectus [prss'pektas] prospectus a 

Si m. 
prosper ['prospa] voorspoed hebben; 

gedijen, bloeien. 
prosperity [pras'periti] voorspoed, 

welvaart, bloei. 
prosperous ['prasparas] voorspoedig, 

welvarend, bloeiend; gelukkig; gun- 

stig. 
prostrate E'prastrit] uitgestrekt, ne- 

dergeworpen, (terneer)liggend, ver- 

ootmoedigd, uitgeput; [pras'treit] vt 

ter aarde werpen, nederwerpen, in 

het stof doen buigen; vernietigen; 

uitputten. 
prostration [pras'treijan] knieval, 

voetval; nederwerping, diepe ver- 

nedering; verslagenheid; uitputting. 
protect [pra'tekt] beschermen, be- 

schutten, vrijwaren. 
protection [pra'tekjan] bescherming. 
protective [pra'tektiv] beschermend. 
protector [pra'tekta] beschermer. 
protectorate [pra'tektarit] protecto- 

raat o. 
protest [ proutest] protest o; [pra- 

'test] vt (plechtig) verklaren, be- 

tuigen; vi protesteren. 
Protestant ['pratistant] protestant (s). 
protestant ['pratistant] proteste- 

rend(e). 



protestation 



218 



publicize 



protestation [prDtis'teiJan] (plechti- 

ge) verklaring, betuiging, verzeke- 

ring; protest o. 
protocol ['proutak^l] protocol o. 
protract [pra'traskt] verlengen, rek- 

ken; ^~^ed, ook: langdurig. 
protraction [prs'trcekjsn] verlenging; 

getalm o. 
protrude [pra'trurd] (voor)uitsteken. 
protuberance [prs'tjujbarans] uitwas, 

knobbel. 
protuberant [pra'tjuibsrsnt] uitste- 

kend, uitpuilend, gezwollen. 
proud [praud] fier, trots; prachtig. 
prove [pru;v] bewijzen; de proef ne- 

men op; blijken (te zijn). 
provender E'prDvinda] voer o. 
proverb E'prDvab] spreekwoord o. 
proverbial [prs'vaibial] spreekwoor- 

delijk. 
provide [prs'vaid] zorgen voor, be- 

zorgen, verschaffen; voorzien (van, 

with, of) ; voorschrijven, bepalen; 

— against, (zijn voorzorgs)maatre- 

gelen nemen tegen, zorgen voor. 
provided [pra'vaidid] '~ {that), 

mits. 
providence C'prDvidans] voorzorg; zui- 

nigheid; Vrovidence, de Voorzienig- 

heid. 
provident ['prDvidant] voor(uit)- 

ziend, voorzienig; zuinig. 
provider [prs'vaida] verzorger; ver- 

schaffer; leverancier. 
providing [prs'vaidir)] — {that), 

mits. 
province ['pnvins] (win)gewest o; 

provincie; gebied o. 
provincial [prs'vinjsl] provinciaal. 
provision [pr3'vi33n] voorziening; 

voorzorg ( smaatregel ) ; (wets)bepa- 

ling; proviand, voorraad; provisie; 

vt provianderen. 
provisional [pra'vissnal] voorlopig. 
proviso [prs'vaizou] beding o; voor- 

waarde, clausule. 
provocation [prDvs'keiJsn] tarting; 

provocatie; aanleiding. 
provocative [prs'vokstiv] prikkelend; 



provocerend; be — oj, uitlokken, 

(op)wekken. 
provoke [pra'vouk] (op)wekken, uit- 
lokken; prikkelen, tergen, tarten; 

provoceren. 
provoking [prs'voukir)] tergend, tar- 
tend, prikkelend, ergerlijk; lam, 

akelig, vervelend. 
prow [prau] (voor) Steven. 
prowl [praul] rondsluipen. 
prox. [pnks] aanstaand(e), a.s. 
proximate ['proksimit] naast(bij- 

zijnd). 
proximity [pnk'simiti] nabijheid. 
proxy ['praksi] volmacht; gevolmach- 

tigde, procuratiehouder. 
prude [pru:d] preuts iemand. 
prudence ['pruidsns] voorzichtigheid, 

omzichtigheid, beleid o. 
prudent ['pru:d3nt] voorzichtig, om- 

zichtig; beleidvol, verstandig. 
prudential [pru'denjal] wijs, voor- 
zichtig. 
prudery ['pruidsri] preutsheid. 
prudish ['pruidij] preuts. 
prune [pru:n] pruimedant; vt snoei- 

en. 
Prussia ['prAja] Pruisen o. 
Prussian ['prAjan] Pruis; a] Pruisisch. 
pry [prai] giuren, turen, snuffelen. 
psalm [sa:m] psalm. 
pseudonym ['sjuidanim] pseudo- 

niem o. 
pseudonymous [sju'donimss] pseudo- 

niem. 
psychic ['saikik] psychisch, ziel-. 
P. T. O. = please turn over, zie 

ommezijde, z.o.z. 
pub [pAb] herberg, kroeg. 
public E'pAblik] publiek o; a] alge- 

meen, openbaar, publiek; '— house, 

herberg, kroeg. 
publican E'pAblikan] herbergier. 
publication [pAbli'keiJan] openbaar- 

making, afkondiging, bekendmaking; 

publikatie, uitgave. 
publicity [pAb'lisiti] openbaarheid, 

publiciteit, reclame. 
publicize ['pAblisaiz] openbaarheid ge- 



public school 219 



punt 



ven aan, reclame maken voor. 

public school ['pAhliksku:]] (particu- 
liere) opleidingsschool voor de aca- 
demic [in Engeland]; openbare 
school [in Amerika en elders]. 

publish ['pAbliJ] openbaar maken, 
bekendmaken; uitgeven [boek]. 

publisher ['pAbliJa] uitgever. 

puck [pAk] kabouter; rakkertje o. 

pucker ['pAks] kreuken, rimpelen, 
plooien, (zich) fronsen (ook • — ■ tip). 

pudding ['pudig] pudding; beuling. 

puddle ['pAdl] (modder)pias. 

puerile ['pjusraii] kinderachtig. 

puerility [pjua'riliti] kinderachtig- 
heid. 

puff [pAf] windstootje o, 2uchtje o, 
wolkje o\ trekje o [aan pijp]; 
poeierdons; pof [aan japon]; soes; 
reclame; vi opzwellen; blazen, hij- 
gen, puffen; vt op-, uitblazen; re- 
clame maken voor. 

puffy ['pAfi] puffend; opgeblazen; 
gezwollen, bombastisch. 

pug [pAg] mopshond. 

pugilist ['pju:d3ilist] bokser. 

pugilistic [pju:d3i'listik] vuistvech- 
ters-; boks-. 

pugnacious [pAg'neiJas] strijdlustig. 

pugnacity [pAg'naesiti] strijdlust. 

pug-nose ['pAgnouz] mopsneus. 

pull [pul] ruk; trekken o\ trek; roei- 
tocht; teug; // is a hard —^ , het is 
zwaar roeien; het is een hele toer; 
vt rukken, trekken (aan); roeien; 
• — ■ d o w n, neertrekken, omverha- 
len, neerhalen; — off, aftrekken, 
uittrekken, afzetten; — it off, het 
winnen; het klaarspelen; 
through, er bovenop komen (of 
helpen) ; — together, een lijn 
trekken, samenwerken; weer op- 
knappen [een zieke]; ■ — oneself to- 
gether, zich vermannen; — up, stil- 
houden, blijven staan; optrekken; 
uittrekken; bijtrekken [een stoel]; 
— a person up, iem. tot staan 
brengen, tegenhouden, 

pulley ['puli] katrol. 



pulmonary ['pAlmsnari] long-. 
pulp [pAlp] weke massa; merg o\ 

viees o [v. vruchten], moes o, pulp. 
pulpit ['pulpit] kansel, spreekgestoel- 

te 0. 
pulsate [pAl'seit] kloppen [v. hart], 
pulsation [pAl'seiJan] slaan o, (hart)- 

slag. 
pulse [pAls] pols, polsslag; peul- 

vruchten; vt kloppen, slaan. 
pulverize ['pAlvaraiz] fijnstampen, 

fijnwrijven; doen verstuiven; fig 

vermorzelen. 
pumice ['pAmis] puimsteen o Si m. 
pummel ['pAml] beuken, slaan. 
pump [pAmp] pomp; lak-, dans-, 

gj'mnastiekschoen; vt (uit)pompen; 

fig uithoren. 
pumpkin ['pAm(p)kin] pompoen. 
pun [pAo] woordspeling; vi vi'oord- 

spelingen maken (op, o«). 
punch [pAnJ] pons, doorslag; stoot, 

stomp, por; durf, fut; punch 

[drank]; hansworst; Punch and 

Judy, Jan Klaassen en Katrijn; pop- 

penkast; vt pbnsen, (door) slaan, 

knippen [met een gaatje] ; stompen. 
punctilious [pArjk'tiliss] overdreven 

nauwgezet, stipt. 
punctual ['pAijktjual] stipt (op tijd); 

precies, nauwgezet, punctueel. 
punctuality [pAijktju'asIiti] stiptheid, 

nauwgezetheid, punctualiteit. 
punctuate ['pAfjktjueit] interpungeren. 
punctuation [pAgktju'eiJsn] punctua- 

tie; — mark, leesteken o. 
puncture ['pAijktJa] prik, gaatje o, 

lek o [in fietsband]; vt (door)prik- 

ken; a '—'d tire, een lekke band. 
pungency ['pAndsansi] scherpheid. 
pungent ['pAndsant] scherp, bijtend. 
punish ['pAniJ] (af)straffen, kastij- 

den; flink aanspreken [de fles &]. 
punishable ['pAniJsbi] strafbaar. 
punishment ['pAniJmant] straf, af- 

straffing. 
punitive ['pjumitiv] straffend, straf-. 
punt [pAnt] platboomde rivierschuit; 

vt voortbomen. 



puny 



220 



put 



puny ['pju:ni] klein, zwak. 

pup [pAp] zie puppy. 

pupa ['pjuipa] pop [v. insekt]. 

pupil ['pju:pil] oogappel; leerling; 
pupil; — -teacher, kwekeling. 

puppet E'pApit] marionet. 

puppet-show ['pApitJou] poppenkast. 

puppy ['pApi] jonge bond; fig aap, 
kwast, kw'ibus. 

purblind ['p3:blaind] bijziend; kort- 
zichtig. 

purchase ['paitjss] aankoop, (in)- 
koop; verwerving; aangrijpingspunt 
o; hefkracht; spil; vt (aan)kopen. 

pure [pjus] zuiver, rein; louter. 

pure-bred ['pjuabred] rasecht, ras-. 

purgation [pa/geijan] zuivering. 

purgatory ['psigatari] vagevuur o. 

purge [p3:d3] zuivering; purgeer- 
middel o; vt zuiveren, reinigen. 

purification [pjusrifi'keijan] zuive- 
ring, reiniging, loutering. 

purify ['pjuarifai] zuiveren, reinigen, 
louteren. 

Puritan ['pjusritsn] puritein(s). 

purity ['pjusriti] zuiverheid, rein- 
heid. 

purl [p3:I] kabbelen. 

purloin [p3:'bin] kapen, stelen. 

purple ['p3;pl] purper (oj; purpe- 
ren. 

purport ['p3:p3t] inhoud; zin, bete- 
kenis, strekking; bedoeling; [ps:- 
'pD:t] vt voorgeven, beweren; te 
kennen geven, inhouden, behelzen; 
van plan zijn. 

purpose ['p3:p3s] doeleinde o, doel o, 
Gogmerk o\ bedoeling; vastberaden- 
heid; for all practical — s, feite- 
lijk; n — , met opzet; t o the — , 
ter zake (dienend); to good '—, met 
succes; to no — , zonder resultaat, 
tevergeefs; ft zich voornemen, van 
plan zijn. 

purposeful ['p3:p3sful] doelbewust. 

purposely ['p3:p3sli] met opzet. 

purr [ps:] snorren, spinnen [v. kat- 
ten]. 

purse [p3:s] beurs, portemonnaie; bui- 



del; premie; vt samentrekken, fron- 

sen (ook ■— up). 
purser ['p3:s3] administrateur [aan 

boord]. 
purslane ['p3:slin] postelein. 
pursuance [p3'sju;3ns] nastreven o [v. 

plan]; voortzetting; uitvoering; in 

— of, ingevolge. 

pursuant [pa'sjuisnt] — to, overeen- 
komstig, ingevolge. 

pursue [pa'sju:] achtervolgen, vervol- 
gen, voortzetten; najagen; volgen 
[weg, zekere politiek]. 

pursuit [p3'sju;t] achtervolging, ver- 
volging, najaging; streven o (naar, 
of); ■ — s, bezigheden; in ■ — of, ver- 
volgend, uit op. 

purulent ['pjuarubnt] etter(acht)ig. 

purvey [ps/vei] verschaffen, leveren. 

purveyance [p3:'vei3ns] verschaffing; 
leverantie. 

purveyor [psi'veis] verschaffer, leve- 
rancier. 

push [puj] stoot, duw; drang; stuw- 
kracht; energie; at a — , ineens; 
when it came to the — , toen het er 
op aankwam; vt stoten, duwen, 
dringen; drijven (tot, to); schui- 
ven; pousseren [een artikel] ; ■ — ■ 
one' s way, zich een weg banen; ■ — • 
o n, voortduwen; pousseren, voort- 
helpen; aanzetten (tot, to); voort- 
rijden, doormarcheren, verder roei- 
en; --^ t h r o u g h, doorzetten, 
doordrijven, klaarspelen. 

pushing ['pujir]] ondernemend, voort- 
varend, energiek. 

pusillanimous [pju:si'lasnim3s] klein- 
moedig. 

puss [pus] kat, poes; — in hoots, 
de gelaarsde kat. 

pussy ['pusi] poesje o; katje o. 

pustule ['pAstjuil] puistje o, blaartje 
o. 

put [put] zetten, stellen, plaatsen, 
leggen; steken; doen; fig uitdruk- 
ken, zeggen; [een zaak] voorstellen; 

— down, ook: opschrijven, op- 
tekenen; ~- /'/ down to his nerv- 



putrefaction 



221 



quarrel 



ousness, toeschrijven aan; — ;' « an 
appearance, zich (even) vertonen; 
— in a word, een woordje mee- 
spreken, ook een duit in 't zakje 
doen; — in a word for one, een 
goed woordje voor iemand doen; 
'~-' /'/ i 71 1 o Dutch, zeg (vertaal) 
het in het Hollands; '~ ojj, uit- 
stellen; van wal steken; ■ — ' one ojj 
with talk ijair words), met mooie 
praatjes afschepen; — o n jlesh, 
dikker worden; — on to..., (telefo- 
nisch) verbinden met...; be ■ — out, 
van zijn stuk gebracht of boos zijn; 
blijven steken; will you ■ — • tne 
through to...?, wilt u mij (te- 
lefonisch) aansluiten met... ?; he was 
hard {sorely, sadly) — to it, hij 
had het hard te verantwoorden; — 
up, onder dak brengen, logeren; 
vooruit afspreken; — up with, be- 
rusten in, verdragen; V.T. & V.D. 
van put. 
putrefaction [pjuitri'faekjan] (ver)- 
rotting, rotheid. 



putrefy ['pju;trifai] (doen) verrotten, 
rotten. 

putrid ['pju:trid] rottend; (ver)rot, 
bedorven. 

putridity [pju:'triditi] verrotting, rot- 
heid. 

puttee E'pAti] beenwindsel o. 

putty L'pAti] stopverf. 

put-up E'put'Ap] a — job, een door- 
gestoken kaart. 

puzzle E'pAzl] verlegenheid; raadsel 
o; puzzel; vt verlegen maken, ver- 
warren, verbijsteren; ■ — • {oneselj, 
one's brains), piekeren, zich het 
hoofd breken; be ■ — d about (at, 
over), niet weten hoe men het heeft, 
er niets op weten, voor een raadsel 
staan. 

pygmean [pig'miisn] dwergachtig. 

pygmy ['pigmi] pygmee, dwerg. 

pyjamas [ps'dsaimaz] pyjama. 

pyramid ['pirsmid] piramide. 

Pyrenean [pira'niisn] Pyrenees. 

Pyrenees [pira'niiz] Pyreneeen. 



Q 



q [kju:] (de letter) q. 

quack [kwjek] kwakzalver; vi kwa- 

ken. 
quackery ['kwasksri] kwakzalverij. 
quadrangle [kw^'draeggl] vierkant o, 

vierhoek; binnenplaats. 
quadratic [kws'drjetik] vierkant, 

vierkants-. 
quadrille [k(w)3'dril] quadrille. 
quadruped ['kwadruped] viervoetig 

dier o. 
quadruple ['kwodrupl] viervoudig. 
quagmire ['kwasgmaia] moeras o. 
quail [kweil] kwartel; vi de moed 

verliezen, bang worden, versagen. 
quaint [kweint] vreemd, eigenaardig, 

zonderling, bijzonder, ouderwets. 
quake [kweik] beven, sidderen, tril- 

len, schudden. 



Quaker ['krweika] kwaker. 
qualification [kwDlifi'keiJan] be- 

voegdheid; geschiktheid, eigenschap; 

kwalificatie, nadere aanduiding; be- 

perking, wijziging. 
qualified ['kwDlifaid] gerechtigd, ge- 

diplomeerd, bevoegd, geschikt. 
qualify ['kwolifai] bevoegd, bekwaam 

maken; kwalificeren, betitelen; bepa- 

len; wijzigen; matigen; zich bekwa- 

men, examen doen. 
quality ['kwoliti] kwaliteit, (goede) 

hoedanigheid; eigenschap. 
quandary ['kwondsri] verlegenheid. 
quantity ['kwontiti] kwantiteit, hoe- 

veelheid; menigte. 
quarantine ['kwDrantiin] quarantaine. 
quarrel ['kwDral] ruzie, twist; vi 

krakelen, twisten. 



quarrelsome 



222 



quite 



quarrelsome ['kwsralsam] twistziek. 

quarry ['kuori] wild o, prooi; steen- 
groeve. 

quarter ['kwDits] vierde (deal) o, 
kwart o\ kwartier o\ buurt, (stadsj- 
wijk; kwartaal o\ 28 Eng. ponden 
[2.908 hi]; no — /, geen genade!; 
my — s, mijn kwartier o, mijn ver- 
blijf o, mijn kamer; at close — s, 
(van) dichtbij; come to close — s, 
handgemeen worden; jrom a good 
— , uit goede bron; jrovi all '—'S, 
van alle kanten; in certain ■ — s, in 
zekere kringen; vt in vieren (ver)- 
delen; vierendelen; inlrwartieren. 

quarter-day ['kwD'.tsdei] betaaldag. 

quarter-deck ['kwDitsdek] achterdek o. 

quarterly ['kwDitsli] driemaandelijks 
tijdschrift o\ a] driemaandelijks, 
kwartaal-. 

quash [kwDj] onderdrukken [opstand]; 
vernietigen [vonnis]. 

quaver ['kweivs] trillen. 

quay [ki:] kaai, kade. 

queasy ['kwi:zi] misselijk; kieskeurig; 
walglijk. 

queen [kwi;n] koningin; vrouw [in 
't kaartspel]. 

queer ['kwia] wonderlijk, zonderling, 
vreemd, gek, raar; onlekker. 

quell [kwel] onderdrukken, bedwin- 
gen, dempen. 

quench [kwenj] blussen, uitdoven, 
dempen, lessen; afkoelen. 

query ['kwisri] vraag; vraagteken o; 
vt vragen; in twijfel trekken. 

quest [kwest] onderzoek o, onderzoe- 
king; nasporing; in — of, zoeken- 
de naar. 

question ['kwestjsn] vraag, kwestie; 
interpellatie; pijnbank; no ■ — ■ about 
it, er is geen twijfel aan; beyond 
— , zonder twijfel, buiten kijf; 
thafs out of the '--, daar is geen 
sprake van; without — , zon- 
der de minste bedenking; ongetwij- 
feld, onbetwistbaar; vt vragen, on- 
dervragen; betwijfelen. 

questionable ['kwestjsnsbl] twijfel- 



achtig; verdacht; bedenkelijk. 

questioner ['kwestjana] vrager; inter- 
pellant; ondervrager, examinator. 

question-mark ['kwestjanmaik] 
vraagteken o. 

queue [kju:] queue, file, rij; vi in 
de rij staan; — up, in de rij gaan 
staan. 

quibble ['kwibl] spitsvondigheid, chi- 
cane; vi chicaneren. 

quick [kwik] levendig, vlug, scherp, 
snel; levend; — march!, voorwaarts 
mars!; — march {step, time), ge- 
wone pas; be ■ — I, vlug wat!, haast 
je!; to the — , tot op het leven; 
tot in de ziel. 

quicken ['kwikn] verlevendigen; aan- 
moedigen, verhaasten. 

quicklime ['kwiklaim] ongebluste 
kalk. 

quicksand(s) ['kvt'iksaend(z)] drijf- 
zand 0. 

quicksilver ['kwiksilva] kwik(zilver) 
o. 

quick-tempered ['kwik'tempsd] op- 
vliegend. 

quick-witted ['kwik'witid] vlug (van 
begrip), gevat. 

quid [kwid] pruim (tabak); pond o 
sterling. 

quiet E'kwaist] rust, stilte, vrede, 
kalmte; aj rustig, stil, vreedzaam, 
mak; stemmig [japon]; on the — , 
stilletjes; vt kalmeren, stillen; be- 
daren. 

quietness ['kwaistnis] , quietude 
['kwai3tju:d] rust, stilte. 

quill [kwil] schacht; (ganze)pen. 

quilt [kwilt] gewatteerde of gestikte 
deken; vt stikken, watteren. 

quince [krw'ins] Ivwee(peer). 

quinine [kwi'ni:n] kinine. 

quip [kwip] schimpscheut; geestig- 
heid; spitsvondigheid. 

quire ['kwais] boek o [24 vel pa- 
pier]. 

quit [kwit] vrij; — of it, er van af; 
vi weggaan. 

quite [kwait] geheel en al, heel; hele- 



quits 



223 



rail 



maal, volkomen; zeer; bepaald; ~' 

(so), precies, juist. 
quits [kwits] quitte. 
quiver ['kwiva] pijlkoker; trilling; vi 

trillen, beven, sidderen. 
quiz [kwiz] snaak; aardigheid; en- 

quete, vraag; vt voor de gek hou- 

den; begluren; ondervragen. 
quizzical ['kwizikl] spottend; guitig. 
quondam ['kwDndsem] voormalig. 



quota ['kwouta] (aan)deel o; contin- 
gent o. 

quotation [kwou'teijan] aanhaling, 
citaat o; prijs, koers, notering; — 
marks, aanhalingstekens. 

quote [kwout] aanhalen, citeren; op- 
geven, noteren [prijzen], 

quoth [kwouO] zei (ik, hij of zij). 

quotient ['kwoujant] quotient o. 



R 



r [a:] (de letter) r. 

rabbet ['rsebit] sponning. 

rabbi E'rsbai], rabbin ['r£ebin] rab- 

bijn. 
rabbit ['rsebit] konijn o. 
rabble ['rsbl] grauw o, gepeupel o. 
rabid ['rjebid] del; razend, woest. 
rabies ['reibii:z] hondsdolheid. 
race [reis] wedloop, wedren, wed- 

strijd; loop; loopbaan; ras o, ge- 

slacht o; vi rennen. 
race-course ['reisk3:s] renbaan. 
race-horse ['reishD:s] renpaard o. 
rachitis [rae'kaitis] Engelse ziekte. 
racial ['reijal] rassen-, ras-. 
rack [r£ek] pijnbank; rek o, rak o, 

rooster; heugel, tandreep; ruif; 

zwerk o [v. wolken]; vt spannen; 

fig folteren; uitmergelen; — one's 

brains about, zich het hoofd breken 

over. 
racket ['raskit] raket o & v\ leven o, 

kabaal o, herrie; stand the ■ — ', het 

kunnen uithouden; (het gelag) be- 

talen. 
rack-railway ['riEkreilwei] tandrad- 

spoor 0. 
racy ['reisi] (ras)echt; krachtig, geu- 

rig [v. wijn]; sappig, pittig, fris. 
radar ['reida:] radar. 
radiance ['reidigns] (uit)straling, 

glans. 
radiant ['reidisnt] stralend (van, 

with). 



radiate ['reidieit] (af-, uit)stralen. 

radiation [reidi'eijan] (af-, uit-, be)- 
straling. 

radical ['rjedikl] grondwoord o; wor- 
tel [uit getal]; aj radicaal, gron- 
dig; ingeworteld; grond-; wortel-. 

radio ['reidiou] radio. 

radish ['raedij] radijs; black — , ram- 
menas. 

radium ['reidiam] radium o. 

radius ['reidiss] straal; ■~ oj action, 
actieradius, vliegbereik o. 

raft [ra:ft] (hout)vlot o. 

rafter ['raifta] (dak) spar. 

rag [rseg] vod o & v, lomp; lap, lapje 
o; lor o & v; dock, zeil o\ (stu- 
denten)jool; in — s, in lompen ge- 
huld; aan flarden; vt pesten; er 
tussen nemen; vi keet maken. 

ragamuffin ['rsegsmAfin] schooier. 

rage [reids] woede, razernij; rage, 
manie; vi woeden, razen. 

ragged ['rsgid] voddig, gescheurd, 
haveloos; ruw, ongelijk, getand. 

rag-picker ['rasgpiks] voddenraper. 

raid [reid] (vijandelijke) inval, aan- 
val; (roof)tocht, klopjacht; vt een 
inval (aanval) doen, een razzia hou- 
den; plunderen. 

rail [reil] leaning, rasterwerk o, hek 
o\ slagboom; rail, (spoor) staaf; 
■ — -(j), reling; by — , met het (per) 
spoor; vt omrasteren; vi schelden, 
schimpen, smalen. 



railing 



224 



rape 



railing ['reilirj] reling, leuning; ras 
tering, staketsel o, hek o (ook ^ — s) . 

railroad ['reilroudj spoorweg. 

railway ['reilwei] spoorw'eg. 

railway-porter ['reilweipDita] stations- 
kruier. 

raiment ['reimant] kleding, kleed o. 

rain [rein] regen; — or shine, mooi 
weer of niet; vi regenen; vt doen 
(laten) regenen. 

rainbow ['reinbou] regenboog. 

rainy ['reini] regenachtig, regen-. 

raise [reiz] doen rijzen, doen opstaan; 
ophalen; opslaan [de ogen]; optil- 
len; (op)bouwen, verbouwen, fok- 
ken, kweken; verhogen [ook v. 
loon], oprichten, opwekken; verhef- 
fen [stem]; opwerpen, ter sprake 
brengen, maken [bezwaren]; wer- 
ven; opbreken [beleg]; opheffen 
[verbod]; — one's hat to, zijn 
hoed afnemen voor; — a loan, een 
lening uitschrijven; — money, geld 
bijeenbrengen, loskrijgen. 

raisin ['reizn] rozijn. 

rake [reik] losbol; hark, krabber; vt 
harken, rakelen, (bijeen)schrapen; 
af-, doorzoeken. 

rally C'rasli] hereniging, verzameling; 
bijeenkomst; (signaal o tot) ,,verza- 
melen" o; herstel o\ vt & vt zich 
(weer) verzamelen, (zich) vereni- 
gen; zich herstellen. 

ram [riem] ram; vt heien, aan-, in-, 
vaststampen; rammen. 

ramble C'rasmbl] zwerftocht, uitstap- 
je o; vi rondzwerven, (rond)dolen; 
afdwalen [v. onderwerp]; raaskal- 
len, ijlen. 

rambler ['rsembb] zwerver; {crim- 
son) ■ — s, klimrozen. 

ramification [rsemifi'keijsn] vertak- 
king. 

ramify ['rsemifai] (zich) vertakken. 

rammer ['rsms] heiblok o; straat- 
stamper. 

rampant ['rasmpsnt] (dansend en) 
springend, uitgelaten, dartel, weel- 
derig [groei]; toenemend, heersend 



[ziekten]. 

rampart ['rsempait] wal, bolwerk o. 

ramshackle ['raemjjekl] bouwvallig, 
vervallen; rammelend. 

ran [rten] V.T. van run. 

rancid ['rsnsid] ransig, garstig. 

rancour ['raerjka] rancune, wrok; bear 
— , wrok koesteren. 

random ['rasndam] at — , in 't wilde 
weg; lukraak. 

rang [raer]] V.T. van ring. 

range [reinds] rij, reeks, (berg)keten, 
richting; draag^'ijdte; schietbaan; 
(keuken)fornuis o\ bereik o, om- 
vang [v. d. stem]; jig gebied o. 
terrein o\ verscheidenheid; a t short 
■ — •, op korte afstand; within — , 
onder schot; vt rangschikken, orde- 
nen, opstellen, scharen; gaan langs; 
doorlopen; vi zich uitstrekken. rei- 
ken, dragen [geschut] ; varen, lopen 
[in zekere richting]; zwerven; ■ — 
between... and {from... to), varie- 
ren tussen; — with (among), op 
een lijn staan met. 

rank [raerjk] rang, graad, rij, gelid o\ 
stand; the ■ — and file, de minde- 
ren; fig de grote hoop; vt (in het 
gelid) plaatsen; indelen; — 
a m o n g, behoren tot; • — • wit h, 
dezelfde rang hebben als; op een 
lijn stellen (staan) met; aj weel- 
derig [groei]; sterk (smakend of 
riekend); — nonsense, klinkklare 
onzin. 

rankle ['rzerjkl] etteren; fig kankeren, 
knagen. 

ransack ['rsensaek] af-, doorzoeken, 
doorsnuffelen; plunderen [stad]. 

ransom ['rasnsam] losgeld o; afkoop- 
som; bevrijding; vt vrijkopen, af-, 
loskopen; brandschatten. 

rant [raent] oreren, uitvaren. 

rap [ri:p] slag; tik, getik o\ it slaan, 
kloppen, tikken (op). 

rapacious [ra'peijss] roofzuchtig, 
roofgierig; roof-. 

rapacity [rs'pKsiti] roofzucht. 

rape [reip] gewelddadige ontvoering, 



rapid 



225 



razor-strop 



roof; raap-, koolzaad o; vt (ge- 
welddadig) ontvoeren, roven. 

rapid E'raepid] stroomversnelling; aj 
snel, vlug. 

rapidity [rs'piditi] snelheid. 

rapine ['rsepin] roof. 

rapscallion [raeps'kieljan] schurk. 

rapt [raspt] opgetogen, verrukt. 

rapture ['rsptja] verrukking. 

rare [res] dun, ijl; zeldzaam; buiten- 
gewoon (mooi). 

rarefaction [resri'faekjan] verdun- 
ning. 

rarefy ['resrifai] verdunnen, verfijnen. 

rarely ['reali] zelden. 

rarity ['resriti] zeldzaamheid; dun- 
heid, ijlheid. 

rascal ['ra:sk3l] schelm, schurk. 

rascally ['raisksli] schurkachtig, ge- 
meen. 

rash [raej] (huid)uitslag; a] overijld, 
overhaastig; lichtvaardig, roekeloos, 
onbezonnen. 

rasher ['raejs] reepje o, sneetje o 
[spek]. 

rasp [ra:sp] rasp; gekras o\ vt ras- 
pen, (af)schrapen, krassen. 

raspberry ['ra:zb3ri] framboos. 

rat [rset] rat; onderkruiper; — si, on- 
zin!; smell a — , lont ruiken. 

ratchet ['rjetjit] pal. 

rate [reit] tarief o; verhouding; snel- 
heid, vaart, tempo o; prijs, koers, 
maatstaf; klasse; rang; (gemeente)- 
belasting; — oj exchange, (wissel)- 
koers; -— oj interest, rentevoet; — 
oj pay (wages), loonstandaard; a I 
any — , in ieder geval; at the ^— 
oj, met een snelheid van; ten ge- 
tale van; tegen; at the -~ oj 400 
a week, 400 per week; come (u p)- 
o n the '~j, armlastig worden; vt 
aanslaan, (be)rekenen, taxeren, be- 
palen; schatten; vi geschat (gere- 
kend) worden, de rang hebben (van, 
as)\ — at, uitvaren tegen. 

rate-payer ['reitpeis] belastingbetaler. 

rather ['raiSs] eer(der), liever, veel- 
eer; heel wat; nogal, vrij, tamelijk; 

Eng. Zakwrdbk. 11 



Rather!, En of! 
ratification [rtetifi'keijsn] bekrachti- 

ging. 
ratify ['rsetifai] bekrachtigen. 
ratio E'reijiou] verhouding, reden. 
ration ['rsejon] rantsoen o, portie; on 

(ojj) the ■ — ■, op (van, niet op) de 

bon; vt rantsoeneren; zijn (hun) 

rantsoen geven; distribueren [van 

overheidswege] . 
rational ['raejsnl] redelijk, verstandig. 
rationing ['r^Jsnii)] rantsoenering; 

distributie. 
rattan [ras'tsen] rotan o &i m [stof- 

naam]; rotan m [voorwerpsnaam], 

rotting, 
rattle ['riEtl] ratel, rammelaar; gera- 

tel o, gerammel o; reutelen o; vi 

ratelen, rammelen; reutelen; vt doen 

rammelen &; rammelen met &; ze- 

nuwachtig maken. 
rattlesnake ['rstlsneik] ratelslang. 
rattletrap ['rsetltreep] rammelkast. 
rat-trap ['rsettrsep] ratteval. 
raucous ['rDikss] schor, rauw. 
ravage ['rsevids] verw^oesting, plunde- 
ring; vt verwoesten, teisteren, plun- 

deren. 
rave [reiv] ijlen, raaskallen; razen (en 

tieren). 
ravel ['rsevl] rafel; vt uit-, ontrafelen. 
raven ['reivn] raaf; aj ravezwart. 
ravenous ['rsvioas] verslindend, 

vraatzuchtig, uitgehongerd. 
ravine [ra'virn] ravijn o, gleuf, kloof. 
ravish ['rasvij] (ont) roven, wegvoe- 

ren, meeslepen; jig verrukken. 
raw [td:] rauw, guur; ruw, grof; 

groen, onervaren; puur [drank]; '~ 

materials, grondstoffen. 
ray [rei] rog [vis]; straal; vt be-, 

uitstralen (ook '~ jortb) , 
rayon ['reiDn] rayon o Si. m [kunst- 

zijde]. 
raze [reiz] doorhalen, uitwissen; slech- 

ten, met de grond gelijkmaken. 
razor ['reizs] scheermes o\ electric 

— , elektrisch scheerapparaat o. 
razor-strop ['reizastr^p] aanzetriem. 

1& 



re 



226 



recapitulate 



re [ri:] inzake... 

reach [ri;tj] bereik o, omvang, uitge- 

strektheid; vt bereiken; komen tot 

[akkoord]; aanreiken, overhandigen; 

toesteken, uitstrekken [hand]; vi 

reiken, zich uitstrekken. 
react [ri'aekt] reageren, terugwerken. 
reaction [ri'akjan] reactie. 
reactionary [ri'aekjanari] reactionair. 
read [ri:d] vt lezen (in), af-, ople- 

zen; — out, uitlezen; voorlezen; vi 

lezen; studeren; zich laten lezen; 

klinken, luiden; [red] V.T. & V.D. 

van read; ook: belezen. 
readable ['ri:d3bl] leesbaar. 
reader ['ritda] lezer; lezeres; lector; 

leesboek o. 
readily ['redili] dadelijk, gaarne, ge- 

makkelijk; sell -~, gerede aftrek 

vinden. 
reading-book ['ri:dir|buk] leesboek o. 
ready ['redi] bereid, gereed, klaar; be- 

reidwillig; vlug; — cash {money), 

contant geld o; — wit, gevatheid, 

slagvaardigheid; the ■ — , contanten, 

duiten. 
ready-made [redi'meid], ready-to- 
wear ['redits'wea] confectie-. 
real ['rial] wezenlijk, werkelijk, ei- 

genlijk, echt; vast [eigendom]; the 

■ — • article {thing), je ware. 
reality [ri'a^liti] wezenlijkheid, wer- 

kelijkheid. 
realization [rislai'zeijan] verwezenlij- 

king; realisatie; besef o. 
realize ['rislaiz] verwezenlijken; te 

gelde maken; opbrengen[v. prijzen], 

maken [winst] ; beseffen. 
really ['risli] werkelijk, waarlijk, in- 

derdaad, in werkelijkheid, eigenlijk; 

toch. 
realm [relm] koninkrijk o, rijk o. 
ream [ri:m] riem [papier]. 
reap [ri:p] maaien, (in)oogsten. 
reaper ['ri:p3] maaier, oogster; maai- 

machine. 
reaping-hook ['ri:pii]huk] sikkel. 
rear [ria] achterhoede; achterkant; at 

the — of, achter; vt oprichten, op- 



heffen; opbrengen; (,op)kweken, 
fokken, verbouwen; vi steigeren. 

rear-admiral ['ria'rsdmiral] schout- 
bij-nacht. 

rear-guard ['riagard] achterhoede. 

reason ['riizn] rede, redelijkheid, ver- 
stand o; recht o, billijkheid; reden, 
oorzaak, grond; by — of, op grond 
van, ten gevolge van, vanwege, we- 
gens; // stands to — , het spreekt 
vanzelf; vt (be)redeneren, redene- 
ren over; bespreken; — one into 
...ing, overreden of overhalen om... 

reasonable ['riiznabl] redelijk, ver- 
standig, billijk; matig [prijs]. 

reassurance [riis'Jusrsns] nieuwe 
verzekering; geruststelling. 

reassure [riia'Jus] opnieuw verzeke- 
ren; geruststellen. 

rebate [ri'beit] korting. 

rebel ['rebl] oproerling, muiter; rebel; 
aj oproerig, muitend, opstandig; 
[ri'bel] vi muiten, in opstand ko- 
men. 

rebellion [ri'beljsn] oproer o, op- 
stand. 

rebellious [ri'beljas] oproerig, opstan- 
dig, rebellig, weerspannig, hardnek- 
kig [zweer]. 

rebound [ri'baund] terugspringen, af- 
stuiten. 

rebuff [ri'bAf] weigering, afwijzing; 
vt afwijzen. 

rebroadcast ['ri:'bD:dka:st] heruit- 
zending [radio]; vt heruitzenden; 
ook V.T. & V.D. v. rebroadcast. 

rebuke [ri'bju:k] berisping; vt be- 
rispen. 

recalcitrance [ri'kslsitrans] weer- 
spannigheid. 

recalcitrant [ri'kselsitrant] weerspan- 
nig. 

recalcitrate [ri'kaelsitreit] tegenstrib- 
belen, weerspannig zijn, zich ver- 
zetten. 

recall [ri'k3:l] terugroepen; herroepen, 
intrekken, opzeggen [kapitaal] ; her- 
inneren aan; zich herinneren. 

recapitulate [riika'pitjuleit] in 't kort 



recapture 



227 



record 



herhalen, samenvatten. 
recapture ['ri/ksptja] heroveren. 
recast ['ri:'ka:st] opnieuw gieten, om- 

gieten; fig opnieuw bewerken, om- 

werken [boek &]. 
recede [ri'si:d] teruggaan, -wijken. 
receipt [ri'si:t] ontvangst; kwitantie; 

regu o; recept o; be in — oj, 

ontvangen hebben; ontvangen, krij- 

gen, trekken; on ^^ oj, na (bij) 

ontvangst van; vt kwiteren. 
receive [ri'si:v] ontvangen; opvangen; 

krijgen; ondervinden; opnemen; He- 
len. 
receiver [ri'si:v3] ontvanger; heler; 

curator [v. failliete boedel]; klok; 

hoorn [v. telefoon]. 
receiving-set [ri'si:vir)set] ontvangtoe- 

stel o [radio]. 
recent ['ri:snt] onlangs plaats gehad 

hebbend, recent; vers, nieuw, fris, 

laatst. 
recently ['riisntli] onlangs; in de laat- 

ste tijd; as ~ as 1930, in 1950 

nog. 
receptacle [ri'septaki] schuilplaats; 

vergaarbak; depot o & m. 
reception [ri'sepjsn] ontvangst, ont- 

haal o; receptie. 
receptive [ri'septiv] ontvankelijk. 
recess [ri'ses] terugwijking; inham, 

(schuil)hoek, nis, alkoof; opschor- 

ting [v. zaken] ; reces o. 
recipe ['resipi] recept o. 
reciprocal [ri'siprskl] wederzijds, we- 

derkerig. 
reciprocate [ri'siprakeit] vergelden, 

beantwoorden (met, with), (uit)- 

wisselen; iets terug doen. 
recital [ri'saitl] opsomming (der fei- 

ten), verhaal o; voordracht; uitvoe- 

ring. 
recite [ri'sait] opsommen; voordragen, 

opzeggen. 
reckless ['reklis] zorgeloos, roekeloos, 

onbesuisd, vermetel. 
reckon ['rekn] rekenen, tellen; bere- 

kenen; achten, houden voor... 
reckoning ['reknig] rekening; afreke- 



ning; berekening. 
reclaim [ri'kleim] terugeisen; terug- 

roepen; bekeren; terugwinnen; 

droogleggen, ontginnen. 
reclamation [rekb'meijsn] terugvor- 

dering, vordering, eis; reclame, pro- 
test o; (zedelijke) verbetering; 

drooglegging. 
recline [ri'klain] leunen, laten rusten; 

achterover leunen, rusten. 
recluse [ri'klu:s] kluizenaar; aj af- 

gezonderd, eenzaam. 
recognition [reksg'nijan] herkenning; 

erkenning; erkentenis. 
recognize ['rekagnaiz] herkennen; er- 

kennen; inzien. 
recoil [ri'ksil] terugspringen, terug- 

deinzen; teruglopen [kanon]. 
recollect [reks'lekt] zich herinneren. 
recollection [reka'lekjan] herinnering; 

to the best oj my '-^, voor zover 

ik mij herinner. 
recommence ['ri:k3'mens] weer begin- 

nen, hervatten. 
recommend [reka'mend] aanbevelen, 

aanraden. 
recommendation [reksmen'deijan] 

aanbeveling. 
recompense ['rekampens] beloning, 

vergelding, vergoeding, schadeloos- 

stelling; vt (be)lonen; vergelden, 

vergoeden, schadeloos stellen. 
reconcile ['rekansail] verzoenen; over- 

eenbrengen, verenigen (met, with, 

to). 
reconcilement ['reksnsailmant], recon- 
ciliation [reksnsili'eijsn] verzoe- 

ning. 
reconnaissance [ri'kDnissns] verken- 

ning. 
reconnoitre [reks'nDits] verkennen. 
reconquer ['ri/kogka] heroveren, her- 

winnen; weer overwinnen. 
reconstruct ['riiksn'strAkt] weer (op)- 

bouwen; reconstrueren. 
reconstruction E'rirkan'strAkJan] we- 

deropbouw; reconstructie. 
record ['rekDid] aan-, optekening; ge- 

denkschrift o, (historisch) document 



record changer 228 



reduce 



o\ gedenkteken o, getuigenis o & 
v\ staat van dienst; verleden o, straf- 
register o\ record o\ (grammofoon)- 
plaat; — s , archief o, archieven; bear 
— oj, getuigenis afleggen van; be 
on — , opgetekend zijn, te boek 
staan; [ri'ksid] vt aan-, optekenen, 
aangeven, registreren; boekstaven, 
vermelden, verhalen; vastleggen; op- 
nemen [op plaat]; uitbrengen [zijn 
stem]; '—ed music, grammofoon- 
muziek. 

record changer ['rek3:dtjeind33] pla- 
tenwisselaar. 

recorder [ri'kstds] griffier; archivaris; 
registreertoestel o\ blokfluit. 

record library ['rekDidlaibrari] disco- 
theek. 

record office ['rekoidofis] (rijks)- 
archief o. 

record player ['rekoidpleis] platen- 
speler. 

recoup [ri'ku:p] schadeloos stellen, 
vergoeden, goedmaken. 

recourse [ri'kois] toevlucht; regres o. 

recover [ri'kAva] terug-, herkrijgen, 
terugvvdnnen; terugvinden; goedma- 
ken [fout]; (zich) herstellen [v. 
ziekte]; wear bijkomen [uit bezwij- 
ming]. 

recovery [ri'kAvari] terugkrijgen o &; 
herstel o [v. gezondheid]; beyond 
(past) ~-, onherstelbaar, ongenees- 
lijk. _ 

recreation [rekri'eijan] ont-, uit- 
spanning. 

recruit [ri'kru:t] rekruut; vt verster- 
ken; (aan)werven, rekruteren. 

recruitment [ri'kruitmsnt] rekrute- 
ring; versterking. 

rectangle ['rektjerjgl] rechthoek. 

rectangular [rek't^erigjub] rechthoe- 
kig. 

rectification [rektifi'keijsn] rectifica- 
tie, verbetering; hierstel o. 

rectify ['rektifai] rectificeren, verbe- 
teren, herstellen; zuiveren. 

rectitude ['rektitju:d] oprechtheid; 
rechtschapenheid; correctheid. 



rector ['rekta] predikant; pastoor [v. 

parochie]; rector. 
rectory ['rektari] predikantsplaats; 

pastorie; rectorswoning. 
recumbent [ri'kAmbsnt] (achterover) 

liggend; rustend. 
recuperate [ri'kju:p3reit] herstellen. 
recur [ri'ks:] terugkeren, terugkomen; 

zich herhalen; — ring decimal, repe- 

terende breuk. 
recurrence [ri'kArsns] terugkeer, her- 

haling. 
recurrent [ri'kArsnt] (periodiek) te- 

rugkerend, periodiek. 
red [red] rood. 
redden ['redn] rood maken; rood wor- 

den, een kleur krijgen, blozen. 
reddish ['redij] roodachtig, rossig. 
redeem [ri'di:m] loskopen; in-, aflos- 

sen; verlossen; (weer) goedmaken, 

vervullen [belofte]. 
redeemer [ri'diims] bevrijder; the 

Redeerner, de Verlosser, de Heiland. 
redeeming [ri'di:mir)] verlossend; the 

one — feature, het enige lichtpunt. 
redemption [ri'dem(p)j3n] loskoping; 

verlossing; af-, inlossing. 
red-handed ['red'hasndid] in: be caught 

{taken) — , op heter daad betrapt 

worden. 
red-letter ['redlets] ~' day, bijzondere 

of gelukkige dag. 
redolent ['redsbnt] geurig; fig her- 

inneringen wekkend (aan, of). 
redouble [ri'dAbI] (zich) verdubbe- 

len, toenemen, aanwassen. 
redoubt [ri'daut] redoute. 
redoubtable [ri'dautsbl] geducht. 
redress [ri'dres] herstel o\ vt herstel- 
len, verhelpen, goedmaken. 
redskin ['redskin] roodhuid. 
red-tape ['red'teip] rood lint o\ fig 

bureaucratic; aj bureaucratisch. 
reduce [ri'dju:s] ( terug) brengen, her- 

leiden; verminderen; fijnwrijven; 

klein krijgen; '~' by famine, uit- 

hongeren; ■ — ■ to ashes, in de as 

leggen; in — d circumstances, ach- 

teruitgegaan, aan lagerwal. 



reduction 



229 



refund 



reduction [ri'dAkJsn] terugbrenging; 
herleiding; verlaging, verkorting, in- 
krimping, vermindering, afslag, re- 
ductie. 

redundant [ri'd.\nd3nt] overtollig, 
overvloedig. 

reed [ri:d] riet(je) o. 

reef [ri:f] rif o. 

reek [ri:k] damp, rook; stank; w dam- 
pen, roken; ~' oj, rieken naar. 

reel [ri:l] haspel, klos; rol, film- 
(strook); Schotse dans; waggelende 
gang; {straight) ojf the — , zonder 
haperen; vt haspelen, opwinden; vi 
waggelen [als een drookaard]; wan- 
kelen; 7ny brain — s, het duizelt mij. 

re-elect ['ri;i'lekt] herkiezen. 

reeve [ri:v] baljuw; wijfje o van de 
kemphaan. 

refectory [ri'fektsri] rafter. 

refer [ri'fo:] ~ to, verwijzen naar; 
toeschrijven aan; in handen stellen 
van, onderwerpen aan; zich wenden 
tot; raadplegen, naslaan [een boek]; 
zich beroepen op; betrekking heb- 
ben op; zinspelen op; vermelden, 
noemen, spreken over, 't hebben 
over. 

referee [refa'ri:] scheidsrechter; refe- 
rentie [bij sollicitatie]. 

reference ['refarans] verwijzing; zin- 
speling; referentie; referte; 't raad- 
plegen, naslaan [v. boek] ; opdracht; 
betrekking (op, to); itz {with) — 
to, met betrekking tot; book {work) 
of — J . — ■ book {work), naslagboek 
o, -werk o. 

referendum [refs'rendam] referen- 
dum 0. 

refine [ri'fain] raffineren, zuiveren, 
louteren; verfijnen; beschaven. 

refinement [ri'fainmant] raffinage, 
zuivering, loutering; verfijning; be- 
schaving. 

refiner ['ri'faina] raffinadeur. 

refinery [ri'fainsri] raffinaderij. 

reflect [ri'flekt] terugwerpen, weer- 
kaatsen, weerspiegelen; bedenken; 
nadenken; — ■ on, overwegen; aan- 



merking(en) maken op; een blaam 

werpen op; — credit on, tot eer 

strekken. 
reflection [ri'flekjsn] weerkaatsing, af- 

spiegeling; spiegelbeeld o\ overwe- 

ging, gedachte; hatelijkheid; afkeu- 

ring; on {better, further) — , bij 

nader inzien. 
reflective [ri'flektiv] weerkaatsend; 

(na)denkend. 
reflex ['ri;fleks] weerkaatsing; reflex- 

beweging, reflex. 
reflexion, zie reflection. 
reflexive [ri'fleksiv] wederkerend. 
reflux ['rirfUks] eb; a —' of opinion, 

een ommekeer in de openbare me- 

ning. 
reform [ri'f3:m] hervorming; (zede- 

lijke) verbetering; afschaffing [mis- 

bruiken]; vt hervormen; (zedelijk) 

verbeteren, afschaffen [misbruiken]; 

vi zich beteren. 
reformation [refs'meijsn] hervor- 
ming, verbetering. 
reformatory [ri'tbimstsri] verbete- 

ringsgesticht o; aj hervormend, ver- 

beterings-. 
reformer [ri'fDima] hervormer. 
refract [ri'fr^kt] breken [stralen]. 
refractory [ri'fra;kt3ri] weerspannig, 

hardnekkig; vuurvast. 
refrain [ri'frein] refrein o\ vi zich 

bedwingen, zich weerhouden; ■ — ■ 

from, zich onthouden van. 
refresh [ri'frej] verversen, op-, ver- 

frissen, verkwikken. 
refreshment [ri'frejmsnt] verversing, 

op-, verfrissing, verkwikking. 
refreshment room [ri'frejmantrum] 

buffet o, restauratie. 
refrigerate [ri'frid33reit] koel maken, 

verkoelen, koud maken. 
refrigerator [ri'fridssreita] koelvat o\ 

koelkan; ijskast; vrieskamer. 
refuge ['refju:d3] toevlucht, schuil- 

plaats; asiel o; vluchtheuvel. 
refugee [refju/dsi:] vluchteling, uit- 

gewekene. 
refund [ri:'fAnd] terugbetalen. 



refusal 



230 



reiteration 



refusal [ri'fju:z3l] weigering; optie; 
preferentie [op huis &]. 

refuse ['refju:s] uitschot o, afval o & 
m, vuilnis; [ri'fju:z] vt weigeren, 
afwijzen, afslaan. 

refuse collector ['refjuiskalekta] vuil- 
nisauto. 

refutable ['refjutsbl] weerlegbaar. 

refutation [refju'teijsn] weerlegging. 

refute [ri'fju:t] weerleggen. 

regal ['riigal] koninklijk. 

regale [ri'geil] gastmaal o, onthaal o, 
traktatie; vt onthalen, trakteren, 
vergasten (op, with). 

regard [ri'ga:d] aanzien o; achting. 
eerbied; kind — s to you all, met 
vriendelijke groeten; have {pay) ■ — ■ 
to, acht slaan op, rekening houden 
met; in — oj (to), with — to, ten 
aanzien van; without — to, geen 
rekening houdend met; vt aanzien, 
beschouwen, houden voor, achten; 
hoogachten; acht slaan op; betref- 
fen; as — s me, wat mij betreft. 

regarding [ri'ga:dig] betreffende. 

regardless [ri'ga:db's] onoplettend, 
achteloos; — oj, niet lettend op, 
onverschillig voor. 

regatta [ri'gsets] roei-, zeilwedstrijd. 

regency ['ri:d33nsi] regentschap o. 

regenerate [ri'd3en3rit] herboren; 
[ri'dsensreit] vt weder opwekken, 
herscheppen, doen herleven. 

regent ['ri:d33nt] regent, regentes. 

regimen ['redsimen] stelsel o\ leef- 
regel, dieet o. 

regiment ['redsimant] regiment o. 

regimental [redsi'mental] regiments-. 

region ['riidgsn] (land)streek, gewest 
o\ jig gebied o. 

regional C'riidjsnl] regionaal, streek-, 
gewestelijk. 

register ['redsista] register o; lijst; vt 

inschrijven, aantekenen; vastleggen, 

boeken; registreren; aanwijzen 

[thermometer]. 

registrar ['redsistra:] griff ier; ambte- 

naar van de burgerlijke stand. 
registration [redsis'treijan] registratie, 



inschrijving; aantekening [v. brief]. 
registration plate [redsis'treijanpleit] 

kentekenplaat. 
registry ['redsistri] inschrijving; re- 
gister 0, lijst; kantoor o van regi- 
stratie; bureau o van de burgerlijke 

stand. 
regnant ['regnant] regerend, heersend. 
regret [ri'gret] spijt, leedwezen o 

(ook: — s)\ vt betreuren, spijt heb- 

ben van. 
regretful [ri'gretful] vol spijt, treurig 
regrettable [ri'gretabl] betreurens- 

waardig. 
regular ['regjula] regelmatig, gere- 

geld; vast; beroeps-; a — devil, 

hero &, een echte duivel, held; '—s, 

geregelde troepen. 
regularity [regju'lseriti] regelmatig- 

heid, regelmaat, geregeldheid. 
regulate ['regjuleit] reglementeren; 

ordenen, regelen, schikken. 
regulation [regju'leijan] regeling, 

schikking; reglement o; a] regle- 

mentair; model-; dienst-; — j^re, 

gewoon tarief o. 
rehabilitate [ri:(h)a'biliteit] rehabili- 

teren, herstellen. 
rehearsal [ri'ha;sal] herhaling; repe- 

titie; relaas o. 
rehearse [ri'hais] herhalen; opzeggen; 

verhalen; opsommen; repeteren. 
reign [rein] regering, bewind o\ rijk 

o\ vi regeren, heersen. 
reimburse [ri:im'ba:s] vergoeden, te- 

rugbetalen, rembourseren. 
rein [rein] teugel, leidsel o\ vt in- 

houden, intomen, beteugelen (ook: 

reincarnate [ri:in'ka:neit] re'incarneren. 
reindeer ['reindia] rendier o, rendie- 

ren. 
reinforce [riiin'fars] versterken; — d 

concrete, gewapend beton o. 
reinforcement [riiin'faismant] verster- 

king. 
reinsure ['ritin'J'ua] herverzekeren. 
reiterate [ri:'itareit] herhalen. 
reiteration [ri:ita'reij"an] herhaling. 



reject 



231 



remember 



reject [ri'dsekt] verwerpen; afkeuren, 

afwijzen. 
rejection [ri'dsekjan] verwerping; af- 

keuring, afwijzing. 
rejoice [ri'dsois] (zich) verheugen, 

verblijden; be ■ — d, verheugd zijn. 
rejoicing [ri'djDisirj] vreugde, geju- 

bel o, gejuich o, feest o, feesten. 
rejoinder [ri'd33ind3] antwoord o\ 

dupliek. 
rejuvenate [ri'd3u:vineit] verjongen. 
relapse [ri'laeps] (weder)instorting; 

vi terugvallen, (weder) instorten 

[bij ziekte]. 
relate [ri'leit] verhalen; ~- to, in 

verband staan (brengen) met. 
related [ri'ieitid] verwant (aan, met, 

to). 
relation [ri'leijsn] betrekking; rela- 

tie; verwantschap; bloedverwant; 

verhaal o, relaas o\ in — to, met 

betrekking tot. 
relationship [ri'leijanjip] verwant- 
schap, verhouding. 
relative ['rebtiv] (bloed)verwant; aj 

betrekkehjk; ■ — ■ to, betrekking heb- 

bend op; met betrekking tot. 
relax [ri'lseks] verslappen; verzachten; 

(zich) ontspannen. 
relaxation [riljek'seijan] verslapping, 

verzachting; ontspanning. 
relay [ri'lei] verse paarden, jachthon- 

den, enz., ploeg; pleisterplaats; re- 

lais o; vt relayeren. 
relay race [ri'leireis] estafetteloop. 
release [ri'li:s] ontslag o\ vrijlating; 

bevrijding; ontheffing; overdracht; 

vt loslaten; vrijlaten; bevrijden; 

vrijgeven; losmaken; overdragen 

[recht, schuld]; ontslaan, ontheffen. 
relegate ['religeit] verbannen, over- 

plaatsen; verwijzen; verschuiven. 
relent [ri'lent] zich laten vermurwen. 
relentless [ri'lentlis] meedogenloos. 
relevant ['relivsnt] toepasselijk; — 

to, betrekking hebbend op. 
reliability [rilais'bihti] betrouwbaar- 

heid. 
reliable [ri'laiabl] betrouwbaar. 



reliance [ri'laians] vertrouwen o. 

relic E'relik] relikwie; overblijfsel o. 

relief [ri'H:f] verlichting; ondersteu- 
ning, steun; hulp( verlening) ; aflos- 
sing; versterking, ontzet o; reHef o. 

relieve [ri'liiv] verlichten; ontlasten, 
(onder)steunen, helpen; aflossen, 
ontzetten; sterker doen uitkomen. 

religion [ri'lidsan] godsdienst. 

religious [ri'hdsas] godsdienstig, 
godsdienst-; geestelijk, kerkehjk; 
vroom. 

relinquish [ri'lirjkwij] laten varen, 
opgeven; afstand doen van. 

relinquishment [ri'lirjkwijmsnt] laten 
varen o, afstand. 

relish ['relij] smaak; (bij)smaakje o\ 
scheutje o\ kruidensaus; vt zich la- 
ten smaken; smakelijk maken; ge- 
noegen scheppen in; ^^ oj, smaken 
naar. 

reluctance [ri'lAktans] weerzin, tegen- 
zin. 

