(navigation image)
Home American Libraries | Canadian Libraries | Universal Library | Community Texts | Project Gutenberg | Children's Library | Biodiversity Heritage Library | Additional Collections
Search: Advanced Search
Anonymous User (login or join us)
Upload
See other formats

Full text of "Nieuw maleisch-nederlandsch zakwoordenboek, ten behoeve van hen, die het maleisch met latijnsch karakter beoefenen"

Mm 



■^:^mS 



■'■^-<"i 



>* .' 



-'g( ■■■• 

mf ••■■■ 



§m. 



I'S'"- ^ \ ■' 







"■< ■',?■;.';;?•< 



• vVt> 



1^4- 



, r. '";-•; 



,,-'■ y.>X' 



:^l 






0^.'C.- 



■3Y;t^r^^'% 



-^Vi^t 



•v"-ï:i^i€ 



■"v?¥-C 






^^-'.■;;^ 



;r^^^:i:- 



■'^t.--^ 



%"# 






ïfil 



V.;^K^.^ 









w^^^^mB-' 



i-^^^X^--''^'W^7^^ 



C/ 



^ym 



.^s 



Éli^- 



^^?^ y' 






?>^-- 



,^'>^ 






' ■:■■' '.Ji\ 















-■r^.'' -. .•v'*''i 






m^r. 



;■•■ ■■■■■•■ ■.'■•'%f 










ï ' '.'1- 


'4 ;♦•"- --'■',,■' 


f ,. i* 




ll..-:' 


^''^WSfc 


-',. '•:'i_'^ ' ^ 


"^ ^^ >S^i^^*hiy' 


^J^':- ' 


--■,1/-;*"" ■ '" ':.• 






'5^- 'V !«-:-'' 


' y r, ' ' ■ 


«"■/;; 












^gpg:::,.;^^i:i. 






•:3?|4|- 



;^;^^:Bff4;ïï^{'jf| 









NlEiXJ"W 

MALEISCH-NEDERLAND8CH 

ZAKWOORDENBOEK. 



TEN BEHOEVE VAN HEN, 

DIE HET MALEISCH MET LATIJNSCH KARAKTER 

BEOEFENEN, 

DOOK 



Hè^Ci^KLINKERT. 



3e Verbeterde en Termeerderde druk. 



LEIDEN, 

E. J. BRILL. 



BATAVU, 

G. KOLPF en C°. 



1910. 



BOEKDRÜKKERIJ roorheen E. J. BRILL. — LEtDEN. 






^\1X' 



VOORBERICHT. 



Een tweede, veel vermeerderde en verbeterde uitgave van 
ons Maleisch-Nederlandsch Zakwoordenboek bieden wij hier het 
belangstellend publiek aan. Wat wij in het voorbericht voor 
den eersten druk daarvan zeiden, geldt nog meer van dezen 
tweeden, namelijk, dat wij getracht hebben zooveel mogelijk 
een volledig werk te leveren, 't Is daarom, dat wij ook enkele 
woorden uit het Maleisch van Mënangkabau, Palembang en 
Malaka, ja zelfs javaansche hebben opgenomen, voor zooverre 
wij dit voor de gebruikers noodig oordeelden. Ook woorden, 
door ons in maleische handschriften gevonden en waarvan de 
beteekenis ons onbekend is gebleven, namen wij, van een vraag- 
teeken voorzien, op, hopende, dat anderen gelukkiger zullen 
zijn dan wij in het bepalen der beteekenis dier woorden. De 
transscriptie is in deze uitgave dezelfde als in de eerste. 

Nogmaals raden wij ieder, die naar Indië gaat of zich daar 
bevindt, en zich in het Maleisch wil oefenen, aan, onze Bloem- 
lezing uit de maleische geschriften, of Kitah Boenga-rampai 
met latijnsch karakter, 2e druk, verschenen in 1899 bij den 
uitgever dezes, 'met behulp van dit Zakwoordenboek te ver- 
talen en wij twijfelen er niet aan, of, dusdoende, zal men zich 
een schat van degelijke kennis vergaren. 

Ook ter verklaring van mijne Vertaling van de | Heilige 
Schrift in het Maleisch, uitgegeven met latijnsch karakter, kan 
het met vrucht gebruikt worden. 



Een lijstje voor onze transseriptie van het Maleisch met 
arabisch karakter gaat hierbij. Wat de beteekenis der verkor- 
tingen betreft, voornamelijk ten behoeve van hen, die de taal 
meer wetenschappelijk beoefenen, verwijzen wij naar de opgave 
daarvan, voorkomende in ons Nieuw Mal. Nederl. Woordenboek 
met arabisch karakter, 2^ verbeterde en vermeerderde druk, 
uitgegeven te Leiden bij de firma E. J. Brill 1902. 

Hopende, dat ook deze tweede druk een gunstig onthaal 
moge vinden en rijke vruchten dragen, zenden wij hem de 
wereld in. 

Leiden, 18 April 1910. H. C. KLINKERT. ^ 



BERICHT 

VOOR DEN GEBRUIKER. 



De Arabische letters zijn in dit werk als volgt getransscribeerd ; 



I met a, e, 'ê, i, o of oe. 



^ 


» 


d. 


o 


» 


^. 


vi> 


» 


^*. 


S 


» 


rfi. 


S 


» 


th 


Z 


» 


h 


t 


" 


ch. 


o 


» 


d. 


3 


» 


dz. 


^ 


» 


r. 


; 


« 


z. 


LT 


» 


s. 


lA 


» 


^j' 


K^ 


» 


f^ 


U=ö 


» 


dl 


Jj 


» 


h 



^ met /. 



£ » 


a, ë, i, of oë. 


t " 


^^. 


£ » 


ng. 


i-j .. 


/. 


«J ., 


;>. 


ÜS '• 


i^. 


v5 „ 


>{:. 


cT „ 


ff' 


J » 


l. 


r » 


m. 


o " 


n. 


3 » 


iö, 0, oe of ö«. 


» » 


A. 


13 ^ 


ƒ, «, tf of aj. 


U " 


n;'- 


* ,> 


* of ♦♦ b»v» sa*ordHff, ka^saaü. 



Voor de verkortingen zie méii de Voorrede van tnijn NieilW 
Nederlandsch-Maleisch Woordenboek. 



fi, C. K. 



NIEUW 
MALBISCH-NEDERLANDSOH 

ZAKWOORDENBOEK. 



aala, Arab. hoog. 

aalara, Arab. kundig, best wetend; tca 
Allah aalam, en God weet het 'tbest; 
wa Allah aalam bissawdb^ en God weet 
het best de waarheid er van. 

aaxu» Arab. algemeen, segala orangjang 
öanty het publiek ; chdf dan aam, lieden 
van rang en gewone lieden. 

aardf, Arab. de limbas, een denkbeeldige 
plaats tusschen hemel en hel, aange- 
wezen als verblijfplaats voor de braven 
onder de niet islamieten. 

aarÜat, Arab. iets wat geleend of ge- 
borgd is; iftoekom aarijat, wet op de 
schuldvorderingen. 

ab, tinnen bus met deksel, dat er geheel 
overheen gaat, om opium in te bewaren. 

abad, Arab. eeuwigheid, wat zonder einde 
is; pada abad int, in deze eeuw, zie 
abid; abadoe *labadtnay in alle eeuwig- 
heid, van eeuwigheid tot eeuwigheid. 

abad» Arab. verwijderd. 

abadi, Arab. eeuwig in de toekomst. 

abadiJat, Arab. eeuwigheid in het toe- 
komende. 

abah, richting v. iets, dat zich voortbe- 
weegt, b.v. een leger; mïngabah, een 
richting geven naar, ergens heen diri- 
geeren. 

abah-abah, Jav. tuig, gereedschap; 
abah-abah kapal, scheepstnig ; abah-abah 
koeda, paardetoig; wünghKikan abah- 
abah, optuigen ; dbah-abah tinoen, weef- 
getouw. 

abaltnana, de beide openingen des 
Kchaams, welke men bedekt. 



abans, oudere broeder of zuster; ook 
aanspraakswoord voor oudere onbeken- 
den; a. sapoepoe, volle neef; a. doewa 
poepoe, achterneef; mtngabangkan, 
iemand met abang toespreken. 

abanff, Jav. rood ; balerang abang, roode 
zwavel, zwavelarsenik ; abang moeda, 
licht rood; abang toewa, donkerrood. 

abantara, heraut, ordonnans. Ook. ban' 
tara, zie ald. Skr. awatllra. 

abar; méngabar, iets., b.v. een vaartuig, 
in zijn vaart belemmeren. 

abaTvi» Arab. vaderlijk. 

abdi, Arab. abd, dienaar, slaaf. Komt in 
veel eigenn. voor, zooals AbdotiUah enz. 

ab^jad, Arab. het alphabet; dhtgan 
péngatoeran abdjad, alphabetisch. 

abi, Arab. mèngabikan, minachtend wei- 
geren, verachten; b.v. ombajp di-abikan- 
nja, de golven verachtte hij; ph-minta- 
ankoe di-abikannja, hij wees minachtend 
mijn verzoek af. 

abid, Arab. eeuwig in de toekomst; 
abidoe Habid, eeuwig en altoos. 

abid, Arab. godsdienstig, vroom, goed. 

abidl, Arab. wit. 

abilab, Perz. kinderpokken. Zie katoem" 
boehan en tjaijar, 

abis, zie habis, 

abloer, ook habloer, Perz. baloer, berg- 
kristal. , 

abnoes» Arab. ebbenhout. 

aboe, ook haboe, asch, stof; oéldr aboe, 
e.8. V. vergiftige slang; (émpat ahoe^ het 
kuiltje op een tjongka^-horÓ., wsarrin men 
de uitgespeelde pitjes doet; aboe-aboe^ 
aschgrauw, Mën. a, kajoe, houtpoeder; 
a. dijan, snuitsel v. e. kaan*. Zie aboe^. 



aboe — adat. 



aboe, Arab. vader; aboe AH, de vader van 
AH; aboe' lltajat, vader des levens, d. i. 
de regen. 

aboek, stof in graan enz. molm; aboel^ 
gïrgadji, zaagsel. 

aboen, Mën. bak met driehoekige bordjes 
voor confituren, koekjes enz. Zie aboe- 
wan. 

aboer; Tmngaboer^ verkwisten; orang 
aboeran\ verkwister. 

aboes, breuk,ioz.onderdeel van een munt ; 
denkbeeldig tiende gedeelte van een timah 
oikepeng, waarvan 10 = één duit. 

aboewan, een volledig stel van iets; 
ook: deel, gedeelte, Cr. en Sw. aandeel, 
dat iem. van de padi toekomt. Men. 

aboewi» Chineesch hoofd v. e. plaats of 
gewest. 

abrak, Arab. mica, mariaglas, mosko- 
visch glas. 

abraf, Arab. melaatsch. 

aohérat, Arab. het toekomende leven ; 
doenija achératy in dit en het volgende 
leven, hier en hier namaals, tijd en 
eeuwigheid. 

achidz, Arab. ontvanger, overnemer. 

aohir, Arab. laatste, einde; achirnja, 
ten slotte; pada achir zamdn, in het 
laatst der tijden ; nafai achir ^ de laatste 
ademtocht; achir iahoen^ het einde des 
jaars; achir- achirnja, eindelijk en ten 
laatste; Ha achirihi, tot het einde, en 
zoo voorts; m^ngachiry achteraan ko- 
men, te laat komen, nvèngachirkan, de 
laatste doen zijn, achteraan stellen. 

ada, zijn, aanwezig zijn, zich bevinden, 
bestaan, aanzijn; adalah, soms = ada- 
pon, wat betreft; daripada tij ada ka- 
pada ada, uit het niet tot aanzijn ge- 
komen ; ada .... ada, of ada jang .... 
ada jang, er waren er .... er waren er 

ook, die . . . ., sommigen anderen 

....; adakah, kan het zijn? adaada- 
njakah,]ïOG is het mogelijk ! méngadakan, 
doen zijn, in het aanwezen roepen, tot 
stand brengen; kaadadn, het wezen, 
bestaan, de gesteldheid, toedracht der 
zank, zelfstandigheid, toestand, ook Itdl 
kaadadn; adanja, zoo is het, punctum; 
mlngada-ada, gekheid maken, met aller- 
lei zdtte dingen voor den dag komen; 
kaadaan, soms ook : bestaande in ; sa* ada, 
zooveel als er is of zijn ; barang sa' ada, 
zooveel als er is ;#aW««;a, alles, allen, 
zooals het is« 

adab, Arab* beschaafdheid, beschaafde 



manieren, goede verstandhouding ; bali^ 
adab, lomp worden; ba'ik bersUeroe d'é- 
ngan orang adab daripada b^r^ahdbat 
dengan orang kasar, bevriend te zijn 
met een onbeschaafd persoon is erger 
dan in vijandschap te leven met een 
beschaafd persoon, Sprw. Zie biadab. 

adak, zie terada};. . 

adam, de eerste mensch; ook mensche- 
lijk; analp adam en bani adam, men- 
schenkinderen ; badan adam, menschelijk 
lichaam. 

addmat =s alaxnat» zie ald. 

adan, Arab. Eden. 

adang, I. mengadang, in hinderlaag 
liggen, op weg afwachten van iemand, 
of een vaartuig, wachtend opletten; 
pengadang, plaats waar men opwacht, 
hinderlaag; ook roover in een bosch 
of op den weg; II. adang-adang, bij- 
wijlen, soms, nu en dan. Ook kadang 
en terkadang. Zie ald. ; III. mengadang- 
adang, rijst op een wan heen en weer 
schudden, om de groota korrels van het 
gruis af te zonderen; IV. Mën. oudere 
zuster van moeder; hiervan mogelijk 
dang in dang Mêrdoe en and. vrouwen- 
namen. 

adap, zie hadap. 

adapon, wat betreft, wijders, voorts. 

adas, Arab. linzen. 

adas, venkel, ook adas pMas; adas 
manis, anijs; minja]p adas, venkel-olie, 
anijs-olie ; bidji adas, venkelzaad, anijs- 
zaad. 

adat, Arab. gewoonte, gebruik; wet en 
recht op gewoonte gegrond; voorvader- 
lijke instellingen ; adat, ook het is de 
gewoonte; adatlah, id. loewar adat en 
salah pada adat, in strijd met het ge- 
bruik of de gewoonte; p^gang Mat, 
zich aan de gewoonte of het gebruik 
houden ; masa adat, de tijd toen de 
adat nog geldig was; kapada adat, 
zooals gewoonlijk; orang beradat, de 
gewone lui ; radja blêradat, de Vorst die 
plechtig audiëntie verleent ; t(èmpat jang 
blêradat pada salamanja bagainja, de 
plaats die gewoonlijk voor haar bestemd 
was; mêngadatkan, tot gewoonte maken ; 
mengadatkan isüadat, de gewoonten 
kracht van wet geven. Ook van leven- 
looze zaken, b.v adat doenija, de ge- 
woonte der wereld, 's werelds loop ; adat 
ajar masin, het eigenaardige van het 
zoute water; adat ph'b^èhasaan, het 



addTvat — adjoef* 



3 



spraakgebruik; adat 2}oesaka, erfelijke 
gewoonte; adat negariy landsgebruik, 
landswijs. In de Pad. bov. 1. onderscheidt 
men de adat in drie soorten, nam. adat 
sabenar-b(ènai\ dat is die, welke met den 
Koran overeenkomt, adat jang kawi of 
jang ter adat of jang ttrpakai, uit den 
grijzen voortijd, en eindelijk adat moed- 
faïpat of isiiadat, het gebruik bij overeen- 
komst; koerang adat, onbeschoft; adat 
Ijèmbaga^ geijkte gewoonte; mManggar 
adat, de gewoonten overtreden, schen- 
den ; membawa adat, de stonden hebben. 

add^wat, Arab. vijandschap. 

adbdb, Arab. beer. 

adham, Arab. zwart, zwartgroen. 

adib, Arab beschaafd, welopgevoed. 

adik, ook verkort tot dih, jongere broe- 
der of zuster; aanspraakswoord voor 
jongere lieden en voor iemands vrouw 
ook jongere neef of nicht, cousin a. 
sapoepoe, neef of nicht uit den 1» graad 
a. doewa poepoe, van den 2n gr. ; a. ipar 
een jongere zwager ; adif^-b'êradii^y broe 
ders en zusters zijn; memperadi^, iem 
als adi^ behandelen, of adi^ noemen 
adi^-beradi^ sadatoe^e, neven, die den- 
zelfden grootvader hebben; tahoe b^r- 
adi^, voor zijne of hare jongere broeders 
of zusters weten te zorgen. Zie adinda, 

adikara, poet. wat tot de staatsie be- 
hoort, schoon gevormd of gemaakt. 

adil, Arab. rechtvaardig; kaüdilany recht- 
vaardigheid. 

adilat, Arab. rechtvaardigheid. 

adinda, jongere broeder of zuster van 
vorstel, personen ; ook aan spraaks woord 
voor eene vorstelijke gemalin. Zie adi^. 
Uit hoffelijkheid ook in brieven van ge- 
wone lieden gebezigd. 

adipati, Skr. opperste heer, titel van 
hooge Javaansche staatsdienaren. Ook 
verkort tot dipati. 

adir, e. zeer lekkere zeevisch, R. v. Eijs. 
mogel. Jav. 

adiractjd, Skr. hoogste vorst; verb. tot 
radjadiradja\ pantja radjadiradia,\i}k' 
baar van een regeerend vorst. 

adjab, Arab. «= hairdn, zie ald. 

adjahan, zie djahan. 

acUdïb, Arab. wonderlijk, zich verwon- 
deren, wonder ; adjdib daripada adjdïb, 
wonder boven wonder; adjdïb chanahy 
Perz. een museum, bewaarplaats van 
wondere dingen ; adjaib Allah, de won- 
deren Gods. 



adjak; ntêngadjak, aansporen, uitnoodi" 
gen, opwekken tot, aanmoedigen ;^^«^- 
adjai^, een aanporder, iem. die aan- 
spoort; a. berkalahi, tot vechten uit- 
dagen. 

adial, Arab. bepaalde tijd van iemands 
dood, iem. laatste mir ; adjalkoe hidoep, 
mijn levenseinde, mijn stervensuur; sam- 
pai adjalnja, zijn laatste uur heeft ge- 
slagen. 

adjaxn, Arab. Perzië. 

a<^ar, leeren in het algem.; b^ladjar 
leeren, studeeren van d. leerling ; me«^- 
adjar, leeren, onderwijzen; mêngadjari, 
leeren, kastijden ; mengadjarkan, iets aan 
iem. leeren, ook laten leeren; koerang 
adjar, lomp, onbeschaafd, onbeleefd; 
keras adjarnja hij onderwijst streng; 
der as adjarnja, hij leert vlug ; pïngadjar, 
onderwijzer; pUadjar, leerling; peng- 
adjaran, onderwijs; pUadjaran, de les; 
mémpeladjari, iets bestu deeren, aan- 
leeren door studie; pêladjaran, ook 
studie ; tiada berplèladjaran, geen studie 
hebben, niet gestudeerd hebben, niet 
iem. van studie zijn. 

acUar, een boeda-leeraar, kluizenaar. Ook 
adjar-adjar. 

adji, I, mïngadji, lezen, leeren lezen, inz. 
van den koran; méngadji batang, de 
klanken leeren uitspreken, die door de 
arab. letters worden voorgesteld, ze den 
leermeester nazeggende ; beladjar meng- 
adjiy den koran leeren lezen, school- 
gaan, studeeren; péngadjian, de leer- 
of leesles; ook school; IL Kw. vorst, 
vorstelijk ; rama adji, vorstelijke vader ; 
mengadjikan, met adji toespreken of als 
adji behandelen; sangadji, de Vorst; 
bini adji, do vorstelijke gemalinnen, die 
volgen op de parameswari; III. Jav. 
geheim tooverformulier ; IV. Jav. = 
harga, 

a^jidan, verb. Ned. adjudant. 

adjir, Arab. een die loon trekt, op dag- 
loon werkt. 

adjla, Arab. helder en duidelijk, b.v. 
van een bewijs. 

adjnds, Arab. meerv. y2i,VL djenis, soorjj 
ook: alles wat men bezit, uitgenomen 
geld ; toe^fatoeHadjnds, een keurig klei- 
nood, in brieven. 

adjoedan, verb. Ned, adjudant. 

adjoe^jah, klappen, kwaadsprekeUi 
klikken; ook djoedjah. 

adjoef, Arab. hol, ruim. 



atUoen — asar-asar. 



ctcyoen, het verst van het doel verwij- 
derd, zooals een kogel van het wit, een 
stuk geld, dat naar iets geworpen wordt 
om het te raken. Mën. plan, voornemen; 
maddjoeHy een plan maken, een aanloop 
nemen voor een sprong enz. pèkêrdjadn 
€kdjoen sang ai, werk dat tot op het 
laatste oogenblik uitgesteld wordt, dat 
na lang uitstel ter hand genomen wordt. 

adjoens ; I. mèngadjoeng, schikken, rang- 
schikken, in slagorde stellen, inz. van 
olifanten, tot den aanval gereedmaken. 
Zie ook djoewang. II. e. s. v. schelp- 
dier. Mal. 

adjok; méngadjo^t na-apen, nabootsen, 
iem. nadoen om hem bespottelijk te ma- 
ken; mêngadjojp-adjojcj ook spotten in 
het algemeen; adjo^y ook: mimiek; 
pëngadfoiff na-aper. 

adlaoe, Arab. lid, gewricht. 

adoe, I. b^radoey slapen v. e. vorstelijk 
persoon; mangkat hlradoe, overlijden, 
ontslapen, van vorsten : htradoe dtngan, 
slapen bij: péradoewauy slaap en slaap- 
plaats, slaapstede ; II. mëngddoekan, een 
klacht inbrengen, over iets klagen ; niéng- 
adoekan ^dlnja, zijn zaak voor den rech- 
ter brengen; adoewan en p^ngadoewan, 
de klacht, de aangifte; k)èna adoe, be- 
schuldigd, aangeklaagd bij den rechter ; 
jang ktna adoe, de beschuldigde ; bidji 
péngadoedUj de zaak der aanklacht. Wel- 
licht van adoehy klacht, ook in het 
Jav.; in. mêngadoe^ met elk. doen 
vechten om te zien wie de sterkste is, 
van dieren, menschen en zaken; ook 
beproeven. Alleen van hanen wordt het 
niet gebruikt, zie éaboeng. Mhigadoe 
djmgktrijpy krekels laten vechten ; meng- 
adoe k^rbaUy buffels laten vechten; 
mëngadoe sa^tinja zijn bovennatuurlijke 
kracht meten met iem.; mïngadoekan 
oentoeng, en m, toewah, zijn geluk be- 
proeven ; mëngadoekan jpoewat dan pan- 
ia$, zijne kracht en vlugheid beproeven. 

adoeh, klacht, ook als uitroep gebr. 
adoeh ana^p en adoeh anang, och lieve 
kind! mlèngadoeh, weeklagen. 

adoehai» samentrekking van adoek en 
hai, = adoeh versterkt. 

'adoek, Batav. roeren, omroeren; ook 
agiteereu. Zie ka^au. 

adoen, keurige, nette opschik van klee- 

• ding en uiterlijk ; btradoen, in de piinijes, 
êi-quatre épingles zijn; péngadoen, een 
fat, dandy. Mén. adoen-toemadoent kleu- 



renmengeling, weerschijn van verschil- 
lende kleuren; bïradoen dirinja, zich 
opschikken. 

adon, gekneed; mingadon, kneden tot 
deeg, fig. tot een mensch of man vormen ; 
adonan, deeg, beslag. Zie Jav. Wrdb. 
adoe III. 

adzëlb, Arab. straf, ellende =^ siifsa, 

adzdn, Arab. aankondiging van het uur 
des gebeds. 

afaëll, Arab. werken, meerv. van /al. 

afdlal, Arab. uitnemend, b. v. ttrltbih 
afdlal daripada sakalian nabi, veel 
uitnemende r dan alle profeten. 

alfïjat, Arab. gezondheid, welstand; her- 
steld, beterschap. 

afrak, Arab. wit, alleen in gebr. van 
hanen. 

afrikvfat, Arab. alafri^jat^ de afri- 
kaansche landen. 

afsoen, Perz. betoovering, tooverspreuk, 
verb. tot pasoena, zie ald. 

aga, zegepraal, zelfverheffing; dip'ëraga- 
kannja kasana-kamari, hij praalde er 
overal mede; p'ëragaan, praal, pronk, 
zelfverheffing op het een of ander. 

aieah; méngagahy in de oogen kijken, 
om aan het lachen te maken, of om 
uit te dagen; méngagah boeda^, e. kind 
daarmede aanhalen ; blèragahan, v. vecht- 
hanen, elk. uitdagend aankijken. 

asahari, ook oegahari en gahari, mid- 
delmatig, gemiddeld, gematigd, het 
midden houdend = perUngahan\ paitas 
a, matige warmte; harga a., middel- 
matige prijs; orang agakarif iem. van 
middelmatige grootte, ook. iem. die 
maat houdt in eten en drinken. 

aeak; mhtgagale, gissen, raden, dreigen 
(met e. wapen); tijada féfogai?, niet 
te gissen; aga^ja en aga^p-aga^, naar 
gissing, vermoedelijk, denkelijk; rning- 
aga^-agaif, ook zijne berekening maken 
voor het doen v. e. sprong; pïngagélf, 
gissing, opinie, meening, veronder^- 
stelling. 

aeatna, Skr. godsdienst; b^agama^ e. e 
godsdienst hebben; tijada biragama, 
godsdienstloos ; agama mase^i, de Chris- 
tel, godsdienst; a. isldm, de mohunm. 
godsdienst; a. hindoe, het hindoeïsme; 
m^agama, geloofsgenoot. 

Afirar, mits; agar soepaja, opdat, ten 
einde. 

aiear-affar, e. s. y. eetbaar zeewier, 
gelatine. 



asas "~ fViax** 



fxgtattp e. s. V. lastige vliegjes; ook ge- 
wemel, de B. 

aeêl, I. Jav. de draad van de schors 
des waroe-hooms ; tali-ap^l, touw daar- 
van vervaardigd; II. Mal. de grootste 
soort van zeeschildpad. 

as:en, e. s. v. biezen, Pad. bov.1. 

asih ; mhtgagih^ verdeelen, weggeven, een 
andermans goed weggeven, daarover 
den baas spelen, er mede doen naar 
welgevallen, ook z. verdeelen v. troepen. 

aeoek, halssnoer, collier, bloemkrans. 

aieoenfi:, I. = antoef;; II. Jav. groot; 
tijattff a., de groote mast; lajar «., het 
groot-zeil; ratoe «., titel v. d. eerste 
gemalin des Vorsten; orang agoeng- 
agoeng^ de notabelen; toepang «,, de 
groote fok ; membawa agoeng, volwassen 
zijn, tot de jaren des onderscheids 
gekomen. 

aeoeft, SB bagoes^ alleen in titels. 

ah, uitroep van wrevel en onwil, van 
droefheid en pijn. 

ahad, Arab. een; hari a^ad, de eerste 
dag der week, Zondag. Ook gebr. voor 
week, b. v. tiga a^ad lagi, over drie 
weken. 

ahl, Arab. in het Mal. ahli, volk, fa- 
milie, mannen van het vak, bedrevene 
in iets; ahloe*lnoedjoem, de sterre- 
wichelaars; ahl nëgari burger; ahloe 
'lièddatf de godsdienstigen, die hunne 
godsdienstplichten getrouw vervullen; 
ahloeH^ikmat, de man van het vak; 
ahloe Hmoesjdwaraty lid van den raad; 
ahloe Ha^rdm, bloedverwant; boekannja 
akoe ahli bagai jang dtmikyan, voor 
zoo iets ben ik niet de man van het 
vak; ahloe* Ikiidb, schriftbelijders; ahloe 
'Inikah, de aangehuwden ; ahloe Hwabari, 
haartentbewoners, nomaden. 

tahla, Arab. welkom! 

ahli 9 zie ahl. 

a^mady Arab. lofwaardig. 

al^cnak, Arab. zinneloos, dwaas, gek; 
ook: dwaze. 

ahmar, Arab. rood. 

ahrain, Arab. de Mekkaansche pel- 
grlmskleeding. 

ahog Tusschenw. om te roepen: hallohl 

a^oe'wó.l, Arab. meerv. van ^dl, 

aib, Arab. gebrek, smet, schande; nièm- 
S^ aiöf iem. smaadheid aandoen; 
mïnaroh aib, schaamte gevoelen ; mhig- 
xUèkottf yersmaden; djangan di-aibkan, 
versmaad niet. 



ain, Arab. oog ; ainiy vol oogjes of 
gaatjes, doorstoken, opengewerkt. 

airopah, Europa, Europeesch. 

aiwéint Perz. voorhof, waar recht ge- 
sproken wordt. 

aiah, vader, diGÜif^et diSLU bapa ; ajahanday 
Vorstelijke vader; ajah-bonda^ vader en 
moeder, ouders; sd'ajah-sabonday van 
dezelfde ouders; ajah saoedara, vaders 
of moeders broeder, oom. 

ajak, zeef voor droge waar, die bij het 
zeven heen en weer bewogen wordt; 
niéngajal^y zeven; ook: met het ach- 
terste schudden bij het gaan; aanslaan, 
van een zeil. 

ajam, ook hajam^ hoen, kip, hen; ajam 
baliky een kip, welker veeren verkeerd 
staan ; ajam bUanda^ kalkoen ; ajam 
biroega of a. hoetan, de boschhaan ; het 
eerste ook wel fazant; ajam katijp, kriel- 
kip; ajam moeiijaray parelhoen; ajam 
padiy kwartel; ajam d^najpy lokhen, 
lokvogel; a. ana^ kampoiigy een hoen 
gewonnen uit een boschhaan en een 
gewone kip ; ajam sabandoengy twee kui- 
kens uit één ei. Mal.; ajam p^ranggang, 
slachtkippen; iboe ajam, klokhen; ajam- 
ajamy e. s. v. grooten strandlooper ; ajam* 
ajamatiy waterhoen. 

ajdm, Arab. meerv. van jaum, dag, 

s^an, =s bïsi poeiih, blik, 

ajans-c^ane, e. s. v. geneesmiddel uit 
het plantenrijk, 

%jap, eten v. e. onderdaan als hij daar- 
van spreekt tot den Vorst. 

ajapan, spijs, eten, onderdanig gespro- 
ken tegenover een meerdere van het 
eten eens minderen; ajapan bagindtty 
de spijs, die de Vorst te eten geeft; 
ajapan sisa, de overgeschoten spijs; 
b^rajapan, etende zijn. Mal. Sam.; 
kaajapaUy met spijs of drank begiftigd 
door den Vorst. Zie makan en stntap, 

ajar, water, vocht, nat, sap, zog, saus; 
ook gebr. als samenstellend woord voor 
allerlei sappen of vochten enz. b. v. 
ajar alas, het zoete water bij de mon- 
ding van e. rivier; ajar bagoeSy goed 
drinkbaar water; ajar anggoer, wijh; 
ajar tehy thee ; ajar bah, ovei'strooming ; 
ajar batoe en ajar b^èkoe, ijs; ajar 
belanday Seltzerwater; ajar b'ërkoekoes, 
gedistilleerd water; ajar boewah, sap 
van vruchten; ajar %mas, verguldsel; 
ajar goela, suikerwater, stroop; ajar 
kahway koffie ; ajar kandjiy dunne rijste* 



6 



ajarlo^ji — akas. 



pap of stijfsel; ajar Uhah en a. madoe^ 
honig; ajar lij oer ^ kwijl, zever; ajar 
loedah, spuw, spog; ajar loeka, bloed 
dat uit een versche wond stroomt; 
ajar mandi, badwater; ajar-mata, tra- 
iien ; ajar-mawar, rozewater ; ajar-moeka, 
uitdrukking van het gelaat, de gelaats- 
trekken; ajar-hangai^ kokend water v. 
het zetten van thee of koffie ; ajar-lata, 
waterval, Maxw. == ajar Urdjoen; ajar 
garaniy pekel ; ajar-perah zilverinkt om 
mee te schrijven; ajar rasa, kwikzilver; 
ajar seni, urine ; mémhoewang ajar shii, 
pissen; ajar sémbahjang en ajar poe- 
djaatii gebedswater, wijwater; ajar soe- 
soe, melk ; ajar slraniy doopwater ; ai ar 
{èboe, suikerrietsap ; ajar t^poeng, dun 
beslag; ajar timah, vertinsel; ajar 
löolauda^ selterswater ; ajar tlèpoeng 
iawar, water met too verkracht, heilig 
water; ajar terbit^ water dat uit den 
grond opborrelt; ana^ ajar^ zie ana}: ; 
batang ajar^ rivier; moeka ajar^ water- 
spiegel, oppervlakte van het water; 
mata-ajar^ bronader, wel; tandh ajar, 
landgoed, landhoeve; tanak ajar laïn, 
een vreemd land; boewang ajar, zijn 
gevoeg doen, onderscheiden in b. a. 
biésar, een groote boodschap en b. a. 
kétjil, een kleine id. ook wel kasoengai; 
mèngajary zich als water voordoen, zeer 
scherp zijn van wapens. Mën. mhtgajari, 
V. water voorzien, bewateren ; kaajaran, 
water binnen krijgen van vaartuigen 
enz. ook: in den strijd gewond zijn, of 
gewonden hebben van een leger; ikan 
ajar-ajar, e. s. v. eetbaren zoutwater- 
visch V. d. W. zie ira-ira; méngadoe 
ajar dténgan garam, Sprw. bep^rajarkan, 
bevochtigen, bewateren, drenken. 

%jarlo4Ji» horloge. 

ajarxnada» zie armada. 

ai at» I. (meestal hajaC)^ badjoe hajat, 
nauwsluitend wambuis met korte mou- 
wen, in den trant van het bruine buis 
onzer Katwijksche visschers; II. Arab. 
vers van Koran of Bijbel. 

ajidr, Arab. dief, gauwdief, straatslijper, 
schelm. 

s^o, Jav. uitroep tot aansporing, opwek- 
king: komaan! voort! wel aan! 

c^oe» Jav. schoon, fraai, voortreffelijk. 