reluctant [ri'lAktsnt] weerstrevend, 
onwiHig; be {feel) -~ to..., niet 
gaarne..., slechts node... 

reluctantly [ri'Uktantli] met tegen- 
zin, schoorvoetend, node. 

rely [ri'lai] -~ on {upon), zich ver- 
laten, vertrouwen, steunen op. 

remain [ri'mein] overblijfsel o\ rui'ne; 
^-'S, (stoffehjk) overschot o; vi 
blijven; verblijven; overblijven, (er 
op) overschieten. 

remainder [ri'meinda] overschot o, 
restant o\ rest. 

remark [ri'ma:k] op-, aanmerking; vt 
opmerken, bemerken; aanmerken. 

remarkable [ri'maikabl] opmerkehjk, 
merkwaardig. 

remarry ['ri/mseri] hertrouwen. 

remedy ['remidi] (genees)middel o, 
remedie, hulpmiddel o\ rechtsmid- 
del o, verhaal o\ beyond {past) -~-', 
ongeneeslijk, onherstelbaar; vt ver- 
helpen; herstellen; genezen. 

remember [ri'membs] zich herinneren, 
denken aan, gedenken; bedenken; — 
me to him, doe hem mijn groeten. 



remembrance 



232 



reparable 



remembrance [ri'membrsns] herinne- 
ring; aandenken o\ — s, ook: groe- 
ten. 
remind [ri'maind] doen denken, her- 
inneren (aan, o/); that — j' me, 
apropos. 
reminder [ri'mainda] herinnering; 

waarschuwing. 
reminiscence [remi'nisans] herinne- 
ring. 
remiss [ri'mis] nalatig, lui; slap. 
remission [ri'mijan] verflauwing, ver- 
mindering; kwijtschelding, vergiffe- 
nis. 
remit [ri'mit] verzachten, temperen, 
(doen) afnemen; vergeven; kwijt- 
schelden; overmaken, remitteren; uit- 
stellen. 
remittance [ri'mitans] overmaking, 

overgemaakt bedrag o, remise. 
remitter [ri'mita] remittent. 
remnant ['remnant] overblijfsel o, 

overschot o\ restant o. 
remonstrance [ri'mDnstrsns] verma- 

ning, vertoog o; protest o. 

remonstrate [ri'mDnstreit] tegenwer- 

pen, aanvoeren; protesteren, tegen- 

werpingen maken. 

remorse [ri'mDis] wroeging, berouw o. 

remorseless [ri'mD:slis] onbarmhartig, 

meedogenloos. 
remote [ri'mout] afgelegen, ver. 
removable [ri'muivsbl] afneembaar, 

verplaatsbaar; afzetbaar. 
removal [ri'muival] verwijdering, ver- 
plaatsing; verhuizing; wegruiming; 
opheffing; afzetting. 
remove [ri'mu:v] bevordering; graad 
[v. bloedverwantschap] ; he did tiot 
get {he missed) his — , hij ging 
niet over; vt verplaatsen; [in een 
hogere klasse] doen overgaan; ver- 
wijderen, ontslaan, afzetten [hoed 
of ambtenaar], uit de weg ruimen; 
verdrijven; wegnemen; uitwissen; 
overbrengen; verhuizen; be — d, 
overgaan [naar een hogere klasse]. 
remunerate [ri'mjuinareit] (be)lonen, 
vergoeden. 



remuneration [rimjuina'reij'an] belo- 

ning, vergoeding. 
remunerative [ri'mjuinsrativ] (be)- 

lonend. 
renaissance [ri'neisans] herleving; 

renaissance. 
rend [rend] (vaneen)scheuren, ver- 

scheuren. 
render ['renda] (over)geven; terugge- 
ven, vergelden; weergeven, vertol- 
ken, spelen; vertalen; maken; — 
help, hulp verlenen; '--' service, een 
dienst (diensten) bewijzen; '— 
thanks, (zijn) dank betuigen. 
rendezvous ['rondivu:] rendez-vous o, 

(plaats van) samenkomst. 
renegade ['renigeid], renegado [reni- 

'geidou] afvallige. 
renew [ri'nju:] vernieuwen; verlen- 

gen; hervatten. 
renewal [ri'njursl] vernieuwing. 
rennet ['renit] kaasstremsel o; renet 

[appel]. 
renounce [ri'nauns] afstand doen van; 
opgeven, laten varen; verloochenen, 
verzaken. 
renovate ['rensveit] vernieuwen. 
renovation [rens'veijsn] vernieuwing. 
renown [ri'naun] vermaardheid; be- 

roemdheid. 
renowned [ri'naund] vermaard, be- 

roemd. 
rent [rent] scheur; scheuring; huur, 
pacht; vt huren, pachten; verhuren; 
V.T. & V.D. van rend. 
rental ['rentl] huur, pacht. 
renunciation [rinAnsi'eiJsn] verza- 

king; (zelf )verloochening; afstand. 
reorganization ['ri:3;g3nai'zeij3n] re- 

organisatie. 
repair [ri'pes] herstelling, herstel o, 
reparatie; onderhoud o; i n bad 
{good) '~, slecht (goed) onder- 
houden; out oj — , slecht onder- 
houden, in verval; under — , in 
de reparatie, in de maak; vt her- 
stellen; repareren, verstellen; — to, 
zich begeven naar. 
reparable ['repsrabl] herstelbaar. 



reparation 



233 



repugnance 



reparation [reps'reijan] herstelling, 

reparatie, herstel o. 
repartee [repa/ti:] gevat ants\'oord o\ 

quick at ~', slagvaardig. 
repast [ri'pa:st] maal o\ maaltijd. 
repay [ri:'pei] terugbetalen, aflossen; 

betaald zetten, vergelden; (be)lonen. 
repeal [ri'pi:l] herroeping, intrekking; 

vt herroepen, intrekken. 
repeat [ri'pi:t] herhalen, overdoen, na- 

zeggen &; repeteren; opzeggen; over- 

vertellen. 
repeatedly [ri'pi:tidli] herhaaldelijk. 
repel [ri'pel] terugdrijven, afslaan, 

afstoten. 
repellent [ri'pebnt] afstotend. 
repent [ri'pent] berouw hebben 

(over), berouwen. 
repentance [ri'pentsns] berouw o. 
repentant [ri'pentant] berouwvol. 
repercussion [riipa'kAjsn] terugkaat- 

sing; terugslag, reactie. 
repertory ['repatsri] repertoire o. 
repetition [repi'tijan] herhaling, re- 

petitie, opzeggen o [v. les]. 
replace [ri'pleis] terugplaatsen; ver- 

vangen; teruggeven, vergoeden. 
replacement [ri'pleismant] vervan- 

ging; 

replenish [ri'pJeniJ] (wear) vullen. 

replete ['ri'pli:t] vol, verzadigd. 

reply [ri'plai] antwoord o\ make no 
— , geen antwoord geven; vi ant- 
woorden; ■ — ■ to, antwoorden op. 

report [ri'pDit] rapport o, verslag o, 
bericht o; gerucht o [ook =: repu- 
tatie]; knal, schot o\ vt rapporte- 
ren, (zich) melden, berichten, ver- 
slag doen (van), vertellen. 

reporter [ri'pDita] verslaggever. 

repose [ri'pouz] rust; vt laten rus- 
ten, (doen) steunen of leunen; -~ 
on, berusten op. 

repository [ri'pDzitari] bewaarplaats, 
opslagplaats, depot o & ?«. 

reprehend [repri'hend] berispen. 

reprehensible [repri'hensibl] berispe- 
lijk. 

reprehension [repri'henjan] bens- 



ping. 



represent [repri'zent] vertegenwoordi- 

gen; voorstellen. 
representation [reprizen'teijsn] verte- 

genwoordiging; voorstelling; ver- 

toog o, protest o\ jig stap. 
representative [repri'zentstiv] verte- 

genwoordiger; aj representatief, ver- 

tegenwoordigend, typisch. 
repress [ri'pres] onderdrukken; beteu- 

gelen. 
reprieve [ri'pri:v] uitstel o, opschor- 

ting; gratie; vt uitstel, opschorting 

of gratie verlenen. 
reprimand ['reprima:nd] (officiele) 

berisping; vt berispen. 
reprint ['ri:'print] herdruk; [ri:- 

'print] vt herdrukken. 
reprisal [ri'praizsl] weerwraak, re- 

presaille. 
reproach [ri'proutj] verwijt o; schan- 

de; above {beyond) "--, onberispe- 

lijk; vt verwijten. 
reproachable [ri'proutjabl] berispe- 

lijk. 
reproachful [ri'proutjful] verwijtend. 
reprobate ['reprsbit] verworpeling; 

snoodaard; aj verworpen, goddeloos; 

snood. 
reproduce [ri:pr3'dju:s] reproduceren, 

weergeven. 
reproduction [riipra'dAkJan] repro- 

duktie, weergave. 
reproof [ri'prutf] terechtwijzing, be- 
risping. 
reprove [ri'pru:v] terechtwijzen, be- 
rispen. 
reptile ['reptail] kruipend dier o, 

reptiel o. 
reptilian [rep'tilisn] kruipend (diet 

o). 
republic [ri'pAblik] republiek. 
republican [ri'pAblikan] republikein; 

aj republikeins. 
repudiate [ri'pju:dieit] verwerpen, 

verstoten; verloochenen. 
repudiation [ripjuidi'eijan] verwer- 

ping, verstoting; verloochening. 
repugnance [ri'pAgnsns] afkeer, te- 



repuqnant 



234 



resound 



genzin, weerzin. 
repugnant [ri'pAgnsnt] weerzinwek- 

kend, terugstotend; tegenstrijdig 

(met, to). 
repulse [ri'pAls] terugslaan, terugdrij- 

ven; afslaan; afwijzen. 
repulsion [ri'pAlJsn] afstoting; af- 

keer, tegenzin. 
repulsive [ri'pAlsiv] af-, terugstotend; 

weerzinwekkend. 
reputable ['repjutabl] achtenswaardig. 
reputation [repju'teijan] reputatie, 

(goede) naam, roep. 
repute [ri'pjuit] reputatie, (goede) 

naam; by '~, bij gerucht; get 

into — , naam maken; vt houden 

voor; he is ill {well) — d, hij 

heeft een slechte (goede) naam; his 

'-—d father, zijn vermeende vader. 
request [ri'kwest] verzoek o; (na)- 

vraag; in great — , veel gevraagd; 

vt verzoeken (om). 
require [ri'kwaia] (ver)eisen, vorde- 

ren; nodig hebben; behoeven. 
requirement [ri'kwaismant] eis, ver- 

eiste o 8i v; — s, ook: behoeften. 
requisite ['rek^\'izit] vereiste o 8i v\ 

— s, ook: benodigdheden; aj ver- 

eist; nodig. 
requisition [rekwi'zijsn] vordering; 

vt vorderen. 
requital [ri'kwaital] vergelding, belo- 

ning; weerwraak. 
requite [ri'kwait] vergelden, belonen. 
rescind [ri'sind] vernietigen; intrek- 

ken, afschaffen. 
rescue ['reskju:] redding, hulp, ont- 

zet o\ bevrijding; vt redden, ont- 

zetten, bevrijden. 
research [ri'sa.tj"] onderzoek o, onder- 

zoeking, nasporing. 
resemblance [ri'zembbns] gelijkenis, 

overeenkomst (met, to). 
resemble [ri'zembl] gelijken (op). 
resent [ri'zent] kwalijk nemen, zich 

beledigd voelen door. 
resentful [ri'zentful] lichtgeraakt; 

boos; haatdragend. 
resentment [ri'zentmant] boosheid, 



haat, wrok. 
reserve [ri'z3;v] reserve, voorbehoud 

o\ terughoudendheid; reservaat o; 

vt bewaren (voor later), reserve- 

ren, zich voorbehouden; bespreken 

[plaatsen]. 
reside [ri'zaidj wonen, verblijf hou- 
den, zetelen, berusten (bij, in). 
residence ['rezidans] woonplaats, ver- 

blijfplaats, verblijf o\ inwoning; 

(heren)huis o\ take up one's '—, 

zich metterwoon vestigen. 
resident ['rezidant] inwoner; resident; 

aj woonachtig; inwonend. 
resign [ri'zain] afstaan, overlaten; 

neerleggen [ambt]; aftreden, ontslag 

nemen; — oneself, berusten; — 

oneself to..., zich onderwerpen aan 

..., berusten in... 
resignation [rezig'neijsn] berusting, 

gelatenheid; aftreden o, ontslag o, 

afstand [v. troon]. 
resigned [ri'zaind] gelaten. 
resilience [ri'ziljans] veerkracht. 
resilient [ri'ziljant] veerkrachtig. 
resin ['rezin] bars o & m. 
resinous ['rezinas] harsachtig, bars-. 
resist [ri'zist] weerstaan, vv^eerstand 

bieden aan; zich verzetten tegen. 
resistance [ri'zistsns] weerstand, te- 

genstand, verzet o. 
resolute ['rez3l(j)u:t] resoluut, vast- 

beraden. 
resolution [rez3'l(j)u:J'3n] opiossing, 

ontbinding; resolutie; besluit o, be- 

slissing; vastberadenheid. 
resolve [ri'zDlv] besluit o\ vt oplos- 

sen, ontbinden; besluiten; doen be- 

skiiten. 
resolvedly [ri'zDlvidli] vastberaden. 
resonance ['rezanar.s] weerklank. 
itsonar' ['rezanantj weerklinkend. 
resort Lri'z3:t] toevloed; (ontspan- 

nings-, vakantie)oord o, plaats; toe- 

vlucht, hulpmiddel o\ ressort <?; in- 

stantie; vi in: — to, zich begeven 

naar; (geregeld) bezoeken; zijn toe- 

vlucht nemen tot. 
resound [ri'zaund] weftgalmen, weer- 



resource 



235 



retardation 



klinken; — ing, fig ook: klinkend, 
daverend. 

resource [ri'sDis] hulpbron, -middel o, 
redmiddel o, toevlucht, uitweg; — s, 
(geld)middelen. 

resourceful [ri's3:sful] vindingrijk. 

respect [ris'pekt] aanzien o, achting, 
eerbied; opzicht o; i n — oj, ten 
aanzien van; vanwege; w i t h ■ — - 
to, ten opzichte van; have ■ — to, 
betrekking hebben op; give him my 
■ — s, doe hem de groeten; send one s 
■ — s, iemand de complimenten doen, 
laten groeten; vt respecteren, 
(hoog)achten, eerbiedigen; betref- 
fen; as • — s, wat betreft. 

respectability [rispekts'biliti] ach- 
tenswaardigheid, fatsoenlijkheid, fat- 
soen 0. 

respectable [ris'pektabl] achtenswaar- 
dig, (vrij) aanzienlijk, fatsoenlijk, 
net; solide [firma]. 

respectful [ris'pektful] eerbiedig. 

respectfully [ris'pektfali] eerbiedig; 
yours ■ — ', hoogachtend, uw dw. dr. 

respiration [respi'reijan] ademhaling. 

respiratory [ris'paisratsri] adem- 
halings-. 

respire [ris'pais] ademhalen, ademen. 

respite ['respit] uitstel o, schorsing, 
respijt 0. 

resplendent [ris'plendant] glansrijk, 
luisterrijk, schitterend (van, with). 

respond [ris'pDnd] — to, gehoor ge- 
ven aan, reageren op. 

response [ris'pDns] antwoord o\ jig 
weerklank; in ■ — • to, als antwoord 
op; gehoor gevend aan; ingevolge. 

responsibility [rispDnsi'biliti] ver- 
antwoordelijkheid, aansprakelijkheid. 

responsible [ris'pDnsibi] verantwoor- 
delijk, aansprakelijk. 

rest [rest] rust, pauze; rustpunt o, 
steun, steuntje o\ rest; vi rusten, 
uitrusten; blijven; • — ■ on {upon), 
rusten op; steunen, berusten op; it 
— s with you to..., het staat aan u 
om...; vt laten (doen) rusten; steu- 
nen; — ■ oneself, uitrusten. 



restaurant ['restsrDi]] restaurant o. 
restful ['restful] rustig, stil; kalme- 

rend, rustgevend. 
restitution [resti'tjuijan] teruggave, 

vergoeding, herstel o. 
restive ['restiv] koppig, weerspannig; 

ongeduldig, prikkelbaar. 
restless ['restlis] rusteloos, onrustig. 
restoration [rests'reijan] restauratie, 

herstel o; herstelling; teruggave. 
restore [ris'tD:] restaureren, herstel- 

len; teruggeven; terugzetten [op zijn 

plaats]. 
restrain [ris'trein] bedwingen, terug- 

houden, beteugelen, inhouden. 
restraint [ris'treint] dwang, (zelf)- 

bedwang o\ beteugeling, beperking; 

gereserveerdheid; under — , in hech- 

tenis. 
restrict [ris'trikt] beperken, bepalen. 
restriction [ris'trikjan] beperking, be- 

paling; voorbehoud o. 
result [ri'zAlt] gevolg o\ afloop, uit- 

slag, slotsom, resultaat o\ as a — , 

dientengevolge; as a — of, ten ge- 

volge van; vi volgen; ontstaan; 

voortvloeien (uit, from); uitlopen 

(op, in). 
resume [ri'zju:m] hernemen; hervat- 

ten; herkrijgen; resumeren. 
resumption [ri'zAmJan] hervatting. 
resurrection [reza'rekjan] opstanding; 

herleving. 
resuscitate [ri'sAsiteit] uit den dode 

(doen) opstaan, (doen) herleven; 

weer oprakelen. 
retail ['riiteil] kleinhandel; sell {by) 

— , in het klein verkopen; [ri'teil] 

vt in 't klein verkopen, slijten; om- 

standig verhalen; rondvertellen. 
retail dealer ['riiteildiib], retailer 

[ri'teila] kleinhandelaar. 
retain [ri'tein] (be)houden, onthou- 

den; (in dienst) nemen; vasthou- 

den, tegenhouden. 
retaliation [ritasli'eijsn] wedervergel- 

ding, weerwraak, represaille. 
retard [ri'ta:d] vertragen, uitstellen. 
retardation [ritai'deijsn] vertraging; 



reticent 



236 



reverse 



uitstel o. 

reticent ['retissnt] niets loslatend, niet 
erg spraakzaam; achterhoudend, ge- 
sloten. 

retinue ['retinju:] gevolg o. 

retire [ri'tais] terugnemen; pensio- 
neren; (zich) terugtrekken; zijn ont- 
slag nemen, aftreden; uit de zaken 
gaan; naar bed gaan. 

retired [ri'taisd] teruggetrokken; af- 
gezonderd; gepensioneerd; place on 
the — list, pensioneren. 

retirement [ri'taiamsnt] teruggetrok- 
kenheid, afzondering, eenzaamheid; 
ontslag o, pensionering. 

retort [ri'tD:t] retort; vinnig antwoord 
o\ vt vinnig antwoorden. 

retract [ri'traekt] intrekken, terugtrek- 
ken, herroepen. 

retractation [ritrask'teijan] intrek- 
king, herroeping. 

retreat [ri'tri:t] terugtocht; terugtre- 
ding; afzondering; wijkplaats, rust- 
oord o\ vi (zich) terugtrekken. 

retrench [ri'trenj] afsnijden, besnoei- 
en, beperken; verschansen. 

retribution [retri'bjuijan] vergelding. 

retrieval [ri'triivsl] terugvinden o &; 
redding, herstel o. 

retrieve [ri'tri:v] terugvinden, redden 
(uit, jrotn)\ terugbekomen; herstel- 
len; apporteren [v. bond]. 

retroactive [riitrou'sektiv] terugwer- 
kend, van terugwerkende kracht. 

retrograde ['retrougreid] achteruit- 
gaand, teruggaand, achterwaarts; vi 
achteruitgaan, teruggaan. 

retrogression [ritrou'grejan] terug- 
gang, achteruitgang. 

retrospective [ri;trou'spektiv] terug- 
ziend; terugwerkend; ■ — ' view, te- 
rugblik. 

return [ri't3:n] terugkeer, terugkomst, 
terugreis; terugweg; teruggave; te- 
genprestatie; terugzending, vergel- 
ding; opbrengst; winst; opgave; ver- 
slag o\ — s, statistiek, cijfers; many 
happy — J- (of the day), nog vele 
jaren na dezen; by ■ — {of post), 



per ommegaande; a; terug-; re- 
tour-; vi terugkeren; antwoorden; 
vt teruggeven, terugzenden; terug- 
betalen, vergelden; beantwoorden; 
opgeven; uitbrengen; geven [ant- 
woord]; afvaardigen [naar het par- 
lement &] ; ' — ' thanks, zijn dank 
betuigen. 

return ticket [ri't3:ntikit] retour- 
kaartje o. 

return visit [ri'tsinvizit] tegenbezoek 

0. 

reveal [ri'vi:!] onthullen, openbaren. 

reveille [ri'veli] reveille. 

revel ['reval] braspartij, feestelijkheid; 
vi brassen; — in, zich verkneuke- 
len in, genieten van. 

revelation [revi'leijan] openbaring. 

reveller ['revsb] brasser, pretmaker. 

revelry ['revslri] feestvreugde; bras- 
serij. 

revenge [ri'vends] wraak, wraakne- 
ming, wraakzucht; revanche; vt wre- 
ken. 

revengeful [ri'vend3ful] wraakgierig. 

revenue ['revinju:] inkomsten. 

reverberate [ri'vaiboreit] weerkaat- 
sen; weergalmen. 

reverberation [rivaiba'reijsn] weer- 
kaatsing. 

revere [ri'vis] eren, vereren. 

reverence ['revarans] eerbied; ontzag 
o; verering; pieteit; his ■ — ■, zijn 
eerwaarde; saving your ■ — , met uw 
verlof; met permissie; vt eerbiedi- 
gen. 

reverend ['revsrand] eerwaard; eer- 
waardig; the — John Smith, Do- 
minee Smith. 

reverent ['revarsnt], reverential [re- 
va'renjsl] eerbiedig. 

reversal [ri'vaisal] omkering, omme- 
keer, kentering. 

reverse [ri'vais] omgekeerde o, te- 
gendeel o; keerzijde; tegenspoed, te- 
genslag; nederlaag; in — , in omge- 
keerde richting of orde; aj omge- 
keerd, tegengesteld, tegen-; vt om- 
keren. 



revert 



237 



rifle 



revert [ri'vait] terugvallen, -keren, 

-komen (op, to). 
review [ri'vju:] herziening; overzicht 

o\ parade; inspectie; recensie; revue, 

tijdschrift o\ vt overzien; de revue 

laten passeren; in ogenschouw ne- 

men; beoordelen [een boek]. 
revile [ri'vail] smaden, beschimpen. 
revilement [ri'vailmant] smaad; be- 

schimping. 
revise [ri'vaiz] nazien; herzien. 
revision [ri'vi33n] herziening, revisie. 
revival [ri'vaivsl] herleving; reprise 

[v. toneelstuk]. 
revive [ri'vaiv] (doen) herleven; weer 

opwekken, aanwakkeren; weer op- 

voeren of vertonen, in ere herstel- 

len; oprakelen. 
revocation [reva'keijan] herroeping. 
revoke [ri'vouk] herroepen; intrekken; 

niet bekennen [bij 't kaarten]. 
revolt [ri'voult] oproer o, opstand; 

vi in opstand komen; walgen; vt in 

opstand brengen; doen walgen. 
revolting [ri'voultir)] oproerig; weer- 

zinwekkend, stuitend, walgiijk. 
revolution [rev3'I(j)u:J'3n] omloop; 

omwenteling, revolutie; toer [v. mo- 
tor]. 
revolutionary [rev3'l(j)u:j3n3ri] re- 

volutionair. 
revolve [ri'volv] omwentelen, (om)- 

draaien; overdenken; zich wentelen, 

draaien. 
revolver [ri'valva] revolver. 
revue [ri'vju:] (toneel) revue. 
revulsion [ri'vAlJsn] ommekeer. 
reward [ri'wDid] beloning, vergel- 

ding; loon o; vt belonen, vergelden. 
rhetoric ['retarik] retorica, redekunst; 

holle retoriek. 
rheumatic [ru'msetik] reumatisch. 
rheumatism ['ruimstizm] reumatiek. 
Rhine [rain] Rijn. 
rhinoceros [rai'n^ssrss] rinoceros. 
rhododendron [rouds'dendrsn] rodo- 

dendron. 
rhomb [rDm(b)] ruit. 
rhubarb ['ru:ba;b] rabarber. 



rhyme [raim] rijm o; rijmpje o, ver- 
zen; without — or reason, zonder 
slot of zin; zonder reden; vt (laten) 
rijmen. 

rhythm [riGm] ritme o. 

rhythmic(al) ['ri6mik(I)] ritmisch. 

rib [rib] rib; ribbe; vt ribben. 

ribbon ['ribsn] lint o, band o [stof- 
naam], band w [voorwerpsnaam] ; 
hi '-~'S, all to — s, in flarden. 

rice [rais] rijst. 

rich [ritj] rijk (aan. in); machtig 
[voedsel]; vol [stem]; kostelijk 
[idee]. 

riches ['ritjiz] rijkdom. 

richly ['ritjli] rijk(elijk), ten voile. 

rick [rik] hoop, mijt; hooiberg. 

rickets ['rikits] Engelse ziekte. 

rickety ['rikiti] rachitisch; waggelend, 
wankel, wrak, zwak. 

rid [rid] bevrijden, verlossen; — one- 
self of, ook: zich ontdoen van, 
kwijtraken, zich afmaken van. 

rid(ded) ['rid(id)] V.T. & V.D. v. 
rid; be '— of, bevrijd (af) zijn van; 
get ~' of, zie rid oneself of. 

riddance ['ridans] bevrijding, verlos- 

ridden ['ridn] V.D. v. ride. 

riddle ['ridi] raadsel o; zeef; vt ont- 

raadselen; ziften; doorzeven. 
ride [raid] rit; go for a — , een ritje 

gaan maken; vi rijden; vt berijden, 

rijden op. 
rider ['raido] ruiter. 
ridge [rids] (berg) rug, nok; rand. 
ridicule ['ridikju:!] spot, bespotting; 

vt belachelijk (bespottelijk) maken, 

bespotten. 
ridiculous [ri'dikjubs] belachelijk, 

bespottelijk. 
riding-crop ['raidigkrDp] rijzweep. 
Riding-hood ['raidirjhud] Little Red 

~', Roodkapje o. 
rife [raif] be — , heersen; veel voor- 

komen; in omloop zijn [verhaal]; 

' — with, wemelend van. 
riff-raff ['rifrsef] geboefte o. 
rifle ['raifl] buks, geweer o; vt [een 



rifleman 



238 



ritual 



geweerloop] groeven; plunderen, 
leeghalen, wegroven. 

rifleman ['raiflman] scherpschutter; 
jager [militair]. 

rift [rift] spleet, scheur, barst. 

rig [rig] (op)tuigen; inrichten, uit- 
rusten [als...]. 

rigging ['rigirj] uitrusting, tuigage, 
tuig o (ook = plunje), want o. 

right [rait] rechterhand, -kant, -zijde; 
rechtervleugel; recht o\ put {set) 
to — s, in orde brengen (maken); 
by — (j), rechtens; eigenlijk; you 
are (in the) — , u hebt gelijk; o n 
your — , aan uw rechterhand, rechts 
van u; / a the — of, rechts van; a/ 
rechter; rechts; recht, rechtvaardig, 
bilhjk; juist, goed, in orde; echt, 
vi^aar; all ■ — ■/, in orde!, vooruit 
maar!; get ■ — ■, in orde komen 
(brengen); — about... (turn!), 
rechtsomkeert! ; vt overeind zetten; 
in orde maken; recht doen. 

righteous ['raitjss] rechtvaardig, ge- 
recht(ig), rechtschapen. 

rightful ['raitful] rechtvaardig; recht- 
matig. 

right-handed ['rait'h^ndid] rechts. 

rightly ['raitH] rechtvaardig; juist, 
goed; terecht. 

right-thinking ['rait'Girjkir)] welden- 
kend. 

rigid ['ridsid] stijf; streng, star. 

rigorous ['rigsrss] streng, hard. 

rigour ['riga] strengheid, hardheid. 

rill (at) ['ril(it)] beek, beekje o. 

rim [rim] veig [v. wiel]; rand [v. 
kom &] ; montuur o Sc v [w. bril] ; 
vt omranden. 

rime [raim] rijm, rijp. 

rimy ['raimi] met rijp bedekt. 

rind [raind] schors, bast, schil, korst 
[v. kaas], zwoerd o. 

ring [rirj] ring, kring; circus o & 7n, 
arena, renbaan; kliek; combinatie, 
consortium o\ klank, geluid o\ gelui 
o\ there is a ■ — ■, er wordt gebeld; 
give the bell a '~, (aan)bellen; 
three ■ — s for..., driemaal bellen; 



vt ringen; — about (in, round), 
insluiten, omsingelen; vi luiden, 
klinken, weergalmen; bellen; — the 
bell, (aan)bel]en; — at the door, 
aanbellen; ■ — ■ out, weerklinken; 
uitluiden; — one u p, iemand op- 
bellen; — with, weerklinken van. 

ringleader ['rirjliida] belhamel. 

ringlet ['right] ringetje o\ krulletje o. 

rink [rirjk] ijsbaan; kunstijsbaan; rol- 
schaatsenbaan. 

rinse [rins] (om)spoelen. 

riot ['raiat] uitspatting; relletje o, op- 
stootje o; vi zwieren, zwelgen; op- 
roerig worden. 

rioter ['raiata] oproerling; herrie- 
maker. 

riotous ['raiatas] ongebonden, bande- 
loos; (op)roerig. 

rip [rip] openrijten, (los)tornen; los- 
gaan, scheuren; als de bliksem rij- 
den. 

ripe [raip] rijp; belegen [v. wijn &]. 

ripen ['raipan] rijp worden; (doen) 
rijpen. 

ripping ['ripig] fijn, enig, prima. 

ripple ['ripl] rimpelen; murmelen. 

rise [raiz] rijzing, opkomst, oor- 
sprong; helling; opgang [v. d. zon]; 
promotie; stijging; verhoging; give 
— to, aanleiding geven tot; be on 
the — , (voortdurend) stijgen 
[prijzen &]; in opkomst zijn; vi 
(op)rijzen, opstaan; opgaan, opvlie- 
gen [vogels]; stijgen; promotie ma- 
ken; zich verheffen; opsteken 
[wind]; ontspringen [rivier]; voort- 
spruiten (uit, jroni); uiteengaan; — 
to be a..., opklimmen tot... 

risen ['rizn] V.D. van rise. 

risk [risk] gevaar o, risico o & v\ 
take — s, lets riskeren; at your own 
■ — ■ and peril, op eigen risico; vt 
riskeren, wagen. 

risky ['riski] gevaarlijk, gewaagd, 
riskant. 

rite [rait] ritus, kerkgebruik o, plech- 
tigheid. 

ritual ['ritjual] ritueel. 



rival 



239 



root 



rival ['raival] mededinger, medemin- 

naar; aj mededingend, wedijverend; 

vt wedijveren met, op zijde streven. 
rivalry ['raivalri] mededinging, wed- 

ijver, concurrentie. 
river ['rival rivier. 
rivet ['rivit] klinknagel; vt klinken; 

fig vastklinken; boeien [de aan- 

dacht]; richten [de blik]. 
rivulet ['rivjulit] riviertje o, beek. 
roach [rout]'] voorn. 
road [roud] weg, rijweg, straat; rede 

(ook — s); by ■ — ■, per as, per auto; 

te voet; te paard. 
road accident ['roudseksidsnt] ver- 

keersongeval o. 
road bridge ['roudbrids] verkeers- 

brug. 
road-hog ['roudhDg] woest rijder. 
roadstead ['roudsted] rede, ree. 
roadway ['roudwei] rijweg; brugdek o. 
roam [roum] (af-, om-, door)zwer\'en. 
roar [ro:] gebrul o, geloei o, gehuil o, 

gebulder o, geschater o\ vi brullen, 

loeien, huilen, bulderen, rommelen. 
roast [roust] gebraad o; gebraden 

vices o\ aj gebraden; vt braden, 

roost (er) en, branden [koffie]. 
rob [rob] (be)stelen, (be)roven; 

(uit)plunderen. 
robber ['roba] rover, dief. 
robbery ['rsbsri] roof, diefstal. 
robe [roub] toga; (boven)kleed o; 

(dames)robe; (doop)jurk; — s, ga- 

lakostuum o, ambtsgewaad o. 
robin ['robin] roodborstje o. 
robot ['roubot] mechanische mens, au- 

tomaat; — plane, radiografisch be- 

stuurbaar vliegtuig o. 
robust [rou'bASt] sterk, flink, fors. 
rock [rDk] rots, gesteente o; vt schom- 

melen, schudden, wiegen. 
rocket ['rokit] raket, vuurpijl; vi de 

hoogte in schieten, opvliegen, met 

sprongen omhoog gaan. 
rocking-chair ['rokirjtjea] schommel- 

stoel. 
rocking-horse ['rokighDis] hobbel- 

paard o. 



rocky ['rski] rotsachtig, rots-; the 

Rockies, het Rotsgebergte. 
rod [rod] roede, staf, staaf; stang. 
rode [roud] V.T. van ride. 
rodent ['roudsnt] knaagdier o. 
roe [rou] ree; viskuit. 
rogue [roug] schurk, schelm; snaak. 
roguery ['rougari] schelmerij. 
roguish ['rougij] schurkachtig; 

schelms, snaaks. 
roister ['roista] bulderen; snoeven. 
role [roul] rol [toneel]. 
roll [roul] rol, wals; cilinder; (rond) 

broodje o; rollen o\ slingeren o 

[schip]; deining [zee]; (trom)ge- 

roffel o; lijst, register o\ — s, archief 

o\ call the — , appel houden; vt 

roIIen (met), wentelen; oprollen; 

walsen; roffelen op; ~' and pitch, 

slingeren en stampen. 
roll-call ['roulk-Dil] appel o. 
roller ['roula] rol, inktrol; wals; lan- 

ge golf; slingerend schip o. 
roller-blind ['roulablaind] rolgordijn 

o. 
rollicking ['rolikii]] uitgelaten; leuk. 
rolling-mill ['roulir|mil] pletterij. 
rolling-pin ['rouligpin] deegroller, 

rolstok. 
Roman ['roumsn] Romein; a] Ro- 

meins; rooms. 
Roman Catholic ['roumon'kjeSslik] 

rooms-katholiek. 
romance [ra'msens] romance; verzin- 

sel o. 
romantic [ra'masntik] romantisch. 
romp [romp] stoeier, wildebras; stoei- 

partij; vi stoeien, dartelen. 
roof [ru:f] dak o; gewelf o\ the — 

(oj the mouth), het verhemelte; vt 

van een dak voorzien, overwelven. 
rook [ruk] roek; kasteel o [in 't 

schaakspel]. 
room [ru:m, rum] plaats, ruimte; ka- 

mer, zaal; jig reden, aanleiding. 
roomy ['ru:mi] ruim (gebouwd). 
roost [ru:st] rek o, roest; (roest)stok; 

vi gaan zitten; neerstrijken. 
root [ru:t] wortel; strike {take) ■~, 



rope 



240 



rub 



wortel schieten; /'/' wortel schieten; 

geworteld zijn (in, in); ^^ up 

{out), ontwortelen, uitroeien; ■ — ed 

to the spot, als aan de grond ge- 

nageld. 
rope [roup] reep, touw o, koord o 8c 

v\ rist [uien]; vt (vast)binden; om- 

strikken; vangen. 
rope-ladder ['rouplasds] touwladder. 
rope-maker ['roupmeika] touwslager. 
rope-walk ['roupwsik] lijnbaan. 
rope-walker ['roupwDiks] koorddan- 

ser(es). 
rosary ['rouzari] rozenkrans; rosarium 

o. 
rose [rouz] roos; rozet; rozekleur; aj 

roze; V.T. v. rise. 
roseate ['rouziit] rozig, rooskleurig. 
rosemary ['rouzmsri] rosmarijn. 
rosy ['rouzi] rooskleurig; blozend; 

roze(n)-. 
rot [rot] verrotting, rotheid; rot o; 

vuur o [in 't hout]; onzin; talk '--', 

kletsen; vi (ver) rotten. 
rotary ['routari] rondgaand, draai- 

end, draai-, rotatie-. 
rotate [rou'teit] (doen) draaien. 
rotation [rou'teijsn] (om)wenteling; 

afwisseling; by {in) — , volgens 

rooster, om de beurt. 
rotatory ['routatsri] (rond)draaiend. 
rotten ['rotn] (ver) rot, bedorven; be- 

roerd, akelig, snert-; — I'ipe, beurs. 
rotund [rou'tAnd] rond; hoogdravend; 

vol [stem]. 
rough [rAf] ruw, grof, bars, streng; 

onafgewerkt; oneffen; a — copy 

{draught), een k!ad o; vt in: • — it, 

zich er door been slaan. 
roughen ['rAfn] ruw maken (worden). 
roughly ['rAfli] ruw; globaal, zowat, 

ongeveer. 
Roumania [ru'meinja] Roemenie o. 
Roumanian [ru'meinjsn] Roemeen; aj 

Roemeens. 
round [raund] rondte, rondreis; sport 

[v. ladder]; salvo o; aj rood; in 

de rondte; rondom; om (...heen); 

in de omtrek; all ■~, overal; fig 



in alle opzichten; (genoeg) voor 
alien; all the year — , het hele jaar 
door; — about, om... heen; langs 
een omweg; — trip, reis heen en 
terug; rondreis; vt (af)ronden, om- 
ringen; omzeilen; ~- up, bijeendrij- 
ven; omsingelen; oppakken. 

roundabout ['raundabaut] draaimolen; 
ai omlopend; omschrijvend; wijd- 
lopig; a — way, een omweg. 

roundly ['raundli] rond; ronduit. 

round-up ['raund'Ap] omsingeling; 
klopjacht, razzia. 

rouse [rauz] (op)wekken, doen ont- 
waken; op-, aanporren; prikkelen; 
opjagen; ontwaken. 

rousing ['rauzirj] (op)wekkend; be- 
zielend; geestdriftig; kolossaal. 

rout [raut] troep; lawaai o; alge- 
mene vlucht; put to ■ — ■, op de 
vlucht jagen; vt op de vlucht ja- 
gen; omwoelen; vi wroeten. 

route [ru:t] route, weg. 

routine [ru:'ti:n] routine; sleur. 

rove [rouv] (om)zwer\-en. 

rover ['rouva] zwerver; zeeschuimer; 
voortrekker [bij padvinders]. 

row [rou] rij, reeks; roeitochtje o\ 
go for a — , gaan roeien; vi roeien. 

row [rau] kabaal o, herrie, standje o. 

rowdy ['raudi] ruwe kerel, herrie- 
schopper; aj rumoerig. 

rower ['roua] roeier. 

royal ['roial] koninklijk. 

royalty ['nialti] koningschap o; dc 
koninklijke familie, vorstelijke per- 
sonen; tantieme a. 

rub [rAb] wrijving; botsing; moeilijk- 
heid; wederwaardigheid; steek on- 
der water, veeg (uit de pan); vt 
wrijven; inwrijven [smeersel]; boe- 
nen, poetsen; — shoulders {elbows) 
with, in (intiemere) aanraking ko- 
men met; — down, afwrijven, 
boenen; ~ ;'/ i n{to them), — 
things in, iemand eens iets goeds 
zeggen; er telkens weer op terug- 
komen; // will '^ o f f, het zai wel 
slijten. 



rubber 



241 



runner 



rubber ['rAba] rubber, gummi o &. m\ 

robber [whist]. 
rubbish ['rAbiJ] puin o; uitschot o, 

afval o 8i ?n; bocht o 8i m, prullen; 

rommel; — .', klets! 
rubble E'rAbl] puin o\ steenslag o. 
rubric ['ru:brik] rubriek. 
ruby ['ru:bi] robijn o [stofnaam], ro- 

bijn m [voorwerpsnaam]; rode 

puist. 
ruction ['rAkJan] herrie; standje o; 

strubbeling. 
rudd [lAd] ruisvoorn. 
rudder ['lAds] roerblad o\ roer o. 
ruddy ['rAdi] (fris) rood, blozend; 

rossig, ros. 
rude [ru:d] ruw, grof, streng; onbe- 

schaafd; lomp; — things, onbeleefd- 

heden, grofheden. 
rudiment ['ruidimant] grondbeginsel 

o; eerste begin (sel) o. 
rue [ru:] betreuren, berouwen. 
rueful ['ru:ful] treurig, droevig. 
ruff [rAf] geplooide kraag; kemphaan. 
ruffian ['rAfjan] schurk, booswicht; 

aj woest, schurkachtig. 
ruffle [rAfl] fronsel, rimpeling, plooi; 

vt frommelen, fronsen, rimpelen, in 

(door) de war maken; verstoren; 

vt roffelen. 
rug [rAg] reisdeken; (haard)kleedje <?. 
rugged ['rAgid] ruig, ruw; hobbelig; 

grof; hard. 
ruin ['ru:in] ondergang, verderf o, 

ru'ine; puinhoop, puin o\ bring to 

— , bring — on, rui'neren; vt ver- 

woesten, vernielen; rui'neren, te 

gronde richten. 
ruinous ['ruiinas] bouwvallig; verder- 

felijk. 
rule [ru:l] regel; liniaal, duimstok; 

bewind o, heerschappij; as a — ^, in 
. de regel; vt linieren; besturen; be- 

heersen; beslissen; — out, uitslui- 

ten, uitschakelen; vi regeren, heer- 

sen. 
ruler ['ru;b] bestuurder, regeerder, 

heerser; liniaal. 
rum [rAm] rum; aj zonderling, raar. 

Eng. Zakwrdbk, 1% 



rumble ['rAmbl] gerommel o; vi rom- 
melen; — forth {out), opdreunen. 

ruminant ['ruiminant] herkauwend 
(dier o). 

ruminate ['ru:mineit] herkauwen; — 
over {upon), overpeinzen. 

rumination [ru:mi'neij'3n] herkau- 
wing; fig overdenking, gepeins o. 

rummage E'rAmids] rommel; gesnuf- 
fel o, doorzoeking; vt doorsnuffe- 
len, doorzoeken; vi rommelen, snuf- 
felen; — out {up), opschommelen. 

rumour ['ruima] gerucht o, faam; 
■ — ■ has it that..., er loopt een ge- 
rucht dat...; vt (bij gerucht) ver- 
spreiden; uitstrooien; it is — ed that, 
het gerucht gaat dat... 

rumple ['rAmpl] kreuk, vouw; vt ver- 
kreuk(el)en, vouwen, verf romme- 
len, in de war maken. 

rumpsteak E'rAmpsteik] biefstuk. 

run [rAn] loop, aanloop; bestorming 
[v. bank]; toeloop; wedloop, ren; 
reis, rit, tochtje o; traject o; reeks; type 
o; a — of ill-luck, wanbof; a — 
of luck, bof; at a — , op een loopje; 
/' n the long —-, op de (lange) duur; 
vi (hard)lopen, gaan, rijden; in 
omloop zijn, geldig zijn; deserteren; 
rennen; vloeien, stromen; luiden [v. 
tekst]; — cold {mad), koud (gek) 
worden; — low {short), opraken; 
vt laten lopen [treinen &]; drijven, 
besturen, leiden, exploiteren [zaak 
&] ; smokkelen [geweren &] ; — the 
show, de lakens uitdelen; — 
down, omverlopen, -rijden; op- 
sporen; uitputten; fig afbreken, af- 
geven op; • — ' for it, het op een 
lopen zetten; — out, ten einde 
lopen, af lopen [termijn]; opraken 
[voorraad] ; — with, druipen van 
[bloed &]; V.D. van run. 

runaway E'rAnawei] vluchteling; de- 
serteur; aj weggelopen, op hoi 
(zijnd). 

rung [rAf]] sport [v. ladder]; V.D. 
v. ring. 

runner ['rAna] loper: boodschapper; 

16 



runway 



242 



sag 



uitloper; klimboon. 

runway ['rAnwei] startbaan, landings- 
baan [v. vliegtuig]. 

rupture ['lAptJa] breuk; scheuring; vi 
8i vt (ver)breken, (doen) springen. 

rural ['ruarsi] landelijk. 

ruse [ru:z] krijgslist, list. 

rush [taJ] bies; vaart, haast; bestor- 
ming; paniek; stroom, hoop [men- 
sen]; geruis o\ aj in: the — hours, 
de spitsuren; vi (voort) Snellen, ijlen, 
rennen; zich storten; stromen; rui- 
sen; vt losstormen op, bestormen; 
overrompelen; haast maken met. 

rusk [rAsk] beschuit. 



Russia ['rAja] Rusland o. 

Russian ['rAjsn] Rus; aj Russisch. 

rust [lASt] roest; vi (ver)roesten. 

rustic ['rAstik] landman, boer; aj lan- 
delijk, boers; boeren-, land-. 

rustle E'rAsl] geritsel o, geruis o; vi 
ritselen, ruisen. 

rusty ['lASti] roestig; stijf, stram; 
tnr72 ■ — ■, nijdig worden. 

rut [rAt] wagenspoor o, spoor o\ fig 
sleur, routine. 

ruthless ['ru:01is] meedogenloos, on- 
barmhartig. 

rye [rai] rogge. 



s [es] (de letter) s. 

sabbath ['saebaG] sabbat. 

sable ['seibl] sabeldier o\ sabelbont o\ 

aj zwart, donker. 
sabotage ['saebstais] sabotage; vt sa- 

boteren. 
sabre ['seiba] (cavalerie)sabel; vt 

neersabelen. 
saccharine ['stekarain, -i;n] sacharine; 

aj suikerhoudend; fig suikerzoet. 
sack [sask] (grote) zak; plundering; 

give one the ■ — ■, de bons geven; vt 

in zakken doen; de bons geven; ont- 

slaan; plunderen. 
sackcloth ['s£ekkb9] zakkenlinnen o\ 

in — ^ and ashes, in zak en as. 
sacrament ['saekramsnt] sacrament o; 

Avondmaal o [b. d. Protestanten]. 
sacred ['seikrid] heilig, geheiligd, ge- 

wijd, geestelijk, kerk-. 
sacrifice ['saekrifais] offerande, offer 

(?; opoffering; sell at a — , met ver- 

lies verkopen; at the — of..., met 

opoffering van...; vt (op)offeren. 
sacrilege ['saskrilid3] heiligschennis. 
sacrilegious [saekri'li:d33s] (heilig) - 

schennend. 
sacristy ['saekristi] sacristie. 
sad [sjed] droevig, bedroefd; treurig; 



donker. 
sadden ['sasdn] bedroeven, somber 

maken (worden). 
saddle ['ssedl] zadel m of o\ schraag; 

rug-, lendestuk o; vt zadelen; -- 

ivith, opschepen met. 
saddler ['sasdb] zadelmaker. 
sadly ['sasdli] droevig, bedroefd, treu- 
rig; bar, zeer, erg, danig. 
sadness ['saednis] droefheid, treurig- 

heid. 
safe [self] brandkast; provisiekast; aj 

veilig, ongedeerd, gezond en wel 

(ook: ■ — ■ and sound); betrouwbaar; 

solide; zeker. 
safe-conduct ['seif'kandakt] vrijgelei- 

de o. 
safe-deposit [seifdi'pszit] kluis. 
safeguard ['seifga:d] vrijgeleide o\ 

waarborg; bescherming; vt verzeke- 

ren, vrijwaren, waarborgen, bescher- 

men. 
safely ['seifli] veilig, ongedeerd, goed 

(en wel); gerust. 
safety ['seifti] veiligheid. 
saffron ['saefran] saffraan. 
sag [sasg] door-, verzakking; daling; 

vi (door-, in-, ver) zakken, doorbui- 

gen; slap hangen; dalen. 



saga 



243 



sand 



saga ['sa:g3] saga. 

sagacious [sa'geijas] scherpzinnig, 

schrander. 
sagacity [sa'gaesiti] scherpzinnig- 

heid, schranderheid. 
sage [seidg] wijze, wijsgeer; salie; ai 

wijs. 
sago E'seigou] sago. 
said [sed] V.T. & V.D. van say; (bo- 

ven)genoemd, voormeld. 
sail [seil] zeil o\ zeiltocht; (zeil)- 

schip o\ wiek; set ■ — ■, onder zeil 

gaan; {in) full ■ — ■, met voile zeilen; 

vi zeilen; uitzeilen; afvaren; varen; 

stevenen; zweven; vt bevaren, door- 

klieven [het luchtruim]. 
sailcloth E'seilkbO] zeildoek o & m. 
sailer ['seib] zeilschip o; a fast — , 

een snel lopend (stoom)schip o. 
sailing ['seilir)] het zeilen; afvaart; 

— ship, zeilschip o. 
sailor ['seib] matroos, zeeman. 
saint [seint] heilige; aj sint, heilig; 

vt heilig verklaren. 
sainted ['seintid] heilig; zaliger. 
saintlike ['seintlaik], saintly ['seintli] 

als een heilige, heilig, vroom. 
sake [seik] for the '— of, ter wille 

van; for God's ■ — ■, om godswil; for 

your — , voor u. 
salable ['seibbl] verkoopbaar; gewild. 
salad ['sasbd] salade, sla. 
salamander ['sasbmsnds] salamander. 
salary ['ssbri] salaris o, bezoldiging, 

loon o; vt bezoldigen. 
sale [seil] verkoop, veiling; — (j), 

uitverkoop; on (for) — , te koop. 
salesman ['seilzman] verkoper. 
salient ['seilisnt] vooruitspringende 

punt; af (voor)uitspringend, uit- 

stekend; opvallend. 
saliva [ss'laiva] speeksel o. 
sallow ['sselou] waterwilg; aj bleek, 

vaal. 
sally ['s£eli] uitval; (geestige) inval, 

kwinkslag; vi een uitval doen, te 

voorschijn springen. 
salmon ['sseman] zalm. 
saloon [s3'lu:n] zaal, salon. 



salt [sD:lt] zout o; fig geestigheid; 

zeerob; ■ — s, Engels zout o; reuk- 

zout o; aj zout, gezouten; gepeperd 

[rekening]; vt zouten; fig peperen 

[rekening]. 
salt-cellar ['sD:ltseb] zoutvaatje o. 
salt-maker ['sDiltmeiks] zoutzieder. 
saltpetre [sD:lt'pi:t3] salpeter. 
salty ['sDtlti] zout(acht)ig, zilt(ig). 
salutary ['saeljutsri] heilzaam, welda- 

dig, zegenrijk; gezond. 
salutation [saelju'teijan] groet, begroe- 

ting. 
salute [s3'l(j)u:t] groet, begroeting; 

saluut(schot) <?; give the — ■, de 

groet brengen; take the — , de pa- 
rade afnemen; vt (be)groeten; sa- 

lueren. 
salvage ['sslvids] berging; bergloon 

o\ geborgene o\ vt bergen. 
salvation [sasl'veijsn] zaligmaking, za- 

ligheid, redding; Salvation Army, 

Leger o des Heils. 
Salvationist [ssel'veijanist] heilsol- 

daat, heilsoldate. 
salve [sa:v] zalf, balsem; vt insmeren; 

sussen, verzachten, helen; bergen 

[strandgoed]. 
salver ['sselva] presenteerblad o. 
same [seim] zelfde, genoemde; eento- 

nig; all the '~, (geheel) eender; hoe 

dan ook, toch. 
sample ['sa:mpl] staal o, monster o\ 

fig staaltje o\ vt bemonsteren; keu- 

ren, proeven; ondervinden. 
sanatorium [sasna'toiriam] sanatorium 

o. 
sanctify ['s£er)ktifai] heiligen. 
sanctimonious [saerjkti'mounias] 

schijnheilig. 
sanction ['ssrjkjsn] sanctie, goedkeu- 

ring, bekrachtiging; vt wettigen, 

bekrachtigen; goedkeuren. 
sanctity ['s£er]ktiti] heiligheid. 
sanctuary ['sserjktjusri] heiligdom o, 

Allerheiligste o\ asiel o, toevluchts- 

oord o\ [vogel] reservaat o. 
sand [s£end] zand o; zandbank; zand- 

grond; ~-s, zandkorrels, zand o; the 



sandal 



244 



save 



■~j-, het strand; de woestijn. 
sandal ['saendsl] sandaal. 
sandalwood ['sEndalwud] sandelhout 

o. 
sandbag ['ssndbasg] zandzak. 
sand-bank ['s£endb£er)k] zandplaat. 
sand-glass ['s£endgla:s] zandloper. 
sand-paper ['saendpeipa] schuurpa- 

pier o. 
sand-pit ['sandpit] zandgroeve. 
sandstone ['ssendstoun] zandsteen o 

& m. 
sandwich ['ssendwitj"] sandwich [be- 

legd boterhammetje] ; vt leggen, 

plaatscn of schuiven tussen. 
sandy ['sjendi] zandig; rossig. 
sane [sein] gezond [van verstand]; 

verstandig, (goed) bij zijn verstand. 
sang [saerj] V.T. van sing. 
sanguinary ['sEeggwinsri] bloeddor- 

stig; bloedig. 
sanguine ['szeggwin] volbloedig; 

bloedrood, bleed-; jig hoopvol, op- 

timistisch. 
sanitary ['seenitsri] sanitair, gezond- 

heids-, hygienisch. 
sanity ['sseniti] gezondheid, gezond 

verstand o\ toerekenbaarheid. 
sank [s£er)k] V.T. van sink. 
Santa Claus ['ssenta'kbiz] het kerst- 

mannetje. 
sap [saep] (plante)sap o, vocht o\ 

mijngang; vt fig ondermijnen, slo- 

pen. 
sapid ['saspid] smakelijk. 
sapient ['seipisnt] wijs; eigenwijs. 
sapling ['sasplir)] jong boompje o. 
sapper ['saspa] sappeur. 
sapphire ['saefaia] saffier o [stof- 

naam], saffier m [voorwerpsnaam]. 
sappy E'saepi] sappig, saprijk. 
sarcasm ['saikaezm] sarcasme o. 
sarcastic [sa/ksestik] sarcastisch. 
sardine [sa:'di:n] sardine. 
sardonic [sa/danik] sardonisch, bitter. 
sash [ssej] sjerp, ceintuur; raam o, 

schuifraam o. 
sash-window ['siejwindou] schuif- 
raam o. 



sat [saet] V.T. & V.D. v. sit. 
Satan ['seitan] satan. 
Satanic [sa'tasnik] satanisch. 
satchel ['ssetjal] (boeken)tas. 
satellite ['sjetilait] satelliet; — toivn, 

randgemeente. 
satiate ['seijiit] verzadigd, beu (van, 

with); ['seijieit] vt verzadigen. 
satiety [sa'taiati] verzadigdheid; to 

— , tot beu wordens toe. 
satin ['sastin] satijn o\ aj satijnen. 
satire ['ssetaia] satire. 
satiric(al) [sa'tirikfl)] satiriek, heke- 

lend. 
satirize ['saetiraiz] hekelen. 
satisfaction [saetis'faekjan] voldoening; 

in — of, ter voldoening (kwijting) 

van; / o the — oj, naar (ten) ge- 

noegen van. 
satisfactory [sajtis'fcektari] bevredi- 

gend, voldoend. 
satisfy ['sstisfai] voldoen (aan), be- 

vredigen; verzadigen, stillen; be sat- 
isfied that..., overtuigd zijn dat...; 

satisfied with, tevreden over (met). 
saturate ['scetjareit] verzadigen; —d 

u'ith, ook; doortrokken van. 
saturation [sstja'reijan] verzadiging. 
Saturday ['saetadi] zaterdag. 
satyr ['sasta] sater, bosgod. 
sauce [sa;s] saus; brutaliteit; vt sau- 

sen, kruiden; brutaliseren. 
sauce-boat ['sa:sbout] sauskom. 
saucepan ['saispan] steelpan. 
saucer ['sa:sa] schoteltje o, bordje o; 

flying — , vliegende schotel. 
saucy ['sD:si] brutaal. 
sauerkraut ['sauakraut] zuurkool. 
saunter ['sainta] toertje o, drenteling; 

drentelpas; vi slenteren. 
sausage ['sasidsl saucijs, worst. 
sausage-roll ['sasidsroul] saucijze- 

broodje o. 
savage ['saevids] wilde(man); aj 

wild, woest, wreed, onmenselijk, 

beestachtig, gruwelijk. 
savagery ['scevidsri] wild-, woest-. 

wreedheid. 
save [seiv] behalve, uitgezonderd; vt 



saving 



245 



scatter 



redden, zaiig maken; behouden, be- 
waren, behoeden (voor, from); 
(be)sparen. 

saving L'seivir|] behoudens, behalve; 
aj reddend, zaligmakend; spaarzaam, 
zuinig (met, of). 

savings ['seivigz] spaarpenningen, 
spaargeld o, spaargelden. 

savings-bank ['seivirjzbaerjk] spaarbank. 

Saviour ['seivja] Zaligmaker. 

savour ['seiva] smaak, smakelijkheid; 
geur; vi smaken, rieken (naar, of); 
vt smaak vinden in. 

savoury ['seivari] smakelijk, geurig. 

savoy [sa'vDi] savooi(e)kool. 

saw [sd:] gezegde o, spreuk; zaag; 
vt zagen; V.T. v. see. 

sawdust ['s3:dASt] zaagsel o. 

sawn [sD:n] V.D. van saw. 

Saxon C'saeksn] Angelsaks; Saks; a] 
Angelsaksisch; Saksisch. 

Saxony ['saeksani] Saksen o. 

saxophone ['sjeksafoun] saxofoon. 

say [sei] zeggen, opzeggen; never — 
die, geef het nooit op; — the word, 
zeg het maar; 7 — /, ■ — I, zeg eens! 

saying ['seiir)] zeggen o, gezegde o, 
zegswijze; as the ■ — ■ is, zoals men 
(het spreekwoord) zegt. 

scab [skoeb] roof; schurft; onderkrui- 
per [bij staking]. 

scabbard ['skabad] schede. 

scabby ['sksebi] schurftig; armzalig. 

scabies ['skeibii:z] schurft. 

scaffold E'skaefald] steiger; schavot o. 

scaffolding ['skaefaldirj] stellage, stei- 
ger. 

scald [skadd] brandwonde; vt broei- 
en, schroeien. 

scale [skeil] weegschaal; schaal; toon- 
ladder; maatstaf; schilfer, schub; 
aanslag; ketelsteen o Sc m; the '~J 
{a pair of ~'J'), de (een) weeg- 
schaal; turn the ■—', de doorslag 
geven; vt wegen; (met ladders) be- 
klimmen; overklimmen; (af)schilfe- 
ren, schillen, afschubben. 

scaled ['skeild] geschubd, schubbig. 

scaly ['skeili] schubbig; schilferig. 



scamp [skaemp] schelm, deugniet. 
scamper ['skaempa] galopje o, hol- 

letje o; wandelritje o; vi hollen, er 

vandoor gaan. 
scan [sksen] scherp opnemen, onder- 

zoeken; aftasten [bij televisie]. 
scandal ['skaendl] aanstoot; schandaal 

o, schande; laster. 
scandalize ['skasndalaiz] ergernis ge- 
ven; belasteren; be — d, zich erge- 

ren. 
scandal-monger ['ska:ndalmAf)ga] 

kwaadspreker. 
scandalous ['skaendalas] ergerlijk, 

schandeHjk; lasterlijk. 
Scandinavia [skcendi'neivja] Scandi- 

navie o. 
Scandinavian [skffindi'neivjan] Scan- 

dinavier; aj Scandinavisch. 
scant [skaent] gering, schraal, karig 

(met, of); vt krap houden, krap 

toemeten, bekrimpen. 
scanty ['skaenti] krap, schriel, karig, 

dun, gering, schaars, weinig. 
scapegoat ['skeipgout] zondebok. 
scapegrace ['skeipgreis] deugniet. 
scar [ska:] schram; litteken o; vt 

schrammen; vi een litteken vormen, 

dichtgaan [v. wond]. 
scarce [skeas] schaars, zeldzaam. 
scarcely ['skeasli] nauwelijks, ternau- 

wernood; (toch) wel niet; '~ any- 

thing, bijna niets; '^... when..., 

nauwelijks... of... 
scarcity ['skeasiti] schaarste, zeld- 

zaamheid, gebrek o (aan, of). 
scare [skea] plotseHnge schrik, pa- 

niek; vt doen schrikken; afschrik- 

ken; — away, wegjagen. 
scarecrow ['skeakroa] vogelverschrik- 

ker. 
scarf [ska:f] sjerp; das, sjaal. 
scarlatina [ska:Ia'ti:na] roodvonk. 
scarlet ['skadit] scharlakenrood; ■^ 

fever, roodvonk. 
scathe [skeiS] beschadigen, deren, 

terneerslaan, verpletteren. 
scatheless ['skeiSIis] ongedeerd. 
scatter ['skaeta] (ver-, uit)strooien, be- 



scavenger 



246 



Scot 



strooien, (zich) verspreiden, uiteen- 

jagen, verdrijven. 
scavenger ['skaevindsa] straatveger. 
scene [si:n] toneel o, tafereel o; 

scherm o, decor o\ scene. 
scenery ['sirnari] toneeldecoraties; 

(natuur)tonelen, landschap o, na- 

tuurschoon o, natuur. 
scent [sent] reuk, geur; parfum o & 

m\ reukzin; lucht; spoor o\ vt rui- 

ken, de lucht krijgen van; doorgeu- 

ren; parfumeren. 
sceptic E'skeptik] scepticus, twijfelaar; 

a] sceptisch, twijfelend. 
sceptre ['septa] scepter. 
schedule ['jedju:!] cedel, lijst, tabel; 

dienstregeling; rooster, program o\ 

ahead of — , voor zijn tijd, te vroeg; 

behind ^-^ , over tijd, te laat; on --, 

op tijd; vl op de lijst & zetten, 

opnemen, aan-, opgeven, vaststellen. 
Scheldt [skelt] Schelde. 
scheme [ski:m] schema o, ontwerp o, 

schets, plan o, bestel o; vt ontwer- 

pen, beramen; vi plannen maken; in- 

trigeren; vt beramen. 
schemer ['skiima] plannenmaker; in- 
trigant. 
schism ['sizm] schisma o, scheurmg. 
scholar ['sksb] geleerde; kenner; 

leerling; beursstudent. 
scholarly ['sksbli] geleerd, weten- 

schappelijk, gedegen [kennis]. 
scholarship ['skobjip] geleerdheid; 

wetenschap, kennis; studiebeurs. 
scholastic [ska'lastik] scholastiek, 

schools; school-. 
school [sku;l] school; --^ of thought, 

richting; vt onderwijzen, oefenen. 
school-fellow ['sku:lfelou] school- 

makker. 
schoolmaster ['sku:lma:st3] (hoofd)- 

onderwijzer, schoolmeester. 
schoolmistress ['sku:lmistris] (hoofd)- 

onderwijzeres. 
schoolroom ['sku:lrum] schoollokaal. 
schooner ['skurns] schoener. 
sciatic [sai'aetik] heup-. 
sciatica [sai'astika] heupjicht. 



science ['saians] wetenschap, kennis, 

kunde; natuurwetenschap(pen), wis- 

en natuurkunde. 
scientific [saian'tifik] wetenschappe- 

lijk. 
scientist ['saisntist] natuurkundige; 

geleerde. 
scintilla [sin'tib] vonkje o. 
scintillate ['sintileit] vonkelen, flon- 

keren, schitteren, tintelen. 
scion ['saian] ent, spruit, loot. 
scission ['sijan] deling, splitsing. 
scissors ['sizaz] schaar; a pair of — , 

een schaar. 
scoff [skaf] bespotting, schimp- 

(scheut); vi spotten, schimpen. 
scold [skould] (be)kijven, een standje 

maken. 
scolding ['skouldir)] standje a, uit- 

brander. 
scoop [sku;p] schop, schep(per), hoos- 

vat o, spatel; vangst; winst; buiten- 

kansje o\ at one ■ — ■, met een slag; 

vt (uit)scheppen, uithozen; uithol- 

len; bijeenschrapen. 
scooter ['sku:to] autoped, step; 

scooter. 
scope [skoup] oogmerk o, doel o; 

strekking; (speel)ruimte, vrijheid; 

gezichtskring, gebied <?; omvang. 
scorch [skD:tJ] (ver)schroeien. 
score [skD:] kerf, keep; rekening, ge- 

lag o\ aantal a behaalde punten, 

stand; twintig(tal o)\ four — , 

tachtig; -—s of times, talloze malen; 

on that ■ — ■, wat dat betreft; on the 

— of, vanwege, wegens; op grond 

van; op net punt van; vt inkerven, 

(in)kepen; optekenen; boeken [suc- 

ces]; behalen [punten]; vi punten 

behalen; succes hebben. 
scoria ['skatria] metaalschuim o. 
scorn [skD:n] verachting, versmading, 

boon; /'/// to — , beschamen; vt ver- 

achten, versmaden. 
scornful ['ska:nful] schamper, honend. 
scorpion ['skoipjan] schorpioen. 
scorzonera [skaiza'niara] schorseneer. 
Scot [skDt] Schot. 



Scotch 



247 sculpture 



Scotch [slotj] Schots; the ■—, de 
Schotten. 

Scotchman ['skDtJmsn] Schot. 

Scotland ['sk^tbnd] Schotland o. 

scoundrel ['skaundrsl] schurk, deug- 
niet. 

scour E'skaus] schuren, wrijven; 
schoonmaken; [de zee] schoonvegen; 
af-, doorzoeken; aflopen; doorkrui- 
sen. 

scourge [skaidsl zweep, gesel; plaag; 
vt geselen; teisteren. 

scout [skaut] spion; verkenner; pad- 
vinder; wegenwacht; verkennings- 
vliegtuig o\ vt verkennen; verachte- 
lijk afwijzen. 

scouting ['skautii]] verkenning; pad- 
vinderij. 

scout-master ['skautma:st3] leider 
van een verkenningspatrouille; hop- 
man [van padvinders]. 

scowl [skaul] dreigende blik; vi het 
voorhoofd fronsen; -- at (on, up- 
on), nors, somber, dreigend aanzien 
of neerzien op. 

scramble ['skriembl] geklauter o\ ge- 
grabbel o; gedrang o; gevecht o; 
throw it for a ■ — ^, te grabbel gooi- 
en; vi klauteren; grabbelen (naar, 
for); elkaar verdringen, vechten 
(om, for); — to one's feet (legs), 
weer opkrabbelen; ■ — d eggs, roer- 
eieren. 

scrap [skrasp] stukje o, zier; (uit)- 
knipsel o; plakplaatje o; oud ijzer o, 
schroot o, afval o & m; ruzie, klop- 
partij, gevecht o; a '--' of paper, een 
vodje o papier; vt afdanken; slo- 
pen; vi een robbertje vechten. 

scrape [skreip] gekras o\ kras; verle- 
genheid, knel; vt schrapen; krassen 
[op viool]. 

scratch [skrastj] schram, schrap, kras; 
streep; kloppartij; aj bijeengeraapt; 
vt krabben, schrammen; (be) krassen; 
schrappen; (be)kriebelen; afstrij- 
ken [lucifer]. 

scrawl [skr):l] gekrabbel o, krabbel; 
Vt Si vt krabbeleq. 



scream [skri;m] gil; // was a ■ — •, het 

was om te gieren; vi giUen, gieren 

(van 't lachen, with laughter). 
screech [skriitj] schreeuwen, gillen, 

krijsen. 
screen [skri:n] scherm o; beschutting, 

maskering; doek o [v. bioscoop] ; 

grove zeef; vt beschermen, beschut- 

ten (tegen, from); maskeren; ziften. 
screen star ['skri:nsta:] filmster. 
screw [skru:] schroef; peperhuisje o; 

vt (aan)schroeven, vastschroeven; 

verdraaien, vertrekken. 
screwdriver ['skruidraiva] schroeve- 

draaier. 
screwjack ['skru:d3aek] dommekracht, 

vijzel. 
scribble ['skribl] gekrabbel o, krab- 

belschrift o; vt krabbelen, pennen; 

bekriebelen. 
scribe [skraib] schrijver; schriftge- 

leerde. 
scrip [skrip] briefje o, bewijs o van 

storting; recepis o 8c v. 
script [skript] schrift o; geschrift o; 

handschrift o, manuscript o [to- 

neel], draaiboek o [film]; druk- 

schrift o; schrijfletter(s). 
scriptural ['skriptjaral] bijbels, bij- 

bel-. 
Scripture ['skriptjs] de Schrift. 
scroll [skroul] rol, lijst; krul(versie- 

ring). 
scrub [skrAb] schrobben, (af)boenen. 
scruff [skrAf] nek; taJke one by the 

— of the neck, iemand achter bij 

zijn nek(vel) pakken. 
scruple ['skru:pl] zwarigheid, (ge- 

wetens)bezwaar o; scrupel o. 
scrupulous ['skruipjulas] nauwgezet, 

angstvallig. 
scrutinize ['skru:tinaiz] nauwkeurig 

onderzoeken. 
scuffle ['skAfI] kloppartij, handge- 

meen o; vi plukharen, vechten. 
scull [skAl] wrikriem. 
scullery ['skAbri] bij-, achterkeuken. 
sculptor ['skAlpta] beeldhouwer. 
sculpture ['skAlptJs] beeldhouwen o, 



scum 



248 



secrecy 



beeldhouwkunst; beeld(houw)werk 

o\ vt beeldhouwen. 
scum [skAm] metaalschuim o, schuim 

o\ jig uitschot o. 
scurry ['skAri] hard (weg)lopen. 
scurvy ['skaivi] scheurbuik; aj schun- 

nig, gemeen, min. 
scuttle ['skAtl] kolenbak; luik o [v. 

schip]. 
scythe [sai3] zeis. 
sea [si:] zee; at ■ — , ter zee, op zee; 

he at — , het mis hebben; in de war 

zijn; by — , over zee. 
sea-going ['sitgouirj] zeevarend; zee-. 
seal [si:l] zeehond, rob; zegel o\ 

jig stempel o & ;«; (af)sluiting; vt 

zegelen, lakken, verzegelen; sluiten; 

bezegelen. 
sea-level ['si:levl] zeespiegel. 
sealing-wax ['siiligwaeks] (zegel) lak 

o &i m. 
sealskin ['si:Iskin] robbevel o. 
seam [si:m] naad; litteken o\ mijn- 

ader; vt aaneennaaien. 
seaman ['siimsn] zeeman, matroos. 
seamstress ['semstris] naaister. 
seamy ['si:mi] vol naden; the — ■ side, 

de lelijke kant, de keerzijde van de 

medaille. 
sea-plane ['si:plein] watervliegtuig o. 
sea-plane carrier ['siipleinkaeria] 

vliegtuigmoederschip o. 
seaport ['si:p3:t] zeehaven. 
sear [sis] doen verdorren; uitbranden, 

(ver)schroeien. 
search [s3:tj] doorzoeking; visitatie; 

onderzoek o; in ■ — ■ oj, op zoek naar, 

om ... te vinden; vt onderzoeken; 

(door)zoeken; '~ jor, zoeken naar; 

— into, onderzoeken; • — out, 

uitvorsen. 
searching ['ssitjir)] onderzoekend, 

doordringend; diepgaand, grondig. 
searchlight ['s3:tjlait] zoeklicht o. 
seascape ['siiskeip] zeegezicht a. 
seasick ['si;sik] zeeziek. 
seasickness ['si:siknis] zeeziekte. 
seaside ['si:'said] zeekant; go to the 

^^, naar een badplaats aan zee gaan. 



season ['si:zn] seizoen o\ tijd; tijd- 
perk o, jaargetijde o; in — , tijdig, 
(juist) van pas; out of — , te on- 
pas, ontijdig; vt toebereiden, krui- 
den; rijp laten worden. 

seasonable ['siiznsbl] geschikt, gele- 
gen; van pas (komend); •~-' weather, 
weer o voor de tijd van het jaar. 

seasoning ['siiznirj] toebereiding; 
kruiderij. 

season ticket ['si:zn'tikit] abonne- 
mentskaart. 

seat [si:t] zitting; (zit)plaats; bank, 
stoel, zetel; zit; kruis o [v. broek]; 
zitvlak o; ■ — s, please! , instappen!; 
the — oj war, het toneel van de 
oorlog; vt (neer)zetten, laten zitten; 
plaatsen; be — ed, zitten; be — edl, 
gaat u zitten!; — oneselj, gaan zit- 
ten. 

seaweed ['si:wi:d] zeegras o, -wier o. 

seaworthy ['si:w3:Si] zeewaardig. 

secede [si'si:d] zich afscheiden. 

secession [si'sejsn] afscheiding. 

seclude [si'klu:d] uitsluiten; afzonde- 
ren. 

seclusion [si'klu:33n] uitsluiting; af- 
zondering. 

second ['seksnd] seconde; secondant, 
getuige; helper; a] tweede, ander; 
— cousin, achterneef, achternicht; 
every ■ — ■ day, om de andere dag; 
be ■ — to none, voor niemand on- 
derdocn; — best, op een na de bes- 
te; niet volmaakt, minder volmaakt; 
vt bijstaan, helpen, ondersteunen. 

secondary ['sekandsri] ondergeschikt, 
bijkomend; bij-; — school, middel- 
bare school. 

second-hand ['sekandhsend] t\veede- 
hands. 

secondly ['sekandli] ten tweede. 

second-rate ['seksndreit] tweede- 
rangs-. 

seconds hand ['sekandzhaend] secon- 
dewijzer. 

secrecy ['si:krisi] geheimhouding, hei- 
melijkheid, stilzwijgen o; afzonde- 
ring; in — ■, in 't geheim. 



secret 



249 



self-conceit 



secret ['si:krit] geheim o\ in ■ — ■, in 
't geheim, stilletjes; aj geheim; hei- 
melijk, verborgen. 

secretariat [sekri'teariat] secretariaat 
o\ secretarie. 

secretary ['sekiitsri] secretaris; minis- 
ter. 

secrete [si'kri:t] verbergen, (ver)he- 
len; afscheiden. 

secretion [si'krirjan] verberging, he- 
ling; afscheiding. 

secretive [si'kri:tiv] geheimhoudend; 
geheimzinnig (doend). 

secretly ['sirkritli] heimelijk; in 't 
geheim, stilletjes, in stilte. 

sect [sekt] sekte, gezindte. 

section ['sekjan] snijding, sectie; 
groep, geleding; gedeelte o, deel o\ 
(door)snede. 

secular ['sekjub] eeuwenoud, eeuw-; 
wereldlijk; leke(n)-. 

secure [si'kjus] zeker; veilig; goed 
vast(gemaakt); vt in veiligheid 
brengen, (goed) vastmaken; (op-, 
weg)sluiten; beveiligen, verzekeren; 
(zich) verschaffen, (ver)krijgen, de 
hand leggen op. 

security [si'kju3riti] veiligheid; (on- 
der)pand o, (waar)borg; securities, 
ook: effecten, fondsen; social '~, 
sociale verzekering. 

Security Council [si'kjuaritikaunsl] 
Veiligheidsraad. 

sedate [si'deit] bezadigd, rustig. 

sedative ['sedstiv] kalraerend, pijn- 
stillend (middel o). 

sedentary ['sedntari] zittend, op een 
plaats blijvend. 

sediment ['sedimant] bezinksel o. 

sedition [si'dijan] opruiing; oproer o. 
seditious [si'dijas] oproerig; opruiend. 

seduce [si'dju:s] verleiden. 

seduction [si'dAkJsn] verleiding. 

seductive [si'dAktiv] verleidelijk. 

sedulous ['sedjubs] naarstig, ijverig, 
onverdroten. 

see [si:] (aarts)bisschopszetel; dio- 
cees o; Holy See, Heilige Stoel; vt 
zien; inzien, begrijpen; be-, opzoe- 



ken; ontvangen; er voor zorgen 
(dat); /'// — about it, ik zal er 
voor zorgen; ik zal er eens over 
denken; — one i n, binnenlaten; I 
must ■ — ■ into it, dat moet ik eens 
onderzoeken; --- one off, iemand 
uitgeleide doen, wegbrengen; — one 
o II t, iemand uitlaten; ^~- t o the 
door, uitlaten. 

seed [si:d] zaad o\ zaadje o\ fig kiem; 
go {run) to ~', in het zaad schie- 
ten; fig verlopen. 

seedy ['si:di] vol zaad; in het zaad 
geschoten; sjofel, kaal; onlekker. 

seeing ['si:ir)] ziende; aangezien. 

seek [si:k] (op)zoeken; vragen [raad]; 
streven naar; trachten (te verkrij- 
gen); ■ — ■ after, zoeken; ■ — for, 
zoeken naar; — out, opzoeken, 
opsporen. 

seem [si:m] schijnen (te zijn), lijken. 

seeming(ly) ['si:mir)(li)] ogenschijn- 
lijk, schijnbaar. 

seemly ['si;mli] betamelijk, gepast. 

seen [si:n] V.D. van see. 

seesaw ['si:sD:] wip(plank); vi wip- 
pen; op- en neergaan; aj op- en 
neergaand of wippend. 

seethe [si:3] zieden, koken. 

segregate ['segrigeit] (zich) afzonde- 
ren, afscheiden. 

segregation [segri'geijan] afzonde- 
ring, afscheiding. 

seize [si:z] vatten, (aan)grijpen; in 
beslag nemen, bemachtigen; aantas- 
ten, bevangen. 

seizure ['sirss] bezitneming; beslag- 
legging; aanval, beroerte. 

seldom ['seldam] zelden. 

select [si'lekt] uitgekozen, uitgezocht, 
uitgelezen; keurig, fijn, chic; vt 
(uit)kiezen, uitzoeken. 

selection [si'lekjan] keur, keus. 

self [self] (zijn) eigen persoon; ik- 
(heid); eigenliefde; my poor ^^, 
mijn persoontje; he is quite hts old 
— , hij is helemaal de oude. 

self-conceit ['selfkansiit] verwaand 
heid. 



self-conceited 



250 



sentiment 



self-conceited ['selfkansiitid] ver- 

waand. 
self-confidence ['selflonfidans] zelf- 

vertrouwen o. 
self-conscious ['selfkonjas] verlegen, 

bleu; zelfbewust. 
self-denial ['selfdinaial] zelfverloo- 

chening. 
self-determination ['selfditsimi- 

'neijan] zelfbeschikking. 
self-indulgent ['selfindAldjant] ge- 
net-, gemakzuchtig. 
self-interest ['selfint(3)rest] eigenbe- 

lang o. 
self-interested ['selfint(3)restid] baat- 

zuchtig. 
selfish ['selfij] zelfzuchtig, baatzuch- 

tig, egoistisch. 
selfishness ['selfijnis] zelfzucht, 

baatzucht, egoisme o. 
selfless ['selflis] onbaatzuchtig. 
self-love E'selflAv] eigenliefde. 
self-made ['selfmeid] door eigen 

krachten er bovenop gewerkt. 
self-possession ['selfpszejsn] zelfbe- 

heersing. 
self-righteous ['selfraitjss] eigenge- 

rechtig. 
self-sacrifice ['selfs^krifais] zelfop- 

offering. 
self-seeking ['selfsi:kir|] zelfzucht; a] 

zelfzuchtig. 
self-service ['selfsaivis] zelfbediening. 
sell [sel] bedotterij; vt verkopen; beet- 

nemen; ~ ^ >> auction, veilen; — 

off, uitverkopen; — out, (uit)- 

verkopen; liquideren; - — ' well, ■ — 

like hot cakes, (veel) aftrek vin- 

den. 
seller ['seb] verkoper; best — , arti- 

kel (boek) o dat 't meest verkocht 

wordt, succes o. 
selvage, selvedge ['selvids] zelfkant. 
semblance ['sembbns] schijn. 
semi ['semi] (in samenst.) half-. 
semicolon ['semi'koubn] puntkomma 

V of o, kommapunt v & o, 
seminary ['seminari] seminarie o, 

kweekschool. 



semi-official ['semis'fijsl] officieus. 

Semite ['semait] Semiet. 

Semitic [si'mitik] Semitisch. 

semolina [sema'liina] griesmeel o. 

senate ['senit] senaat. 

senator ['sensta] senator. 

send [send] zenden, verzenden; — a 
person mad, iemand del maken; — 
him rolling, hem doen rollen; — 
/ o r, laten halen, ontbieden, zenden 
cm; • — ■ / n one's name, zich laten 
aandienen; ■ — ■ off, wegzenden; ver- 
zenden; uitgeleide doen [persoon]. 

senile ['si;nail] seniel, ouderdoms-. 

senior ['si:nj3] ouder, oudste (in 
rang), senior; eerste [bediende], 
hoog, hoofd-. 

sensation [sen'seijsn] gewaarwording, 
gevoel o, aandoening; opzien o, op- 
schudding. sensatie. 

sensational [sen'seijsnal] gewaarwor- 
dings-; opzienbarend, sensationeel. 

sense [sens] gevoel o, zin; verstand 
o\ besef o\ begrip o\ gevoelen o\ 
common ■ — ■, gezond verstand o\ 
what is the — of...?, wat voor zin 
heeft het om...?; he lost his — s, 
hij verloor zijn bezinning; in every 
— ■, ook: in ieder opzicht; vt ge- 
waarworden, merken; begrijpen. 

senseless ['senslis] gevoel-, bewuste- 
loos; onverstandig; zinloos. 

sensibility [sensi'biliti] gevoelig- 
heid. 

sensible ['sensibl] waarneembaar, 
merkbaar; verstandig; bij (voile) 
kennis; be '— of, zich bewust zijn 
van; gevoelig zijn voor. 

sensitive ['sensitiv] (fijn)gevoelig, 
teergevoelig, gevoels-; — plant, 
kruidje-roer-mij-niet o. 

sensorial [sen'sDirisl] zintuiglijk. 

sensual ['senjusl] zinnelijk. 

sent [sent] V.T. & V.D. van send. 

sentence ['sentans] vonnis o, oordeel 
o, uitspraak; (zin)spreuk; (vol)zin; 
vt vonnissen, veroordelen. 

sententious [sen'tenjas] kernachtig. 

sentiment ['sentimsnt] gevoel o. 



sentimental 



251 



set 



sentimental [senti'mentsl] sentfmen- 
teel. 

sentimentality [sentimen'ta?liti] senti- 
mental iteit. 

sentry ['sentri] schildwacht. 

sentry-box ['sentriboks] schilderhuis- 
je o. 

sentry-go ['sentrigou] do ■ — ■, schilde- 
ren. 

separate ['sepsrit] (af)gescheiden, af- 
zonderlijk, apart; three -~ tnnes, 
drie verschillende keren; ['sepsreit] 
(af)scheiden, afzonderen, verdelen. 

separation [sepa'reijan] (af)schei- 
ding, afzondering. 

sepia ['siipjs] sepia; inktvis. 

September [sep'temba] September. 

septic ['septik] bederf veroorzakend. 

sepulchral [si'pAlkrsl] graf-; begrafe- 
nis-. 

sepulchre ['sepalka] graf o. 

sequel [''siikwsl] vervolg o; gevolg o. 

sequence ['siikwsns] volgorde, op- 
(een)volging, (volg) reeks, suite [v. 
kaarten]; beeldenreeks, toneel o [v. 
film]; gevolg o. 

sequestration [siikwes'treifan] afzon- 
dering; beslaglegging, selrwestratie. 

Serbia ['satbjs] Servie o. 

Serbian ['saibjsn] Servier; aj Ser- 
visch. 

serenade [seri'neid] serenade. 

serene [si'ri:n] helder, klaar; onbcwo- 
gen, vredig, kalm; doorluchtig. 

serf [s3:f] lijfeigene, horige, slaaf. 

serge [ssidj] serge. 

sergeant ['sa:d33nt] sergeant. 

serial ['siarial] feuilleton o 8c m; aj 
serie-, in afleveringen verschijnend; 
— number, volgnummer o; ■ — • tale, 
feuilleton o & m. 

series ['si3r(i)i:z] serie, reeks. 

serious ['sisriss] ernstig; bedenkelijk; 
solide; vroom; / am ■ — ', ik meen 
het (ernstig). 

seriously ['sisriasli] ernstig, in (voi- 
le) ernst. 

seriousness ['si iriasnis] ernst. 

sermon ['s3:m3i)] vermaning; preek; 



the Sermon on the Aioiint, de Berg- 
rede. 

serpent ['saipsnt] slang. 

serpentine ['sarpsntain] slangachtig, 
slange(n)-; jig kronkelend. 

serried ['serid] (aaneen)gesloten. 

servant ['s3:v3nt] knecht, dienstbode, 
meid, bediende; dienaar, dienares; 
oppasser; beambte, ambtenaar; do- 
mestic ■ — ■, dienstbode. 

serve [s3:v] dienen, bedienen; van 
dienst zijn, dienst(en) doen, baten; 
opdoen [eten], schenken [drank] ;be- 
handelen; serveren [bij tennis] ; '~ 
him right'., net goed!, zijn verdiende 
loon!; — one's purpose, geschikt 
zijn voor iemands doel; — the pur- 
pose of..., dienst doen als...; — 
one's time, zijn tijd uitdienen; zijn 
straf(tijd) uitzitten. 

service ['saivis] dienst, nut a; servies 
o; bediening; verzorging [v. au- 
to]; beginslag [tennis]; (kerk)for- 
mulier o\ the — s, de krijgsmacht, 
de strijdkrachten (te land, ter zee 
en in de lucht); divine — , (kerk)- 
dienst; als aj militair; vt bedienen, 
verzorgen [auto]. 

serviceable ['ssivisabl] dienstig, bruik- 
baar, nuttig, geschikt. 

Serviceman ['ssivismsen] gemobili- 
seerde. 

serviette [s3:vi'et] servet o. 

servile ['ssivail] slaafs, kruiperig. 

servility [ssi'viliti] slaafsheid. 

servitude ['s3:vitju:d] dienstbaarheid, 
slavernij; servituut o. 

session ['sejan] zitting. 

set [set] stel o, spel o, servies o, 
( radio )toestel o, garnituur o, span 
0, ploeg, partij, serie; kring, troep, 
kliek; stek, loot; vt zetten, plaatsen, 
stellen; schikken; omboorden; plan- 
ten; gelijkzetten [klok]; op elkaar 
klemmen [tanden, lippen]; vaststel- 
len, bepalen; -^^ going, aan de gang 
brengen of mak.-n; in omloop bren- 
gen [praarjes] ; vi stollen, vast wor- 
den; ondergaan [zon]; jig tanen; 



set-back 



252 



shake 



-"-^ about it, eraan beginnen; het 
aanpakken; '— d o ivn, neerzetten; 
neer-, opschrijven; — i f e e, in vrij- 
heid stellen; ■ — ■ /' n, intreden; — 
o j j, uit-, afzetten; vertrekken; aan 
de gang maken; doen afgaan, tot 
ontploffing brengen; doen uitkomen; 
goedmaken, compenseren; — on, 
aanzetten, op-, aanhitsen; aanvallen, 
aanvangen; be — on, verzot zijn 
op; — eyes on, te zien krijgen, zien; 
— out, op reis gaan, vertrekken; 
-^-^ out to..., zich ten doel stellen, 
trachten; — to..., beginnen te...; 
V.T. & V.D. van set\ a] gezet; 
strak, stijf; vast; bepaald. 

set-back ['setbzek] terugzetting, terug- 
gang; tegenslag. 

set-down [set'daun] standje o. 

settee [se'ti:] (zit)bank, sofa. 

setting ['setirj] montuur o & v\ mon- 
tering; omlijsting, omgeving. 

settle ['setl] (zich) vestigen, vaststel- 
len; vastzetten (op, on); in orde 
brengen, afdoen, vereffenen, regelen, 
beklinken [zaak]; zich (neer)zet- 
ten; afrekenen (ook • — ■ up)\ ■ — 
down, zich vestigen; zich installe- 
ren; bedaren; een geregeld leven 
gaan leiden. 

settlement ['setlmsnt] vestiging; rege- 
ling, vergehjk o, vereffening, af- 
rekening, liquidatie; schenking, jaar- 
geld o\ bezinking; volksplanting, ne- 
derzetting. 

settler ['setb] kolonist; beslissend 
woord o, dooddoener. 

seven ['sevn] zeven. 

seventeen ['sevn'ti:n] zeventien. 

seventeenth ['sevn'ti:n9] zeventiende 
(deel o). 

seventh ['sevnG] zevende (deel o). 

seventieth ['sevntiiB] zeventigste 
(deel o). 

seventy ['sevnti] zeventig. 

sever ['seva] scheiden; afsnijden; af-, 
verbreken; breken. 

several ['sevral] verscheiden; onder- 
scheiden; eigen. 



severally ['sevrali] elk voor zich. 

severance ['sevsrsns] scheiding, af-, 
verbreking. 

severe [si'vis] streng, hard; zwaar; 
hevig. 

severity [si'veriti] (ge)strengheid. 

sew [sou] naaien, aannaaien; innaaien. 

sewage ['sjuiidsl rioolwater o. 

sewer ['sjua] riool o & v. 

sewerage ['sjuarids] riolering; riool- 
water o. 

sewing-machine ['souirjmajiin] naai- 
machine. 

sewn [soun] V.D. van seic. 

sex [seks] geslacht o, sekse, kunne; 
seksualiteit; a] seksueel. 

sexton ['sekstan] koster; doodgraver. 

shabby ['Jaebi] kaal, haveloos, armza 
lig; schandelijk, gemeen. 

shackle ['J^ekl] boei, kluister; beugel, 
koppeling; vt boeien, kluisteren; 
koppelen. 

shad [Jaed] elft. 

shade [Jeid] schaduw; lommer o; 
schim; kap, stolp, scherm o\ (kleur)- 
schakering, nuance; zweem; tikje o, 
ietsje o [beter &]; vt schadmven; 
beschaduwen, overschaduwen; van 
een (licht) scherm voorzien; jig be- 
schutten, beschermen. 

shadow ['JasdouJ schaduw; schaduw- 
beeld o\ afschaduwing; geest, schim; 
schijn, spoor o; vt beschaduwen; 
(als een schaduw) volgen; afscha- 
duwen (ook '~ forth'). 

shadowy ['Jasdoui] beschaduwd, scha- 
duwrijk; schimachtig; hersenschim- 
mig; vaag. 

shady ['Jeidi] schaduwrijk, bescha- 
duwd; schaduw-; jig niet zuiver, 
verdacht; twijfelachtig. 

shaft [Ja:ft] schacht; pijl; spies; steel; 
lamoenboom; (drijf)as. 

shag [Jseg] ruig haar o\ shag. 

shaggy ['Jasgi] ruig, borstelig. 

shake [Jeik] schudden o\ schok, be- 
ving; handdruk; trilling [v. stem]; 
in two — s, in een wip; vt schud- 
den, schokken; jig doen wankelen; 



shaken 



253 



shed 



uitschudden; •— hands, elkaar de 
hand geven; vi schudden, beven; 
trillen [stem]; fig wankelen. 

shaken ['Jeikn] V.D. v. shake. 

shako ['Jsekou] sjako. 

shaky ['Jeiki] beverig, onvast, wan- 
kel; fig zwak(staand), onzeker. 

shall [Jasl, Jal] zal, zullen; moet, 
moeten. 

shallow ['Jaelou] ondiepte, ondiepe 
plaats, zandbank; aj ondiep, laag; 
fig oppervlakkig. 

shalt [Jaelt, J (a) it] zult. 

sham [J£em] voorwendsel o, schijn- 
(vertoning); komediant; r/ vein- 
zen, voorwenden; vi zich aanstel- 
len; — asleep {dead &), zich sla- 
pend (dood &) houden; aj voor- 
gewend, onecht, vals, schijn-; • — 
door, blinde deur. 

shamble ['Jasmbl] sloffen, schuifelen. 

shambles ['Jtemblz] vleeshal; slacht- 
bank; fig bloedbad o\ ravage. 

shame [jeim] schaamte; schande; put 
to — , beschamen, beschaamd ma- 
ken; for -^/j foei, schaam u!; vt 
beschamen, beschaamd maken. 

shamefaced ['Jeimfeist] beschaamd, 
beschroomd, verlegen. 

shameful ['Jeimful] schandeHjk. 

shameless ['Jeimlis] schaamteloos. 

shammy ['Jasmi] zeem(leer) o\ zeem 
m Si o [stuk zeemleer]. 

shampoo [Jsm'pu:] hoofdwassing; 
haarwasmiddel o\ vt het hoofdhaar 
wassen. 

shamrock ['Jsmrak] klaverblad o. 

shanty ['Jaenti] hut; keet; matrozen- 
liedje o. 

shape [Jeip] vorm, gedaante; leest; 
model o\ take — , vaste vorm aanne- 
men; put into — , fatsoeneren; vt 
vormen, maken, modelleren; regelen, 
inrichten (naar, to); vi zich vormen 
&. 

shapely ['Jeipli] goedgevorrad, beval- 
lig, mooi. 

share [Jea] dee! o, aandeel o\ ploeg- 
schaar; vt delen; verdelen; samen 



hebben [een kamer &]; vi deelne- 
men. 

shareholder ['Jeahoulda] aandeelhou- 
der. 

shark [Ja:k] haai; fig gauwdief. 

sharp [J'a:p] scherp, spits, puntig; fig 
bits; scherpzinnig, slim; inhalig; 
vlug, snel; oneerlijk; '~'j- the 
word'., vlug wat!; at ten — , cm 10 
uur precies; look ~, scherp uit- 
kijken; voortmaken; / am ^-^ set, ik 
ramrael van de honger; be — set 
on, fig gebrand zijn op, hunke- 
ren naar. 

sharpen ['Ja:pn] scherpen, (aan)pun- 
ten; fig verscherpen. 

sharper ['Jarpa] bedrieger, valse spe- 
ler. 

sharpshooter ['J'a:pJ'u:t3] scherp- 
schutter. 

sharp-sighted ['Ja:p'saitid] scherp- 
ziend; scherpzinnig. 

sharp-witted ['Jaip'witid] scherpzin- 
nig. 

shatter ['J^sta] verbrijzelen; fig ver- 
nietigen; schokken [zenuwen]. 

shave [Jeiv] scheren o; sneetje o; af- 
zetterij; /'/ tfas a close {narrow, 
near) — , het was op het kantje af; 
have a ■ — ■, zich (laten) scheren; vt 
scheren; schaven; fig het vel over de 
oren halen; get ^^d, zich laten sche- 
ren. 

shaven ['Jeivn] geschoren. 

shaver ['Jeiva] scheerder; scheerappa- 
raat o; snuiter. 

shaving ['Jeivir)] het scheren; — s, 
krullen [bij het schaven]. 

shaving-brush ['JeivigbrAj] scheer- 
kwast. 

shawl [Jd:!] sjaal. 

she [Ji:] zij, ze. 

sheaf [Ji:f] schoof, bundel. 

shear [Jia] scheren [dieren &]. 

shears [Jiaz] grote schaar. 

sheath [JiiO] schede. 

sheathe [Ji:3] in de schede steken, 
(in)steken; bekleden. 

shed [Jed] loods; afdak o; vt vergie 



sheep 254 



shirk 



ten, storten [bloed]; verliezen [het 
haar &]; werpen [v. licht &]; V.T. 
& V.D. van shed. 

sheep [Jiip] schaap o, schapen. 

sheep-dog ['Jiipdag] herdershond. 

sheepish ['Ji:piJ] schaapachtig, be- 
deesd. 

sheepskin ['Jiipskin] schapevel o, 
schaapsvacht, schapeleer o. 

sheer [Jia] 2uiver, rein, puur; louter, 
enkel; steil, loodrecht; totaal, par- 
does; vi gieren [v. schip]; (op zij) 
uitwijken. 

sheet [ji:t] laken o\ blad o [papier]; 
vel o\ plaat [metaal]; schoot [v. 
zeil]; a — of fire, een vuurzee; a 
— of ice, een ijsvlakte; in — s, in 
vellen [v. boek]; in stromen [v. re- 
gen]; vt met lakens beleggen; be- 
dekken, bekleden. 

sheet-anchor ['Jiitserika] plechtanker o. 

sheet-iron ['Jiitaian] plaatijzer o. 

sheet-lightning ['Jiitlaitnirj] weer- 
licht o & m. 

shelf [Jelf] plank; boekenplank. 

shell [Jel] schil, schaal, peul, bolster; 
schelp, dop; schild o\ granaat; vt 
schillen, doppen, ontbolsteren; be- 
schieten. 

shell-fish ['JelfiJ] schaaldieren. 

shell-proof ['Jelpru:f] bomvrij. 

shelter ['Jelta] beschutting; schuil- 
plaats, bescherming; onderdak o\ 
(tram)huisje o; asiel o\ lighal; 
schuilgelegenheid, -kelder; vt be- 
schutten, beschermen; huisvesting 
verlenen; -— {oneself), schuilen; 
zich verschuilen. 

shelve [Jelv] van planken voorzien; 
op een plank zetten; fig onder het 
loodje leggen, laten rusten; afdan- 
ken. 

shepherd ['Jepad] (schaap) herder; vt 
hoeden; (ge)leiden, loodsen. 

shepherdess ['Jepadis] herderin. 

sherbet ['Jsibst] sorbet. 

sheriff ['Jerif] schout. 

sherry ['Jeri] sherry. 

shield [Ji:ld] schild o; vt beschermen 



(tegen, from); dekken. 

shift [Jift] verandering; verhuizing; 
(hulp)middel o, uitvlucht, list; 
ploeg (werklieden) ; make — to..., 
het zo schikken (aanleggen) dat...; 
77iake — with anything, zich met 
alles weten te behelpen; vt veran- 
deren, verwisselen; verruilen; (ver)- 
schuiven; vi zich verplaatsen, (van 
plaats) wisselen; zich behelpen; 
draaien; — (about) tn one's chair, 
zitten draaien in zijn stoel. 

shilling ['jilirj] shilling. 

shimmer L'fima] ghnstering; vi 
glinsteren. 

shin [Jin] scheen. 

shine [Jain] zonneschijn; glans; vi 
schijnen, glimmen, blinken, schitte- 
ren, uitblinken; it doen glimmen; 
poetsen [schoenen]. 

shingle ['Jiggl] dekspaan; rol-, kie- 
zelsteen; vt met dekspanen dekken; 
kortknippen. 

shingles ['Jiggiz] gordelroos. 

shiny ['Jaini] glimmend, blinkend. 

ship [Jip] schip o; take — , scheep- 
gaan, zich inschepen; vt inschepen, 
innemen; overkrijgen [stortzeeen]; 
verschepen, verzenden. 

ship-breaker ['jipbreiks] sloper. 

ship-broker ['Jipbrouka] scheepsma- 
kelaar; cargadoor. 

ship-building ['Jipbildirj] scheeps- 
bouw; - — ■ yard, scheepstimmerwerf. 

shipment ['fipmsnt] verscheping, ver- 
zending; zending, lading. 

ship-owner ['Jipouns] reder. 

shipper ['Jips] verscheper, exporteur. 

shipping ['Jipif)] inscheping; versche- 
ping; scheepsruimte, schepen; 
scheepvaart. 

shippiog-agent ['Jipirjeidsant] expe- 
diteur. 

ship-shape ['Jipjeip] in orde. 

shipwreck ['Jiprek] schipbreuk; vt 
doen schipbreuk lijden; be •—-ed, 
schipbreuk lijden. 

shire ['Jais] graafschap o. 

shirk [J3:k] verzuimen, ontduiken, 



shirker 



255 



shorthand 



ontwijken, zich onttrekken aan [zijn 

plicht]; lijntrekken. 
shirker ['Jsiks] lijntrekker. 
shirt [J3:t] (over)hemd o; lose one's 

— , nijdig worden. 
shirt-sleeve ['Jaitsliiv] hemdsmouw. 
shiver E'Jiva] splinter, schilfer; (kou- 

de) rilling, siddering; give one the 

{cold) -~-s, doen rillen; vt versplin- 

teren, verbrijzelen; vi rillen, sid- 

deren, huiveren. 
shivery ['Jivari] rillerig, beverig, hui- 

verig; broos, splinterig. 
shoal [Joul] school; menigte, hoop; 

ondiepte, zandbank; aj ondiep; vi 

samenscholen. 
shock [Jsk] schok, botsing; schrik, 

(onaangename) verrassing, fig slag; 

stuik; bos haar; vt schokken; aan- 

stoot geven, ergeren. 
shocking ['jDkig] aanstotelijk, stui- 

tend, ergerlijk. 
shockingly ['pkirjli] schandalig. 
shod [jDd] V.T. & V.D. van shoe. 
shoe [|u:] schoen; hoefijzer o; that's 

where the ■ — ■ pinches, daar wringt 

hem de schoen; vt schoeien; be- 

slaan. 
shoeblack ['Ju:bl£ek] schoenpoetser. 
shoe-blacking ['Juiblcekirj] schoen- 

smeer o Sc m. 
shoe-lace ['JuJeis] schoenveter. 
shoemaker ['J'u;meik3] schoenmaker. 
shoe-string ['Ju:strir)] schoenriem, 

veter. 
shone [jDn] V.T. & V.D. v. shine. 
shook [Juk] V.T. van shake. 
shoot [Juit] schoot, scheut; schietwed- 

strijd; jacht(partij); waterstraal; 

stroomversnelling; helling; vuilnis- 

belt; losplaats; vt af-, door-, near-, 

uit-, verschieten; (dood)schieten; 

storten [puin]; vi jagen; steken [v. 

pijn]. 
shooting-gallery ['Ju:tir)gasbri] schiet- 

tent; schietbaan, schietlokaal o. 
shooting-range ['juitirjreindg] schiet- 
baan. 
shop [Jop] winkel; v/erkplaats; atelier 



o\ talk — , over het vak praten; vi 
winkelen, boodschappen doen. 

shop-assistant [jDpa'sistant] winkel- 
bediende, -juffrouw. 

shop-hand ['jophsend] winkelbedien- 
de. 

shopkeeper ['J^pkiipa] winkelier. 

shoplifter ['J^plifts] winkeldief. 

shopper [']'3p3] winkelbezoeker. 

shopping ['Jopir]] het winkelen, win- 
kelbezoek o; do one's ■ — •, (gaan) 
winkelen, boodschappen doen. 

shopping bag ['J^pigbsg] boodschap- 
pentas. 

shopping quarter ['J^pirikwDits] win- 
kelwijk. 

shop-walker ['jDpwsiks] winkelchef. 

shop-w^orn ['J3pw3:n] verlegen. 

shore [Js:] kust, oever, wal; schoor, 
stut; vt stutten. 

shorn [Jdid] V.D. van shear; — oj, 
fig beroofd van, ontdaan van. 

short [jDit] kort; te kort; klein [ge- 
stalte]; bros [gebak]; krap, karig; 
te weinig; be (come, fall) ■ — ' of, te 
kort komen of hebben; gebrek heb- 
ben aan; minder zijn dan; niet be- 
antwoorden aan; blijven beneden; 
• — ■ of money, niet goed bij kas; 
cut ^, af-, onderbreken; fall — , 
te kort schieten; run — of pro- 
visions, door zijn provisie heenra- 
ken; stop ■ — ■, plotseling blijven stil- 
staan, ophouden; blijven steken; — s, 
korte broek; for ~-, kortheidshalve; 
in — , in het kort, in een woord. 

shortage ['jD:tidg] tekort o, schaarste, 
nood. 

short-circuit (ing) [J3:t's3:kit(ii))] 
kortsluiting. 

shortcoming [jD:t'kAmir]] tekort- 
koming. 

shorten ['Jjitn] (ver)korten, vermin- 
deren, beperken; kort(er) worden, 
afnemen. 

shorthand ['Joithaend] stenografie, 
kortschrift o\ aj stenografisch; ■ — ■ 
typist, stenotypist(e); ~- writer, 
stenograaf. 



short-lived 



256 



shrubbery 



short-lived ['Joit'livd] niet lang le- 
vend; kortstondig. 

shortly ['J3:tli] kort (daarop); bin- 
nenkort, weldra, spoedig; kortaf. 

shortness ['Joitnis] kortheid. 

short-sighted ['J3:t'saitid] bijziend; 
kortzichtig. 

short-tempered ['J'3:t'temp3d] kort 
aangebonden, heetgebakerd. 

shot [J3t] schot o; stoot; schroot o, 
hagel, kogel(s); (scherp)schutter; 
opname, kiekje o; putting the — , 
kogelstoten o; V.T. & V.D. \. shoot. 

shot-proof ['Jjtpruif] kogelvrij. 

should [Jud, Jad] V.T. van shall, zou, 
moest, behoorde; mocht. 

shoulder ['Joulds] schouder, schou- 
derstuk <?; give {show, turn') the 
cold "^ to, de rug toedraaien, met 
de nek aanzien; vt op de schou- 
der(s) nemen, schouderen; op zich 
nemen; (ver)dringen. 

shoulder-blade ['Jouldableid] schou- 
derblad o. 

shoulder-knot ['Jouldsnot] epaulet, 
nestel. 

shout [Jaut] geroep o, gejuich o; 
schreeuw, kreet; vt roepen, juichen; 
schreeuwen; ■ — ■ at one, schreeuwen 
tegen iemand; iemand naroepen; vt 
uitroepen. 

shove [Jav] stoot, duw, duwtje o; vt 
duwen, schuiven. 

shovel ['JavI] schop; vt scheppen. 

shovelboard ['jAvIbDid] sjoelbak. 

show [Jou] vertoning; tentoonstelling; 
(praal)vertoon o; geurmakerij ; 
(schone) schijn; optocht, (toneel)- 
voorstelling; komedie; onderneming, 
geschiedenis, zaak; give away the 
■ — ■, de boel verklappen; make a ■ — ' 
oj ...ing, laten merken dat...; doen 
alsof...; they are on — , ze zijn ge- 
exposeerd, uitgestald, te zien; vt 
doen of laten zien, (be)tonen, ten 
toon stellen, vertonen, (aan)wijzen; 
aantonen, bewijzen; — one i n, 
binnenlaten; ■ — • ojj, beter (doen) 
uitkomen; — ojj one's learning, 



met zijn geleerdheid te koop lopen 

(geuren); — one out, iemand uit- 

laten; -^ one u p, iemand boven 

laten komen; iemand aan de kaak 

stellen, ontmaskeren; vi zich (ver)- 

tonen, zich voordoen, uitkomen; // 

— ^j- white, het lijkt wit. 
show-bill ['Joubil] reclamebiljet o. 
show-case ['Joukeis] uitstalkast, vitri- 

ne. 
shower ['Jaus] (stort)bui, regenbui; 

jig stroom, viced; vt begieten, neer 

doen komen. 
shower-bath ['JausbaiQ] stortbad o. 
showery ['Jausri] regenachtig, buiig. 
showman t'Joumsn] spullebaas [op 

de kermis]; directeur v. circus, va- 

riete enz. 
shown [Joun] V.D. van show. 
show-room ['Jourum] toonzaal. 
show-window ['jouwindou] uitstal- 

venster o. 
showy ['Joui] pronkerig, opzichtig. 
shrank [Jrsrjk] V.T. van shrink. 
shrapnel [' Jtcepnal ] granaatkartets ( en ) . 
shred [Jred] lapje a, stukje o, ziertje 

o. 
shrew [fru:] feeks, helleveeg. 
shrewd [Jru:d] schrander, scherp- 

(zinnig), fijn. 
shriek [Jri:k] gil; vi gillen. 
shrift [Jrift] give short — • to, korte 

metten maken met. 
shrill [Jril] schel, schril. 
shrimp [Jrimp] garnaal. 
shrine [Jrain] relikwieenkastje o; al- 

taar o, heiligdom o. 
shrink [Jrigk] krimpen, ineenkrim- 

pen; slinken; -~ back, terugdein- 

zen; •-— j r o m, huiverig zijn om, 

terugdeinzen voor. 
shrivel ['Jrivl] rimpelen; verschrom- 

pelen. 
shroud [jraud] (doods)kleed o\ vt 

(om)hullen. 
Shrovetide ['Jrouvtaid] vastenavond. 
shrub [JrAb] struik, heester. 
shrubbery ['JrAbori] heesterplantsoen 

o\ bosje o. 



shrug 



257 



sight 



shrug [JrAg] schouderophalen o\ give 
a '--^, de schouders ophalen; vt (de 
schouders) ophalen. 

shrunk [JrM]k] V.T. & V.D. v. shrink. 

shrunken ['JrArjkn] (ineen)gekrompen. 

shudder ['jAds] huivering, rilling; vt 
huiveren, rillen. 

shuffle C'jAfl] geschuifel o, schuifel- 
pas; gedraai o\ uitvlucht; vt (door- 
een)schudden, (dooreen)mengen; vi 
schuifelen; sloffen; wassen [de kaar- 
ten] ; jig uitvluchten 20eken, draai- 
en. 

shun [Jad] schuwen, (ver)mijden. 

shunt [jAnt] rangeren [trein]; shun- 
ten [el. stroom]. 

shut [jAt] toedoen, sluiten, dichtma- 
ken, dichtgaan; '-^ your head, hou 
je mond dicht!; • — ' down, dicht- 
doen, sluiten, stopzetten; '— - up, 
sluiten; opsluiten [in gevangenis]; 
wegsluiten; zijn mond houden; ■ — ■ 
upl, hou je mond!; V.T. & V.D. v. 
shut. 

shutter ['jAta] sluiter; luik o, blind o. 

shuttle ['jAtl] schietspoel; — service, 
pendeldienst. 

shuttlecock ['jAtlksk] pluimbal. 

shy [Jai] gooi, worp; werptent; jig 
veeg uit de pan, steek onder water; 
vt smijten, gooien; vi schichtig wor- 
den, schuw worden; aj schuw, ver- 
legen; schichtig; be {jeel) — oj, 
huiverig, bang zijn om te...; niet 
gul zijn met. 

Siamese [saig'miiz] Siamees, Siame- 
zen; aj Siamees. 

Siberia [sai'bisris] Siberie o. 

Siberian [sai'bisrian] Siberisch. 

Sicilian [si'siljan] Siciliaans. 

Sicily ['sisili] Sicilie o. 

sick [sik] misselijk, ziek; zeeziek, beu 
(van, oj)\ be ■ — ■ at heart, wee zijn 
om 't hart; be ■ — ' jor, smachten 
naar; be — oj, misselijk (beu) zijn 
van. 

sick-club ['sikkUb] ziekenfonds a. 

sicken ['sikn] ziek, misselijk, beu 
worden (maken). 