%j6éb, Arab. Job, de gioote lijder uit 
het O. Test., meestal nabi ajóéb, 

f^oel^» zie antjoejie. 

t^öem; mtngt^oem, heulen met slecht 



volk, slecht volk van het noodige voor- 
zien; memberi aj oeman, huli^ verleenen 
b. V. aan de zeeuoovers; ajoeman, dat- 
gene wat men hun verstrekt. 

ajoen; mengajoe?i^ wiegen, slingeren, 
schommelen ; btèrajoen kaki, met de voe- 
ten wiegelen; ajoenan^ wieg, schommel; 
ajoenan péloetar baioe^ werktuig om 
steenen te werpen, balista; matahari 
soedah rnéngajoen, de zon schommelt 
reeds, d. i. begint reeds loodrecht te 
dalen (tegen 4 uur). 

ajoeta, ^ joeta, millioen. 

akad, Arab. overeenkomst, behartigen; 
ook: verwulf, bogengang. 

akal» Arab verstand, beleid, raad; middel 
dat men beraamt, list, streek ; opa affal, 
wat staat mij te doenP sakit a^al, 
verstandskrenking ; ai^al baligr, mondig, 
volwassen, huwbaar; pandjang ajpal^ 
behendig, slim, bedreven, ervaren, vin- 
dingrijk; aJcal boedi, gezond verstand; 
a. panda^y kortzichtig, bekrompen; a* 
jang sampoerna, gezond oordeel ; a. jang 
haloeSy scherpe of fijne onderscheiding; 
tiada dapat alpal, er niets op weten te 
vinden; maso^ kapada aJpal, aanneem- 
baar, overeenkomstig de rede; tjhrMilp 
ta bira^al, slim zonder bescheidenheid ; 
dtngan a);al, fig. met slim overleg; 
mêngakali, beetnemen, foppen, iets op 
listige wijze trachten te verkrijgen; 
a^ai mendatang, ingeving, inval, inval- 
lende gedachte. 

akan, tot, om, voor, jegens, betreffende, 
aangaande, wat betreft, ten opzichte 
van. Ook hulpw. tot vorming van het 
futurum, zal, zullen; sa'akan-akan, on- 
geveer als; mïngakan, streven, trachten 
naar; akan Utapi, maar, edoch. 

akar, wortel kruipplant, slingerplant, 
oorsprong; akar mêlata, steeds toe- 
nemen, b. V. hoetangnja bavjajp akar 
mélata, de menigte zijner schulden nam 
steeds toe; harimau akar^ panter; moe- 
sang akar, e. s. v. muskuskat; akar 
wangiy e. s. v zeer weiriekenden wortel ; 
akar parsi, aspersie ; akar ba^ar, e. s. v. 
zeeplant, waarv. men armringen maakt ; 
akar oembi, a, soesoe en iboe akar, de 
hoofd- of penwortel v. e. plant; akar 
mati, luchtwortel; bh-akar, wortelen, 
geworteld zijn, wortels hebben. 

akas, I. vlug, knap, b. v. in zingen of 
dansen; II, = angkasa, zie ald.; lïl. 
verb. van akas. Ar. zie ald. 



akas — aldznat. 



akas, Arab. omkeering, het tegenover- 
gestelde; déngan akas, integendeel, 

akasa, Skr. zie angkasa. 

akastari, ongerept, onbeslapen, K. y. E. 

akbar, Arab. groot, verheven; Allah 
akbar l God is groot! 

akibat, Arab. einde, afloop. 

akik, Arab. naam v. e. zoutwaterschelp, 
waarvan armringen enz. gemaakt wor- 
den. Zie akii en ahi^, Arab. 

akik, Arab. kornalijn, karneool. 

akikat. Arab. het haar van pas gebo- 
renen; hari btra^ifeaty de dag, waarop 
aan kinderen voor het eerst het haar 
wordt afgeschoren, 

akit, I, zie a^'^, Ar.; II. rijgen; ber- 
akity geregen, de B, zie anggiU 

akmal, Arab. volmaakt, volkomen. 

akoe, ik; mengakoe^ belijden, bekennen, 
z. tot iets verbinden, vast belooven, 
borg blijven, voor instaan, beweren, 
erkennen als het zijne, zich toeeigenen. 
Akoe wordt soms dakoe en soms koe, 
zie de Grammatica; berakoe-blèrlèngkauy 
met akoe en engkau spreken, tutoyeeren ; 
méngakoekaHf doen bekennen, iets be- 
weren, voor iets uitgeven, tegenover 
iem, akoe zeggen; mengakoewi, als het 
zijne erkennen ; akoewan, zekerheid, on- 
derpand; plén^akoewan, belijdenis, ver- 
bintenis, verklaring, bekentenis, borg- 
stelling; btrakoewan saoedara^ elk. voor 
broeders erkennen; tiada di-akoenja 
saoedara doenia acherat^ hier en hier- 
namaals erkende hij hem niet als zijn 
broeder. 

akoes, zie angkoes, 

akoe-wan, zie bij akoe. 

akrab, Arab, zeer nabij, intiem; het 
meer waarschijnlijke. 

akraxn, Arab. edelmoedig. 

akfa,Arab. verwijderd, afgelegen; masdjid 
a}pfa, de tempel te Jeruzalem, als verre 
verwijderd van dien te Mekka. 

akad,ra ISkr. letter, klinker. 

akta, Arab. vlierboom. 

aktdr, Arab. kant, zijde, streek. 

al, het Arab. bepalend lidwoord, de, het. 

ald, Arab. hoog verheven; ihald zeer 
verheven. 

ala, Arab. op, over, volgens; ala ^ëdar- 
nja, naar zijn vermogen, naar zijn 
stand; ala almoe^taram, aan den edel- 
achtbaren, aan den eerwaarden; ala 
eddawdm, tot in eeuwigheid = sampai 
salama-lamanja. 



alabangka. Fort. alavanca^ koevoet, 
breekijzer. 

alah, onderdoen, verliezen, overwonnen; 
bagai negari alah, als een overwonnen 
land, zoo willekeurig is het bestuur; 
alah membelit rnénang memakai, ver- 
liezen bij het koopen, winnen bij het 
gebruiken, d. i. duurkoop is goedkoop; 
mengalahkany overwinnen, veroveren, 
innemen v. e. stad enz. ten onder bren- 
gen; mtngalahkan ^oekoem, den baas 
spelen; mengalahkan lidah, iem. plat- 
praten, doodpraten ; alahan^ verlies, het 
onderdoen in den krijg ; b^ralah-alahan^ 
elk. ten onder brengen; djikalau tiada 
djoega patik t^ralahkan dewa itoey als 
ik toch dien dewa niet kan ten onder- 
brengen. Van alah is ook kalah, het 
verloren hebben. 

alai, pohon — , e. s. v. boom met eetbare 
onaangenaam riekende peulvruchten, 
overeenkomende met de pïtai. 

alathi, Arab. over hem; alaihi ^sjtaldm, 
vrede zij over hem; alaihi allanatt de 
vloek over hemi 

alaikoem, Arab. over u; essaldm alai- 
koem, vrede zij over u. De gewone groet. 

alam, Arab. standaard, de nationale 
kleuren; alam karadjaan, de konink- 
lijke standaard; mendirikan a. poelih, 
de vredevlag planten. 

alam, Arab. wereld van geesten, engelei>. 
en menschen, heelal ; alam doenia, de 
geheele wereld ; alam jang Urpandangy 
de zichtbare wereld; alam Mtnangka- 
bau, het Rijk van Menangkabau; ïmpat 
alam, verkorte uitdrukking voor )êmpat 
plndjoeroe alam, de vier hoeken der 
wereld, d. i. de geheele wereld; tiga 
alam, de drie werelden, d. i. de boven- 
wereld, de menschenwereld en de onder- 
wereld, voor het gansch heelal; alam 
berzach, het doodenrijk; alamoe 'Iddjsd, 
di, de stoffelijke wereld ; alamoe 'lartod^- 
de geestenwereld. 

alam au, zie halaman. 

alamanfir, zie halamang. 

alam as, Arab. diamant. 

aldmat, Arab. kenteeken, kenmerk, her- 
kenningsteeken, bewijs, vaandel, schiet- 
schijf ; a. ioendoe^, teeken van overgave 
of onderwerping; mata aldmat, kogel- 
gat in een schietschijf; aldmat soer at, 
adres van een brief; aldmatkan, adres- 
seeren; aldmatoe H^ajdt, teeken des 
levens, d. i. een geschenk bij e. brief. 



8 



a^ninat — alin. 



alamat, Arab. grootheid, grootscliheid. 

aian; alan-alan, potsenmaker, komiek 
in e. tooueelspel. 

alanff» I. dwars; bindbalk op twee hoofd- 
stijlen ; alanp moeka, e. s. v. dwarshout 
op het voorschip; alan^ roemah^ de 
wandbekleeding van een huis; bapa a. 
en majp a. zie op die wrd.; alangan^ 
zand- of modderbank voor de monding 
eener rivier, sluitboom, verhindering; 
btralangan^ met elk. overhoop liggen, 
b. V. apa soedahnja kita b^ralangan 
dingan Sijam int, wat zal er het einde 
van zijn als wij met Sijam overhoop 
liggen, gebrouilleerd zijn. Zie ook 
palang en tnalang, II. gering, onbedui- 
dend; tUangkaht is het gering? als uit- 
roep voor ons: hoeveel beter zou dat 
zijnl of hoe groot is dati boekan alang- 
oAaw^, niet zoo gering, niet zoo weinig; 
tidalp alang, niet weinig, in groote 
mate; alang-k^palang, buitengewoon 
gering; k'épalang en btrktpalangan, al 
te min, al te onbeduidend; III. alang 
en alangkan, met betrekking tot. 

alanff-alaniE, «Tav. e. s. v. rietgras, = 
ilédang en lalang, Mal. 

alap, I. langzaam, bedaard; djalan alap 
santoen, langzame, afgemeten gang, inz. 
van vrouwen; mëngalap, of ook: alapl 
langzaam! roep van den stuurman tot 
de roeiers; II. mëngalap, vruchten 
plukken met een mes of houtje, dat 
haaksgewijze gebonden is aan het uit- 
einde V. e. stok. 

alap^alap, e. s. v. kiekendief of sperwer. 

ftlar; méngalar, ongemanierd liggen. 

alas» I. grondslag, onderlaag, onderstel, 
voetstuk, bekleeding in iets of onder 
iets; alas p^lana, schabrak; a. kata, 
inleidende woorden ; aloi p^roet, eerste 
ontbijt; alaa roemah, de fondamenten 
V. e. huis; alaê moewatan, de ballast; 
tUoi kaki, voetenbankje; alas ijawan, 
schotellje onder een kopje; al-M ijap, 
de som, door een hoofd betaald aan 
zijn Vorst voor zijne schriftelijke aan- 
stelling, die van des Vorsten zegel is 
voorzien; aUu soerai, geschenk b^ een 
brief; SirtUas, v. e. grondslag enz. voor- 
zien zijn; ook v. woorden: een gezon- 
den zin hebben; alasan, wat tot alas 
Aieüi; pêngalas, grondlegger; méngalas, 
grondieggen enz* II, Jav. e. s. v. hof- 
beMubt^. ni. Jav. bosoh, woud. 

alat» Arab. gereedschap, tuig; alal 



perang, oorlogs- of krijgstuig; alat 
séndjata, wapentuig, bewapening; alal 
bermaïn, speeltuig; alat pélana, zadel- 
tuig ; alat karadjaan, de rijksinsigniën ; 
pèralatan, gereedschappen. 

alaa, I. meestal halau, voortdreven, 
wegjagen; m^ngkalaukan, id.; II. boe- 
roeng alau, e. s. v. neushoorn vogel. 

albanëlt, zie banat. 

alferes. Port. officier. 

alieodja» op Java Itgodjo, Port. dlgoz, 
scherprechter, beul. 

ali, I. mhtgali, zich gedurig voor iem. 
laten zien. gedurig iem. onder de oogen 
loopen; niéngalikan, zoo doende iem. 
vervelen. II. cUi-ali en plèngaluali, slin- 
ger om steenen te werpen, = pêngoem- 
ban tali'y mèngaluali en mémboewang 
ali-ali, een steen aan een lang touw 
ergens over werpen, om het naar zich 
toe te kunnen halen. 

ali, Arab. = pahdlawan, held, voorvechter. 

ali, Arab. hoog, verheven, edel, uitste- 
kend. De naam v. Mohammad's schoon- 
zoon. 

alif» Arab. de eerste letter van het Mal. 
Ar. alphabeth; vriend, kameraad, jong- 
man, vrijgezel; iérdiri laj^sana altf, 
zoo recht staan als een kaars. 

alih, rnéngalih, van plaats veranderen, 
verhuizen, in e. anderen hoek schieten 
V. d. wind; alih lajar, over, je zeilen I 
bintang btralik, verschietende ster; 
tiiijan beralth, draaibrug ; blèralih b)thasa, 
V. toon veranderen; b^ralih hboekan, 
op een andere plaats gaan ankeren, 
V. ankerplaats veranderen ; btralih hart, 
namiddag, a pétang; moesim Héralih, 
verandering van jaargetijde; blèraliA 
kalakoetoannja, van gedrag veranderen; 
mlèngalikkan sila, bij het zitten van 
houding veranderen, de gekruiste bee- 
nen omwisselen; alih-alih en (dih- 
alihkan, tegen verwachting, maar neen, 
wat meer is; zie malih, 

alüat, Arab. verhevenheid, opperzaal. 

alixn, e. s. v. geneeskrachtige hars. 

alim, Arab. geleerd; orang alimt ge- 
leerde; meerv. öëlama\ 

alim, Arab. groot, hevig, grootsch. 

alimtfat, Arab. de staat van kenoien 
of weten, het islamisme. 

alimoen, onzichtbaar, niet te zien. Cr. 
volg. R. V. E. mist, nevel, damp. 

alixi$ méngalin, e. lichaam met het ^n 
of ander wrijven, om de ziekte, of be- 



ctUnie 



amcbt. 



9 



zetenheid te doen overgaan in het wrijf- 
middel, péngalin of alinattf soms een ei 
of dergel. rond voorwerp. 

aliiiie$ mengaHng'olingy aan alle kanten 
nauwkeurig bekijken v. iets, dat men in 
de hand houdt. Zie ook oelang, 

alint^r, = halintar, zie ald. 

alipan, &» halipan en lipan^ zie ald. 

alir; 1. mëngalir, vloeien, stroomen, vlie- 
ten ; Mën. glad, glibberig, fig. volmaakt 
goed, zonder haperen, van een leien 
dakje ; méngalir peloehy gudsen van het 
zweet; i». darah, stroomen van het 
bloed; m. ajar-mata^ stroomen van de 
tranen; aliran, beekje; memboewaty 
êoengai mëngalirkan ajar, waterleidin- 
gen voor den afvoer van het water 
maken. II. levend aas om beesten te 
vangen, lokaas, ook oempan alir; ména- 
kankan alir, zulk aas uitzetten. 

alis, Jav. wenkbrauw = k'éning, Mal. 

ality zwartgekleurde rand om iets; bera- 
ming, ontwerp, zwart lijstje; talit alit, 
tolkoord ; rnëngalit^ omranden, omlijsten, 
omwinden; k'éna èlènar oekoer-aliinja^ 
zijne maatregelen waren zeer doeltref- 
fend. 

alkari. Port. lacre^ lak, zegellak, brief- 
lak, kantoorlak. 

alkoe, iem. wien men alles kan opdragen, 
koppelaarster, hoerewaardin = pinang 
moeda. Zie djoeroeman en indoejc atmang, 

alkonja» Port. alcunka, bijnaam. 

allah, Arab. de naam van God = het 
Hebr. el. Allah taala. God de allerhoog- 
ste; Jllah soehhanahoe v>a tclala, de al- 
lerhoogste en te prijzen God. 

almari. Port. kast; ook lamari; almari 
sampaijan kaïn, hangkast ; a, pakaijan, 
kleerkast; a. kodojp, hoekkast; a, maka- 
nan, spijskast, enz. 

aloe« Jav. stamper voor een rijstblok enz. 
bakspier; sandar aloë, leunen, gelijk 
2Xï\k een stamper tegen den muur ; ikan 
aloe^aloe, e. s. v. oneetbaren visch, zee- 
snoek. R. v. E. 

aloen» langzaam en zacht, deinend ; tniéng- 
ahsH, deinen, v. d. zee, de golven, zacht 
komen aanrollen. 

aloen-aloeii» Jav. voorplein eener vor- 
stelijke woning, « halaman, id. 

aloenfi;, werpmiddel, dat, waarmee bij 
sommige spelen naar andere voorwerpen 
geworpen wordt, zooals noten, knikkers, 
centen enz. 

i^oev» geul, groef, vore, gleuf, gang in 



een geweerloop, vaarwater tusschen ban- 
ken of klippen, rivierbed; aloer ajar, 
beekje, kreekje; aloer hidoeng, het 
gleufje in de bovenlip; aloer tHggala, 
ploeg vore; aloer an, geul, vaarwater; 
Urkoel beraloer, gegroefde buks. Zie 
ook saloeran. 

aloes, fijn, zie haloes. 

aloew^a, verb. van het Arab. ^alwa, con- 
fituren. 

alpa, Skr. achteloos, zorgeloos, nalatig, 
onbedacht, vergeetachtig; mïngaïpakan, 
iets achteloos behandelen. 

alperes, Port. vaandrig, officier ; alperes 
batoe, e. s. v. smakelijken zeevisch; 
alperes djawa, e s. v. fraaien leder visch. 

al-wdh, Perz. kalmuswortel. 

alwaty Arab. aloëhout. 

am, Arab. jaar. 

am, Arab. oom van vaderszijde; ammi, 
mijn oom, komt dikwerf in gedichten 
voor als aanspraakswoord voor een oud 
man. 

axnd, I. onzichtbaar kleine insectjes op 
planten en dieren; Mén. vogelluis; ama 
teboe, de suikerrietluis ; heramd, daar- 
aan lijden, daarvan ziek zijn; lï. zie 
amar\ III. Arab. wat betreft, = adapon 
en akan. Voornamelijk in brieven, b. v, 
amabadoe, wat betreft na hetzelve. 

amal, Arab. werk, goed werk; amal 
djariah, overvloedige goede werken; 
b^rboewat amal, goede werken doen; 
amal kaJbadjikan, weldaden; méngamaU 
kan, doen, verrichten, b. v. rningamal" 
kan doa, een gebed doen ; mïngamalkan 
kadjahatan, kwaad doen, slechtheid uit- 
voeren; mèngamalkan pèngadjaran, het 
geleerde in toepassing brengen, bewerk- 
stelligen. 

axndn, Arab. zekerheid, veiligheid; meng» 
amdnkan, bevredigen, tot rust brengen 
V. e. land. 

amdnat» Arab. toevertrouwd goed ; ver- 
trouweling, vertrouwen. 

amans; m^ngamang, dreigen; meestal 
mingamang-amang', ptngamang, dreiger 
en dreigement, voor dit laatste beter; 
p^ngamangan, dat ook door R. v. E. 
wordt opgegeven. Zie gamajp, 

axnansari, e. s. v. versnapering, bereid 
uit meel van groene boontjes, geroost. 

amar, Arab. bevel; méngamarkan, be- 
velen. 

axnarahy toorn; zie marah. 

amat, zeer, bovenmate; al te zeer; amai 



10 



ambai — aznboi. 



è^èsar, zeer groot; èlèsar amat, al te groot ; 
rningamat-amatiy strak aanzien, fixeeren, 
aandachtig bezien ; péngamat- amatan^ 
bespiegeling, R. v. E.; mempéramat- 
amatkan, het zeer erg maken; diper- 
amat-amatfija gotjohy hij beukte er 
duchtig op los. 

ambai, I. e. s. v. groote schepmand, be- 
vestigd aan de boot, om garnalen enz. 
te vangen; mengambai^ daarmee schep- 
pen ; jpew^ösm^at, de persoon, die dit doet; 
ambaijan, datgene wat zoo geschept 
wordt of is; II. poko^ ambai-ambai, 
e. 8. V. zeer schadelijke woekerplant. 

aznbal, colonne, processie; ook ambalany 
btrambal'ambalany aan troepjes. 

ambalau, gomlak, schellak; zie balau. 

axnbaxiy zie ïmban. 

ambanis, I. in zijn vaart tegengehouden, 
b. V. een vaartuig door 't tuig of de dek- 
last enz.; inéngambang, zijn vaart tegen- 
houden, in vaart doen minderen. Zie ook 
abar ; II. dorpel v. deur of venster, 
vensterbank, koppelbalk, bindbalk ; aan- 
gezette boven- of benedenrand v. e. 
gordijn; ambang roemaky dwarsleggers, 
dwarsbalken; ambang di-atas, boven- 
dorpel ; ambang dibawah, benedendorpel. 

ambar, I. Skr. amber; ambar koening of 
a, batoe, barnsteen; ambar-ambar, reuk- 
balletje van amber; II. flauw, ver- 
schaald, zonder geur of smaak, b. v. 
van tabak; ook zwak van de stem. 

axubaroe, ook ambaroeng^ schoeiing, be- 
schoeiing. 

ambat, meestal hambal; zie ald. 

axnbau, klein vlot aan weerskanten v. e. 
vaartuig, om er meer in te kunnen laden ; 
pêrahoe blèrambaukan boeloeh, e. s. v. 
scheepskameel. 

ambi, juiste hoedanigheid. 

ambik, = ambil, evenals kUji^p gebruikt 
wordt voor k'étjil. NB. 't is een willekeu- 
rige wijziging in de uitspraak. 

axnbil; m^ngambily nemen, wegnemen, 
halen, ook plukken van groote vruch- 
ten, zooals kokosnoten en derg.; pérgi 
mëngambil, gaan halen ; mtngambil ana^, 
tot kind aannemen; m. ikan, visch van- 
gen; w. hati, het hart innemen, win- 
nen; ttt. dikati of kapada haii, zich 
iets aantrekken ; m. ibarat, leering trek- 
ken; m. moeka, huichelen, pluimstijken ; 
m. pandjangy overdrijven, e. zaak breed 
uitmeten; m. hdloeioan, kows nemen; 
m, marahy m» moerkay kwalijk nemen; 



m. singkaty kort en bondig, niet meer 
dan noodig is; m lajar^ de zeilen in- 
nemen; m. namay zich den naam v. iets 
toeeigenen ; m. ingatan, in gedachten hou- 
den, nota van iets nemen; m. pedomany 
zich naar het kompas richten ; m. ringkaSy 
bekorten, e. kort begrip geven ; m. simpaUy 
den zakelij ken inhoud v. iets nemen, be- 
korten, compendieeren, e. zaak beknop- 
telijk voorstellen; m, angin, e. luchtje 
scheppen; b er ambil- ambilaUy van twee 
families over en weer uithuwelijken; 
berambil-ambiian bersoesoe-soesoewany 
elkanders kinderen nemen om ze te zogen 
en verder op te voeden ; savah ambilan 
misverstand, = salah tampa; t)èrambil, 
te nemen zijn ; mana jang terambily wat 
het eerst voor de hand ligt. 

aznbin, e. s. v. sjaal of sjerp, over borst 
en schouder gedragen; daoen ambiu 
boewahy e. s. v. plant = m'êmenirany Jav. 
méngambin, op den rug dragen, zooals 
een ransel, draagmand, kind in een 
doek, iem. in een draagtoestel op den 
rug; mengelek ambin, e. kind in een 
doek op de heup dragen; tali ambin, 
touw of band waaraan op die wijze ge- 
dragen wordt ; berambin loetoet, gehurkt 
zitten met e. band die om de knieën en 
den hals gaat; ambinan, al wat zoo op 
den rue; gedragen wordt, ransel; sa*- 
ambiny één dergelijke vracht. 

ambins en a. soesoe, de uier van een 
melkbeest. Mal. 

axnblës, Jav. inzakken, zinken = Ur- 
pérosojp. 

amboe, bewilligen, de B. Zie )émboeh. 

aixiboel; I. rnéngamboely terugspringen, 
afstuiten; weer opduiken v. iets dat 
onder water gehouden is; zich een zet 
geven in de hoogte bij het doen v. e. 
sprong, ook stampen van een vaartuig. 
II. «= bantoBy zie ald. 

axnboens» !• e. s. v. draagmand^ op d. 
rug gedragen met een band over het 
voorhoofd; volg. R. v. E. ook nog: 
groote bos hout en schanskorf; meng- 
amboengy aldus iets dragen; amboengan, 
datgene wat aldus gedragen wordt; 
II. amboeng-amboeng, e. s. v. strand- 
boom met dik mergpit, waarvan men 
kunstbloemen en lampepitten maakt; 
boenga amboeng-amboeng y zulke kunst- 
bloemen. 

amboes» zie Kémboes. 

amboi, uitroep van medelijden en ver- 



amin — anak. 



11 



bazing. Wellicht van het Eng. boy. 

amin, Arab. amen, getrouw; amin tsoema 
amin, amen, ja amen! 

amir, Arab. opperhoofd, bevelhebber, 
emir; amiroe'lmoemifdna, opperhoofd 
der geloovigen, titel der Kalifen. 

amis, Jav. stinkend, vies riekend, zooals 
b. V. de lucht van visch. 

axnit, Jav. verlof, vergunning; penff- 
amitan, een geschenk in geld door den 
bruidegom aan zijne schoonouders op 
het oogenblik, dat de bruid het ouder- 
lijke huis verlaat. Pal. 

amxuah, Arab. menigte, algemeen, 

amok ; mingamolp^ woedend moorden, al- 
les overhoop steken wat men ontmoet; 
péngamohy zulk een moordenaar; b^r- 
amo^-amokan sama sendirinja, onder elk. 
woedend moorden ; mengamo^ kapal, een 
schip afloopen. 

ampal, I. = sampai, en kampai, over iets 
heen hangen; mengampai, iets over iets 
heen hangen ; terampai djemoery te dro- 
gen gehangen; ampaijan, kapstok, rek; 
II. lang en dun; tenger, slank; djari 
ampai, geeselroede ; ampai-ampai^ e. s. v. 
zeekwal, wier aanraking brandende pijn 
veroorzaakt ; jooAon ampai-ampai, e. s. v. 
boom met hard hout. 

axnpans, soms voor gampang, zie ald. 
en ïmpang. 

ampas, zie 

ampaty zie 

jaxnpëdal, zie h)èmpedal. 

axnpëdoe, zie Kémpèdoe. 

ampêlani, zie mtmp^lam. 

axnpëlas, zie hempelas. 

axnpir, zie kampir. 

axnpil, Jav. mkngampilkan p'ëdaü, een 
wagen besturen. Mes. Kag p. 340 en 
op vele andere pU. 

ampo, e. s v. eetbare aarde of klei; zie 
napal en nampal. 

ampoe; méngampoe, ondersteunen, op- 
dat het niet zakke of valle; beheeren, 
besturen, onder voogdij hebben ; tengkoe 
ampoewan, titel van 's Vorsten eerste 
vrouw; ptngampoe {toesoe, corset, lijfje. 
Hiervan wil men ook pirampoewan aflei- 
den, vrouw ; mèngampoey ook het water, 
uit een tuit of kraan loopende, met den 
mond opvangen; peti itoe toeloeng 
ampoekan dari èawah, help mij die 
kist van onder te steunen. 

axnpoeb, het overstroomd zijn der 
velden ; méngampoeh, overstroomen ; 



ampohan, overstrooming, = ajar bah. 

ampoel; mengampoel, aanzwellen, ge- 
dijen, groot worden v. vruchten. 

axxipoexi, vergiffenis; mengampoeny ver- 
geven ; mengampoenkany iets vergeven ; 
méngampoeni, iem. iets vergeven ; makan 
ampoen^ zie makan, 

axnpoes. op Java = apoes of hapoes\ 
zie mampoes, 

ampoet, zie hampoet. 

aznpong, licht in gewicht. Mal. 

amtsdl, Arab. spreuken, meerv. v.mitêal. 

an, Arab. = daripada, zie ald. 

anaeboda, zie nachoda. 

anai-anai, de witte mier. 

anak, kind, jong van dieren en planten; 
b. V. ana^ ajam^ kuiken ; anaJjp ali-alif 
steen uit een slinger; ana^ lëmboe, 
kalf; ana^ poko^ jonge plant. Van 
den mensch gebruikt men ana^ voor 
kind in betrekking tot de ouders, an- 
ders is het boeda^. Verder: onderdeel 
van het geheel, b. v. anajp tangga^ sport, 
van een ladder; een klein van dezelfde 
soort, b. V. anajp ikan^ kleine visch, 
analp boekit, heuveltje; ook geboortig, 
afkomstig, zoowel van zaken als van 
personen, b. v. ora^ig ijina analp Ma- 
laka, een Chinees geboortig van Ma- 
laka; Umpajan analp Sijam, een water- 
vat afkomstig van Sijam; analp ist^ri 
of ana^! bini, vrouw en kinderen, gezin ; 
analp ajar, watertje, riviertje, zijtakje, 
kreekje; a. badjoe, Mén. ondervest, 
onderhemd; analp birik, lijst, rand van 
een kandelaar, Ism. Jat. p. 121 ; anale 
boelan, de negen laatste dagen der afne- 
mende maan; anale boetoah, opgezete- 
nen, onderhoorigen van een datoek, ook 
wel geslacht; a?iale dara, maagd; ana^ 
bongsoe, de jongstgeborene, de Benja- 
min ; de volgorde der kinderen ia aldus : 
1. anale ioelong, 2. a. t)èngah, 8. a, 
alang, 4. a. pandjang, 5. a. pandale^ 6. 
a. moeda, 7. a. poetihy 8. a. hitam, 9. a. 
bongsoe. Deze benamingen worden ver^ 
kort tot long, ngah, oeda, iih, andak, 
boesoe enz Bij deze voegt men den 
eigenlijken naam zooals Ibrahim enz ; 
analp dajoeng, roeier, sloeproeier; analp 
djari of analp iangan, vinger; ana^ 
dapaty gegeven kind; ana"^ d^bah^ de 
doosjes of schaaltjes in een beteldoos; 
analp djantera, spaak v. e. wiel; analp 
doewit, rente; anale gampang, hoere- 
kind; anale ginta, klepel; anale gobele, 



19 



anakancla — andan. 



stampertje voor de betel; anaif goela, 
stroop; anai^ ffoegoer, ontijdig geborene, 
miskraam; anaj; kakij teen van den 
voet; anal; kembar^ tweeling; ana^: 
k^nda^, bastaardkind, ana^ katoin en 
a, ffara, eeht kind; a. koentji, sleutel; 
a. l'êbahy larve van de bij; a. lidak, 
de huig; anai! lidah timbangariy ton- 
getje aan een balans; ana^ Hla, kogel 
uit een donderbus; anaif limpa, de 
milt; anajf lombonp, mijnwerker; anaf? 
lotjeng^ klepel; anajp mati diboenohf 
kind des doods; anajp mas^ in huis 
geboren slavenkind; ana^! maia, oog- 
appel; ana^ medja, lade in eene tafel; 
a. moeridy leerling; a. mariam, kanons- 
kogel; ana^f moeda zie moeda; anals 
nëgariy inboorling, inlander; a, orang, 
iemands kind; ana]p panah^ pijl; anai; 
pasangt klein getij; ana^i: poengoety 
vondeling; ana^ p)i»joesoey zuigeling; 
ana^ penak^ kroost, nakomelingen ; ana^p 
p^rakoe^ schepeling; ana^p p^rigi^ kleine 
diepte in den bodem van een put; 
ana^ radja, edelman; anal^ ramboet, 
pony-haar; anaif roda, spaak v. e. rad; 
anaif roepijah, stuk van een halven 
gulden; a. tamang, de kostgangers of 
kostkinderen, commensalen, z. indoeif. 
anaip séngkalan, wrijfhoutje voor de 
gewone sambal; anaip soekoe, stuk van 
een kwart gulden; ana^ soedip, zie 
soedip; anai soetoeng^ eerstgeborene, 
oudste kind; anaip soengai, zijtak eener 
rivier; anaif tangan^ vinger, ook leer- 
ling die zijn meester helpt, handlanger ; 
anaip iangga, sport v. e. ladder; anaip 
Maif, de huig; anaif Ulinga, trommel- 
vlies; anaip tjoetjoe, kinderen en klein- 
kinderen, afstammelingen, nakomeling- 
schap; ana^ iorai^, schietspoel; anaif 
toenggal, eenigst kind; anakan, wat op 
een kind gelijkt, pop, interest; anaip- 
anakan, poppen, ook de gezamenlijke 
kinderen van iem, ^p'ëranakan, inlandsch 
kind, ook baarmoeder en baring, ge- 
boorte; mëmp^ranaifkan, baren; dipïr- 
anaifkan, gebaard, geboren worden; 
ièranaip, kinderen hebben, kinderen 
krygen, bevallen, in het kraambed 
komen; b^ranaip ketjil, kleine kinderen 
hebben, jongen hebben; bïranairkan, 
tot kind hebben of aannemen; bh-anaip 
ééngan, een kind hebben of krijgen bij ; 
tahoe béranaipt voor kinderen weten te 
zorgen; kïmanakan, neef of nicht in be- 



trekking tot oom of tante; kïmanakan 
dibawah loetoet, benaming voor afstam- 
melingen van slaven, zoo ook, maar meer 
ironisch k. dengan sèbab. Pad. bov.1. 
döewa btranaJpy een der beide ouders 
met een kind; katiga bïranaif, de beide 
ouders met een kind, of een der ouders 
met twee kinderen, enz. ; anaif bh'anair, 
van kind tot kind, van vader op zoon, 
van ouder op kind enz.; anakanda, 
anaif da, ananda en nanda, vorstelijk 
kind. 

anabanda, zie bij anaip, 

anakda, zie bij anajp, 

ananda» zie bij anaip. 

anang;, in de liefkozingstaai voor anaip, 
kindjelief; soms ook hioeng, mogelijk 
om het rijm. Sj. Ibr. b. Chas. 

anau, de aren-palm = kaboeng en pUoe' 
loelf, 

anbar, Arab. amber. 

anbia, Arab. mrv. van nabi, 

anda, Skr. anda moesang, de beide klier- 
zakken van de civetkat; anda sétoeri, 
e. s. V. versnapering. 

andai, mogelijk geval, mogelijkheid; 
andainja en sandainja, samentr. van 
sa*andainja, verondersteld dat, bijge- 
val, bij voorbeeld indien; bh'andai- 
andai, de gebeurlijkheden bespreken, 
het voor en tegen overwegen, overleggen. 

andak, I. wijziging van pandaif; meng- 
andaip, reven, klein zeil maken, zich 
in zijne uitgaven wat beperken; II. 
andalp-andak, somtijds. 

andaka, Str. e. s. v. wilden stier = 
séladang. 

andal, I. zie bij oendoelp II ; II. andalan, 
vertrouwd, vertrouwbaar, vertrouwd 
persoon, pand, borgstelling. Uit het 
Javaansch. 

andalas; e. s. v. boom, Mën. ; tanah 
andalas, volg. anderen indaloes, een der 
namen van het eiland Sumatra. In het 
Arab. beteekent het Andalusie, Spaüje. 

andam; méngandam, in orde brengen, 
schikken, met juistheid samenvoegen; ^ 
mengandam soerai, het haar opmaken 
van vorstelijke personen en eene bruid ; 
mhigandam misai, de knevels opstrij- 
ken; djalan Hoe bagai di-andamkan 
orang, het is alsof men dien weg in 
orde gebracht heeft; phtgandam ram» 
boet, kapper. 

andan, albino, wit mensch, » orang 
tabon; zie sabon en balar. 



nndaniE '^ andoeli* 



13 



andans, toorts, fakkel, gewoonlijk van 
droge kokosbladeren; andang-andang y 
ra van een schip; andang-adang atas 
of -pérbakoe, de bovenra; a.-a. bawah 
of pirkakiy de onderra. 

andap» Mën. en Jav. zie ^ndap. 

andas, of )èndas; méng^ndas, op een 
onderlaag leggen om er kracht op uit 
te oefenen, b. v. een stuk hout of het 
hoofd op een blok om het af te hak- 
ken, iem. hoofd op iets hards stooten, 
b. V. op de tafel. Mën. id. zie landas. 

anda-wali, e. s. v. plant. 

andërib:, of andëra^, een valkuil om 
olifanten te vangen. Hik. R. Pas. p. 12. 

andika, Jav. beleefd Voornw. van den 
2n pers. enk. 

andir, of andiri, leerschool, akademie 
bij de Bramienen, R. v. E. (?) volg. v. 

d. T. Mën. wrdb. dom, zie ald. 
andja, val, e. s. v. touw op schepen; 

andja pajoeng, de schuif van een zon- 
of regenscherm. 

and[jak; bh'andja^^ van zijne plaats 
wijken; mèngandjak, overplanten van 
de rijst van het zaadbed op de velden, 
verplaatsen, van de eene plaats naar 
de andere dragen of vervoeren; elo^ 
di-andja^y geschikt om overgeplant te 
worden. 

andjal; nténgandjal, terugspringen in 
den vorigen toestand, van elastieke 
voorwerpen. 

andljala.in, of andjalena? gezet, zwaar 
van lichaam, H. Radja Chaib. pag. 34. 

anc^an, Sing. naam v. e. boom met 
slecht hout, vdW. 

andjans, I. gemeenzaam voor pandjang. 
n. andjang-andjangy e. s. v. eetbaren 
zoutwatervisch ; kttam andjang-andjang, 

e. s. V. zoutwaterkrabbe ; III. ook de 
naam van eene soort van plant. 

ancyar, Arab. anker. 

sin^ëlai, zie djêlai. 

an^ërah, Kw. zich verspreiden van 
eene geur en van lichtstralen, b. v. 
maka boelan sédang férang andférahy 
en juist verspreidde zich het licht van 
de maan. Ook schitterend schoon. Zie 
djiirah, 

andjimatit bet Eng. indiamaitf een 
post-indie-vaarder. 

an^iniBv hond; andjing hoetan of a. 
rifnbay de wilde of boschhond, jakhals, 
». cjar, e. 8. v. otter; koètoe a., vloo; 
taoedara a., broeders of zusters van 



dezelfde moeder, maar van andere va- 
ders; a, ianahy e. s. v. vliegend insect 
dat in den grond leeft, de veenmol; 
andjing diUpoe^ kapala méndjéngkit 
ekoer, Sprw. andjing-andjing = poeki 
andjing en namnam, de naam van e. s, \. 
eetbare vrucht; a. p^mboeroe en a, 
ptrboeroewan, jachthond; óagai andjing 
blèrana^ 'ënam, als een hond die zes 
jongen heeft, fig. voor iem. die er arm 
en mager uitziet, v. d. T. bagai andjing 
kadehoeloeany als een hond die het 
wild vooruitgekomen is, d. i. door te 
groote voortvarenheid zijn doel missen, 
V. d. T. ; andjing-andjing y ook oppasser, 
volgeling, lakei, id. 

an^ir, Perz. vijg. 

anc^oens, e. s. v. opkamer aan de zijde 
van een huis, waarvan de vloer slechts 
een paar voet hooger is; andjoeng- 
andjoeng en andjoengan, uitbouwsel op 
den achtersteven v. e. vaartuig, ten be- 
hoeve van dön gezagvoerder •« djimpoe- 
djempoe^ zie ald.; méngandjoengy in de 
hoogte houden, ophouden, b. v. een sig- 
naal, vlieger enz., ook ophemelen, in 
de hoogte steken van een persoon; 
m. diHy zich zei ven verheffen, Mën. 
sandjoeng id. 

au dj oer; méngandjoefy voor iets uit- 
steken, naar voren uitsteken, ook buiten 
de rooilijn uitsteken, vooruitgaan, voor- 
opgaan ; méngandjoer kalaoety in zee uit- 
steken van eene kaap; nvêngandjoerkan 
tangan pada, de hand uitsteken naar; 
méngandjoerkan p^k'irdjaan^ het werk 
voortzetten ; mtngandj oerkan aaldniy een 
groete overbrengen; p^ngandjoefy aan- 
voerder, voorhoede, spits ; bintang p'ëng- 
andjoer, Venus als morgenster; fél- 
andjoefy te ver om nog terug te kunnen, 
zich verpraten; moeloet tïlandfoer, 
öapuit; tïlandjoerany van meer dan 
een persoon, b. v. t^landjoeran soedah 
djadi saoedaray reeds zoover gekomen 
dat men zusters is geworden* 

andoeh; mêngandoeky zwevend houden 
of dragen, b. v. een over den schouder 
geslagen doek, een zieken arm. Men. 
ook den boog van een vlie^^er spannen 
door de uiteinden met een touw te 
verbinden ; tali andoeh, het touw waar- 
mee de stokken worden vastgemaakt, 
die de dekmatten op een vaartuig tegen 
opwaaien bewaren; andoehan, draag- 
band voor een zieken arm; andoehan 



14 



andoek — ansin. 



sékotjiy de stroppen, waarin een sloep 
hangt in de davids. 

andoek; mengandoe^y door een band 
ondersteunen, in een band dragen, b. v. 
een gebroken arm, de borsten enz.; 
zie aiidoeh. 

andoel, Kw. e. s. v. plant die bloemen 
draagt; volg. 't Jav. wrdb. e. s. v. 
kruipplant = soengsoen. 

andoeng, e. s. v. boom, dien men op 
de graven plant ; soorten zijn ; a. hidjaUy 
a. merah en a, batoe. Het hout is zeer 
taai en dient voor lans-schaften. 

andoewan, Skr. voetkluister, voet- 
ketting. 

aneka, Skr. veelsoortig, allerhande, 
allerlei; serba aneka ^ dezelfde beteek. 
als aneka. 

anfëls. Ar. meerv. van nafas^ zie ald. 

anfas* Ar. zeer kostbaar; toelpfah al- 
anfaSy een kostbaar geschenk. 

au ft, zie hang. 

ansaxi, peinzen, zinnen, denken; angan- 
angan, denkelijk, gebeurlijk; angan- 
angan hati, het geweten, ook genoegen 
scheppen in iets; méngangariy een plan 
beramen, bij z. zei ven overleggen. JVlën. 

aneap, zie ngap. Men. ademhaling. 

angat, zie hangat. 

angau, teek, kleine schapeluis; voor 
de groote koetoe babi. 

angga, I. Skr. roesa berangga, een hert 
met getakt gewei; II. olifant. 

anggal, I licht geladen, v. e. vaartuig; 
mënganggalkany lichten, lichter maken; 
b; V. een vaartuig; II. e s. v. horde, 
hangende aan het dak in een Mal. 
woning, waarop men provisie bergt; 
a, tikar, als daarvoor een mat ge- 
bezigd is. 

anegan, zie angga I; II. ook enggan, 
weigeren. Zie ook s^gan. 

anffSB'P; ménganggap, een buiging ma- 
ken, inz. bij het uitnoodigen ten dans 
of tot drinken enz. Ook van groote vo- 
gels als ze willen opvliegen; anggapan^ 
uitnoodiging in dien zin; b^ranggap- 
anggapan, bij beurten ; ménganggap, ook 
«>a;a«^-vertooners roepen. 

anarsar, berekenen, oordeelen, op iets 
rekenen, steunen, op het gezicht meten, 
begroeten ; a. en anggaran, een tijdelijke 
zitplaats, b, v. op een wandeling of in 
een tuin; anggarafiy oordeel, steunpunt, 
basis, rekenkunstige formule, punt van 
uitgang, begrooting. 



anggara, Skr. rood als een vuurgloed; 
ook enggartty e. s. v. zeevisch, volg. 
somm. brasem, klipvisch, goudbrasem. 

anggérana, = bafiijaga, zie ald. 

anggërek, e. s. v. woekerplant. 

anggërka, e. s. v. lang opperkleed voor 
mannen, met overslaande borststukken, 
zooals de Mooren dragen. 

angSit; meng ang git ^ rijgen, aanrijgen, 
b. V. dekriet op de latjes, spannen van 
een vel op een trom; rotan penganggit 
atapy rotan waarmede de dekbladeren 
aangeregen worden ; penganggit b^AoeJfy 
de spankoorden van een moskeetrom; 
II. Jav. opstellen. 

anggo, Jav. gebruiken, zie p^ranggo, 

anggoen, fijn en net bewerkt, beschaafd, 
aristokratisch. Mën. id. 

anggoeng; mènganggoengy oplichten, 
optillen. Zie anghang. 

anssoex*» I' menganggoefy stekken, door 
middel van afleggers of takjes, die men 
overplant; anggoerany zulk een stek of 
aflegger ; II. Jav. menganggoefy ledig zit- 
ten of loopen, niets doen, luieren, lanter- 
fanten ; III. Perz. pokoJp anggoety de 
wijnstok; ajar anggoery wijn; boewah 
anggoety druif; anggoer merahy roode 
wijn, anggoer poeiihy witte wijn ; anggoer 
asaniy rijnwijn; pokoTc anggoer hoetany 
de wilde wijnstok; IV. zie angoer. 

anggoet; b^ranggoety stampen van een 
schip ; beranggoet-anggoety weifelend, 
wankelend, onbeslist, v. e. persoon. 
Mal. Zie a^iggolp. 

anggok. Mal. = dorany zie ald. 

anggok, menganggoi^y knikken met het ' 
hoofd V. slaap of ouderdom, ook als 
teeken v. toestemming of groet, stampen 
V. e. vaartuig; i^ranggoky onder een 
vracht gebukt gaande knikken. 

anggol; menganggoly opwippen v. e. 
voorover gebogen hoofd of kop; den 
boeg opheffen v. e. vaartuig; op de 
horens heffen; met d. kop achteruit- 
slaan tegen iets; t^ranggol-anggoly voor 
anker rijden v. e. vaartuig. • 

anggotay lid v. h. lichaam, lichaams- 
deel; anggota plrkataaUy zin, volzin; 
pèrhoeboengan anggota, gewricht. 

angin, wind, lucht, luchtsgesteldheid, 
lucht van iets, winden in het lichaam ; 
angin haloewan y en a. sakal, tegenwind ; 
a. toeroetan^ en a. iorong boeritan, wind 
V. achteren; a. roewangy en a. timba 
roewang y wind van terzij inkomend; a. 



aneit — anfiioes* 



15 



kentjang-kelat^ stijve koelte ; a. goenoeng- 
goenoengan, valwinden of rukwinden 
van het gebergte ; a. bidai^ wind eenige 
dagen uit denzelfden hoek; a, oelal^^ 
dwarrel wind, wervelwind; a. temberang 
boeritan, gTOote stagwind; a. t. haloewan, 
wind op den boeg; kapala angin, wind, 
die een storm voorafgaat; a. ioekoes, 
de eersle noordel. winden, die nog niet 
aanhouden; a. Ue.lam.boe sabelah^ door- 
staande noordel. wind; a. kelamboe 
ménoenggal, doorstaande stijve noordel. 
wind met regen; a. e koer doejoeng, of 
a. tahoen bekaroe ijina, doorstaande 
stijve noordel. wind zonder regen; 
berangin, in den wind staan; mem- 
péranginkan, aan den wind blootstellen; 
kaangiyian, aan wind of tocht bloot- 
gesteld zijn, daardoor geleden hebben; 
perntaïn angin, e. s. v. weerhaan, die 
geluid geeft; kabar angin, los gerucht; 
tahi angin, windveeren; praatjes, beu- 
zeltaal ; e. s. v. geneesmiddel tegen wia- 
den; mata angin, windstreek; pokoh 
angin, wolken waaruit wind voortkomt ; 
pertjaja angin, geloof zonder grond; 
tjakap angin, kale bluf, gezwets ; kama- 
tijan angin, door windstilte overvallen 
worden; mdin angin, wispelturig in 
spreken en handelen ; daoen bali^ angin, 
e. s. V. geneesmiddel tegen winden; a. 
paksa, gunstige wind ; angin-anginan, 
het tijdperk van de rijst, waarop de 
wind vat krijgt op de plant Pad. 
bov.1. mengambil-ambil angin, e. luchtje 
scheppen; balai peranginan of roemah 
p., zomerhuisje; peranginan, plaats waar 
iets aan den wind blootgesteld wordt, 
droogloods; bilik peranginan, luchtige 
opkamer, ook op een plat dak. 

anfi^it, zie hangit. 

anicka, I. cijfer, nommer, teeken ; angka 
doewa, het cijfer twee, het herhalings- 
teeken in de grammatica; meng angka- 
kan, teekenen, merken; II. berangka- 
angkaan, ergens over peinzen; vergel. 
angkajp, ben. 

anfi:^^^» e. 8. V. zeedier, waarvan armban- 
den worden gemaakt, die door de kinde- 
ren der orang laoet worden gedragen. 
Wellicht de Mal. naam voor de akar 
èahaff doch dan zou het een zeeplantzijn. 

anskak, Mën grap, scherts. 

anskapi bïrangkap-angkapan, bij beur- 
ten, in een dans. Zie anggap en 
rattgkap. 



anekara, moedwil, eigendunk, brutaal; 
endah angkara, brutaal mooi; singa 
angkara, een woedende leeuw; berboe- 
wat angkara, moedwil plegen; angkara 
akan fia^ orang, moedwillig inbreuk 
maken op iemands rechten. 

ang:kasa, ook akasa, het luchtruim, de 
bovenlucht. Zie oedara. 

anskat; mengangkat, optillen, opbeuren, 
verheffen tot, aannemen tot, opdisschen, 
opdragen van spijzen, aanheffen v. e. 
gezang, steken v. e. zweer ; ana^ angkat, 
aangenomen kind; bapa angkat, aange- 
nomen vader; berangkat, vertrekken, 
van aanzienl. personen; trièngangkat 
tangan, de handen opheffen; niéng- 
angkatkan pijala, met e. beker salueeren ; 
angkatan, leger, vloot; mêngangkat- 
angkat, ophemelen, in het zonnetje zet- 
ten. Zie ook mangkat en pangkat. 

angkëroeb, = goepoeh-gapih, zie goe' 
poeh. 

ang^kit; niengangkit, wegnemen of afne- 
men van iets, dat men tijdelijk uitgezet 
of ergens op gezet heeft, b.v. een pot van 
het vuur, een uitgezette fuik, te drogen 
gehangen goed enz. Mën. onophoudelijk, 
gedurig een zekere handeling verrichten. 

angkoeh, I. trotsch, hoogmoedig; II. 
alsof, gelijk, waarschijnlijk; achtig, 
gelijkende op, hebben van, angkoeh 
ajar, op water gelijkende. Pad bov.1. 

angkoep; mengangkoep, open en dicht 
gaan, nijpen, knijpen, b.v. met een tan- 
getje; stpit angkoep, tangetje om de 
baardharen uit te trekken ; mengangkoep- 
kan djari, van duim en vinger een nij- 
pertje maken; terangkoep-angkoep, tel- 
kens open en dicht gaan, zooals de bek 
van visschen. 

angkoet; mèngangkoei, opnemen en weg- 
dragen, transporteeren, b. v. zooals bij 
een verhuisboedel ; rnèngangkoet sarang, 
voor zijn nest sleepen, d. i. zijn nest 
bouwen; pengangkoet, sjouwer, lastdra- 
ger; angkoet-angkoet, e. s. v. wesp, de 
metselbij. 

anskosa, zie kosa-, mengangkosa, tegen 
iem. met een olifantshaak vechten. 

angkot; mengangkot, steken v. e. zweer. 

anfflo, Chin. komfoor, test, vuurpot. Zie 
k^ran, 

ansloeng, Chin. paviljoen, 'prieel. 

ansoer, Jav. liever, liever willen, =» 
r^m'ik. Ook angoeran, 

angoesy zie hangoes. 



16 



ansoet »- antara. 



ang^oet; méngangoety mijmeren, suffen. 

anffon, Jav. hoeden van vee. 

ansraxvan; kajoe angrawan^ e. s. t. 
timmerhout voor schepen. 

anJKsa» Skr: gans. 

anssana, ook stna en op Java sonOy 
e. s. V. boom, die prachtig meubelhout 
levert. 

ang^soer; méngangsoer , bij kleine beetjes 
voortrukken, ook bij beetjes verplaatsen, 
verschuiven; b'érangsoer, ook minder 
worden van een ziekte, langzaam voort- 
treden, vorderen; door afbetaling min- 
der worden v. e. schuld; angsoeran, 
wat in mindering betaald wordt. Ook 
asoera. 

axijzsoka, Skr. de pavetta indica, e. s. v. 
boom, die fraaie, welriekende bloemen 
draagt. 

ansta, zie anta. 

ani, I. houten raam, waarop de schering 
wordt gezet. Het bestaat uit twee 
blokken hout, êapaif ani^ die door een 
lat, è^lera ani, zijn verbonden; tnéng^ 
ani, den ketting scheren bij het weven ; 
ani-anij kettingscheerder; anijan, zie 
kere^. II. ani-auiy Jav. het mesje, waar- 
mede men de rijst snijdt. 

anins» I. afstammeling in den 1^ graad. 
II. mtnganing, in hinderlaag liggen; 
k^na aningt door een hinderlaag be- 
laagd, daarin vallen; pênganing^ hin- 
derlaaglegger, lagenlegger; III. aning- 
aning, een klein soort van bij, die 
honig levert. 

anifoja, Skr. onderdrukking, onrecht, on- 
rechtmatige behandeling, verdrukking; 
nténganijaja, verdrukken, onrechtvaardig 
behandelen ; maii féranijaja^ ten onrechte 
sterven, onschuldig ter dood gebracht 
worden; pénganijaja, verdrukker. 

axvfak, ménganjai^f aandrukken van de 
aarde tegen eene plant, om die vast 
te zetten. Pad. bov.1. 

at^jaxn; mënganjam, vlechten, klossen; 
anjam-mënganjanit allerlei vlechtwerk 
maken; anjam gila, e. s. v. zeer moeilijk 
vlechtwerk van manden, bij bakoelgih, 
ioedoeng sadji en k'ëioepat gebruikt. Let- 
terlijk vlechten om gek van te worden. 

ai\jans> een gerecht van gehakt rauw 
vleesch met specerijen. Sum. anjang- 
anjangt ophappen. Mal. 

BX\iar» Jav. nieuw, nieuwelings. 

aivfir, sterk, vischachtig, traanachtig, 
van reuk of smaak. Ook hanjir. 



ax\joet, zie hanjoet. 

aniok, neerdrukken, onderhouden. Mal. 

anka', Arab. de vogel fenix. 

anoe, een zekere, N. N. een zeker iets; 
wat ik zeggen wil; anoe-anoe^ dit en 
dat; anoe-anoekan y dit en dat doen; 
mogelijk uit het Arab. foelanoe, 

anoeg:ëraha, ook noegtraka, Skr. gnnst, 
gunstbewijs, eerbewijs, geschenk; cté" 
ngan nama anoegëraka, met vorstelijke 
vergunning ; ménganoeg'ërahakan, schen- 
ken, geven, van vorstelijke personen. 

ansdr, Arab. meerv. van ndfir^ de 
eerste helpers of hulptroepen, die Mo- 
hammad van Medina uit ondersteunden* 

ansoer, zie angsoer. 

anta, Skr. aard, natuur; btranta in" 
dlèra, een goddelijke natuur hebben; 
bh'anta loka^ een aardsche natuur heb- 
ben: hlrania slèri, een glanzende na- 
tuur hebben; bv. van de maan; anta 
koesoema, veelkleurig gebloemd v. klee- 
ding. 

antah, I. ongepelde rijstkorrel onder 
de gepelde. Mën. atak, ook fig. iemand 
van geringen stand onder een aantal 
aanzienlijken; II. Batav. brak, ziltig. 

antai; antai boekü, e. s. v. boom, die 
timmerhout levert voor binnenhuis- 
bouw; antai pajah^ een variëteit. 

antak, stampen van een schip; zie 
anggoet. 

antakoesoema, zie bij anta, 

antam, zie hantam. 

antan, stamper van een rijstblok, van 
een vijzel enz. Mën. lat aan den onder- 
kant van een dak, v d. T. antan patak^ 
l^soeng kila?tg, als de stamper breekt, 
verdwijnt het rijstblok, Sprw. Zie aloë. 

antane, e. s. v. mand van boomschors; 
méngantang, in zulk een mand dragen. 

antap, vast ineengedrongen, compaet, 
zwaar voor den geringen omvang of 
in vergelijking met de gewone zwaarte, 
specifiek zwaar. 

antar, zie hantar, 

antar-antar, rijststamper, laadstok, ( 
L. heiblok, aanzetter. Batav. stormram, 
R. V. Eys. 

antara, Skr. in ter, entre, tusschen, 
tusschenruimte, tussohentijd, onderlinge 
afstand, ruimte tusschen, onder, onge- 
veer op de hoogte van, b. v. aniara 
pasar ^ op de hoogte van de markt; 
pada antafa k'ëdai Hoe, op de hoogte 
van dien kraam; antara kapalanja^ o]^ 



antairan — aöes. 



17 



de hoogte van zijn hoofd ; antara .... 
dënffan, tusschen .... en ; antara tidoer 
dtngan djaga^ tusschen slapen en wa- 
ken; antara pada itoe, onderwijl; s^ 
mantara, terwijl, gedurende, ook = het 
Jav. sawatara, eenige, ongeveer; sh 
mantara sêhadja, slechts tijdelijk, Hik. 
Afod. 243. tiada blèr antara lagi, geen 
tusschenruimte meer hebben; antara 
kadoewa peha^^ tusschen beide partijen ; 
antara doewa t^ngah iiga^ tusschen 
leven en dood v. e zieke ; bërapa lama 
antaranja, na een tusschenverloop van 
eenigen tijd; antara iiga hari sakali, 
om de drie dagen ééns; menganiara, 
als bemiddelaar optreden; ptnganiara, 
tttsschenpersoon, middelaar ; èérantara 
en b^lantara, tusschenliggend ; padang 
bïlantara, tusschenliggende vlakte, woes- 
tijn ; barang slè mantara, eenige tusschen- 
tijd, slechts tijdelijk; p^rantaraan, tus- 
schenruimte; zie ook bantara. Mal. 
Stim. I, p. 248. 

antaran, een rolrond stuk hout, ter 
lengte van nagenoeg een arm, dat bij 
het weven gebruikt wordt. G. v. W. 

antefai; ménganteh, Batav. garenspinnen, 
zie pintal. 

antëlas, atlas, satijn, verb. van aflas. 

anterOf Port. inteiro, geheel, gansch, 
het gansche. 

antimoen, = timoen en méntimoen. 

antinis; ménganting, slingerend afhan- 
gen; batoe anting, iets zwaars, b.v. een 
steen öf kogel enz. aan iets slaps om 
het naar beneden te trekken, steen aan 
een inlandsch anker; anting-anting, oor- 
bel, oorhanger ; anting-anting tauge, oor- 
hangers in den vorm van gekiemde 
boontjes; ontang-anting, naar alle rich- 
tingen slingerend afhangen; antingan, 
e. 8. v. heester, welks bladeren den vorm 
van oorhangers hebben; anting anting, 
ook slinger v. e. uurwerk. 

an^ai* totaal bedorven, ontredderd, uit 
zijn verband, in stukken; méngofttjaikafty 
totaal bederven, ontredderen. Mën. id. 

aiitlak, I. klein, rond vlechtwerk, horde 
van bamboe of van de nerven van kokos- 
bladen, vroeger voor borden, thans voor 
offergaven gebruikt; ook een horde op 
staken voor het drogen van gewasschen 
vaatwerk; pinggan antjaf;, vischschotel 
met gtM^e»; mëmboewang antja^, zulk 
een vlechtwerk met offergaven aan den 
w^ plaatsen of op het water laten 



drijven. Bij avond heeft zulk een antjafp 
een brandend kaarsje II. pohon antjalp, 
e. s. V. vijgeboom, ook kajoe boedi ge- 
heeten. 

antjaxn; m^ngantjam, dreigen; p^êng- 
antjam, dreiger, dreigmiddel; peng- 
antjaman, dreiging. 

anljing:, sterk riekend, pislucht, bok- 
kenlacht. 

antjoek, paren, coïre, minder plat dan 
ampoet doch platter dan ajoelp. Mën. id. 

anijol, Batav. uitstekende landpunt, 
kaap B. 

antoek; méngantoek, slaperig zijn, va- 
karig zijn, dommelen; p^ngantoejp 
slaapkop, dutter; orang rrièngantoejp 
disorongkan bantal, een slaperig mensch 
een kussen onder het hoofd schuiven. 
Sprw. Zie antoljp. 

antoel; mengantoel, terugspringen, af- 
kaatsen, afstuiten, v. e. veerkrachtig 
lichaam, bal, pijl, kogel enz.; péng^ 
antoel, wat terugspringt, stuiter. 

antoen, in orde, in de puntjes, van 
kleeding, werk enz.; orang antoen, fat, 
pronker, saletjonker. 

an toep, Jav. angel v. e. insect ; zie séngat. 

antöe^^^, liaam van een bloemdragendén 
boom, die veel van den kènanga heeft. 

antok, mlèngantojpy tegen iets aanstoo- 
ten ; tëranto^ kakinja kapada batoe, hij 
stootte zijn voet aan een steen; batoe 
t^ranto^, steen des aanstoots. Zie antoek. 

aöedzoe, Arab. ik neem mijn toevlucht, 
b. V. döedzoe billaki min assjaifdni 
arradjimi, ik vlucht van den gestee- 
nigden duivel tot God. 

aöem, klanknabootsend woord van het 
klagend brullen eens tijgers enz. ; m^htg* 
aöem-aöem, klagend brullen; harimau 
mhigaoem ttda^ mtnangkap, Sprw. voor 
ons: blaffende honden bijten mti',péng^ 
aöem-aöem, brulling. 

aöer, en haóer, e. s. v. groote (volg. v. 
d. T. Mën. wrdb. e. s. v. dunne) bam* 
boe; bagai aoer di-atas boekit, Sprw. 
voor zich bloot geven, met zijne ge- 
breken te koop loopen. Mën. wrdb. 
Soms ook voor bamboe in het alge- 
meen; soorten zijn: aöer gading, a, 
doèri, enz ; sapérti aöer di iarik soeng- 
sang, Sprw. aöer-aöer, e. s. v.^gras, ge- 
schikt voor paardenvoeder. 

aöerat, Arab. zie oeratW. 

aöd«, I. afgesleten door wrijving, b. v. 
de vinger door te schrijven in het zand ; 



18 



apa — ara. 



aöes Uloendjoejp méntjolejp garam^ de 
wijsvinger is afgesleten door het nemen 
van zout, d. w. z. iemand die altijd bij 
mageren kost, rijst met zout, leeft; 
II. mïngaóes^ zuiveren van metalen? 
vdW. ; IIÏ. Jav. dorst = dlhaga; akoe 
aöeSf ik heb dorst. 

apa, wat ? welk ? iets ; waartoe ? waarom ? 
tiada apa, niets; sigala apa^ al wat, 
alles ; barang apa, het een of ander ; apa- 
apamoe, wat alzoo het uwe is, al je 
spullen ; apalah Hranja, dat toch ; lihat- 
apalah, zie toch; apatah kapadamoe, 
wat gaat het u toch aan? apa-apa, 
wat ook, *t een of ander; meng apa, 
waarom; apa ü^al, wat staat te doen; 
apa bdiknja, waartoe zou het dienen? 
apa-apa sêdikit, van het een en ander 
een weinig; apa lagi, wat nog meer 
is, en nog meer, bovendien, ook apatah 
lagi; apa kala, wanneer; hér apa, hoe- 
veel; öHerapa, eenige, vele; mengapa 
maka, waarom is het dat; ktnapa, op 
Java s= mèngapa; péngapakan, aan iem. 
of iets wat doen; tiada diplèngapakan, 
ongemoeid gelaten worden, niets aan- 
gedaan worden; Kénda^ dipengapakan 
Siri Batara, wat zou de Vorst daar- 
tegen kunnen doen? pengapa, vraagal; 
gewicht, belang van iets. 

apabila, wanneer, als, toen, toen eens, 
eens toen. Samengesteld uit apa, wat 
en bila, tijd, 

apai» e. s. v. kerry. 

apak, muf, duf, vunzig; méngapa^, duf 
worden. 

apakala, wanneer, toen. 

apal» zie ^a/a}, Arab. 

apam» Tam. e. s. v. gebak, indische 
poffertjes; apam dewa, godenbrood, am- 
b rozijn = sénianggi gcenoeng. 

apasf sierlijk, elegant, niet 'plomp, zoo- 
als b. V. de schepen van tegenwoordig 
in vergelijking met die van vroeger. 

api» vuur, aangestoken licht; api-api, 
e. 8. V. plant, vuurvlieg ; lucifers, Pad. 
bov.1. V. d. T. apijang ménghangoeskan, 
e. verterend vuur; kajoe api, brand- 
hout; batoe api, vuursteen; goenoeng 
api, vuurberg, vulkaan; boenga api, 
vopik, vuurwerk ; kopal api, stoomschip ; 
bh-api, vuur vatten, vurig, brandend 
zijn; bh-api'opi, ziedend, van toorn; 
mérapi, vuur voortbrengend; goenoeng 
mièrapi, vuurspuwende berg ; tjaioes api, 
vuurslag; njalakan api, ook aanhitsen. 



opstoken ; bagai api dalam sekam, onge- 
merkt voortwoekeren ; eigenschappen 
bezitten, die niemand vermoedt; mdin 
api, lateer', mdin ajar, basah, die met 
vuur speelt, krijgt blaren; die met 
water speelt, wordt nat. Sprw. bagai 
api dtngan asap, onafscheidelijk; bagai 
api d^ngan raboe^, als vunr bij tonder, 
Sprw. ; dimakan api, door vuur verteerd 
worden, verbranden; ph'apian, kom 
foor; m'éngapikan, op het vuur zetten 
aanvuren, opstoken, aanhitsen. 

apUoen, opium; makan a., minoem a 
en m^ngisap a., opium rooken, schui 
ven; paT^ apioen, de opiumpacht. 

apik, I. zindelijk, net, keurig; meng- 
apikkan, om iets geven, zich voor iets 
interesseeren; II. zie bij oepajp. 

apilan, houten borstwering dwars voor 
den voorsten mast van sommige vaartui- 
gen, voornamelijk van rooversvaartuigen. 

apit, geklemd, opgesloten tusschen twee 
voorwerpen of personen ; méngapit, klem- 
men, opsluiten: pêngapit, klem, opslui- 
ter, adjudant, assistent, waaierdrager 
V. e. bruidegom, persboom, vingergreep 
tusschen duim en vinger, snuifje of 
prise, pers, drukpers ; pêngapit gigi séri, 
de oogtanden; apit-apitan, gedrang; 
apit mengapit, elk. dringen, klemmen; 
bïrapit, dicht bij elk. opgesloten v. ge- 
lederen; boekit bërapit, een bergpas; 
ttrapit, bekneld ; apit-apit, e. s. v. klem 
voor wilde dieren; aan weerskanten v. 
iets zijn, b. v. van een deur enz.; 
apitan tjap, drukpers; apiian anggoer, 
wijnpers; apitan minja^, oliepers; apit 
tjina, e s V. vingerklem als strafwerk- 
tuig op de inl. scholen. Zie ook kapit. 

apoene, wat op het water drijft, drijf- 
hout, drijf kurk, dobber, boei, drijfland ; 
batoe apoeng, puimsteen, drijfsteen; 
mtèngapoeng, zich als zoo iets voordoen ; 
mhigapoengkan, als zoo iets laten drij- 
ven; th'apoeng-apoeng, dobberen v. e. 
vaartuig bij windstilte. 

apoes, ook hapoes, weggevaagd, uitge- 
delgd, uitgewischt, kwijt gescholden, 
verdwenen, weggezonken, b. v. van iets 
in den modder, of de top v. e. mast 
in het water, een huis bij watervloed; 
blérapoes, zich uit de voeten maken; 
mëngapoeskan, uitdelgen, uitwisschen 
enz. Zie ook ampoes, 

apoe-wah, zie poewah en rnëndüa, 

ara» I. poko^ ara of po Aon ara, vijge- 



Srab 



axda. 