Eng-. Zakwrdbk. 11 



sickening ['siknifj] misselijk (ma- 
kend), weerzinwekkend. 

sickle ['sikl] sikkel. 

sick-leave ['sikli:v] ziekteverlof o. 

sickly ['sikli] ziekelijk; ongezond; 
wee; a — smile, een flauw glim- 
lachje o. 

sickness ['siknis] ziekte, misselijk- 
heid. 

side [said] zij(de), kant; wrong — 
out, het binnenste buiten; shake 
one's — s, schudden van het la- 
chen; take — s, partij kiezen; vi 
partij kiezen; '— against {with), 
partij kiezen tegen (voor). 

sideboard ['saidbsid] buffet o, dres- 
soir o & m. 

side-car ['saidka:] zijspanwagen. 

side-dish ['saiddij] toespijs, tussen- 
gerecht o. 

side-issue ['saidisju:] bijzaak. 

sidelong ['saidbg] zijdelings. 

side-scene ['saidsi:n] coulisse. 

side-show ['saidjou] extra-kraampje o, 
-tent; jig onderneming van minder 
belang; bijkomstigheid. 

side-step ['saidstep] op zij gaan 
(voor), ontwijken. 

side-track ['saidtrsek] wisselspoor o\ 
vt op een wisselspoor brengen; jig 
voorlopig ter zijde leggen; afleiden. 

side-walk ['saidw3:k] trottoir o. 

sideways ['saidweiz], sidewise ['said- 
waiz] van ter zijde, zijdelings. 

siege [si;d3] belegering, beleg o. 

sieve [siv] zeef; vt zeven, ziften. 

sift [sift] ziften, uitziften. 

sigh [sai] zucht; vi zuchten. 

sight [salt] (ge)zicht o, aanblik; ver- 
toning; schouwspel o; bezienswaar- 
digheid; vizier o, korrel [op een 
geweer]; long — , verziendheid; 
near — , bijziendheid; short — , bij- 
ziendheid; kortzichtigheid; catch — 
oj, in het oog krijgen; lose — oj, 
uit het oog verliezen; take -^j mik- 
ken; at (jirst) — , op het eerste 
gezicht; at short -—, op kort zicht; 
at three days' — , drie dagen na 

17 



sightly 



258 



sincere 



zicht; /' n his ■ — ^, voor zijn ogen; 

in zijn opinie; out of — , out of 

mind, uit het oog, uit het hart; vt 

in het oog krijgen, waarnemen. 
sightly ['saitli] fraai, schoon. 
sight-seeing ['saitsi:ir)] bezichtiging 

(v. merkwaardigheden) ; aj kijkend; 

de bezienswaardighe.ien aflopend. 
sight-seer ['saitsia] kijker, kijklustige; 

plezierreiziger, toerist. 
sign [sain] teken o, wenk; (uithang)- 

bord o; vt tekenen, ondertekenen; 

een teken geven; — ■ off, afmonste- 

ren; — on, aanmonsteren. 
signal ['signal] signaal o, teken o, 

sein o; vt seinen; melden; een wenk 

geven om te...; aj schitterend, uit- 

stekend, voortreffelijk, groot. 
signal-box ['signalb^ks] seinhuisje o. 
signalize ['signalaiz] onderscheiden; 

kenmerken; te kennen geven; de 

aandacht vestigen op. 
signalman ['signalman] seinwachter; 

seiner. 
signatory ['signatari] ondertekenaar; 

aj ondertekend hebbend. 
signature ['signatja] ondertekening, 

handtekening. 
sign-board ['sainb3:d] (uithang)bordo. 
signet ['signit] zegel o\ zegelring. 
significance [sig'nifikans] betekenis, 

gewicht o. 
significant [sig'nifikant] veelbeteke- 

nend; veelzeggend; be — of, aan- 

duiden, betekenen; kenmerkend zijn 

voor. 
signification [signifi'keij'an] beteke- 
nis; aanduiding. 
signify ['signitai] betekenen, bedui- 

den; aanduiden; van betekenis zijn. 
signpost ['sainpoust] handwijzer, weg- 

wijzer; stok van een uithanybord. 
silence ['sailans] (stil)2\vijgen o; stil- 

te; pass over in ■ — ■, stiizwijgend 

voorbijgaan; vt doen zwijgen, tot 

zwijgen brengen. 
silencer ['sailansa] geluiddemper. 
silent ['sailantj (stil)zwijgend, stil; 

stom [v. letters]; geruisloos; be — , 



zwijgen. 
silhouette [silu'et] silhouet, schaduw- 

beeld o. 
silk [silk] zijde; aj zijden. 
silken ['silkn], silky ['silki] zijJen; 

zijdeachtig zacht; fig poeslief. 
sill [sil] drempel; vensterbank. 
silly ['sili] onnozel, dom, dwaas, kin- 

derachtig, flauw, gek, sullig. 
silt [silt] slib o\ vi dichtslibben, ver- 

zanden (ook: ■ — up). 
silver ['silva] zilver o\ aj zilveren; 

vt verzilveren. 
silverware ['silvawea] zilverwerk o, 

tafelzilver o. 
silvery ['silvari] zilveren, zilverwit, 

(zilver) blank, zilver-. 
similar ['simila] dergelijk, gelijksoor- 

tig; gelijk, overeenkomstig. 
similarity [simi'lsriti] gelijksoortig- 

heid; overeenkomstf igheid) . 
similarly ['similali] op dezelfde wij- 

ze, insgelijks, evenzo. 
simile ['simili] gelijkenis, vergelijking. 
similitude [si'militju:d] gelijkenis, 

gelijkheid, overeenkomst. 
simmer ['sima] (op 't vuur staan) 

pruttelen. 
simple ['simpl] enkelvoudig; eenvou- 

dig, gev/oon; simpel, onnozel. 
simpleton ['simpltan] hals, onnozele 

bloed. 
simplicity [sim'plisiti] eenvoud(ig- 

heid); onnozelheid. 
simplification [simplifi'keijan] ver- 

eenvoudiging. 
simplify ['simplifai] vereenvoudigen. 
simply ['simpli] eenvoudig, gewoon- 

weg; alleen (maar), enkel. 
simulate ['simjuleit] veinzen, voor- 

wenden, (bedrieglijk) nabootsen. 
simultaneity [simalta'ni:iti] gelijktij- 

digheid. 
simultaneous [simal'teinjas] gelijk- 

sin [sin] zonde; vi zondigen. 

since [sins] sedert, sinds(dien); aan- 

gezien; ever ■ — ■, sedert. 
sincere [sin'sia] oprecht, ongeveinsd. 



sincerely 259 



sketchy 



sincerely [sin'siali] oprecht; yours 

— , uw dienstwillige dienaar enz. 
sincerity [sin'seriti] oprechtheid. 
sinew ['sinju:] zenuw [:= pees], spier. 
sinewy ['sinjui] zenig; gespierd, 

sterk, fors. 
sinful ['sinful] zondig, verdorven. 
sing [sir]] zingen, bezingen. 
singe [sinds] (ver)zengen, (ver)- 

schroeien. 
singer ['sins] zanger. 
singing-bird ['s!i)ir)b3:d] zangvogel. 
single ['sirjgl] enkel; afzonderlijk; al- 

leen; eenvoudig; enig; eenpersoons; 

ongetrouwd; enkele reis; enkelspel 

o\ vt ■ — ■ out, uitkiezen. 
single-handed ['sirjgl'hasndid] alleen, 

zonder hulp. 
singly ['siggli] afzonderlijk, een voor 

een; alleen. 
singsong ['sirjsDij] deun, dreun; aj 

deunend, eentonig. 
singular ['sirjgjuls] enkelvoud o\ aj 

enkelvoudig; bijzonder, zonderling, 

eigenaardig. 
sinister ['sinista] onheilspellend; on- 

gunstig [uiterlijk]. 
sink [sirjk] zinkput; gootsteen; riool 

o 8i v; vi zinken, zakken, dalen; 

fig verflauwen, afnemen, verzinken, 

bezwijken; his heart sank within 

him, de moed begaf hem; vt tot 

zinken brengen; neerlaten; laten 

hangen [het hoofd]; graven, boren 

[put]; graveren [stempel]; delgen 
_ [schuld]. 
sinking-fund ['sif)kir)f\nd] amortisa- 

tiefonds o. 
sinner ['sina] zondaar. 
sinuosity [sinju'Dsiti] bochtigheid; 

kronkeling, bocht. 
sinuous ['sinjuss] bochtig, kronkelig. 
sip [sip] teugje o; vt lepp(er)en, 

slurpen; (in)zuigen. 
siphon ['saifan] fievel; sifon. 
sir [sa:] beer, mijnheer; Sir als titel 

V. baronet of knight. 
sire ['saia] (voor)vader; Sire [als 

aanspreking] . 



siren ['saiaran] sirene. 

sirloin ['sa:bin] frunder)lendestuk o. 

siskin ['siskin] sijsje o. 

sister ['sista] zuster. 

sisterhood ['sistehud] zusterschap a. 

sister-in-law ['sistarinb:] schoonzus- 

ter. 
sisterly ['sistali] zusterlijk, zuster-. 
sit [sit] vi zitten; zitting houden (heb- 

ben); poseren [voor portret]; — 

down, gaan zitten; ■ — ' ii p, recht- 

op of overeind (gaan) zitten, op- 

zitten; he sat up at that, daar keek 

hij van op. 
site [sait] ligging; plekje o\ (bouw)- 

terrein o. 
sitting-room ['sitirjrum] huiskamer; 

zitplaats(en). 
situated ['sitjueitid] gelegen, ge- 

plaatst. 
situation [sitju'eijan] ligging; positie; 

situatie, toestand; plaats, betrekking; 

we are not in a — to..., wij zijn 

niet in staat, wij kunnen niet. 
six [siks] zes; — of one and half a 

dozen of the other, lood om oud 

ijzer; at — es and sevens, overhoop, 

in de war. 
sixteen ['siks'ti:n] zestien. 
sixteenth ['siks'ti:n0] zestiende 

(deel o). 
sixth [siksG] zesde (deel o). 
sixtieth ['sikstiiB] zestigste (deel o). 
sixty ['siksti] zestig. 
sizable ['saizabl] tamelijk dik, groot 

&; flink, behoorlijk. 
size [saiz] grootte, omvang, maat, 

nummer o\ afmeting, formaat o\ 

kaliber o; gestalte. 
skate [skeit] schaats; vi schaatsen. 
skating-rink ['skeitirjrirjk] zie rink. 
skein [skein] streng; kluwen o. 
skeleton ['skelitan] geraamte o, ske- 

let o; fig schets, schema o\ kader o\ 

kern. 
skeleton case ['skelitankeis] krat o. 
sketch [sketj] schets; vt schetsen. 
sketchy ['sketji] schetsmatig, vluch- 

tig; vaag, oppervlakkig. 



ski 



260 



sledge 



ski [Ji:, ski:] ski; vi skien. 

skid [skid] remketting, remschoen; vi 

slippen; glijden; remmen. 
skilful ['skilful] bekwaam, handig. 
skill [skil] bekv/aamheid. 
skilled [skild] bekwaam, bedreven; 

vakkundig; geschoold [arbeider]. 
skim [skim] afschuimen, afromen; 

scheren (langs, over)\ vluchtig door- 

lopen; -~ milk, taptemelk. 
skimmer ['skims] schuimspaan. 
skimp [skimp] krap bedelen, beknib- 

belen; erg zuinig zijn, bezuinigen. 
skimpy ['skimpi] schraal, karig, krap. 
skin [skin] huid, vel o\ schil; by 

the — of one's teeth, net op het 

kantje af; vt met een velletje bedek- 

ken; villen, pellen. 
skinflint ['skinflint] schrielhannes. 
skinny ['skini] broodmager; huid-. 
skip [skip] sprongetje o; vi (touw- 

tje)springen, huppelen; • — {over), 

overslaan [bij 't lezen]. 
skipper ['skipa] schipper [gezagvoer- 

der]. 
skipping-rope ['skipigroup] spring- 
to uw 0. 
skirmish ['skaimij] schermutseling; 

vi schermutselen. 
skirt [sk3:t] slip, pand o\ rand, zoom; 

grens; (vrouwen)rok; vt omzomen, 

begrenzen; langs de rand, zoom of 

kust gaan, varen, &. 
skit [skit] schimpscheut; parodie. 
skittish ['skitij] schichtig; grillig, 

dartel. 
skittle ['skitl] kegel; — s, kegelspel o. 
skittle-alley ['skitlaeli] kegelbaan. 
skull [skAl] schedel; doodskop. 
sky [skai] lucht, iuchtstreek, hemel, 

uitspansel o. 
skylark ['skailaik] leeuwerik. 
skylight ['skailait] dakraam o, val- 

licht 0, bovenlicht o. 
sky-line ['skailain] horizon; silhouet. 
sky-scraper ['skaiskreipa] wolken- 

krabber. 
slab [slash] (marmer)plaat, platte 

steen; plak [koek &], moot [vis]. 



slack [slask] slap, los; laks; loom. 
slacken ['slsekn] (laten) verslappen, 

(ver)minderen; vieren; zijn vaart 

verminderen. 
slack-lime ['slasklaim] gebluste kalk. 
slag [slseg] slak(ken); basic — , slak- 

kenmeel o. 
slain [slein] V.D. van slay; be ■ — ■, 

sneuvelen; the ■ — ', de gevallenen 

(gesneuvelden). 
slake [sleik] lessen; blussen [kalk]. 
slam [slaem] hard dichtslaan. 
slander ['slamds] laster; vt (be)las- 

teren. 
slanderer ['slaindars] lasteraar. 
slanderous ['slaindaras] lasterlijk. 
slang [slsrj] het niet algemeen-be- 

schaafd Engels; dieventaal. 
slant [sla:nt] helling; vi hellen, schuin 

(in)vallen; vt doen hellen, schuin 

houden of zetten. 
slanting ['slamtirj] hellend, schuin. 
slap [slaep] pats, pardoes, vierkant; 

klap, mep; vt slaan, een klap geven, 

meppen. 
slash [slaej] houw, jaap, veeg; vi (om 

zich been) slaan, hakken. 
slate [sleit] lei o [stofnaam], lei v 

[voorwerpsnaam]; a] leien, leikleu- 

rig; vt met leien dekken; jig duchtig 

op zijn kop geven. 
slate-pencil ['sleitpensil] griffel. 
slater ['sleits] leidekker. 
slattern ['slsetan] slons; a] slonzig. 
slaughter ['sb:t3] slachting; bloed- 

bad o\ vt slachten, vermoorden. 
Slav [sla:v] Slaaf; aj Slavisch. 
slave [sleiv] slaaf, slavin; vi slaven, 

sloven. 
slaver ['sleivs] slavenhandelaar; sla- 

venhaler [schip]; ['slseva] kwijl, ge- 

kv.'ijl o\ VI kwijlen. 
slavery ['sleivsri] slavernij. 
slavey ['slasvi] bellenmeisje o. 
slavish ['sleivij] slaafs. 
slay [slei] doden, (,neer)vellen, afma- 

ken, slachten. 
sled [sled] slede, sleetje o. 
sledge [sled^] sle(d)e; voorhamer. 



sleek 



261 



sloth 



sleek [sli:k] glad; gladharig; glanzig; 
fig zalvend. 

sleep [sli:p] slaap; have a — , sla- 
pen; t'i slapen; staan [v. tol]. 

sleeper ['sliips] slaper; slaapkop; 
dwarsligger; slaapwagen. 

sleeping-bag ['sli:pir)baeg] slaapzak. 

sleeping-car ['sli:pii]ka:] slaapwagen. 

sleeping-compartment ['slirpigkam- 
paitmant] slaapcoupe. 

sleeping partner ['sliipirj'paitns] stil- 
le vennoot. 

sleepless ['sli:plis] slapeloos. 

sleep-walker ['slirpwDika] slaapwan- 
delaar. 

sleepy ['sli:pi] slaperig; slaapwek- 
kend; slaap-; melig [v. perenj. 

sleet [sli:t] natte sneeuw of hagel. 

sleeve [sli:v] mouw; laugh in one's 
— , in zijn vuistje lachen; have up 
{in) one's — , achter de hand, in 
petto hebben. 

sleeveless ['sli:vlis] zonder mouwen. 

sleeve-links ['sli:vlir|ks] kettingman- 
chetknopen. 

sleigh [slei] (arre)slede, slee. 

sleight [slait] handigheid, behendig- 
heid; list, kunstgreep. 

slender ['slenda] slank, rank; dun, 
mager, gering; zwak. 

slept [slept] V.T. & V.D. v. sleep. 

sleuth [slu:0] speurhond; fig detec- 
tive; -^ hound, bloedhond. 

slew [slu:] V.T. van slay. 

slice [slais] sneetje o, schijfje o, plak; 
(vis)schep; a — of bread and but- 
ter, een (enkele) boterham; vt in 
sneetjes, dunne schijven of plakken 
snijden. 

slick [slik] glad, rad, vlug, vlot; pre- 
cies; vlak. 

slid [slid] V.T. & V.D. van sltde. 

slide [slaid] glijbaan; hellend vlak o\ 
lantaarnplaatje o; schuif; aardver- 
schuiving; {vt &) vi (laten) glij- 
den, glippen; schuiven; uitglijden. 

slide-fastener t'slaidfaisns] trekslui- 
_ting. 

slide-rule ['slaidru:!] rekenlat, -lini- 



aal. 

slight [slait] geringschatting; put 
{pass) a ■ — ■ on, geringschatten, ver- 
onachtzamen; a] licht; tenger; zvi^ak, 
gering; vt geringschatten; versma- 
den, verontachtzamen. 

slightly ['slaitli] licht; enigszins, iet- 
wat, een beetje. 

slim [slim] slank, smal, dun, schraal. 

slime [slaim] slib o\ slijm o Si m [v. 
aal]. 

slimy ['slaimi] slibberig, glibberig. 

sling [slirj] slinger; verband o, draag- 
band; riem [v. geweer]; vt slinge- 
ren; gooien; ophangen. 

slink [slirjk] (weg)sluipen. 

slip [slip] uitglijding; fig vergissing; 
aardschuiving; (kussen) sloop, over- 
trek o 8i m; stek; band; strook pa- 
pier; scheepshelling; give a person 
the ' — , iemand in de steek laten; 
iemand weten te ontkomen; tiiake a 
■ — ■, zich vergissen; vi slippen, (uit)- 
glijden, (ont) glippen; (weg)sluipen; 
schuiven; /'/ had — ped my memory, 
't was mij ontschoten. 

slipper ['slips] pantoffel, muil, slof. 

slippery ['slipsri] glibberig, glad. 

slipway ['slipwei] sleephelling. 

slit [slit] lange snee, spleet, gleuf; vt 
(door) snijden, splijten; V.T. & V.D. 
van slit. 

slithery ['sliSsri] glibberig. 

slobber ['sbba] kwijlen. 

slog [sbg] kloppartij; vi crop los- 
sl aan ( timmeren ) . 

slogan ['slougan] strijdkreet, leus; 
slagzin. 

sloop [slu:p] sloep. 

slop-basin ['sbpbeisn] spoelkom. 

slope [sloup] schuinte, glooiing, hel- 
ling; vi glooien, hellen, schuin af- 
lopen; vt schuin houden. 

slop-pail ['sbppeil] toiletemmer. 

sloppy ['sbpi] morsig; slordig; fig 
sentimenteel. 

slops [sbps] vuil water o\ spoelsel o. 

slot [sbt] gleuf, sleuf; sponning. 

sloth [slouG] luiheid, traagheid. 



slothful 



262 smudge 



slothful ['slou6ful] lui, traap. 

slough [slau] (modder)poel. 

sloven ['sUvn] sloddervos. 

slovenly ['slAvnli] slordig, slonzig. 

slow [slou] langzaam, traag, loom; 
saai, vervelend; ten minutes ■ — ■, tien 
minuten achter; vi (de) vaart ver- 
minderen (ook — down, up). 

slow-coach C'sloukoutJ] treuzelaar. 

sludge [slAds] modder, slik o. 

slug [sUg] slak (zonder huisje); //.? 
luiaard, leegloper. 

sluggard ['sUgsd] luiaard, luilak. 

sluggish E'slAgiJ] lui, traag. 

sluice [slu:s] sluis. 

sluice-gate ['slu:sgeit] sluisdeur. 

slum [sUm] slop o, achterbuurt. 

slumber ['slAmbs] sluimering; vi slui- 
meren. 

slump [sUmp] plotselinge afname, da- 
ling, malaise; vi plotseling afnemen, 
dalen. 

slung [sUrj] V.T & V.D. v. slirif:,. 

slunk [slAgk] V.T. & V.D. v. slink. 

slur [sb:] klad, smet, vlek; vt losjes 
heenlopen over; laten ineenvloeien; 
wegmoffelen; verdoezelen. 

slush [sIaJ] zie sludge. 

slut [sUt] slons. 

sly [slai] sluw, listig, slim; on the '~, 
otiekem. 

slyboots ['slaibu:ts] slimmerd. 

smack [smask] smak, pats, klap; knal 
[v. zweep]; smaakje o\ geurtje o\ 
tikje o\ tintje o; vt smakken met, 
doen knallen; meppen, siaan op; vi 
•~' oj, smaken naar; jig rieken naar. 

small [sm3;l] klein, gering, weinig; 
kleingeestig; dun [bier]; fijn; — 
talk, beuzelpraatjes; — wares, kra- 
merijen, garen en band. 

smallpox ['smDilpjks] pokken. 

smalt [smDilt] smalt. 

smart [sma:t] scherp, pijnlijk, vinnig; 
flink, vlug, knap, gevat; keurig, 
chic; vi zeer of pijn doen, schrijnen, 
lijden; boeten. 

smarten ['sma;tn] mooi maken, op- 
knappen (ook: -~ up). 



smash [smsej] smak, slag, botsing; 
bankroet o; go {to) ■ — ■, kapot gaan; 
over de kop gaan; vt stukslaan, in- 
slaan, ingooien; stuksmijten; ver- 
morzelen, vernietigen; — ed, ook: 
failliet; vi breken; over de kop gaan. 

smear [smia] vlek, smet, (vette) veeg; 
vt (be)smeren, bezoedelen. 

smell [smel] reuk, geur, lucht, luchtje 
o\ vi (& vt) ruiken (aan); • — out, 
opsporen, achter iets komen. 

smelt [smelt] spiering; V.T. & V.D. 
v. smell; vt [erts] smelten. 

smile [small] glimlach; vi glimlach- 
en, lachen (tegen, om, at); — {up)- 
on, toelachen. 

smirch [sm3:tj] (vuile) plek; veeg, 
klad; jig smet; vt bevuilen, beklad- 
den, besmeuren. 

smirk [sm3:k] gemaakt lachen. 

smite [smait] treffen, slaan, verslaan. 

smith [smiG] smid. 

smithy ['smiSi] smederij, smidse. 

smitten ['smitn] V.D. van smite. 

smock [smsk] kiel. 

smoke [smouk] rook, damp; have a 
"-^l, steek eens op!; vi roken, dam- 
pen; walmen [lamp]; vt roken; be- 
token. 

smoker ['smouka] roker; rookcoupe. 

smoking-carriage ['smoukirjkaerids] 
rookcoupe. 

smoky ['smouki] rokerig, walmend; 
berookt; rook-. 

smooth [smu:3] glad, vlak, effen, 
vloeiend; vlot; jig vriendelijk, vlei- 
end; vt glad, vlak of effen maken, 
gladstrijken, gladschaven; effenen; 
doen bedaren; uit de weg ruimxn 
[moeilijkheden]; bewimpelen [een 
misslag]. 

smote [smout] V.T. van smite. 

smother ['sniASa] smook, walm, stof 
o; vt smoren, verstikken; in de doof- 
pot stoppen (ook: ^ up). 

smoulder ['smoulda] smeulen. 

smudge [smAds] veeg; vlek, smet; vl 
bevlekken, bevuilen, besmeuren; w' 
smetten. 



smudgy 



263 



sobriety 



smudgy ['smAd3i] vuil, smerig. 

smug [smAg] (burgerlijk) net, braaf, 
zelfvoldaan. 

smuggle ['smAgl] smokkelen. 

smuggler ['smAgb] smokkelaar. 

smut [smAt] roet o, roetvlek; vuiltje 
o, vuiligheid. 

smutty E'siiiAti] vuil. 

snack [snaek] hapje o [eten]. 

snack bar ['sna^kba:] snelbuffet o. 

snail [sneil] (huisjes)slak. 

snail-shell ['sneiljel] slakkehuisje o. 

snake [sneik] slang. 

snap [snasp] snap, hapje o, beet; klap, 
knip; knak, breuk, barst; kiekje o\ 
jig gang, fut; vi happen (naar, at); 
(af)knappen (ook — off); klap- 
pen; knippen; vt doen (af)knappen, 
knallen; (toe)snauwen; kieken; — 
up, opvangen; wegkapen; oppikken. 

snappy ['snaepi] knappend; chic; snib- 
big, bits. 

snapshot ['snaspjDt] kiek. 

snare [snea] strik; vt (ver)strikken. 

snarl [sna;l] grauw, snauw; vi grau- 
wen, snauwen, grommen. 

snatch [snastj] ruk, grecp; brok m & 
V oi o [muziek]; by — es, bij tus- 
senpozen; vt (weg)snappen, (weg)- 
rukken, afrukken, (aan)grijpen. 

sneak [sniik] gluiper; (ver)klikker; 
vi gluipen, kruipen; klikken; gap- 
pen. 

sneaky ['sni:ki] gluiperig. 

sneer [snis] spottende grijns(lach) ; 
vi grijnslachen; spotten (met, at). 

sneeze [sni:z] niezen. 

sniff [snif] vi snuiven; snuffelen; -~ 
at, ruiken aan, besnuffelen; fig de 
neus optrekken voor; vt opsnuiven 
(ook: — up); ruiken. 

snigger ['snigs] giechelen, grinniken. 

snipe [snaip] snip, snippen; vi snip- 
pen schieten; verdelit opgesteld 
schieten. 

sniper ['snaips] sluipschutter. 

snivel ['snivl] snotteren, jengelen. 

snob [snob] poen, parvenu. 

snobbish ['snobij], snobby ['snobi] 



snobachtig, poenig. 
snore [snD;] snurken, ronken. 
snort [snD:t] snuiven, proesten, ron- 
ken [v. machine]. 
snout [snaut] snoet, snuit; tuit. 
snow [snou] sneeuw; vi sneeuwen. 
snow-drift ['snoudrift] sneeuwjacht; 

sneeuwbank. 
snowdrop ['snoudrDp] sneeuwklokje o. 
snow-flake ['snoufleik] sneeuwvlok. 
snowy C'snoui] sneeuwachtig, sneeuw- 

wit; besneeuwd; sneeuw-. 
snub [snAb] snauw, hatelijke terecht- 

wijzing; vt afsnauwen [iemand] ; 

minachtend afwijzen. 
snub-nosed ['snAbnouzd] stompneuzig. 
snuff [snAf] snuif. 
snuff-box L'snAfboks] snuifdoos. 
snug [snAg] gezellig, lekker; knus. 
snuggle ['snAgI] knus(sig) liggen, 

zich vlijen. 
so [sou] zo; (o) zo graag, zodanig; 

zulks, dat; dus, derhalve; — there!, 

nu weet je 't!; he was glad and ~' 

was I, en ik ook; 1 believe {think) 

■ — ■, ik geloof (denk) van wel; — 

that, zodat; opdat. 
soak [souk] weken, op-, inzuigen, op- 

slurpen; doordringen, drenken; — ed 

in, fig doorkneed in; '^ed {with 

rain), doornat. 
soaking ['soukig] doorweekt, kletsnat 

(makend); -^^ wet, doornat. 
so-and-so ['souansou] dinges, hoe 

heet-ie ook weer. 
soap [soup] zeep; vt (in)zepen. 
soap-dish ['soupdij] zeepbakje o. 
soap-suds ['soupsAdz] zeepsop o. 
soap-works ['soupw3:ks] zeepfabriek. 
soapy ['soupi] zeepachtig, zeep-. 
soar [sd:] hoog vliegen; zweven; om- 

hoog vliegen; zich verheffen. 
sob [s3b] snik; vi (uit)snikken. 
sober ['souba] sober, matig; nuchter, 

verstandig; bezadigd; stemmig; be- 

scheiden; vt (doen) bedaren, ont- 

nuchteren. 
sobriety [sou'braisti] matigheid, so- 

berheid, bezadigdheid; stemmigheid. 



so-ca 



lied 



264 somebody 



so-called [sou'kD:ld] zogenaamd. 
sociable ['soujsbl] gezellig. 
social ['soujal] maatschappelijk; gezel- 
lig; a — , een (gezellig) avondje o. 
socialism ['soujglizm] socialisme o. 
socialist ['soujalist] socialist; a] 

socialistisch. 
society [ss'saiati] maatschappij; sa- 

menleving; vereniging, genootschap 

0; de (grote) wereld; gezelschap o. 
sock [s3k] sok; mep. 
socket ['s3kit] pijp [v. kandelaar] ; 

kas; holte [v. tand] ; stopcontact o, 

contactdoos; (lamp)houder. 
sod [s3d] zode. 

soda E'souda] soda; spuitwater o. 
sodden ['sDdn] doorweekt, doortrok- 

ken. 
sofa C'soufa] sofa, canape. 
soft [s3ft] zacht, week, slap; jig ver- 

wijfd, zoetsappig; sullig, onnozel; 

be '~ on, verliefd zijn op; a ■ — 

job, een makkelijk baantje o; — 

drinks, niet-alcoholische dranken; -^ 

goods, manufacturen. 
soften ['sDfn] vi zacht, week worden; 

milder gestemd, vertederd worden 

(ook: • — • down); vt zacht maken, 

verzachten, lenigen; jig verw'ekelij- 

ken; vermurwen. 
soggy ['sDgi] drassig, vochtig. 
soil [sDil] grond, bodem, land o\ 

smet, vlek; vuil o; vt (be)smetten, 

bevlekken, bevuilen. 
sojourn ['sDdsain] (tijdelijk) verblijf 

o, verblijfplaats; vi (tijdelijk) ver- 

blijven, vertoeven. 
solace ['sDbs] troost, verlichting; vt 

(ver)troosten, verlichten. 
solar ['soub] zons-, zonae-. 
sold [sould] V.T. & V.D. v. sell. 
solder ['sDlda] soldeersel o\ vt sol- 

deren. 
soldier ['souldss] soldaat, krijgsman; 

go jar a — , soldaat worden. 
soldierly ['sould33li] krijgshaftig, 

soldaten-. 
soldiery ['souldjSri] krijgsvolk o, 

soldaten. 



sole [soul] zDol; tong [vis]; ai 

enig; vt zolen. 
solely ['soulli] alleen, enkel, uitslui- 

tend. 
solemn ['sDlam] plechtig, plechtsta- 

tig, deftig, ernstig. 
solemnity [sD'lemniti] plechtigheid. 
solemnize ['sDbmnaiz] (plechtig) 

vieren, voltrekken. 
solicit [ss'lisit] vragen, verzoeken 

om; dingen naar. 
solicitation [ssiisi'teijan] aanzoek o, 

verzoek o. 
solicitor [ss'lisits] verzoeker; procu- 

reur; rechtskundig adviseur. 
solicitous [sa'lisitss] bekommerd, be- 

zorgd; begerig (naar, oj), verlan- 

gend, crop uit (om, to). 
solicitude [ss'lisitju-.d] bezorgdheid. 
solid C'sDlid] vast; stevig, sterk, flink, 

solide; solidair; betrouwbaar; dege- 

lijk; massief; kubiek. 
solidarity [sDli'dEriti] solidariteit, 

saamhorigheid. 
solidarize ['sDlidaraiz] zich solidari- 

seren. 
solidity [ss'liditi] vastheid; stevig- 

heid; soliditeit. 
soliloquy [sa'libkwi] alleenspraak. 
solitary ['sDlitari] eenzaam, verlaten, 

afgezonderd; eenzelvig; op zich zelf 

staand; enig, enkel. 
solitude ['sDlitju:d] eenzaamheid. 
soluble ['sDljubl] oplosbaar. 
solution [s3'l(j)u;j3n] oplossing, ont- 

binding. 
solvable ['s^lvabl] oplosbaar. 
solve [sdIv] oplossen. 
solvency ['sDlvsnsi] vermogen o om 

te betalen, soliditeit. 
solvent ['solvsnt] oplossend, ontbin- 

dend; solvent, solide. 
sombre ['sDmba] somber, donker. 
some [sAm, sam] enige, wat, iets, 

sommige(n); de een of ander, een; 
wat, .een beetje; zowat, ongeveer; 
that's ■ — ■ hatl, dat is nu nog eens 
een hoed! 
somebody ['sAmbsdi] iemand. 



somehow 



265 



sovereignty 



somehow ['sAmhau] op de een of an- 

dere wijze, hoe dan ook (ook: — 

or other), toch. 
someone ['sAmwAn] zie sotnebody. 
eomersault ['sAm3S3:it] salto-mortale, 

duikeling, buiteling. 
something ['sAmBirj] iets, wat; — or 

other, het een of ander, iets. 
sometime ['sAmtaim] vroeger, voor- 

malig, ex-; te eniger tijd; eens; 

soms. 
sometimes ['sAmtaimz] soms. 
somewhat E'sAmwDt] enigszins, ietw^at. 
somewhere ['sAmw63] ergens. 
somnolence ['sDmnalsns] slaperig- 

heid. 
somnolent ['sDmnabnt] slaperig. 
son [sAo] zoon. 
song [s3r)] zang, lied o; gezang o\ 

at {for) a ■~, voor een appel en 

een ei. 
son-in-law ['sAninb:] schoonzoon. 
sonorous [s3'n3:r3s] (helder)klinkend, 

welklinkend, klankrijk. 
soon [su:n] spoedig, weldra, gauw; 

vroeg; as {so) — as, zodra; / 

would just as — ..., ik mag net zo 

lief...; — er, vroeger; liever, eerder; 

no — er... than..., nauwelijks... of 

...; — er or later, vroeg of laat; the 

— er the better, hoe eer hoe beter. 
soot [sut] roet o. 
soothe [su:3] verzachten, sussen, stil- 

len, bevredigen. 
soothsayer ['suiGseia] waarzegger. 
sooty E'suti] roet(acht)ig, roet-. 
sop [sDp] sop(je) o\ vt soppen. 
sophisticated [ss'fistikeitid] gekun- 

steld, onnatuurlijk; wereldwijs; ver- 

wend [smaak]. 
soprano [s3'pra:nou] sopraan. 
sorb [sD:b] lijsterbes. 
sorcerer ['sDissra] tovenaar. 
sorceress L'sjisaris] toveres, heks. 
sorcery ['sDisari] toverij, hekserij. 
sordid ['sD:did] smerig, vuil, laag; 

gierig. 
sore [sd:] rauwe, pijnlijke pick, zeer 

o; a] pijnlijk, gevoelig, hevig; be 



{feel) — at, het land hebben over; 

have a — throat, keelpijn hebben. 
sorely ['sD.ii] zeer, erg, hard, 
soreness ['sDinis] pijnlijkheid; ont- 

stemming. 
sorrel E'sDrsl] zuring; rosse kleur; 

vos [paard]; aj rosachtig. 
sorrow ['sDrou] droefheid, smart, 

leed(wezen) o; vi treuren. 
sorrowful ['sDrouful] bedroefd, treu- 

rig- 

sorry ['sari] bedroefd, bedroevend, el- 
lendig; (7 am) '~, het spijt me; 
neem mij niet k\\'alijk, pardon! 

sort [s3:t] soort; slag o\ in a — of 
way, in zekere zin, op zijn (haar) 
manier; nothing of the — , niets 
van dien aard; niets daarvan!; out 
of '—'S, niet erg lekker; uit zijn 
humeur; — of, om zo te zeggen, 
een beetje; vt sorteren, rangschik- 
ken, uitzoeken; vi ^-^ well with, 
goed komen bij, stroken met. 

sorter ['sDita] sorteerder. 

sot [sDt] zuiplap, nathals. 

sough [sAf] suizen. 

sought [sD:t] V.T. & V.D. v. seek. 

soul [soul] ziel. 

sound [saund] geluid o, klank, toon; 
zeeengte; sonde; vi klinken, luiden, 
weerklinken, galmen; vt laten klin- 
ken; laten horen; uitbazuinen; son- 
deren, peilen; fig onderzoeken; pol- 
sen; -- an alarm, alarm blazen 
(slaan); aj gezond, gaaf, flink, vast, 
krachtig, grondig; betrouwbaar, so- 
lide, degelijk. 

soup [su:p] soep. 

sour ['saua] zuur maken (worden), 
verbitteren; verzuren; aj zuur; ge- 
melijk, nors; naar [weer]. 

source [s3:s] bron; fig oorsprong. 

south [sau6] zuiden o; aj zuidelijk, 
zuid(en)-, zuider-. 

southerly ['saSsIi] zuidelijk. 

southern ['sASsn] zuidelijk, zuider-. 

sovereign ['sovrin] soeverein [ook ^ 
geldstuk van 1 pond]. 

sovereignty ['sDvrinti] soevereiniteit. 



soviet 



266 



specimen 



soviet [s3vi'et] sovjet. 

sow [sau] zeug; schuitje o [tin &]; 

[sou] vt (be)2aaien, (uit-, be)- 

strooien. 
sow-bug ['saubAg] kelderpissebed. 
sown [soun] V.D. van sow. 
soy [sDi], soya ['sDia] soja(boon). 
Spa [spa:] Spa o [in Belgie] ; spa, mi- 

nerale bron; badplaats. 
space [speis] ruimte, wijdte, afstand; 

plaats; tijdruimte, tijd; spatie; vt 

spatieren. 
spacious ['speijas] wijd, ruim, groot. 
spade [speid] spade, schop; — \, 

schoppen [in kaartspel]. 
Spain [spein] Spanje o. 
span [spsn] span o\ spanne tijds; 

spanning; vt spannen, om-, over- 

spannen, afmeten; overbruggen; 

V.T. van spin. 
spangle ['spasrjgl] lovertje o\ vt met 

lovertjes versieren; '-~d with, be- 

zaaid met. 
Spaniard ['spaenjad] Spanjaard 
spaniel ['spEenjal] patrijshond. 
Spanish ['spsnij] Spaans. 
spank [spaerjk] (een pak) slaag geven. 
spanker ['spaerjka] kanjer. 
spanking ['spaerjkir)] rammeling; aj 

groot, stevig; flink; heerlijk, gewel- 

dig. 
spanner ['spaena] schroefsleutel. 
spar [spa:] spar; spaat o\ boks-, klop- 

partij; kibbelpartij; ;// boksen, er op 

los slaan; kibbelen. 
spare [spEa] waarloos stuk o\ reserve- 

deel o; aj schraal, mager; waarloos, 

reser;e-; ■ — {bed)room, logeerka- 

mer; -~ hours {moments), vrije 

uren, verloren ogenblikken, vt (be)- 

sparen; zuinig zijn met; ontzien; 

missen; [iem. iets] geven, gunnen; 

verschonen van; enough and to --~-, 

meer dan genoeg; / have no titne 

to '—', ik heb geen tijd over. 
sparing (ly) ['sp83rif)(li)] spaarzaam, 

zuinig. 
spark [spa:k] vonk, sprank, vonkje o. 

sprankje o\ vi vonken. 



sparking-plug ['spa:kir)plAg] bougie. 
sparkle ['spa:kl] sprank, vonk; ge- 

fonkel o, schittering, glans; tinte- 

ling; vi sprankelen, fonkelen, schit- 

teren; tintelen. 
sparklet ['spa:klit] vonkje o. 
sparrow ['spasrou] mus. 
sparrow-hawk ['sp£erouhD:k] sperwer. 
sparse [spa:s] dun (gezaaid), ver- 

spreid; schaars. 
Spartan ['spa:t3n] Spartaan; aj Spar- 

taans. 
spasm [spa;zm] kramp (trekking). 
spasmodic [spsz'msdik] krampachtig; 

bij vlagen, onregelmatig. 
spat [spajt] in: — s, slobkousen; V.T. 

& V.D. V. spit. 
spate [speit] hoogwater o; jig stroom; 

a river in ■ — ■, een onstuimig was- 

sende rivier. 
spatter ['spasta] (be)spatten. 
spawn [spD;n] kuit. 
speak [spi:k] spreken; uitspreken, uit- 

drukken; so to — , om zo te zeg- 

gen; ~' up, hardop spreken; begin- 

nen te spreken; vrijuit spreken. 
speaker ['spi:k3] spreker; the Speaker, 

Ah. Speaker, de voorzitter van het 

Lagerhuis. 
speaking ['spi:kir)] sprekend; spreek-; 

tve are not on ■ — ■ terms, wij spre- 
ken elkaar niet (meer). 
spear [spia] speer, spiets. 
special t'spejal] bijzonder, speciaal, 

extra-. 
speciality [speji'aeliti] specialiteit. 
specialize ['spejslaiz] in bijzonder- 

heden aangeven; zich speciaal toe- 

leggen (op, in'). 
specialty ['spejslti] specialiteit. 
species ['spi:J'i:z] soort; geslacht o. 
specific [spi'sifik] soortelijk, specifiek, 

soort-; speciaal, bepaald, nauwkeu- 

rig, uitdrukkelijk; ~ to..., eigen 

aan... 
specify ['spesifai] specificeren, gede- 

tailleerd opgeven, vermelden. 
specimen ['spesimin] proef; staaltje o, 

voorbeeld o\ exemplaar o. 



specious 267 

specious ['spi:j3s] schoonschijnend. 

speck [spek] smetje o, spatje o, spik- 
kel; vt spikkelen, vlekker.. 

speckle ['spekl] spikkel; vt spikke- 
len. 

specs [speks] bril. 

spectacle ['spektskl] schouwspel o, 
vertoning, toneel o; {pair of) ■ — s, 
bril. 

spectacular [spek'tikjulo] spectacu- 
lair, opzienbarend, groots. 

spectator [spek'teits] toeschouwer. 

spectral ['spektrsi] spookachtig, 
spook-; spectraal. 

spectre ['spekts] spook o, geest. 

speculate ['spekjuleit] peinzen, be- 
spiegelingen houden; speculeren. 

speculation [spekju'leij'an] bespiege- 
ling, beschouwing; speculatie. 

speculative ['spekjubtiv] speculatief, 
bespiegelend, beschouwend. 

speculator ['spekjuleita] speculant. 

sped [sped] V.T. & V.D. v. speed. 

speech [spi:tj] spraak, taal; rede- 
(voering), toespraak. 

speechless ['spi:tjlis] sprakeloos, stom 
(van, with). 

speed [spi:d] spoed, snelheid, vaart, 
haast; versnelling; (at) full '^, met 
voile kracht, in voile vaart, spoor- 
slags; ui zich spoeden, voortmaken, 
hard rijden; vt bespoedigen; bevor- 
deren; -^^ up, bespoedigen, versnel- 
len, verhaasten. 

speed limit ['spi:dlimit] (voorge- 
schreven) maximumsnelheid. 

speed-up [spi:d'Ap] bespoediging, 
versnelling, verhaasting. 

speedway ['spi:dwei] (auto)snelweg; 
speedway [sintelbaan voor motor- 
renners]. 

speedy ['spi:di] spoedig, snel, vlug. 

spell [spel] betovering, tovermacht, 
-kracht; tijdje o, poos, periode; 
beurt; at a — , achtereen; at — s, 
bij tijden; by — s, om de beurt, bij 
tussenpozen; vt spellen; betekenen. 

spellbound ['spelbaund] als betoverd. 

spelling C'spelir)] spelling. 



spinning-top 



spelt [spelt] V.T. & V.D. v. spell. 

spelter ['spelto] zink o. 

spend [spend] uitgeven, besteden; 
doorbrengen [tijd]; verbruiken, ver- 
teren, verkwisten; — oneself, zich 
uitputten, afmatten; uitrazen [v. 
storm]. 

spendings ['spendigz] uitgaven. 

spendthrift ['spendBrift] verkwister; 
aj verkwistend. 

spent [spent] V.T. & V.D. v. spend; 
aj ge-, verbruikt, uitgeput, op. 

spew [spju:] (uit)spuwen. 

sphere [sfia] sfeer; bol; globe; fig 
(werk)kring, arbeidsveld o, omvang, 
gebied o. 

spherical ['sferikl] bolrond, bol-. 

sphinx [sfirjks] sfinx. 

spice [spais] specerij, kruiderij; vt 
kruiden. 

spick (-) and (-) span ['spikan'spaen] 
(spik)splinternieuw (- — ;z^z^);piek- 
fijn, keurig. 

spicy ['spaisi] gekruid, kruiden-; geu- 
rig, pikant, keurig, net. 

spider ['spaida] spin. 

spike [spaik] aar; spijl; punt; pen; vt 
(dicht)spijkeren; vernagelen [ka- 
non]; van punten voorzien. 

spill [spil] (stort)bui; val, tuimeling; 
vt storten, vergieten [bloed], morsen 
[melk], omgooien, afwerpen [rui- 
ter]; vi overlopen. 

spilt [spilt] V.T. & V.D. V. spill. 

spin [spin] (rij)toertje o; vt spinnen; 
laten (doen) draaien; vi (in de 
rondte) draaien; • — ■ along {on one's 
bike), (voort)rollen. 

spinach, spinage ['spinids] spinazie. 

spinal ['spainal] ruggegraats-; '~ 
column, ruggegraat. 

spindle ['spindl] spil, as; spoel. 

spindle-legs ['spindllegz] spillebenen. 

spine [spain] doom, stekel; rugge- 
graat; rug. 

spineless ['spainlis] zonder rugge- 
graat; fig slap, futloos. 

spinning-mill ['spinirjmil] spinnerij. 

spinning-top ['spinirjtop] draaitol. 



spinning-wheel 268 



spinning-wheel ['spinir|wi:l] spinne- 

wiel 0. 
spinster ['spinsta] jongedochter, oude 

vrijster; ongehuwde vrouw. 
spiral ['spaiarsl] spiraal; a] spiraal 

vormig; kronkelend. 
spire ['spais] (gras)spriet; punt, spits 

[v. toren]; kronkeling. 
spirit ['spirit] geest; (geest)kracht; 

moed, durf; bezieling; gevoel o, 

zin, aard; spiritus, sterke drank; 

• — s, levensgeesten, bewustzijn o\ 

stemming; spiritualien, brandewijn; 

he in {high) -^s, opgeruimd zijn; 

in low — s, neerslachtig; enter i n- 

t o the — oj the thing, de situatie 

snappen (en ook meedoen); vt aan- 

moedigen; — away (off), wegmof- 

felen. 
spirited ['spiritid] bezield; geani- 

meerd; levendig, vurig; moedig. 
spiritless ['spiritlis] geesteloos, leven- 

loos, moedeloos, futloos. 
spirit-stove ['spiritstouv] theelichtje o. 
spiritual ['spiritjual] geestelijk, gees- 

tes-. 
spirituous ['spiritjuas] geestrijk, al- 

coholisch. 
spit [spit] (braad)spit <?; landtong; 

speeksel o; the very {living, dead) 

— of his father, het evenbeeld van 

zijn vader; vi spuwen; ,,blazen" 

[kat]. 
spite [spait] boosaardigheid, wrok, 

wrevel; {in) ■ — • of, ten spijt van, 

in wfeerwil van, ondanks; vt erge- 

ren; dwarsbomen. 
spiteful ['spaitful] nijdig, boosaardig; 

spijtig, hatelijk. 
spitfire ['spitfaia] driftkop, kribbe- 

kat. 
spittle ['spitl] speeksel o. 
splash [splsej] geklater o, geplas o, 

plons; klets, kwak; niake a — , op- 

zien baren; geuren; vt bespatten, be- 

modderen; vi spatten, plassen, plon- 

zen, ploeteren. 
splash-board ['splasJbDid] spatbord o. 
spleen [spli:n] milt, miltzucht; fig 



spoon 

zv/aarmoedigheid. 

splendid ['splendid] prachtig, luister- 
rijk, schitterend. 

splendour ['splends] (schitterende) 
pracht, luister, praal. 

splice [splais] splitsen [touw]. 

splinter ['splints] splinter; vt (ver)- 
splinteren. 

split [split] spleet, scheur(ing), split- 
sing, breuk; vt splijten; samen de- 
len; verdelen; splitsen; — hairs, 
haarkloven; vi barsten; zich split- 
sen; V.T. & V.D. v. split. 

spoil [spoil] buit (gewoonlijk — s)\ 
vt bederven; (be-, ont)roven, (uit)- 
plunderen. 

spoil-sport ['spailspDit] spelbederver. 

spoil-trade ['spailtreid] kladder, 
marktbederver; spelbederver. 

spoke [spouk] spaak, sport; vt van 
spaken voorzien; een spaak steken 
in; V.T. van speak. 

spoken ['spoukn] V.D. van speak. 

spokesman ['spoukzman] woordvoer- 
der. 

spoliate ['spoulieit] (be)roven, (uit)- 
plunderen. 

spoliation [spouli'eijan] beroving, 
plundering. 

sponge [spAnd3] spons; vt (af)- 
sponzen; vi fig klaplopen. 

sponge-cake ['spAnd3keik] Mosco- 
visch gebak o. 

sponger ['spAnd33] klaploper. 

spongy ['spAndsi] sponsachtig. 

sponsor ['sponsa] doopvader, peetoom; 
doopmoeder, peettante; berg; stand 
■ — ■, borg (peet) zijn; vt peet zijn 
over, ten doop houden; — ed by, 
ook: onder de auspicien van, ge- 
steund door. 

sponsorship ['spansajip] peetschap o. 

spontaneous [span'teinjas] spontaan, 
ongedwongen, natuuriijk. 

spook [spu:k] spook o. 

spool [spu:l] spoel, klos. 

spoon [spu:n] lepel; be {dead) —s 
on, verliefd zijn op...; vi vrijen; 
liet hof maken. 



sporadic 269 

sporadic [spa'rasdik] sporadisch. 

sport [spD:t] spel o, vermaak o, tijd- 
verdrijf o\ speling (der natuur); 
speelbal; scherts; sport; h^s a — , 
een bovenste beste; old — /, ouwe 
jongen!; in — , voor de aardigheid; 
make ^- of, zich vrolijk maken over, 
belachelijk maken, voor de gek hou- 
den; vi spelen, dartelen, schertsen; 
vt ten toon spreiden, geuren met; 
crop na houden. 

sportful ['spD:tful] speels, dartel. 

sporting ['sp3:tig] jacht-, sport-; 
sportief. 

sportive ['sp3:tiv] zie sportful. 

spot [spot] vlek, spat, plek; in — s. 
hier en daar; on the ■ — •, ter plaat- 
se, op de plaats (zelf); op staande 
voet; vt bevlekken, bezoedeien; 
spikkelen; in de gaten krijgen, ont- 
dekken. 

spotless ['spDtlis] smetteloos, vlekke- 
loos. 

spotlight ['spDtlait] zoeklicht o; berm- 
lamp. 

spouse [spauz] eega, echtgenoot, echt- 
genote. 

spout [spaut] spuit, pijp, tuit, (dak)- 
goot; straal [v. bloed]; up the — , 
in de lommerd; vi spuiten, spatten; 
gutsen; declameren. 

sprain [sprein] verrekking, verstui- 
king; vt verrekken, verstuiken. 

sprang [sprset)] V.T. v. spring. 

sprat [spraet] sprot. 

sprawl [spr3:I] nonchalant (gaan) lig- 
gen; verspreid liggen; zich onregel- 
matig verspreiden; spartelen. 

spray [sprei] takje o, rijsje o\ boe- 
ketje o; stofregen; sproeier; sproei- 
middel o; vt (be)sproeien, (be)- 
spuiten. 

spread [spred] verbreiding, versprei- 
ding; uitgestrektheid; omvang; span- 
ning, vlucht [v. vleugels]; sprei; 
tafelkleed o\ smeersel o\ fuif, maal 
o\ vt uit-, verspreiden, uit-, ver- 
breiden; uitstrooien; (be)smeren 
[brood]; verdelen; vi zich uit-, ver- 



spurt 



spreiden, zich uit-, verbreiden, zich 
uitstrekken; V.T. & V.D. v. spread. 

spree [spri:] fuif, pretje o. 

sprig [sprig] takje o, twijgje o, rijs- 
je o. 

sprightly ['spraitli] levendig, opge- 
wekt. 

spring [sprig] sprong; lente; bron, 
oorsprong; veerkracht; veer; vi 
springen, ontspringen, voortsprui- 
ten (uit, from), opkomen [gewas- 
sen]; vt doen (op)springen; opja- 
gen [wild]; laten springen; springen 
over; van veren voorzien; — a leak, 
een lek krijgen. 

spring-board ['sprirjboid] springplank. 

springe [sprindj] lus; (val)strik. 

spring-tide ['sprirjtaid] springvloed. 

spring-time ['sprirjtaim] lente. 

springy ['sprigi] veerkrachtig. 

sprinkle ['sprigkl] (be)sprenkelen; 
(be)strooien. 

sprinkler ['sprigkb] sproeier; sproei 
wagen; sprengkwast. 

sprinkling ['sprirjklir)] (be)sprenke- 
ling; klein aantal o, beetje o; a 
pretty large ■ — ■ of..., heel wat — 

sprint [sprint] sprint [korte afstands- 
wedloop]; vi sprinten; hem sme- 
ren. 

sprit [sprit] spriet [v. schip]. 

sprout [spraut] spruitje a, scheut; vi 
(uit)spruiten, uitlopen. 

spruce [spru:s] spar, sparreboom; aj 
net gekleed, knap, zwierig. 

sprung [sprAi]] V.D. v. spring. 

spry [sprai] kwiek, mooter. 

spume [spju:m] schuim o. 

spun [spAn] V.T. & V.D. v. spin. 

spunk [spAfjk] fut, lef o & m. 

spur [spa;] spoor; spoorslag, prikkel; 
uitloper, tak; zijlijn; on the — (of 
the moment'), op staande voet, da- 
delijk; vt sporen; aansporen (ook 
— on). 

spurious ['spjusriss] onecht, nage- 
maakt, vals. 

spurn [sp3:n] versmaden, afvvijzen. 

spurt [sp3:t] straal; uitbarsting, vlaasi ■ 



sputter 



270 



staid 



spurt; VI spurten; jig alle krachten 
bijzetten; spuiten; spatten [v. pen] . 

sputter ['spAta] sputteren. 

spy [spai] bespieder, spion; vt in het 
oog krijgen; bespieden, verspieden; 
■ — ■ out, uitvorsen; verkennen; vi 
spioneren; — up {on), bespioneren. 

spy-glass ['spaigla;s] kijker. 

spy-hole ['spaihoul] kijkgat o. 

spy-mirror ['spaimira] spionnetje o. 

squab [skwob] dik (en vet). 

squabble ['skwDbl] gekibbel o, gehar- 
rewar <?; vi kibbelen, krakelen. 

squad [skwod] escouade; troep. 

squadron ['skwadrsn] eskadron o\ es- 
kader o\ [v. vliegtuigen] escadrille. 

squalid ['skwolid] smerig, vuil; ge- 
meen. 

squall [skwDil] gil, schreeuw; wind- 
vlaag, bui. 

squalor ['skwola] vuil o, vuilheid. 

squander ['skwDnda] verkwisten. 

square [skwSs] vierkant o, kwadraat 
o; plein o\ tekenhaak; act on the 
— , eerlijk handeien (zijn); aj vier- 
kant; recht(hoekig); jig eerlijk; 
quitte; a — meal, een flink maal o\ 
vt vierkant maken; in hct kwadraat 
verheffen; vereffenen; ■ — ' oneselj, 
zich in postuur zetten; vi kloppen 
(met, with); zich in postuur zet- 
ten (ook: — up); ■ — • up, afrekenen. 

squash [skvirDj] klets; kwak; pulp; 
moes o; kwast [limonade]; vt kneu- 
zen, tot moes maken; verpletteren; 
jig de mond snoeren, smoren; ver- 
nietigen [vonnis]. 

squat [skwDt] hurken, op de hurken 
gaan zitten; aj gedrongen, kort en 
dik. 

squeak [skwi:k] gepiep o, gilletje o; 
vi piepen; klikken. 

squeamish ['skwi:mij] (licht) misse- 
lijk; kieskeurig, nauwgezet. 

squeeze [skwi:z] (hand)druk; omhel- 
zing; /'/ was a {tight) — , het was 
een heel gedrang; het spande er; 
het was een harde dobber; vt 
drukken; persen, af-, uitpersen; om- 



helzen. [o. 

squib [skwib] voetzoeker; schotschrift 

squint [skwint] schele blik; aj 
scheel; vi scheel zien. 

squire ['skwaia] schildknaap; land- 
edelman; (landjjonker. 

squirm [skwaim] zich kronkelen, zich 
in allerlei bochten wringen. 

squirrel ['skwiral] eekhoorntje o. 

squirt [skw3:t] spuit, spuitje o; straal; 
vt (uit) spuiten. 

stab [stccb] (dolk)steek; vt (door)- 
steken; doodsteken; de doodsteek 
geven. 

stability [sts'biliti] vastheid, duur- 
zaamheid; standvastigheid. 

stabilize ['staebilaiz] stabiliseren. 

stable E'steibl] stal; vt stallen; aj sta- 
biel, vast, duurzaam; standvastig. 

stack [stask] hoop, stapel; (hooi)mijt; 
schoorsteen(pijp); rot o [geweren]; 
vt opstapelen. 

stadium ['steidiam] stadion o. 

staff [sta:f] staf, stok [v. vlag]; jig 
steun; on the — , tot het personeel 
behorend; bij (van) de- staf; vt van 
personeel voorzien. 

stag [staeg] (mannetjes)hert o. 

stage [steid3] stellage, steiger; toneel 
o; pleisterplaats, etappe; jig trap, 
stadium o; be on the — , op het to- 
neel zijn; bij het toneel zijn; vt ten 
tonele voeren, opvoeren; op touw 
zetten. 

stage-coach ['steidskoutj] diligence. 

stage-manager ['steid3m2enid33] re- 
gisseur. 

stagger ['steega] (doen) waggelen, 
wankelen; versteld doen staan; zig- 
zag of trapsgewijze plaatsen; sprei- 
den [v. werktijd c&]; • — ed holidays, 
vakantiespreiding; that ^ — s beliej, 
dat is niet te geloven. 

stagnancy ['stsgnansi] stilstand. 

stagnant E'sticgnant] stilstaand, stil. 

stagnate ['staegneit] stilstaan. 

stagnation [stasg'neijan] stilstand. 

staid [steid] bezadigd, ernstig, stem- 
mig. 



stain 



271 



standstill 



stain [stein] vlek, schandvlek, schan- 
de; kleur-, verfstof; belts; vt vlek- 
ken; bezoedelen; (bont) kleuren, 
beitsen; verven, (be)schilderen; 
stained-glass window, gebrandschil- 
derd raam o. 

stainless ['steinlis] vlekkeloos, smette- 
loos; roestvrij. 

stair [stes] trede, trap; — s, trap; 
down — s, (naar) beneden; up — s, 
(naar) boven. 

staircase ['stEskeis] trap. 

stairway ['steawei] trap. 

stake [steik] staak, paal; brandstapel; 
inzet; prijs; aandeel o\ he at — , 
op het spel staan; at the --^ , op de 
brandstapel; vt om-, afpalen, afba- 
kenen; stutten; inzetten, op het spel 
zetten, wedden; zetten (op, on). 

stale [steil] oudbakken, verschaald, 
muf, oud, afgezaagd; overwerkt; vi 
verschalen, verflauwen. 

stalemate ['steil'meit] pat [schaak- 
spel]; dood punt o, impasse; vt 
vastzetten. 

stalk [stDik] steel, Stengel; vi statig 
stappen, schrijden; sluipen. 

stall [st3:l] stal, kraam, stalletje o; 
koorstoel; stallesplaats. 

stallion ['stasljanj fdek)hengst. 

stalwart ['stDilwat] flink, stoer, kloek, 
fors; standvastig, trouw. 

stamen ['steimen] meeldraad. 

stammer ['stsems] stotteren. 

stamp [stasmp] stampen o; stempel 
m [werktuig]; stempel o &. m '=■ 
merk o, zegel o; (post)zegel m\ 
soort, slag o; vt stampen (met, op); 
stempelen; zegelen, frankeren; — 
one's foot, stampvoeten; — on the 
mind, inprenten; — out, uittrap- 
pen; uitroeien; dempen. 

stamp-duty ['st£empdju:ti] zegelrecht o. 

stamp-paper ['staemppeips] gezegeld 
papier o. 

stanch [sta:n]] stelpen. 

stand [stasnd] stand, stilstand; ( stand) - 
plaats, stelling; weerstand; statief o; 
lessenaar; stalletje o, kraampje o; 



tribune; make a "-■, blijven staan, 
halt houden; zich staande houden; 
make a ' — against, zich schrap zet- 
ten tegen; make a — for, opkomen 
voor; take one's — , post vatten, 
gaan staan; come to a • — ■, tot staan 
komen, blijven (stil) staan; vi staan; 
gaan staan; (van kracht) blijven; 
stilstaan; stand houden; zijn; — 
b y, er bij staan; zich gereed hou- 
den; ■ — by a person, iemand bij- 
staan, het voor iemand opnemen; ^^ 
by one's convictions, zich houden 
aan, trouw blijven aan zijn over- 
tuiging; ■ — • for Parliament, kan- 
didaat zijn voor het Parlement; — 
out, uitstaan; uitsteken (boven, 
above); zich aftekenen (tegen, 
against); het uithouden; zich afzij- 
dig houden; — to, staan bij; aan 
de zijde (gaan) staan van; — to it, 
stand houden; op zijn stuk blijven 
staan; volhouden; — up against, 
stand houden tegen, weerstaan; — 
with, aan de zijde staan van; vt 
doen staan, (neer)zetten, opstellen; 
doorstaan, uitstaan, verdragen, dul- 
den, uithouden; weerstaan; -^^ 
drinks, rondjes geven. 

standard ['stsendad] standaard, vlag, 
vaandel o; maatstaf, peil o, gehalte 
o, klasse; stander, paal, (licht)mast. 

standard-bearer ['stasndadbears] 
vaandeldrager. 

standardization [ stiendadai'zeijan] 
standaardisatie. 

standardize ['stasndsdaiz] standaardi- 
seren. 

stand-by ['staendbai] steun, uitkomst. 

standing ['stasndirj] staanplaats; posi- 
tie, stand; duur; of long {old) ~', 
al van oude datum, (al) oud; aj 
staand; blijvend; vast [uitdrukking, 
regei], permanent. 

standing-room ['stasndigrum] staan- 
plaats (en). 

standpoint ['staendpDint] standpunt o, 

standstill ['staendstil] stilstand, staan 



stand-up 



272 



stayer 



stand-up ['stasndAp] staand [v. boord] 

stank [staerjk] V.T. v. stink. 

stanza ['stsenza] couplet o. 

staple E'steipl] (hoofd)produkt o, 
hoofdbestanddeel o\ stapelplaats, 
markt; a] stapel-; voornaamste, 
hoofd-. 

star [sta:] ster; vt met sterren tooien; 
met een sterretje tekenen; ais „ster' 
(laten) optreden. 

starboard ['staibord] stuurboord. 

starch [staitj] stijfsel o\ vt stijven. 

stare [stea] starre blik; vi grote ogen 
opzetten, staren; • — out of coun- 
tenance, (door aankijken) van zijn 
stuk brengen. 

starfish ['starfij] zeester. 

stark [stark] stijf, strak; grimmig; 
naakt; bar; kras; totaal, geheel en 
a]; — mad, stapelgek. 

starling ['starlirj] spreeuw. 

start Tstait] sprong, sprongetje o; 
ruk; voorsprong, voordee] o\ start, 
afrit, vertrek c; begin o\ give a 
~, opspringen; give a person a 
— , iemand doen opschrikken; at 
the • — ■, in het begin; bij liet ver- 
trek; jr07n — to finish, van het be- 
gin tot het einde; vi (op)springen, 
(op)schrikken; beginnen; vertrek- 
ken; starten; vt beginnen; aan de 
gang maken, aanzetten; te berde 
brengen; opjagen [wild]; ■ — one 
laughing, iemand aan 't laciien ma- 
ken. 

startle ['staitJ] doen schrikken; doen 
opkijken, verbazen, verrassen. 

startling ['staitlirj] verrassend, ver- 
bluffend, opzienbarend, ontstellend. 

starvation [sta/veijsn] uithongering; 
hongerlijden o\ hongerdood; gebrek 
o; aj honger-. 

starve [sta:v] honger lijden, (ver)- 
hongeren; gebrek lijden; uitlionge- 
ren; gebrek laten lijden; '^ with 
cold, van kou omkomen. 

starveling ['staivlirj] uitgehongerd dier 
o of mens, hongerlijder; aj uitge- 
hongerd; armoedig; ellendig. 



state [steit] staat, toestand; stemming; 
stand, rang; staatsie, luister; ...of 
— , staats-; staatsie-, gala-; aj staats-; 
staatsie-, parade-, gala-; vt aan-, op- 
geven, (ver)melden, mededelen, uit- 
eenzetten; constateren; stellen; at 
'-~d times, op vaste (bepaalde) tij- 
den. 

stately ['steitli] statig, deftig, groots. 

statement ['steitmant] opgaaf, mede- 
deling, vermelding, uiteenzetting, 
verklaring, bewaring; staat, uittrek- 
sel o [v. rekening]. 

statesman ['steitsman] staatsman. 

station ['steijan] (stand) plaats, post; 
station o; fig positie, rang, stand; 
vt stationeren, plaatsen. 

stationary E'steijnari] stationair, stil- 
staand, vast. 

stationer ['steifns] kantoorboekhande- 
laar. 

stationery ['steijnsri] schrijfbehoeften. 

station-master ['steijsnmaista] sta- 
tionschef. 

statistical [sts'tistiki] statistisch. 

statistics [sta'tlstiks] statistiek. 

statue ['stKtju:] standbeeld o, beeld o. 

stature ['stastja] gestalte; formaat o. 

status ['steitss] staat [van zaken]; 
positie, rang, stand. 

statute ['st3stju:t] wet; statuut o. 

staunch [sto;nj, stainj] sterk, hecht; 
fig trouw; onwrikbaar. 

stave [steiv] duig; staaf, stok; sport; 
notenbalk; strofe, vers o; vt — /' n, 
in duigen doen vallen, inslaan, in- 
drukken; — of f, afwenden, op- 
schorten; van zich af zetten. 

stay [stei] stag o; verblijf o, stil- 
stand, oponthoud o\ opschorting, 
uitstel o; uithoudingsvermogen o; 
steun; I'i blijven; verblijven, wonen; 
logeren (bij, with); het uit-, vol- 
houden; ;■/ tegenhouden, stuiten; 
fig opschorten. 

stay-at-home ['steisthoum] huismus; 
aj altijd thuiszittend, huiselijk. 

stayer ['steia] blijver; uit-, volhou- 
der. 



staying-power 



273 



stick 



staying-power ['steiinpaua] uithou- 
dingsvermogen o. 

stays [steiz] keurslijf o, korset o. 

stead [sted] stand one in {good) — , 
goed te pas komen; in his — , in 
zijn plaats. 

steadfast ['stedfsst] standvastig, on- 
wrikbaar, trouw. 

steady ['stedi] bestendig, vast, gesta- 
dig, geregeld, gelijkmatig; standvas- 
tig; solide; '-—.', kalm!, bedaard!; vt 
vastheid geven aan, bestendig ma- 
ken; kalmeren, tot bedaren brengen. 

steady-going ['stedigouirj] kalm, be- 
daard; solide (levend). 

steak [steik] (runder)lapje o. 

steal [still] stelen; sluipen; — a 
glance at..., tersluiks kijken naar; 
• — • one's way into..., binnensluipen; 
— upon one, besluipen, bekruipen. 

stealth [stelG] by ■~, tersluiks, steels- 
gewijze, stilletjes. 

stealthy ['stelOi] sluipend; heimelijk. 

steam [sti:m] stoom., damp; vt sto- 
men; vi stomen, dampen. 

steam-boiler ['stiimboib] stoomketel. 

steam-engine ['sti:mend3in] stoom- 
machine. 

steamer ['stiimg] stoomboot; by first 
— , met de eerste boot(gelegenheid). 

steam-roller ['stiimroub] stoomwals. 

stearin E'stisrin] stearine. 

steed [sti:d] (strijd)ros o. 

steel [sti;l] staal o\ aj stalen; vt sta- 
len; verstalen, verharden. 

steel-clad ['stiilklsd] gepantserd. 

steep [sti:p] steil; fig hoog [prijs]; 
kras; vt (onder)dompelen, indopen; 
(laten) weken; laten doordringen 
(van, in), drenken. 

steepen ['sti;pn] steil (er) worden; ho- 
ger worden [prijzen]; verhogen. 

steeple ['sti:pl] (spitse) toren. 

steeple-chase ['sti:pltjeis] wedren of 
wedloop met hindernissen. 

steer [stia] sturen, richten. 

steerage ['stisridsl sturen o; stuur- 
manskunst; tussendek o. 

stem [stem] stam, Stengel; fig tak; 

Eng. Zakv^rdbk. 11 



steel; schacht; boeg, voorsteven; vt 
stuiten, tegenhouden, tegengaan. 

stench [stenj] stank. 

stencil ['stens(i)l] stencil o & m; vt 
stencilen. 

stenographer [ste'nsgrafa] stenograaf. 

stenographic [stens'grasfik] stenogra- 
fisch. 

stenography [ste'njgrafi] stenografie. 

step [step] (voet)stap, pas, tred; tre- 
de, sport, trap; — s, ook: stoep, 
trap (ladder); — by — , stap voor 
stap, voetje voor voetje; vi stappen, 
treden; — /' n, binnentreden; fig 
tussenbeide komen, optreden; — 
r o u n d, eens komen aanlopen; — 
up, fig opvoeren [de produktie]. 

step-child ['steptjaild] stiefkind o. 

step-father ['stepfaiSa] stiefvader. 

step-mother ['stepm/vOa] stiefmoeder. 

step-motherly ['stepmASsli] stiefmoe- 
derlijk. 

stepping-stone ['stepifjstoun] stap. 

step-son ['stepsAn] stiefzoon. 

sterile ['sterail] onvruchtbaar; kiem- 
vrij. 

sterility [ste'riliti] onvruchtbaarheid. 

sterilize ['sterilaiz] onvruchtbaar ma- 
ken; steriliseren [melk &]. 

sterling ['staJirj] sterling; echt, dege- 
lijk, voortreffelijk, uitstekend. 

stern [stam] achtersteven; aj streng, 
hard, bars. 

stevedore ['stiivido:] sjouwerman; 
stuwadoor. 

stevi^ [stju:] gestoofd vlees o; Irish 
— , hutspot; vt stoven, smoren. 

steward ['stjuad] rentmeester; hof- 
meester; ordecommissaris. 

stewardess ['stjusdis] hofmeesteres. 

stick [stik] stok; staf; rijsje o; pijp 
[drop, lak &]; vt steken, inste- 
ken; doorsteken, vaststeken; op-, 
aan-, vastplakken; she can't — him, 
zij kan hem niet zetten; — it, het 
uithouden, verdragen, volhouden; vi 
blijven steken, blijven hangen of 
kleven, fig beklijven; blijven zitten; 
^~- a t nothing, voor niets staan of 

18 



stickleback 



274 stocky 



teruftJeinzen; ^ — ■ h y a person, ie- 

mand trouw blijven; '-"to, vast- 

houden aan; trouw blijven aan; blij- 
ven bij (iets). 
stickleback ['stiklbask] stekelbaars. 
sticky ['stiki] kleverig, plakkerit;; kief 

[v. brood]; fig taai, moeilijk. 
stiff [stif] stijf, stevig, strak; stroef, 

stijfhoofdig; verstijfd; fig streng, 

moeilijk [examen]; that's a bit ■ — , 

dat is (toch) een beetje kias; a — 

price, een flinke prijs. 
stiffen ['stifn] stijven; (doen) verstij- 

ven, stijf maken (worden). 
stifle ['staifl] (yer)stikken, smoren. 
stile [stall] stijl [deur]; overstap 

[hek]. 
stiletto [sti'letou] stilet, dolkje o\ 

priem. 
still [stil] nog altijd, nog; altijd 

(nog), steeds; (niaar) toch; stilte; 

distilleerketel; aj stil; ^- life, stil- 

leven o\ vt stillen, kalmeren. 
stillness ['stilnis] stilte. 
stilt [stilt] stelt. 
stilted ['stiltid] op stelten; fig hoog- 

dravend. 
stimulant ['stimjulant] stimulans, 

prikkel; aj prikkelend, opwekkend. 
stimulate ['stimjuleit] prikkelen, aan- 

sporen, aanzctten. 
stimulus ['stimjubs] prikkel, aanspo- 

ring. 
sting [stig] angel, stekel, prikkel; 

steek; (gewetens)knaging; ?'/ steken; 

bijten [op de tong], branden [v. ne- 

tels]; fig (pijnlijk) treffen; pijn 

doen. 
stinging-nettle ['stirjirjnetl] brand- 

netel. 
stingy ['stindsi] vrekkig, zuinig. 
stink [stir]k] stank; vi stinken. 
stint [stint] beperken, beknibbelen, 

(zich) bekrimpen; karig (zuinig) 

zijn (met). 
stipend ['staipend] wedde, bezoldi- 

ging. 
stipulate ['stipjuleit] bedingen, over- 

eenkomen, bepalen. 



stipulation [stipju'leijan] overeen- 
komst; bepaling, beding o, voor- 
waarde. 

stir [sta:] beweging; drukte; opschud- 
ding; vt bewegen, in beweging bren- 
gen; (om)roeren, roeren in, por- 
ren in; fig aanporren; aanzetten; 
gaande maken; vi (zich) bewegen, 
zich Cver) roeren; in beweging ko- 
men of zijn. 

stirring ['stsirirj] roerend; opwek- 
kend; levendig, actief; emotievol. 

stirrup ['stirap] stijgbeugel. 

stitch [stitj] steek; vt stikken; hech- 
ten; innaaien. 

stoat [stout] hermelijn. 

stock [st)k] blok o\ stam; geslacht 
o, familie, afkomst; fonds o, kapi- 
taal o; veestapel, vee o; voorraad, 
goederen, inventaris, materiaal o\ 
bouillon; violier; ■ — s, effecten; sta- 
pel [v. schip]; take ■ — ■, de inventa- 
ris opmaken; take •-- in his stories, 
zijn verhalen geloven; take — of, 
opnemen; be in — ', goed voorzien 
zijn; have {keep) in ■ — •, in voor- 
raad hebben; out of — , niet 
(meer) voorradig; aj stereotiep, 
vast; vt opdoen, inslaan [voorraad]; 
(in voorraad) hebben; (van voor- 
raad) voorzien. 

stockade [stD'keid] palissade. 

stockbroker ['stDkhrouks] commissio- 
nair, makelaar in effecten. 

stock company ['st^kkAmpsni] maat- 
schappij op aandelen. 

stock exchange L'stDkekstJ'eind3] (ef- 
fecten)beurs. 

stockfish ['stokfij] stokvis. 

stocking ['stDkifj] kous. 

stock-in-trade ['stskin'treid] (goede- 
ren)voorraad; (geestelijk) kapitaal 
o; gereedschap o. 

stock-jobber ['stakd^Dba] handelaar 
in effecten; hoekman. 

stock-jobbing ['stjkdjDbir]] beursspe- 
culatie; effectenhandel. 

stockstill ['stDk'stil] stok-, doodstil. 

stocky ['staki] gezet, dik. 



stoic 



275 



stowage 



stoic ['stouik] stoicijn; aj sto'i'cijns. 

stoical E'stouikl] stoicijns. 

stoke [stouk] stoken. 

stoker E'stouka] stoker. 

stole [stoul] V.T. V. steal. 

stolen [stouln] V.D. v. steal. 

stolid ['stDJid] onaandoenlijk. 

stomach ['stAmak] maag; buik; (eet)- 
lust; vt (kunnen) verduwen, slikken. 

stone [stoun] steen o 8i m [stof- 
naam], steen m [voorwerpsnaam], 
pit [v. vrucht]; als gewicht: 6,35 
kg; leave no '^ unturned, niets on- 
beproefd laten; a] van steen, stenen; 
vt met stenen gooien (naar), steni- 
gen. 

stone-blind ['stoun'blaind] stekeblind. 

stone-cast ['stounkaist] steenworp. 

stone-dead ['stoun'ded] morsdood. 

stone-deaf ['stoun' def] stokdoof. 

stone-pit ['stounpit], stone-quarry 
['stounkwDri] steengroeve. 

stone's-throw ['stounzGrou] steen- 
worp. 

stoneware ['stounwSs] steengoed o. 

stony ['stouni] steenachtig, stenig, 
stenen, steen-; jig ijskoud. 

stood [stud] V.T. & V.D. v. stand. 

stool [stu:l] (kantoor)kruk, stoeltje 
o (zonder leuning), (voeten)bankje 
o, taboeretje o. 

stoop [stu:p] bukken, zich bukken, 
gebukt lopen; jig zich vernederen; 
(voorover)buigen; ■ — ed by age, 
krom van ouderdom; have a slight 
~', wat gebukt lopen. 

stop [sDp] stoppen o; pauzering, 
pauze; oponthoud o; halte; leeste- 
ken o; register o [v. orgel]; pen, 
pin; full — , punt; bring to a — , 
tot staan brengen; come to a — , 
blijven (stil)staan, blijven steken; 
ophouden; make a ■ — ■, halt houden, 
ophouden, paazeren; put a ■ — • to, 
een einde maken aan; without a — , 
zonder ophouden; zonder te stop- 
pen; vt stoppen; stelpen [het bloe- 
den]; verstoppen, versperren; stil 
zetten [klok]; tot staan brengen, 



tegenhouden, aanhouden [iemand]; 
inhouden [loon &]; een eind ma- 
ken aan [iets]; stopzetten [fa- 
briek]; staken [werk], ophouden 
met; — thiejl, houdt de dief!; vi 
Ophouden, stilhouden; stoppen, blij- 
ven (stil)staan; blijven steken (ook: 
• — short); logeren, blijven; • — ' away 
jrom school, van school wegblijven. 

stoppage ['stDpids] stoppen o, stop- 
zetting; staking; oponthoud o. in- 
houding [v. loon]; op-, verstopping. 

stopper ['stDpa] stop. 

stopping-place ['stopirjpleis] halte. 

stopple ['stDpl] (glazen) stop. 

storage ['stoirids] (op)berging; pak- 
huisruimte; pakhuishuur; cold -—, 
(het opslaan in de) vries-, koelka- 
mer. 

store [st3;] (grote) voorraad; jtg rijk- 
dom; magazijn o\ warenhuis o, 
winkel; cold — , koelhuis o; set 
great {little) — by, veel (weinig) 
prijs stellen op; vt inslaan; opslaan 
[goederen]; provianderen, voorzien 
(van, with). 

storehouse ['stD:haus] voorraadschuur, 
pakhuis o, magazijn o. 

storey ['st3;ri] verdieping. 

stork [st3:k] ooievaar. 

storm [sb:m] storm, aanval; onweers- 
bui; regenbui; by — ■, stormender- 
hand; vi stormen, razen, woeden; 
vt bestormen. 

stormy ['stoimi] stormachtig. 

story ['stDiri] geschiedenis; vertelling, 
verhaal o\ leugentje o; verdieping; 
tell stories, jokken. 

stout [staut] stout [donker bier]; a] 
kloek, dapper, flink; (zwaar)lijvig, 
dik, zwaar. 

stout-hearted ['staut'haitid] kloekmoe- 
dig. 

stove [stouv] kachel, fornuis o\ 
(toe)stel o [om op te koken &]; 
stoof; droogoven. 

stow [stou] stuwen; bergen. 

stowage C'stouidj] stuwage; berging; 
bergruimte. 



stowaway 



276 



stricken 



stowaway ['stou9wei] blinde passa- 
gier, verstekeling. 

straddle ['strasdl] wijdbeens gaan 
(staan), schrijlings zitten op of 
staan boven. 

straddle-legged ['strasdllegd] wijd- 
beens, schrijlings. 

straggle ['strcegl] (af)dwalen, zwer- 
ven, achterblijven. 

straggling ['strasglirj] verstrooid, ver- 
spreid, onregelmatig (gebouwd &). 

straight [streit] recht, glad; jig eer- 
lijk, betrouwbaar; in orde; op orde; 
rechtuit; direct; / gave it him — , 
ik zei het iiem ronduit; ■-~-- a iv a y 
(off), op staande voet, op stel en 
sprong; ■ — ' o n, rechtuit; — out, 
ronduit. 

straighten ['streitn] recht maken, in 
orde hrengen. 

straightforward [streit'fDtwsd] recht 
door zee, oprecht, ronduit, eerlijk. 

strain [strein] spanning; inspanning, 
streven o\ overspanning; verrekking 
[spier]; geest, toon; karakter o; 
tikje [van iets]; «-•; spannen, (uit)- 
rekken; (te veel) inspannen; verrek- 
ken [gewricht of spier]; verdraai- 
en [feiten &]; (uit)zijgen; ■ — after, 
streven naar; jacht maken op. 

strainer ['streina] zijgdoek, vergiet o 
& V, zeefje o. 

strait [streit] moeilijkheid, verlegen- 
heid; engte, (zee)straat (meest • — s)\ 
aj nauw, eng, bekrompen; ■ — • jacket, 
— waistcoat, dwangbuis o. 

straiten [streitn] nauw(er) maken; be 
in — ed circumstances , het (finan- 
cieel) niet breed hebben. 

strand [strand] strand o\ streng 
[touw]; vt doen stranden; be ^~^ed, 
stranden. 

strange [strein (d) 3] vreemd; vreemd- 
soortig, zonderling, wonderlijk. 

stranger ['strein (d) 33] vreemdeling, 
vreemde. 

strangle [straerjgl] worgen; smoren. 

strap [strasp] riem, riempje o\ lus 
[in tram]; vt (met een riem) vast- 



maken; (met een riem) slaan; (op 

een riem) aanzetten. 
strapping ['straepir)] potig, stevig. 
stratagem ['str£tid33m] krijgslist, list, 
strategic (al) [str3'ted3ik(l)] strate- 

gisch. 
strategy ['straetid3i] strategic. 
straw [strD:] stro o\ strootje o; rietje 

o; a] van stro, strooien, stro-. 
strawberry ['strD:b(3)ri] aardbei. 
stray [strei] (rond)zwerven; (ver)- 

dwalen, afdwalen; a] afgedwaald; 

verdwaald; verspreid. 
streak [stri.k] streep; ader; have a 

— oj luck, boffen; vt strepen. 
stream [stri:m] stroom; vi stromen; 

golven, wapperen. 
streamer ['striima] wimpel; lang lint 

o\ spandoek o & m\ serpentine. 
streamline ['stri:mlain] stroomlijn; vt 

stroomlijnen. 
street [stri:t] straat. 
street arab ['striitasrsb] straatjongen, 

boefje o. 
strength [strerjS] sterkte, kracht, 

macht; 00k: krachten; on the ■ — oj, 

op grond van. 
strengthen ['strer)9(3)n] versterken, 

sterken; sterk(er) worden. 
strenuous ['strenjuss] energiek, ijve- 

rig; inspannend; moeilijk. 
stress [stres] nadruk, klem(toon), ac- 
cent o; (in)spanning, druk; kracht, 

gewicht o; vt de nadruk leggen op. 
stretch [stretj] spanning; inspanning; 

uitgestrektheid; eind o, stuk o [v. 

weg &]; tijd, periode; at a — , als 

het nijpt; achtereen, aan een stuk 

door; vt rekken; uitrekken; uitstrek- 

ken; jig overdrijven; geweld aan- 

doen; vi zich uitstrekken; rekken. 
stretcher ['stretja] draagbaar. 
stretcher-bearer ['stretjabssrs] zie- 

kendrager. 
strew [stru:] (uit) strooien; bestrooien, 

bezaaien (met, ivith). 
strewn [strum] V.D. v. strew. 
stricken ['strikn] V.D. v. strike; 

zwaar beproefd; uicp bedroefd. 



strict 



277 



student 



strict [strikt] stipt, strikt, streng, 
nauwkeurig, nauwgezet. 

stridden ['stride] V.D. v. stride. 

stride [straid] schrede, (grote) stap; 
get into one's ■ — ', op dreef ko- 
men; vi schrijden. 

strident ['straidsnt] krassend, schel. 

strife [straif] strijd, twist. 

strike [straik] slag; aanval; staking; 
on ■ — ■, in staking; vt slaan; aan- 
slaan [een toon &]; inslaan [een 
weg]; stoten (op, tegen); treffen, 
opvallen, lijken; strijken [vlag]; af- 
strijken [lucifer &]; how does it 
'--' you?, hoe vind je het?; ■ — ■ an 
attitude, een hiouding aannemen; •-~ 
a bargain, een koop sluiten; — a 
person a blow, iemand een slag toe- 
brengen; vi slaan; aanvallen; toe- 
slaan; raken; inslaan [v. bliksem]; 
aangaan [v. lucifer]; (het werk) 
staken; — out his name, doorha- 
len, schrappen; ■ — ' upon an idea, 
op een idee komen. 

striker ['straiks] (werk)staker. 

striking ['straikirj] slaand; treffend, 
frappant, opvallend, indrukwekkend, 
merkwaardig; aanvals-, offensief. 

string [strirj] touw(tje) o, band, 
koord o & v\ sneer o; snaar; pees, 
draad; ris, rij, reeks; vt rijgen [aan 
snoer &], snoeren; (met snaren) 
bespannen; spannen [zenuwen, 
boog]; afhalen [boontjes]. 

string-bag ['strirj'bseg] boodschappen- 
net o. 

string-band L'strirjbatnd] strijkorkest o. 

stringent ['strindssnt] bindend, streng; 
klemmend; schaars, krap. 

stringy ['strigi] vezelig, draderig. 

strip [strip] strook, reep; beeldverhaal 
o; vt (af)stropen, afrissen, afhalen, 
leeghalen, onttakelen, (naakt) uit- 
kleden; vi zich uitkleden. 

stripe [straip] streep; striem. 

striped [straipt] gestreept. 

strive [straiv] zich inspannen (om, 
/o); streven (naar, ajter, /or) ; strij- 
den (tegen, with, against). 



striven [strivn] V.D. v. strive. 

strode [stroud] V.T. v. stride. 

stroke [strouk] slag; trek, haal, 
streep, schrap; stoot; aanval [v. be- 
roerte], beroerte (ook: ■ — ■ oj apo- 
plexy); slagroeier; streling; — <?/ 
lightning, bliksemslag; vt strelen, 
strijken, aaien. 

stroll [stroul] wandelingetje o\ go jar 
{take) a — , een wandeling gaan 
maken; vi (rond)slenteren, kuieren, 
rondtrekken. 

strong [strDf]] sterk, krachtig, kras, 
vurig; zwaar [drank of tabak]. 

strong-box ['strDrjb^ks] brandkast. 

stronghold ['strDrjhould] burcht, bol- 
werk o. 

strong-room ['strorjrum] (brand- en 
braakvrije) kluis. 

strop [strDp] scheerriem; vt aanzetten 
[een scheermes]. 

strophe ['stroufi] strofe, vers o. 

strove [strouv] V.T. v. strive. 

struck [strAk] V.T. & V.D. v. strike. 

structure ['stiAktJa] structuur, bouw, 
gebouw o, bouwsel o. 

struggle ['strAgl] worsteling, strijd; 
the — jor life, de strijd om het 
bestaan; vi worstelen, strijden; (te- 
gen) spartelen. 

strung [strAij] V.T. & V.D. v. string. 

strut [strAt] deftig stappen. 

stub [stAb] stronk [v. boom]; stomp- 

stubble L'stAbl] stoppel(s). [je o. 

stubbly ['stAbli] stoppelig, stoppel-. 

stubborn ['stAbsn] hardnekkig; hals- 
starrig, onverzettelijk. 

stucco ['stAkou] pleisterkalk; pleister- 
werk o; vt stukadoren. 

stuck [stAk] V.T. & V.D. v. stick; 
aj verbaasd; verwaand; bekocht. 

stuck-up ['stA'kAp] verwaand. 

stud [stAd] stoeterij; (ren)stal; knop, 
knopje o; overhemdsknoopje o; be- 
slagnagel; vt (met knopjes) beslaan; 
— ded with, dicht bezet met, be- 
zaaid met, vol... 

student ['stjuidant] student; beoefe 
naar. 



studied 



278 



submission 



studied ['stAdid] gestudeerd; bestu- 

deerd, gewild, opzettelijk. 
studio ['stju:diou] atelier o [v. kun- 

stenaar]; studio [film, radio]. 
studious E'stjuidiss] ijverig, vlijtig, 

leergierig; angstvallig; bestudeerd, 

opzettelijk. 
study E'stAdi] studie; studeerkamer; 

fig streven o\ in a brown ■ — , in 

gedachten verzonken; vt (be)stude- 

ren; rekening houden met; er naar 

streven; zich beijveren. 
stuff [stAf] stof, goed o, goedje o 

[ook = medicijn]; goederen; klets; 

vt volstoppen; (op)vullen; stoppen 

(in, into); — ed birds, opgezette 

vogels. 
stuffing E'stAfig] vulsel o, opvulsel o. 
stuffy ['stAfi] benauwd, bedompt. 
stultify E'stAltifai] (voor) gek verkla- 

ren; belachelijk maken; ontzenuwen, 

krachteloos maken; verlammen. 
stumble ['stAmbl] struikelen; strom- 

pelen; -— across {upon), tegen het 

lijf lopen, toevallig aantreffen of 

vinden; ■ — for words, zoeken naar 

zijn woorden. 
stumbling-block ['stAmblirjbbk] strui- 

kelblok o\ hinderpaal; steen des aan- 

stoots. 
stump [stAmp] stomp, stompje o, 

stronk; paaltje o [v. wicket]. 
stun [stAn] bewusteloos slaan, verdo- 

ven; verbluffen, verbazen. 
stung [stArj] V.T. & V.D. v. sting. 
stunk [stAijk] V.T. & V.D. v. stink. 
stunner ['stAns] he (_it) is a — , hij 

(het) is reuze. 
stunt [stAnt] foefje o, kunstje o\ ver- 

toning; kunstvlucht; vi kunstvluch- 

ten uitvoeren; toeren doen, zijn kun- 

sten vertonen; vt in de groei belem- 

meren. 
stupefaction [stju:pi'f£ekj3n] verdo- 

ving, gevoelloosheid; verbazing. 
stupefy ['stju:pifai] verdoven, bedwel- 

men, verstompen; verbluffen. 
stupendous [stju'pendss] verbazend, 

kolossaal. 



stupid ['stju:pid] dom, stom. 

stupidity [stju'piditi] domheid. 

stupor ['stjuipa] stomme verbazing; 
gevoelloosheid. 

sturdy ['st3:di] sterk, stoer. 

sturgeon ['stsidsan] steur. 

stutter ['stAts] stotteren. 

sty [stai] varkenshok o, kot o. 

style [stail] stijl, wijze, manier, 
(schrijf)trant; soort; (voile) titel, 
(firma)naam; vt noemen, betite- 
len. 

stylish E'stailiJ] naar de mode, ele- 
gant, chic, zwierig. 

suave [sweiv] minzaam, vriendelijk. 

suavity ['swasviti] minzaamheid. 

subaltern ['sAbltan] subaltern; onder- 
geschikt; lager. 

subdivision ['sAbdi'vissn] onderafde- 
ling, onderverdeling. 

subdue [sab'dju:] onderwerpen; be- 
heersen [hartstochten], bedwingen; 
temperen [v. licht &]. 

subject ['sAdsikt] onderdaan; persoon, 
individu o\ onderwerp o\ (leer)- 
vak o; on the '~~' of..., inzake..., 
over...; aj onderwerpen; — to, ook: 
vatbaar voor, onderhevig aan; af- 
hankelijk van; behoudens; last heb- 
bend van [duizelingen &]; [sab- 
'dsekt] vt onderwerpen, blootstellen. 

subjection [sab'dsekjsn] onderwer- 
ping, afhankelijkheid. 

subjective [ssb'dsektiv] eerste naam- 
val; aj subjectief; onderwerps-. 

subjugate ['sAbd3ugeit] (aan zich) 
onderwerpen. 

subjunctive [s3b'd3Ar)ktiv] aanvoegen- 
de wijs (ook: — mood). 

sublimate ['sAblimit] sublimaat o\ 
C'sAblimeit] vt sublimeren; verede- 
len. 

sublime [sa'blaim] verheven, godde- 
lijk (mooi). 

submarine ['sAbmari:n] onderzeeer; 
aj onderzees, onderzee-. 

submerge [s3b'm3:d3] onderdompe- 
len, overstromen, ftg bedelven. 

submission [sab'mijan] onderwer- 



submissive 



279 



suchlike 



ping; onderdanigheid. 
submissive [ssb'misiv] onderdanig, 

nederig, ootmoedig. 
submit [sab'mit] (zich) ondenverpen; 

voorleggen (ter beoordeling); over- 

leggen; menen, de opmerking ma- 
ken (dat, that). 
sub-office ['sAb'Dfis] bijkantoor o. 
subordinate [sa'bDidinit] onderge- 

schikte; aj ondergeschikt; — clause, 

bijzin; [s3'bD:dineit] vt onderge- 
schikt maken (aan, to). 
subordination [sabaidi'neijan] onder- 

geschiktheid; onderschikking. 
subscribe [ssb'skraib] (onder)tekenen, 

intekenen, zich abonneren. 
subscriber [ssb'skraiba] onderteke- 

naar; intekenaar, abonnee. 
subscription [ssb'skripjan] onderteke- 

ning; inschrijving, intekening, abon- 

nement o\ contributie. 
subsequent ['sAbsikwsnt] (later) vol- 

gend, later; -^ to, volgend op, later 

dan. 
subsequently ['sAbsikwantIi] nadien. 
subside [sab'said] zinken, zakken; be- 

daren; afnemen. 
subsidiary [sab'sidjari] helpend, 

hulp-; ondergeschikt. 
subsidize ['sAbsidaiz] subsidieren. 
subsidy ['sAbsidi] subsidie. 
subsist [sab'sist] bestaan, leven (van, 

o«); blijven bestaan. 
subsistence [sab'sistans] (middel o 

van) bestaan o, levensonderhoud o. 
substance ['sAbstans] zelfstandigheid, 

stof; substantia, wezen o\ hoofdzaak. 
substantial [sab'stsnjal] bestaand; 

wezenlijk, stoffelijk, werkelijk; de- 

gelijk; welgesteld; aanzienlijk. 
substantiate [sab'stc-enjieit] verwezen- 

lijken; met bewijzcn staven. 
substantiation [sabsteenji'eifan] ver- 

wezenlijking; staving; bewijs o. 
substantive ['sAbstantiv] zelfstandig 

naamwoord o\ aj zelfstandig. 
substitute ['sAbstitjuit] plaatsvervan- 

ger; surrogaat o, vervangingsmid- 

del o; vt vervangen; de plaats ver- 



vullen van; in de plaats stellen. 
substitution [sAbsti'tjuiJan] substitu- 

tie, (plaats)vervanging. 
subterfuge ['sAbtafjuidsJ uitvlucht. 
subterranean [sAbta'reinian] onder- 

gronds, onderaards. 
subtilize ['sA(b)tilaiz] //',? fijn uitspin- 

nen: haarkloven. 
subtle ['sAtl] ijl, subtiel, fijn; fig 

spitsvondig, listig, 
subtlety ['sAtlti] ijlheid; subtiliteit, 

fijnheid; fig spitsvondigheid, list(ig- 

heid). 
subtract [sab'traekt] aftrekken; — 

from, ook: afdoen van, verkleinen. 
subtraction [sab'troekjan] aftrekking. 
subtrahend ['sAbtrahend] aftrekker. 
suburb ['sAba:b] voorstad, buitenwijk. 
subvention [sab'venjan] subsidie. 
subversive [sab'va:siv] omverwerpend; 

revolutionair; ondermijnend. 
subvert [sab'va:t] omverwerpen. 
subway ['sAbwei] (perron) tunnel. 
succeed [sak'si:d] volgen op; opvol- 

gen; succes hebben; (ge)lukken, sla- 

gen. 
success [sak'ses] succes o\ (gunstige) 

afloop, uitslag. 
successful [sak'sesful] succes hebbend, 

geslaagd; be — in ...ing, er in sla- 

gen om. 
succession [sak'sejan] successie, op- 

volging, erf-, troonopvolging; op- 

eenvolging, reeks; nakomelingschap; 

in ^~', achtereen, achter elkaar; in 

— to, als opvolger van; na. 
successive [sak'sesiv] (opeen)volgend. 
successively [sak'sesivli] achtereen- 

volgens. 
successor [sak'sesa] (troon)opvolger. 
succinct [sak'sigkt] beknopt, bondig. 
succour ['sAka] bijstand, steun, hulp; 

vt bijstaan, helpen. 
succulent ['sAkjulant] sappig. 
succumb [sa'kAm] bezwijken. 
such [sAtJ] zulk, zo(danig); van dien 

aard, dergelijk; ■ — ' as, zij die, die 

welke, degenen die; zoals. 
suchlike ['sAtJlaik] dergelijk (e). 



suck 



280 



sum 



suck [sAk] zuigen (op), in-, op-, uit- 

zuigen. 
sucking-pig ['sAkigpig] speenvarken o. 
suckle ['sAkl] zogen; jig grootbren- 

gen. 
suckling E'sAklirj] zuigeling; nog zui- 

gend jong o. 
suction E'sAkJsn] zuiging. 
sudden ['sAdn] plotseling, onverhoeds; 

{all) of a — , oti a (the) ■ — ■, plot- 
seling, eensklaps, onverhoeds. 
suddenly ['sAdnli] plotseling, eens- 
klaps. 
suds [sAdz] zeepsop o. 
sue [s(j)u:] in rechten aanspreken, 

vervolgen; verzoeken (om, for). 
suet ['s(j)u:it] niervet o. 
suffer ['sAfa] lijden; de dupe zijn; 

ondergaan; (ver)dragen; laten, toe- 

laten; ■ — for it, ervoor boeten; --^ 

f r o 771, lijden aan; te lijden hebben 

van. 
sufferance ['sAf (3)r3ns] toelating, 

(negatief) verlof a; be admitted on 

— , geduld worden. 
sufferer ['sAf(3)r3] lijder, patient; 

slachtoffer o. 
suffering ['sAf (3)rir|] — (j), lijden o. 
suffice [ss'fais] genoeg zijn, voldoen- 

de zijn. 
sufficiency [sa'fijsnsi] voldoende hoe- 

veelheid (voorraad, aantal o)\ zelf- 

genoegzaamheid. 
sufficient [ss'fijsnt] genoeg, vol- 

doend(e); zelfgenoegzaam. 
suffix ['sAfiks] achtervoegsel o\ 

[sa'fiks] vt achtervoegeo. 
suffocate ['sAfakeit] verstikken, smo- 

ren, (doen) stikken. 
suffocation [sAfa'keiJsn] 't stikken, 

verstikking. 
suffrage ['sAfrid3] stem; kies-, stem- 

recht a; goedkeuring. 
suffuse [sa'fjuiz] overgieten. 
sugar E'Juga] suiker; vt suikeren. 
sugar-basin ['Jugabeisn] suikerpot. 
sugary ['Jugari] suiker(acht)ig, 

suikerzoet, suiker-. 
suggest [sa'dgest] suggereren, op de 



gedachte brengen, doen vermoeden; 
ingeven, inblazen, influisteren; op- 
peren, voorstellen; aanraden; — it- 
self, opkomen, invallen [v. gedach- 
te]. 

suggestion [sa'dsestjan] suggestie, in- 
geving, inblazing, influistering; aan- 
duiding, wenk; aanraden o, voor- 
stel o, idee o, denkbeeld a. 

suggestive [ss'dsestiv] suggestief; 
veelbetekenend; be — of, doen den- 
ken aan, wijzen op. 

suicide['s(j)u:isaid]zelfmoord(enaar). 

suit [s(j)u:t] verzoek(schrift) o; aan- 
zoek o\ rechtsgeding o, proces o\ 
reeks; kleur [in kaartspel]; pak o 
(kleren); stel o; vt (aan)passen, ge- 
legen komen, schikken; (goed) ko- 
men bij, (goed) bekomen; he is 
hard to — , hij is moeilijk te vol- 
doen; — ■ the action to the word, de 
daad bij het woord voegen; — one- 
self, naar eigen goeddunken hande- 
len; zich voorzien; lets van zijn ga- 
ding vinden. 

suitability [s(j)u:t3'biliti] gepastheid, 
voegzaamheid; geschiktheid. 

suitable ['s(j)u:t3bl] gepast, voeg- 
zaam; geschikt. 

suit-case ['s(j)u:tkeis] plat koffertje o. 

suite [swi:t] gevolg a [v. vorst]; se- 
rie, reeks, stel o\ suite. 

suitor ['s(j)u:t3] aan-, verzoeker; par- 
tij in een proces; minnaar. 

sulk [sAlk] gepruil o, gemok o; lan- 
derigheid; vi pruilen, mokken; het 
land hebben. 

sulky ['sAlki] pruilend, gemelijk. 

sullen ['sAbn] gemelijk, korzelig, 
boos; zuur, nors; traag. 

sully ['saH] besmeuren, bevlekken, 
bezoedelen. 

sulphur ['saU's] zwavel. 

sulphuric [sAl'fjusrik] zwavel-; • — 
acid, zwavelzuur o. 

sulphurous ['sAlfarss] zwavelig. 

sultan ['sAitsn] sultan. 

sultry E'sAltri] zwoel, drukkend. 

sum [sAm] som; in — , om kort te 



summarize 



281 



supersede 



gaan; vt samen-, optellen (ook: — 

up); ■ — ■ up, opsommen, (kort) sa- 

menvatten, resumeren. 
summarize ['sAmsraiz] kort samenvat- 

ten, resumeren. 
summary ['sAmari] kort begrip o, kort 

overzicht o, resume o; aj beknopt, 

kort; summier. 
summer ['sAms] zomcr. 
summer(l)y ['sAmsli, SAmsriJ zomers, 

zomer-. 
summit ['sAmit] top, kruin, toppunt o. 
-summon ['sAmsn] sommeren, c]ag\'aar- 

den, bekeuren [iemand]; ontbieden, 

oproepen; bijeenroepen; — up one's 

courage, zijn moed verzamelen, zich 

vermannen. 
summons ['sAmanz] sommatie, dag- 

vaarding, oproeping. 
sumptuous ['sAmptjuas] kostbaar, 

prachtig, rijk, weelderig. 
sun [sAn] zon, zonneschijn; — one- 

self, zich zonnen. 
sun-bath ['sAnba:6] zonnebad o. 
sun-bathe ['sAnbeiS] een zonnebad 

(zonnebaden) nemen. 
sunbeam ['sAnbi:m3 zonnestraal. 
sun-blind ['sAoblaind] zonnescherm o. 
sunburnt ['sAobsmt] verbrand, ge- 

brand, getaand. 
Sunday ['sAndi] zondag; his -~ best, 

zijn zondagse kleren. 
sunder ['sAods] (vaneen)scheiden, 

vaneenscheuren; uiteenrukken. 
sun-dial E'sAndaisl] zonnewijzer. 
sundries ['sAodriz] diversen, allerlei. 
sundry ['sAodri] diverse, allerlei. 
sunflower ['sAnflaua] zonnebloem. 
sung [sArj] V.D. v. sing. 
sunk [sArjk] V.D. v. sink. 
sunken ['sArjkn] (in)gezonken, inge- 

vallen [wangen], diepliggend [v. 

ogen], hoi [weg]; — rocks, blinde 

klippen. 
sunlight ['sAnlait] zonlicht o, zonne- 
schijn; artificial '~, hoogtezon. 
sunny ['sAni] zonnig. 
sunrise ['sAnraiz] zonsopgang. 
sunset ['sAoset] zonsondergang. 



sunshade ['sAnJeid] parasol, zonne- 
scherm o\ zonneklep. 
sunshine ['sAnJain] zonneschijn. 
sunstroke ['sAnstrouk] zonnesteek. 
sup [sAp] souperen. 
super ['s(j)u:p3] figurant. 
superabundance [s(j)u:p3r3'bAnd3ns] 

overvloed. 
superabundant [s(j)u:p3r3'bAnd3nt] 

overvloedig. 
superb [s(j)u'p3:b] prachtig. 
supercilious [s(j)u:p3'sili3s] trots, 

verwaand, laatdunkend. 
superficial [s(j)u:p3'fij3l] aan de op- 

pervlakte; oppervlakkig; vlakte-. 
superficiality [s(j)u:p3fij'i'sliti] op- 

pervlakkigheid. 
superficies [s(j)u:p3'fij'(i)i:z] opper- 

vlakte. 
superfluity [s(j)u:p3'fluiti] overvloe- 

d(igheid); overtolligheid, overbo- 

digheid. 
superfluous [s(j)u:'p3:flu3s] over- 
vloedig, overtoUig, overbodig. 
superhuman [s(j)u:p3'hju:m3n] bo- 

venmenselijk. 
superintend [s(j)u:p3rin'tend] het toe- 

zicht hebben over; surveilleren. 
superintendence [s(j)u:p3rin'ten- 

d3ns] (opper)toezicht o. 
superintendent [s ( j ) u:p3rin'tend3nt] 

opziener, opzichter, inspecteur. 
superior [s(j)u:'pi3ri3] superieur, 

meerdere; aj superieur, voortref- 

felijk; opper; boven-, hoofd-, hoger, 

beter; — numbers, numerieke meer- 

derheid, overmacht. 
superiority [s(j)u:pi3ri'Driti] superio- 

riteit; meerderheid; overmacht, voor- 

rang, hoger gezag o. 
superlative [s(j)u:'p3:l3tiv] overtref- 

fende trap; aj (alles) overtreffend; 

van de beste soort; hoogste. 
supernatural [s(j)u:p3'n;etj'r3l] bo- 

vennatuurlijk. 
supernumerary [s (j ) u:p3'nju:m3r3ri] 

boventallig, extra-; surnumerair. 
supersede [s(j)u;p3'si:d] vervangen, 

buiten werking stellen; afzetten. 



superstition 



282 



surplus 



superstition Ls(j)u:p3'stij3n] bijge- 

loof o. 
superstitious [s(j)u:p3'stij3s] bijge- 

lovig. 
supervene [s(j)u:p3'vi:n] er tussen 

komen; intreden, zich voordoen. 
supervise [s())u:p3'vai2] toezicht 

houden (op). 
supervision [s(j)u:p3'vi33n] toezicht 

0. 

supervisor [s(j)u:p3'vaiz3] opziener, 

opzichter, inspecteur. 
supper ['sApa] avondmaal o, souper o. 
supplant [sa'plamt] verdringen. 
supple ['sApl] buigzaam, lenig, slap, 

soepel; jig plooibaar, gedwee. 
supplement ['sAplimant] supplement 

o, aanvulling, bijvoegsel o\ ['sa- 

pliment] vt aanvullen. 
supplemental [sApli'mental], '~ary 

[-3ri] aanvullend; suppletoir. 
supplicate ['sAplikeit] smeken (cm, 

jor). 
supplication [sApli'keiJan] (smeek)- 

bede. 
supplier [ss'plaia] leverancier. 
supply [sa'plai] levering; voorziening, 

aanvoer, voorraad; partij (goede- 

ren); kredieten [op begroting]; — 

and demand, vraag en aanbod; vt 

aanvullen; leveren, voorzien (van, 

with) . 
support [s3'p3:t] ondersteuning, steun; 

(levens)Gnderhoud o, broodwinning; 

stut, statief o; in — - oj, tot steun 

van; vt (onder)steunen, stutten; on- 

derhouden; uithouden, dulden. 
supporter [ss'pDita] verdediger, voor- 

stander, aanhanger, mcdestander. 
suppose [sa'pouz] (ver)onderstellen; 

vermoeden, menen, geloven. 
supposition [sApg'ziJan] (ver)onder- 

stelling, vermoeden o. 
suppress [sa'pres] onderdrukken, be- 

dwingen; achterhouden, weglaten, 

verzwijgen; verbieden [een krant &]. 
suppression [ss'prejsn] onderdruk- 

king; verbod o\ achterhouding, weg- 

lating, verzwijging. 



suppurate ['sApjureit] etteren. 

supremacy [s(j)u'prem3si] opper- 
macht, opperheerschappij. 

supreme [s(j)u'pri:m] hoogste, aller- 
hoogste, opper(st); be {reign, rule) 
■ — •, oppermachtig zijn. 

supremely [s(j)u'pri;mli] in de hoog- 
ste graad, hoogst, uiterst. 

surcharge [s3:'tja;d3] overlading; toe- 
slag; strafport o & m\ (postzegel 
met) opdruk; vt overladen; extra 
laten betalen; — d, ook: met opdruk. 

sure [Ju3, I'i.'l zeker, probaat; veilig; 
betrouwbaar; verzekerd (van oj, as 
to)\ well, I'm — .', heb ik van me 
leven!; / a?n ■ — ■ / don't know, ik 
weet liet waarachtig niet; to be — , 
(wel) zeker; waarachtig!; be ■ — • to 
come, kom stellig!; make -~ oj, 
zich verzekeren van, zich vergewis- 
sen van. 

surely ['Jusli] zeker, met zekerheid; 
toch. 

surety ['Juati] borg; borgtocht, borg- 
stelling, (onder)pand o. 

surf [s3:f] branding [v. zee]. 

surface ['s3:fis] oppervlakte; vlak o; 
buitenkant. 

surfeit ['sarfit] (over)verzadiging, 
overlading (van de maag); vt [de 
maag] overladen, (over)verzadigen. 

surge [s3:d3] golven. 

surgeon ['saidsan] chirurg; arts; offi- 
cier van gezondheid; scheepsdokter. 

surgery ['saidsari] chirurgie, heel- 
kunde; spreekkamer [v. dokter]. 

surgical ['saidsikl] chirurgisch. 

surly ['s3:li] nors, bokkig. 

surmise [sai'maiz] vermoeden o, gis- 
sing; vt vermoede.n, gissen. 

surmount [s3:'maunt] te boven komen, 
overwinnen; ■ — 'ed by {with), waar- 
op (zich bevindt)... 

surname ['saineim] achternaam; bij- 
naam; ■ — d..., bijgenaamd. 

surpass [s3:'pa:s] overtreffen, te bo- 
ven gaan. 

surplus ['s3:pl3s] surplus o, over- 
schot o. 



surprise 



283 



swear-word 



surprise [sa'praiz] verrassing, verwon- 
dering; take by — , verrassen; vt 
verrassen, verwonderen. 

surrender [sa'rends] overgave, capi- 
tulatie, uit-, inlevering; afstand; vt 
overgeven, uit-, inleveren, afstand 
doen van; vi zich overgeven, capi- 
tuleren. 

surreptitious [sArap'tiJas] heimelijk, 
clandestien. 

surround [sa'raund] omringen, om- 
singelen, omgeven, insluiten. 

surroundings [sa'raundirjz] omgeving. 

surtax ['ssrtaeks] extrabelasting. 

survey ['s3:vei] overzicht o; inspectie; 
opneming; opmeting; [sa/vei] vt 
overzien; inspecteren; opnemen; op- 
meten. 

surveyor [ss/veia] opzichter; inspec- 
teur; landmeter. 

survival [sa/vaivsl] overleving; voort- 
bestaan o; overblijfsel o. 

survive [ss/vaiv] overleven; nog in 
leven zijn, nog bestaan, voortbe- 
staan; in leven blijven. 

survivor [sar'vaiva] langstlevende; 
overlevende [na ramp]. 

susceptibility [sasepti'biliti] (fijn)- 
gevoeligheid; vatbaarheid. 

susceptible [sa'septibl] kwalijknemend; 
vatbaar; (fijn)gevoelig (voor, of, to). 

suspect E'sAspekt] verdacht(e); [sss- 
'pekt] vt vermoeden; wantrouwen, 
verdenken. 

suspend [sss'pend] ophangen; onder- 
breken, opschorten, tijdelijk buiten 
werking stellen of intrekken; schor- 
sen; staken [betalingen &] ; be — ed, 
hangen; zweven. 

suspender [sas'penda] ophanger &; 
(sok)ophouder, bietel (gew. — s, 
bretels). 

suspense [sas'pens] onzekerheid, span- 
ning; opschorting; in — , in span- 
ning, in het onzekere; onuitgemaakt. 

suspension [sas'penlsn] ophanging; 
onderbreking, opschorting, schor- 
sing; ~' of arms, wapenstilstand; 
'^ of payment, staking van beta- 



ling. 



suspension-bridge [sas'penjanbrids] 

hangbrug. 
suspicion [sas'pijsn] achterdocht, 

argwaan, (kwaad) vermoeden o, 

verdenking; a -^ of..., een schijn- 

tje, ietsje... 
suspicious [sas'pijas] argwanend, ach- 

terdochtig; verdacht. 
sustain [sas'tein] (onder)steunen, 

schragen; volhouden; verdragen, uit- 

houden; krijgen; oplopen; lijdcn 

[schade &]. 
sustenance ['sAStinans] (levens)on- 

derhoud o, voeding, voedsel o. 
suture ['s(j)u;tja] naad [aan been]; 

hechting [v. wond]; vt hechten. 
swab [swab] zwabber, wisser; vt 

zwabberen, wissen. 
swaddle ['swadl] zwachtelen, inbakeren. 
swaddling-bands, — clothes ['swad- 

lirjbasndz, -klouSz], windsels; lui- 

ers; fig keurslijf o. 
swagger ['sw£ega] snoeven; zwierig 

lopen. 
swallow E'swalou] zwaluw; slok; vt 

in-, verzwelgen; (in-, door)slikken; 

opslokken; verslinden. 
swam [swaem] V.T. v. swim. 
swamp [swamp] moeras o\ drasland o. 
swampy ['swampi] moerassig, drassig. 
swan [swan] zwaan. 
swank [swaerjk] geuren, bluffen. 
swanskin ['swanskin] molton o. 
swarm [swa:m] zwerm; vi zwermen, 

krioelen, wemelen (van, with). 
swarthy ['swa:6i] donker, getaand. 
swastika ['swaestika] hakenkruis o. 
swathe [swei3] zwachtel, (om)hul- 

sel o\ vt bakeren, inzwachtelen. 
sway [swei] zwaai; heerschappij, 

macht, overwicht o\ vi zwaaien; 

wiegen; (over)hellen; vt doen 

zwaaien; regeren, beheersen, leiden. 
swear [sw8a] (be)zweren, de eed 

doen (afleggen); beedigen; vloeken; 

-^ in, beedigen; -^ o f f, afzweren; 

— to, zweren op. 
swear-word ['swEawaid] vloek. 



sweat 



284 



switch-board 



sweat [swet] zweet o\ vi zweten; fig 
zwoegen; vt doen zweten; fig uit 
zuigen [werklieden]. 

sweater ['sweta] wollen sporttrui; uit- 
zuiger [v. werklieden]. 

sweaty ['sweti] zweterig, bezweet. 

Swede [swi:d] Zweed; swede, knol 
raap. 

Sweden ['swi:dn] Zweden o. 

Swedish ['swi:dij] Zweeds. 

sweep [swi:p] veeg, zwenking; zwaai, 
draai; oprit [voor huis]; schoorsteen- 
veger; make a clean — , eens ter- 
dege schoon schip maken; at a — , 
met een slag; vt (aan)vegen, schoon- 
vegen; afvissen; afzoeken; afdreg- 
gen [rivier &] ; strijken of slepen 
over; bestrijken; opstrijken [winst]; 
meeslcpen; vi strijken, vliegen, Snel- 
len, jagen, schieten; zwenken; statig 
lopen (gaan &); zich uitstrekken. 

sweeping ['swi:pir)] — mafority, ver- 
pletterende meerderheid; ~- meas- 
ure, radicale maatregel; -— plains, 
wijde vlakten; the ■ — s, het veegsel, 
fig het uitvaagsel. 

sweet [swi:t] zoetheid; bonbon, toe- 
tje o, lekkers o, snoep (ook: — s); 
my — .', liefje!; aj zoet, liefelijk, lief, 
bevallig; geurig, lekker; vers, fris 
[lucht, eieren &]; — stuff, lekkers 
o, snoeperij(en), zoetigheid. 

sweetbread ['swi:tbred] zwezerik. 

sweeten ['swi:tn] zoet maken, ver- 
zachten, verzoeten, veraangenamen; 
2oet(er) worden. 

sweetheart ['swi:tha:t] geliefde; lief- 
je o, meisje o\ vrijer. 

sweetmeat ['swi:tmi:t] bonbon; ^—s, 
suikergoed o, lekkers o. 

sweet pea ['swi:t'pi:] pronkerwt. 

swell [swel] zwellen o, zwelling, dei- 
ning; fat; grote meneer; aj chic, 
rijk, voornaam; vi (aan-, op)zwel- 
len, uitzetten; fig aangroeien, toe- 
nemen; zich opblazen; vt doen (aan-, 
op) zwellen; fig opblazen; vergroten. 

swelter ['swelta] smoren, stikken van 
de hitte. 



sweltering ['sweltarirj] broeiend, 
smoorheet. 

swept [swept] V.T. & V.D. v. sweep. 

swerve [sw3;v] afdwaling, afwijking, 
zijbeweging; vi afdwalen, afwijken, 
op zij gaan. 

swift [swift] muurzwaluw; aj snel, 
vlug. 

swim [swim] (af-, over)zwemmen, 
drijven; draaien (voor de ogen), 
duizelen; ■ — • with tears, overlopen 
van tranen. 

swimmingly ['swiniirjli] go on --^ , 
van een leien dakje (als gesmeerd) 
gaan. 

swindle ['swindl] zwendel(arij), op- 
lichterij; vi zwendelen; vt oplich- 
ten; -~ one out of money, iemand 
geld afzetten. 

swindler ['.swindb] zwendelaar, op- 
lichter. 

swine [swain] varken o, zwijn o, var- 
kens, zwijnen. 

swing [swir)] schommel; schomme- 
ling, zwenking, zwaai; slingering; 
ritme o, elan <?; swing [boksstoot 
en dansmuziek]; /' « ///// — , in voi- 
le gang; get into one's ~-, op 
dreef komen; vi schommelen, zwaai- 
en, slingeren (met), zwenken; ben- 
gelen. 

swing-bridge ['swir)brid5] draaibrug. 

swing-door ['swir|dD:] tochtdeur. 

swipe [swaip] slaan. 

swish [swij] zwiepen (met). 