L9 



boom; ara kelehoelc^ e. soort welks 
vruclit het meest op de Europ. vijg ge- 
lijkt ; pindjam kajoe ara, leeneu met het 
voornemen om 't niet terug te geven; 
sija-sijalah menanUkan, ara ia'blèrgetahy 
't is te vergeefsch wachten op een vijge- 
boom, waarin geen gom zit, Sprw. ; 
II. richting, streek, kant, ook plaats, 
hoek of gedeelte in een reistas of kof, 
fer; sakoeliling ara, aan alle kanten- 
NB. de meeste HSS. hebben hiervoor 
arah^ zoo ook Mën.; mengarakan, een 
richting geven, aanduiden; tiadalah 
arah Mndalc bïrtjakap^ niet weten hoe 
het aan te leggen om te spreken; habis 
arah, al zijn vernuft uitgeput hebben; 
niêngarah, een richting nemen; tiada 
lagi méngarah, zonder meer een be- 
paalde richting te nemen. 
ëïrab, Arabie, arabisch; orang arah, een 
arabier; koeda arab, een arabisch paard. 
aradl, Arab. toeval, ongeval, onver- 
wachte verhindering. 
arab, zie ara II. 
arba, Arab. vier; hiervan verb. rebo in 

hari rlèbo, Woensdag. 
arbab, zie rabab. 

arairoet, araroet, verb. Eng. het zet- 
meel uit den indischen pijlwortel. 
arak, I. statige optocht; berarajp, een 
statigen optocht houden ; mengara^, iets 
of iem. in statigen optocht dragen, 
vervoeren; perarakan, statige optocht, 
de toestel daarbij gebruikt; ara^^-arakan, 
al wat bij zoo'n optocht behoort; ph'- 
arakan mait, begrafenisstoet, ook dood- 
baar, lijkbaar; awan blèraraljp voort- 
stuwende wolken ; p^ngaraTe angin, wol- 
ken die met den wind meedrijven; II. 
arak, de drank; araie api, voorloop; 
perarakan, arakstokerij ; ptngarakan, de 
gezamelijke gereedschappen voor het 
stoken van arak. 
arak, = araJje II. 
aral, Arab. toevallig beletsel, tusschen- 

komende verhindering. 
araxn; nïéngaram, iem. b. v. een dief 
in het oog houden, nagaan ; aram-aram, 
stelling bij het bouwen, noodladder, 
bootsmansstoeltje, zwevend bankje voor 
ververs, ook pëngaram Soms ook haram. 
aran, e. s v. vischlijn of reep. Mal. 
aranfi:, I. kool, houtskool ; arang para- 
para, roet; arang plèrijoeir, aanzetsel 
Tan buiten aan pot of pan ; arang batoe, 
steenkool; btnang arang, timmermans- 



snoer om zwarte lijnen te maken ; arang 
dimoeka, schande, smaad; plèrarangaat, 
kolen branderij ; kajoe arang, ebbenhout ; 
arang habis, besi binasa, als de kolen 
op zijn, bederft het ijzer. Sprw. II. 
arang-arang, e. s. v. stag op inl. vaar- 
tuigen, van den hoofdmast naar den 
voormast ; arang babi, e. s. v. stut met 
vorksgewijze inkeping. 
aras, I. zie l^dras ; II. aras kërdan, e. s. v. 
poffertjes, die met gekruide saus bij 't 
begin van een maaltijd gegeten worden. 
arauL, zie harau. 
araz, Arab. de Ceder, pijnboom. 
ard^oena; redjoena, naam t. d. derden 
zoon van Pandoe, naam van den koning 
met duizend armen en v. e. berg op 
Java; ardjoena sasra bahoe, eigennaam 
V. d. Vorst van Madjapahit. 
arerah, Jav. zacht, bedaard. 
ares, verb. Nederl. arrest. 
arga, Skr. ook r^a en harga, prijs, 
waarde; a. maii en poetoes a,, naaste 
prijs; rnénghargakan, een prijs op iets 
stellen, den prijs van iets bepalen. 
arham, Arab. genadig. 
ari, I. oelar ari, e. s. v. vergiftige zee- 
slang; roempoet oelar ari en tampoeng 
ari, e. s. v. geneeskrachtige plant; II. 
ari-ari, de liezen, de onderbuik; III. 
Arab. ook tri, stal, voederbak, e. paal 
om e. dier aan vast te binden ; IV. koelit 
ari, vlies, zie bij koelit. 
arif, Arab verstandig, die kent, die weet, 
die onderricht is, kenner ; meerv. arijin. 
arine, I. gekruld of getand versiersel 
eener kris; II. sterk riekend of stin- 
kend; Mën. pislucht; méngaringkan, een 
piquant geurtje aan iets ^even, zooaU 
de bUatjan aan sommige spijzen; III. 
aring-aring en oerang-aring, e. s. v. 
plant. 
arininssoen, Jav. mijn jongere zuster, 

zusjelief. 
arip, Jav. slaperig zijn; plèmarip, een 
slavin om den Vorst in slaap te maken. 
aris, aangezette zoom, belegsel, stoot- 
kant; djaring blêrariskan rotan, een net 
met een zoom van rotan; tali aris, een 
touw langs den rand v. e. zeil genaaid, 
lijk aan een zeil. 
aris, Arab landbouwer. « 

arit, zacht gekromd. Jav, een grasmes. 
arizy Arab. ijzel. 

a.i:ia9 Skr. achtenswaardig, achtbaar, 
alleen in titels. 



do 



ak*ka — asal. 



arka, Arab. zwak. 

arküan, voorts, vervolgens, wijders; 
samentr. van ara^ richting en kijan, 
dusdanig. 

arlodyiy horloge. 

armada. Fort. vloot. 

aroeda. Port. wijnruit. 

aroels; mèngaroe^y trouw zweren bij het 
uitvoeren van een krijgsdans, waarbij 
men tot den Vorst met akoe en ^ngkau 
spreekt. 

aroem, zie haroem. 

aroene, I. méngaroeng^ waden, door- 
waden van water en ook van gras en 
struiken j aroeng-aroengauy doorwaad- 
bare plaats, wadde; II. tenger, slank 
V. leest; meestal haroeng; zie ramping, 

aroes» zie haroes. 

aroewah, ook arwah, Arab. geesten, 
de overledenen, ook feest ter eere van 
afgestorvenen, op den 8n, 7», 40 r» en 
100a dag na het overlijden; makan 
aruHih, zulk e. feest vieren; arwakkan, 
met zulk een feest gedenken. 

aroetvan; ikan aroewan, e. s. v. rivier- 
visch, ook wel ikan gaboes genaamd. 

aro]|:» zie haroe. 

aron; méngaron, doorheen roeren, er 
onder roeren, b. v. melk door de rijst, 
gist door het deeg; aronan^ dat wat 
men ergens door roert of onder roert; 
Tfiéngaron, ook klutsen v. e. ei. vdW. 
Zie ook adon en har au. 

ar^J, Arab. troon, inz. van God, troon- 
hemel; antara Ürsj dëugan koerst^ tus 
Bchen *de beide troonen van God, tus- 
sohen den hemel van vuur en dien 
van kristal. 

avfdd, Arab. astrolabium. 

ai*»Jadaka'llah, God geleide U op 
den rechten weg; d. i. een wensch, 
dien ^en geeft aan iem. die een ge- 
vaar tegemoet gaat. 

arta; h'ta, Skr. goederen, schatten, geld; 
arta blènda, schatten; artatoan^ gegoed. 
In de meeste HSS. harta geschreven; 
arta poeiaka, onvervreemdbaar erfgoed ; 
aria péntjihariaHi goed, dat men door 
vlijt of schenking gekregen heeft ; a, 
pèmboedjangan, de door den man ten 
huwelijk aaügebrachte goederen; a. 
pênggadisan, die door de vrouw zjju 
aangebracht. 

artal» zie hartal. 

artaWan, zie : bij arta. 

arii» zie Mi, 



arya, Skr. beeld, afgodsbeeld. Ook rUja. 

as, Arab. myrthe. 

aiia, I. Skr. hoop, verlangen; poetoes 
asa, hilang asa, hopeloos, geen hoop 
meer hebben, wanhopig; nCêngatakan 
teka^, den eetlust opwekken, trek doen 
krijgen ; djangan asa-asaan, koester geen 
ijdele hoop; asa hajam hlèndait kali' 
soeng; asa itik Kéndajp kap^limbahan, 
de kip verlangt naar het rijstblok en 
de eend naar de kolk, Sprw. om iemands 
aangeboren aard aan te duiden; II. 
munt, de plant; III. één, eenig, enkel; 
toehan jang asa^ de eenige Heer; )impat 
poeloch koerang asa, veertig min één ; 
dalam sapoeloeh a^a^ een tiende; meng- 
asakan, als één erkennen, afzonderen; 
asa-asaan, in zijn eentje zijn, alleen 
zijn; boenga asa, enkele bloem; asa 
doewa, de dubbele waarde of hoeveel- 
heid; asa poelang doewa, voor één 
twee vergoeden. Oend. asa poelang asa, 
één met één vergoeden, dat is voor 
een buffel een buffel, enz. Oendang. 

asabat, Arab. spier. 

asad, Arab. leeuw. 

asali, geslepen; tjertmin tiada blêrasah, 
een ongesiepen spiegel; mengasah hati 
orang, iem. opstoken, warm maken; m. 
pikiran, het verstand scherpen; meng- 
asahkan orang hékérdja, iemand met 
werk afbeulen; mengasah, slijpen, wet- 
ten, aanzetten, afkrabben met een stuk 
glas, fijn wrijven op een steen; batoephtg- 
asah, slijpsteen, wrijfsteen, wetsteen. 

asahan, e. s. v Oost-Iud. batist, minder 
fijn dan tjipoe^; negari Asahan, een 
landschap op N. O. Sumatra. 

asai, vermolmd, verwormd, van beschuit, 
gedroogde vruchten, rijst, enz. Mën. 
een houtworm, ook Mal.; m)êngasai, 
rul maken, los van elk. maken, b. v. 
zaadpadie. Zie ook kasai. 

asak ; mengasaie, aanstampen, instampèn, 
inklemmen, volstoppen, verdringen, weg- 
dringen; bërasak, elk. verdringen; th"- 
asa^, beklemd tusschen iets; anafp-ana^p 
asalp, opgevulde pop Zie ook sèsaif 
en d<êsa^. 

asal, Arab. oorsprobg, afkomst, oor- 
spronkelijk, afkomstig; a$al kata, stam 
V. e. woord, ook datgene/ waarover ge- 
sproken wordt; jang af al sakali, dé 
oorspronkelijke; klmbali kapada afalnja, 
tot zijn oorsprong terugkceren ; hüra^al, 
van goede of hooge afkomst ; af al oef oei, 



a«am — atas. 



21 



afkomst met versch.; a^al^ ook: mits; 
dfalkan, zoo maar, als maar, mits. 

asam, zuur; asam Hmau^ citroenzuur; 
asam djawa, tamarinde; asam garam, 
tamarinde en zout als toespijs bij de 
rijst ; asam-asaman, allerlei zuur, zuren ; 
pêngasam, middel om te doen zuren, 
zuurmakend middel; niêngaaami, iets 
zuur maken, ook met zuur inwrijven, 
inz. met limmetjes. 

asap, rook, walm, damp, stoom; meng- 
asapy rook voortbrengen; mingasap 
njamoi^y muskieten door rook verdrijven; 
asap-asapy damp, wat op rook gelijkt'. 
kopal asap^ stoomschip; plésawat asap, 
stoommachine; p^rang-asap, spiegelge- 
vecht; bintang blèrasap^ komeet; mem- 
pérasapkan, berooken; perasapan, rook- 
hok, rookkamer enz. 

asar» Arab. achtermiddag, tijd van het 
dalen der zon; af ar tinggi, ongeveer 
des nam. half drie; a^ar rendah, onge- 
veer half vijf; waTftoe afar, het namid- 
daggebedsuur. 

a§fi, Arab. ongehoorzaam, weerspannig, 
oproerig. 

asik, ongestadig, v. e. vlieger, en van 
personen, die niet stil zitten. 

asin, zout, brak, zilt, ook gezouten, 
ingemaakt v allerlei spijzen; asin- 
asinan, allerlei in het zout gelegde 
groenten of vruchten; hiervan masin, 
brak, zilt zijn; bandjar masin, de 
brakke of zilte Bandjar-rivier, de naam 
der hoofdstad van Z. Bórneo. 

asina:, afgezonderd, afzonderlijk, vreemd ; 
nlègari asing, vreemde landen; orang 
asing, vreemdeling; méngasingkan, af- 
zonderen, afzonderlijk stellen, ook 
onderscheid maken tusschen; meng- 
asingkan dirinja, zich afzonderen. Hier- 
van ook masing. Zie ald 

aiiji]^9 Arab. verliefd, zeer begeerig; 
kthosji^-asjikan, zeer sterk door liefde 
aangedaan zijn, zeer begeerig of ver- 
langend zijn. 

askandaryat, Arab. Alesandrië. 

a«kai% Arab. leger; orang askar, sol- 
daat, krijgsman. 

afU. Arab van afkomst, van adel. 

asmara, Skr. liefde, mingenot; asmara 
de$ca, de liefdegod, de god der liefde; 
ktumtiran, verliefd; édan kasmaran, 
Jav. smoorlijk verliefd; inémboetoang 
«fmara, den bijslaap uitoefenen. 

asoed, Arab. zwart. 



asoeli; mhtgasoeh, oppassen, verzorgen 
v. e. klein kind; p'ëngasoeh, voedster, 
verzorgster ; phtgasoeh basah-kléring , 
verzorgster voor alle behoeften van het 
kind ; ikan asoeA-asoeh, e. s. v. eetbaren 
zeevisch. Zie baboe. 

asoera, zie angsoer. 

asoet; nïéngasoet^ kwaadstoken, opruien, 
opstoken ; pëngasoet, kwaadstoker ; 
asoetan, kwaadstokerij. 

asta» zie hasta. 

astaerfiroe 'llah. Arab. God vergeve 
me 1 een uitroep van verbazing, meestal 
verb. tot astagapirlah. 

astaka, pui, voorgevel, voorkant v. e. ge- 
bouw, b V. maka kandikan bagindapon 
th'kepillah di-astaka balai. Hik. Boedj. 

astakona, Skr. achthoek, veelhoek; 
blèrastakona, achthoekig, veelhoekig ; 
nasi bërastakona, achthoekig opge- 
maakte rijst, bij feestel. gelegenheden. 

astana, Skr. vorstelijke woning, paleis; 
Perz. zetel, troon, slaapstede; ook graf 
V. vorstel, personen; isi astana, het 
hof, de paleisbewoners, 's Vorsten gezin, 

atah, Mën. = antak I, zie ald. 

antal, e. s. v. boom, die een geneeskrach- 
tige gom levert. 

atap, dak, dakbedekking, inzond, van 
palmbladen, doch ook van ander ma- 
teriaal ; soorten zijn ; a. poewar, a. roem- 
bija, a. sampit, a, slérdang, a. nipah 
enz. De beste en langste heet a. radja; 
a. papan, planken dak; atap batoe, 
leien dak, ot' dak van gebrande aarde; 
atap bata, tegeldak; a. gtnieng, pannen 
dak; a batoe sisik t^nggiling, pannen 
dakbedekking als de schubben van den 
miereneter ; dinding atap, een wand van 
dakbedekkingsmateriaal ; atap idjoe^, 
dak gedekt met aren vezels; a, idjoe}f 
plèraboeng oepih, fig. voor: een vlag op 
een modderschuit; méngatapkan, van 
een dak voorzien; blèraiapkau, tot dak 
hebben Zie ook bij gadjah. 

atar, Arab. geneesmiddel; orang afar, 
apothecar ; minjajp afar, e. s. v, welrie- 
kende olie. 

atas, boven, bovenkant, voor rekening 
of verantwoording; di-atas, boven, op, 
bovenop; di-atas angiu, boven den 
wind; nlègari jang di-atas-atas, hooger 
gelegen plaatsen; atas iiga pérkara, in 
drie gevallen, in drie hoofdstukken; 
tièrbléhagi atas Umpat bagai, verdeeld in 
vier soorten ; aias bahoewa, op voor- 



ata^w — awan. 



waarde dat; (éraias^ hooger, hoogst; 
atas sjariat Ibtrahim^ naar de inzettlng 
van Abraham; aias bWèrapa sebaöy om 
vele redenen; atas patik, dat is voor 
mijne rekening; atas lidah^ door den 
mond van; rnéngatas^ omhoog streven, 
zich boven anderen verheffen; bïratas- 
atasan, onderling de overhand trachten 
te krijgen; atas-mêngataSy boven elk. 
opgestapeld zijn; kaatasan, meerderheid 
boven anderen. 

ata\^ (Skr. athatod) of; ataw pon, of wel ; 
ataw . . . . ataw of ... . of. 

ata-wa = ataTV". 

atittjnëlk, Perz. vurig, gloeiend. 

aljah; vfièngatjah, in schijn iets doen, 
om later iets anders te doen, b. v. 
een schijnaanval doen. 

a^an. Mal. een valschen stoot doen, 
doen alsof men wil slaan, zwaaien met 
een wapen. 

atJaniE, aanbrenger, verklikker. Mën. 
atjang-atjang nêgari, de vertrouweling 
onder de inwoners; a.-a. alet, ceremo- 
niemeester; méngatjangkan, een ver- 
trouwde bode of kondschapper zenden. 

aljapy I. tot aan het boveneinde in 
iets steken, b. v. een sloephaak in den 
modder, een kris tot het gevest in het 
lichaam, een huis tot den drempel in 
het water; II. aijap kali, dikwijls; 
aija^'aijap, gezwind; méngatja/pkan, be- 
spoedigen ; atjap-atjaplah hhdjalan, 
hart lündojf hoedjan, stap wat aan, het 
zal gaan regenen. 

atjar» Perz. ingemaakt zuur ; atjar-atjar, 
allerlei zuur ; atjar ikan, visch in 't zuur ; 
atjar rampai en a. ijampoer-adoe^, 
mixed pickles. 

a^ara, rechtszaak; hari atjara, rechts- 
dag ; mhtgatjara, uitspraak doen ; méng- 
aijarakan, in rechten betrekken; blèr- 
atjara, in proces liggen; pïngatjara^ 
pleitbezorger, advocaat. 

aldaram, trouwring L. 

B,i^B,vrit Malab. timmerman. R. 

atjl» wellicht, bij geval (gew. atji-atji}-, 
als vraag: zal het zoo het geval zijn? 
is het goed zoo ? ook : er in toestemmeu 
dat iets gebeurt; méngatji/can, doen 
gebeuren. Zie atjiip, 

atJihy e s. v. kleine boombloedzuiger; 

V. d. T, spelt vii^' atjit, zie patjet, 
négari atjih, het rijk Atjeh op de N. 
kust van Sumatra. 



atjik, oudere zuster, volg. Abd. uit het 
Hindostani. Zie Mën. Wrdb. 

aljoe; mengatjoe, dreigen met den vin- 
ger of opgeheven wapen; tegen elk. 
vergelijken; atjoewan, model, gietvorm, 
leest; belom di-atjoe, tiwas dehoeloe, 
al mislukt vóór nog een poging ge- 
daan is. 

atJoexn; méngatjoem, iem. heimelijk 
tegen een ander ophitsen p^ngatjoem, 
kwaadstoker j stokebrand. 

atjoenis, zie katjoeng. 

atlasy Arab. satijn. 

atoeng, mengatoeng, dobberen op het 
water, fladderen van een vlinder, wan- 
kelen van het gemoed; katoeng en tltr- 
atoeng, dobberend, drijvend. 

atoer, geregeld, naar orde; maha atoer^ 
titel van de derde wettige gemalin des 
Vorsten; rnêngatoer regelen, ordenen; 
meugatoerkan, hetzelfde met bepaald 
object; m. Tpoeroef timah, letterzetten; 
b^eratoer, naar rang, in geregelde orde; 
atoeran en ptratoeran, regeling, orde. 

atsar, Arab. spoor, gedenk teeken ; al- 
atsar, de gezegden en handelingen van 
Mohammad. 

atskdl, Arab. meerv. van tsa^al, last, 
zondenlast. 

aula, Arab. beter, geschikter. 

aulija, Arab. meerv. van wali, doch 
ook als enkel V. gebruikt in het Mal. 

aT^ah, duidelijk, onbelemmerd, van het 
zien. Zie ook latoah, awas en lawas. 

awaiy teleurgesteld, er met ledige han- 
den afkomen. Zie abi. 

awak, lichaam, persoon, ook als pers. 
Vrnw. met en zonder koe, moe en nja 
voor den 1», 2» en 3n pers. inzonderheid 
voor den 2n pers. jegens gelijken of 
minderen, b. v. awajp tiada tahoe, ik, 
gij, of hij wist het niet; bini awaJp, 
uwe vrouw; awa]c pérahoe, het scheeps- 
volk, de bemanning, ook de romp v. 
e. vaartuig; bh-awa^, bemand zijn, v. 
e. vaartuig. 

awal, Arab. eerste, begin, aanvang. 

a-wan, wolk, regenwolk; golvende uit- 
snij dingen aan een kleed of in hout; 
bièrawan-awan, bewolkt, gemarmerd van 
iets dat aldus geverfd is, krullen, b. v. 
aan letters; aioan btrara^, voortstu- 
wende wolken, ook e. s. v. lofwerk; 
awan mélarat, afdrijvende wolken, ook 
e. s. V. lofwerk ; atoan sëlimpat, de naam 
V. e. ornament of versiersel; atcan- 



ajvAn. 



bad. 



23 



klèmawan, de wolken, das Ge wolk ; rnêng- 
awafiy naar de wolken gaan, zooals 
b. V. een luchtballon ; èërawan, bewolkt; 
awan pingi, zie pingi. 

aw^dn, Arab. helper, medestander; Me- 
vrouw, Madame. 

a'wang:, I. jongetje, als aanspraakswoord 
en ook als blijvende naam ; perawangan, 
de gezamenlijke hamha-radja van een 
Mal, hofhouding; pa'-awang en ma'- 
awang, noemen de ouders van een kind 
ook elkander; awang pengasoeh, heet 
de knecht van Pa'joeng of van den 
held in de Ma'joeng ; II. = awan, wolk, 
Mën. ook uitspansel, hemelruim. 

awar, algemeen heerschende ziekte, epi- 
demie. 

awas, scherpziend, oplettend, voorzich- 
tig; zie ook awah, lawah en éaioas; 
mengawas-awas, scherp bezien, bekijken, 
sterk aankijken. Batav. 

avcret, Jav. langdurend, duurzaam, niet 
spoedig op of versleten = êakan lama-, 
awet moeda, lang jong blijven; minja^ 
int awet, deze olie houdt het lang uit. 
vdW. geeft voor het Mal. op awit. 

a-wit, zie awet. 

azdd, Perz. vrij van gebreken. 

azal, Arab. ontslag; zie mazoel. 

azal. Ar. eeuwigheid, zonder begin. 

azali. Ar. eeuwig, zonder begin, van 
eeuwigheid. 

azaxn, Arab. voornemen, plan. 

azdzil, Arab. de naam des duivels. 

azimafc, Arab. =« djimat, zie ald. 

az£z, Arab. edel, verheven. 

azza, Arab uitstekend, uitmuntend; azza 
wadjalla, de uitmuntende en luister- 
rijke, van God gesproken. Komt dikwerf 
in brieven voor. 

B. 

ba', zie bagitoe. 

bdb, Arab. poort; hoofdstuk, artikel. 

baba, zie hahah, 

babad, Jav. geschiedenis, kronijk, = 
^ikdjat. 

babah, I. een afstammeling van de Chi- 
neezen, in Indië geboren. II. babahan, 
Jav. opening van het menschelijk 
lichaam. Die 9 openingen sluit men, 
om zich in de lucht te kunnen ver- 
heffen. In de Pandji-verh. 

babahaist Jav. opening, gat. 

babalh:; I. sab.zba}:, afdeeling, stuk, be- 



drijf, van een tooneel- of muziekstuk. 
II. braak, inbraak. Pal. 

baban, bundel, pakje, =» boengkoes, 
Maxw.; sababan, een armvracht. Zie 
blèban, 

babang, I. wijd. van een gemaakte of 
door den tijd ontstane opening, gapend 
van eene wond. II. zie bebang. 

babar, plat, niet in een klomp, d, i. 
uitgespreid, uitgerold; mièmbabar lajar^ 
de zeilen bijzetten, letterl. uitspreiden 
of uitrollen. Zie blèbar. 

babas, afdrijven door stroom of wind 
van een vaartuig, niet balen van zeker 
punt; uit elkaar gedreven, verstrooid 
van een leger, aan flarden gescheurd 
V. e. zeil. 

babat, I. op elkander gelijkend in hoe- 
danigheden, vermogen enz. ; voor elkan- 
der passend; een span of paar uit- 
makend; span, paar. II. = bebat, zie 
ald.; III. Jav. pens van een dier, 

babi, varken, zwijn; ba^i hoetan, wild 
zwijn ; babi nangoel, een klein soort van 
wild varken; moentah b. n een soort 
van lange aardworm. Mal.; babi tanah 
aardvarken; babi roesa, hertzwijn; babi 
boeta, blind varken; rnémbabi-boeia, 
handelen als een blind varken, blin- 
delings te werk gaan, ook: blindeman- 
netje spelen en doen alsof men iets 
niet bemerkt; boewah babi, e. s. v. 
plant; bintang babi, de planeet Venus; 
babi doejoeng, het zeevarken; babi aloë 
en b. gadjah = i^noeff; gila-babi en 
sawan babi, zie op gtla en sawaw, 
babi koeroes, e. s. v. boom met hard 
hout. 

babil, tegenstrevend, ongehoorzaam, on- 



babit; membabit, in eene zaak wikke- 
len, er bij halen; ilèrbabit dëngan do- 
sanja, gemeenschap hebben met hunne 
zonden. Keasb. 

baboe, Jav. kindermcid; baboe soeaoe, 
zogende min; baboe kering, droge min. 

bélohil, Arab. vrekkig, gierig, inhalig. 

baobjach, Perz. met de naald stikken. 

baohsJif>J, Perz. fooi, geschenk. 

bacht, Perz. geluk. 

bachtüdr, Perz gelukkig, rijk. 

bacbtoe*lnai^ar, Arab. Neb)ikadnezar. 

bad, Arab. na, b.v. bad }^adj, na de bede- 
vaart ; bad foeboeh, na het morgengebed ; 
wa badoelkaldm almadzkoer, en na de 
bovengemelde woorden. 



94 



bad — bac^oe. 



bad, Perz. slecht;, had-hacht^ ongeluk. 
Hiervan h^dthah, zie ald. 

bdd, Perz. wind ; hala bad, boven den 
wind; zir bdd^ beneden den wind. Zie 
angin. 

bada, gebraden sneedjes pisang. Mal 

bada*9 Arab. begin. 

badai» hevige storm, orkaan, vdW. een 
soort van hoos. Mën. storm. 

badak, rhinoceros; bada^ gadjah, die 
één, en badajp karbau, die twee neus- 
hoorns heeft; bada^ tampoiny tapir = 
Unoe^; b. api^ e. s. v. fabuleus mon- 
ster; b. b'ërlêndam, e. s. v. versnapering; 
lidaA bada^ = lidak buewaja^ de nopal- 
plant, e 8 V. cactus. 

badaniy I, roode plekken op het lichaam, 
melaatschheid in het eerste stadium; 
II Perz. amandel; minja^ badam, aman- 
delolie. 

badany Arab. lichaam, = ioeboeh ; badan 
boelat, naakt, zonder wapens, zonder 
levensmiddelen; badan p'érahoe, de 
romp van een vaartuig; badan jang 
boeroef: ini, dit gebrekkig lichaam, 
d. i. ik gebrekkig mensch. Wordt ook 
wel gebezigd om zichzelven toe te 
spreken, b. v. ek badan ^ sakali int adjaU 
moelah, o mijn ziel, nu is uw laatste 
uur geslagen; hadan djiwa, ziel en 
lichaam ; bdrbadan, een lichaam hebben ; 
badan Adam, menschelijk lichaam, lijk, 
b. V. dan badan Adam pon btriimbon 
sapiêrti djerami, de lijken hoopten zich 
op als stroo; ganti badan, de opge- 
hoogde aarde op een graf, ook een 
liggende grafsteen; b^kas badan, kleed, 
dat men zelf gedragen heeft. 

badanic» e. s v. groote, ronde zeef of wan. 

badar ; batoe badar, e. s. v. steen om in 
ringen te zetten, die de pelgrims van 
het slagveld van Badr meebrengen; 
rad^a badar, e. s. v. wit katoen. P. 

badar, naam van een eetbaren zoet- 
watervisch; b^rbadar, op badar vis- 
schen; badar bara, een groo^r soort 
Tsn dien visch. Jav. wadér, 

bade, Jav. vermoeden, gissen, raden. 

badhoe, Arab. na hetzelve, daarna, = 
kïmoedian daripada Hoe, veel gebr. in 
brieven, waarin dit woord met een 
vetter letter geschreven wordt om aan 
te toonen, dat daar de hoofdinhond 
begint. 

b»di, verderfelijke invloed, die van iets 
uitgaat, dat men ziet of waarmede men 



in aanraking kpmt, of onder welks 
invloed men is, b. v. een tijger, een 
giftboom, speeksel van een dollen hond, 
de smetstof van eene ziekte; badi 
oewang, b. lèmas, de verderfelijke invloed 
van geld of goud, enz. 

badik, e. s. v. kleinen dolk met ééne 
snede en zonder bochten. 

bacya, I. staal, ook btsi badja; II. 
mest; membadjn, bemesten; III zwart- 
sel voor de tanden. 

badjak, I. ploeg; maia-badja^, ploeg- 
schaar, ploegijzer; tiang badjajp, ploeg- 
ijzerbeen ; soengkal badjaj^ en *. tadjajf, 
strijkbord aan een ploeg; ntémbadja^, 
ploegen. Zie ook tlènggala. Verdere on- 
derdeden zijn: gandar badja^, kokot 
badja^, rantai-badjaije, bantal-badjai: en 
klèmoedi badjajp-, II. Jav. badjag, zee- 
roover = p^rompa^ Mal. 

bacUan, zie bedjana, 

badjans» I. e. s. v. boozeu geest, die 
in de gedaante van een moesang als 
eene kat mauwt en inz. zwangere vrou- 
wen verontrust; gelang badjang, arm- 
banden van zwart zijden garen, door 
kleine kinderen gedragen, tegen die 
geesten; II. zwaluwstaart in houtver- 
bindingen (zie lidak), stelten; sïngkang 
berbadjang, Maltheser kruis; III. ba- 
djang -badjang, graszaad, hooikrop. 

ba^jau, naam van een Mal. volksstam, 
die zich voornamelijk langs de Oost- 
kust van Borneo en de Westkust van 
Celebes ophoudt; bintang-badjau, de 
kaapsche wolken, letterl. de sterren der 
Badjau's. 

badji, wig, keg ; ikan badji-badji, e. s. v. 
zeevisch, die wigvormig is. 

badjik, goed, = bdik, en het Jav. 
bUji^. Kabadjikan, deugd, weldaad, 
goeddadigheid ; het welzijn, welvaren» 
b. V. kabadjikan n^ègari, het welzijn 
des lands; djalan kabadjikan, het pad 
der deugd; bMoetoat kabadjikan, goed 
doen; kabadjikan karadjadn, deugde- 
lijkheid van een rijk; niëndatangkan 
kabadjikan, tot welzijn strekken. 

badjoe, kleedingstuk voor het bovenlijf i 
baadje; soorten zijn; badjoe badjang, 
zie badjang II; badjoe èVah dada, 
baadje, dat van voren open is; badjoe 
b'érsajap, een baadje met lange, wijde 
mouwen, zooals de Arabieren dragen; 
badjoe b^si, harnas; badjoe daUm, 
onderhuis, hemd, lijQe, ook b, koetang ; 



badoet — bah. 



badjoe hajaty baadje met korte, wijde 
mouwen, zooals b. v. bij ons de Kat- 
wijker visschers dragen; volg. and. b, 
ajaiy een baadje voorzien van koran- 
spreuken, dat in den krijg als talis- 
man wordt gedragen ; badjoe bërboenga, 
e. met goud bestikt baadje; badjoe 
kadjari, lang gewaad van zijden stof, 
dat tot over de knieën afhangt; badjoe 
kamedja^ hemd ; badjoe koeroeng^ baadje 
dat van voren dicht is, met alleen een 
opening, waardoor het hoofd gaat; 
badjoe maskat, e. s. v. borstrok; badjoe 
p<êsa^ )ênam, buis met zes geeren, twee 
op de hoogte van iedere heup en een 
aan iedere voorslip; badjoe poko^, een 
baadje zonder mouwen; badjoe raniai, 
maliënkolder; badjoe serodja, baadje 
met geplooiden halskraag, letterl. wa- 
terlelie-baadje ; badjoe soelpani, baadje 
met gladde mouwen tot aan de hand; 
badjoe soeniing, een mannenbaadje met 
een inkeeping aan de zijden; badjoe 
Ukqeway het oorspronkel. Mal. baadje 
niet korte, wijde mouwen, = badjoe 
hajat; b, teratai, baadje met wijden 
kraag; b, toro, een lang baadje ten 
voeten uit, door de huisjongens op 
Java gedragen; zie bov. badjoe mantja 
wariMy veelkleurig kleed. Mes. Pr. Dj. 

badoety Jav. potsenmaker, nar, clown. 

badons, I. Jav. borstplaat van metaal, 
ook plaatje ter bedekking van de 
schaamdeelen van een nog naakt loo- 
pend meisje. In het Mal. borstharnas. 
II. e. 8. v. zoutwatervisch. Mal. 

baflba en baftab, Perz. stof, waartus- 
schen iets gewreven of gestikt is, e. s. v. 
calicot. 

baeai» soort, aard; gelijke, gelijk als, 
als of, als; b. v. bagai-bagai ijeriCèra^ 
soorten van, d. i. allerlei verhalen; 
Uada bMagaif zijns gelijke niet heb- 
ben; bMagai doewa, in twee soorten; 
bagai titahy zooals het Vorstelijk bevel 
luidt; bagai ^oekoem adat, overeen- 
komstig het gewoonte-recht; sama sa- 
bagai, geheel en al gelijk, juist het- 
zelfde ; doewa bltlas bagai ragam, twaalf 
soorten van wijzen of deuntjes; mém- 
bagaikan, doen met iets al wat men 
VQrkiest, naar welgevallen er mede han- 
delen, uitmaken voor al wat leelijk 
is; tiada Hérbagaikan en Uada dapat 
dibagaikan, onvergelijkelijk j bagaikan 
e bagai akan; tabagai, van dezelfde 



soort, evenzoo, als of; dan sabagainja, 
en diergelijke; m^moekoel sabagai poe- 
koel, ter dege slaan; sabagai, ook: 
steeds, aldoor, b. v. sabagai mimandang, 
aldoor aankijken; sabagai djoega bh"' 
djalan, steeds voortgaan; inipon satoe 
sabagai poela, dat is me nu weer wat 
raars; bagai bij getallen heeft de be- 
teekenis van maal, b. v. sapoeloeh 
bagai djaoehnja, tienmaal verder; btr- 
bagai-bagai en pUUagai, veelsoortig, 
allerlei; bagaimana, op welke wijze, 
hoe, hoedanig; membagaimanakan, hoe 
met iets handelen. Hik. R. 

basai. Voorzetsel, voor, ten behoeve, 
ongeveer = kapada, vdW. heeft ten 
onrechte bagi. 

baeaiznana, hoe, op welke wijze. Zie 
bagai. 

ba&al, de bloemstengel van de kokos- 
noot. R. hajam bagai i* en b^sar bagai 
tiada bergoena? Abd. schets Wrdb. 

bagan, ruwe schets, ontwerp, platte- 
grond, omtrek, afbakening, sporen van 
gesloopte gebouwen of verblijfplaatsen, 
tijdelijke verblijfplaats, halt, bivouak; 
ook : landingsplaats, veer, Swett. en and. 

bagas, grof van leden, sterk gespierd, 
robust, grof van proportiën, v. e. werk; 
stevig en gestadig van den wind. 

baei, verk. van behagi, zie ald. 

bajginday (samentr. van bahagyanda, 
zijne of hare gelukzaligheid), gebruikt 
als men van den Vorst spreekt in de 
beteekenis van: Zijne Majesteit. 

bagini, zoo, aldus, zooals dit; bagini, 
hari, op dezen tijd van den dag. 

baeitoe, (samentr. van bagai en Hoe), 
das, aldus, zoo, zoodanig ; bagitoe déngan 
bagitoe, dus doende, zoo handelende; 
bagitoe-bagitii, zus en zoo. 

bagoe, I. e. s. v. boom uit welks bast 
men touw maakt ; II. bagoe-bagoe, holte 
of vakje in vruchten? Abd. schets wrdb. 
Zie oelas, 

baieoer, van buitengewone lengte en 
evenredige dikte, van meuschen en 
dieren. 

basoes, mooi, fraai, schoon, schoon- 
heid, fraaiheid; baikbaïk bagoes, dat 
is me nu wat moois! mémbagoeskan, 
verfraaien, opschikken, mooier maken. 

basaal , Arab. ipuilezel. 

bdsri, Arab. dwingeland, oproermaker, 
muiter. 

bab, overstroomend, ook fig. voor alge- 



36 



baha — baïk. 



meen verbreid van een gerucht of 
tijding; ajar bah, overstrooming door 
water van de bovenlanden. Op Java 
bandjir. Zie ook seba^, ampoeh en 
kodjoh. 
baha; mémbaha, ophoogen, opwerken. 

bahak, Arab. e. s. v. melaatschheid of 

uitslag. 
bahaxn; membaham, kauwen met ge- 
sloten mond van droge en poedervor- 
mige zelfstandigheden, die er anders 
uit zouden vliegen, kauwen van dieren, 
vergel. mamah. 
bahan, spaander, flarde ; btrbahan-bahan, 
aan spaanders of flarden. Mën. bangsal 
pérbahanan, timmerloods. Mal.; mem- 
bahan, met een harden slag, aangebracht 
met beide handen, kloven, b. v. van 
een stam tot balken of planken; ook: 
kloven van een meusch met een wapen ; 
ikan bahan-bahan, e. s. v. eetbaren rivier- 
visch. 
bahang:, gloed die uitgaat van een 
brandend of gloeiend lichaam; mèm- 
bahang, door gloed verzengen. 
bahar, e. s. v. lengtemaat ; sabahar, de 
afstand von den top der opgestoken 
hand tot den voet. Pad. bov.1. 
bahar, Arab. uitmuntend, uitmunten 

in schoonheid, bevalligheid en deugd. 
bahar, Arab. zee; laoet ba^aroe 'llaA, 
de zee, -die men zich denkt onder de 
aarde; akar ba/iar, zie bij akar. 
bahar i, Arab. de zee betreffend, zee- 
man. Zie ook blihari. 
bahas, I. dat wat samenhoudt, be- 
schermt, beschermer, patroon; blèrbabas, 
bescherming zoeken, Mal. mogelijk 
beter: aansluiting zoeken; niémbahasy 
aanzetten van planken, die niet goed 
aansluiten, door middel van een spaan- 
sche spil, of door middel van een 
ingeslagen wig tot elk. brengen; II. 
Ar. ba^atSf twisten, krakeelen. 
bahat, aandeel of deel, deelgenoot- 
schap, inz. in een kwade zaak; oraftg 
sabahat, een medeplichtige, particeps 
criminis, heler; kadoewanja itoe adalah 
sabahat, die beiden hadden er deel 
aan; têbab Adam tUah mémboewat 
djahatt iakalian anajp tjoetjoenja pon 
soedah sabahat, doordat Adam gezon- 
digd heeft, heeft al zijn nageslacht 
daaraan deel; kar'éna sakoetoe dan sa- 
bahat d^ngan orang wiéntjoeri, want 



(hij is) medegenoot en medeplichtige 
met dengene, die steelt. Oendang-oen- 
dang Mal en meer and. pU. 

bahats, Arab. onderzoeken, navorschen, 
twisten. Ook bahas, zie ald. 

bahi, Arab. schoon, glanzig, helder, 
sierlijk. 

bahik, zie bakai. 

bahiicii, zie bami. 

bahoe, Skr. schouder, ook v. levenlooze 
voorwerpen zooals b. v. een flesch; kilat 
bahoe, e. s. v. epaulet; tali bahoe, bras, 
mar. kilije bahoe, bovenste armring, 
dicht bij de oksels. NB. dit wordt 
dikwerf verward met baöe, zie ald.; 
'pémbahoe = pêmbawan, zie bawan ; ook 
bahoe lajar en pêrbahoe. 

bahoe^va, zie bahwa. 

bahtëra, Skr. schip, vaartuig; bahUra 
nabi noe^, de arke Noarhs. 

bahwa, ook bahoetoa, Skr. het wezen 
van iets; dengan sabahwa^ wezenlijk, 
inderdaad, waarlijk, werkelijk, naar den 
aard, b. v. kalakoewannja manis dengan 
sabahiva, hare gedragingen waren we- 
zenlijk lief; roepanja eloJp manis sa- 
bahwa^ haar voorkomen was inderdaad 
schoon en lief; bahwa sasoenggoehnja, 
dikwerf verkort tot bahwa-sanja, voor- 
waar 1 bahwa sasoenggoeh-soenggoehnja^ 
voorwaar, voorwaar 1 NB. brieven en 
officieele stukken vangen aan met dit 
woord, waar het dienst doet voor onze 
hoofdletter. Soms moet het vertaald 
worden met: voorwaar, en voor bij- 
zinnen is het ons Voegw. dat. 

baid, Arab ver, afwezig. 

baid], Arab. witheid. 

baidoeri, zie bidoeri. 

baïk, goed, wel; ook gebr. voor ons 
maar, b. v. pada batoe ini baïk, op 
dezen steen maar ; baïk lak, het is goed, 
het is wel ; welaan ! baïk .... baïk, zoo- 
wel .... als, hetzij . , . . of ; djikalau 
tiada bolih dengan bdik, als het niet 
goedschiks gaat ; bdik ia' bdik, goed of 
niet goed, wellicht; didalam baïk tiada « 
bdik, voor het uiterlijk goed gezind, 
doch kwaad in zijn schild voeren; 
orang baïk-bdik, fatsoenlijke lieden; 
barang-siapa pon bdik, om 't even wie, 
wie ook maar ; kamana bdik akoe p^rgi, 
waarheen is het geraden dat ik ga; 
baïk-baïk bagoes, dat is me nu wat 
moois! baïk boedi, goed gezind, edel- 
moedig, wel bij zijn verstand; tinggal 



baina — bc^oe. 