Swiss [swis] Zwitser; the — , de 
Zwitsers; aj Zwitsers. 

switch [switj] teentje o, rijsje o; roe- 
de; wissel; schakelaar; vt ranselen, 
slaan; op een ander spoor brengen; 
omschakelen; — off, uitdraaien 
[elektr. licht]; uitschakelen; afzet- 
ten [radio]; — on, inschakelen, 
aandraaien [elektr. licht], aanzetten 
[radio]; --— over, overschakelen (op, 
to); vi zwiepen. 

switchback ['switjba^k] roetsjbaan. 

switch-board ['switjb3:d] schakel- 
bord o, 



Switzerland 



285 



tackle 



Switzerland ['switssbnd] Zwitser- 

land o. 
swollen ['swouln] V.D. v. swell. 
swoon [swu:n] bezwijming; vi be- 

zwijmen, in zwijm vallen. 
swoop [swu:p] neerstrijken o, plot- 

seling neerschieten o\ at a — , met 

een slag; vi neerstrijken, neerschie- 
ten. 
swop [sv/op] ruilen. 
sword [sDid] zwaard o, degen, sabel; 

put to the ■ — , over de kling ja- 

gen. 
swordsman ['sDidzmsn] schermmees- 

ter, schermer. 
swore [sw3:] V.T. v. swear. 
sworn [swD:n] V.D. v. swear. 
swot [swDt] blokken (op). 
swum [swAm] V.D. v. switn. 
swung [swAf)] V.T. & V.D. v. swing. 
syllable L'sibbl] lettergreep; ?2ot a 

■ — ', geen syllabe, geen woord. 
symbol ['simbsl] symbool o, zinne- 

beeld o. 
symbolic(al) [sim'bDlik(l)] symbo- 

lisch, zinnebeeldig. 
symbolize ['simbslaiz] symboliseren, 

zinnebeeldig voorstellen. 



symmetric(al) [si'metrik(I)] symme- 

trisch. 
symmetry ['simatri] symmetrie. 
sympathetic [simps'Getik] medegevoe- 

lend, deelnemend, weiwillend. 
sympathize ['simpsGaiz] sympathise- 

ren; deelnemen (in, in); condoleren 

(iemand, with a person). 
sympathy ['simpaBi] sympathie (voor, 

with); medegevoel o, deelneming; 

condoleantie. 
symphony ['simfani] symfonie. 
symptom ['sim(p)t3m] symptoom o, 

verschijnsel o, kenteken o. 
synagogue ['sinagog] synagoge. 
syndicate ['sindikit] syndicaat o. 
synod ['sinad] synode. 
synonym ['sinanim] synoniem o. 
synonymous [si'nanimas] synoniem, 

gelijkbetekenend. 
syringe ['sirind3] spuit, spuitje o; rt 

spuiten, be-, inspuiten. 
syrup C'sirap] siroop; stroop. 
syrupy ['sirapi] stroperig. 
system ['sistim] systeem o, stelsel o; 

inrichting; net o [v. spoorwegen, 

telegraaf &]; lichaam o; gestel o. 
systematic [sisti'maetik] systematisch, 

stelselmatig. 



t [ti:] (de letter) t; to a ~, net, 

precies, op een haartje. 
tab [taeb] leertje o, lus; nestel [v. 

veter]; tongetje o; label; pat [v. \ 

uniform], 
tabby E'tsebi] (gestreepte) kat; oude 

vrijster. 
table E'teibl] tafel; tabel; ■^-' of con- 
tents, inhoud(sopgave). 
table-centre ['teiblsenta] tafelkleedje 

o; piece de milieu o. 
table-cloth ['teiblkbG] tafellaken o; 

tafelkleed o. 
table-cover ['teiblkAva] tafelkleed o. 
table-spoon ['teiblspu;n] eetlepel. 



tablet ['tasblit] tablet. 

tabouret ['tsebarit] krukje o, taboeret; 

borduurraam o. 
tabular ['tasbjula] tabellarisch; tabel-. 
tabulate ['taebjuleit] tabellarisch groe- 

peren. 
tacit ['tassit] stilzwijgend. 
taciturn ['taesitain] stil, zwijgend; 

Williaiti the T., Willem de Zwijger. 
tack [t£ek] spijkertje o; rijgsteek; aan- 

hangsel o; koers, gang [v. schip]; 

hard — , scheepsbeschuit; vt vast- 

spijkeren; vastmaken; hechten; rij- 

gen; laveren. 
tackle ['tsekl] takel; talie; tuig o, ge- 



tact 



286 



tan 



rei o\ vt (vast)grijpen; jig (flink) 

tact [tskt] tact. [aanpakken. 

tactical ['tsektikl] tactisch. 

tactics ['tasktiks] tactiek. 

tadpole ['tcedpoul] kikkervisje o. 

taffeta ['tasfits] taf. 

tag [t£g] malie; lus [aan laars]; eti- 
ket o, label; (uit)einde o, rafel; 
aanhangsel o\ leus; refrein o\ krij- 
gertje o\ vt aanhechten, aanhangen; 
vastknopen, vastbinJen; achternalo- 
pen. 

tail [teil] staart, vlecht; file, sleep; 
(uit)einde o\ nasieep; pand [v. jas]; 
keerzijde [v. munt]; at the — oj, 
achter... (aan); vi achteraan komen; 
achter elkaar aan komen; ~ aiv a y 
(off), een voor een afdruipen; cin- 
digen; '— on to, (zich) aanslui- 
ten bij; vasthechten aan; achter... 
aan komen. 

tailcoat [teil'kout] pandjesjas; rok. 

tail end ['teil'end] (uit)einde o, ach- 
terstuk o, staartje o. 

tail-light E'teillait] achterlicht o. 

tailor ['teib] kleermaker. 

taint [teint] viek; fig besmetting, be- 
derf o; vt besmetten, bederven, aan- 
steken. 

take [teik] nemen; aan-, in-, op-, 
mee-, be-, af-, overnemen, pakken; 
krijgen; vatten. begrijpen; opvatten, 
beschouwen; houden (voor, for)\ 
gebruiken [de baden &]; drinken 
[thee &]; brengen; doen [een 
sprong, wandeling &] ; it takes a 
lot of..., er is veel... voor nodig; 
~' ///, ziek worden; ■ — ■ after, 
aarden naar; — daw n, afnemen; 
optekenen, opschrijven; ■ — / n, bin- 
nenbrengen, binnenleiden; (in huis) 
opnemen [iemand]; innemen; slik- 
ken [verhaal]; beetnemen [iemand]; 
begrijpen, beseffen [de toestand]; 
-~ off, afnemen, uittrekken; op- 
stijgen, starten; — to ...ing, gaan 
doen aan..., beginnen te...; — up. 
opnemen, opvatten, optillen; aanne- 
men [een bonding]; innemen 



[plaats]; aanvaarden [betrekking]; 
in beslag nemen [tijd & plaats]; 
overnemen [refiein &]; werk ma- 
ken van, aanhangig maken (bij, 
with); ■ — ■ up with, omgaan met, 
't aanleggen met. 

taken ['teikn] V.D. v. take. 

taking ['teikirj] nemen o &; inne- 
ming; — s, recette, ontvangst; aj in- 
nemend, aantrekkelijk, pakkend 
[melodie]. 

talc ['ta;lk] talk [delfstof]. 

talcum powder ['taElk3mpaud3] talk- 
poeder o Sl m. 

tale [teil] verhaal o, vertelsel o. 

talent ['taebnt] talent o. 

talented ['tselsntid] talentvol. 

talk [tD:k] gepraat o, praat, praatje o; 
gesprek o; bespreking; there was 
{some) — too of..., het praatje 
ging dat. . . ; er was ook sprake van. . . ; 
at — of..., als er sprake is (was) 
van...; vi praten, spreken; — ■ big, 
grootspreken, opsnijden; ■ — ■ a person 
into..., iemand bepraten (overha- 
len) om; -^ a person out of, 
iemand... uit zijn hoofd praten, af- 
brengen van; ■ — • over, bespreken; 
overhalen; — r o u n d, overhalen, 
overreden. 

talkative ['tD:k3tiv] praatziek. 

tall [t):l] hoog; lang, groot [v. per- 
sonen]; fig hoogdravend; kras; 
that' s a — order, dat is niet mis. 

tallow ['tcelou] talk; kaarsvet o. 

tallow-faced ['tceloufeist] bleek. 

tally ['ta;li] kerfstok; kerf; aantal o, 
getal 0, tel; rekening; it inkepen, 
aanstrepen; natellen; ri kloppen, 
overeenstemmen. 

talon ['tsbn] klauw; stok, talon. 

tame [teim] temmen; af tam, mak, 
gedwee; slap, flauw, saai. 

tamer ['teimsj (dieren)temmer. 

tamper ['tsmps] — with, knoeien 
aan of met; peuteren aan; ,,bewer- 
ken" [getuigen &]. 

tan [t£en] run, taan(kleur); vt looi- 
en, tanen. 



tang 



287 



tax 



tang [taeg] bijsmaak, (na)sniaak; 

luchtje o, geurtje o; fig tikje o. 
tangerine [tasndsa'riin] mandarijntje 

o. 
tangible ['tjendsibl] tastbaar, voel- 

baar. 
tangle ['tasr)gl] warhoop; warboel; 

knoop; winvar; verwarring; be in 

a — , in de war zijn; ;'/ in de war 

maken; verwarren; verstrikken. 
tank [tasrjk] waterbak, reservoir o\ 

tank. 
tankard ['tserjkad] drinkkan. 
tanker ['taerjka] tankschip o. 
tanner ['taena] looier; sixpence. 
tantamount ['taentsmaunt] gelijkwaar- 

dig; be — to, geiijkstaan met. 
tap [taep] (houten) kraan; tap; brouw- 

sel o; tikje o, klop [op deur]; there 

was a ■ — 'at the door, er werd ge- 

klopt; vt opsteken [een vat]; (af)- 

tappen; aanboren; vi tikken, klop- 

pen. 
tape [teip] lint o\ band o [stof- 

naam], band m [voorwerpsnaam] ; 

strook papier; telegrafisch koersbc- 

richt o. 
tape-line ['teiplain], tape-measure 

L'teipmesa] meetband. 
taper ['teips] waslicht o\ vi spits 

toelopen. 
tapestry ['t^epastri] geweven behang- 

sel o, wandtapijt o. 
tapeworm ['teipw3:m] lintworm. 
tapioca [tcepi'oukaj tapioca. 
tap-room ['tseprum] gelagkamer. 
tap-water ['tspwDits] leidingwater o. 
tar [ta;] teer; pikbroek, matroos; vt 

(be)teren. 
tardy ['ta:di] traag, langzaam; laat; 

achterstallig; dralend; nalatig. 
tare [tea] tarra; the -~j-, het onkruid. 
target ['ta:git] (schiet)schijf; mik- 

punt o; (gestelde) doel o. 
target-practice ['ta:gitpr£ektis] schijf- 

schieten o. 
tariff ['taerif] tarief o. 
tarnish ['ta:nij'] dof maken (worden), 

(doen) tanen; fig bezoedelen. 



tarpaulin [ta:'p3:lin] teerkleed o, zeil 
o. 

tarry ['taeri] toeven, dralen; wachten 
(op); ['ta:ri] d; teerachtig, geteerd. 

tart [ta:t] (vruchten)taart; taartje o; 
a] wrang, zuur; scherp, bits. 

tartan ['taitsn] Schots geruit goed o. 

Tartar ['taita] Tartaar; driftkop; las- 
tig perceel o\ catch a ~, zijn man 
vinden. 

tartlet ['tattlit] taartje o. 

task [ta:sk] taak, huiswerk o\ karwei; 
take one to ■ — ■, iemand de les le- 
zen, onder handen nemen; vt hard 
laten werken; /'/ ^^s our credulity, 
het vergt (te) veel van ons geloof. 

taskmaster ['ta:skma:st3] werkgever; 
meester; onderdrukker. 

tassel ['tassi] kwast; lint o. 

taste [teist] smaak, bijsmaak, voor- 
smaak; (voor)proefje o\ zweempje 
o, tikje o\ they are (in) bad ■ — ■, 
ze zijn smakeloos; /' n good '---, ze- 
als het hoort; smaakvol; my mouth 
is out of — -, ik ben mijn smaak 
kwijt; / o ■ — ■, naar believen; pungent 
to the — , scherp van smaak; is it 
to your — ?, is het naar uw zin?; 
vt proeven; smaken, ondervinden. 

tasteful['teistful] smakelijk; smaakvol. 

tasteless ['teistlis] smakeloos. 

tasty ['teisti] smakelijk; van smaak; 
smaakvol. 

tatter ['taeta] lap, vod o &i. v, flard; 
vt aan Harden scheuren. 

tattle E'tastl] gesnap o, gebabbel o\ vi 
snappen, babbelen. 

tattoo [ta'tu:] taptoe; tatoeHring; vi 
trommelen; vt tatoeeren. 

taught [t3:t] V.T. & V.D. v. teach. 

taunt [tD:nt] schimp, boon, smaad, 
spot; vt beschimpen, honen. 

taut [tD:t] strak, gespannen; in goede 
toestand, in orde. 

tauten ['tD:tn] (zich) spannen. 

tavern ['tsvsn] herberg; logement o. 

tawdry ['tD:dri] smakeloos, opzichtig. 

tawny ['tD:ni] taankleurig, tanig. 

>x [tasks] (,rijks)belastmg; schattmg; 



taxation 



288 



temper 



last; (zware) proef; be a — on, 

veel vergen van; vt belasten; veel 

vergen van; aanpakken; beschuldi- 

gen (van, with). 
taxation [tsk'seijan] belasting. 
tax-collector ['tsekskslekts] ontvanger 

der belastingen. 
taxi (-cab) ['tjeksilkasb)] taxi. 
taxpayer ['tsekspeis] belastingbetaler. 
tea [ti:] thee. 

tea-caddy ['tiikeedi] theekistje o. 
teach [ti:tj] onderwijzen, leren. 
teacher ['ti:tj3] onderwijzer(es); 

leraar, lerares. 
tea-cosy ['ti:kouzi] theemuts. 
teak [ti;k] djati(hout) o. 
team [ti:m] span o\ ploeg; elftal o. 
tear [tia] traan; [tea] scheur; haast; 

full — , in voile vaart; vt scheu- 

ren, verscheuren, rukken of trekken 

aan; weg-, uiteenrukken; vi stor- 

men; tieren. 
tearful E'tiaful] beschreid; huilerig. 
tearing ['tearirj] gemakkelijk scheu- 

rend; heftig, razend. 
tea-room (s) ['ti:rum(z)] theesalon 

lunchroom. 
tease [ti:z] plagen. 
teaser ['ti;z3] kweller, plaaggeest; fig 

puzzel; moeilijke bal &. 
tea-shop ['tiijop] lunchroom. 
tea-spoon ['ti:spu:n] theelepeltje o. 
teat [ti:t] speen. 
tea-things ['ti:6ir)z] theegerei o. 
tea-tray ['ti:trei] theeblad o. 
technical ['teknikl] technisch; vak-; 

— school, ambachtsschool. 
technician [tek'nijsn] technicus. 
technics ['tekniks] techniek. 
technique [tek'ni:k] techniek. 
tedious ['ti:di3s] vervelend, saai. 
teem [ti:m] — with, krioelen van, 

wemelen van, overvloeien van. 
teeming ['ti;mir|] wemelend, overvol, 

boordevol (van, with). 
teen age ['ti:neid3] zie teens. 
teen-ager ['ti:neid33] jongmens o, 

jongeling; jong meisje o, bakvisje o. 
teens [ti:nz] jaren tussen het twaalfde 



en het twintigste. 

teeth [ti:6] meerv. van tooth. 

teetotalism [ti/toutlizm] geheelont- 
houding. 

teetotaller [ti/toutb] geheelonthou- 
der. 

telegram ['teligrsem] telegram o. 

telegraph ['teligra:f] telegraaf; vt 
telegraferen. 

telegrapher ['teligraifs] telegrafist. 

telegraphic [teli'grsfik] telegrafisch. 

telegraphist [ti'legrsfist] telegra- 
fist (e). 

telegraphy [ti'legrafi] telegrafie. 

telephone ['telifoun] telefoon; vt te- 
lefoneren. 

telephonic [teli'fDnik] telefonisch. 

telephony [ti'lefsni] telefonie. 

telescope ['teliskoup] verrekijker; te- 
lescoop; vt in elkaar schuiven. 

teletype ['telitaip] telex. 

teleview ['telivju:] kijken [TF]. 

televiewer ['telivjuia] kijker [TF]. 

televise ['telivaiz] per televisie over- 
brengen. 

television [teli'vi33n] televisie; on 
— , per televisie, voor de televisie. 

televisor ['telivaizs] televisie(ont- 
vang)toestel a of -zender. 

tell [tel] vt vertellen, zeggen, mede- 
delen; bevelen, gelasten; tellen; on- 
derscheiden; (her)kennen; ■ — tales, 
uit de school klappen, klikken; vi 
klikken; zijn invloed doen gelden, 
indruk maken, pakken; • — ■ against 
{in his favour), pleiten tegen 
(voor); — off, tellen; aanwijzen 
[voor corvee &]; een standje maken; 
— o n a person, van iemand klik- 
ken. 

telling ['telirj] pakkend, krachtig, 
raak. 

telltale ['telteil] aanbrenger; verklik- 
ker; aj verraderlijk. 

temerity [ti'meriti] vermetelheid. 

temper ['tempa] temperament o, ge- 
aardheid; stemming; (goed) humeur 
o; gemoedsrust; slecht humeur o, 
boze luim; be in a (black) — , 



temperament 



289 



terminal 



(verschrikkelijk) uit zijn humeur 
zijn; get out oj — , uit zijn hu- 
meur raken; zijn geduld verliezen; 
vt temperen, matigen; doen beda- 
ren; mengen; harden [ijzer]. 

temperament ['temp(3)r3m3nt] tem- 
perament o. 

temperance ['temparsns] gematigd- 
heid; matigheid, onthouding [v. 
sterke drank]. 

temperate ['tempsrit] gematigd; ma- 
tig- 

temperature ['tempritja] temperatuur. 

tempered ['tempsd] ...gehumeurd, 
...van aard. 

tempest L'tempist] (hevige) storm. 

tempestuous [tem'pestjuss] stormach- 
tig, onstuimig. 

temple ['tempi] tempel; slaap [aan 
het hoofd]. 

temporal ['temp(3)r3l] tijdelijk; we- 
reldlijk; — hone, slaapbeen o. 

temporary ['temp(3)r3ri] tijdelijk, 
voorlopig; nood-. 

temporize ['temparaiz] schipperen. 

tempt [temt] in verzoeking brengen, 
bekoren; verleiden. 

temptation [tem'teijsn] verzoeking, 
aanvechting, bekoring, verleiding. 

tempter ['temts] verzoeker, verleider. 

tempting ['temtirj] verleidelijk. 

ten [ten] tien. 

tenable ['ti:- 'tensbl] houdbaar. 

tenacious [ti'neijss] vasthoudend; 
kleverig, taai; sterk [v. geheugen]. 

tenacity [ti'nassiti] vasthoudendheid; 
kleverig-, taaiheid. 

tenant ['tenant] huurder, pachter; be- 
woner. 

tench [tenj] zeelt. 

tend [tend] vi zich uitstrekken, zich 
richten; ■ — • to, strekken, bijdragen 
tot; de neiging hebben om...; vt 
oppassen [zieken], hoeden [vee]; 
bedienen [klanten]. 

tendency ['tendansi] neiging, strek- 
king. _ 

tendentious [ten'denfas] tendentieus. 

tender ['tends] oppasser, oppasster; 

Eng. Zakwrdbk. 11 



tender; aanbieding, offerte; inschrij- 

ving(sbiljet o)\ betaalmiddel o (in: 

legal ■ — )\ vt aanbieden; — for, in- 

schrijven op; aj te(d)er, zacht, mals; 

(teer)gevoelig. 
tender-hearted ['tenda'haitid] teerhar- 

tig. 
tendon ['tendon] pees. 
tendril ['tendril] (hecht)rank. 
tenement ['tenimant] pachtgoed o; 

woning; kamers. 
tenet ['ti:-, 'tenit] grondstelling; (ge- 

loofs)leerstuk o, leer. 
tenfold ['tenfould] tienvoudig. 
tennis-court ['teniskD:t] tennisbaan. 
tenon ['tenan] pin, pen, tap. 
tenor ['tena] gang, loop, richting; 

geest, zin, inhoud, strekking; tenor. 
tense [tens] tijd; aj strak, gespannen; 

spannend. 
tension ['tenjan] spanning; inspan- 

ning; spankracht. 
tent [tent] tent. 
tentacle ['tentakl] vangarm, voel- 

hoorn. 
tentative ['tentativ] bij wijze van 

proef gewaagd, voorzichtig; voorlo- 

Pig- 

tenterhook ['tentahuk] be on ~-j-, in 
gespannen verwachting zijn, op hete 
kolen zitten. 

tenth [ten6] tiende (deel o). 

tenuous ['tenjuas] fijn, dun, ijl. 

tenure ['tenjua] cigendomsrecht o, be- 
zit o; — of office, ambtsbekleding. 

tepid ['tepid] lauw. 

tepidity [te'piditi] lauwheid. 

tergiversate ['ta:d3ivaseit] draaien, 
uitvluchten zoeken, schipperen. 

term [ta:m] grens; term, uitdrukking; 
termijn, zitting(stijd); duur, tijd;. 
trimester o, kwartaal o; — s, voor- 
waarden, condities, schoolgeld o, 
prijzen; o n good — s , op goede 
voet; come t o ■ — s, tot cen vergelijk 
komen; het eens worden; vt noe- 
men. 

termagant ['t3:magant] feeks. 

terminal ['ta:minl] einde o, uiterste 

19- 



terminate 



290 



themselves 



o\ eindstation o\ aj grens-, eind-, 
uiterste; termijn-. 

terminate ['t3:mineit] begrenzen; 
(be)eindigen; • — ■ in, uitlopen op; 
uitgaan op [klinker &]. 

termination [taimi'neijan] begrenzing, 
grens; beeindiging; slot o\ einde o\ 
afloop; uitgang. 

terminus ['tsiminas] eind (punt) o\ 
eindpaal; eindstation o. 

termite ['taimait] termiet, witte mier. 

terrace ['teris] terras o. 

terrestrial [ti'restrial] aards; aard-. 

terrible L'teribl] verschrikkelijk, vre- 
selijk. 

terrific [ta'rifik] schrikwekkend, ver- 
schrikkelijk, vervaarlijk. 

terrify ['terifai] schrik aanjagen; ver- 
schrikken. 

territory ['teritari] (grond)gebied o. 

terror ['tera] schrik, vrees, angst; ver- 
schrikking; terreur; in ■— of, bang 
voor, vrezend voor; yoti are a — .', 
je bent verschrikkelijk!; the Terror, 
het Schrikbewind. 

terrorism ['terarizm] terreur. 

terrorist L'tersrist] terrorist; aj ter- 
roristisch. 

terse [t3:s] pittig, gedrongen. 

test [test] toets(steen); proef, beproe- 
ving; test; intelligence ■ — {s) , psy- 
chotechnisch onderzoek o; put to 
the — , op de proef stellen; vt toet- 
sen, op de proef stellen, beproeven, 
keuren, onderzoeken; testen; intel- 
ligence ^—ing, psychotechniek. 

testaceous [tes'teijas] schelp-. 

testament ['testamant] testament o. 

testamentary [testa'mentari] testamen- 
tair. 

testify ['testifai] getuigen (van); be- 
tuigen. 

testimonial [testi'mounjal] getuig- 
schrift o, attestatie. 

testimony ['testimani] getuigenis o & 
;', getuigenverklaring; bear ■— to, 
getuigen van. 

test-paper ['testpeipa] reageerpapier 
o; proefwerk o. 



test pilot ['testpailat] invlieger. 
test-tube ['testtju;b] reageerbuisje o. 
testy ['testi] kribbig, prikkelbaar. 
tether ['teSa] be at the end of one's 

— , uitgepraat zijn. 
text [tekst] tekst. 
textbook ['tekstbuk] handboek o\ 

leerboek o. 
textile ['tekstail] geweven (stof), 

textiel. 
textual ['tekstjual] woordelijk. 
texture ['tekstja] weefsel o, bouw. 
Thames [temz] Theems; he will 
never set the — on fire, hij heeft 
het buskruit niet uitgevonden. 
than [Seen] dan [na vergr. trap], 
thank [Gaerjk] (be)danken; '~ you, 
dank u; alstublieft; no, ■ — ■ you, 
dank u [bij wcigering]. 
thankful ['Osrjkful] dankbaar. 
thankless ['Oserjklis] ondankbaar. 
thanks [9Er|ks] dank, dankzegging; 
— {awfully) I, wel bedankt!; ■ — • 
to..., dank zij... 
thanksgiving ['62er|ksgivir)] dankzeg- 
ging; — day, dankdag. 
that [3£et] dat, die [aanwijzend], wel- 
ke, wat; opdat; all '~, dat alles; 
— 's a dearl, nu (dan) ben je een 
beste!; in ■ — ■ (he...), in zoverre 
als..., omdat...; / «^/7/ go --— far, 
z6 ver. 
thatch [9aetJ] stro o; riet o; — ed 

roof, rieten dak. 
thaw [Bo;] dooi; vi dooien; ontdooi- 

en. 
the [3a, 3i, 3i:] de, het. 
theatre ['6iata] schouwburg; toneel 

o; (operatic-, gehoor)zaal. 
theatrical [Si'astrikl] theatraal; to- 
neel-; private — s, liefhebberijto- 
thee [3i:] u. [neel o. 

theft [Seft] diefstal. 
their [3ea] hun, haar. 
theirs [3eaz] de of het hunne, hare. 
them [5em, (3jam] hen, hun, haar. 
theme [Gi:m] thema o\ onderwerp o. 
themselves [Sam'selvz] zich (zelf); 
(zij) zelf. 



then 



291 



this 



then [Sen] dan, toenmaals, toen; ver- 
volgens, daarop; daar; bovendien; 
before ■ — ■, voordien; by — , dan, 
tegen die tijd; from '— {on- 
wards), van toen af; '~ and there, 
op staande voet; a] toenmalig; van 
dat ogenblik. 

thence [Sens] vandaar, daaruit, daar- 
door. 

thenceforth ['5ens'fD:0], thencefor- 
ward ['5ens'fD:w3d] van die tijd af. 

theologian [Oia'loudsisn] theoloog, 
godgeleerde. 

theologic(al) [Oia'bdsikCl)] godge- 
leerd, theologisch. 

theology [Oi'sladsi] godgeleerdheid, 
theologie. 

theorem ['Sisrem] theorema o, stel- 
ling. 

theoretic(al) [6i3'retik(l)] theore- 
tisch. 

theorist ['Biarist] theoreticus. 

theory ['Giari] theorie. 

there [Sea] daar, aldaar, er; er-, daar- 
heen; daarin; — and back, heen en 
terug; be all '—', goed bij (zijn ver- 
stand) zijn; — you are!, ziedaar!; 
— , — !, kom, kom!, stil! 

thereabout (s) ['3S3r3baut(s)] daarin 
de buurt, daaromtrent. 

thereafter [Sea'raifta] daarna. 

therefore ['SeafD;] daarom, derhalve. 

thereof [Ssa'rDv] hiervan, daarvan. 

thermal ['63:m3l] hitte-, warmte-; 
warm. 

thermometer [Oa'msmits] thermome- 
ter. 

thermos (flask) ['63:mDs(fIa:sk)] 
thermosfles. 

these [3i:z] meerv. v. this, deze. 

thesis ['6i:sis] stelling; thesis; disser- 
tatie. 

they [Sei] zij; ze, men. 

thick [Oik] dik, dicht, dicht bezet, 
vol; kras; they are as ■ — ' as thieves, 
het zijn dikke vrienden; — of 
hearing, hardhorig; — of speech, 
zwaar van tong; come — and fast, 
fast and '~, elkaar snel opvolgen 



[v. slagen] ; in the — of the fight, 

in het hevigst van het gevecht. 
thicken ['Gikn] verdikken, dik maken; 

dik(ker) worden; the plot — s, het 

begint te spannen. 
thicket ['Qikit] krcupelbosje o, struik- 

gewas o. 
thick-headed ['Gik'hedid] dom. 
thickness ['Giknis] dikte; dichtheid. 
thick-set ['Oik'set] dicht (beplant), 

dicht opeen; gedrongen, stevig. 
thief [ei:f] dief. 
thieve [Oi;v] steien, dieven. 
thievish ['OiiviJ] diefachtig. 
thigh [Gai] dij. 
thimble ['Gimbl] vingerhoed. 
thin [Gin] dun; schraal, mager; 

schaars; ijl; vt dun(ner) maken; vi 

dun(ner) worden. 
thine [Sain] uw; de of het uwe. 
thing [Girj] ding o; zaak; iets o; old 

■ — l, ouwe jongen!; lieve schat!; zie 

ook: things. 
things [Girjz] dingen &; (de) zaken; 

allerlei dingen; kleren, spullen; 

goed o, gerei o\ above {before, of) 

all — , bovenal, voor alles. 
think [Girjk] denken; geloven, menen, 

houden voor, vinden; — better of, 

een betere dunk krijgen van; — 

better of it, zich bedenken. 
thinker ['Gigks] denker. 
thinking ['Birjkir)] gedachte, mening, 

idee o &L v\ way of — , denkwijze; 

mening. 
third [G3:d] derde (dee! o). 
thirdly ['Gsidii] ten derde. 
third-rate ['03:d'reit] derderangs-, 

minderwaardig. 
thirst [Gaist] dorst; vi dorsten. 
thirsty ['Qsisti] dorstig, dorstend; be 

■ — •, dorst hebben; be ■ — ■ for, dor- 
sten naar. 
thirteen ['Gsr'tirn] dertien. 
thirteenth ['G3:'ti:n9] dertiende (deel 

o). 
thirtieth ['GartiiG] dertigste (deelo). 
thirty ['Gaiti] dertig. 
this [Sis] dat, deze; '~ day week, 



thistle 



292 



throughout 



vandaag over (of voor) een week. 
thistle ['eisl] distel. 
thither ['SiSa] derwaarts, daarheen. 
thong [631]] riem. 
thorax ['93:raeks] borst(kas). 
thorn [6D:n] doom, stekel; be on — s, 

op hete kolen zitten. 
thorny ['6D:ni] doornig, stekelig; 

//,e lastig, netelig. 
thorough ['Oais] volmaakt, volledig; 

volkomen; grondig, flink, degelijk; 

echt, doortrapt. 
thoroughbred ['BMsbred] volbloed. 
thoroughfare ['BArafsa] doorgang; 

hoofdweg, hoofdstraat. 
thoroughgoing ['GAtsgouir]] doortas- 

tend, radicaal. 
thoroughly ['OArsli] door en door; 

grondig; alleszins, helemaal, zeer. 
those [5ouz] die, diegenen; — ■ who^ 

TA\ die... 
thou [3au] gij. 
though [Sou] (al)hoewel, ofschoon, 

al; echter, evenwel, maar, toch. 
thought [G3:t] gedachte, gepeins o\ 

het denken; overleg o; opinie, idee 

o & V, inval; ietsje o\ give it a — , 

er over denken; take '~~, zich be- 

denken; take — for, zorgen voor; 

on second — s, bij nader inzien; 

V.T. & V.D. v. think. 
thoughtful ['03:tful] (na)denkend; 

bedacht(zaam); bezonnen; attent. 
thoughtless ['GDitlis] gedachteloos; 

onbedachtzaam, onbezonnen. 
thousand ['Gauzand] duizend; // is a 

— pities, vreselijk jammer. 
thousandth ['GauzandG] duizendste 

(deel o). 
thrall [GrD:l] siaaf; slavernij. 
thrash [GraeJ] dorsen; afrossen; (ver)- 

slaan; — out, fig uitvorsen; gron- 
dig behandelen. 
thrashing ['Grsejirj] dorsen o; a ~-, 

een pak o ransel. 
thrashing-floor ['Grasjirjfb:] dors- 

vloer. 
thread [Gred] draad; garen o\ rt de 

draad steken in; (aan)rijgen. 



threadbare ['Gredbes] kaal, versleten; 

fig afgezaagd. 
threat [Gret] (be)dreiging, dreige- 

ment o. 
threaten ['Gretn] dreigen fmet); be- 

dreigen. 
three [6ri:] drie. 
threefold ['6ri:fould] drievoudig. 
threepence ['Gripsns] driestuiver- 

(stukje o). 
thresh [GreJ] zie thrash. 
threshold ['Greijould] drempel. 
threw [Gru:] V.T. van throw. 
thrice [Grais] driemaal, driewerf. 
thrift [Grift] zuinig-, spaarzaamheid. 
thrifty ['Grifti] zuinig, spaarzaam. 
thrill [Gril] (t)rilling, sensatie, hui- 

vering, schok; vt doordringen, doen 

(t)rillen; vi trillen, rillen, buive- 

ren. 
thriller ['Grib] sensatieroman, -stuk o. 
thrilling ['Grilirj] aangrijpend, span- 

nend, interessant. 
thrive [Graiv] gedijen, bloeien, voor- 

uitkomen; (welig) tieren. 
thriven ['Grivn] V.D. v. thrive. 
thriving ['Graivig] voorspoedig, bloei- 

end, florerend. 
throat [Grout] keel, strot, hals; in- 

gang, monding; that slicks in his 

■ — •, dat kan hij niet verkroppen. 
throb [Grob] klop, klopping; vi klop- 

pen [v. hart, aderen &]. 
throe [Grou] wee o & v, pijn; in the 

— s of, ten prooi aan, geschokt door, 
thrombosis [Gnm'bousis] trombose. 
throne [Groun] troon. 
throng [GrDf)] gedrang o, drom, me- 

nigte; vi elkaar verdringen; toe- 

samenstromen; — ed, volgepropt, 

overvol. 
throstle ['GrDsl] lijster. 
throttle ['GrotI] luchtpijp; keel; smoor 

klep; vt doen stikken, verstikken 

worgen, smoren. 
through [Gru:] door, uit, tot het ein 

de toe; doorgaand [treinen &]. 
throughout [Gru/aut] geheel, hele- 

maal, door en door, in alia opzich- 



throve 



293 



tilt 



ten; aldoor, van het begin tot het 
einde; overal; • — • the country, het 
hele land door, in (over) het hele 
land; -^^ the war, gedurende de hele 
oorlog. 

throve [Grouv] V.T. van thrive. 

throw [0rou] worp, gooi; vt werpen, 
gooien (met); uitwerpen; afwerpen; 
■ — • out of employjnent {work), 
werkloos maken; • — • over, omver- 
gooien; overboord gooien; de bons 
geven; ■ — ■ up, opwerpen; in de 
hoogte steken [de armen &]; laten 
varen [plan]. 

thrown [Broun] V.D. van throw. 

thrum [OrAm] trommelen (op), tok- 
kelen (op). 

thrush [OrAj] lijster. 

thrust [GrASt] stoot, steek; duw; vt 
stoten, duwen; dringen; steken; wer- 
pen; V.T. & V.D. van thrust. 

thud [6Ad] bons, plof, doffe slag; 
gebons o; vt bonzen, ploffen. 

thumb [9Am] duim; vt beduimelen; 
— a lift (a ride), duimen; liften. 

thump [BAmp] stomp; plof, bons; vt 
stompen, bonzen, bonken op; vi 
ploffen, bonzen, bonken. 

thumping ['GAmpirj] kolossaal. 

thunder ['0And3] donder; (ban)blik- 
sem; vi donderen. 

thunderbolt ['OAndsboult] bliksem- 
straal. 

thunderclap ['OAndsklsp] donderslag. 

thundering ['GAndarirj] donderend; 
weergaas, kolossaal. 

thunderous ['OAndaras] donderend. 

thunderstorm ['BAndsstDim] onweer o. 

thunderstruck ['GAndsstrAk] als van 
de donder getroffen, verbaasd. 

Thursday ['Gsizdi] donderdag. 

thus [3as] dus, aldus, zo; ^ far, tot 
zover, tot dusverre. 

thwart [6wD:t] fig dwarsbomen. 

thy [3ai] uw. 

thyme [taim] tijm. 

tick [tik] tikje o; getik o; streepje o, 
merktekentje o; tijk o [stofnaam]; 
(bedde)tijk m [voorwerpsnaam] ; 



krediet o; i n tivo ■ — s, in een wip; 

/ o the — , op de seconde; vi tikken. 
ticket ['tikit] biljet o\ (spoor)kaart- 

je o; (loterij)briefje o. 
ticket-collector ['tikitk-olekta] contro- 

leur die de kaartjes inneemt. 
tickle [tiki] kietelen, kittelen, prik- 

kelen, strelen. 
ticklish ['tiklij] kittelorig; netelig, 

kies, lastig. 
tidal ['taidal] getij-; — wave, vloed- 

golf. 
tide [taid] (ge)tij o; stroom; vloed; 

vt & vi ■ — ' over..., over (door)... 

been komen of helpen. 
tidings ['taidigz] tijding, nieuws o. 
tidy ['taidi] net(jes), zindelijk, pro- 
per; aardig, flink; vt aanvegen, op- 

redderen, opknappen (ook: — up). 
tie [tai] band, knoop; das; gelijk spel 

o; vt (ver)binden; knopen, strik- 

ken; vastbinden; vi gelijk staan [bij 

spel]. 
tie-pin ['taipin] dasspeld. 
tier ['tia] rij, rang [v. zitplaatsen]. 
tiff [tif] boze bui, ruzietje o. 
tiffin ['tifin] lunch; rijsttafel. 
tiger ['taiga] tijger. 
tight [tait] strak, nauw, krap; ge- 

spannen; vast, stevig; benauwd [op 

de borst]; (water) dicht; fig vast- 

houdend; gesloten; streng; hold — ■, 

(zich goed) vasthouden. 
tighten ['taitn] vt spannen, aan-, toe- 

halen; aandraaien [schroef]; vi 

(zich) spannen; strak worden. 
tight-fisted ['taitfistid] gierig. 
tights [taits] spanbroek; tricot trt & 

o [v. acrobaten &]. 
tigress ['taigris] tijgerin. 
tile [tail] (dak)pan, tegel; vt met 

pannen dekken; met tegels bekle- 

den. 
till [til] tot, tot aan; — , geldlade; 

vt bebouwen, (be)ploegen. 
tillage ['tilids] beploeging, bewerking 

van de grond; akkerbouw; ploegland 

o. 
tilt [tilt] huif, dekzeil o; overhelling. 



timber 



294 



tit 



schuine stand; steekspel o, toer- 
nooi o\ give it a — ^ op zijn kant 
(schuin) zetten; ri (over)hellen; 
een lans breken; — at, steken naar; 
fig aanvallen; vt schuin zetten; 
(doen) kippen. 

timber t'timbs] (timmer)hout o. 

time [taim] tijd; keer, maal; maat; 
~- is up!, de tijd (liet uur) is 
om!, (het is) tijd!; what -- is it?, 
what's the — ?, hoe laat is het?; 
give {pass) the — of day, goeden- 
dagzeggen; have a good — , zich 
(goed) amuseren; two at a — , 
twee tegelijk; before — , voor 
de tijd, te vroeg; by that — , dan 
(wel); for a — , een tijdje, een 
tijdlang; jor the — {being), voor 
het ogenblik; in — , op tijd; bij- 
tijds; mettertijd; in ^-^ to the music, 
op de maat der muziek; in due 
{proper) — , te rechter tijd; te 
zijner tijd; in good — , op tijd; bij- 
tijds; op zijn tijd, te zijner tijd; in 
the mean — , onderwijl; out of 
— , uit de maat; uit de pas; te on- 
pas komend; to - — , precies op tijd; 
vt (naar de tijd) regelen of bere- 
kenen; de duur of tijd bepalen van; 
de tijd opnemen; dateren. 

lime-honoured ['taimDnad] traditio- 
neel. 

timekeeper ['taimkirps] tijdmeter, 
chronometer; uurwerk o. 

timely ['taimli] tijdig; van pas; ac- 
tueel. 

timepiece ['taimpi:s] pendule, klok. 

time-table ['taimteibl] dienstregeling; 
spoorboekje o\ (les)rooster. 

time-worn ['taimwD;n] aloud, (oud 
en) versleten; fig afgezaagd. 

timid ['timid] beschroomd, bang, be- 
deesd. 

timidity [ti'miditi] beschroomdheid, 
bangheid, bedeesdheid. 

timorous ['timsras] angst-, schroom- 
vallig, bang, beschroomd. 

tin [tin] tin o; blik o\ blikje o, bus; 
geld o\ a] tinnen; blikken; vt ver- 



tinnen; in blik inmaken. 
tincture ['tirjktja] kleur; tinctuur; fig 

tintje o\ vernisje o\ bijsmaak; vt 

verven, kleuren, tinten. 
tinder ['tinds] tonder o; zwam o. 
tin-foil ['tin'foil] bladtin o. 
tinge [tinds] kleur, tint; zweem; tik- 

je o\ vt kleuren; — d with..., met 

een tikje... 
tingle E'tiggl] tuiten, tintelen, prikke- 

len. 
tinker ['tigka] ketellapper; knoeier, 

prutser; vt (op)lappen; vi prutsen. 
tinkle ['tir|kl] gerinkel o, getjingel o\ 

vi rinkelen, klinken; tjingelen; vt 

doen rinkelen &; tokkelen (op), 
tin-opener ['tinoupns] blikopener. 
tinplate ['tinpleit] blik o. 
tinsel E'tinsal] klatergoud o. 
tinsmith ['tinsmiO] blikslager. 
tint [tint] tint, kleur; vt tinten. 
tiny ['taini] (heel) klein; miniem. 
tip [tip] tip, top, topje o\ puntje o [v. 

sigaar]; beslag o, dopje o; kipkar; 

stortplaats; fooi; wenk, inlichting, 

tip; vt beslaan (met metaal); om- 

randen; schuin zetten of houden, 

doen kantelen; wippen; (aan)tik- 

ken; een fooi geven. 
tipple ['tipl] pimpelen. 
tipsy ['tipsi] aangeschoten, beschon- 

ken. 
tiptoe ['tiptou] on —-, op de tenen; 

vi op de tenen lopen. 
tiptop ['tip'tDp] prima, bovenste beste. 
tip-up ['tipAp] ^^ seat, klapzitting; 

klapstoel. 
tire ['taia] band [v. wiel]; vt ver- 

moeien, moe maken; ^~ out, afmat- 

ten; vi moe worden. 
tired ['taisd] vermoeid, moe; ■ — of, 

beu van; — with, moe van. 
tireless ['taialis] onvermoeid. 
tiresome ['taiassm] vermoeiend; ver- 

velend. 
tiro, zie tyro. 
tissue ['tisju:] weefsel o; ■— paper, 

zijdepapier o. 
tit [tit] mees; -~ for tat, leer om leer. 



titbit 



295 



tongue 



titbit ['titbit] lakker hapje o\ jig in- 

teressant stukje o &. 
tithe [taiS] tiend. 
title E'taitl] titel; gehalte o [v. goud]; 

(eigendoms)recht o, eigendomsbe- 

wijs o\ aanspraak (op, to); vt een 

titel verlenen (aan); (be)titelen. 
titmouse ['titmaus] mees. 
titter ['tits] giechelen. 
tittle ['titi] tittel, jota. 
titular E'titjub] titularis; aj titulair, 

titel-. 
to [tu:, tu, t3]/te, om te; tot, aan; 

tot op; naar, tegen, jegens; voor; 

bij, in vergelijking met; toe, dicht; 

at ten minutes ■ — ■ twelve, om 10 

minuten voor twaalf; — and fro, 

been en weer. 
toad [toud] pad. 
toadstool ['toudstu:!] paddestoel. 
toady C'toudi] vleier; vi ■ — • (to), 

vleien. 
toast [toust] geroosterd brood o; 

toost, (heil)dronk; gipe (propose) 

a ■ — ■, een dronk instellen; vt roos- 

teren; warmen [voor het vuur]; een 

toost instellen op. 
toaster ['tousta] (brood) rooster. 
tobacco [ts'baskou] tabak. 
tobacconist [ts'baskanist] tabaksver- 

koper, sigarenhandelaar. 
to(-)day [t3-, tu'dei] vandaag, heden; 

tegenwoordig. 
toddle ['todl] waggelend gaan, drib- 

belen; opstappen. 
toddler ['bdla] dribbelaar, kleuter. 
toddy ['tDdi] grogje o. 
toe [tou] teen. 
toff [tof] piet, aristocraat. 
toga ['touga] toga, 
tog [tDg] '^s, plunje, kleren; vt uit- 

dossen. 
toga ['tougs] toga. 
together [ta'geSa] samen, te zamen; 

bij, met of tegen elkander; (te)- 

gelijk; aan elkaar; achtereen. 
toil [Dil] hard werk(en) o, gezwoeg 

o; in the -^s of, in de strikken 

(netten) van; vi werken, zwoegen; 



'—' and moil, werken en zwoegen, 

zich afbeulen. 
toilet ['tDilit] toilet o; toilettafel. 
toilsome ['tsilssm] moeilijk, zwaar. 
token ['toukn] kenteken o; teken o; 

aandenken o; blijk o\ bon; als aj 

symbolisch. 
told [tould] V.T. & V.D. v. tell. 
tolerable ['tDlarsbl] duldbaar, draag- 

lijk; tamelijk, redelijk. 
tolerance ['tobrans] verdraagzaam- 

heid. 
tolerant ['tsbrant] verdraagzaam. 
tolerate ['tobreit] verdragen, toela- 

ten, dulden, gedogen. 
toleration [Db'reijsn] toelating, dul- 

ding; verdraagzaamheid. 
toll [toul] tol, tolgeld o; geklep o, 

(klok)slag; vi kleppen, slaan. 
toll-gatherer ['toulgjeSsra] tolgaar- 

der. 
Tom [tDm] verkorting v. Thomas; ■~- 

Thumb, Kleinduimpje o. 
torn [torn] mannetje o [v. sommige 

dieren]; kater. 
tomato [ts'maitou] tomaat. 
tomb [tu:m] graf o, (graf)tombe. 
tomboy ['tombsi] wildebras. 
tombstone ['tu:mstoun] grafsteen. 
torn cat ['tDm'kcet] kater. 
tomfool ['tom'fuil] gek, kwast. 
tomfoolery [tom'furbri] gekheid; zot- 

ternij, onzin. 
to(-)morrow [ts-, tu'mDrou] morgen. 
tomtit ['Dm'tit] meesje o. 
ton [tAn] ton (2240 Eng. ponden = 

1016 kilo; s cheeps- 100 kub. 

voet; 954 liter). 
tone [toun] toon, klank; tint; span- 
ning; stemming; vt stemmen; — 

down, lager stemmen; temperen, 

verzachten; — u p, hoger stemmen; 

op hoger peil brengen; opkikkeren. 
tongs [torjz] tang; a pair of — , een 

tang. 
tongue [tAg] tong; taal; landtong; 

klepel [v. klok]; give -~, aanslaan 

[v. honden]; hold one's — , zijn 

mond houden. 



tongue-tied 



296 



torture 



tongue-tied ['tAfjtaid] met zijn mon.l 

vol tanden, stom. 
tonic ['bnik] versterkend (ger.ees)- 

middel o\ a] versterkend; toon-. 
to (-) night [t3-, tu'nait] deze avond; 
hedenavond, vanavond; deze nacht. 
tonnage['tAnid3] tonnenmaat; scheeps- 

ruimte; tonnegeld o. 
tonsil ['tonsil] (keeljamandel. 
too [tu:] ook; te, al te. 
took [tuk] V.T. van take. 
tool [tu:l] gereedschap o, werktuig o. 
toot [tu:t] toeteren (op). 
tooth [tu:6] tand, kies; in the teeth 
of..., tegen... in; cast (fling, throw) 
it in his teeth, het hem voor de 
voeten gooien; vt tanden, van tan- 
den voorzien. 
toothache ['tu:6eik] kies-, tandpijn. 
tooth-brush ['tuiObrAj] tandenborstel. 
tooth-paste ['tu;6peist] tandpasta. 
toothpick ['tu;9pik] tandestoker. 
tooth-powder ['tuiGpauda] tandpoe- 

der o & in. 
toothsome ['tu:9s3m], toothy ['tu:9i] 

smakelijk, lekker. 
tootle ['tu:tl] doedelen, toeteren; 

wauwelen. 
top [top] top, kruin, spits, bovenste 
o\ boveneinde o, hoofd o [v. tafel]; 
deksel o; dak o\ kap; blad o [v. 
tafel]; dop [v. vulpen]; toppunt o\ 
mars [v. schip]; tol; at the — , bo- 
venaan; at the — of his speed, zo 
hard mogelijk; fro m -- to bottom, 
van boven tot onder; on — , boven- 
aan; bovenop; daarbij; af bovenste, 
hoogste, eerste; prima; vt bedekken; 
langer zijn dan; fig overtreffen; 
toppen; ■ — • the list, bovenaan staan; 
■ — ■ off (up), er een eind aan ma- 
ken, besluiten; — up with, eindigen 
met. 
top-boots [tDp'bu:ts] kaplaarzen. 
top-coat [top'kout] overjas. 
top-hat [top'hast] hoge hoed. 
top-heavy ['Dp'hevi] topzwaar. 
top-hole E'tDp'houl] prima, uitstekend. 
topic E'topik] onderwerp o, thema o. 



topical L'topikl] actueel. 
top-knot L'topnDt] chignon, haar- 

wrong. 
topmost ['topmoust] bovenste, hoog- 
ste. 
topping ['t3pir)] prima, uitstekend, 

prachtig, heerlijk. 
topple ['Dpi] (doen) tuimelen (ook: 
^^ down, over), (doen) omvallen. 
top speed ['top'spiid] topsnelheid; 
(at) ■ — ■, in voile vaart, zo hard 
mogelijk. 
topsyturvy ['tDpsi'taivi] onderst(e)- 

boven, op zijn kop. 
torch [tD:tJ] toorts, fakkel; electric 

' — •, elektrische staaflamp. 
torch-light ['toitjlait] fakkellicht o\ 

— procession, fakkel (op) tocht. 
tore [to:] V.T. v. tear. 
torment ['t3:m3nt] foltering, kwelling, 
marteling, plaag; [D:'ment] vt fol- 
teren, kwellen, martelen, plagen. 
torn [t3:n] V.D. v. tear. 
tornado [toi'neidou] wervelstorm. 
torpedo [tD:'pi:dou] torpedo; vt tor- 

pederen. 
torpid ['tDipid] stijf, verstijfd; ver- 

doofd; loom, traag. 
torpidity [tD:'piditi], torpor ['tD:p3] 
verstijfdheid; verdoving; loomheid, 
traagheid. 
torrent ['torsnt] (,berg)stroom, 

(stort)vloed. 
torrential [to'renjal] — rains, stort- 

regens. 
torrid ['torid] brandend, verzengend, 

heet. 
torsion ['to: Jan] (ver)draaiing, wrin- 
ging. 
tortoise ['t3:t3s] (land)schildpad. 
tortoise-shell ['to:t3jel] schildpad o\ 

aj schildpadden. 
tortuosity [D:tju'Dsiti] bochtigheid, 
kronkeling, bocht, kromming; f:g 
draaierij. 
tortuous ['tD:tju3s] bochtig, kronke- 
lend, gedraaid; fig zich met draaie- 
rijen ophoudend. 
torture ['t3:tj3] foltering, pijniging; 



tory 



297 



track 



kwelling; put to (the) ~', op de 
pijnbank leggen; vt folteren, pijni- 
gen; kwellen. 
tory ['t3:ri] tory, koningsgezinde; 
thans: conservatief [in de politick]. 
tosh [tDj] klets, gezwam o. 
toss [tDs] opgooien o\ worp; slinge- 
ring; vt omhoog-, opgooien; gooi- 
en, werpen; heen en weer slingeren; 
vi heen en weer rollen, woelen [in 
bed]; heen en weer schudden, 
zwaaien. 

tot [tot] peuter; borreltje o. 

total ['toutl] (ge)heel, gans, volsla- 
gen, totaal, gezameniijk; vt optel- 
len; een totaal vormen van... 

totter ['tota] waggelen, wankelen. 

touch[tAtJ] aanraking; tikje o, zweem- 
pje o\ gevoel o; streek [met pen- 
seel]; (karakter)trek; toets(steen); 
// was a near — , het was op het 
kantje af; keep — ■, voeling (blij- 
ven) houden; the last ■ — ', the 
finishing '-~es, de laatste hand (aan 
't werk); at a — , bij de minste 
aanraking; play at — , naiopertje spe- 
len; be i n — with, voeling hebben 
(houden) met; /'/ is soft t o the 
-~, het voelt zacht aan; vt (aan)- 
raken, (aan)roeren; aangaan, be- 
treffen; deren; aandoen, treffen; 
beuren [geld &]; opstrijken; '~ 
glasses, klinken; you can't — him, 
je haalt niet bij hem; — up, op- 
knappen. 

touch-and-go ['tAtJ'3n(d)'gou] in: it 
was ■ — ■, het was op het nippertje; 
het scheelde maar een haartje. 

touching ['tAtjir]] roerend, aandoen- 
lijk; aangaande, betreffende. 

touch-me-not ['tAtJminDt] fig kruidje- 
roer-mij-niet o. 

touchstone ['tAtJstoun] toetssteen. 

touchwood ['tAtJwud] zv.'am o. 

touchy ['tAtJi] lichtgeraakt, kittelorig, 
teergevoeiig. 

tough [tAf] taai; stevig; moeilijk (te 
geloven); hard; onguur. 

toughen ['tAfn] taai of taaier maken 



(worden). 
tour [tu3] (rond)reis, tochtje o; 

rondgang; vt (af)reizen, bezoeken. 
tourist ['tuarist] toerist. 
tournament ['tusnamsnt] steekspel o, 

toernooi o; concours o, wedstrijd. 
tourney ['tuani] toernooi o. 
tousle ['tauzl] verfomfaaien; verfrom- 

melen; stoeien met. 
tow [tou] slepen o of boegseren o\ 

gesleept schip o; take in ■ — ■, op 

sleeptouw nemen; vt slepen, boegse- 
ren. 
towage ['touid3] slepen o\ sleeploon 

o. 
toward{s) [tD:d(z), to'wD:d(z)] naar 

... toe, tegen; tegenover, jegens; 

omtrent; voor. 
towel ['taual] handdoek. 
towel-horse ['tau3lhD:s] handdoeken- 

rekje o. 
tower ['taua] toren; burcht, kasteel 

o\ vi zich verheffen, (hoog) uitste- 

ken. 
towering ['tausrir)] zeer hoog, hoog 

uitstekend; geweldig. 
town [taun] stad; gemeente; Londen. 
town hall ['taun'hD:!] stadhuis o, 

raadhuis o. 
town-planner ['taunpla^na] stede 

bouwkundige. 
town-planning ['taunpla;nir)] stede- 

bouw; a] stedebouwkundig. 
townsman ['taunzman] stedeling; 

stadgenoot. 
toxic ['toksik] vergiftig; vergiftigings-. 
toy [tai] (stuk o) speelgoed o\ fig 

speelbal, -pop; beuzelarij; spelletje 

o; als a'l ook: kinder-, miniatuur-; 

vi spelen, beuzelen. 
toy dog ['toi'dDg] (schoot)hondje o. 
trace [treis] (voet) spoor o; streng; 

draagriem; kick over the ^~-s, uit 

de band springen; vt na-, opsporen, 

(op 't spoor) volgen, nagaan; over- 

trekken; schetsen, afbakenen; neer- 

schrijven [woorden]. 
trachea ['treikia] luchtpijp. 
track [trsek] (voet-, wagen) spoor o- 



tracked 



298 



transfigure 



baan, pad o, weg; rupsband; the 

beaten — , de platgetreden weg; vt 

na-, opsporen; (het spoor) volgen; 

slepen [schepen]. 
tracked Ftrskt] met rupsbanden 

[voertuig] . 
tract [trsekt] uitgestrektheid, streek; 

traktaatje o, verhandeling. 
tractable ['traektsbl] handelbaar, mee- 

gaand, gezeglijk. 
traction ['trskjsn] tractie, (voort)- 

trekken o. 
tractor ['trsekta] tractor, trekker. 
trade [treid] (koop)handel; ambacht 

o, beroep o, vak o, bedrijf o; by 

'~-, van beroep; pi handel drijven; 

varen (op, to); — on, uitbuiten, 

speculeren op. 
trade list ['treidlist] prijscourant. 
trade mark ['treidma:k] handels- 

merk o. 
trader ['treids] koopman, handelaar; 

koopvaardijschip o. 
tradesman ['treidzmsn] neringdoende, 

winkelier; handwerksman; vakman. 
trade union ['treid'ju:nj3n] vakver- 

eniging. 
trade wind ['treidwind] passaat- 

(wind). 
tradition [tra'dijsn] overlevering, 

traditie. 
traditional [trs'dijansl] traditioneel. 
traffic ['trzefik] (koop)handel; ver- 

keer o; vi handel drijven, fig sja- 

cheren; t>t verhandelen; versjacheren 

(ook: — away). 
trafficker ['trasfiks] handelaar. 
tragedy ['trsdgidi] tragedie, treur- 

spel o. 
tragic ['trsedsik] tragisch. 
trail [treil] sleep, sliert; spoor a; pad 

o; vt (achterna) slepen; vi slepen; 

kruipen [planten]. 
trailer ['treib] kruipplant; aanhang- 

wagen, oplegger. 
train [trein] sleep; nasleep; gevolg 

o; stoet; reeks; (spoor) trein; -^ of 

thought, gedachtengang; by — -, per 

spoor; in — , aan de gang; with... 



in its '— , met als gevolg...; vt op- 
leiden; scholen, oefenen, drillen, af- 
richten; richten; leiden [bomen]; 
per spoor reizen (ook: ■ — /'/). 

trainer ['trains] trainer, oefenmeester, 
africhter; lestoestel o. 

training college ['treinirjkolids] 
kweekschool. 

training machine ['treinigmaj'iin] les- 
toestel o. 

train-oil ['treinDiI] traan. 

trait [trei] haal, toets, trek. 

traitor ['treita] verrader. 

tram [traem] tramwagen, tram; vi 
trammen (ook: — /'/). 

tram-car L'trjemka:] tramwagen. 

tramp [traemp] zware tred, gestamp 
o\ voetreis; zwerver, landloper; wil- 
de boot, vrachtzoeker; vi trappen, 
stappen; rondtrekken, rondzwerven; 
rt trappen (op); afzwerven. 

trample L'trjempl] (ver)treden, (ver)- 
trappen, trappelen. 

tramway ['trsmwei] tramweg. 

trance [tra:ns] geestvervoering, tran- 
ce; schijndood. 

tranquil ['tr£er)kwil] rustig, kalm. 

tranquillity [traeij'krw'iliti] rust(ig- 
heid), kalmte. 

tranquillize ['trserjkwilaiz] kalmeren, 
bedaren. 

transact [trsn'zjekt] verrichten, (af)- 
doen, verhandelen. 

transaction [traen'zaskjsn] verrichting, 
afdoening; handeling; (handels)- 
zaak; transactie. 

transcribe [trsens'kraib] over-, af- 
schrijven. 

transcription [trEens'kripJan] tran- 
scriptie, overschrijving; afschrift o. 

transept ['trasnsept] dwarsschip o [v. 
kerk]. 

transfer ['trasnsfs:] overdracht; over- 
brenging, overplaatsing; overstap- 
kaartje o\ overdruk; [trasns'fa:] vt 
overdragen; overbrengen, overplaat- 
sen; overdrukken. 

transfigure [traens'figa] van gedaante 
doen veranderen, herscheppen; ver- 



transfix 



299 



treacly 



heerlijken. 
transfix [trasns'fiks] doorboren, door- 

stcken. 
transform [trcens'fDim] om-, vervor- 

men; (doen) veranderen. 
transformation [traensfDi'meiJan] 

( vorm ) verandering, gedaanteverwis- 

seling; transformatie. 
transformer [trcens'fDims] vervormer; 

transformator. 
transfuse [trasns'fjuiz] over-, ingieten, 

overbrengen. 
transfusion [tr£Ens'fju:33n] overgie- 

ting; transfusie. 
transgress [trsns'gres] overtreden, 

zondigen (tegen). 
transgression [traens'grejan] overtre- 

ding. 
transgressor [ticens'gresa] overtreder; 

zondaar. 
transient ['trsenzisnt] voorbijgaand, 

kortstondig, vergankelijk. 
transit ['trKosit] doorvoer, transito o; 

vervoer o; overgang. 
transition [trcen'sisan] overgang. 
transitional [tr£n'si33n3l] overgangs-. 
transitive ['trasnsitiv] transitief, over- 

gankelijk. 
transitory ['trsnsitsri] kortstondig, 

vergankelijk, vluchtig. 
translate [traens'leit] overzetten, ver- 

talen; omzetten [in de daad]. 
translation [traens'leijan] overzetting, 

vertaling; omzetting. 
translator [trsens'Ieita] vertaler. 
translucent [tr8enz'l(j)u:s3nt] door- 

schijnend. 
transmission [trasnz'mijsn] overbren- 

ging, overzending; overdracht. 
transmit [trcenz'mit] overbrengen, 

overzenden; overdragen. 
transmitter [traenz'mita] overbrenger; 

seingever [v. telegraaf], zender [v. 

radio], microfoon [v. telefoon]. 
transmitting station [traenz'mitirj 

steijsn] zendstation o [v. radio], 
transparency [trasns'pearansi] door- 

zichtigheid. 
transparent [tr£ens'pe3r3nt] doorzich- 



tig. 



transpire [trsens'pais] uitwasemen, 

uitzweten; doorzweten; uitlekken. 
transplant [trsens'platnt] over-, ver- 

planten, overbrengen. 
transport ['trasnspDit] transport o, 

overbrenging, vervoer o; vervoe- 

ring, verrukking; [traens'pD:t] vt 

transporteren, verplaatsen, vervoe- 

ren; deporteren; fig in vervoering 

brengen; --—ed with joy, verrukt van 

vreugde. 
transpose [trtens'pouz] verplaatsen, 

omzetten. 
transverse [traenz'v3;s] (over)dwars. 
trap [trjep] val, (val)strik; valdeur, 

luik o; vt in de val laten lopen, 

(ver)strikken; (op)tooien. 
trapdoor ['trsepdo:] valdeur, luik o. 
trappings ['tr£epir)z] sjabrak; opschik, 

tooi. 
trash [traej] uitschot o, afval o & m; 

jig prul o, prulleboel, voddegoed o, 

bocht o Si. m\ onzin. 
trashy ['trjeji] prullig, lorrig. 
travel ['trsvl] reis; vi reizen; zich 

verplaatsen, zich voortplanten [licht, 

geluid &]; gaan, lopen, rijden; vt 

afreizen, doortrekken, afleggen [af- 

stand]. 
travel association ['trsevbsousi'eijan] 

reisvereniging; vereniging voor 

vreemdelingenverkeer. 
traveller ['traevla] reiziger. 
traverse ['traev3s] dwarsbalk; dwars- 

lat, -stuk o\ aj dwars-; vt overste- 

ken; doortrekken, doorkruisen; 

dwarsbomen, ingaan tegen. 
travesty ['trsvisti] travestie, bespot- 

ting; vt travesteren, parodieren. 
trawl [trD:l] sleepnet o. 
trawler ['tnib] treiler. 
tray [trei] (schenk)blaadje o; bak, 

bakje o [voor penhouders &]. 
treacherous ['tretjsras] verraderlijk. 
treachery ['tretjari] verraad o; on- 

trouw. 
treacle ['tri:kl] stroop. 
treacly ['trirkli] stroperig. 



tread 



300 



trickle 



tread [tred] tred, schrede, stap; trede; 
vi treden, trappen, lopen; vt betre- 
den; lopen over; — under foot, met 
voeten treden. 

treason ['tri:zn] verraad o. 

treasure ['tresa] schat; vt op prijs 
stellen; op-, verzamelen; als een 
schat bewaren (ook: ~^ np). 