27 



bdik-hdik en 'pirgi hdik-hdik, vaarwel I 
het eerste tot den achterblijvende, het 
tweede tot den vertrekkende ; berbaikan 
wel met elk. zijn, met elk. op een 
goeden voet staan; m^mbdikkan, en 
membaiki, herstellen, verbeteren, repa- 
reeren ; sapèrti tikoes mêmbdikkan laboe^ 
als een rat die eene pompoen repareert. 
Spr. wordt gebruikt van iem. die iets 
verbeteren wil, maar het integendeel 
bederft; rnémbazki dirinja, zich opknap- 
pen; membaïki oranp, iem. goed doen, 
weldoen; membdtki kati, het gemoed 
calmeeren, verzoenen; mlèmbdiki kala- 
koewarty een compliment, een buiging 
maken, P. ; mémbdiki mait, de bezor- 
ging van al de plechtigheden bij eene 
begravenis, ook fig. gebr. voor iem. de 
oogen toedrukken, b. v. liarap ajahanda 
akan toewan membdtki mait ajahanda^ 
iaharang toewan berdjalan dthoeloe 
daripada ajahanda^ ik hoopte dat gij 
mij de oogen zoudt toedrukken, en nu 
zijt gij mij voorgej^aan. Mes. Pr. Dj. 
Ook wordt het gebruikt voor: de lijk- 
verbranding bewerkstelligen ; mèmper- 
baïki, iets verbeteren, in e. goeden 
toestand brengen; memperèaïki p^li- 
doeran of p^radoean^ het bed opmaken ; 
djika bdik, abang bdiki\ djika djahat^ 
abang djahati, handel er mede naar 
uw goeddunken, hetzij goed, hetzij 
kwaad; sabdik-bdik, hoe goed ook, zoo 
goed mogelijk, allerbest; b. v. apa 
djoega sabdik-bdik oesaha, wat is eigen- 
lijk de allerbeste bezigheid? sabdik- 
bdiknja^ goedschiks; kabdikan, deugd, 
weldaad; p^érbdikan^ verzoening. 

baina, Arab. = antara, zie ald. 

bait, I. Arab. huis; baitoe 'll^ardm, het 
heilige hnis, d. i. de tempel te Mekka ; 
baitoe Hmoe^adis^ Jeruzalem; baitoe 
'Imdly de schatkist. II. vers, dichtregel; 
bïrbaitt in verzen spreken. 

bii^a, I. slag, soort in betrekking tot 
den leeftijd, ouderdom, leeftijd; sabaja^ 
van hetzelfde slag, van dezelfde soort 
of leeftijd; even als. II. zie b^haja, 
III. zie k^bajan. 

b%)ak, onevenredig dik van lichaam, 
zoodat men b. v. van dikte moeilijk 
loopt, te weinig hoogte naar evenredig- 
heid van het grondvlak; mémbaja^, 
zich zoo voordoen, b. v. van bruid 
en bruidegom als zij te pronk zit- 
ten; tïrbajaipf als een breede hoop 



uitgespreid, b. v. van koffie enz. Men. 

bajaxn, e s. v. plant, amaranthus, waar- 
van sommige soorten als groente wor- 
den gegeten. Soorten zijn: bajam fadja^ 
b, poetih, b. merah, b. besar, b. soela- 
sih, b. doeri, enz. 

bajan, I. e. s. v. groote parkiet; ikan 
bajan-bajan, e. s. v. eetbaren zee- en 
rivier visch; II. k^bajan^ bode; nene^e 
kebajan, e. s. v. moedertje of grootje, 
dat een belangrijke rol in vele HSS. 
speelt. 

bajdn, Arab. duidelijk, klaar, blijkbaar, 
niémbajankan, verduidelijken, verklaren ; 
ophelderen, mededeelen, te kennen ge- 
ven, = menjatakan. 

bajang:, meestal bajang-bajang^ schaduw, 
schim, schaduwbeeld, schijnsel in een 
spiegel, door een kleed enz ; kdin 
bajang-bajang, doorschijnende stof; a§al 
bajang-bajang^ het voorwerp, waarvan 
de schaduw komt; pada bajang-bajang^ 
in de schemering ; berbajang-bajang, er- 
geus doorheen ^(^Qm^xtn-Jangt^rbajavg 
dalam pikiran, wat nog onbestemd in 
de gedachten ligt opgesloten; a^alnja 
Urbajang-bajang, zijne streken schemer- 
den door, d. i de aap kwam bij hem uit 
de mouw; t^rbajang, in rechten: op ver- 
moeden; terbajatig-bajang kapada mata^ 
uit de oogen spreken; rnèmbajangkan, 
de schaduw op iets laten vallen; mém- 
bajdngiy beschaduwen. 

bajar; membajary betalen, voldoen; 
mèmbajar nijat, en m. ^aul^ zijn gelofte 
vervullen; viémbajarkany iets in beta- 
ling geven; p^mbajary betaalmiddel; 
pémbajarany betaling, voldoening. 

bajas, e. s v. grooten niboeng--^dXm. 

bajat; mémbajaty rijst op de kweek- 
bedden uitzaaien. 

bajih; p^mbajihy een kort stuk hout 
aan beide einden aangepunt en als 
werp wapen gebruikt. Mal. 

bajoe, I. Skr. wajoey windvlaag, wind, 
de god der winden; bajoe mand, gctra- 
ngaUy toewdn^jang ddiang b'èrpoepoet iniy 
hoe is Mijnheer hier zoo verzeild geraakt, 
beland ; poepoet bajoe y windvlaag ; bajoe 
neba^y e. s. v. versnapering; II naam van 
e. s. V. boom, gelijkende op Ae gïrong- 
gang-y III. vreemdeling; IV. van smaak 
veranderd, doch nog niet bedorven, 
van spijzen en dranken; chemisch ver- 
anderd, van het bloed; kabójoewan^ 
eenigszins van smaak veranderd ziji^; 



bc^oefai •— baksi. 



kdbajoewan segala ajar, kwaadsappig- 
heid, bederf der vochten. 

bajoeh, meer dan eene vrouw Iegelijk 
hebben, P. ; beart die aan iedere vrouw, 
als de man er meer dan eene heeft, 
volgens de wet toekomt, vdW. 

bfikjoenfi:, e. s v. kapmes op Silangor = 
pisau walijan op Riouw. 

b%joxifi;-bajons, een vogelverschikker, 
Mal. 

beloer» e. s v. boom met zeer groote 
bladeren. Soorten zijn: bajoer poetih 
en b. helang. 

bak, I. klank van een dof klappend 
geluid, zooals b. v. van een slag met 
de hand op iemands schouder; II. pe- 
riodieke strooming in zee, die van de 
mousons afhangt. Zie ook bak. 

baka» erfelijke aard; overervend, ras, 
afkomst; mënimboelkan baka, zijn aan- 
geboren aard toon en ; memboewang baka^ 
zijn afkomst verloochenen; btrbaka 
matiy sterfelijk van aard; kina bakanja, 
hij is van geringe afkomst; 'ptnjakit 
baka^ erfelijke ziekte, klierziekte. Zie 
ook bajpa\ 

baka'y Arab. bestendig, duurzaam, b. v. 
daripada tiÉgari jang fana^ kapada ne- 
gari jang baka\ uit het land der ver- 
gankelijkheid naar het land der be- 
stendigheid, fig. uitdrukking voor ster- 
ven. Zie ook baka. 

baka^, kaïn baka^, e s. v. rood of blauw 
geruite stof voor kleedjes en hoofd- 
doeken. 

bakal, I. het of de aanstaande, het in 
wording zijnde, wat bestemd is om te 
worden, b. v. koelit bakal tali, boom- 
baat, waarvan touw gemaakt zal wor- 
den; bakai roemah, het aanstaande 
huis, .de materialen, waarvan het huis 
zal gebouwd worden; bakal minantoe, 
de aanstaande schoonzoon ; bakal radja, 
de troonopvolger ; bakal manoesiay men- 
schelijk embryo; mémbakal saroeng 
ktritt den ruwen vorm voor een kris- 
scheede maken; membakalkan, iets tot 
iets bestemmen Zie ook b^kal; II. Jav. 
z allen, zal, tot vorming van den futur. 

bakal, en boeieoel, Arab. groenten, moes- 
kruiden. 

bakam, e s. v. robijn, L. 

bakar$ mëmbakar, bakken zonder vet, 
b. y. brood in een oven; roosten, ver- 
branden; batoe-bakar, baksteen; mèm- 
bakar b^siy ijzer heet maken ; mémbakar 



hati, hartzeer veroorzaken, ergeren; 
Urbakar hati, geërgerd, zich ergeren ; 
mémbakar pisang, bananen roosten; 
mémbakar kajoe, hout verbranden; ada 
roemah tebakar, er is brand; m^njijat 
mémbakar, brandstichten. Pad. bov.1. 
Zie ook toenoe en kan goei. 

bakarat, Arab. een stuk rundvee. 

bakat, I. branding, breking van de gol- 
ven; II. de voorbode van iets, b. v. 
bakat angin, de voorbode van wind; 
bakat djanggoet, de vlasbaard als voor- 
bode van een baard; bakat Icitoemboe- 
kan, de voorbode der pokken; ook de 
sporen van iets, b. v. djalan soedah 
hilang, ietapi bakatnja ada lagi, moge- 
lijk fout voor bekasnja. Zie ook bakal, 

bakan, de strand-wortelboorii, rhizo- 
phoie; soorten zijn: b. soewasa, b. ih 
ngar, b. akit, b. beloekap en b. boeroes. 
Voor de strandbewoners levert de bakau 
het beste brandhout. Oelar b, e s, v. 
slang, die overdag niet zien kan. 

baki, I. verb Nederl. presenteerblad, 
bakje; II. Batav. het ophouden der 
regels bij vrouwen op gevorderden 
leeftijd ; III. rest, overschot. Zie ba^ijat. 

bdki, Arab. eeuwig, bestendig blijvend. 

bakvjat, Arab rest, overschot, bezinksel. 

bakil^, e. s. v. wilde sirih, waarvan de 
vruchten gekauwd worden. Mën. e s v. 
snip. 

bëlkil, Arab. groen wordend, bladmakend ; 
een baard krijgend. 

bakixn, Arab stom. 

bakir, zuur geworden van melk en 
kokosmelk. Mal. 

bdklr, Arab. rijk aan goederen eu ken- 
nis; een rijke. 

bakoel, e. s. v. mand, korf, fijn en 
dicht gevlochten, b. v. voor gekookte 
rijst, naaiwerk enz ; bakoel gila, zoo 
genoemd, omdat het vlechtwerk daar- 
van zeer moeilijk is, bestemd tot ber- 
ging van fraaie kleederen enz. Tim- 
bakoel, zie ald. 

bakoeniE, e s. v. zeer fraaie lelie; i 
soorten zijn: bakoeng 'émaSy b, pera^t 
b. soewasa en b. pantai; b. ajar, lis, 
e. 8. V. waterplant. Daoen bakoeng, 
e. 8. V. rietgras. 

bakoep, verheven bolrond; ook: dik 
gezwollen van het aangezicht en den 
bovenkant van handen of voeten. Zie 
ook tjtmboeng, 

baksiy een zeil tegenbrassen. 



bakti — balatantara. 



bakti, Skr. dienst, dienstbetoon; Vèr- 
boewat bai^ti, dienst bewijzen ; b^r boewat 
ba^ti kapada Allah, God dienen; ka- 
ba^tian, dienst, godsdienst, vroombeid, 
verdienste. 

bala, I. Skr. leger, volk; bala tantara, 
legerscbaren ; II. Batav. een danspartij, 
uit het Port.? III. Perz. zie bad. 

balaohi, Arab. trotscb. 

balad, Arab. gewest. 

balaisr, Arab. merk waar men uitscheidt 
met lezen. 

baldffvat, Arab. welsprekendheid. 

balah, twist, krakeel; membalah, tegen 
iets in te brengen hebben, b. v. tegen 
een bevel, redetwisten; perbalahan, 
twist, dispuut, krakeel. 

balai, I. open gebouw, voor vergade- 
ringen, het tijdelijk huisvesten van 
vreemdelingen enz. balai-roeng, de vor- 
stel, gehoorzaal, bestaande uit de seri 
balaii het verheven gedeelte, waar de 
Vorst en de notabelen zitten, en de 
paseban, de plaats voor de mindere 
hoofden en geestelijken ; balai ajar, 
klein uitbouwsel bij de balairoeng, 
waar de watervaten staan ; balai d^rma, 
een dergel. gebouw voor liefdadige 
doeleinden; b, gtndang, de balai voor 
de rauziekanten van den Vorst; b. 
kambang, Jav. en b. timboel, Mal. een 
balai op het water voor uitspanning 
of om te baden ; b. Mmbaug, een kleine 
balai op grooten afstand van het Vor- 
stel, verblijf bij de buitenpoort; b. 
këtjil vroeger een kleiner balai buiten 
het vorstel, verblijf, waar de bënda- 
hara en de toemënggoeng zitting hiel- 
den; b. larafig, vrouwenvertrek, vrou- 
wen timmer; b. lintang, een kleine 
balai, dwars voor het front der vor- 
stel, woning, ook een plaats aan boord 
waar echeepsraad gehouden wordt; b. 
madat, overdekte loods boven het water 
met een brug aan het land verbonden, 
voor uitkijk en wacht, zoo genoemd 
om het opiumrooken van .die wacht; 
balai mantoeri' komt dikwerf in de 
HSS. voor; b. mariam, loods, waarin 
de kanonnen geborgen worden ; b. pïboe- 
djangan^ zie bij boedjang\ b.p^ranginan, 
zie bij angin; balairoeng, zie ook meng', 
. èéiai'balai op Java balé-balé, een rust- 
bank, iets wat op een balai gelijkt, 
zit p'éntai; p^balai, de vertrekken aan 
weerszijde van de midden-astana, die 



daarvan met voorhangsels zijn afge- 
scheiden. Zoo ze uitgebouwd zijn, dan 
heeten ze roesam ; pèrbalaijan, de plaats 
van de balai, = aan balai. Op Mal. is 
pebalaijan, een platform in het paleis 
aan den linkerkant, waar de vrouwen 
van het hof zitten, ook ptbalai t^ngah 
genoemd; ikan balai, e. s. v. eetbaren 
zeevisch; II. membalai, met onverschil- 
ligheid behandelen, aan zichzelven over- 
laten. Zie halai. 

balairoengy zie bij roeng. 

balaxn, I. boeroeng balam, e. s. v. wilde 
duif; balam t^mbaga, de koperkleurige 
duif met een drieslag. Mën. Wrdb.; 

II. struik, van welks takken vogel- 
hutten gemaakt worden; kajoe balam, 
een houtsoort; g^tah balam, de gom 
van dien boom, id.; III. baldm-balam, 
onduidelijk, flauw zichtbaar door den 
afstand; deinzigheid van de lucht zoo- 
als bij heibrand; IV. pagaaien met 
snelle, korte slagen, bij een wed vaart. 
Mal. 

balan, de dikke palen van een dam. 

balanie, e s. v. flacon met langen hals, 
b. V. voor rozewater; II. sampan ba- 
lang, e. s. V vaartuig met twee mas- 
ten, iets grooter dan de sampan djohor; 

III. mtmbalangkan, slingerend werpen, 
wegslingeren, b. v. van een knots, een 
zweep enz.; IV. haiangbalang , sprink- 
haan = bilalang. 

balar, albino-wit, witte vlekken, vooral 
aan handen en voeten ; ook een schram, 
zie bij tjakar. 

balas; mïmbalas, vergelden, teruggeven 
of doen, beantwoorden, beloonen; mlém- 
balas boedi, een weldaad vergelden; 
balas kata, wederwoord, repliek; mém- 
balas d^ndam, zich wreken; mèmbalas 
soerat, een brief beantwoorden; mim- 
balas bidan, een feest dat op den éOsten 
dag na de bevalling gegeven wordt; 
m'ëmbalas djasa, persoonlijke diensten 
beloonen; m'émbalas goena, weerwraak 
oefenen; niémbalas saldm, iem. groet 
beantwoorden, teruggroeten ; bëróalas 
pasang, met den vloed terugkomen; 
tlèrbalas, in staat zijn om te vergelden, 
b. V. akoe samoewa tiada i'^rbaldÈ akan 
kasihnja radja moeda itoe, wij allen 
zijn niet instaat de liefde van den 
Onderkoning te vergelden; balasan, 
beloon ing, antwoord. 

balatantara» zie bij bala. 



80 



balau — balok. 



balau eu lèmbalau, e. s. v. boom, die 
fraai geel hout en de schellak levert. 
Soorten zijn: balau boenga, b. batoe en 
b. Ulor\ embalau pegau, e. s. v. roode 
verfstof voor het verven van zijden 
stoffen. Pad. bov.1. 

baleroeiiff, zie roeng. 

balsrana, Arab. fluim. 

balhoexxi, de Bileam des Bijbels, baladm^ 
Arab. 

bdlijsr, Arab. wat tot zijn doel geko- 
men is ; ^oedjatoe'l baligrah, een afdoend 
bewijs; akal bdligr, mondig, huwbaar, 
meerderjarig; kabdligran, huwbaarheid, 
mondigheid, meerderjarigheid. 

balija, Skr. jeugdig, frisch. 

balijah, Arab. ongeluk, ramp, beproe- 
ving, proef. 

baiyan, I. de boom, die het ijzerhout, 
kajoe balijan, levert; II. e s. v. danse- 
ressen op Borneo. 

baiyaxifir» zie balijan. 

balik, omgekeerd, achterkant, het on- 
derste boven; het omgekeerde, het te- 
gendeel; terugkeeren, omkeeren, wen- 
den; bali^ adaby ongemanierd; pada 
baliknja, daarentegen, in tegendeel; 
balik adap, e. s. v. plant, welks blade- 
ren aan weerskanten hetzelfde voorko- 
men hebben, vdW. balif? angin, b. 
soempoeh en b. tjaja, zijn namen van 
planten; bali^ ddoen en bali^ k^kat, 
doodtij; bali^ sakit, weer instorten v. 
e. zieke, baliff b^êlah, bet onderste bo- 
ven; baliif b^lakang, zich omkeeren, 
heengaan; poetar-bali^, draaierij; ook 
bola^ baUJp\ bïr balik, zich omkeeren; 
bïrbalii^ hati, ^an gezindheid veran- 
deren; b^rbali^ pikiran, van gedachten 
veranderen; bërbalik maia, oogluikend 
toelaten; iérbali^, verkeerd, verdraaid, 
omgedraaid, 't onderste boven; ook: 
omgewend van een wapen ; m^mbali^kan, 
iets wenden, keeren, omdraaien; tnèm- 
baliki, terugkeeren tot; dibali^ pintoe, 
aan den achterkant van de deur. 

balilsb, I. Jav. verraad, afvallig worden, 
oproer maken. Zie beloet II. en malela, 

balins, om een middelpunt draaiend, 
zooals de wieken van een molen, d,e 
ballen van een régulateur, enz. bolang- 
baling ^ klapmolentje, weerhaan; peloe- 
roe bolang-balingy kettingkogel; baling^ 
baling, steen uit een slinger, projectiel. 
Mal. 

balinskoniK, e. s. v. lang zwaard of 



houwer, waarmede de zeeroovers ge- 
wapend zijn. 

balkas, een groote gebreide zak. 

balkis, eigennaam van de vrouw van 
Salomo ; poeteri balkis, de koningin van 
Scheba. Hiervan bestaat een uitvoerig 
Mal. verhaal. 

ballóét, Arab. eschdoorn; eik. 

baloe, I. weduwe ; baloé laki-laki, weduw- 
naar; membaloeï, als weduwe behan- 
delen. II. onvatbaar zijn voor ver- 
weering V. e. oud blok hout, onvatbaar 
voor zedelijke verbetering. Mal. 

baloeh, het holle lichaam van trom- 
achtige instrumenten; baloehan, het 
huisje op e. olifant. 

baloen, I. tot zichzelf gekomen uit 
den toestand van bezetenheid of inspi- 
ratie; II. beuken, slaan, afranselen. 

baloens, hanekam; ook de bloem van 
dien naam; baloeng seraga, wel ge- 
vulde hauekam; baloeng koelit, schors 
die naar binnen in het hout gegroeid 
is. Dit wordt voor een slecht teeken 
gehouden ; baloeng bidai, e. s. v. boozen 
geest in rivieren, in den vorm van 
een ontrolde mat, die zijn slachtoffer 
omwikkelt en meevoert. Mal. 

baloer, I. Perz. bergkristal ; in 't Mal. 
ook habloer; II. in de zon gedroogd 
vleesch, ongelooide huid van een dier; 
baloer karbau, gedroogd buffelvleesch. 
Zie ook beloelang. 

baloes, het niet doorgaan eener wed- 
dingschap en het terugnemen van het 
opgezette geld bij hanengevechten. Pad. 
bov.1. Volgens vdT. gelijk op, tegen 
elk. opwegend, quite. Mën. "Wrdb. 

baloet, I. het omwondene; mémbaloetj 
omwinden, omwikkelen, b. v. een lap, 
papier of stroo om iets; verbinden van 
een wond; niémbaloei dirinja, zich 
inspinnen ; baloetan en pïmbaloet, wind- 
sel. Zie ook paloet en baroet ; II. gezwol- 
len van de oogen, b. v. door schreien; 
baloet darah, opgeloopen van bloed. 

baloe wfb, Arab. bezoeking, beproeving. • 

baloewarti. Port. bolwerk. Ook ma- 
lawati, 

balbewi, gelijk op, bij spelen met noten 
en dergel. waarmede men die van zijn 
tegenpartij op zekere wijs moet.breken, 
V. d. W. Mogelijk een trans, van baloe ? 

bi^lok, I. Nederl. balk; II. e. s. v. vaar- 
.tuig, vroeger in gebruik; padi èaloie, 
rijst door zulk een vaartuig aangevoerd ; 



balsd.n — bandoet. 



81 



sabalo^! hoenga = sadjam bangan boenga. 
balsëln, balsem, ook de boom. 
bal-wa, Arab. onderzoeken door middel 
van eene proef, proefnemen, bewijzen 
door proefneming, beproeving, wat men 
ondervindt, ongeluk. 
baroy I. Arab. ook ^baniy bas, basstem, 
inz. die van de gendang, waarvan de 
eene kant een diepen en de andere 
kant een hoogen toon heeft; II. ook 
ebamy dwarsbalk tot steun van het 
roer, de masten enz. van inlandsche 
vaartuigen ; ^atah k'émoedi dèngan ebam- 
nja, Sprw. voor: alle hoop is vervlo- 
gen; III. van kleiue kinderen in de 
troeteltaal: liggen; mémbamkan, doen 
liggen, te slapen leggen. 
bambans;, I. plat en breed, zooals b. v. 
een groote spiegel, van het aangezicht, 
de volle maan ; ikan bambangan^ e. s. v. 
smakelijken zeevisch ter grootte van 
een kabeljauw; II. het wegvoeren van 
een meisje of weduwe met hare toe- 
stemming; sabambangan, in het geheim 
het met elk. eens zijn, in een ongeoor- 
loofde betrekking, in het geheim met 
elk. omgaan, van twee gelieven; met 
elk. stil wegloopen. Volg. v. d. T. Lam- 
pongsch. 
bamboe, het bamboe-riet. Dit woord 
wordt door de Mal. wel verstaan, maar 
men gebruikt daarvoor steeds het woord 
boeloeh^ zie ald. 
bami, Chin. e. s. v. macaroni, vermengd 
met varkensvleesch, garnalen en groente. 
ban, Perz. opziener, gezaghebber. 
bana, zie b^na. 

banans, groot in zijn soort, alleen in 

de samenstellingen met doekoe^ poepoet 

en sipoet. 

banat; mlèmbanat, slaan, kloppen, beuken. 

bandt, Perz. e. s. v. fijne, wollen stof, 

laken. 
banda; b. djawa, gierst, d. 1. Cr. 
bandala. Port. kruithoorn, kruitkoker. 

Zie ook bandela. 
bandanff, I. e. s. v. smakelijken visch, 
op Java band^ng ; IT. slinger; IIT. = 
btndtrang. 7Aq ald. 
bandar, I. Perz. handelstad aan zee 
of aan eene rivier ; sjah bandar ^ haven- 
meester; kawan bandar ^ onderhoorige 
van den havenmeester ; II. waterleiding 
op de rijstvelden; mêmbandarkan, geu- 
len graven voor den waterafvoer; m^m- 
bandarkan ajar kasawahy water leiden 



naar de rijstvelden. Pad. bovenl. bandar 
pemboewangy leiding voor den afvoer 
van het overtollige water; bagai mem' 
bandar kan ajar kaboekity fig. voor mon- 
nikenwerk doen. 

bandarsah, verbastering van mandar- 
sahy zie ald. 

bandeja. Port. schenkblad, presenteer- 
blad. 

bandela. Port. baal, pak. 

bandela =3 bandala^ zie ald. soms ook 
voor bandela^ zie ald. 

bandera. Port. vlag; bandera kapajp^ 
gewone vierkante vlag; b. poeiert bh'- 
toedoeng, vlag, die over den knop van 
den stok geslagen is, wat men voor 
een goed voorteeken houdt. 

banding, evenbeeld, weerga, dat, waarbij 
iets vergeleken wordt; mémbandingkany 
vergelijken, confronteeren ; tiada ban- 
dingnjay niets is er mee te vergelijken, 
onvergelijkelijk ; tiada kabandingan, met 
niets vergeleken kunnen worden. 

banc^ar, rij, gelid, b. v. van boomen, 
huizen enz bïrbandjar, op een rij ; toewa 
bandjary iem. die het gezag heeft over 
een rij tijdelijke hutten bij veraf gele- 
gen rijstvelden; bandjaran, rijtje; doe' 
doelp berbandjarany op een rijtje zitten. 
Mes. Kag. NB. bandjar wordt gebruikt 
als er eenige ruimte tusschen is, an- 
ders bezigt men djedjer. 

banêyi, Chin. e. s. v. roosterwerk van 
latten of porcelein aan balustrades, 
vensters deuren enz. boenga bandjiy 
figuren op lijnwaden, gelijkende op dat 
roosterwerk. 

bandjir, Jav. overstrooming door water 
van de bovenlanden. Zie ampohan en 
ajar bah; kabandjiran, overstroomd zijn. 

bandoe, Skr. bloedverwant, vriend, ka- 
meraad. Zie bantoe. 

bandoene, I. paar, koppel, vlak tegen 
elk. aan, van huizen, bergen, eierdooiers 
enz.; hajam bandoengy tweelinghaan, 
uit cén ei gekomen. II. Mën. het ge- 
luid van veel stemmen door elk; ban- 
doeng ratapy weeklagen bij een lijk, 
zie ook bendoeng. 
bandoet, de ring, die de aring met 
het krislemmer verbindt; m^mbandoety 
een scheur met een band dichthouden; 
pémbandoety de band of het middel om 
eene scheur dicht te houden; bandoet 
mariamy de banden, waarmede het ge- 
schut aan boord wordt vastgesjord; b. 



32 



banis — banisoen. 



soendang, metalen verbinding aan een 
Mal. zwaard. 

baniE» I. verk. van abang I, zie ald ; 
II. ook ebang, aankondiging van de ge- 
bedsuren door middel van de b^doek^ 
méngV>ang, de bang opzeggen, ook b^r- 
bang\ méng^bangkan, de bang in het 
linkeroor v. e. begravene zeggen. 

bansai, verlaten, ongedaan, onafgewerkt 
gelaten, in den steek gelaten, open 
gelaten v. e. deur of doos, zooals een 
huis, dorp, begonnen werk, dat men 
laat varen; zitten gebleven van een 
meisje, dat niet ten huwelijk gevraagd 
is. Zie ook bhtgkalai. 

banffar, I. rotte stank, zooals van vuile 
riolen en goten, ook onzuiver van 
smaak, zooals stinkend water uit een 
vat; II. zie ingar; bang ar, Mën. dof, 
verdoofd van het gehoor, zooals na het 
gebruik van te veel quinine. 

banffat, spoedig, onverwijld; memba- 
ngatkan p^k^rdjaan^ achter een werk 
heen zitten; d^ngan bangat-bangatan, 
met haast, met jacht iets afmaken; 
bangat-bangatf ten spoedigste; sabangat- 
bangatnja, op zijn spoedigst. 

banaan, e. s. v. reiger; soorten zijn* 
bangau btsar, of b. karbau, b. b^roe, 
b, kambing en b. oelar. 

bansboens, Jav. = gendang, zie ald. 

bansei, I. Jav. weerspannig, weerspan- 
nigheid, a= doerkaha; II. koppig, sterk 
bedwelmend, van een drank. Zie bij 
êërbat. 

banskaiy dood lichaam, aas, kreng, 
lijk. Voor lijk van menschen gebruikt 
men liever het Arab. mait. 

banfskalf e. s. v. boom zonder waarde, 
onderscheiden in b. laki-laki én b. pèr- 
%mpoe%oan. 

baniskans, I. e. s. v. eetbare zeekrab- 
ben. vdW. ; II. gestaakt, geen voortgang 
hebben, v. e. werk, ook in den steek 
gelaten van eene vrouw door haren 
man; mëmbangkangkant staken, geen 
Toortgang doen hebben. Zie ook b^ng- 
kang II. 

banskar, stijf, hard, zooals een dood 
lichaam; ook: hard, taai, van vleesch. 

• Mën. kwast in hout; oök mangkar. 

bfinftkas, effen geel, of bruin en wit 
van vederen, van een vechthaan ; Mën. 
lichtbruin met stippen, inz. van paarden 
en hanen; van een persoon; fier, moe- 
dig, trotsoh als een vechthaan; volg. d. 



B. ook: kloppen, afwiimen, in een spel. 

banieke, zie bangkai, 

baneket, Ned. kwe bangket, banket, 
fijn gebak. 

banskil, = bangkït, verwijt, bestrafiing. 

bangking:, e. s. v. groote, ronde, ver- 
lakte doos met deksel om kostbare 
kleederen in te bergen. Zeer fraaie 
komen van Palembang. 

bangkir, I. holte in een boom? waarin 
men slapen kan. Saif Doel. dan tidoer- 
nja kapada segala bawah bangkir ? kajoe^ 
zie banir I. II, zie bij bongkar. 

banekit, opstaan, oprijzen, opkomen, 
opwellen; bangkit bïrdiri, samengest. 
uitdrukking voor: opstaan; bangkit 
hati, er tegen op komen van het ge- 
moed; niêmbangkit batang téMnam, 
oude koeien uit de sloot halen. Mën.; 
b^rbangkit dalant haii, opwellen in het 
gemoed ; membangkit, verwijten, inzond, 
van bewezen weldaden; mëmbangkitkan, 
doen opstaan, doen oprijzen; in^mbang- 
kitkan perkara jang lama, oude koeien 
uit de sloot halen ; m^mbangkiikan orang 
matiy de dooden doen verrijzen; mém- 
bangkitkan amarahnja, iemands toorn 
opwekken ; membangkitkan pédangnja 
kaoedara, zijn zwaard in de lucht ver- 
heff'en, d. i. in de hoogte steken; hau' 
toe bangkit, spoken, geesten, van afge- 
storvenen; kabangkitan, opstanding. 

banfiko. Port. bank, canapé; bangko 
kaki, voetenbankje. 

banskoet, dwergachtig, misvormd, ver- 
wrongen, verdraaid; orang bangkoet, 
dwerg, gedrocht; kajoe bangkoet, mis- 
vormd hout. Mal. 

banglas* vrij, onbelemmerd, ruim van 
uitzicht. Zie lantang. 

bansoen, opstaan, zich oprichten, over- 
eind gaan staan; opstaande stelling, 
postuur, gestalte, bouworde; uitkomst, 
uitslag; bloedprijs; mega mtmbangoen, 
wolken, die zich aan den horizon ver- 
heffen; ook van den regenboog en het 
avondrood; mémbangoen bahtlèra, een 
vaartuig op stapel zetten; mémbangoen 
niégari, een stad stichten; mémbangoen" 
kan, doen opstaan, wekken, doen vèt- 
rijzen^ oprichten van een gebouw, den 
godsdienst, enz. mémbangoeni, opstaan 
voor of ten behoeve Van iem. of iets; 
bangoen-bangoen, de statuur van ieniands 
persoon; ook bangoen-bangoenan, Pel. 
Abd. mijne uitgave pag. 40, torenije 



bansoes — • bantal. 



88 



of stellage op iets anders; bangoenan, 
opstand, stand, postuur. 

banaroes, Batav. snuit, inz. van een 
varken. 

banssa^ Skr. geslacht, stam, volk, adel ; 
soort, kwaliteit; bangsa jang tinggi, 
' een voornaam geslacht; sabangsa^ van 
hetzelfde volk of geslacht; èangsawan, 
adellijk, van een edel geslacht. Zie ook 
Aoeloeöangsa. 

"hmng^eAt sedert lang geveld of omver- 
gevallen en tot op het hart na ver- 
gaan, van hout. Het overgebleven hart 
is zeer gewild. Mën. verteerd, uitge- 
teerd. 

baniesal, loods; bangsal kareia^ "kotis- 
huis; bangsal koeda^ paardestal. 

bazME«at^ Jav. schurk, schelm, gauwdief, 
vagebond, schooier. Ook wandluis. 

banftaa-wan^ Skr. van een aanzienlijk 
geslacht, adellijk; maha bangsawau, 
hoogedel. 

banssi» e. s. v. fluit of flageolet van bam- 
boe; birbangsii op de flageolet spelen. 
Zie ook kara. 

baniEsoene, korte puntige uitspruitsels 
op de horizontale wortels van som- 
mige boomen, b. v. de ptrépat^ de poe- 
lai enz. ook : e. s. v. puntige mand, op 
den rug gedragen, om sago te vervoeren. 
Vergel. baaoeng en amboeng, 

bani, Arab. zonen, volkeren; baniAdantf 
menschenkiaderen ; bant Israël, de zonen 
Israëls. Ook wel Ifanoe, 

bantfasa, Skr. Zie b'énijaga, dat weer 
verbasterd is tot blèmijaga, 

banijcui, I. een Hindoesch koopman; 
H. koffer, ter berging van voorwerpen 
van waarde; zak voor provisie, man- 
telzak, d. B.; III. badjoe banijan « 
b, panas, flanellen hemd. Mën. e. s. v. 
onderbaadje van wit en blauw katoen, 
V. H. schrijft boenièn, 

banins* e. s. v. groote landschildpad, 
Keasb. Mén. ld. baning-baning, Mën. 
eeu harde houtsoort. 

bailir» I. uitwas onder aan den stam 
van sommige boomen, waardoor zij er 
uitzien als door dikke planken gesteund 
te zijn. Mën. kwast in hout. II. deel, 
waaruit een oetas v. e. net bestaat, 
meestal zijn er 12. 

tMmJab:, veel, hoeveelheid, menigte, 
dikwijls, vele malen, zeer ; amai banjaif, 
zeer veel; banjaif amat, te veel; tiada 
btrapa banjajf, niet zoo bijzonder veel; 



sMikit banjaif, veel of weinig, plus 
minus; orang banjaif, de menigte, de 
schare, het volk, het publiek; ban j alp 
orang, veel menschen ; kabanjakan, hoe- 
veelheid, meerderheid; gewoon, meer, 
meerendeel, in het algemeen, meestal; 
kabanjakan manoesija, de meeste men- 
schen; manoesija kabanjakan, gewone 
menschen; timah kabanjakan, gewoon 
tin, gemeen tin ; ^ikdjal itoe kabanjakan 
bohong daripada blènar, dat verhaal bevat 
meer leugen dan waarheid; banjaif' 
banjaif, zeer veel, dringend, b. v. minta 
banjaip-banja^, dringend verzoeken; sa- 
banjaif, zoo veel, even veel; sabanjajp- 
banjaif, zooveel mogelijk; sabanjaif- 
banjaknja, op zijn meest; mémbanjaifkan, 
veel maken, vermeerderen ; mièmbanjaki, 
met zijn velen bij iem. komen of op 
iem. aandringen, mémp^rbanjaip-banjaki, 
er veel van maken, het veel doen zijn, 
b. V. van een bruidschat enz.; bManjaif 
hati, bedenkingen maken, tegen iets 
opzien, b. v. djanganlah kakang btr* 
banjaif hati kapada pon jaji, m^n broe- 
der make toch geen bedenkingen tegen 
mij, zie niet te veel tegen mij op; djo' 
nganlah toewan b^rbanjajp hati, karina 
anaifkoe pon soedah ajahatida ambil 
akan anaif, mijnheer make toch geen 
bedenkingen, want vader heeft u reeds 
tot zoon aangenomen. Mes. Kag. 

bacjar, een bui, plotselinge wind- en 
regenvlaag. Mal. 

banjoe, gegist vruchtwater van kokos» 
noten, waarin een stuk ijzer gelegen 
heeft, dienende om roode zijde paarsch 
te verven. Jav. water = ajar, 

bax\joel, I. er. s. v. vogel. Mal. II. hans- 
worst, "komiek, clown. Mal. 

ba]\|oen, een mengsel om de tanden 
zwart te maken. Mal. zie banjoe, 

l>anoe, Arab. gewijzigd meerv. van bin, 
zie ald. 

bantab, woordentwist; membaniahi, be- 
twisten; mémbantahkan, twisten over 
iets; bantahan, twistziek, wederspre- 
kend ; baniahbentoh, hevige ruzie ; pém» 
bantah, betwister, tegenspreker; jȕr- 
bantahan, twist. 

bantai, neergeslagen, neergeveld; mém' 
bantai, neerslaan, slachten, door een slag 
dooden; p^mbantai, slachter, slager; 
pïbaniaijan, slachtplaats. Zie ook ban- 
tiug, 

bantal, kussen; bantal goeling, rolkus- 

8 



84 



bantan •— baoe» 



sen ; b. siraga^ staatsie- of pronkkussen, 
zie séraga; b. përëboeng, het bovenste 
van een stel pronkkussens ; b. pënjam- 
boety het onderste; b. penjangga, stoot- 
kussen, b. v. tusschen een sloep en het 
scheepsboord ; b» k^mboengy een arm- 
kussen, kort en dik ; b. mendjagay kussen 
om wakker te blijven, d. i. een ge- 
schilde kokosnoot voor oorkussen ge- 
bruikt; b. toempoe^ kapalay kussen dat 
achter het eigenlijke hoofdkussen staat ; 
b. galang kapaltty het eigenlijke hoofd- 
kussen; tikar-bantaly slaapmat en kus- 
sen, d. i. het beddegoed van een in- 
lander ; bantal'bantaly wat op een kussen 
gelijkt, hekbalk, mar. banial-bantal pe- 
langiy horizontaal stuk v. e. regenboog ; 
b^rbanialkan tangan, met het hoofd op 
de hand liggen ; birbanfalkan téngariy 
met het hoofd op den arm liggen; 
bantal p'ëringinan f* Hik. Ind. Poet. 
b, tandarafiy rug- of lendenkussen, ook 
het kussen in den rug van een stoel, 
canapé en rijtuigbank. 

bantan, naam van de Residentie op 
Java, door ons tot Bantam verbasterd. 

bantar; mémbaniary stuiten, bezweren, 
beletten, b. v. van een ziekte, gevaar, 
storm enz., iets dreisjends tegenhouden, 
tegengaan; mèmbantar bijola, de viool- 
snaren aanschroeven. 

bantara, Skr. adjudant, heraut Door- 
gaans heeft de Vorst er twee: de ban- 
tara kirt en b. kanan, waarvan de 
eerste de voornaamste is. Hij ontbiedt 
den b^ndahara en den toemënggoeng en 
staat op de sh-i-balai bij den pilaar 
rechts, waar men opgaat en draagt een 
tttampan over den schouder. Mal. Sam. 
Verder heeft de Vorst nog de bantara 
dalam, die de ceremonies in het paleis, 
en de bantara loewar, daarbuiten regelt, 
zij worden geassisteerd door de bantara 
moedtty of aspirant bantara's; b. hida- 
ngan, tafelbediende van den Vorst, 
lakkei. Zie ook antara. 

bantat, » pantaty de billen. 

bantenir» Jav. het wilde rund. Mën. 
algemeene naam voor koe. Zie sèla- 
dang, 

biünti; mimbanti, nederliggen, rusten. 

Saiitiniir; mëmbauting, smijtend slaan, 

' neersmakken, bonzen van het hart, 

hossen van een rijtuig ; m^mbanting kdin, 

het goed slaande op eene plank uit- 

n WEBsel^n; mémbaniing toelang, er zijne 



botten aan zetten, zich afsloven; sa- 
perti omba^ membanting diri, Sprw. 
perahoe banting, e. s. v. vaartuig met 
twee masten. 

bantjah, moerassige grond. Pad. bov.1. 
laag land, broekland, moerassig, drassig, 
doorweekt, doornat, in groote mate 
bezoedeld. 

bantjang, I. mêmbantjangy beletten, 
verhinderen; 11. gemeenzaam gesprek, 
kout. Me», bentjangy telkens op het- 
zelfde terugkomen, herhalen wat reeds 
gezegd is, leuteren, nakauwen. 

baniji, I. Tam. dissel, grooter dan de 
patily en met onverzetbaar ijzer; II. 
schatting, contributie, die de hoofden 
heffen, ook: volkstelling; bantji-bantji, 
statistische lijst der bevolking; m^m- 
bantjiy het volk tellen door van ieder 
besneden man een kleinigheid, b. v. een 
mas te vragen ; III. op Java en Malaka : 
hermaphrodiet. 

bantjoeh; membantjoeky vermengen, 
onder of door elkander mengen, b. v. 
klei met water, zout met peper, verf 
met olie; p^mbantjoehy dat wat er 
onder gemengd wordt 

bantoe; mèmbantoey helpen, bijstaan, 
steunen ; p^mbanioey ook bantoe y helper, 
bijstand, hulptroepen. 

ban toen, I. m^.mbantoeny met geweld 
uitrukken, b. v. een boom met wortel 
en al, een pijl uit eene wond, een keg 
uit het hout enz.; II. e. s. v. boom 
met fraai geel hout, waarvan wandel- 
stokken gemaakt worden ; ook stbantoen. 

bantoet, in de ontwikkeling of voort- 
gang gestuit, achtergebleven, gestaakt 
V. e. werk, in zijn slaap gestoord, on- 
volkomen gebleven, gestuit v. e. ziekte, 
neergeslagen v. beslag of baksel, niet 
meer genegen zijn tot iets; mtmban- 
toetkany dien toestand veroorzaken. 

baoe, lucht, reuk, geur ; baoenja satahoen 
p'élajaran, zeven uur in den wind stin- 
ken; sabaoCy van dezelfde reuk, d. i. 
aan elk. gewend, niet schuw meer; 
blêrbaoey een luchtje hebben, er is een 
luchtje aan, b. v. nasi ini soedah b^r- 
baoCy aan deze rijst is reeds een luchtje, 
zij is niet frisch meer; tiada boetoej^ 
jang tab^rbaoCy aan alle kwaad is een 
luchtje, Sprw.; baoe-baoeany reukwerk, 
allerlei welriekende zaken ; baoe boesoejpy 
lidak bhrbangkaiy het stinkt en er is 
jceen kreng, Sprw. haroem mênghilangkan 



baöeh •— bavanfi:. 



35 



haoe, de geur doet de reuk verdwijnen, 
Sprw. beteek. Ie mieux est Pennemi 
du bien, of een tegengeschenk, gegeven 
om geen verplichting te hebben. 

baöeh, = iipaty zie ald. 

baöek, baard van haar of vederen on- 
der de kin, tusschen kin en hals; ook: 
onderkin; tjambang haoelp, ringbaard, 
bakkebaarden die onder de kin door- 
loopen. 

baöenfi:, e. s. v eetbaren zoetwatervisch ; 
djauggoet baöeng, de baard van dien 
visch ; roempoet djanggoel haöeng^ e. s. v. 
plant, die als groente gegeten wordt. 

baöer, I. onregelmatig gekromd, zooals 
b. V. sommige scheepsplanken ; II. ver- 
eenigd, gemengd, ondereen; Mën. id. 
Zal wel ontstaan zijn uit htrawoer^ 
dooreen, mengen, het Jav. awor en 
wor; t jampoer baöer^ zie tjampoer. 

bap, klanknabootsend woord, om het dof 
geluid weer te geven, veroorzaakt door 
iem. die op een zachten grond valt. 

bapa, verk. tot pa^ en als vocatief ook 
bapang, vader; bapa angkat^ aangeno- 
men vader; bapa tiri, stiefvader; ma* 
bapa of iboe bapa, vader en moeder, 
ouders; bapa saoedara, vaders of moe- 
ders broer, oom; bapa saoedara salah 
mendjadi, oom, vaders broer, die in 
ouderdom onmiddelijk op vader volgt; 
bapa toewa, ook verkort tot pa' oewa, 
vaders of moeders oudste of oudere 
broer; bapa moeda, ook verkort tot 
pa* oeda, hun jongere broeder; bapa 
bongsoe, verkort tot pa* soe en bapa 
klètjilt verkort tot pa' tji^, hun jongste 
broeder; bapa Ungah, verkort tot pa' 
ngah en bapa^ alang, hun middelste 
broeder; bapa toenggal, ook verkort tot 
pa* oenggaly vaders of moeders eenige 
broeder; bapa mentoewa, schoonvader. 
Ook wordt bapa gebruikt als aanspraaks- 
titel voor een bloedverwant van een 
geslacht ouder, en, met den naam van 
een kind verl3onden, is het bij den 
minderen man dikwerf de naam van 
den vader, b. v. pa* Mi, de vader van 
Ali; bïrbapakan, tot vader hebben. 

bapanis, zie bapa. 

baptis. Gr. doop ; mémbaptiskan, iem. 
doopen ; p'ëmbaptis, dooper ; baptisa' , 
doop. 
bara, I. bara-api, gloeiende sintels, gloei- 
ende kool ; roemah Ulah nièndjadi bara, 
het huis is ia de asch gelegd, totaal 



afgebrand; Urpidjalp dibara hangat, als 
op heete kolen zitten ; méndjlédja^ bara^ 
e. s. V. straf, waarbij iem. aan de polsen 
of duimen wordt opgehangen zoo, dat 
de toppen van zijne toonen even den 
grond raken. Mal. pMaraan, vuurtest, 
stoof, komfoor; panasbara, ook: op- 
vliegend. II. = b^hara, zie ald. III. zie 
safK.. 

bardat, Arab. brief, diploma, brevet; 
vrijdom, privilegie. Mal. ook een klein 
mes om te schaven. 

barah, ontstoken bloedzweer, ontsteking ; 
barah sisip, bloedzweer onder de ribben ; 
barah iijarap, een die zich naar binnen 
ontlast; barah bir, e. s v. aambeien; 
barah batoe, steenharde bloedzweer; 
barak sisi^, een die afschilfert; barah 
^mpang, een op de binnenzijde van de 
borst; barah oelar, een langwerpige in 
de liezen; boenga barah, een groote 
peesknoop. 

barai, e. s. v. eetbaar zeeschelpdier. 

baran, moerassig, hoog bosch met af- 
wisselende droge en natte plekken; 
babi baran, varkens, die daarin zich 
ophouden. ^ 

baranfi;, goed, goederen, ding, waren; 
iets, wie ook, wat ook, alle; b. v. 
barang-barang, allerlei goederen ; barang- 
barang djoewalan, koopgoederen ; barang 
ijoerian, gestolen goed; barang-barang 
Icajoe, houtwerk; barang-barang koelit, 
ledergoed; barang katamoe, al wat ge 
zegt; barang saudagar, de een of andere 
koopman ; barang sabagainja, diergelijke, 
en wat dies meer zij ; barang Umpat, 
de een of andere plaats; barang kala, 
de een of andere tijd, te eeniger tijd; 
barang kali, de een of andere maal, 
misschien, wellicht, mogelijk, ook som- 
tijds, zie barangkali beneden; barang 
orang, iemand, wie ook, iedereen. Jan 
en alleman; barang sa* orang, de een 
of ancler, iemand; barang-siapa, al wie, 
zoo iemand; barang soeatoe, het een of 
ander ; barang sasoeatoe, hetzelfde doch 
nog algemeener; barang saratoes, 'u 
honderd; barang doewa tiga, *n paar, 
'n stuk of twee drie; barang kamana, 
naar elders, elders heen. NQ. in al deze 
uitdrukkingen wordt barang gebezigd 
om de zaak in het algemeen te stellen. 
Verder wordt het gebruikt om de wen- 
schende wijs te vormen, b. v. barang 
disampaikan Jllah, moge God hem 



u 



baransau -*« barxach* 



doen toekomen ; soms in vereeniging 
met apalah en kiranja, Barang-barang^ 
saharang en t^mbarang, ge vroon, alle- 
daagsch, van algemeene soort ; zoo maar 
ieder, zoo maar elk; boekan barang- 
barang, niet alledaagsch, ongemeen, 
buitengev^oon ; ménjembarangkan^ als 
iets heel gewoons of alledaagsch be- 
handelen. 

baransaUf I, rattenkruid, operment; 
b, poeiihf wit arsenik-oxyde. Jav. wa- 
rangan. II. e. s. v. kastanje; barangan 
padi, een soort met zeer kleine vruch- 
ten. Zie ook sarangan. 

baranifkali, misschien, mogelijk, wel- 
licht. Ook somtijds, b. v. Hik. Abd. 
pag. 166 reg. 5 v. o. en pag. 170 
' reg. 2 V. o. Zie bij barang. 

baraf, Arab. melaatschheid. 

barat, west, het Westen, westewind; 
bui, zooals vooral uit het Westen op- 
komt; barat laoet, Noord- west; borat 
daja, Zuid- west; sesaé barat , geheel 
verdwaald; sokong barat, schoor om 
het dak te versterken tegen de weate- 
winden; ikan bar at-bar at ^ e. s v. eet- 
baren zeevisch. 

bai^u ; Mén. ook e. s. v. zoetwatervisch 
en e. 8. v. rijst; boeroeng barau-barau, 
e. 8. y» vogel, dien men kan leeren 
praten. 

bar boer 9 zie boer. 

bareb, schuld, = hoetang, vdW. Zie ald. 
NB, dit is een door vdW. verkeerd ge- 

/ hoord baris, en beteekent geen schuld, 
maar reeks. Zie bij hoetang. 

bari, I. Arab. Perz. een bijnaam van 
Allah en van Vorsten. Ook bahari, zie 
ald. n. e. s. v. vledermuis = kalalawar. 
ÏII. ook btri'btrit e. s. v. vliegjes op 
vruchten en gistende stoffen. 

barid, *Arab. bode, zendeling, renbode; 
zie kUiJp* 

barik; barifi-bari^, aderen van een an- 
dere kleur dan de grondkleur ; hirbari^- 
bariift geaderd, gemarmerd; kaïn blèr- 
barik-harilpt gewaterde stof; barijp tUor 
mêrbaht gemarmerd zooals de eieren 
van den mërbah. Zie loeri^. 

barins,. in liggende houding; bhbaring, 
liggen, liggend, inz. om te rusten; 
nSimbaringkan, te rusten leggen; p)éba- 
ri^gan, de plaats waar men zich te 
rosten legt, leger, legerplaats, ook van 
een groot dier. 

baris» r^, reeks, streep, regel, klinker- 



teeken boven de arab. letters; gelid, 
gelederen, geregelde troepen, krijgsvolk; 
baris marijam, geachatrij, batterij; 
membaris, exerceeren; barisan, bende 
krijgsvolk; boekit barisan, bergketen; 
baria di-atas, bovenstreep, baris dibawah, 
onderstreep en baris dihadapan, voor- 
streep, heeten de arab. klinkerteekens in 
het Mal. Voorts baris mati, is de arab. 
djazm of het doodteeken; tedja mém- 
baris disabUah sèlatan, het avondrood 
teekende zich in het Zuiden ; baris-baris, 
e s. V. kleine vliegjes op vruchten; zie 
bari-bari. 

barisan, zie baris. 

barkanddn, Perz. de feesten, die het 
vasten in de maand Ramadlan vooraf- 
gaan. . 

barkoenie; sampan barkoeng, e. s. v. 
schuitje; pohon barkoeng, e. s. v. groo- 
ten boom. Volg. L. ikan barkoeng, 
e. s. V. visch. 

baroe, I. op Java loaroe, e. s. v. boom, 
van welks hout men geweerkolven en 
houtskool voor buskruit vervaardigt, 
en van welks bast touw wordt gemaakt; 
ikan boenga baroe of daoen baroe, e. s. v. 
eetbaren zeevisch; II. nieuw, zoo even; 
verk. van beharoe, zie ald. 

baroena, de god Waroena, Skr. die 
over het water heerscht, ongeveer = 
Neptunus. Komt voor in eigennamen 
of titels. 

baroeng:, I. baroeng-baroeng, hut, 
kraampje, hutje in de rijstvelden, nede- 
rig voor: huis; bïrbaroeng-baroeng, de 
hutten of tenten opslaan, van een leger. 
Jav. waroeng, kraampje; II. verb. van 
Varoena, Skr. Neptunus in Baroeng 
La^samana. 

baroes, zie bij kapoer, 

baroesan, Batav. zoo even, pas, nieu- 
welings. 

baroet, windsel, zwachtel, inz. voor 
den buik ; baroet gantoeng, borstlap, die 
om den hals en het middel vastgemaakt 
wordt, op Java oio; mémbaroet, omwin- 
den, omzwachtelen. Zie ook baloet, 

baroh, droge grond aan den voet van 
een berg. Mën. lager gelegen dan de 
benedenkant v. e. rivier. 

barok, e. s. v. boom, die licht timmer- 
hout oplevert, geschikt voor binnen- 
httisbouw. 

bartjoe» titel van den Vorst v. S^am. 

bamaohy Arab. t^d tusschen iemands 



basah •— ba tan ar. 



37 



dood en den opstandiugsdag ; alam bar- 
zachy het doodenrijk. 

basah, nat, vochtig, gewond als uitroep 
bij een tweegevecht, van de aalmoezen 
van anderen levend; basahan, wat men 
alle dagen gebruikt, of van personen: 
hij die gedurig in de nabijheid van 
den Vorst of van een voornaam per- 
soon is ; nederig, van iets dat men den 
Vorst ten gebruike aanbiedt; kain ba- 
sahan, badkleed; oranp ini bolih tahan 
dibasah-khing, deze man kan tegen 
nat worden en opdrogen, d. i. tegen 
alle weer en wind. 

baiiai, e. s. v. gele, zuchtige zwelling 
van het lichaam, in het laatste tijdperk 
eener ziekte. Zie basal. 

basalt zucht, ziekelijke zwelling; basal 
api, de roos ; basal angirty gezwollenheid 
zonder ontsteking. 

bafar» Arab. het zintuig des gezichts. 

basan, I. hard en krakend bij het kau- 
wen, niet meelig of zacht, zooals een 
rauwe aardvrucht, komkommer enz. II. 
blèekzucht, bleek door bloedarmoede, 
niet alleen van het gelaat, maar van 
het geheele lichaam. Mal. 

basi» I. opgeld, disconto, rabat, wat 
men boven de maat neemt, b. v. voor 
het krimpen of voor onvoorziene uit- 
gaven; extra werk, overwerk. Mal. Sam. 
2 p. 105. II. gistend, goor, dnf, be- 
dorven ook van personen, b. v, pèrém- 
poewan bast, een muffe vrouw, d. w. z. 
een ziekelijke. III. Jav. schotel; basi 
toêtoepy dekschaaltje; basi kasaVy e. s. v. 
Chineesche schotels, 

bdsinah, Arab. groote, grove zak. 

ba^ir, Arab. goed van gezicht. 

basit, Arab. eenvoudig, niet samenge- 
steld of uit elementen bestaande; aU 
bastp, de eenvoudige bij uitnemendheid, 
nml. God. Het woord bet. ook: mild- 
dadig, edelmoedig. 

basi^at, Arab. element, grondstof; ook : 
oppervlakte. 

biMJat^t Arab. een pacha, Turksche 
gouverneur eener provincie. 

ba«oeb; mémbasoehy wasschen; mémba- 
toeh moeka déngan ajar Hjoer^ fig. een 
fout verbergen op eene wijze, die haar 
nog erger maakt. Mën. p'èmbasoehy 
wasohman, waschvrouw; ,ook: wasch- 
middel, b. ▼. ajar pémbasoeh moeka, 
water om het aangezicht te wasschen; 
pëmÓasoeh iangan, handenwaschwater, 



ook fig. b. V. betaling voor een werk, 
waardoor de handen geacht worden 
bezoedeld te zijn, zooals b. v. het om- 
brengen van iemand ; pémbasoeh moeloet, 
iets pour la bonne bouche, iets, dat 
men na het dessert toedrinkt, b. v. sui- 
kerwater, een kop koffie enz. pémbasoeh 
balai of p. medja, proceskosten; pém- 
basoeh doesoen, reiniging van een dorp, 
waar een misdaad is gepleegd, door 
het slachten van een buffel. Pal. 

basoenfi;» e. s. v. groot peperhuis van 
bladeren, om ruwe sago in te doen; 
puntig uitspruitsel der wortels van 
sommige strand- en moerasboomen ; een 
vier-en-twintigtal ; b^rbasoeng, bij vier- 
en- twintigtallen. 

basoeta, e. s. v. zijden stof van Surate. 

basoky e s. v. boom met geel hout, 

bat, Arab. e. s. v. kleine gans. In de 
Sad. Mal eigennaam v. e. priester. 

bata, I. baksteen, tegel, gebakken vloer- 
steen; bata timah, een schuitje tin; 
bata lilin, een koek was; batoe bata, 
baksteen; atap bata, tegeldak; g'étah 
b^rbata, gutta-percha in platte koekjes; 
tanah bata, plagge, graszode; IL bala- 
bata, aarzelend, in twijfel of men iets 
doen of laten zal. 

batak, I, naam van een volksstam in 
Noord Sumatra; II. mèmbatalp, rooven, 
plunderen; III. = djUaiy e. s. v. gierst. 

bdtal, Arab, ijdel, verijdeld, werkeloos; 
mlèmbafalkan, verijdelen. 

batdlat, Arab. ijdelheid, vergeefsheid, 
werkeloosheid. 

batan, Arab. buik, binnenste van iets. 

batans, stam, stok, steel; ook als 
Hulp Telw. bij het optellen van voor- 
werpen van dien vorm; batang kajoe, 
boomstam; batang-ajar, rivier; batang- 
leher, de hals; batang Ungan, boven- 
arm; batang }palam, pennehouder; ba- 
tang hidoeng, de rug van den neus; 
batang-toeboeh, lichaam; persoon ;|7oAcm 
sabatang, één boom; b^si b^rbatang, 
ijzer in staven, staafijzer; galant 
doewa batang, twee pennen ; batang- 
boeroeif, e. s v. zeer vergiftig slan- 
getje, een pink lang en grijsachtig 
rood; ntlèngadji batang, leeren lezen 
door den onderwijzer de woorden na 
te spreken; apa baiangnja, hoe komt 
ge daaraan, waar hebt ge dat gevonden, 
in welk zinsverband komt dat voor? 
b, V. als iem. een ander vraagt naar 



38 



batara — « batoet 



de beteekenis v. e. spreekw. of een 
moeielijk te begrijpen zin. Mal.; rném- 
iatattfff een stam vormen, van planten; 
baiangattj sluitboom in een rivier; van 
bcUang ook p^matang, dijkje in de 
rijstvelden. 
batara» Skr. eerwaardig, titel van 
goden, god, godheid, b. v. batara Goeroe ^ 
baiara Kala^ b. Késna Ind^ray b, Indëra 
Loka, b. Kama Bjaja^ de god der liefde ; 
batara^ ook de titel van den Vorst van 
Madjapahit op Java. 
batari, godin, godes, ook e. s. v. plant, 

sorghum saccharatum. 
batas, grens, grensscheiding;^ dijkjes 
tusschen de rijstvelden ; batas-batas, op- 
gehoogd tuinbed. Jav. waUt, id. 
batel, e. s. v. mangga-vrucht ; pakel, Jav. 
bati» Jav. winst, voordeel, = laba^ Mal. 
batik, e. s. v. teekenwerk op kleedjes, 
waarin vooral de Javaansche vrouwen 
bedreven zijn. Naar kleur en patroon 
wordt de batik in soorten onderschei- 
den ; pinggan of piring bati^^ gebloemde 
etensborden. 
ba til» bakje, kommetje, om uit te drin- 
ken of water mee te scheppen bij het 
baden, ook ronde koek van was; lilin 
doewa batil, twee koeken was; baiil 
bïlandja, groote metalen kom ter over- 
brenging van de huwelijksgift; sampan 
batil, gewone sloep, om deszelfs meer 
ronden vorm; kaki batil, blad van hout 
of metaal met voet, waarop de batil 
staat, doch dat ook wel gebruikt wordt 
om bij het eten zijn bord op te zetten. 
batiiiy titel van Mal. hoofden, minder 
dan orang-kaja, doch meer dan p^èng- 
hoeloe. Hiervan p^rwatitit e. samen- 
trekking van para en watin « batin\ 
mëfêangkap batin, het hoofd in e. zaak 
roepen, bij het hoofd zijn beklag ma- 
ken ; mënangkap baiin kosong, het hoofd 
met een onbeduidende aanldacht lastig 
vallen. Pal. 
bdt^n» Arab. inwendig, verborgen, het 

inwendige. 
baür; baiir-batir, gouden versiersel in 
den vorm van een knop, aan den band 
van de kris {ioeli-toeli), 
batja; tnëmbaija, lezen, bij den inl. 
geschiedt dit meestal hardop, en van- 
daar ook: opzeggen van gebeden, uit- 
spreken enz. tnëmbatja didalam hatiy 
stil bij zichzelven lezen, niet overluid, 
Mes. Prab. Dj.; mémbatja ehofbtU, de 



Vrijdagspreek houden in de moskee, 
preeken, een zedepreek houden; senang 
membatjanja, het is gemakkelijk te 
lezen; mémbatjakan, voorlezen; mem- 
batjdi, belezen, b. v. met het opzeggen 
van too verspreuken ; pembatjaaUy lees- 
les ; mémbatja pèrmdinan, voor uitspan- 
ning lezen. vdW. 
baljak, e. s. v. palmstruik waarvan de 
bladen voor dekblad van cigaretten 
worden gebruikt. Mal. 
baijans, = ^mhatjang, zie ald. 
baljar, rad, snaterend, van de tong. 
batjin» Jav. stinkend, van iets dat be- 
dorven is, b. V. modder, de adem enz. 
batjoel, iemand die alles verdraagt, 

een sul, een sukkel, een bloed. 
batjok, bamboe-koker voor water, melk, 

palmsap enz. Mal. 
batoe, steen, rots, klip, erts, klomp, 
klont; batoe ajar, riviersteen, kei; 
batoe-ambar, barnsteen ; batoe-arang^ 
steenkool; batoe-batoe, loodje aan een 
hengel; batoe-belanda^ kristal; batoe- 
bïrani, magneet; batoe ber sarong ^ spon- 
gieuze steen, kalksteen, ook vogelnest- 
klip; batoe-besi, graniet en andere 
harde steensoorten ; batoe boejoeng, geld, 
dat men in een pot met geneeskrachtig 
water doet en dat de geneesheer dan 
meeneemt; batoe boewah pinggang , nier- 
steen, graveel; batoe-datjing, gewicht 
voor een unster ; batoe djala, de loodjes 
aan een werpnet; batoe giling, platte 
steen met rol, waarop men specerijen, 
medicijnen enz. fijnwrijft; batoe hampar , 
zie hampar; batoe hitam tiada htr san- 
ding, zwarte steen zonder kanten, fig. 
uitdrukking voor iem. die tegen niets 
opziet; batoe-kail, zinklood aan een 
hengelsnoer of vischlijn; batoe kapala 
hoofdschedel, zie batojp; kapala-baioe^ 
stijfkop; batoe kapala iijang, en laboek 
batoe-kapala iijang schijnen een ver- 
richting aan te duiden, die plaats heeft 
bij aangekomen vaartuigen ; Oend. * 
batoe-karang, koraalrif; batoe kawi, ^ 
bruinsteen, mangaan ; batoe kawin, geld, 
dat men den priester betaalt voor het 
sluiten van een huwelijk ; batoe k^likir, 
gruiszand, grint; baioe-ladoeng «s batoe 
kdil, zinklood; batoe koelansing, e s. v. 
graniet, Mën.; batoe litjin, gladde kei- 
steen; batoe-oelar, slangensteen, e. s. v. 
steen, dien men op een slangebeet legt, 
om het gif er uit te trekken; baioe 



batoe]!^ — bawah. 