treasure-house ['tresahaus] schatka- 
mer. 

treasurer ['tresara] thesaurier, pen- 
ningmeester. 

treasury ['tresari] schatkamer, schat- 
kist. 

treat [tri:t] onthaal o, traktatie, (een 
waar) feest o\ stand '-~, trakteren; 
vt behandelen; onthalen, trakteren; 
vt onderhandelen; '— of, handeien 
over; behandelen [een onderwerp]. 

treatise ['tri:tiz, -is] verhandeling. 

treatment ['tri:tmant] behandeling. 

treaty ['tri:ti] verdrag o, traktaat o, 
overeenkomst. 

treble ['trebl] drievoudig; driedubbel; 
{vi Si) vt (zich) verdrievoudigen. 

tree [tri:] boom; leest; be up a — , 
in de knel zitten; slecht bij kas zijn. 

trefoil ['tre-, 'triitDil] klaver; klaver- 
blad o. 

trellis ['trelis] traliewerk o, latwerk 
o. 

tremble ['trembi] beven, sidderen; 
trillen; he was all of a — , hij beef- 
de over zijn hele lijf. 

tremendous [tri'mendas] vreselijk, 
geducht, geweldig. 

tremor ['trema] siddering, huivering, 
trilling, rilling. 

tremulous ['tremiulas] sidderend, hui- 
verend, trillend; beschroomd. 

trench [trenj] greppel, sloot; loop- 
graaf; vt (door) snij den; graven; • — 
on, grenzen aan; • — ■ on one's capi- 
tal, zijn kapitaal aansprcken; ■ — 
upon the matter, de zaak taken; — 
(up)on a man's rights, inbreuk ma- 
ken op iemands rechten. 

trenchant ['trenjant] snijdend, scherp, 
bijtend, sarcastisch; beslist, door- 



tastend. 

trencher ['trenja] (houten) bord a, 
broodplank, schotel. 

trend [trend] loop, gang, richting; 
neiging, stroming; vi lopen, neigen; 
zich uitstrekken. 

trespass ['trespas] zich aan een over- 
treding schuldig maken, zondigen; 
• — ' (up)on, misbruik maken van. 

trespasser ['trespasa] overtreder. 

tress [tres] lok, haarlok; vlecht. 

trestle ['tresl] schraag, bok. 

trial ['traial] proef; onderzoek o\ be- 
proeving; proces o, verhoor o; ■ — {s), 
proefstomen o, proeftocht, -rit, 
proefvlucht; give it a ■ — , er de 
proef mee nemen; het eens probe- 
ren; stand — , be on {one's) '~, 
terechtstaan; come tip f o r — , voor- 
komen [v. rechtszaak]. 

triangle ['traiasggl] driehoek. 

triangular [trai'a;r|gjula] driehoekig. 

tribal ['traibal] stam-. 

tribe [traib] stam, geslacht o. 

tribulation [tribju'leijan] tegenspoed, 
kwelling, leed o. 

tribunal [tri'bju:nal] tribunaal o; 
rechterstoel. 

tribune ['tribju:n] (volks)tribuun; 
tribune, spreekgestoelte o. 

tributary ['tribjutari] schatplichtige; 
zijrivier; af schatplichtig; zij-. 

tribute ['tribju;t] schatting, cijns, tol; 
hulde(betuiging). 

trice [trais] in a ■ — •, in een-twee-drie. 

trick [trik] kunstje o\ streek, poets, 
grap, kunstgreep, kneep, true; heb- 
belijkheid, maniertje o; trek, slag 
[bij het kaarten] ; play a person a 
■ — ■, iemand een poets bakken; play 
— s, streken uithalen; vt bedriegen; 
een koopje leveren; verrassen; • — • 
one into ...ing, iem. weten te ver- 
lokken tot...; — out {up), op- 
tooien, (uit)dossen; ■ — ■ one out 
of..., iemand... afhandig maken. 

trickery ['trikari] bedrog o, bedot- 
terij. 

trickle ['triki] stroompje o, straaltje 



trickster 



301 



trouble 



o\ vi druppelen, sijpelen, vloeien, 
rollen, biggelen. 

trickster ['triksta] bedrieger, bedot- 
ter. 

tricky ['triki] bedrieglijk, vol streken; 
listig; verraderlijk; veel handighcid 
vereisend, lastig, netelig. 

tricolour ['traikAls] driekleur. 

tricycle ['traisikl] driewieler. 

trident ['traidant] drietand. 

trifle ['traifl] beuzeling, beuzelarij; 
kleinigheid; a ■ — ' angry, een beetje 
boos; vi beuzelen; spelen, spotten; 
— away, verbeuzelen. 

trifling ['traiflir]] beuzelachtig, onbe- 
duidend, onbelangrijk, nietig. 

trigger ['trigs] trekker [geweer]. 

trigger-guard ['trigagaid] beugel [v. 
geweer] . 

trill [tril] trilling [v. d. stem]; tril- 
ler; vi met trillende stem zingen, 
spreken. 

trim [trim] gesteldheid, toestand; 
uitrusting; tooi, kostuum o\ in (per- 
fect) ■ — ■, (volmaakt) in orde; in 
sailing -~, zeilklaar; aj net(jes), 
keurig, in orde, goed passend of 
zittend [kleren]; vt in orde ma- 
ken, bijknippen, -snoeien, -schaven; 
opknappen; opmaken; garneren, af- 
zetten; opsmukken; tremmen [ko- 
len]; (op)zetten [zeilen]; — one's 
jacket, iemand op zijn baadje ge- 
ven. 

trimming ['trimifj] garneersel o, op- 
legsel o; schrobbering; pak o 
(slaag). 

trinity ['triniti] drietal o, trio o; 
drieeenheid; the -~, de H. Drie- 
vuldigheid. 

trinket ['trigkit] kleinood o, sieraad 
o. 

trip [trip] uitstapje o, tochtje o, reis; 
vi trippelen, huppelen; struikelen; 
vt doen struikelen; betrappen op 
een fout, vangen (ook ■ — ' up). 

tripe [traip] darmen, pens. 

triple ['tripl] drievoudig. 

tripper ['trips] trippelaar; plezier- 



reiziger; cheap — s, dagjesmensen. 

triptych ['triptik] triptiek. 

trite [trait] versleten, afgezaagd, alle- 
daags, banaal. 

triumph ['traiamf] triomf, zege, ze- 
gepraal, overwinning; vi zegevie- 
ren, triomferen. 

triumphal [trai'Amfal] triomferend, 
zegevierend; triomf-. 

triumphant [trai'Amfsnt] triomferend, 
triomfantelijk, zegevierend. 

trivet ['trivit] drievoet; treeft. 

trivial ['trivial] onbeduidend; alle- 
daags. 

trod [trDd] V.T. v. tread. 

trodden ['trjdn] V.D. v. tread. 

trolley ['trsli] roiwagentje o, lorrie; 
trolley: contactrol. 

trolley-bus ['trolibAs] trolleybus. 

trombone ['trDmboun] schuiftrompet. 

troop [tru:p] troep, hoop, drom; -~jj 
ook: militairen, manschappen; vi 
zich verzamelen, samenscholen, te 
hoop lopen. 

trooper ['tru:p3] cavalerist. 

trophy ['troufi] tropee, zegetekcn o. 

tropic ['trDpik] keerkring; the — s, 
de tropen; aj tropisch. 

tropical ['trDpikl] tropisch. 

trot [tr3t] draf; (rij)toertje o, kuier; 
at a (the) — , in draf; op een draf- 
je; vi draven; lopen; vt laten dra- 
ven. 

trotter ['trata] (hard)draver; loper; 
schapepoot, varkenspoot. 

trotting-match ['trDtigmaetJ] hard- 
draverij. 

trouble ['ttAbl] moeite, last, moei- 
lijkheid, ongemak o, kwaal; ver- 
driet o\ zorg; onrust; mankement o, 
defect o, pech, storing; ■ — s, ook: 
onlusten; 7io — {at all)!, het is de 
moeite niet, geen dank!; what's the 
— ?, wat scheelt er aan?; give — , 
last (moeite) veroorzaken; make 
'—, moeite veroorzaken, onrust ver- 
wekken, herrie maken; put to — , 
last (moeite) veroorzaken; put one- 
self to the '^ of, zich de moeite 



troublesome 



302 



tryst 



getroosten om; vt last of moeite 
veroorzaken, lastig vallen, storen; 
verontrusten; leed doen, kwellen; 
— oneself, zich moeite geven; zich 
het hoofd breken; vi moeite doen; 
zich bekommeren; zich het hoofd 
breken. 

troublesome ['trAblsam] moeilijk; las- 
tig. 

trough [trof] trog, bak. 

trounce [trauns] afrossen. 

troupe [tru:p] troep [acteurs]. 

trouser-leg ['trauzsleg] broekspijp. 

trousers ['trauzsz] broek. 

trout [traut] forel(len). 

trowel ['trausl] troffel. 

truant ['truisnt] spijbelaar; play — , 
spijbelen; aj spijbelend; jig (af)- 
dwalend [gedachten]. 

truce [tru:s] wapenstilstand, bestand 

0. 

truck [tiAk] onderstel o [v. wagen] ; 

lorrie; open wagen; ruil(ing), 

(ruil)handel; bocht o Si 7n, rommel; 

/'// have no — with, ik wil niets te 

maken hebben met; vi (ruil)han- 

del drijven; vt ruilen. 
truckle ['trAkl] kruipen (voor, to). 
truculent ['trAkjubnt] woest, grim- 

mig, agressief. 
true [tru:] waar, echt; oprecht; zui- 

ver, juist; zeker; (ge)trouw; C07ne 

-— , uitkomen, in vervulling gaan 

[v. droom]. 
true-born ['tru:bD;n], true-bred 

['truibred] (ras)echt. 
truffle E'trAfl] truffel. 
truism ['tru:izm] banaliteit; waarheid 

als een koe. 
truly ['tru:li] waarlijk, werkelijk; 

waar, trouw, oprecht; terecht. 
trump [trAmp] troef (kaart); bovenste 

beste; vt (af)troeven; — up, i3L- 

brieken, verzinnen. 
trump-card ['trAmpkaid] troefkaart. 
trumpery ['trAmpari] vodden, prul- 

len; geklets o; aj voddig, prullig. 
trumpet ['trAmpitJ trompet; vt trom- 

petten, uitbazuinen. 



trumpeter ['trAmpita] trompetter. 
truncate E'trArjkeit] (af)knotten. 
truncheon ['trAnJan] knuppel. 
trundle ['trAndl] rolletje o, wieltje 

o; rolwagen; vt (doenj rollen; — 

a hoop, hoepelen. 
trunk [trAr|k] stam [v. boom]; romp 

[v. lichaam] ; schacht [v. zuil] ; 

koffer; snuit [v. olifant], slurf; 

hoofdiijn [v. spoor, telegraaf of te- 

lefoon]; — s, kniebroek; [vroeger] 

potlaroek. 
trunk-call ['trAgkko:!] interlokaal ge- 

sprek o. 
trunk-road ['trAgkroud] hoofdweg. 
truss [trAs] bundel, bos; bint o; 

breukband; console; hangwerk o; 

vt (op)binden. 
trust [trASt] (goed) vertrouwen o\ 

krediet o; toevertrouwd pand o\ 

trust; hold in — , in bewaring heb- 
ben; vt vertrouwen (op), toevertrou- 

wen; borgen, krediet geven. 
trustee [tiAs'ti:] beheerder, commis- 

saris, curator. 
trusteeship [trAs'ti:Jip] beheerder- 

schap o; voogdij. 
trustful L'trAstful] vol vertrouwen, 

vertrouwend. 
trustworthy ['trAStwQ:3i] betrouwbaar, 

te vertrouwen. 
trusty L'trASti] (ge) trouw, vertrouwd; 

betrouwbaar, beproefd. 
truth [tru:6] waarheid; waarheidslief- 

de; i?i ■ — ■, oj a — , in waarheid, 

inderdaad. 
truthful ['tru:6iu]] waarheidlievend; 

waar; getrouw [v. beeld]. 
truthfully ['tru:6fuli] naar waarheid. 
try [trai] poging; have a '-~ at it, 

het eens proberen; vt proberen, 

trachten, beproeven, de proef ne- 

men met, op de proef stellen; veel 

vergen van, aanpakken; onderzoe- 

ken, verhoren. 
trying ['traiirj] vermoeiend, moeilijk, 

lastig. 
tryst [trist] (plaats van) bijeenkomsc, 

afspraak. 



tub 



303 



turn 



tub [tAb] tobbe, ton, vat o\ (bad)- 
kuip, (2it)bad o. 

tubby E'tAbi] rond, buikig. 

tube [tju:b] buis, pijp, koker; (verf)- 
tube; binnenband; (gummi) slang; 
the — , de ondergrondse (elektri- 
sche spoorweg). 

tuberculosis [tjubsikju'lousis] tuber- 
culose. 

tuberculous [tju'bsikjubs] tubercu- 
leus. 

tuck [tAk] plooi; omslag [aan broek]; 
vt omslaan; opstropen; instoppen. 

Tuesday ['tjuizdi] dinsdag. 

tuft [tAft] bosje o, kwastje o\ kuif, 
sik. 

tug [tAg] ruk; sleepboot; the — 
(-of-war), het touwtrekken; fig het 
heetste van de strijd, het spannen- 
de moment; vi trekken, rukken 
(aan). 

tug-boat C'tAgbout] sleepboot. 

tuition [tju'ifan] onderrvijs o. 

tulip ['tju:lip] tulp. 

tulle [t(j)u;l] tule; aj tulen. 

tumble L'tAmbl] vi vallen, buitelen, 
tuimelen; vt gooien; ondersteboven 
gooien, in de war maken; doen tui- 
melen; -~ to, aanpakken [het 
werk]; zich aanpassen aan [nieuwe 
omgeving &]. 

tumbledown ['tAmbldaun] bouwval- 
lig; vervallen. 

tumbler ['tAmbb] buitelaar; tumbler 
[glas zonder voet]. 

tummy ['tAmi] buik, buikje o. 

tumour ['tjuima] gezwel o. 

tumult E'tjurmAlt] tumult o, lawaai o, 
spektakel o, beroering, oploop. 

tumultuous [tju'mAltjuas] (op)roe- 
rig, onstuimig, rumoerig, woelig, 
verward. 

tun [tAn] ton, vat o. 

tune [tju:n] toon, wijsje o, melodie, 
lied o, deuntje o; stemming; play 
(sing) in ■ — •, zuiver spelen (zin- 
gen); be in ^~- with, harmonieren 
met; out oj — , ontstemd, van de 
wijs; vals; / o the -^ oj, op de 



melodie van...; ten bedrage van; vt 
stemmen [piano]; afstemmen; in 
overeenstemming brengen (met, 
to); ■ — in, afstemmen (op, to); 
— u p, stemmen; — wit h, over- 
eenstemmen, harmonieren met. 

tuner ['tjuma] stemmer. 

tunic ['tju:nik] tuniek. 

tuning-fork ['tju:nir)f3:k] stemvork. 

tunnel ['tAnal] tunnel, gang. 

turban ['tsibsn] tulband. 

turbid ['t3:bid] drabbig, troebel. 

turbine ['t3;bin] turbine. 

turbot ['t3:b3t] tarbot. 

turbulence ['tsibjubns], ~cy [-si] 
woeligheid, onstuimigheid. 

turbulent ['taibjubnt] woelig, onstui- 
mig, roerig. 

tureen [t(j)u'ri:n] (soep)terrine. 

turf [t3:f] zode; plag; renbaan. 

turgid ['tsidgid] opgezwollen, ge- 
zwollen; fig opgeblazen. 

Turk [t3:k] Turk. 

Turkey ['t3;ki] Turkije o. 

turkey ['tsiki] kalkoen. 

Turkish ['tsikij] Turks; —-' towel, 
ruwe handdoek. 

Turk's-head ['tsikshed] ragebol. 

turmoil ['t3:mDil] gisting; gewoel o, 
onrust, rumoer o; chaos. 

turn [t3:n] draai(ing), wending, 
zwenking, omwenteling, omkering, 
(omme)keer, wisseling, keerpunt o, 
kromming; bocht; toertje o; beurt; 
nummer o [op programma]; dienst; 
aanleg; soort; /'/ gave me such a — , 
ik schrok me dood; take — s, el- 
kaar afwisselen; — and — about, 
om de beurt; at every '~, telkens; 
b y •"—J, beurtelings, afwisselend; 
/ n '-— , om de beurt, beurtelings, 
achtereenvolgens; in his ■ — ■, op zijn 
beurt; vt draaien (aan); om-, open-, 
ronddraaien; (om)keren; (om)wen- 
den; omslaan [blad]; om-, verzet- 
ten; veranderen; doen worden, ma- 
ken; not — a hair, geen spier ver- 
trekken; // '~~s my stojnach, het 
doet me walgen; --^ed {of) forty. 



turning-point 



304 



two 



over de veertig (jaar oud); vi 
draaien, (zich) omkeren, zich keren 
(wenden), zich richten; een keer 
nemen; veranderen; zuur worden; 
worden; — off, af-, uit-, dicht- 
draaien, afzetten [radio]; — • o «, 
aan-, opendraaien, aanzetten [radio]; 

— out, te voorschijn komen; uit- 
lopen; uitdraaien; it — ed out to 
be true, het bleek waar te zijn; ~^ 
over, zich (nog eens) omkeren [in 
bed]; omdraaien, omslaan [blad] 
omgooien; omzetten [verkopen] 
overgeven, overdoen, overdragen 

— to, (zich) wenaen tot; richten 
op; veranderen in; zijn toevlucht 
nemen tot; zich toeleggen (werpen) 
op, ter hand nemen, zich gaan be- 
zighouden met, zijn aandacht rich- 
ten op; — u p, (voor de dag) ko- 
men, (komen) opdagen, zich voor- 
doen [gelegenheid]; opdraaien 
[lamp]; opslaan; opzetten [kraag]; 
omslaan [broekspijpen]; omplocgen. 

turning-point ['tainiyp^int] keerpunt 

o. 
turnip ['tsinip] raap, knol. 
turnkey ['tainki:] cipier. 
turnover ['tainouvs] omzet. 
turnpike ['tainpaik] tolhek o, slag- 
boom. 
turnscrew ['tsinskru:] schroeve- 

draaier. 
turn-table ['tsmteibl] draaischijf. 
turpentine ['tsipsntain] terpentijn. 
turpitude ['t3:pitju:d] laagheid. 
turret ['tAtit] torentje o. 
turtle ['taitl] tortel(duif); zeeschild- 

pad; turn — , omslaan. 
turtle-dove ['tsitldAv] tortelduif. 
turtle-shell ['taitljel] schildpad o. 
tusk [tAsk] slagtand. 
tussle ['tAsl] worsteling. 
tutelage ['tjuitilids] voogdij. 
tutelary ['tju.'tibri] beschermend; ~ 

angel, beschermengel. 
tutor ['tju:t3] leermeester, gouver- 

neur; vt onderwijzen; dresseren; be- 

dillen. 



twaddle ['twodl] gewauwel o, gebazel 

o, klets; vi wauwelen. 
'tween-decks ['tv.'i:ndeks] tussendek 

o\ tussendeks. 
tweezers ['t^'i:z3z] (haar) tangetje o. 
twelfth [twelf9] twaalfde (deel o). 
Twelfth-night ['twelfSnait] Drieko- 

ningcnavond. 
twelve [twelv] twaalf. 
twelvemonth ['twelvmAnG] jaar o. 
twentieth ['twentii6] twintigste (deel 

0). 

twenty ['twenti] twintig. 

twice [twais] tw'eemaal, dubbel. 

twiddle ['twidl] draaien (met). 

twig [twig] takje o\ wichelroede. 

twilight ['twailait] schemering; sche- 
merlicht o, schemerdonker o. 

twill [twii] keper; vt keperen. 

twin [twin] t^veeling; dubbelganger; 
aj tweeling-, dubbel. 

twine [t«'ain] twijndraad o & m; 
bindgaren o, -touw o\ kronkeling, 
bocht; vt twijnen; strengelen, vlech- 
ten; vi zich kronkelen. 

twinge [twinds] steek, kneep, scheut 
[v. pijn]; wroeging; vt steken, wroe- 
gen, pijn doen. 

twinkle ['twirjkl] tinteling, flikke- 
ring; knip [met de ogen]; vi tinte- 
len, flikkeren, blinken; knippen 
[met de ogen]. 

twinkling ['twirjklir)] tinteling; in a 
— , in the • — • of an eye, in een 
oogwenk, in een wip. 

twirl [tw3:l] ( rond) draaien. 

twist [twist] draai, verdraaiing; ver- 
rekking; kronkel(ing) ; wrong, wrin- 
ging; roltabak; katoengaren o\ vt 
draaien, winden, verdraaien; ver- 
rekken; vlechten; vi zich winden, 
kronkelen, slingeren. 

twitch [twitj] rukje o. zenuwtrek- 
king; /'/ rukken, trekken. 

twitter ['twits] getjilp o; gegiechel o; 
trilling [v. zenuwaciitigheid] ; vi 
tjilpen; giechelen; trillen [v. ze- 
nuwachtigheid]. 

two [tu:] twee. 



two-edged 



305 



unadvised 



two-edged ['tuiedsd] tweesnijdend. 
twofold ['tu:fould] tweevoudig, dub- 

bel. 
twopence ['tApans] tw'ee stuiver(s). 
twopenny ['tApsni] van 2 stuivers, 

dubbeltjes-. 
tympanum ['timpanam] trommel- 

vlies o. 
tympany ['timpani] opgeblazenheid. 
type [taip] type o, toonbeeld o. voor- 

beeld o, zinnebeeld o; staaltje o\ 

soort; drukletter; zetsel o: vt typen. 
typescript ['taipskript] machineschrift 

o; getypt manuscript o, getypt exem- 

plaar o. 
typewriter ['taipraita] schrijfmachine. 
typewritten ['taipritn] getypt. 
typhoid ['taifoid] buiktyfus; a; 



tyfeus. 
typhoon [tai'fu:n] tyfoon. 
typhus ['taifas] vlektyfus. 
typical ['tipikl] typisch. 
typify E'tipifai] typeren. 
typist ['taipist] typist(e). 
typographer [tai-, ti'pDgrafa] typo- 

graaf. 
typographic (al) [tai-, tipa'gr£efik(l)] 

typografisch. 
tyrannic(al) [ti'rasnikd)] tiranniek. 
tyrannize ['tiranaiz] tiranniseren. 
tyranny ['tirani] tirannie, dwingelan- 

tyrant ['taiarant] tiran, dwingeland. 
tyre ['taia] band [v. wiel]. 
tyro ['taiarou] aankomeling, nicuwe- 
ling, beginneling, leerling. 



u 



u [ju:] (de letter) u. 

ubiquitous [ju'bik^'itas] alomtegen- 

woordig. 
ubiquity [ju'bikwiti] alomtegenwoor- 

digheid. 
udder ['Ada] uier. 
ugly ['Agli] lelijk; beroerd, gemcen; 

dreigend, bedenkelijk, ernstig. 
U.K. = United Kingdom. 
ulcer ['Alsa] zweer. 
ulcerate ['Alsareit] (ver)zweren. 
ulster ['Alsta] ulster [stof & over- 

jas]. 
ult. ^ ultimo, van de vorige maand. 
ulterior [Al'tiaria] aan gene zijde ge- 

legen; verder, later, nader, verbor- 

gen, heimelijk. 
ultimate ['AJtimit] (aller)Iaatste, uit- 

eindelijk, uiterst, eind-. 
ultimately ['Altimitli] uiteindelijk. 
ultimatum [Alti'meitam] ultimatum o. 
ululate ['ju:ljuleit] huilen, janken. 
umbrage ['Ambrid3] lommer o, scha- 

duw; aanstoot, ergernis; give — to, 

aanstoot geven, ergeren; take — at, 

aanstoot nemen aan, zich ergeren 

Eng. Zakwrdbk. 11 



over, 
umbrella [Am'brela] paraplu. 
umbrella-stand [Am'brelastaend] para 

plustander. 
umpire ['Ampaia] scheidsrechter, ar- 
biter; derde; vi scheidsrechter zijn, 

arbitreren. 
umpteen ['Am'ti:n] zoveel (je wilt). 
umpteenth ['Am'ti:n6] zoveelste. 
umptieth ['AmtiiO] zoveelste. 
umpty ['Amti] — days, zoveel dagen. 
unabashed ['Ana'bsjt] onbeschaamd; 

niets verlegen. 
unabated ['Ana'beitid] onverflauwd. 
unable ['A'neibl] onbekwaam; be -—• 

to, niet kunnen. 
unacceptable ['Anak'septabl] onaan- 

nemelijk; onwelkom. 
unaccomplished ['Aoa'kDmpliJt] on- 

volbracht, onvoltooid; onvervuld. 
unaccountable ['Ana'kauntabl] onver- 

antwoordelijk; onverklaarbaar. 
unadorned ['Ana'daind] onversierd, 

onopgesmukt. 
unadvised ['Anad'vaizd] onbedacht- 

zaam, onberaden, onverstandig. 

20 



una 



fraid 



306 



unconstitutional 



unafraid ['Ana'freid] onbevreesd. 
unalienable ['A'neiljsnsbl] onver- 

vreemdbaar. 
unanimity [juina'nimiti] eenstemmig- 

heid; eensgezindheid. 
unanimous [ju'nsenimss] eenstemmig; 

eensgezind. 
unapproachable ['Ans'proutjabl] on- 

toegankelijk, ongenaakbaar. 
unashamed ['Ana' Jeimd] onbeschaamd; 

zonder zich te schamen. 
unassailable ['Ana'seibbl] onaantast- 

baar, onbetwistbaar. 
unassuming ['Ans'sjuimirj] zonder 

pretentie(s), bescheiden. 
unattainable ['Ans'teinsbl] onbereik- 

baar. 
unavailing ['Ana'veilin] vergeefs. 
unavoidable ['Aca'vDidsbl] onvermij- 

delijk. 
unaware ['Ans'wes] niet wetend, het 

zich niet bewust zijnd. 
unaware (s) ['An3'w83(z)] onver- 

wachts, onverhoeds; catch (take) 

one — •, iemand overvallen. 
unbearable [An'bearabl] ondraaglijk, 

onuitstaanbaar. 
unbeaten ['An'bi:tn] ongeslagen; on- 

betreden, ongebaand. 
unbelief ['Anbi'li:f] ongeloof o. 
unbelievable ['Anbi'iiivabI] ongeloof- 

lijk. 
unbelieving ['Anbi'li:vir|] ongelovig. 
unbeloved ['Aobi'lAvd] onbemind. 
unbend ['An'bend] (zich) ontspannen, 

losmaken; jig minder stijf worden, 

uit de plooi komen. 
unbidden ['Ao'bidn] ongevraagd, van- 

zelf; ongenood. 
unbind ['An'baind] losbinden, losma- 
ken, ontbinden. 
unbosom ['An'buzsm] ontboezemen. 
unburden ['An'baidn] ontlasten; — 

one's heart, ■ — oneself, zijn hart 

eens uitstorten. 
uncalled [An'k3:ld] ongeroepen; onge- 
vraagd; niet afgehaald; — for, on- 

gemotiveerd; ongewenst. 
uncanny [An'kaeni] eng, angstwek- 



kend, griezelig. 
unceasing [Ao'sirsir)] onophoudelijk, 

voortdurend. 
unceremonious ['Anseri'mounjas] 

familiaar, ongegeneerd. 
uncertain [An's3:t(i)n] onzeker, on- 
vast, onbestendig, vaag. 
unchallenged ['Ao'tJ^lindsd] onbe- 

twist; ongewraakt. 
unchangeable [An'tJ'ein(d)33bl] on- 

veranderlijk. 
unchaste ['Ao'tfeist] onkuis. 
unchastity ['Ao'tjasstiti] onkuisheid. 
unchecked ['An'tjekt] ongebreideld; 

onbelemmerd. 
uncivil ['An'sivil] onbeleefd. 
uncivilized ['An'sivilaizd] onbe- 

schaafd. 
unclaimed ['An'kleimd] niet opgeeist; 

onafgehaald. 
uncle ['Afjkl] oom; at my ■ — 's, ook: 

in de lommerd. 
unclean ['An'klirn] onrein, vuil. 
unclose ['An'klouz] opengaan; ont- 

sluiten, openen; jig onthuUen. 
uncomely ['An'kAmli] onbevallig, 

minder welvoeglijk. 
uncomfortable [An'kAmfstabl] onge- 

makkelijk; onbehaaglijk; niet op 

zijn gemak. 
uncommon [Ao'komsn] ongemeen, 

ongewoon; bijzonder. 
unconcealed ['Aokan'siild] onver- 

holen. 
unconcern ['Anksn'sarn] onbevangen- 

heid, onbekommerdheid, onver- 

schilligheid, kalmte. 
unconcerned E'Anksn'sarnd] onbevan- 

gen, zich niets aantrekkend (van, 

at); kalm, onverschillig; — in 

(with), geen belang hebbend bij. 
unconditional ['Ankan'dijansl] on- 

voorv.raardeIijk. 
unconquerable [An'korikarabl] on- 

overwinnelijk. 
unconscious [An'konjas] onbewust, 

onkundig; bewusteloos. 
unconstitutional ['Ankonsti'tju:J"3n3l] 

ongrondwettig. 



unconstrained 



307 



undertaker 



unconstrained ['An'lon'streind] onge- 

dwongen. 
unconstraint ['Anksn'streint] onge- 

dwongenheid. 
uncork ['An'koik] ontkurken. 
uncounted ['An'kauntid] ongeteld; 

talloos, ontelbaar. 
uncourteous ['An'k3:tJ3s] onbeleefd, 

onhoffelijk, onheus. 
uncouth [An'ku:6] vreemd, zonder- 

ling; onhandig, lomp; ruw. 
uncover [An'kAva] het deksel (de 

schaal, de hoed &) afnemen van, 

ontdekken, ontbloten. 
unction ['Agkjan] zalving; zalf, bal- 

sem; extreme ■ — ■, het H. OlieseL 
unctuosity [Arjktju'Dsiti] zalving. 
unctuous ['Ar)ktju3s] zalvend. 
uncultured ['An'kAltJsd] onbeschaafd. 
undaunted [Aa'dointid] onversaagd, 

onverschrokken, onvervaard; niet 

afgeschrikt (door, by). 
undeceive ['Andi'si:v] beter inlichten, 

de ogen openen, ontgoochelen. 
undecided ['Andi'saidid] onbeslist; 

besluiteloos, weifelend. 
undefiled ['Andi'faild] onbesmet, on- 

bevlekt. 
undeniable [Andi'naisbl] onloochen- 

baar; ontegenzeglijk. 
undenominational ['AndinDmi'neiJa- 

nsl] neutraal [v. onderwijs &]. 
under ['Aoda] onder, beneden, minder 

dan; volgens, krachtens [deze wet 

&], in het kader van. 
underclothes ['AodsklouSz] onderkle- 

ren. 
undercurrent ['AodakArant] onder- 

stroom. 
underdone [Anda'dAn] niet gaar ge- 

noeg, niet genoeg gebraden. 
underestimate [Aods'restimeit] on- 

derschatten, te laag aanslaan. 
underfeed ['Anda'fiid] ondervoeden. 
undergo [Aoda'gou] ondergaan; lijden. 
undergraduate [Ands'grsdjuit] stu- 
dent (die zijn eerste graad nog niet 

behaald heeft); aj studenten-. 
undergraduette [Aodagra^dju'et] meis- 



jesstudent. 

underground ['Aodagraund] onder- 
aards, ondergronds; fig onderhands, 
geheim; the — , de ondergrondse 
spoorweg; de ondergrondse bewe- 
ging. 

undergrowth ['AndsgrouO] kreupel- 
hout o. 

underhand ['Andshfend] onderhands 
[intriges], slinks; achterbaks. 

underlet ['Ands'let] onderverhuren. 

underlie [Anda'lai] liggen onder; 
schuilen onder of achter; ten grond- 
slag liggen aan. 

underline [Anda'lain] onderstrepen. 

underlip ['Aodalip] onderlip. 

undermine [Ands'main] ondermijnen. 

undermost ['Andamoust] onderste. 

underneath [Anda'niiO] onder, bene- 
den; hieronder, beneden. 

underpaid ['Anda'peid] slecht betaald. 

underrate [Aoda'reit] onderschatten. 

undersign [Aoda'sain] (onder) tekenen. 

undersized ['Anda'saizd] onder de 
maat, te klein. 

understand [Anda'stasnd] verstaan, be- 
grijpen; weten [te...]; opvatten; 
vernemen; zie ook: understood. 

understandable [Ands'stsendabl] be- 
grijpelijk. 

understanding [Anda'sta^ndii]] ver- 
stand o, begrip o; verstandhouding; 
afspraak, schikking; on the {dis- 
tinct) ■ — ' that..., met dien verstan- 
de dat...; come to an ■ — •, een ver- 
gelijk treffen, het eens worden. 

understood [Anda'stud] V.T. & V.D. 
v. understand; they are ■ — • to have 
..., it is ■ — ' that they have..., naar 
verluidt hebben zij...; an '—' thing, 
een vanzelfsprekend iets; afgespro- 
ken werk; make oneself -~, zich 
verstaanbaar maken. 

undertake [Anda'teik] ondernemen, 
op zich nemen; zich verbinden; zich 
belasten met. 

undertaker [Anda'teika] ondernemer; 
aannemer; ['Andateika] bezorger van 
begrafenissen; ~''j man, aanspreker. 



undertaking 



308 



unforgettable 



undertaking [Anda'teikirj] onderne- 

ming; verbintenis; plechtige belofte; 

['Andateikir)] begrafenisvak o. 
undervaluation ['Andava^l j u'ei Jan] 

onderschatting; te lage schatting. 
undervalue ['Aoda'vaelju:] onderschat- 

ten, te laag schatten. 
undervest ['Andavest] borstrok. 
undervv'ear ['AodawSa] ondergoed o. 
underwood ['Andawud] kreupelhout 

0, hakhout o. 
underworld ['Midswsild] onderwe- 

reld. 
underwriter ['Andsraits] assuradeur. 
undesirable [Andi'zaisrsbl] ongewenst. 
undiminished [Andi'minijt] onver- 

minderd. 
undisguised [Andis'gaizd] onvermomd, 

onverkleed; jig onverbloemd, on- 

verholen. 
undisputed [Andis'pju:tid] onbetwist. 
undisturbed [Aodis'taibd] ongestoord, 

onverstoord. 
undo [Ao'du:] losmakcn, -knopen, 

-tornen; openmaken [een pakje]; 

ongedaan maken. ongeldig maken; 

te gronde richten; vernietigen. 
undoing [An'du:ir|] verderf o, onge 

luk o. ondergang. 
undoubtedly [Ao'dautidli] ongetwij- 

feld. 
undress [An'dres] huisgewaad o, ne- 
glige o\ klein tenue o\ vt uitkleden; 

het verband afnemen van; vi zich 

uitkleden. 
undue ['An'dju:] onbehoorlijk; boven- 

matig, overdreven, al te groot. 
undulate ['Andjuleit] (doen) golven. 
undying [An'daiii]] onsterfelijk, on- 

vergankelijk, eeuwig. 
unearth [a'dsiB] opgraven; rooien; 

opjagen [een vos]; opdiepen. 
unearthly[A'n3:01i] bovenaards; spook- 

achtig; at an ■ — hour, op een on- 

mogelijk (vroeg) uur. 
uneasy [A'ni:zi] niet gemakkelijk; on- 

behaaglijk; gegeneerd; ongerust, be- 

zorgd; onrustig. 
unemployed [Anem'pbid] ongebruikt; 



werkloos; the ■ — ■, de werklozen. 
unemployment [Anem'pbimant] werk- 

loosheid. 
unequal [A'niikwal] ongelijk; onge- 

lijkmatig, oneven; • — ■ to the task, 

niet opgewassen tegen de taak. 
unequalled [A'niikwald] ongeevenaard. 
unequivocal [Ani'kwivakal] ondub- 

belzinnig. 
unerring [A'nsirin] nooit falend, nooit 

missend, onfeilbaar. 
uneven [A'nitvsn] oneven, ongelijk, 

oneffen; ongelijkmatig. 
unexpected [Aneks'pektid] onver- 

wacht. 
unfading [An'feidirj] niet verschietend, 

onverwelkbaar. 
unfailing [Ao'feilir)] nooit falend, on- 
feilbaar, zeker. 
unfair [An'fes] onbiilijk, oneerlijk. 
unfaithful [An'feiOful] ontrouw, trou- 

weloos. 
unfaltering [An'fDiItcrii]] onwankel- 

baar, vast. 
unfamiliar ['Aofa'milja] ongewoon; 

niet vertrouv/d of bekend. 
unfasten [An'fa:sn] los-, openmaken. 
unfathomable [An'fasSsmsbl] onpeil- 

baar; grondeloos; ondoorgrondelijk. 
unfavourable [An'feivsrsbl] ongun- 

stig._ 
unfeeling [An'fi:lir)] ongevoelig. 
unfeigned [An'feind] ongeveinsd. 
unfetter [An'feta] ontketenen, bevrij- 

den. 
unfinished [An'finijt] onvoleind(igd), 

onafgewerkt, onvoltooid. 
unfit [An'fit] ongeschikt, onbekwaam, 

ongepast; niet gezond, onvolwaar- 

dig; vt ongeschikt maken. 
unflagging [An'flje.^ir)] onverslapt, on- 

verflauwd; onverdroten [ijver]. 
unfledged ['An'fledsd] zonder veren, 

kaal; fig onervaren. 
unfold [An'fould] ont^'ouwen, ont 

plooien, onthullen, openbaren. 
unforeseen [Aofo/siin] onvoorzien. 
unforgettable [Anfa'getabl] onverge- 

telijk. 



unforgivable 



309 



united 



unforgivable [Anfa'givsbl] onvergeef- 

lijk. 
unfortunate [Ao'fDitJanit] ongelukkig. 
unfortunately [An'fjitjanitli] ongeluk- 
kig (erwijze), helaas. 
unfounded [An'faundid] ongegrond. 
unfriendly [An'frendii] onvriendschap- 

pelijk; onvriendelijk, onaardig 

(voor, to). 
unfurl [An'fa:!] (zich) ontplooien, 

uitspreiden. 
ungainly [Ao'geinli] onbevallig, lomp. 
ungentle ['An'dgentl] onzacht, ruw. 
ungodly [Ao'gDdli] goddeloos, zondig. 
ungraceful [An'greisful] onbevallig, 

plomp, lomp. 
ungracious [An'greijss] onwillig; 

onheus. 
ungrateful [An'greitful] ondankbaar. 
ungrounded [An'graundid] onge- 
grond. 
ungrudging [Ao'grAdsig] gaarne ge- 

gund, royaaL 
unguarded [An'ga:did] onbewaakt; 

onvoorzichtig. 
unguent ['Ar)gw3nt] zalf. 
unhallow [An'h£eIou] ontheiligen, 

ontwijden. 
unhampered [AD'hsempad] onbelem- 

merd, ongehinderd. 
unhandy [An'hsendi] onhandig. 
unhappy [An'h^pi] ongelukkig; ver- 

drietig, ontevreden. 
unharmonious [Anha:'mounJ3s] on- 

welluidend. 
unharness [An'ha:nis] aftuigen. 
unhealthful [An'heieful] ongezond. 
unhealthy [An'helQi] ongezond. 
unheard [An'haid] — of, ongehoord. 
unheeded [An'hi:did] onopgemerkt. 
unhindered [An'hindad] ongehinderd. 
unhinge [An'hin(d)3] uit de hengsels 

lichten; jig overstuur maken. 
unholy [An'houli] onheilig, onzalig; 

goddeloos; vreselijk. 
unhook [Ao'huk] af-, loshaken. 
unhoped(-for) [An'houpt(f3:)] niet 

verwacht. 
unhurt ['An'hsit] onbezeerd, onge- 



deerd. 
unicorn ['ju;nikD:n] eenhoorn. 
uniform ['juinifsim] uniform o Sc v\ 

aj uniform, een-, gelijkvormig; 

(steeds) gelijk, onveranderlijk. 
uniformity [ju:ni'fD:miti] uniformiteit, 

gelijkheid; eenvormigheid, gelijkvor- 

migheid. 
unify ['ju:nifai] een maken, ver- 

en(ig)en; eenheid brengen in. 
unimaginable [Ani'm3sd3in3bl] on- 

denkbaar; onbegrijpelijk. 
unimpeded [Anim'pi:did] onbelem- 

merd, onverlet, ongehinderd. 
unimportant [Anim'pDitsnt] onbe- 

langrijk. 
uninhabitable [Aoin'hgebitsbl] onbe- 

woonbaar. 
unintelligible ['Anin'telidsibl] onver- 

staanbaar, onbegrijpelijk. 
unintentional ['Anin'tenjsnsl] onop- 

zettelijk. 
unintermittent [Aninta'mitsnt] onaf- 

gebroken, zonder tussenpozen. 
uninterrupted [AnintD'rAptid] onaf- 

gebroken, ononderbroken. 
uninvited [Anin'vaitid] ongenood, 

ongevraagd. 
union ['juinjan] vereniging, verbin- 

ding; verbond o; unie; verbinte- 

nis; eendracht(igheid). 
Union Jack ['ju:nj3n'd3aek] Engelse 

unievlag. 
unique [ju'ni:k] cnig (in zijn soort). 
uniquely [ju'ni:kli] enig (en alleen). 
unison ['ju:nis3n] eenklank; gelijklui- 

dendiieid, overeenstemming. 
unit ['ju:nit] eenheid. 
unite [ju'nait] aanecnvoegen, (zich) 

verbinden, (zich) verenigen; bijeen- 

voegen. 
united [ju'naitid] verenigd, vereend, 

bijeen; eendrachtig; the United 

Kingdom, het Verenigd Koninkrijk: 

Groot-Brittannie en Noord-Ierland; 

United Nations {Organization), 

(Organisatie der) Verenigde Naties; 

the United States, de Verenigde 

Staten. 



unity 



310 



unpolished 



unity ['ju:niti] eenheid, eendracht(ig- 

heid), overeenstemming. 
universal [juini'va.ssl] algemeen, uni- 

verseel; wereld-. 
universe ['ju:niv3:s] heelal o, we- 
reld. 
university [ju:ni'v3:siti] hogeschool, 

universiteit. 
unjust [Ao'dsASt] onrechtvaardig, 

onbillijk. 
unkempt ['An'kemt] ongekamd; jig 

slordig, niet onderhouden. 
unkind [Ao'kaind] onvriendelijk. 
unknowing [Ao'nouir)] niet kennend; 

onwetend, onkuiidig. 
unknowingly [An'nouir|li] zonder het 

(zelf) te weten, zich niet daarvan 

bewust. 
unknown ['An'noun] niet bekend, on- 

bekend; ongekend. 
unlaw^ful ['Ao'biful] onwettig, on- 

rechtmatig. 
unlearn ['Ao'bin] verleren, afleren. 
unless [ao'Ics] tenzij, indien... niet. 
unlicked [An'likt] ongelikt, onbehou- 

wen. 
unlike [An'laik] niet gelijkend (op); 

ongelijk; verschillend van, anders 

dan. 
unlikelihood [An'laiklihud], unlike- 
liness [An'laiklinis] onwaarschijn- 

lijkheid. 
unlikely [An'laikli] onwaarschijnlijk. 
unlimited [Ao'limitid] onbegrensd, on- 

bepaald, onbeperkt; ongelimiteerd. 
unlink [Ao'liijk] losmaken. 
unload [Ao'loud] ontlasten, ontladen, 

lessen. 
unlock [An'bk] ontsluiten, losmaken. 
unlooked-for [Ao'luktfD:] onverwacht. 
unloved [An'Uvd] onbemind. 
unlucky [An'Uki] ongelukkig. 
unmanageable [An'ma£nid33bl] onbe- 

stuurbaar; jig onhandelbaar. 
unmannered [An'maenad] ongema- 

nierd. 
unmannerly [An'msenali] onhebbelijk. 
unmarketable [An'maikitabl] onver- 

koopbaar, incourant. 



unmarried ['An'maerid] ongehuwd. 
unmask [An'ma:sk] het masker afruk- 

ken (afzetten), ontmaskeren. 
unmeaning [An'mi:nir)] nietsbeteke- 

nend, onbeduidend; nietszeggend. 
unmerited [An'meritid] onverdiend. 
unmistak(e)able ['Anmis'teikabl] on- 

miskenbaar. 
unmixed ['Ao'mikst] ongemengd, on- 

vermengd. 
unmoved [An'mu:vd] onbewogen, on- 

geroerd; onbeweeglijk. 
unnatural [An'neetjrsl] onnatuurlijk, 

ontaard; tegennatuurlijk. 
unnecessary [An'nesisari] onnodig, 

nodeloos. 
unnerve [Ao'naiv] ontzenuwen, ver- 

lammen; [iemand] zijn zelfvertrou- 

wen doen verliezen; van streek bren- 

gen._ 
unnoticed [An'noutist] onopgemerkt 
UNO ['ju:nou] =: United Nations 

Organization. 
unobservant [An3b'z3;v3nt] onoplet- 

tend, onopmerkzaam. 
unobserved [Ansb'zsivd] onopge- 
merkt. 
unobtrusive [Anab'truisiv] niet in 't 

cog valiend, bescheiden. 
unopposed [Ana'pouzd] ongehinderd; 

zonder verzet; zonder tegenkandi- 

daat. 
unpack ['An'psek] uitpakken, afladen. 
unpaid ['An'peid] onbetaald, onafge- 

lost; onbezoldigd; ongefrankeerd; 

— jor, onbetaald. 
unpalatable [An'pseiatabl] onsmakelijk, 

minder aangenaam, onverkwikkelijk. 
unparalleled [An'paeraleld] weerga- 

loos, ongeevenaard. 
unpardonable [An'paidnsbl] onver- 

geeflijk. 
unperceived [Anpa'siivd] ongemerkt. 
unperturbed [Anpa'tsibd] onverstoord. 
unpleasant [An'plezant] onplezierig; 

onaangenaam, onbehaaglijk. 
unpocket [An'pDkit] uit zijn zak ha- 

len. 
unpolished [An'pjlijt] ongepolijst; 



unprecedented 



311 



unshaven 



fig onbeschaafd, ruw. 
unprecedented [An'presidentid] zon- 

der precedent; zonder voorbeeld. 
unprejudiced [An'predsudist] onbe- 

vooroordeeld; niet benadeeld. 
unprepared [Anpri'pead] onvoorbe- 

reid. 
unpretending ['Anpri'tendirj] zonder 

pretentie, bescheiden. 
unprincipled [An'prinsipld] beginsel- 

loos; gewetenloos. 
unprofitable [An'piDfitabl] onvoor- 

delig; nutteloos. 
unprotected ['Anprs'tektid] onbe- 

schermd. 
unprovided [Anpra'vaidid] niet voor- 

zien; — for, onverzorgd. 
unqualified [An'kwDlifaid] onbevoegd, 

ongeschikt; onvermengd; fig vol, 

volmondig, onverdeeld, absoluut. 
unquenchable [An'kwenjabl] on(uit)- 

blusbaar, onlesbaar. 
unquestionably [An'kwestjanabli] 

ontwijfelbaar, ontegenzeglijk. 
unquestioned [Ao'kwestjsnd] niet on- 

dervraagd; ontwijfelbaar, onbetwist. 
unquiet [An'kwaiat] onrustig. 
unravel [An'rsevl] uitrafelen; ontw^ar- 

ren, ontraadselen. 
unread ['An'red] ongelezen; onbele- 

zen. 
unreadable [An'riidabl] onleesbaar. 
unreal [An'rial] onwezenlijk. 
unreason ['Ao'riizn] dwaasheid, on- 

verstandigheid. 
unreasonable [An'riiznsbl] onredelijk. 
unrelenting [Anri'lentir)] niet nala- 

tend, nooit ophoudend; geen toege- 

ven kennend, onverbiddelijk. 
unreliable [Anri'lai^bl] onbetrouw- 

baar. 
unremitting [Anri'mitiij] aanhou- 

dend, gestadig. 
unrepentant ['Anri'pentant] onboet-, 

vaardig. 
unreserved ['Anri'zaivd] niet gereser- 

veerd, zonder voorbehoud, vrijmoe- 

dig, openhartig. 
unrest L'An'rest] onrust. 



unrestrained ['Anri'streind] onbe- 

perkt, teugelloos; ongedwongen. 
unriddle [An'ridl] ontraadselen. 
unrig [An'rig] aftakelen. 
unrighteous [An'raitjas] onrechtvaar- 

dig. 
unrip [An'rip] openrijten, lostornen. 
unripe ['An'raip] onrijp. 
unrivalled [An'raivald] weergaloos, 

ongeevenaard. 
unroll [An'roul] (zich) ontrollen, af- 

rollen. 
unruly [An'ru:li] onordelijk; lastig, 

weerbarstig, weerspannig. 
unsaddle [An'sjedl] afzadelen; uit het 

zadel werpen. 
unsafe [An'seif] onveilig; onbetrouw- 

baar; onvast; gevaarlijk. 
unsal(e)able [An'seibbl] onverkoop- 

baar. 
unsalaried [An'ssbrid] onbezoldigd. 
unsatisfactory [Anseetis'faektari] on- 

bevredigend, onvoldoende. 
unsatisfied ['An'saetisfaid] onvoldaan, 

onbevredigd, ontevreden. 
unsavoury [An'seivsri] onsmakelijk, 

onaangenaam, onverkwikkelijk. 
unscathed [An'skeiSd] ongedeerd. 
unscrew [An'skru:] losschroeven, 

losdraaien. 
unscrupulous [An'skruipjubs] gewe- 
tenloos. 
unseasonable [An'si:znabl] ontijdig, 

ongelegen (komend), niet van pas. 
unseemly [An'si:mli] onbetamelijk; 

onooglijk. 
unseen ['An'sirn] ongezien, onbezien. 
unselfish ['An'selfiJ] onzelfzuchtig, 

onbaatzuchtig. 
unsettle [An'setl] onzeker maken, in 

de war sturen; uit zijn doen bren- 

gen; verwarren, krenken [het ver- 

stand]. 
unsew [An'sou] lostornen. 
unshakable [An'JeikabI] onwankelbaar. 
unshaken [An'Jeikn] ongeschokt. 
unshapely [An'JeipIi] lelijk. 
unshaved [An'Jeivd], unshaven [An- 

'Jeivn] ongeschoren. 



unship 



312 



unwilling 



unship [An'Jip] ontschepen, lessen. 
unshrinkable [An'Jrirjkabl] krimpvrij. 
unsightly [An'saitli] onooglijk, Jelijk. 
unskilled ['^n'skild] onbedreven; on- 

geschoold. 
unslaked ['An'sleikt] ongelest, onge- 

blust. 
unsociable ['An'soufabl] ongezellig. 
unsold ['Ao'sould] onverkocht. 
unsolicited [Ansa'lisitid] ongevraagd. 
unsolvable [Ao'sDlvabl] onoplosbaar. 
unsolved [An'solvd] onopgelost. 
unsophisticated [Ansi'fistikeitid] on- 

vervalst, (nog) onbedorven, onge- 

kunsteld. 
unsought ['Ao'sDit] ongezocht. 
unsound ['Ao'saund] ongezond, niet 

gaaf; bedorven, onbetrouwbaar; on- 

deugdelijk; wrak, zwak. 
unsparing [An'spearirj] niet karig, 

mild; niets ontziend. 
unspeakable [Ao'spiikabl] onuitspre- 

kelijk; afschuwelijk. 
unspoilt [Ao'spDilt] onbedorven. 
unstable [An'steibl] onvast; onbesten- 

dig. 
unstaid [An'steid] onstandvastig; on- 

solide. 
unsteady [An'stedi] ongestadig; onso- 

lide [gedrag]; onvast. 
unstinted [Ao'stintid] onbekrompen. 
unstitch [An'stitJ] lostornen. 
unstrung [An'strAf)] ontspannen, ver- 

slapt; his nerves are — , in de war. 
unsuccessful [Anssk'sesful] niet ge- 

slaagd, niet gelukt, mislukt. 
unsuitable [An's(j)u:t9bl] ongepast, 

ongeschikt. 
unsuited [An's(j)u:t!d] ongescliikt 

(voor, for). 
unsurpassed ['Ans3'pa:st] onovertrof- 

fen. 
unsuspected ['Ans3s'pektid] onver- 

dacht; onvermoed. 
unsuspecting ['Ansas'pcktii]] gcen 

kwaad vermoedend, argeloos. 
unsuspicious ['Ansos'pijas] argeloos, 

niet wantrouwend. 
unswerving [An'swo:vig] niet afwij- 



kend; onwankelbaar. 
untam(e)able [Ao'teimabl] ontem- 

baar. 
unteachable [An'ti:tj3bl] hardleers. 
untenable [An'tiinabl, An'tensbl] on- 

houdbaar, onverdedigbaar. 
unthinkable [An'6ir)k3bl] ondenkbaar. 
unthinking [Ao'Oirjkir)] onbezonnen, 

onbedachtzaam. 
untidy [Ao'taidi] onordelijk, slordig. 
untie ['An'tai] losbinden, losknopen, 

losmaken. 
until [an'til] tot(dat); not ~- ..., 

eerst toen..., niet voordat... 
untimely [An'taimli] ontijdig; vroeg- 

tijdig; ongelegen; voor zijn tijd. 
untired [An'taiad] onvermoeid. 
untiring [An'taisrir)] onvermoeid. 
unto L'Antu] tot; tot aan; naar. 
untoward [An'touadj weerbarstig, 

eigenzinnig; verkeerd; ongelukkig 

(gekozen &). 
untried ['An'traid] onbeproefd. 
untrodden [An'tradn] onbetreden, on- 

gebaand; fig onontgonnen. 
untrue [An'tru:] niet zuiver; onwaar, 

onwaarachtig; ontrouw (aan, to). 
untrustworthy [An'trAstnQiSi] onbe- 
trouwbaar. 
untruth ['An'tru:0] onwaarheid. 
untruthful [An'tru:6ful] leugenachtig. 
unusual [An'ju:3U3l] ongewoon. 
unutterable [A'nAtarsbl] onuitspreke- 

lijk, onzeglijk, onbeschrijflijk. 
unvarnished [An'vainijt] niet gever- 

nist; fig onopgesmukt, onverbloemd. 
unveil [An'veil] ontsluieren, onthul- 

len. 
unviolated [An'vaialeitid] ongeschon- 

den. 
unwary [An'wSari] onvoorzichtig. 
unwavering [AoVeivsrir)] niet wan- 

kelend; onwrikbaar, standvastig. 
unwelcome [An'welkom] onwelkom. 
unwell [Ao'wel] onwcl, onpasselijk. 
unwholesome [An'houlsam] ongezond. 
unwieldy [An'wi;Idi] log, zwaar. 
unwilling [An'wilir)] onwillig; onge- 

willig. 



unwillingly 

unwillingly [An'wilirjli] onwillig; 
ongewillig; ongaarne, tegen wil en 
dank. 

unwind [An'waind] loswinden, los- 
wikkelen, ontrollen. 

unwise ['An'waiz] onwijs, onverstan- 
dig. _ 

unwitting [An'witir]] onwetend, on- 
bewust. 

unwonted [An'wountid] ongewoon, 
niet gewend. 

unworthy [An'w3:Si] onwaardig. 

unwrap ['Ao'rcep] los-, openmaken. 

unyielding [An'jiildit]] niet meege- 
vend; onbuigzaam, onverzettelijk. 

up [Ap] op, in de hoogte, omhoog, 
(naar) boven; •~ to now, '~ to 
this, tot op heden; — and down, 
op en neer; // is all — with..., het 
is gedaan met...; be ■ — ■ and doing, 
niet stil zitten; de handen uit de 
mouw steken; be full — , geheel 
bezet (vol) zijn; what's ■ — •?, wat 
is er aan 't handje?; he is well — 
in that subject, hij is goed (thuis) 
in dat vak; they are ■ — ■ to any- 
thing, ze zijn tot alles in staat, 
voor alles te vinden; he is — to 
no good, hij voert niets goeds in 
zijn schild; he is — to some joke, 
hij heeft de een of andere aardig- 
heid in de zin; it is ■ — to him, 
het is zijn plicht; • — s and downs, 
voor- en tegenspoed, wisselvallighe- 
den. 

upbraid [Ap'breid] verwijten, een 
verwijt maken (van, tvith) . 

upbringing ['Apbrirjirj] opvoeding. 

up-country ['Ap'kAntri] het binnen- 
land in; in het binnenland gelegen, 
van de binnenlanden. 

upheaval [Ap'hiival] opheffing (v. d. 
aardkorst); jig omwenteiing. 

uphill ['Ap'hil] bergop; jig moeilijk, 
zwaar [werk &]. 

uphold [Ap'hould] ophouden, hoog- 
houden, staande houden; handha- 
ven; (onder)steunen; jig verdedigen. 

upholster [Ap'houlsta] stofferen, be- 



il3 upwards 

kleden. 
upholsterer [Ap'houlstara] (behanger-) 

stoffeerder. 
upholstery [Ap'houlstari] stoffcring, 

bekleding; stoffeerderij. 
upkeep ['Apki:p] (kosten van) onder- 

houd o. 
uplift [Ap'Iift] optillen, opheffen, ver- 

heffen; ten hemel slaan [de ogen]. 
upmost ['Apmoust] bovenst, hoogst. 
upon [s'pDn] zie on. 
upper E'Apa] opper, hoger, bovenste, 

boven-. 
upper lip ['Apalip] bovenlip. 
uppermost ['Apsmoust] bovenst, 

hoogst; he — , de overhand heb- 

ben. 
upper ten [Apa'ten] de hoogste krin- 

gen der maatschappij (ook: — 

thousand). 
upraise [Ap'reiz] opheffen, ten hemel 

heffen; oprichten; opwekken. 
upright ['Ap'rait] rechtop(staand), 

overeind, steil, (kaars)recht; recht- 

schapen. 
uproar ['Aprs:] lawaai o, rumoer o. 
uproarious [Ap'rDiriss] rumoerig, 

stormachtig. 
uproot [Ap'ru:t] ontwortelen. 
upset [Ap'set] omgooien, -smijten, 

omverwerpen; jig verijdelen [plan- 

nen]; van streek maken; be — , 

omslaan, omvallen; ontdaan zijn, 

van streek zijn. 
upshot ['ApjDt] resultaat o, einde o. 
upside ['Apsaid] bovenzijde; 

down, ondersteboven; op zijn kop 

(staand). 
upstairs ['Ap'steaz] de trap op, naar 

boven, boven. 
upstanding [Ap'stsendir)] (overeind) 

staand; flink uit de kluiten ge- 

wassen. 
upstart ['Apsta:t] parvenu. 
upstream ['Ap'stri:m] stroomopwaarts. 
up-to-date ['Apts'deit] ,,bij"; modern. 
upward ['Apwsd] opwaarts, omhoog 

gericht; zie upwards. 
upwards ['Apwsdz] opwaarts, op. 



urban 



314 



vacation 



naar boven; — of, boven, meer 
dan; fifty guilders and — , vijftig 
gulden en hoger. 

urban ['a.ban] stedelijk, stads-. 

urbane [ai'bein] welgemanierd, hof- 
felijk, wellevend, beschaafd. 

urbanity [s/bceniti] hoffelijkheid, 
wellevendheid. 

urchin ['sitjin] kleuter, joch(ie) o; 
deugniet, rakker; zeeegel. 

urge [aids] (aan)drang; vt aan-, 
voortdrijven; aandringen op; aan- 
zetten, dringend verzoeken, aan- 
manen tot; aanvoeren. 

urgency ['sidjSnsi] urgentie, drin- 
gende noodzakelijkheid; (aan)drang. 

urgent ['3:d33nt] urgent, dringend 
(noodzakelijk), spoedeisend. 

urn [3;n] urn, vaas. 

us [as, (3)s] ons, (aan) ons. 