pasir, zaudsteen; batoe peraijp, zilver- 

, erts ; èatoe pedjal = b. hampar ; batoe- 
roeboehy instortende muur ; tertawa niém- 
batoe roeboeh, het gelach deed zich voor 
als instortende muren, zoo luidruchtig 
en algemeen, ook van feestvieren en 
weenen; batoe serawaky antimonium; 
batoe tapakan, steenen optred voor een 
huisdeur; batoe-timbanffan, gewicht om 
mee te wegen, schaalge wicht ; batoe- 
tjeremin, moscovisch glas; batoe-timboelf 
puimsteen, ook batoe apoeng^Wévi. batoe- 
roebin, vloertegel; batoe bata, gebak- 
ken steen, batoe-api, vuursteen; batoe 
asah, slijpsteen; goela batoe, kandij- of 
klontjes-suiker; kajoe-batoe, e.s. v. steen- 
hard hout. Batoe ook in gebruik als 
huld-Telw. b. v. gigi sabatoe, één tand; 
m^mbatoe, de hoedanigheid van steen 
vertoonen, steenhard worden of zijn; 
batoe-sipadan^ grenssteen. Pad. bov.1. 
batoe-mata^ ooglens; batoe-a^al, ver- 
bastering van ber-tawakkoel, zijn toe- 
vlucht tot God nemen; melUa^-batoey 
den steen aanleggen, e. ceremonie bij 
de huwelij ksplechtigheden ; membatoeï, 
den lijksteen op een graf plaatsen ; {ing- 
gal batoe-batoenja sadja, zegt men van 
een afgeoogsten boomgaard. • 

batoek, hoest, hoesten; batoe^f kering , 
droge hoest, teringhoest ; terbatoe^. - 
batoe^y B,9,ïi het hoesten raken, in een 
hoestbui schieten; batoeJe redjaniy kink- 
hoest. Op Java ook tcatoe^, Jav. 

ba^elmis, Arab. Ptolomaeus. 

batoenfl;; batoeng-bafoeng, e. s. v. schelp, 
katjes; ikat-pinggang tandoer batoeng- 
batoengy een buikriem met zulke katjes 
bezet. 

bdtok, Jav. kokosdop, = tempoeroengy 

^ Mal., bato^ kapala, hoofdschedel, soms 
verbasterd tot batoe kapala. Zie tem- 
poer oeng. 

batrik, patriarch; ook: patriciër. 

batS) Arab. membatskany zenden. 

baasa; boeroeng bauga^ de pellikaan. 

baukenc de zee-ajuin, Scilla-maritima. 
d. 1. Cr. 

bauloe, e. s. v. gebak, kolombijn; soor- 
ten zijn ; b. kodja, b. plèranggi, en b, 
rendang. 

bawa; membaway brengen, meenemen, 
bij zich hebben, meedragen, tot iets 
brengen; mémbawa adaty zie a4at-y m. 
boelan, de stonden hebben; m. agoeng, 
groot of volwassen zijn; mémbawa 



^ikdjaty een verhaal voordragen; mém- 
bawa dirinjay zich begeven, ergens 
heengaan, zich wegmaken, ook zich 
voortbewegen, b. v. tiada lagi koetoasa 
ija membawa dirinjay zich verplaatsen, 
Hik. Abd. p. 371. Ook een goed heen- 
komen zoeken; membawa ka-ajar, be- 
snijden; membawa imdn, of m. agama, 
het geloof aannemen, belijdenis van het 
geloof doen; membawa djalauy als gids 
den weg wijzen, als gids meegaan; «. 
hatiy het hart vervoeren, den moed ver- 
liezen ; membawa kasoekadn hatinja zich 
aan de vreugde van zijn hart over- 
geven, ook alleen mémbawa kasoe- 
kaannja'y membawa p^èrgi, vervoeren, 
wegbrengen; membawa masoe^y invoe- 
ren; mémbawa nafibnja, een goed heen- 
komen zoeken, zijn fortuin zoeken, ook 
m. oentoeng-y m. gigi dan lidahy komen 
om slechts te eten en te praten, d. i. 
eten en niets dan praatjes inbrengen; 
m, sertay met zich medenemen, er mede 
in betrekken ; membawa salahy een ver- 
keerde wending aan iemands woorden 
geven; mémbawa lagoey de wijs van 
een lied aangeven, inzetten; mémbawa 
lakoey weten hoe zich te benemen of te 
gedragen; mémbawa isjdraty een wenk 
of teeken geven; mémbawa péroet, met 
een ledige maag komen; mémbawa tér- 
taway uitlachen; mémbawa térsénnjoemy 
beginnen te glimlachen, tot een glimlach 
plooien, met een glimlach tegemoet 
komen; mémbawa bérdjaga, tot waken 
noodzaken, van de oogen; mémbawa 
orang bérkata-katay iem. aan het spre- 
ken brengen ; tida^ bolih dibawa tidoery 
den slaap niet kunnen vatten; pém- 
baway aanvoerder, vervoerder en ver- 
voermiddel; ségala pémbawaannja, al 
wat iem. bij zich draagt. 

baw^ó^b, Arab. portier, deurwachter. 

bawah, onder, beneden, onderkant, on- 
dereinde ; dibawahy onder, ondergeschikt ; 
doedoeif dibawahy lager zitten dan een 
ander die hooger in rang is; dibawah 
pérentahy onder bevel of de bevelen 
van ; dibawah angin, beneden den wind, 
aan lij ; négari dibawah angin, de lan- 
den oostwaarts van Sumatra; kabawah, 
naar beneden, ook « kapadai^ tot, wan- 
neer men spreekt tot hooggeplaatsten ; 
dari bawahy van onderen; ook = dari, 
van, als men spreekt van hooggeplaati- 
ten; mémbawah, zich begeven «mder 



40 



bawal — bëd^bah. 



de macht van een ander ; onder iemand 
staan, b. v. maka akoe ini sakali-kali 
Uadalah maoe nièmbawah kapadanja^ 
en ik wil volstrekt niet onder hem 
staan ; mëmbawahkan, degradeeren, lager 
plaatsen dan iets of iem. anders. 

ba wal; ikan bawal, e. s. v. eetbaren, 
makreelachtigen visch; soorten zijn: b. 
poetih, b. hiiam en b. koening. Volgens 
C. nog b. tjër^min en b. kiêdiwas. 

ba wan ; p'ëmbawan, de bovenste bamboe 
aan een inlandsch scheepszeil, de Br. K. 
Zie bahoe. 

bavrans» ui, look; bawang merah, sja- 
lotten ; bawang poeühj knoflook ; bawang 
merah poetih, de gewone witte of ti- 
morsche ui; bawang blèsar of b. B'éng- 
gala of b. Bombai, e. s v. zeer groote 
uien, die van Bombai worden aange> 
Yoerd; bawang plêraiy losse uien, niet 
aan bosjes gebonden, ook voor het Ned. 
prei; b, fémbaga s= bakoeng^ zie ald.; 
bawang b^êrdjambahy uien aan bosjes; 
bawang sébongkol en b, méroebi, twee 
vormen ran gouden krisgevesten, die 
«Heen door den regeerenden Vorst 
mogen worden gedragen, vdW. schrijft 
haroebil mémbawang en makan bawang, 
inwendig boos zijn, zich ver vreten van 
kwaadheid. Mën. 

bawar, I. tolkantoor, kantoor van iu- 
en uitgaande rechten; tali bawar, een 
touw, gespannen over de rivier vóór 
men aan het tolkantoor komt, ter 
waarschuwing. Mal. II. e. s. v. zee- 
visch. Mal. 

bawasir, Arab. aambeien. 

bawaty naar beneden hangend; tali 
èawatan, de brassen; pajoeng bawat, 
groote staatsie-zonnescherm. 

ba-woer, zie baöer, 

bëuB, I.* Perz. alleen in si^ir bdz, toove- 
naar. II. Arab. havik, valk. 

bdsin, Arab. de valk. 

bëbal» dom, onbevattelijk; salah b'ébal^ 
fouten en domheden of stommiteiten; 
orang b'ëbal, een stommeling, domoor; 
hai b'ébal, o domkop! 

bëban, vracht, van lange voorwerpen 
zooals pieken enz., die men over de 
schouders draagt, zooveel als men met 
beide armen omvatten kan. Ook last, 
zorg, moeielijkheid, b. V. iiada btban, 
mtntjéhari b'éban, geen moeilijkheden 
hebben en die opzoeken. 

bëbaxis, beklemd, van een kind in de 



geboorte, ook van drekstoffen; kabebor 
ngan, doodgeboren, tengevolge van be- 
klemming; mati kab^bangan, overleden 
van eene kraamvrouw ten gevolge van 
beklemming. 

bêbap, e. s. v. padde, Mal. 

bebar, zich dwarrelend door elk. be- 
wegen, zooals eene menigte vledermui- 
zen in eene grot; bébaran^ verwarring 
door een oploop van menschen. 

bebar, Mën. uitvliegen, door elk. vlie- 
gen, verspreid, verstrooid van de me- 
nigte, zie het vorige woord. 

bebaeiy vrij, om te doen wat men wil; 
ook vrij entree ; minta bebas, de vrijheid 
verzoeken om iets te doen; kabebasan, 
vrijheid; Umpat /td^4?^<s«a», een publieke 
plaats. 

bebat, windsel; mlémbUat, omwinden, 
verbinden; Mën. buikband voor de 
vrouw na hare bevalling; witte ring 
om het lichaam van dieren, zooals gei- 
ten enz. mlimb^bat moekanja, zijn aan- 
gezicht bedekken van schaamte ; p^m- 
bUat k^riSy omwindsel van koord aan 
eene krisscheede, om de beide helften 
te vereenigen ; mêmb^bat djalan, den weg 
versperren, afsnijden. 

bebek, Jav. eend, zie itijp, 

bëbirik, zie biri^p-birilp, 

bëboetoe, e. s v. boom met licht hout, 
zie boetoen, 

beda, ook beday Skr. onderscheid, ver- 
schil; djaoeh bedanja, er is een groot 
verschil; btrbeda, met elk. verschUlen; 
pïrbedaan, het verschil, dat iets heeft; 
mëmbedakany onderscheiden, verschil 
maken tusschen, verschillend behandelen. 

bëdahy Hind. gebroken, aan stukken 
gescheurd. 

bëdak, zetmeel van rijst, langs deil nat- 
ten weg verkregen, gebruikt als blan- 
ketsel en smetpoeder; mémbtdajpi blan- 
ketteu, met smetpoeder bestrooien. Zie 
ook poepoer. 

bëdal; mémbïdal, slaan, ranselen, raken, 
terdege iets doen; geeselen, met roeden 
slaan. Maxw. 

bëdan«bëdaxi, breede, roode opzwel>- 
lingen van de huid, zooals b. v. bij 
netelroos. 

bëdawi» Arab. bedoewien, woestijnbe- 
woner. 

bëdëbah, ongeluk, ongelukkige, ellen- 
deling, als scheldwoord, afgel. van het 
Perz. badbaeht, zie ald. 



bëclila — behara. 



41 



b^düa, een gouden loovertje, blaadje, 
knopje, spang. Mal. 

b^dil» vuurwapen, scMetgeweer ; tném- 
hédüy iets schieten, doodschieten, vuren ; 
hédil boeloeh^ proppenschieter, klapbus; 
hédil bïsar, kanon; öMil pémapa^^ 
vreugdeschoten bij het inhalen van per- 
sonen; Védil sëmbojaitf sein schoten, 
alarmschoten ; bMil-b^dal, allerlei vuur- 
wapens. BMil is mogelijk afgeleid van 
dil J. 

bë^JAna» Skr. vat, hak, vaas, tobbe 
alles waarin men iets doet. Zie badjan 
en bUkas. Ook bedjanah^ geschr. 

bedoeky e. s. v. groote trom met zwaar 
en diep geluid, in de moskeen gebruikt 
tot oproeping voor het gebed en het 
slaan van alarm. Zie ook taboe^, 

bêdoekoens, e. s. v. zoetwatervisch, die 
op uitwerpselen aast. Hik. Abd. 122. 

bêdoensy luier, doek, windsel, waarin 
men een klein kind wikkelt; tném- 
bïdoenff, in doeken wikkelen, zwach- 
telen; b'ëdoenff lilit, zwachtel, lang en 
smal verbauddoek. 

bëdoev^, zie btdawi, 

beaa« I. mëmbeffa, richten, in de juiste 
richting brengen, van een stuk geschut, 
een veehthaan enz. II. ook biga; b^r- 
biffa-biga, kringen beschrijven, bij een 
zwaardedans, het vliegen enz. mémbipa- 
biga, iets kringen laten beschrijven, in 
de rondte doen draaien, b. v. de tong 
of een pruimpje in den mond. Mogelijk 
beter bigar, zooals op Sumatra; pébe- 
garan, manége, Mën. 

b«sal, Jav. roover, straatroover, struik- 
roover ■« pinjamoefi^ zie tomoen. 

*>«a»p, gezet,' robust, stevig, dik, van 
levende en levenlooze voorwerpen. 

b^ftar» hard blijven bij het koken, zoo- 
als slechte aardappelen, niet zacht 
willen worden, zooals onrijp afgeplukte 
vrachten; verhard, verstokt, van ge- 
moed ; kÓMgaran^ verhardheid, verstokt- 
heid; kab^ègaran mata, strakheid der 
oogen, niet kunnen slapen; mëmblègar, 
verharden, verstokken, verhardheid 
toonen. 

bëftariy zie pëgari, 

b^jEaTran, Skr. gelukzalig, titel van 
heilige mannen; sëri btgatoan, titel 
van een Vorst, die geabdiqueerd heeft; 
ook: eerwaardig, achtbaar. 

t»^i;o«l^ krop, kropgezwel aan den hals. 
Mfin. pijnlijke opzwelling van het ge- 



laat, de bof, en begoiif lomp, log, vad- 
zig, id. 

bëhadoeri, Perz. heldhaftig, ridderlijk ; 
bintang bHadoeri, ridderorde, volgens 
de vertaling door Europeanen, thans 
door den inlander in brieven gebruikt. 

bëhagi, deel, deelen, aandeel; niémb'^hagi, 
deelen, bij het kaartspel : geven ; op Mal. 
s=s ntémb^ri; niémb^hagi-b'ihagiy in velen 
deelen; mêmbehagikan, verdeelen, toe- 
deden ; doewa bïhagi, twee deelen, dub- 
bel, eens zoo groot of veel ; b. v. niêndjadi 
doema b^hagi kamaloewankoe, zoodat ik 
nog eens zoo erg beschaamd werd; 
bléhagian, deel, aandeel, gedeelte, lots- 
bedeeling; dalam sapoeloeh b^hagian 
satoSy een tiende; tmpat bïhagi jang 
tiada tahoe dan sablèhagi jang tahoe, 
vier vijfden konden niet, één vijfde kon 
wel; minta bléhagi, verzoeken om over 
te doen, tegen betaling, aan iem. die 
er geen koopman in is, zooals wij 
tegen iem. zeggen: doe mij wat van je 
sigaren over; ada poela dikasih b^ha- 
gianmoCy dan zal je je portie wel krij- 
gen, nml. je straf. I. J. pïrb'ëhagian, 
deel, aandeel, I. P. 

bëhasia, Skr. geluk, heil, gelukzalig- 
heid; hiervan baginda, zie ald. b^rbH- 
hagialah, welgelukzalig l b^hagia ^g- 
kan datang^ wees welkom! = tiélamat 
datang; ana^ jang b'ërbëhagia, een ge- 
lukskind. 

bëhc^a» Skr. gevaar, nood ; mara-bëhaja, 
leed en gevaar, allerlei gevaren; mem- 
btri blthaja^ gevaar doen ontstaan; b^r* 
bthaja^ gevaarlijk, ook in gevaar zijn; 
fémpat btrblèhaja, e. gevaarl^ke plaats. 

bëhana, geluid, klank, weergalm ; meng- 
hamboerkan bthana^ geluiden strooien, 
dichterl. uitdrukking voor spreken ; ook 
btrbëhana en hMana, NB. niet te ver- 
warren met b^hena. 

bëhara, I. zeker gewicht, van zeer ver- 
schillende zwaarte, al naar gelang van 
de waren en de landen, waar het ge- 
bruikt wordt, varieerende tasschen drie 
en twaalf centenaars, b. v. van agar- 
agar t= 12 pikoel, van sandelhout enz. 
e= 6 pikoel, van tripang = 8 pikoel, 
en als goudgewicht =10 kati of 7^ 
kilogr. n. de romp of buit van een 
schip, b. V. bdik btnar b^aranja, de 
romp van dat vaartuig is bijzonder 
goed. Mal. Sam. int b^haroe sathtgah 
lühara natk papan, pas ter helft van 



42 



bëhari — • beka. 



de romp ziju de planken opgetrokken, 
id. toelay behara^ scheepsballast, dat 
wat de romp in het water terugduwt, 
zoodat het vaartuig vast ligt. 

bëbari, Perz tot de lente behoorend, 
liefelijk, schoon, eerwaardig. Alleen in 
poëzie. Daarin soms ook = bekai'oe 
om het rijm; behari ook equinoxiaal, 
b. V. fofdn jang behari^ equinoxiale 
stormen? 

bebaroe, nieuw, pas, eerst; orang be- 
karoe, nieuweling, pas aangekomene, 
baar; beharoe sakarang, nu pas, nu 
eerst; beharoe tadi, zooeven pas; 
bthoi'oe-b^haroewan, nu pas voor *t eerst, 
dit is de eerste maal dat; membeharoeï, 
vernieuwen ; kabeharoean, nieuwheid ; 
pémbeharoean^ vernieuwing. 

bëbasa, I. Skr. taal, spraak, welgema- 
nierdheid, beleefdheid, wijze, manier, 
trant; b. v. behasa mèlajoe, de Malei- 
sche taal ; behasa bali^^ e. s. v. die ven- 
taal, waarbij men de woorden omkeert ; 
biêhasa sin, een dito taal, waarbij men 
eene s tusschen en achter de klinkers 
plaatst; tahoe behasa^ welgemanierd 
zijn, weten hoe zich te gedragen; koe- 
rang behasa^ ongemanierd, onbeleefd; 
biêhasa sahari-hari^ de dagelijksche om- 
gangstaal; melanggar — en mélangkah 
blèhasa, in strijd met de beleefdheid s- 
vormen; memberi istina blèkasa, iem. 
behandelen zooals hem toekomt; boedi 
b^hasa^ beleefdheid, goedheid van een 
meerdere tegen minderen ; bthasa dalam, 
de hoftaal; behasa katjaukan^ de ge- 
mengde, onzuivere taal, basterdtaal, 
ook b, tjampoer-baoer en b, tjampoer- 
gaoel, het zoogenaamde laag Maleisch; 
b, djawij de landtaal ;^^m/»A behasa^ 
van toon veranderen; blêrbehasa, zich 
bij Het spreken bedienen van, b. v. blèr- 
bïhasa toewankoe^ zich bij het spreken 
bedienen van het woord: Uwe Majes- 
teit; btrbthasa dengan behasa mélajoe, 
zich bedienen van de maleische taal; 
mêmb^hasakan, in de taal gebruiken, 
door een woord of gezegde uitdrukken, 
met een woord of gezegde bejegenen; 
pérb'éhasa spreekwijze, spreekwoord ; 
pérbtkasadUt uitdrukkingen, waarvan 
men zich onder zekere omstandigheden 
moet bedienen, ook gewoonte, gebruik, 
étiquette ; bthasa4i<éhataan pasar, markt- 
taal, uitdrukkingen van de straat; btr- 
bïhasa, ook: salueeren bij het scher- 



men enz.; raden galoeh makan behasa 
orang goenoeng, raden Galoeh at op de 
manier van de bergbewoners. Pr. Dj. 
II. licht, zacht, een weinig, b. v. gïla 
bïhasa, een weinigje gek (z. dartel 
aanstelUen); sepoe-sepoe behasa, zacht 
en liefelijk, v. d. wind; peloehnja rem- 
bes-rembes behasa, zijn zweet brak zacht 
uit; ramboetnja koesoet-koesoet behasa, 
heur haar was een weinig in wanorde; 
matanja baloet-baloet behasa, haye oogen 
waren een weinig gezwollen; merah- 
merah behasa, een weinig rood gekleurd. 
R. Chaib. 

bebausj, zie bihausj, 

bëbena, ook bena, Perz. bijzonder, iets 
bijzonders, uitnemend, zeer; meestal 
met de ontkenning tiada, b. v. üada 
behena, niet bijzonder; tiada berapa 
behena, niet al te zeer; berhati behena, 
het zich al te zeer aantrekken; ment' 
bthenakan = mengendahkan, zie endah. 

bebkan, jal NB. in de HSS komt dit 
woord meest voor in de beteekenis 
van: ja, wat meer is ... . 

beita, of bèta, ik, mij; bijv. door Vor- 
sten tot hunne gelijken gebr. en op de 
Moluksche eil. steeds voor Ie pers. 
mimbeita, van beita, gebr. maken bij 
het spreken, met elk. keuvelen. 

beja, I. tol, belasting, inkomende rech- 
ten, accijns, cijns; membejakan, cijns- 
baar maken; melarikan beja, smokke- 
len; pebejaan, verk. tot pèbejan, tol- 
kantoor, kantoor van in- en uitgaande 
rechten en accijnsen; plèmoengoet beja, 
ontvanger dier rechten. II. e. s. v. sohelp- 
jes of horentrjes, die wel voor munt 
gebruikt worden. III. beja-beja of b^O' 
bija, e. s. v. boontjes. Mën. e. s. v. plant, 
welks bladeren als bloedstelpend mid- 
del gebruikt worden. 

bejan, verk. van pèbejan. Zie beja. 

b€iJo, Jav. e. s. V. zeer leerzamen vogel, 
zie tijoeng. 

beka, onkiesch, onbetamelijk, ook van 
eene uitdrukking; vertrouwelijk, ge- 
meenzaam; bïrbeka-beka, zeer vertrou- 
welijk keuvelen; mémbeka, gemeenheid 
uitvoeren, b. v. adapon kaka^ itoe bang-- 
kai, mémbeka djoega jong dip^rktnan- 
kannja, hij is een kreng, hij voert maar 
gemeenheid uit met ieder, waar hij lust 
in heeft ; djadwbnja beka, zijn antwoord 
was vertrouwelijk, gemeenzaam. Vat. 
b. Ch. 



bekak — « bëlah. 



43 



bekak; bèrblèka^, paren van vee en ge- 
vogelte. 

bëkaka, e. s. v. vogel ter grootte van 
een raaf. Sch. 

bëkal» voorraad, proviand, leeftocht; 
pérb)ékalan^ de gezamenlijke mondvoor- 
raad; memb^kalkan, tot proviand ma- 
ken ; mëmb^kaliy van proviand voorzien ; 
b'érb'ékalkan ajar-matavja, zijne tranen 
tot proviand hebben. 

bekaxn, I. moet, indruk in de huid 
door iets scherps, b. v. den nagel van 
den vinger. Mën, membekam, gaten in 
de oorlellen maken; toekang Vekam, de 
vrouw die dit met een knijpringetje 
doet, V. H. ; mèmbekam, koppen, door 
middel van koppen bloed aftappen ; pem- 
bekam^ koppenzetter en kop-instrument. 
II. terbekam^ op elk. gesloten van de 
lippen, « boengkam, zie ald. 

bëkas, I. vat, alles wat iets kan bevat- 
ten; het benoodigde tafelgereedschap 
voor één persoon, couvert; II. nagela- 
ten spoor, indruk; bekas kaki, voet- 
spoor; b. tangan, handteekening, hand 
van schrijven, de krachtige uitwerking 
van de hand, datgene wat iemand zelf 
vervaardigd heeft; b. loeka, litteeken; 
b, toeboehy wat men aan het lichaam 
gedragen heeft; bekas isieri ... die 
vroeger de vrouw was van ... ; ook : 
tengevolge van, b. v. bekas tiada iidoer 
bïrapa lamanjay tengevolge van in lang 
niet te hebben geslapen ; bekos blèrdjalaii 
^mpat poeloeh hari empat poeloeh mahm, 
ten gevolge van 40 dagen en nachten 
te hebben gegaan. 

bëkasaxn, ook pekasam^ ingelegde mos- 



bekat, overvol, b. v. de maag van eten, 
de rivier van vaartuigen. Mal. 

bêkatoel; boeboer b^katoel, e. s. v. brij 
of pap, bereid uit zwarte kleefrijst. 

bëkël, Jav. titel van een inl. hoofd. 

bëkërdja, zie bij ktrdja. 

bëkily naam van een eetbaren zoutwa- 
terviach. 

bekin» op Java, doen, maken ; verbasterd 
uit baiki van baik, 

bëkoe» gestold, gestremd, bevroren; 
ajar-'è'ékoe, ijs ; fnémb^koe, stollen, strem- 
men, bevriezen. Ook fig. voor eene on- 

. aangename gewaarwording, b. v. inilah 
soeafoe btkoe dalam peroet sehaja; 
maka mtndjadi bïrbièkoe dalam hati 
séhé^a. Hik. Abd. zie boekoe. 



bëkoekoenfi;, e. s. v. zeebrasem. 

bël, een Voorvoegsel = ber, zie aldaar 
en de gramm. 

bela, iem. die iem. in den dood ver- 
gezelt, zoenoflTer, bloedwraak; membela, 
in den dood vergezellen, als zoenoffer 
sterven; membelaï, iem. in den dood 
vergezellen; mïnoenioei bela, bloed- 
wraak zoeken; minta beia^ bloedwraak 
eischen; mati bela, met iem. sterven, 
iem. in den dood vergezellen; maii 
iiada berbela, zonder genoegdoening 
sterven, ongewroken sterven. NB. bela 
komt ook voor als: helpen, bijstaan. 

bëla, I. membela, hoeden, bewaren, ver- 
zorgen, verplegen, cultiveeren; membVa 
k'èbony een tuin verzorgen; mêmb^la 
maity een lijk afleggen; métnbUakan 
wa^toe, den tijd nuttig besteden, uit- 
koopen; pembela itiky een horendrager, 
koekoek, iem. die z. door zijne vrouw 
horens laat opzetten; tiada terbela, er 
niet voor te zorgen zijn, niet te contro- 
leeren zijn. De beteekenis van dit woord 
is = aan die van pUihara; II. plaag, 
ramp, onheil; beia sampar, de plaag 
der pest ; bela kalaparan, hongersnood ; 
bela slèniy de tering (ziekte); btla 
kamatian, een doodelijke plaag; mem- 
btlai, bezoeken, beproeven, plagen. 

bëlabar, zie btlambaran. 

bëlabasy e. s. v. zijden stof. Mal. 

bëlabat, I. zekere pas bij het scher- 
men, recht vooruitgaan onder het hoog 
oplichten van de beenen; II. ook bUh 
bat, een houten zwaard. Mén. balabat, 
schermstok. 

bëlaboer, zie laboer. 

bëladau, e. s. v. korten dolk met breed 
lemmer, dien de aanvoerders in het 
haar verborgen dragen. 

bëla^jar, zie adjar. 

bëlah, spleet, kloof, gespleten, gekloofd, 
zijde, kant, deel ; btlah doewa, in tweeën 
gespleten; badjoe bUah dada^ een baadje 
dat van voren open is; bUah këtoepat, 
ruitsgewijs naaiwerk, zooals van een 
bedelaarsdeken; btlah boeloeh, gestreept, 
van gekleurd katoen. Mal.; kadoewa 
blèlah, beide kanten; kadoewa b^lah 
maia, de beide oogen, en zoo van alle 
lichaamsdeelen, waarvan er4wee zijn; 
barang-barang pétjah-blèlahf breekbare 
waar, glas- en aardewerk; sabëlaA, de 
eene kant; tnaia sabëlah, het eene oog, 
en zoo van al de ledematen, w 



44 



bëlahak — 'b^lanfi;. 



er twee zijn; oi'ang saVélahy overbuur, 
naaste buur; sa'orang sablèlah, ieder 
aan een kant; sabeJah sana, aan gind- 
scbe zijde; di sabïlahj aan den eenen 
kant, aan den anderen kant; kasablèlah, 
naar den kant, naar; sdbllah majcy van 
moeders kant; mémblèlahy splijten; mlèm- 
belah behagi, ongelijk verdeden, aan 
den een wat meer, aan den ander wat 
minder geven; mlèmbelahkan badjoenja^ 
zijn kleeren scheuren van rouw; hali- 
lintar membléla/i, de splijtende bliksem; 
sablèlah-ménjabelah, van weerskanten, 
docb is er een water tusschenbeiden 
dan liever sabh'ang-niênjabh'ang \ bersa- 
bUahatiy aan dezelfde zijde,- ieder aan 
zijn eigen kant; ilèrbUak, gespleten, te 
splijten en instaat zijn te splijten; 
bUahatiy kloof, spleet, reet; pêmbUah 
kajoe^ houtklover; pémbUah intan^ dia- 
mantklover; plêmbelahan, splijting, klo- 
ving; ménjabUahkany iets of iem. op 
zij zetten. 

bëlahak, mêmbUaha^y reutelen, roche- 
len, kuchen. 

bêlai; tnêmblèlaiy liefkoozen ; j9?»i^^/««/a«, 
liefkoozing, troeteling. 

bëlak, vlammen, zooals in sommig hout. 
Mën. witte vlekken op handen en voe- 
ten; héla}f majang niéngoerai vlammen, 
die op een geopenden palmbloesem ge- 
lijken; bërb^la^y gevlamd zijn. 

bëlaka, louter, enkel, zonder uitzonde- 
ring, ten eenen male, geheel en al, door 
en door, een echte. 

bëlakans, achterste gedeelte, achter- 
zijde, achterkant, rug; toelang bMakang, 
de ruggegraat; di bUakang, achter na; 
di btlakang mata^ achter iemands rug, 
b. V. kwaadspreken ; dart bMakang, van 
achteren; kabèlakang, naar achter, ach- 
terwaarts; sérambi blèlakang, achter- 
galerij; niémbélakangy met den achter- 
kant gericht naar, den rug gewend 
naar; ook: achteraankomen, achter- 
staan; pémbUakangf achterblijver, na- 
komer; kablélakangan, ten achter zijn 
of geraakt zijn; dibUakang soerat ini, 
na dezen brief. 

belakin, ook btilangkin, koolteer. Het 
Eng. blacking. 

bëlalah, gulzig, vraatzuchtig. Zie gh 
loedjoeh, 

bëlalak, wijd openstaan en star van de 
oofcen, zooals van een doode. 

bëlaxnbans, e. s. v. bindbies, of hoog 



en grof moerasgras, dat wel gebruikt 
wordt om te binden; ook een bos van 
iets, dat daarmee saamgebonden is. Jav. 
btUmbem. Zie ook ambang II. 

bëlaxnbaran, Jav. ook b'ëlabaran, een 
lijn of touw, gespannen om den toe- 
gang te beletten, zie b^labar. 

bêlanai, e. s v. versnapering, bereid van 
eieren, die met een suikersaus gegeten 
wordt. 

bëlanak, de harder, e. s. v. zoutwater- 
visch; soorten zijn: b. angin, b. soroif, 
b. k^dëra, b. poetih, b. hitam; tanah 
bUanakan, weeke zeegrond, zoogenoemd 
naar de uitwerpselen van dien visch. 

bëlanda, HoUandsch; nëgari btlandüy 
Holland; orang bUanda, Hollander. 

bëlandar, Jav. dakgording, ook de juk- 
ken, waarop de planken van een brug 
rusten. 

bëlandja, uitgaven, kosten, geld voor 
de bestrijding der kosten; b^landja 
dapoer, geld, door den bruidegom aan 
de bruid gegeven, om de benoodigd- 
heden voor het huwelijksfeest te koo- 
pen eu dat in de plaats is gekomen 
van de afgeschafte djoedjoer^ Pal. b, 
hangoes, geld, door den bruidegom ge- 
geven aan de familie der bruid, om 
de uitgaven voor het huwelijksfeest te 
bestrijden. Mal. ; bUandja pasar t markt- 
geld, om op de markt inkoopen te 
doen; bïlandja mlèmboetoat roemah, de 
kosten voor het bouwen van een huis; 
ook: tractement en pasmunt, b. v. b. 
mati, vast tractement; bUandja négari 
Hoe hiam-blèlas tampang saringgit^ de 
pasmunt in dat land is de tampang, 
van 16 op een dollar; déngan bUandja >^ 
njawanja, met opoffering van zijn leven ; *' 
bUandja siam^ e. s. v. katschelpjes, die 
in Sijam als pasmunt gebruikt worden ; 
mëmblèlandjakan, besteden, te kosten 
\eggeni mlimblèlandjaïy bekostigen. 

bëlandoe-wi» HoUandsch. 

bëlanff» bont, gevlekt, veelkleurig ge* 
streept, van de huid van dieren, b.v. • 
oelar bUang, e. s. v. gevlekte giftige 
slang; kambing belang, een bonte geit; 
sakit belang, e. s. v. melaatschhéid, 
waarbij de huid gevlekt is ; belang tjan- 
tjang, bont gespikkeld; djawdb bltlang, 
antwoorden, die niet met elk. overeenko- 
men, Mën. ikan belang, e. s. v. moeras- 
visch; b, pèlangi, de klenren t. d. 
regenboog. Zie htla}^ en pêlang» 



b^lanisa — belek* 



45 



bëlanfi^a, e. s. v. grooten rooden, oavor- 
glaasden, aarden pot met wijden mond, 
zonder ooren, teil; belanga ajar-soesoe, 
melkteil ; perioek-bUanga, samenge&t. 
uitdrakking voor potten en pannen ; 
bUanga sékat^ een pot waarin vakken. 
Men heeft ze ook van ijzer. 

bëlanftkas, op Java mimiy de Moluk- 
Bche krab, wier schild vormig lichaam 
met een beweegbaren, zeer harden en 
langen, dolkachtigen stekel bij wijze 
van staart gewapend is; pédang ekoer 
bUangkaSf driekanten degen; boenga 
télor bélangkat, e. s. v. bloemen, gelij- 
kende op de eierstok van die krab. Zij 
groeien aan een struik. 

bëlan^kin, koolteer, zie belakin. 

bêlantai, een lichte houtsoort. Zie antai. 

bêlantan, korte, zware knots of knup- 
pel; ook: korte boomstronk. Zie ook 
antan; membèlantanif knuppelen. Zie 
ook gada. 

bëiantara, voor blérantara, van antara, 
tusschen, tusschenliggend ; padang blèl- 
antarUy een vlakte tusschen bewoonde 
streken gelegen, soms ook padang 
antara en verder bhtdang blèrantara. De 
afleiding van vdT. houdt dus geen 
steek en is vergezocht. 

bëlantik, springlans, lans met spring- 
veer. Hiervan twee soorten als : bUantiJp 
paoetj waarbij een achterwaarts gebo- 
gen boomtak dienst doet voor veer en 
b, parap, die een reusachtig liggende 
boog is. Mal.; memasang bèlanti^, zulk 
e. lans uitzetten; bintang biêlanü^, de 
H jaden, een sterrengroep. 

bëlar: tnémbUarj wriemelen, b. v. van 
mieren enz. ook: overal rondloopen, 
van kleine kinderen, krioelen. 