U.S.A. = United States of A?nerica, 
Verenigde Staten van Amerika. 

usage ['juizids] gebruik o, gewoonte; 
taalgebruik a. 

use [ju:s] gebruik o; nut o; gewoonte; 
it is {of) no — , het helpt niets, 
het baat niet(s); / have no — for 
it, ik kan het niet gebruiken; ik 
moet er niets van hebben; for the 
— of, ten gebruike van; be o f — , 
nuttig (van nut) zijn; be o ti t of 
— , in onbruik (geraakt) zijn; 
[ju:z] vt gebruiken, gebruik maken 
van, zich ten nutte maken; aanwen- 
den; behandelen. 

used [ju;zd = gebruikte, maar =; 
placht: ju;st] — to, gewoon aan; 
he is not what he '~~- to be, wat 
hij vroeger was. 



useful ['juisful] nuttig, bruikbaar. 
useless ['juislis] nutteloos, onbruik- 

baar. 
user ['juiza] gebruiker. 
usher ['aJsJ portier; ceremoniemees- 

ter; deurwaarder; ondermeester; vt 

binnenleiden, inleiden. 
usherette [Aja'ret] ouvreuse. 
usual ['ju:3u3l] gebruikelijk, gewoon; 

as — , as per — , als gewoonlijk. 
usually ['ju:3U3li] gewoonlijk, door- 

gaans. 
usufruct ['juizjufrAkt] vruchtgebruik 

o. 
usurer ['juisars] woekeraar. 
usurious [ju'zjusrias] woeker-. 
usurp [ju'z3:p] wederrechtelijk in be- 

zit nemen, overweldigen [troon]. 
usurpation [ju:z3:'peij3n] wederrech- 

teiijke inbezitneming, overweldi- 

ging [v. troon], 
usury ['ju:33ri] woeker. 
utensil [ju'tens(i)l] gereedschap o, 

werktuig o; ■ — s, ook: gerei o. 
utility [ju'tiliti] nuttigheid, nut o\ 

utiliteits-, nutsbedrijf o. 
utilization [juitilai'zeijan] benutting, 

nuttig gebruik o. 
utilize ['ju:tiiaiz] benutten, nuttig 

besteden, goed gebruiken. 
utmost ['Atmoust] uiterste, hoogste; 

do one's — , zijn uiterste best doen. 
utter ['At3] volslagen, algeheel, ui- 

terst; vt uiten, uitdrukken. 
utterance ['At3r3ns] uiting, uitlating; 

dictie. 
utterly ['Atsli] geheel, volkomen, vol- 
slagen. 
uvula ['juivjub] huig. 



V 



V [vi:] (de letter) v. 

vacancy ['veikansi] ledigheid, (ledi- 

ge) ruimte; leegte; gaping; vaca- 

ture. 
vacant ['veikant] ledig, leeg, onbezet, 

open, vacant; nietszeggend; gedach- 



teloos, wezenloos. 
vacate [va'keit] ontruimen [plaats]; 

neerleggen [betrekking], afstand 

doen van [troon]. 
vacation [va'keijsn] ontruiming; va- 

kantie. 



vaccinal 



315 



variety 



vaccinal ['vasksinsl] vaccine-. 
vaccinate ['vseksineit] inenten, vac- 

cineren. 
vaccination [vEeksi'neiJan] inenting, 

vaccinatie. 
vaccine ['vasksin] koepokstof. 
vacillate ['vjesileit] wankelen, weife- 

len; schommelen. 
vacillation [vjesi'leijan] wankeling, 

weifeling; schommeling. 
vacuity [v2e-, vs'kjuiti] ledigheid, 

(ledige) ruimte, leegte. 
vacuous ['viekjuDs] leeg, leeghoofdig; 

nietszeggend, wezenloos. 
vacuum L'vaskjuam] vacuum o, 

(lucht) ledige ruimte; • — ■ brake, va- 

cuiimrem; — {cleaner'), stofzuiger, 

-^ jlask, vacuiimfles. 
vagabond ['vaegsband] zwerver, va- 

gebond; a] (rond)zwervend; vi 

(rond)zwerven. 
vagary [vs'gSgri] gril, kuur, nuk. 
vagrant ['veigrsnt] (rond)zwervend, 

rondtrekkend; afdwalend. 
vague [veig] vaag, onbepaald, onbe- 

stemd, flauw. 
vain [vein] ijdel; nutteloos, vergeefs; 

in — , tevergeefs; ijdellijk. 
vainglorious [vein'gbirias] ijdel; 

snoevend. 
vainly ['veinii] (te)vergeefs; ijdellijk. 
vale [veil] dal o, vallei. 
valet ['vcelit, 'vaslei] kamerdienaar; 

lijfknecht, bediende. 
valiant ['vaeljsnt] dapper. 
valid ['vaelid] deugdelijk [argument]; 

geldig, van kracht. 
validate ['vaelideit] geldig maken of 

verklaren, bekrachtigen. 
validation [vseli'deijsn] geldigverkla- 

ring, bekrachtiging. 
validity [va'liditi] validiteit, deugde- 

lijkheid; (rechts)geldigheid. 
valley ['va;li] dal o, vallei. 
valorous ['v^lsrss] dapper. 
valour ['vaeb] dapperheid. 
valuable ['vseljuabl] kostbaar, van 

waarde, waardevol; waardeerbaar; 

'^s, kostbaarheden. 



valuation [vjelju'eifan] schatting, 

waardering, taxatie. 
value ['vaelju:] waarde, prijs; oj ■ — ■, 

van waarde, waardevol, kostbaar; vt 

taxeren (op, at), waarderen, schat- 

ten; prijs stellen op; vi in: ■ — ■ on a 

person, (een wissel) op iemand 

trekken. 
valued ['vasljuid] geschat; gewaar- 

deerd; your ■ — ■ favour, uw geeerd 

schrijven. 
valve [vselv] klep; ventiel; schaal [v. 

schelp]; radiolamp. 
vampire ['vasmpais] vampier. 
van [v2en] (verhuis)wagen; goederen- 

wagen [v. trein] ; voorhoede. 
vandalism ['vsendslizm] vandalisme o. 
vane [vein] vaantje o, weerhaan; mo- 

lenwiek; vlag [v. veer]. 
vanguard ['vaenga:d] voorhoede. 
vanilla [va'nib] vanille. 
vanish ['vaenij] verdwijnen; wegster- 
vanity ['vasniti] ijdelheid. [ven. 

vanquish ['vsrjkwij] overwinnen; 

weerleggen [argumenten]. 
vantage ['va:ntid5] voordeel o. 
vapid ['vsepid] verschaald; flauw. 
vaporize ['veipsraiz] (doen) verdam- 

pen, verstuiven. 
vaporous ['veiparas] dampig; damp-; 

fig ijl, vaag. 
vapour ['veips] damp, (nevel)rook, 

uitwaseming, wasem; vi dampen, 

wasemen; fig opsnijden. 
variable ['vEariabl] veranderlijk, on- 

bestendig, ongedurig. 
variance ['vSsrians] verschil o van 

mening, geschil o, tegenstrijdigheid, 

onenigheid; he at — , bet oneens 

zijn; in strijd zijn. 
variation [vEsri'eiJsn] variatie; ver- 

andering, afwijking. 
variegated ['vearigeitid] bent ge- 

schakeerd. 
variegation [vesri'geijan] bonte scha- 

kering. 
variety [va'raiati] bonte mengeling, 

verscheidenheid; verandering, af- 

wisseling. 



variety hall 



316 



ventilator 



variety hall [va'raiatihDil] variete- 

theater o. 
various ['vesrias] verscheiden, on- 

derscheiden; afwisselend, verschil- 

lend. 
varlet ['va:lit] bediende; schelm. 
varnish ['va;nij] vernis o & m, lak 

o & m\ fig vernisje o\ vt vernissen, 

(ver)lakken; jig een glimp geven 

aan. 
varsity ['va:siti] universiteit. 
vary ['veari] varieren, afwisselen, 

veranderen; afwijken, verschillen 

(van, from). 
vase [va:z] vaas. 
vaseline ['v£ezili:n] vaseline [han- 

delsmerknaam] . 
vassal E'vaesal] leenman, leenhouder, 

vazal; fig knecht, slaaf. 
vast [va:st] ontzaglijk, groot, uitge- 

strekt; onmetelijk; kolossaal. 
vastly ['va:stli] kolossaal; veel. 
vat [vcet] vat o, kuip. 
Vatican ['vaetiksn] Vaticaan o. 
vault [vD:lt] gewelf o, kelder, kluis 

[v. bank]; (voltigeurs)sprong; vt 

(o)verwelven; springen over; vi 

springen. 
vaunt [vD:nt] pochen (op), (zich 

be)roemen (op). 
veal [vi:l] kalfsvlees o. 
veer [vis] vieren, voor de wind om- 

wenden; draaien; ■ — • round, omlo- 

pen [wind]; (bij)draaien, (om)- 

zwenken, een keer nemen. 
vegetable ['ved3it3bl] plant; groente; 

— s, groente(n); aj plantaardig, 

plante(n)-. 
vegetarian [ved3i'te3ri3n] vegetarier; 

aj vegetarisch. 
vegetate ['vedjiteit] groeien; fig 

een planteleven leiden. 
vegetation [vedsi'teijsn] plantengroei; 

vegetatie, vleeswoekering, plante- 
leven o. 
vehemence ['viiimsns] hevigheid, on 

stuimigheid, drift, geweld o. 
vehement ['viiimsnt] hevig, heftig, 

onstuimig, driftig. 



vehicle ['vi;ikl] voertuig o, (vervoer)- 

middel o\ voertaal. 
veil [veil] sluier, voile; vt (om)slui- 

eren, bemantelen, hullen. 
veiled [veild] gesluierd; fig bedekt; 

verkapt. 
vein [vein] ader; stemming; in the 

— of..., in de trant van; vt ade- 
ren; marmeren. 

vellum ['vebm] velijn o. 

velocity [vi'bsiti] snelheid. 

velvet ['velvit] fluweel o; a] fluwe- 

len. 
velveteen [velvi'ti:n] katoenfluweel a. 
venal ['viinal] veil, omkoopbaar. 
venality [vi'nsliti] veilheid, om- 

koopbaarheid. 
vendor ['venda] verkoper; leurder. 
veneer [vi'nia] fineer o\ fig ver- 
nisje o\ vt fineren; fig een vernisje 

geven van. 
venerable ['venarsbl] eerb.iedwaardig. 
venerate ['venareit] (hoog) vereren. 
veneration [vena'reijan] (grote) ver- 

ering. 
Venetian [vi'ni:Jan] Venetiaans; — 

blind, jaloezie. 
vengeance ['vendsans] wraak; with a 

— , en goed (niet zuinig) ook, van 

je welste. 
venial ['vi:nial] vergeeflijk; — sin, 

dagelijkse zonde. 
Venice ['venis] Venetie o. 
venison ['ven(i)zn] hertevlees o. 
venom ['venam] venijn a, vergif o. 
venomous ['venamas] venijnig, ver- 

giftig. 
vent [vent] luchtgat o\ opening; uit- 

weg; split a [v. jas]; speelruimte; 

find — , een uitweg vinden; give 

— to, uiting, lucht geven aan, de 
vrije loop laten; vt lucht geven aan, 
uiten, luchten; ruchtbaar maken; — 
itself, een uitw'eg vinden, zich 
uiten. 

ventilate ['ventileit] ventileren, luch- 
ten. 
ventilation [venti'leifan] ventilatie. 
ventilator ['ventileita] ventilator. 



ventriloquist 



317 



veteran 



ventriloquist [ven'tribkwist] buik- 

spreker. 
venture ['ventfg] waagstuk o, waag; 

risico o\ vt wagen, op het spel zet- 

ten. 
venturesome ['ventjossm] waaghalze- 

rig, stout, vermetel; gewaagd. 
veracious [vi'reijas] vvaarheidlievend; 

waarachtig, waar. 
veracity [vi'rssiti] waarheidsliefde, 

waarheid, geloofwaardigheid. 
veranda(h) [vs'rasnda] veranda. 
verb [v3:b] v/erkwoord o. 
verbal ['vaibsl] mondeling; woorde- 

lijk, letterlijk; werkwoordelijk; — 

dispute, woordenstrijd. 
verbose [v3:'bous] breedsprakig, 

woordenrijk, wijdlopig. 
verbosity [va/bositi] breedsprakig- 

heid, woordenrijkheid, wijdlopig- 

heid. 
verdant ['vsidant] groen. 
verdict ['v3:dikt] uitspraak; vonnis 

o, beslissing, oordeel o. 
verdure ['vsrdja] groen o, lover o. 
verge [vaidg] roede, spil, staf; rand; 

berm; on the ■ — of, op de rand van, 

op het punt om...; grenzend aan...; 

vi hellen; neigen; grenzen. 
verger ['vaidss] stafdrager; koster. 
verification [verifi'keijan] verifica- 

tie; proef (op de som); waarma- 

king, bekrachtiging, bewijs o. 
verify ['verifai] verifieren, onderzoe- 

ken, nazien; waar maken, bevesti- 

gen (in), bekrachtigen. 
verily ['verili] waarlijk, voorwaar. 
verisimilitude [verisi'militju;d] 

waarschijnlijkheid. 
veritable ['veritabl] waar(achtig), 

echt. 
vermicelli [vaimi'seli] vermicelli. 
vermiform ['v3:mifD:m] wormvormig. 
vermilion [va'miljsn] vermiljoen 

(o). 
vermin ['vsimin] ongedierte o; jig 

tuig o. 
vermouth ['v3:mu:9] vermout. 
vernacular [vs'nskjula] landstaal; a] 



inlands, vaderlands. 

vernal ['v3:n3l] lente-; jeugd-. 

versatile ['vaisatail] veranderlijk, on- 
gestadig, onvast; veelzijdig. 

versatility [vaiss'tiliti] veranderlijk- 
heid, ongestadigheid; veelzijdigheid. 

verse [v3:s] vers o, versregel; poezie. 

versed [v3:st] ervaren, doorkneed, be- 
dreven, op de hoogte (van, in). 

versify ['vsisifai] berijmen, op rijm 
brengen; verzen maken. 

version ['vsijan] overzetting; verta- 
ling; voorstellingswijze, lezing; ver- 
sie; bewerking [voor de film]. 

versus ['v3:s3s] tegen. 

vertebra ['vsitibrs meerv. vertebrae 
'v3:tibri:] wen.'el. 

vertebrate ['vsitibrit] gewerveld dier 
o\ a] gewerveld. 

vertical ['vaitiki] loodlijn; a] verti- 
caal, loodrecht; (op)staand. 

vertiginous [vsi'tidsinss] draaiend, 
draaierig; duizelingwekkend. 

vertigo ['v3:tigou] duizeling. 

verve [v3:v] gloed, geestdrift. 

very ['veri] zeer, heel, erg; waar, 
werkelijk, echt; aller- [voor ver- 
grotende trap]; the — air you 
breathe, zelfs de lucht, die men in- 
ademt; the -^ house I am looking 
for, precies (juist, net) het huis, 
dat ik zoek; its ■ — ■ mention, de 
blote vermelding daarvan. 

vespers ['vespaz] vesper. 

vessel E'vessl] vat o\ vaartuig o, 
schip o. 

vest [vest] borstrok; vestje o [dames- 
japon]; vt bekleden; be '■^ed in, 
berusten bij [macht]; -^-^ed inte- 
rests, bestaande belangen; ■ — ed 
rights, verkregen of oudere rechten. 

vesta ['vests] waslucifer. 

vestibule ['vestibju:!] vestibule, voor- 
huis o, portaal o, voorhof. 

vestige ['vestids] spoor a. 

vestry ['vestri] sacristie; consistorie 
o\ kerkeraad. 

veteran ['vetaran] veteraan; a] oudge- 
diend, oud, ervaren. 



veterinarian 



318 



villain 



veterinarian [vetsri'nesrisn] zie vet 

erinary. 
veterinary ['vetarinsri] veearts; aj 

veeartsenijkundig; — surgeon, vee- 
arts. 
veto E'viitou] (recht o van) veto o\ 

verbod o; vt zijn veto uitspreken 

over, verbieden, verwerpen. 
vex [veks] plagen, kwellen, ergeren; 

verontrusten; hoiv '^'ingl, wat ver- 

velend. 
vexation [vek'seijsn] verdrietelijkheid, 

kwelling, plaag, ergernis. 
vexatious [vek'seijss] hinderlijk; ver- 

drietig, ergerlijk. 
vexed [vekst] geergerd (over, at); 

landerig; a — question, een veel- 

omstreden vraagstuk o. 
via ['vais] via, over. 
viable ['vaiabl] levensvatbaar. 
viaduct ['vaisdAkt] viaduct. 
vial ['vaial] flesje o; the — s of one's 

wrath, de fiolen van zijn toorn. 
viands E'vaisndz] spijzen, levensmid- 

delen, mondkost. 
vibrate ['vaibreit] trillen; schomme- 

len, slingeren. 
vibration [vai'breijan] trilling; 

schommeling, slingering. 
vicar ['viks] vicaris, plaatsvervanger; 

predikant, dominee. 
vicarage ['viksridj] predikantsplaats; 

pastorie. 
vicarious [vai-, vi'kearias] voor een 

ander gedaan of geleden; plaatsver- 

vangend. 
vice [vais] ondeugd; gebrek o, fout; 

(bank)schroef; aj vice-, onder-. 
vicegerent ['vais'dsersnt] plaatsver- 
vanger; aj plaatsvervangend. 
viceroy ['vaisrsi] onderkoning. 
vicinity [vi'siniti] nabuurschap, na- 

bijheid, buurt. 
vicious E'vijas] slecht, verdorven; 

verkeerd; vals [v. dieren]; boosaar- 

dig, venijnig [kritiek]; • — circle, 

vicieuze cirkel. 
vicissitude [vi'sisitjurd] wisselvallig- 

heid, wederwaardigheid. 



victim ['viktim] slachtoffer o. 

victimize ['viktimaiz] tot slachtoffer 
maken; bedriegen. 

victor E'vikts] overwinnaar. 

victorious [vik't3;ri3s3 overwinnend, 
zegevierend. 

victory ['viktsri] overwinning, zege. 

victual ['vitl] kost; — s, proviand; 
levensmiddelen; vt provianderen. 

vie [yai] mededingen, wedijveren. 

Vienna [vi'ens] Wenen o. 

Viennese [vie'niiz] Wener. 

view [vju:] gezicht o, uitzicht o, aan- 
blik; kijkje o\ mening, opvatting, 
kijk [op een zaak]; inzicht o; over- 
zicht 0; beschouwing; bezichtiging; 
oogmerk o, bedoeling; have ■ — s 
upon, een oogje hebben op, ook: 
loeren op; /' n — , in zicht, te zien, 
in bet vooruitzicht; in his ■ — ■, voor 
zijn ogen; naar zijn opinie, naar 
zijn inzicht; in '-^ of, in het ge- 
zicht van; met het oog op; ge- 
zien..., gelet op...; have in — , op 
het oog hebben, beogen; be o n — , 
te zien zijn, ter inzage liggen; 
with a — to..., met het oog 
op; ten einde...; vt (be) zien, be- 
schouwen, in ogenschouw nemen; 
bezichtigen; vi kijken [televisie]. 

viewer ['vjuis] kijker [televisie]. 

view-point ['vjuipDint] gezichtspunt 
o, standpunt o. 

vigilance ['vidsilsns] waakzaamheid; 
slapeloosheid. 

vigilant ['vidsibnt] waakzaam. 

vigorous ['vigaras] krachtig, sterk, 
fors, flink. 

vigour ['viga] kracht, sterkte, fors- 
heid. 

vile [vail] slecht, gemeen; verachte- 
lijk, laag. 

vilify ['vilifai] (be)lasteren. 

vilipend ['vilipend] smaden. 

villa ['vila] villa. 

village ['vilids] dorp o. 

villager [Vilidja] dorpeling. 

villain ['vilin] lijfeigene, horige; 
boer; schelm, schurk. 



villainous 



319 



vivacious 



villainous ['vilinas] laag, snood. 
villainy ['vilini] laagheid, schurkach- 

tigheid, schurkenstreek. 
villein ['vilin] lijfeigene, horige. 
vim [vim] kracht, energie, fut. 
vindicate ['vindikeit] handhaven, 

verdedigen; rechtvaardigen; bewij- 

zen. 
vindication [vindi'keijsn] handha 

ving, verdediging; rechtvaardiging; 

bewijs o. 
vindictive [vin'diktiv] wraakgierig, 

-zuchtig. 
vine [vain] wijnstok; wijngaard; 

klimplant; rank. 
vine-culture ['vainkAltJs] wijnbouw. 
vinegar ['viniga] azijn. 
vinery ['vainsri] druivenkas. 
vineyard ['vinjad] wijngaard. 
viniculture ['vinikAltJs] wiinbouw. 
vintage ['vintids] wijnoogst; wijn- 

gewas o, jaargang [v. wijn]. 
violate ['vaisleit] geweld aandoen, 

schenden. 
violation [vais'leijan] schending. 
violator ['vaisleita] schender. 
violence ['vaisbns] geweld o, geweld 

pleging; hevigheid; heftigheid. 
violent ['vaisbnt] geweldig, hevig, 

heftig; gewelddadig. 
violet ['vaislit] viooltje o\ a] violet- 

(kleurig), paars. 
violin [vais'Iin] viool. 
violinist [vais'linist] violist. 
violoncello [visbn'tjelou] violoncel. 
viper ['vaips] adder, slang. 
viperish ['vaiparij"] adderachtig, gif- 

virago [vi'reigou] helleveeg, feeks. 
virgin ['v3:d3in] maagd; aj maag- 

delijk, onbevlekt, zuiver. 
virginal ['vaidsinsl] maagdelijk. 
virginity [va/dsiniti] maagdelijk- 

heid. 
virile ['virail] mannelijk, manmoedig. 
virility [vi'riliti] mannelijkheid, man- 

moedigheid. 
virtual ['vaitjual] feitelijk. 
virtue ['v3;tju:] deugd, deugdzaam- 



heid; verdienste; kracht; by {in) — 

of, krachtens. 
virtuosity [v3:tju'3siti] virtuositeit. 
virtuous ['va:tju3s] deugdzaam, braaf. 
virulence ['vir(j jubns] kwaadaardig 

heid [v. ziekte], venijnigheid; fin 

giftigheid. 
virulent ['vir(j)ubnt] kwaadaardig 

[ziekte]; venijnig; fig giftig. 
virus ['vaiaras] smetstof, vergif o 
visa ['vi:23] visum o; vt viseren. 
viscount ['vaikaunt] burggraaf. 
viscountess ['vaikauntis] burggraviii. 
viscous ['viskas] kleverig, lijmerig. 
visibility [vizi'biliti] zichtbaarheid, 

zicht o. 
visible ['vizibl] zichtbaar, merkbaar; 

te spreken. 
vision E'vijsn] het zien, gezicht o, 

visie; droombeeld o, droom, visioen 

o. 
visit ['vizit] bezoek o, visite; inspec- 

tie, visitatie; vt bezoeken; bezich- 

tigen, inspecteren. 
visitation [vizi'teijan] bezoek o; be- 

zoeking; visitatie. 
visiting-card ['vizitirjkaid] visite- 

kaartje o. 
visitor ['vizita] bezoeker; inspecteur; 

• — s, bezoekers, bezoek o. 
visor ['vaiza] (helm)klep; vizier o. 
vista ['vista] uitzicht o, verschiet o, 

vergezicht <?; laan. 
Vistula ['vistjub] Weichsel. 
vital ['vaital] vitaal, levens-. 
vitality [vai'tseliti] levenskracht, Ir- 

ven o; levensvatbaarheid. 
vitamin ['vaitamin] vitamine. 
vitreous ['vitrias] glazen, glasachtig, 

vitrify ['vitrifai] verglazen. 

vitriol ['vitrial] vitriool o Si m, zwa- 

velzuur o. 
vituperate [vai'tju:pareit] schimpen, 

schelden op, uitschelden. 
vituperation [vaitju:pa'reijan] ge- 

schimp o, gescheld o. 
vivacious [vai'veijas] levendig, opge- 

wekt. 



vivacity 



320 



vow 



vivacity [vai'v£esiti] levendigheid, 

opgewektheid. 
vivid ['vivid] levendig, helder. 
vivify E'vivifai] verlevendigen, bezie 

len. 
vixen ['viksn] wijfjesvos; fig feeks 

helleveeg. 
viz [viz] namelijk, te weten. 
vizier [vi'zis] vizier. 
vocabulary [vs'kasbjubri] woorden- 

lijst; woordenschat, woordenvoor- 

raad. 
vocal ['vouksl] vocaal; stem-. 
vocation [vou'keij'sn] roeping; beroep 

o. 
vocational [vou'keijsnal] beroeps-, 

vak-; ■ — • guidance, voorlichting bij 

beroepskeuze. 
vociferate [vou'sifsreit] razen, tieren. 
vociferous [vou'sifaras] schreeuwend, 

razend en tierend, krijsend, luid- 

ruchtig. 
vogue [voug] trek, mode; populari- 

teit. 
voice [vDis] stem, geluid o\ spraak; 

the active {passive) ■ — ', de bedrij- 

vende (lijdende) vorm; give — to, 

uitdrukking geven aan; in a loud 

■ — , met luider stem(me), hard(op); 

in a low ■ — ■, zachtjes; ivith one — ', 

eenstemmig; vt uiting geven aan, 

uiten; vertolken. 
void [void] (lege) ruimte, jig leegte; 

a] ledig; vacant, onbezet; nietig, on- 

geidig; — oj, ontbloot van, vrij 

van, zonder; vt ledigen, (ont)rui- 

men; lozen; vernietigen. 
volatile ['vobtaii] vluchtig; jig wuft; 

— salt, vlugzout o. 
volatilize [v^'ljetilaiz] verviuchtigen. 
volcanic [vDl'ksnik] vulkanisch. 
volcano [vorkeinou] vulkaan. 
volley E'vDli] salvo o\ jig hagelbui, 

regen, stroom [v. scheldwoorden &]. 
volt [voult] volt; volte, zwenking. 
voltage ['voultids] (elektr.) span- 
ning. 
volubility [vDlju'biliti] radheid (van 

tong), woordenrijkheid. 



voluble ['vDljubl] vlug, rollend; rad 
(van tong), woordenrijk. 

volume ['vDJjum] (boek)deel o\ vo- 
lume o; omvang; massa. 

voluminous [vs'ljuiminss] lijvig, 
omvangrijk. 

voluntary ['vobntsri] vrijwillig, vrij; 
moedwillig. 

volunteer [vobn'tis] vrijwilliger; aj 
vrijwillig, vrijwilligers-; vt aanbie- 
den, vrijwillig op zich nemen; oppe- 
ren, geven, maken [opmerking &]; 
vi zich aanbieden; vrijwillig dienst 
nemen. 

voluptuous [va'lAptjuss] wellustig. 

vomit ['vDmit] (uit)braaksel o\ braak- 
middel o\ vt (uit)braken. 

voracious [va'reijas] gulzig, vraat- 
zuchtig. 

voracity [vs'rassiti] gulzigheid, vraat- 
zucht. 

vortex E'vDiteks] werveling; wervel-, 
dwarrelwind; draaikolk. 

Vosges [VOU3] the ~-, de Vogezen. 

votary ['vo atari] vurig aanhanger, 
volgeling; vereerder; liefhebber [van 
sport, enz.]. 

vote [vout] stem, votum o\ stemming 
[bij verkiezing]; stemrecht o\ stem- 
briefje o; o n a ■ — ■, bij stem.ming; 
put t o the ■ — ■, in stemming bren- 
gen; vi stemmen; vt bij stemming 
verkiezen (tot), bij stemming aan- 
nemen (toestaan, aanwijzen), vote- 
ren; stemmen op of voor; voorstel- 
len; they — d him charming, zij 
verklaarden (vonden) hem char- 
mant; • — ■ down, afstemmen [voor- 
stel]; overstemmen. 

voter ['vouta] stemmer, kiezer. 

voting-paper ['voutir)peipa] stembil- 
jet 0. 

vouch [vautj] getuigen, verklaren; — 
for, instaan voor. 

voucher ['vautja] getuige; bewijs- 
(stuk) o\ declaratie. 

vouchsafe [vautj'seif] zich verwaar- 
digen; verlenen, toestaan. 

vow [vau] gelofte, eed; vt plechtig 



vowel 



321 



walk 



beloven, zweren; verzekcren; (toc)- 

■wijf'.en. 
vowel ['vausl] klinker. 
voyage ['vDiidsl (zee)reis; vi reizen; 

vt bereizen, bevaren. 
voyager ['vDiid33] (2ee)reiziger. 
vulgar ['vAlga] ordinair, gemeen, plat; 

algemeen, gewoon, volks-; the ~', 

het gemeen. 



vulgarian [vAl'gearian] ordinair 

type 0. 
vulgarity [vAl'gasriti] ordinaire o, 

platheid, grofheid. 
vulgarize ['vAlgsraiz] populariseren; 

vulgariseren. 
vulnerable ['vAlnarsbl] kwetsbaar. 
vulture ['vAltJs] gier. 



w 



w C'dAblju:] (de letter) w. 

wad [wDd] prop; pak o\ vulsel o; 

vt watteren; opvullen. 
waddle ['wodl] schommelen, wagge- 

len. 
wade [weid] (door)waden. 
wafer ['weifs] wafeltje o\ ouwel. 
wag [waeg] grappenmaker, schalk, 

spotvogel; schudding; with their 

tails upon the — , kwispelstaartend; 

vt schudden, kwispelen (met); be- 

wegen; ■ — ■ one' s tongue, zijn mondje 

roeren. 
wage [weids] (arbeids)loon o (ook; 

■ — s)\ vt in: — battle, slag leve- 

ren; — war, oorlog voeren. 
wager ['weidsa] weddenschap; lay 

{make) a — , een weddenschap aan- 

gaan, wedden; vt verwedden, wed- 

den om; op het spel zetten. 
waggery ['waegari] grap(pen). 
waggish ['wcegij] schalks, snaaks. 
wag (g) on ['wKgsn] (voermans)wa- 

gen, vrachtwagen; wagon. 
waggoner ['waegans] voerman; 

vrachtrijder. 
wagtail ['wEEgteil] kwikstaartje o. 
waif [weif] onbeheerd goed a, strand- 

goed o\ dakloze, zwerver. 
wail [weil] (wee)klacht, jammer- 

klacht, -gehuil o; geloei o\ vi (wee)- 

klagen, jammeren; loeien [v. sirene]. 
wainscot ['weinsk^t] wagenschot o; 

beschot o; lambrizering; vt lambri- 

zeren. 

Eng. Zakwrdlik. 11 



waist [weist] middel o, taille, Icest. 

waist-belt ['weistbelt] gordel; (gor- 
del)riem; koppel. 

v/aistcoat ['weis(t)kout, 'weskst] 
vest o. 

wait [weit] wachten o\ oponthoud o; 
pauze; • — s, Kerstmismuzikanten; lie 
in — jor, op de loer liggen, loeren 
op; vi wachten, afwachten; bedienen; 
— jor, afwachten, wachten op; 
■ — ■ {u p)o n, bedienen. 

waiter ['welts] wachtendc; kelner; 
stommeknecht; presenteerblad o. 

waiting-room ['weltlrjrum] wachtka- 
mer. 

waitress ['weitris] dienster, serveuse, 
kelnerln. 

waive [weiv] afzien van, laten varen, 
op zij zetten; negeren. 

wake [welk] klelwater o, zog c^ fig 
spoor o\ in the — of, ook: onmld- 
dellljk achter, na, op; vi ontwaken; 
vt wakker maken; fig wakker schud- 
den; wekken. 

wakeful ['weikful] waakzaam, wa- 
kend; wakker; — nights, slapeloze 
nachten. 

wale [well] strlem; vt strlemen. 

Wales [weilz] Wales o. 

walk [w3:k] gang, loop, loopje o, 
wandeling; (voet)pad o, wandelweg, 
-plaats; (levens)wandel; -~ of {in) 
life, werkkring; stand; at a — , 
stapvoets; vi lopen, gaan; wande- 
len; stapvoets lopen of rijden; rond- 

21 



talker 



322 



Avarrant 



nCs 



waren, spoken; — out, inC^aking 
gaan; verkering hebben; ~' out of, 
verlaten (bij wijze van protest); vl 
lopen (op, over, in); (stapvoets) 
laten lopen; bewandelen, betreden. 

walker ['wDiks] voetganger, wande- 
laar, loper; — .', loop rond! 

walking-stick ['wDikirjstik] wandel- 
stok. 

walk-over ['woik'ouva] fig gemakke- 
lijke overwinning. 

wall [w3:l] muur, wand; drive {push) 
to the ■ — •, in het nauw drijven; go 
to the -^j het onderspit delven; vt 
ommuren; — ;' n, ommuren; — // p, 
dichtmetselen; inmetselen. 

wallet ['wDJit] knapzak; (gereed- 
schaps)tasje o; portefeuille. 

Walloon [wD'lu:n] Waal; af Waals. 

wallop ['wsbp] afrossen. 

wallow ['wdIou] zich wentelen. 

wall-paper ['wDiIpeipa] behangsel- 
(papier) o. 

walnut ['wDilnAt] (wal)noot; note- 
hout o. 

waltz [wd:1s] wals; vi walsen. 

wan [wDn] bleek, flets, flauw. 

wand [wond] roede; (tover)staf; 
(dirigeer)stok. 

wander ['wDnds] (rond)2werven, 
dwalen; afdwalen (van, /row); raas- 
kallen, ijlen. 

wanderer ['wandsra] zwerver. 

wane [wein] afnemen; fig tanen. 

want [wDnt] nood, gebrek o, be- 
hoefte, armoede; gemis o\ f o r ■^ 
of, bij gebrek aan; be in — , gebrek 
lijden; be {stand) in ■ — ' of, nodig 
hebben; vt nodig hebben, behoeven, 
moeten; willen, wensen; te kort ko- 
men, mankeren; vi gebrek lijden. 

wanting ['wDntir)] zonder; op... na; 
— one, op een na; be — , ontbre- 
ken, mankeren, weg zijn; in gebre- 
ke blijven; be ■ — ' in, te kort schie- 
ten in; be found — , te licht be- 
vonden worden. 

wanton ['wDntsn] dartel, speels; bal- 
dadig, brooddronken, moedwillig; 



wellustig. 
war [wd:] oorlog; vi oorlog voeren, 

strijden. 
warble ['w3:bl] kwelen, kwinkeleren. 
war-cry ['wDikrai] oorlogskreet, krijgs- 

geschreeuw o; fig krijgsleus, strijd- 

leus. 
ward [wDid] pupil [onder voogdij]; 

(stads)wijk; zaal, afdeling [in zie- 

kenhuis]; vt — {off) afwenden, pa- 

reren. 
warden ['w3:dn] opziener; hoofd o. 
warder ['wDida] cipier. 
wardrobe ['wDidroub] kleerkast; gar- 

derobe. 
ware [wea] waar, (steen)goed o, aai- 

dewerk o; waren. 
warehouse ['weahaus] pakhuis o; 

magazijn o. 
warfare E'wDifea] strijd; oorlog; oor- 

logvoering. 
warily ['wesrili] om-, voorzichtig, 

behoedzaam. 
warlike ['w3:laik] krijgshaftig, oor- 

logszuchtig; oorlogs-. 
warm [w3:m] warm, vurig, heet; ver- 

hit; welgesteld, rijk; vt (ver)war- 

men; opwarmen; vi warm worden 

{fig_ ook: ~ up). 
warming ['wDimirj] verwarming. 
warmth [wD:m6] warmte. 
warn [w3:n] waarschuwen; ver%\'itti- 

gen. 
warning ['wDrnig] waarschuwing; op- 

zegging [v. dienst] ; verwittiging, 

aankondiging; give {a month's) — , 

(met een maand) de dienst (de 

huur) opzeggen. 
warp [wD:p] kromtrekken; fig een 

verkeerde richting geven aan, ver- 

draaien; scheren [op weefgetouw]; 

■-^ and weft, -^ and woof, sobe- 
ring en inslag. 
warrant ['wDrant] volmacht, machti- 

ging; ceel; bevelschrift o; bevel o 

tot inhechtenisneming; aanstelling; 

rechtvaardiging; waarborg, garantie; 

vt machtigen; rechtvaardigen; waar- 

borgen, garanderen, instaan voor. 



warren 



323 



wave 



warren ['w3rin] konijnenpark o. 
warring ['wDirir]] strijdend; (tegen)- 
warrior ['woria] krijgsman. [strijdig. 
wart [wD:t] wrat. 
wary [Vesri] omzichtig, voorzichtig, 

behoedzaam; be — oj, zich wel 

wachten te... 
was [w3z, W3z] V.T. van be, was. 
wash [wdJ] was; wassing, spoeling, 

spoelsel o\ water! tje) o; kielwater 

o; golfslag; vt wassen; spoelen; be- 

spoelen; ■ — ' ashore, aan land 

spoelen; — up, afwassen; aanspoe- 

len; vi zich wassen; wasecht zijn. 
wash-basin ['wDjbeisn] waskom; 

jitted — , vaste wastafel. 
washerwoman ['wojawumsn] was- 

vrouw. 
wash-hand basin ['wDjhaendbeisn] 

waskom, (muur)fonteintje o. 
washing-tub ['wDjirjtAb] wastobbe. 
wash-stand ['wDjstsnd] wastafel. 
washy ['wDji] waterig, slap; flets. 
wasp [wDsp] wesp. 
wastage ['weistid3] verspilling, ver- 

bruik o, slijtage; afval o & m. 
waste [weist] verwoesting; verspilling; 

verkwisting; vermindering, slijtage, 

verbruik o\ afval o & w; wildernis; 

woestenij; a] woest; onbebouwd; on- 

gebruikt; afval-; lay — ■, verwoesten; 

lie — , braak liggen; vt verwoesten; 

verspillen; verknoeien; verslijten, 

verbruiken; vi (weg)kwijnen, uit- 

teren. 
waste-book ['weistbuk] kladboek o; 

memoriaal o. 
wasteful E'weistful] verkwistend. 
waste paper ['weist'peipa] scheurpa- 

pier o, oud papier o. 
waste-paper basket [weist'peipsbais- 

kit] prullenmand, papiermand. 
watch [watj] waken o, wacht; horlo- 

ge o; vi waken; wacht doen; vt be- 

waken; letten op, toekijken, gade- 

slaan; naogen, volgen. 
watch-case ['wDtJkeis] horlogekast. 
watcher ['wDtJa] (be)waker; bespie- 

der; waarnemer. 



watchful ['wst^ful] waakzaam, waaks; 
be — of, een wakend oog houden 
op, waken over. 

watchmaker ['wDtJmeika] horlogema- 
ker. 

watchman ['wDtJmsn] (nacht)waker. 

watchword ['wDtJwaid] wachtwoord o. 

water ['wDita] water o\ ^~-s, water o, 
wateren; ook: baden; hold ^^ , wa- 
ter bevatten; (water) dicht zijn; jig 
steek houden; by — , te water, over 
zee; be f o r all —-s, van alle mark- 
ten thuis zijn; vt van water voor- 
zien; besproeien [v. rivier]; aan- 
lengen met water; begieten; drcn- 
ken [paarden &]; fig verwateren; 
vi wateren, tranen; my mouth ■ — s, 
ik watertand (al). 

water-bottle ['wD:t3b3tl] karaf; veld- 
fles. 

water-colour ['woitakAb] waterverf- 
(schilderij); in — s, in waterverf. 

waterfall ['wDitafjil] waterval. 

watering-can ['wDitsrirjksen] gieter. 

watering-place ['w3:t3rir]pleis] wed 
o; badplaats. 

watering-pot ['wDitsrirjpDt] gieter. 

water-level ['wDitalevl] waterstand; 
waterpas o. 

waterlogged ['wDitabgd] vol water; 
met water doortrokken. 

watermark ['w3;t3ma:k] watermerk o\ 
waterpeil o; waterlijn. 

waterproof ['w3:t3pru:f] waterdichte 
jas of mantel; aj waterdicht. 

waterspout ['w3:t3spaut] waterspuier; 
waterhoos. 

water-supply ['wD:t3S3plai] wateraan- 
voer; watervoorziening. 

watertight ['w3:t3tait] waterdicht. 

waterway ['wD:t3wei] waterweg. 

waterworks ['wD:t3W3:ks] waterlei- 
ding; waterwerken. 

watery ['wDitari] waterig, waterach- 
tig, water-; regenachtig, regen-; tra- 
nend, vochtig [oog]; a — grave, 
een graf in de golven. 

wave [weiv] golf; wuivende handbe- 
ging, gewuif o\ vt (doen) golven, 



wave-length 



324 



weary 



wapperen; wateren, moireren [stof- 
fen]; zwaaien, wuiven (met); toe- 
wuiven; — aside, een wenk geven 
om op zij te gaan; fig op zij schui- 
ven, afwijzen. 

wave-length ['weivlerjB] golflengte. 

waver ['weiva] onvast zijn; waggelen; 
wankelen, weifelen, aarzelen; flak- 
keren [v. licht]. 

wavering ['weivarir)] wankeUbaar), 
weifelend, wankelmoedig. 

wavy ['weivi] golvend, gegolfd. 

wax [wjeks] was; lak o & m\ in a 
{terrible) — , (erg) nijdig, razend; 
aj wassen; vt met was bestrijken; 
— ed end, pikdraad o &l m [stof- 
naam], pikdraad w? [voorv/erps- 
naam]; vi wassen, toenemen; wor- 
den. 

wax-cloth ['waekskbO] wasdoek o & 
tn\ vloerzeil o. 

waxen ['wsksn] van was, wassen, 
was-; wasgeel. 

wax-light ['waekslait] waslicht o. 

waxworks ['w£eksw3:ks] wassenbeel- 
den. 

waxy [Vaeksi] wasachtig; woedeni. 

way [wei] weg; baan; eind (weegs) 
o, afstand; vaart; richting, kant; 
manier, wijze; handelwijze, gewoon- 
te; ^^ in, ingang; ■ — ■ out, uitgang; 
jig uitweg; it is the other ■ — • about 
{round), het is net andersom; that 
— , die kant uit; aan die kant; op 
die manier, zo; get {have, be al- 
loived) one's {own) — , zijn zin 
krijgen; give — , op zij gaan; wij- 
ken, zwichten (voor, to), toegeven; 
bezwijken (onder, under); make ■ — ', 
vooruitkomen, vorderen; plaats ma- 
ken (voor, for); make one's — , zich 
begeven, gaan; jig zijn weg vinden; 
/ don't see my — to..., ik weet 
niet hoe..., ik kan niet...; by — 
oj, bij wijze van; via, over; by 
_ the — , onderweg; wat ik zeggen 
wil(de); tussen twee haakjes; by 
a great {long) — , verreweg; in a 
— , in zekere zin, in zeker opzicht, 



be in a bad '~, er slecht aan toe 
zijn, slecht staan; in a general — , 
in het algemeen; in a large — , in 
het groot; in a small — , in het 
klein, op kleine schaal; {in) no ■ — , 
op generlei wijze, hoegenaamd niet; 
out oj the ■ — ■, uit c'e v/eg; weg, 
absent; afgelegen; vergezocht; go 
out oj one's — to..., zich (veel) 
moeite getroosten om..., zich uitslo- 
ven om; het er op aanleggen om; 
over the — , aan de overkant, 
hier(tegen)over; under — , aan 
de gang, op gang; begonnen; in 
beweging; onder zeil. 

wayfarer ['weifssra] zwerver, (voet)- 
reiziger. 

waylay [wei'lei] belagen, opwachten 
[om te overvallen]. 

wayward ['v/eiwad] eigenzinnig, 
dwars, griilig. 

we [wi:] wij. 

weak [wi:k] zwak, slap, flauw. 

weaken ['wi:kn] verzwakken. 

weakling ['wi:klir)] zwakkeling. 

weakly ['wi:kli] zwak, ziekelijk. 

weak-minded ['wi.k'maindid] zwak- 
hoofdig; zwakzinnig. 

weakness ['wi:knis] zwakheid; zv/ak- 
te, zwak o. 

weal [wi:l] welzijn o, geluk o. 

wealth [welO] rijkdom, weelde, schat, 
overvloed. 

wealthy ['welGi] rijk. 

wean [v/i:n] spenen; — jroin, ook: 
vervreemden van, afwennen; aftrog- 
gelen. 

weapon ['wepsn] wapen o. 

wear [wea] gebruik o\ dracht, kle- 
ren; soliditeit; slijtage; — and tear, 
slijtage; vt dragen; (ver)slijten; vi 
zich laten dragen; zich (goed) iiou- 
den [in 't gebruik]. 

wearisome ['wiarissm] vermoeiend; 
moeizaam; afmattend, vervelend. 

weary ['wisri] moe(de); vermoeiend, 
moeizaam; vervelend; vt vermoei- 
en, afmatten; vervelen; vi moe wcu- 
den. 



weasel 



325 



well-wisher 



weasel ['wi.zl] wezel. 

weather ['weSs] we(d)er o; vt aan 

de lucht blootstellen; jig te boven 

komen, doorstaan [storm &]. 
weather-beaten ['weSsbiitn] verweerd. 
weathercock ['weSakok] weerhaan. 
weather conditions ['weSakandiJsnz] 

weersgesteldheid. 
weathered ['weSsd] verweerd. 
weather forecast ['weSafDikaist] weer- 

bericht o, weersverwachting. 
weather-glass ['weSaglais] weerglas o; 

barometer. 
weather-proof ['we33pru:f] regenjas; 

a] tegen het weer bestand. 
■weather-vane ['weSovein] windwijzer. 
weave [wi:v] weven. 
weaver ['wiiva] wever. 
web [web] web o\ weefsel o; 

(zwem)vlies o\ vlag [v. veer]. 
web-footed ['webfutid] met zwem- 

poten. 
wed [wed] trouwen, huwen (met); 

jig paren (aan, to). 
wedding ['wedir)] huwelijk o\ brui- 

loft. 
wedding-ring ['wedigrirj] trouwring. 
wedge [weds] '^is; punt [v. taart]; 

sleehak [v. schoen] ; the thin end 

oj the — , jig de eerste stap, het 

begin; vt een wig slaan in; — in, 

indringen, inscliuiven. 
wedlock ['wedbk] huwelijk o. 
Wednesday ['wenzdi] woensdag. 
wee [wi:] klein. 
weed [wi:d] onkruid o (ook: ■ — s)\ 

tabak, sigaar; ill ■ — s grow apace, 

onkruid vergaat niet; /'/ wieden, 

uitroeien. 
weedy ['wi:di] vol onkruid; jig op- 

geschoten; miezerig; niet flink. 
week [wi:k] week. 
weekly ['wi:kli] weekblad o; aj we- 

kelijks, week-. 
weep [wi:p] wenen; druppels afschei- 

den, tranen; bewenen, betreuren. 
weeping willow ['wi:pir)'wilou] treur- 

wilg. 
weevil ['wi:v(i)l] korenworm. 



weigh [wei] wegen, overwegen; lich- 

ten [het anker] ; gewicht in de 

schaal leggen; • — • (heavy) upon, 

(zwaar) drukken op. 
weigh (ing) -house ['wei(ir))haus] 

waag. 
weight [weit] gewicht o\ belasting; 

last, druk; — s and measures, maten 

en gewichten; putting the — , kogel- 

stoten o\vt bezwaren, belasten. 
weighty ['weiti] zwaarwegend; zwaar, 

gewichtig. 
weir [wia] (vis)weer; stuwdam. 
weird [wiad] onheilspellend; spook- 

achtig; eng; vreemd. 
welcome ['welksm] welkom o, wel- 

komst; ontvangst; bid one ■ — ■, 

iemand welkom heten; aj welkom; 

verheugend; you are — to it, het 

is je gegund, het is tot je dienst; 

I'll do it jor you and '--, ik wil 

het graag voor u doen; vt verwel- 

komen, welkom heten; toejuichen 

[besluit]. 
weld [weld] wellen, lassen, aaneen- 

smeden. 
welfare ['welfea] welzijn o; '— 

{ivork), welzijnverzorging, zorg. 
well [wel] wel, put, bron(wel); wel- 

(zijn; o; aj wel, (goed) gezond; 

goed; as — , even goed; eveneens, 

ook; vi (op) wellen, ontspringen 

(ook -^ jorth, up, out). 
well-being ['wel'biiir]] welzijn o. 
well-beloved ['welbi'Uvd] (teer)- 

bemind, dierbaar. 
well-bred ['wel'bred] welopgevoed, 

beschaafd. 
well-informed ['welin'f^imd] goed 

ingelicht, goed op de hoogte. 
well-meaning ['wel'miinirj] wel- 

menend. 
well-nigh ['welnai] bijna, nagenoeg. 
well-off ['wel'Dif] welgesteld. 
well-spoken ['wel'spoukn] welbe- 

spraakt. 
well-to-do ['welts'du:] welgesteld. 
well-wisher ['wel'wijs] begunstiger, 

vriend. 



Welsh 



326 



whilst 



Welsh [welj] van Wales. 
Welshman ['weljman] inwoner van 

Wales. 
welter ['welta] verwarring, chaos; vj 

zich wentelen; rollen. 
wench [wenj] meisje o; deern. 
went [went] V.T. v. go. 
wept [wept] V.T. & V.D. v. ti'eep. 
were [ws:] V.T. v. be: waren, ware. 

was. 
west [west] westen o; aj westelijk, 

wester-, west-; go — , naar de blik- 

sem gaan. 
westerly ['westali] westelijk, westen-. 
western ['westan] wild-westfilm, 

wild-westverhaal o; aj westelijk, 

westers. 
Westerner ['westans] westerling. 
wet [wet] nat o, nattigheid, vocht o 

& V, vochtigheid; neerslag, regen; aj 

nat, vochtig; regenachtig, regen-; vl 

nat maken, bevochtigen. 
wether ['weOa] hamel. 
wet-nurse ['wetn3:s] min. 
wetting ['wetirj] bevochtiging; a ■—, 

een nat pak o. 
whack [wask] mep, (harde) slag; p! 

(af)ranselen. 
whacking ['wskii)] rammeling, pak 

slaag o; aj flink, kolossaal. 
whale [weil] walvis. 
whalebone ['weilboun] balein o. 
whaler ['weib] walvisvaarder. 
whaling ['weilirj] walvisvangst. 
wharf [wD:f] aanlegplaats, steiger; 

kaai. 
what [wDt] wat, dat wat, hetgeen; 

wat voor (een); — between {with) 

... and..., deels door..., dcels door... 
whatever [wD'teva] wat (...toch); 

wat ook, al wat; there is no doubt 

— , hoegenaamd geen twijfel. 
wheat [wi:t] tarwe. 
wheaten ['wi:tn] tarwe-. 
wheedle ['wi:dl] flikflooien, vleien. 
wheel [wi:l] wiel o, rad o\ stuur(rad) 

o\ spinnewiel o; rijwiel o\ turn -~j', 

rad slaan; vt (per as) vervoeren, 

kruien, (voort)rollen; vi draaien. 



zwenken; rijden. 
wheelbarrow ['wi:lbaerou] kruiwagen. 
wheel-work ['wi:lw3;k] raderw'erk o. 
wheelwright ['wi:lrait] wagenmaker. 
wheeze [wi:z] hijgen, snuiven. 
wheezy ['wi:zi] kortademig, aambor- 

stig. 
whelp [welp] welp. 
when [wen] wanneer, als, toen; en 

toen, waarop; terw'ijl [bij tegenstel- 

ling]. 
whence [wens] vanwaar; waaruit. 
whenever [we'neva] wanneer ook; 

telkens wanneer. 
where [wea] waar; waarheen. 
whereabout(s) ['wEsra'bautCs)] waar- 

omtrent; waar; verblijfplaats. 
whereas [wf.a'rasz] terv.'ijl (daarente- 

gen); nademaal, aangezien. 
whereat [wea'rst] waarover, waarop. 
whereby [wSa'bai] waarbij, waardoor. 
wherefore [VealD:] waarom. 
wherein [wea'rin] waarin. 
whereof [wEa'rDv] waarvan. 
wherever [wea'reva] waar ook, overal 

waar. 
wherry ['weri] roeischuitje o. 
whet [wet] wetten, slijpen, scherpen; 

fig prikkelen [eetlust]. 
whether ['we93] of. 
whetstone ['wetstoun] wet-, slijpsteen. 
which [witj] welk(e), wie; die, dat, 

wat. 
whichever [wi'tjevs], whichsoever 

[witjou'eva] welke (wie, welk, 

wat) ook. 
whiff [wif] ademtocht, zuchtje o, 

vleugje o\ wolkje o\ haal, trekje o 

[aan sigaar of pijp]. 
whig [wig] Whig, liberaal. 
while [wail] terwijl, zo lang (als); 

hoewel; wijl, poos, tijd, tijdje o; the 

— , ondertussen, inmiddels, zo lang; 

terwijl; all the ■~~ , al die tijd; 

between — s, een enkele maal, 

zo nu en dan; /' n a little ■ — •, bin- 

nenkort; vt -^ away the time, de 

tijd verdrijven. 
whilst [wailst] terwijl. 



whim 



327 



whose 



whim [wim] gril, kuur, inval. 
whimper ['wimps] drenzen, dreinen. 
whimsical ['wimziki] grillig. 
whimsy ['wimzi] gril, kuur. 
whine [wain] temen, janken, jamme- 

ren. 
whinny [Vini] hinniken. 
whip [wip] zweep; koetsier; vt zwe- 

pen, er van langs geven; kloppen 

[eieren]; wippen; • — ped cream, 

slagroom; -^ off one's coat, uit- 

gooien; — on one's coat, zijn jas 

aanschieten. 
whipping ['wipirj] zwepen o; pak o 

slaag. 
whipping-top ['wipirjtDp] drijftol. 
whirl [w9:l] ge(d)warrel o\ jig maal- 

stroom; my head is it2 a ■ — ■, alles 

draait mij voor de ogen; vt & vi 

snel (rond)draaien, snorren, (doen) 

(d)warrelen. 
whirligig ['w3:ligig] draaitol; draai- 

molen; draaikever. 
whirlpool ['w3:lpu;l] draaikolk, 

maalstroom. 
whirlwind ['w9:lwind] dwarrelwind. 
whirr [wa:] snorren, gonzen. 
whisk [wisk] borstel; stoffer; bosje 

o (stro); room-, eierklopper; veeg, 

slag; vt vegen, afborstelen, stoffen; 

wippen; kloppen, klutsen [eieren]. 
whisker(s) ['wisk3(z)] bakkebaar- 

d(en); snor [bij dieren]. 
whisk(e)y ['wiski] whisky. 
whisper ['wispa] gefluister o\ in a 

— , in — s, fluisterend; vt (in-, 

toe)fluisteren. 
whist [wist] whist o. 
whistle ['wisl] gefluit o; fluit, fluit- 

je o\ vi fluiten. 
whit [wit] every ■ — ■, alleszins, op en 

top; no ■ — ■, not a -■~, never a — , 

geen ziertje. 
white [wait] wit o, blanke; a] wit, 

blank; (doods)bleek; grijs [v. 

haar]; jig rein; — bear, ijsbeer; ^- 

jrost, rijp; a ~' lie, een leugentje 

om bestwil. 
white lead ['wait'led] loodwit o. 



whiten ['waitn] wit maken (worden), 

bleken. 
whitewash ['waitwDj] witkalk; vt 

witten; jig schoonwa-ssen, van blaam 

zuiveren, rehabiliteren; vergoelijken. 
whither ['wiSa] waar(heen). 
Whit Monday ['wit'mAndi] Pinkster- 

maandag. 
Whitsun ['witsn] Pinksteren; pink- 

ster-. 
Whitsunday ['wit'sAndi] Pinkster- 

zondag. 
Whitsuntide ['witsntaid] Pinksteren. 
whiz(z) [wiz] sissen, snorren, fluiten. 
who [hu:, hu] wie; die. 
whoever [hu/eva] wie ook, al wie. 
whole [houl] geheel o; as a ■ — ■, in 

zijn geheel; (tip) on the — , over 

het geheel (genomen); in het alge- 

meen; aj (ge)heel; gaaf; gezond 

(en wel); — ■ meal, ongebuild meel 

o\ — milk, voile melk. 
whole-hearted ['houl'haitid] hartelijk, 

van ganser harte, met hart en ziel; 

onverdeeld, onvermengd. 
whole-meal bread ['houlmi:lbred] 

volkorenbrood o. 
wholesale ['houlseil] in het groot; 

//^ op grote schaal; — dealer, groot- 

handelaar, grossier. 
wholesaler ['houlseib] groothande- 

laar, grossier. 
wholesome ['houlsam] gezond, heil- 

zaam. 
wholly ['houl(l)i] geheel, gans, to- 

taal, volkomen, zeer. 
whom [hu:m] wie(n), die(n). 
whomsoever [hu:msou'eva] (aan) wie 

ook. 
whoop [hu:p] geroep o, geschreeuw 

o. 
whooping-cough ['huipirjkof] kink- 

hoest. 
whop [wDp] (af)ranselen, slaan. 
whopper ['wDpa] kokkerd, kanjer. 
whopping ['wDpir)] rammeling; aj ko- 

lossaal, reuze-; deksels. 
whose [hu:z] wiens, welks, welker, 

wier. 



whosoever 



328 



'ind 



whosoever [huisou'eva] al wie, wie 

ook. 
why [wai] wel, welnu!; waarom; 

that's — , daarom.