belas» I. medelijden; bUas-kasihan^ ont- 
ferming en medelijden; II. korrel, Jav. 
wèlatf gebruikt om achter de negen 
eerste getallen geplaatst, de getallen 
van elf tot negentien te vormen. Bi- 
bérapa blèlas, een aantal tusschen tien 
en twintig. Deze vorming met b)èlas 
schijnt uit het Jav. overgenomen; de 
ware Mal. telling is: sapoeloeh satoe^ 
sapoeloeh doewa enz. 

bëlaaah* slaag, ransel; kïna bltlasah^ 
ransel krijgen; mémbiélasah ranselen, 
ftfroBsen. Zie asah, 

bëlat, I. fuikvormig staketsel, meestal 
van rësam-stengels vervaardigd; bUat 
èaioe, een fuik, waarbij een koraal- 



dijkje gebruikt wordt; è. ampang, een 
andere s. v. fuik; II. e. s. v. scherm of 
voorhang, gemaakt van dunne reepen 
rotan of bamboe. Op Java keré. III. 
mémbelatj spalken v. e. gebroken 
lichaamsdeel. Pad. bovnl. 

bëlata, e. s v. visch, zie p'ëlata. Mën. 
ook e. s. V. slingerplant. 

bëlati, europeesch, b. v. tali bUatiy euro- 
peesch touw; ka^in bièlati, europeesch 
doek ; boewatan belatiy europeesch maak- 
sel. Mogelijk van berhati? 

bëlatik, rijstdiefje, rijstvogeltje. Ook 
djelatijp^ en in het Jav. gMaiiJf. 

bëlatjan, een dikke bruine conserf van 
kleine vischjes of garnalen, gebruikt 
als bijmengsel in toespijzen, voorna- 
melijk in de sambals. Soorten zijn: 
bëlatjan ikan, die van kleine vischjes, 
en b. hoedang^ die van garnalen ge- 
maakt is; ikan bilatjan, katvisch. Op 
Java trast. 

bëlatjoe, ongebleekt katoen; belatjoe 
kelarai, ongebleekt keper; belatjoe mi- 
nja^y ongebleekt katoen, dat naar olie 
riekt. Ook kdin méntah. 

bëlatoek, (beter pelaloe^y frequ. van 
pafoeipy pikken), specht. Soorten zijn: 
belatoe^ batoe, b, bawang en b, halat. 
Zie patoe^. 

bëlau, I. ikan blèlau, e. s. v. zeevisch; 
II. belau-bèlaUf flikkeringen voor de 
oogen. Zie kilau en lau II. 

bëlawa, e. s. v. groot zwaard. 

bëlëbak, een bamboezen springlans. Mal. 

bëlebar, e. s. v. eetbare vrucht, Abd. 
Schets Wrdb. 

bëlëbas, regel om planken of latten 
tegen te spijkeren, roede aan de kam 
bij het weven, spouwhout. Mën. ook 
liniaal, de lijn daarmede gemaakt, 
schermstok. Zie ook b'éroti an balera. 

bëlëbaty I. e. s. v. zachte, in den wasem 
bereide koekjes van pisang tjy ktlede^, 
aan dobbelsteenen gesneden. II. zie 
btlabat. 

bëlëda, e. s. v. stijve brij van boonen- 
meel, fijn gesneden en met stroop ge- 
geten. 

bëlëdiy metalen wateremmer. Mal. 

bëlëdoe. Port. veludo, fluweel ; boeroeng 
b^lëdoCf de fluweel vogel; ikan^b'ëlëdoe, 
een drie voet lange zeevisch, zwart en 
wit gevlekt, met fijne schubben en eet- 
baar. 

belek, geopend van de oogen; mêmbelei!^ 



46 



bëlelek 



bêloeboè. 



met geopende oogen iets goed bekijken. 
V. d. W. zie belija^. 

bëlelek, van de onderste oogleden: het 
binnenste naar buiten gekeerd. 

bëlensket, Batav. kleven, = lekat, 
zie ald. 

bëlensset, omgeslagen, neerhangend van 
de onderste oogleden, zoodat de binnen- 
kant zichtbaar is. Ook bUenset. 

bëlêntinfi:, tot berstens toe opgezet, 
van den buik. 

bëlêrLtJas, e. s. v. rups, Mal. 

bëlentjong:, Jav. lamp, die bijhetver- 
toonen van de wajang gebruikt wordt. 

bëlëntoene:» e. s. v. boomkikker, Sch. 

bëleranfi;, op Jav. walerangy zwavel; 
belerang abang, roode zwavel, d. i. 
z wa vel-arsenicum . 

bëleter, zie leier. 

belewar, e. s. v. passiebloem met oranje- 
kleurige eetb. vruchten, ook mentimon 
blanda genoemd. 

bëli; mtmb^liy koopen; telah djadi soedah 
dibeli, toen de koop gesloten was; 
oewang 'pémhtli^ geld om voor te koo- 
pen; blèli-b^lian, koopwaren, dingen die 
men koopt of gekocht heeft; harga 
pêmb^liatiy de koopprijs. Zie ook djoewal; 
vfiémMli haii séCéroenja, het hart zijns 
vijands winnen. 

bëlibat, schepriem of pagaai met een 
blad aan weerskanten ; rnémbelibat, met 
zulk een pagaai roeien. 

bëlibis, e. s. v. kleine wilde eend, taling. 
Op Java méliwis. 

bëlida, e. s. v. smakelijk zeevischje, ge- 
schubd en gevind, waarvan men kh'O- 
pok maakt; apa koerang kapadabelidat 
fig. uitdrukking voor een rijkaard. 

bëlidang:, e. s. v. zeevisch, in vorm 
overeenkomende met een paling. 

bëlieo,* Jav. zie koendoer. 

bëlÜak, wijd opengesperd, van de oogen, 
gapen van een wond; mémb^lija^kan, 
openspalken, wijd openzetten, van de 
oogen. Ziö belala^ en tjtle]c; ikafi b.y 
e. 8. V. eetbaren zeevisch ihet groote 
oogen. 

bëlüau, oud of eerwaardig persoon, wien 
men eerbied verschuldigd is ; de oude 
bij uitnemendheid, zooals men wel eens 
van een chef of meester spreekt. 

bëiyoens, groote dissel, houweel, hak, 
die door het verzetten van het ijzer 
tevens voor bijl dienen kan; poeting 
bïUjoeng, puntig uiteinde v. e. dissel, 



waarmede zij in den steel zit; ook 
waterhoos, naar dien vorm. 

bëlijoet, verwrongen, van een lemmer; 
zie lijoef'. 

bëlikat, schouderblad; Mën. toelang 
balikaty id. Batav. btlikety kleverig, 
kleven, zie Itkai. 

bëlikoe, scherpe bocht in den oever 
eener rivier of van het strand. 

bëlilah, kokhalzen; zie loewa^. 

bëlimbing, e. s. v. boom, die eetbare, 
zure, zeer saprijke vruchten levert. 
Soorten zijn : b. bïsiy b. boeloehy b. manisy 
b. k^risy b. gading, enz. Ook de kanten 
of vlakken van een kolom, die meer 
dan vïer zijden heeft, naar den vorm 
van die vrucht zoo genoemd. 

bëlin, e. s. v. eetbare aal of paling. 

bëling:, verglaasd aardewerk, porselein. 
Op Java ook seling. 

bëlingkas, klein bosje, b. v. van den 
tobawortél; membelingkaSy tot een klein 
bosje samenbinden; b^rbïlingkaSy tot 
een klein bosje saamgebonden zijn. 

bëlintoel, e. s. v. val of strik om krab- 
ben te vangen. Mal. 

bëlira, de groote spaan bij het weven. 
Mën. balera, id. 

bëlisah, onrustig, angstig. Zie lisah. 

bêlit, kronkel, b. v. van eene slang, een 
weg, rivier enz. pandjang belity allerlei 
uitvluchten of praatjes om er zich van 
af te maken, allerlei draaierij. Mën. 
lali leher toedjoeh bUil, een zeven dub- 
bel collier; membelity kronkelen, om- 
kroukelen, omslingeren, omwinden, ook 
opschieten van een touw of kabel; ber- 
belit-bièlity zich kronkelen ; plèmb^lity wie 
of wat omwindt of omkronkelt, ook: 
bindloon, opvatloon, vindloon; pembt- 
litan, omwinding, omkronkeling, om- 
wikkeling. 

bëlitoens, de naam van het eil. dat 
wij Biliton noemen. 

bëlodak, troebel, v. vloeistoffen Mal. 
Jav. boeft^ = klèroeh. 

bëloe-bëlai, snateren, rammelen. 

bêloe, b^rbeloe-btloe, met plekken op 
het lichaam, b.v. van de koude, zoo- 
als na een bad. Mën. id. 

bëloeboe, e. s. v. aarden pot met groo- 
ten buik, nanwen mond en korten 
hals, waarin men rijst bewaart en 
waarmede men soms rijst meet, inhou- 
dende van 10 — 20 gantangs. Ook de 
gemberpotten, die uit China komen. 



bêloeboer — bêna. 



47 



worden zoo genoemd; dikbuikpot. Ver- 
der ook: kogelflesch. 

bêloeboer, = pMoeboer^ rijstschuur, 
rijstpakhuis ook schanskorf, bottelarij 
op een handelsvaartuig, oven waarin 
men houtskool brandt. Mal. zie loeboer. 

béloedal, = beloedary zie ald. 

bëloedar, Ned. broeder, e. s. v. grof 
gebak, dikke koek in den pot. Ook 
koewih b^loedar. 

bëloedroe, Jav. fluweel, zie betedoe. 

bëloedoe, zie b^Udoe. 

bêloeban, ook b^loewan, open huisje 
op den rug van een olifant. Zie howdah. 

beloek; membeloelp^ loeven, een vaar- 
of rijtuig een andere richting geven, 
scherp bij den wind houden; Mën. in 
kromme richting afwijken, zich krom- 
men V. e. weg. 

bëloekar, (van boekar), kreupelhout, 
laag hout, jong bosch; beloekar moeda, 
van 3 — 10, b, toewa, van 10—25 jaar 
oud. Ook e. s. V. fuikachtige inrichting 
aan den mond van kleine riviertjes, 
om visch te vangen. 

bëloélang, ongelooide huid, gedroogde 
huid ; iali b^loelang^ riem, van zulk een 
huid gesneden ; ^d^^(76?/ö!«^ sabidang, één 
huid of vel ; beloelang ktring, een scheld- 
woord. Ook: eelt, eksteroog. 

bëloembang;, zie g^lombang en oembang. 

bëloen^joer, zie oendjoer. 

bëloenseoe, boeien, kluister; membe- 
loenggoCy boeien, kluisteren; ièrbeloeng- 
goe^ geboeid, gekluisterd; blèrbeloenggoey 
kluisters dragen, aanhebben. 

bëloengkoer, e. s. v. eetbaren zeevisch ; 
soorten zijn : b. pasir, b. paja en b. 
pisang, 

bëloentas, ook loentas, e. s. v. heester, 
die veel voor heggen gebruikt wordt. 

beloer, in de zon gedroogd, inz. van 
visch en vleesch. Men. zie bdloer, II. 

bëloeriy = blètedoe, zie ald. 

bëloeroe, e. s. v. vrucht met harden 
schil, = sento^. Mal. 

bëloesoek, e. s v. giftige zeeslang. 

beloet, tot den vijand overloopen, ver- 
raad plegen, verraad; omliggen van het 
scherp van snijdende voorw. ; plèmbeloet, 
verrader, overlooper. Mën. scheef, krom, 
niet regelmatig van vorm. 

bëloet, aal of paling; toelang b)êloet, 
e. 8. V. engelsche steek bij het naaien. 
Mën. e. 8. V. vlechten', p'émb'éloeian, een 
borduarraam. Jav. tdéhet, id. 



bëloe-wai, gelijkstaande weddingschap, 
weddingschap met gelijkstaande kansen 
voor beide partijen. Zie ook loewai, 

bëloewas, e. s. v. eetbaren zeevisch. 

bëlodok, e. s. v. zout water visch, die er 
kikkerachtig uitziet en in menigte aan 
het strand in den modder rondspringt, 
vdW. noemt hem de smeltvisch. 

bëlok, Ned. blok, nml. het strafwerk- 
tuig; memheloTe, in het blok sluiten; 
pémbelokan, bloksluiting, ook het hok 
waarin men in het blok gesloten wordt. 

bëlom, op Java bUon, nog niet; bUom, 
pernahy nog nooit; djika bUom, vóór 
dat; sabelom, zoolang nog niet, voor 
en aleer, vóór dat ; bUom .... belom^ 
zoolang nog niet .... zoolang ; belom- 
pai = bUom sampai, nog niet tot. 

bëloxupai, samentr. van bUom sampai ^ 
zie bïlom. 

bëlong^kans, I. e. s. v. lage rivier- 
schuit. Mën. id, II, tuig voor trek- 
ossen, Mal. 

bëlonekeng, e. s. v. kleine eetbare 
zoetwaterslak. 

bëlox3£»song:, Jav. overtrek, omslag, van 
metaal of stof. Zie saloet en sampoeL 

bëlontok, e. s. v. eetbaren zoet- en zout- 
watervisch. 

bëmbaxn; m^mbembam, poffen, in de 
heete asch braden. 

bëmban, I. e. s. v. boom, van welks 
bladeren manden en matten worden 
vervaardigd. Mën. e. s. v. riet, dat 
een koel vocht bevat, hetwelk als ge- 
neesmiddel gebr. wordt; de bast wordt 
gebezigd voor vlechtwerk. De vruchten 
er van zijn rood en oneetbaar. De 
groote menigte waarin zij afvallen heeft 
aanleiding gegeven tot de uitdrukking; 
ajar matauja berhamboeran saplêrti 
boewah blèmban masah. Mes. Pr. Dj, 
en ajar maianja saplêrti boewah bemban 
jang masa^ djatoh aias ribadnnja. Hik. 
Boedj. Die vruchten zijn dus niet het 
beeld van de roodheid der oogenl II. 
ikan bemban^ e. s. v. eetbaren zoetwa- 
tervisch. 

bëmbaran, e. s. v. draagstoel voor één 
persoon om in te zitten. Zie tandoe. 

bëmbaroe, = baroe II, zie ald. 

beznbet; membembety aan de hand dra- 
gen, zooals een hengelmandje; ook: 
iemand bij zijn oor voorttrekken, ook 
bebet 

bëna, getijgolf, vooral in de monding 



48 



bena — bëndoel. 



eener rivier; iahi Vina, het schuim 
dier golven, dat gedroogd en als poets- 
poeder voor metaal gebruikt wordt. 

bena» zie héhena. 

bënasa, I. e. s. v. vergiftige slang. 
II. e. 9. V. boom, gomhoudend, met 
bochtig, hard hout, dat voor scheeps- 
kromhüut gebruikt wordt. 

bënah, plaag, epidemie onder planten, 
dieren -en menschen. 

bënak, I. merg, hersenen, ook Men. 
üdai b)êrb^naif, hersenloos, stompzinnig, 
bot, botterik, stompzinnigheid, botheid. 

bënakat, e. s. v. boom. Pal. 

bënaloe, ook benaloe api en api-apiy 
een kwade soort van woekerplant in 
de boomen. Ook: een indringer. 

benam» inzinken; th'èhiam, ingezon- 
ken, b. V. van een anker in het zand, 
een spijker met kop en al in het hout; 
lërbïnam tnatahari, ondergegaan van de 
zon ; mëmblénam, doen zinken in, in- 
drijven, op de lange baan schuiven; 
mémbénamkan perahoet onder water zet- 
ten V. e. vaartuig ; mémb^namkan oranff, 
iem. in het verderf storten; bërbïnam, 
lang wegblijven v. iem. die iets ging 
halen. 

bënanie, draad, garen, inz. naaigaren, 
draad van een spinneweb ; bhtang arang^ 
zwart gemaakte lijn, door timmerlieden 
gebruikt om het hout af te passen; 
b. boelangy draad, waarmede kunsthane- 
sporen worden aangebonden; b, pantja 
wama^ kleine armband van veelkleurig 
garen, gedragen als talisman; b. karap, 
de spandraden op een weefgetouw; b, 
maSf gouddraad ; bénang radja, de regen- 
boog; b%nang tisik, stopgaren, stopsajet; 
bénang soedji, borduurkatoen ; b'ênang 
tiénas, ananasgaren ; btnang iiga ttmbar, 
driedréladsch garen. 

bënar» waar, echt, wezenlijk, recht, naar 
den aard, juist, oprecht, ernstig, waar- 
achtig, deugdelijk, eerlijk, b. v. j^oekoem 
jong btnar, een billijk vonnis; djalan 
jang bhuir, de rechte weg; birkata 
hénar, de waarheid spreken; méngambily 
déngan btnar, op eerlijke wijze nemen, 
tegenover mhttjoeri^ stelen ; orang b^nar, 
een waarachtig man, iem. op wien men 
aan kan; orang dada bênar, ook iem. 
die niet wel bij het hoofd is. Saif Dz. 
sakit bënoTt erg ziek, ter dege pijn; 
mèmhénarkan, in het gelijk stellen, 
rechtvaardigen; mêmplêrbhiari, terecht- 



brengen, in de waarheid leiden; dënga» 
sabhiarnja^ in waarheid; kabhtaran, 
waarheid, gerechtigheid. Zie ook biioel, 

bënda, ding, zaak, voorwerp; b'ënda 
ktiras, harde voorwerpen; bhida tjttjir, 
vloeistof; bhida MlaA, ding Gods, noemt 
men iets, waarvan men den naam niet 
wil zeggen, omdat de aangesprokene 
wel weet wat men meent; harta blènda, 
goederen, schatten; mata bhida, kost- 
baarheden; bërbënda, gegoed zijn. 

bëndasra» = awaip pïraJioe? zie anoalp. 

bëndabara, rijksbestierder, titel van 
den hoogsten staatsbeambte in een 
Maleischen staat. Het woord is Skr. 
en beteekent in die taal schatbewaar- 
der ; ph-blèndaharadn, schatkamer, schat- 
huis, bewaarplaats van schatten. 

bëndahari, schatbewaarder ; phtghoeloe 
bendahariy hoofd der magazijnen, ma- 
gazijnmeester, pakhuismeester, opper- 
schatmeester. 

bëndang:, vak van een bouwland, hetzij 
bewaterd of niet, akker. 

bëndangy Mën. helder, glanzend; iérang 
bhidang^ zeer helder, klaar als de dag; 
grond w. van btndèrang II, zie ald. 

bëndara, Jav. heer, gebieder, meester, 
gebiedster, meesteres. Komt veel in 
HSS. voor, b. v. bëndara Madjapdhit, 
de regeerende Vorst van Madjapahitenz. 

bende» Jav. omroepersbekken. Zie 
tjanang. 

bëndërane:, I. toemba^ b, of Umbing 
b,y e. s. V. piek met haar of vederen 
onderaan en die omgekeerd voor den 
Vorst uit wordt gedragen. Ook bandang, 
b. kanan en b. kiri, e. s. v. beambten, 
in rang volgende op den bantara. II. 
zich naar alle zijden verspreiden van 
licht; Urang bëndérang^ helder schitte- 
rend licht; bëndérang hati, helder van 
hoofd, vlug van begrip. Zie bltndang, 

bëndëroenje» ruimte, tusschen gebou- 
wen, zonder beschot, die in de diepte 
aan elkander verbonden zijn. 

bendi» tilburrie, sjees, calèche. 

bëndoe» Jav. toorn. 

bëndoel, in de bouwkunde : sloof, lang«- 
legger, het houten raam, waarop de 
wanden van een huis, kast enz. komen 
te staan ; bëndoel pintoe, dorpel, drem- 
pel V. e. deur; pa^ tibëndoel, de vader 
van Bëndoel, de naam Tan iem. die 
door zijne groote domheid berucht is, 
vandaar : stommerik, domkop. 



b^ndoeiUE-"*' b^niKböenaiiii:. 



49 



bendoens» ss tnéndoenff, ook wel batt' 
doeug, haan ; hindoeng ttloka, poëtische 
naam voor den haan, letterL haan der 
spreuken. 

bëndoenff» dam, dijk; tnëmbendoeng^ 
afdammen, afdijken ; pèmb^ndoengan^ 
afdamming, bedijking. 

bëndoe-wan* kettingganger, een tot de 
ketting yeroordeelde. Sing. van het Ind. 
btdaewa, 
.bëneloe^ « b^neUoey zie ald. 

bëni^ah, ingebeeld, vol zelfbehagen. Zie 
poengah. 

bënieal, tijdelijk door een toeval min 
of meer hardhoorend, niet willen hoo- 
ren, oost^indisch doof; kab^ngalan, 
tijdelijke hardhóoreodheid, stoffelachtig- 
heid, on volgzaamheid ; bïngalan, stoffel- 
aehtlg« 

bëniyanis, gapend, zooals b. v. de mond, 
een kleed enz. 

bëoffap, gedempt, van een geïnid, b. v. 
dat van een trillende snaar, waarop 
men den vinger houdt; weinig spraak- 
zaam; ook hakkelend, stamelend, van 
iem. die de waarheid niet spreekt. 
Mal. pimbengap^ demper, b. v. van een 
piano. 

bênffeil « b^Mgkilt zie ald. 

bensiKol, knobbelig, knoesterig ; benggal- 
benggol, en beirggol-benggil, hetzelfde, 
maar met verscheidenheid. 

bënfirilf:* gebrek aan ademhaling. 

bëntfis, wreed, hard, hardvochtig ; èatoe 
bhigist fijne tUjpsteen, wetsteen; p^êm- 
bëngis, iem. die wreed of hard van 
aard is. 

léenslukh; mëmbengkah, met kracht een 
uitwerking op iets doen, iets raken. 
Zie héntam4 

bënskajans» overmatig verzadigd, on- 
versehillig van wat. 

bënskak» gezwollen, inzonderh. van 
een lichaamsdeel; ook Aangezwollen v. 
e. geldsom; bhigkajp jang saèon, witte 
swelllng, e. s. v. ziekte ; bhtgkaie-bHgkil, 
hetzelfde met verscheidenheid. 

bënftkal » méngkal, zie ald. kabhtg- 
kalan, zich verslikken, een brok in de 
k^el krijgen. 

bënakalai« gestaakt, onvoltooid van 
een werk; mêmbèngkalaikan, onvoltooid 
laten. Zie ook bangai, 

bënskalia» e. s. v. eetbaren zoetwater- 
visch. 

bëttflpkantfp I. Zie bhtgkoeng. II. Jav. 



bangkang, wedérspannig, tegettftribbe* 
len» tegenspreken, opponeeren. 

benskansy zie bengkojf. 

bënffkar; mèmbèngkar, ontluiken, open- 
gaan, zich openen, b. v. van dingen 
die saamgevouwen, opgerold enz. z^n. 
Ook van dingen die gekookt worden. 
Jav« fnégaty id. 

bënjEkara, » méngkara^ zie ald. 

bënskarnk. Mal. geraamte, skelet, de 
dorre beenderen van mensch of dier, 
karkas, de afgekloven beenderen. Zie 
rangka, 

bênskaroena:, soort van groote, zwarte 
hagedis; de gewone tuinhagedis. Ook 
mèngkaroeng. Soorten zijn: b, kidfaUt 
b. kélaboe^ en b. merak; bèngkaroeng 
djhtgolp'djhigal^ fig. voor iem. die éene 
badende vrouw bespiedt. 

bënskaaa, I. e. s. v. visch. L. II. « dfi' 
raif strik, Abd. 

bëniska-wan, ook mlèngkawan, e. s. v. 
latten, waarop de dekbladen of atap 
voor de daken worden geregen en 
waarbij ook die atap wordt geteld. 

bënska-w^anfft e. s. v. plant. 

benftkeniE, liehtgeraakt, kregelig, op- 
loopend. Ook nijdig van een buffel. 
Mal. Mën. id. 

bënskëraniE, e. s. v. boom, die alleen 
voor brandhout gebruikt wordt. 

bënfl^kil» zich boven de oppervlakte ver- 
heffend, eenigszins gezwollen, opgeloo- 
pen, ook van de oogen ; b^engkajp-bèngkil, 
overal gezwollen van de ledematen. 

bëntfkoe» e. s. v. boom, van welks vruch- 
ten men lampolie maakt en welks hout 
gebruikt wordt voor het vervaardigen 
van sampan's en planken. 

bënskoedoey ook mhigkoedoe^ e. s. v. 
boom, welks vruchten als zeep gebruikt 
worden en welks wortel een gele verf- 
stof levert en als medicijn wordt ge- 
bruikt. Soorten zijn: b, badaff en b, 
hoetan. 

bënnkoekamc» e. s. v. zeebrazem, Mal. 

bënskpeni^, I. het weefsel tussehen de 
bladeren en den stam van den sagopalm. 
II. omgebogen, omleggen, v. e. .«nijd^d 
werktuig ; bingkang-bëngkoengt bcftselfde 
met verscheidenheid ; mémÜ^koéifff'' 
kan, ombuigen, doen omleggen. IH. een 
gordel, door vrouwen gedragen» om de 
saroeng op te honden. 

bëni{koeiiaiiff9 de grootste soort van 
dwerghert. 



«o 



bënffkoe^vak ^^ bëntoer» 



bëxittSKoe'^vak, «* ténggoewa^, zie ald. 
bënffkoe'wanfi;, ook mlènffkoewaugy e. b. 
T. plant, gel^kende op een pandanus, 
van welks bladeren men zeilen en mat- 
ten maakti Zie s^ngkoewang. 

benffkok^ krom, gebogen, verkromd; 
hengkang-hengkojfi krom en verdraaid ; 
mêmbengko^f krom worden; mémbeng- 
ko^kattf iets krom maken. 

bëtisohy doodaf van iiard werken, Mal. 

b^nffok^ neerslacbjig, mismoedig, neer- 
slachtigheid. Mén. dom, onnoozel. 

bensor, Jav. gezwollen en uitgebeten 
van de lippen door te veel kalk op de 
sirih. 

benftot* scheef, niet recht of vierkant; 
fffliff^^^o^, scheef worden. Zie ook eroet. 

bënih» zaad, zaailing, oorsprong, legger, 
kopij, eiemplaar om voor lateren her- 
druk te dienen; sama bènih déngan 
diaf met hem van dezelfde afkomst. 
Zie banif Ar. 

bën^aftfiy handel drijven ; orang d., han- 
delaar,, handelsman; mémpémijagakan, 
met iets handel drijven; pémijagadny 
koophandel, handelswaar. 

bënlnar, op Java, helder, tranaparant, 
■■ hëning, zie ald. 

bënitan, e. s. v. boom> die voor masten 
gebruikt wordt. 

bëixjal» aan kruim, vetkookt, los, zooals 
aardappelen in de soep; van eene han- 
deling: flauw, zonder energie; van een 
maatregel: halfbakken. Mën. slap, week, 
zacht, lusteloos, krachteloos. 

b«tije%, kleverig van rijst, die te gaar 
is, klef. 

beii^oet» 3s bengoet, zie ald. 

bënoe, e. s. v. door de natuur gevorm- 
den vijver of meer. 

bëiiiaew»»» groot, vast land; orang b'é- 
fioewa, de oorspronkelijke bewoners van 
eien land, inz. "van het Maleische schier- 
eiland. 

bënoewanfl;, e. s. v. boom met zeer 
licht höuti alleen gebroikt voor het 
T^Vftardigeh van dobbers. v.d.W. irfe 
ook diHd^fcwN^. 

bëfitf^ 'e.'S. V. verzwering aan het boven- 
lijf als gevolg van een bloedvin. 
- 'bëiotaiki weer ingestort, v. een zieke, op 
nieuw ontstoken van eene irond. 

'bëtvttfttlkrf I* mémbïittïangt uitspannen, 
uitspreiden, zooAls een tap^t, tent.feönne- 
' séh^rm, iiët, boog tm^b^iMg Hkar pén 
tida)f, voor ons: hem werd zelfs geen 



stoel gepresenteerd; Üniangan laugitf 
het uitspansel des hemels. Zie ook r'ën- 
tang en pèuiang. II. ruwe buffelslede 
voor hoiïttransport. 

bëntansoer, e. s v. boom met goed, 
taai hout, gebruikt voor scheepsmasten 
en huisbouw. Van de pitten uit deszelfs 
Vrucht maakt men damarkaarsen. Mën. 
wrdb. schrijft bititangoer. Soorten zijn: 
b. laoet, b. hoeian, b. boenga, b, djang- 
kafy b. batoe, b. ratooen^ en b. merak. 
Ook méniangoer. 

bëntar; sabentar, een oogenblik; dé- 
ngan sabentar, oogenblikkelijk ; tabhtüir- 
tabtnioTy ieder oogenblik ; dalam sa- 
bentar-b^nfarany in een oogenblikje. 

bëntaa, « bentehj zie ald. 

benieh ; mêmbentehy met het scheenbeen 
schoppen ; mdin benteh, een spel, waarbij 
dit plaats heeft; j9^md<?»^^, scheenbeen- 
schopper. 

benten è» schans, fort. ^ 

bëntil, ook pénüly tepel; bhtUl soesoe, 
tepel van de borst. Zie binül, 

bent jak-, zie bantjah. 

bën^ana^ Skr. ellendige zaak, kwel- 
ling, leed, beleediging, teleurstelling, 
bedrogen uitkomen; bhttjana ijmfdny 
kwelling des duivels ; b'érboewai bièntjanüy 
leed berokkenen ; membtntjanakany be- 
leedigen, smaadheid aandoen, blamee- 
ren; wa^toe bëntjana, onzalige, slechte 
tijd; sédikit sadja bëntjanay een kleine 
beleediging slechts. 

bëntjais duizelen, schemeren, flikkeren 
voor de oogen. 

bent jat, gestaakt v. e. werk» gestuit in 
zijn vaart of iü' den groei, geketst V. 
e. vuurwapen. Zife ook péijai. 

bëntji, haat; membhttji, hAÏen tp^mè^tjiy 
hater; ^ikmafpfmblintjit'mièdLéi om haftt 
op te wekken, of afkeer in te boezemen ; 
kabéntjiany hatelijkheid, gehaat. 

benijoety « bêHtjoH. 

ben^oh, opgewonden toestand, die aan 
een dcene voorafgaat, in een kwaad 
humeur zijfa. 'Ook behtjoet, 

bëntoek, krom gebogen stuk van eene 
harde en taaüs zelfstandigheid, bocht, 
kromming. Ook gebruikt tiïs hulp-Telw. 
voor ringen enz. m^bn^j^/off^^ krom Wi- 
gen, een gebogen 'Vorm^aiiB iets geven; 
tidajp ^^rl^n^oc?^, onbuij^zHaïn, niet te 
buigen, koppig, eigeüzinnfg. 

bëntoer; mMbHtoer, buigen, b.v. een 
boompje, tak enz. Zie ^ook Vitoer, 



bentbh -~ bëi*ai. 



51 



is^ntoii, verschillen in meening of ge-' 
voelen; blêrèentohan, verschil met elk. 

• hebben. Mal. Sam. Zie ook bantah, 

bër. Voorvoegsel tot vorming van in- 
transitieve Werkw. en om het bezig 
zijn met de handeling uit te drukken. 
Voor Naamwoorden gevoegd, beteekeut 
het: hebben, bezitten, voorzien zijn van. 

bëra, rood, zie bara; bièra moehay rood 
van verlegenheid of schaamte; aange- 
zichtspijn, tic doaloureuz; mémboewang 
b^ra^ zijne schaamte of schande wegdoen, 
van zich doen, uitwisschen. 

bërAftan; mati bëragan, dood, doch er 
nog uitzien alsof het leeft, b. v. van 
insecten; ook: van ouderdom of hart- 
zeer gestorven, v. d. W. 

bëi*ahmarësi, meestal maharesif groot 
heilige. 

bërai, verspreid ; tjtrai-bïraiy overal ver- 
spreid; m^ntjerai-blèraikan., overal ver- 
spreiden; warta itoe kita btrai-befaikan, 
wij verspreiden die tijding overal. Zie 
oerai en pérau 

'berak, kakken, schijten; dus grof voor 
boewang ajar of kasoengai blésar; mem- 
bera^kan, beschijten, bekakken, uit- 
kakken. 

bëz^k, I. opgezet, bol, van de wangen; 
eenigszins gezwollen en tot bederf over- 
gaand, niet meer versch, van visch enz. 
èëra^ moeka, opgezetheid van aange- 
zicht. II. mémbh'alfj met geweld onder 
water of modder houden om te doen 
stikken, verzuipen op die wijze. Mogelijk 
hetzelfde als I. 

bêrakah, vermetel, stout. 

bëraksa, I. Skr. = blèringin en ook gebr. 
als poëtische naam voor andere fraaie 
boömen. II. ook do^a^^a, vurig, dapper 
van een paard, ongev. = simb<èrani. 
Zie ald. 

beram, schitterend 'rood, R. v. E. pér- 
fnata beraMy de roode diamant, v. d. W. 

bëraixit e. s. v. bedwelmenden drank, het 
vocht van de tapai^ zie ald. 

bëvamban, e. s. v. witte, welriekende 
lelie. Mal. 

bëranda» ook boeranda, veranda, bal- 
kon, kftjuit of campagne op Mul. vaar- 
^tuigen met een plat dak, waarop men 
zitten kan. 

bëvandal» Jav. müitéling. 

bërandans, onbedekt en daardoor zicht- 
baar, b. V. een huis 

bëi^Hdiy Eng. brandewijn, cognac. 



beranfir, woede, toorn, verontwaardiging ; 
kwaadaardig, opvliegend, vinnig; m^w- 
berangiy woedend tegen iemand uitvaren ; 
berang-berangy e. s v. roode, een span 
lange, zeer vergiftige zeeslang, en volg. 
R. V. Ë. zeehond. Zie bïrang, 

bëranie-bëpanffy e. s. v. otter; b, ka- 
wan, die in gezelschap van velen, b, 
toenggaly die alleen leeft. 

bëranffflans* zie ranggang, 

bêransta, zie angta éh ania. 

bëranffti, verb. van birahi, zie ald. 

bëraniy mogelijk eene samentr. van htr 
en toaniy moedig, dapper, etoat, vel*- 
metel, brutaal, driest, durven ; btrani 
lalaly zoo dapper als eene vlieg; «^;lt- 
bërani en s'ébérani, vurig, moedig, van 
paarden ; bïrani maloe, Uioei ftuUi, 
Sprw. batoe bïrani en besi bh'aniy zeil- 
steen, magneet; ia^affia», dapperheid, 
heldhaftigheid, driestheid; mèmürani- 
kan dirinja, zich verstouten, de stoute 
schoenen aantrekken; Zie ook »am. 

bëranta, e. s. v. vaartuig met groote, 
lange riemen. Zie ook anta. 

bërapa» samengest. uit bër en opa, wat 
hebben, voor: hoeveel? b. v. tërapa 
harganjay hoeveel is de prijs? wat kost 
dat? bërapa kali, hoe vele malen? hoe 
dikwijls? tiada bïrapa, niet zoo he^l 
erg, niet zoo zeer veel; barang btrapa, 
hoeveel ook; berapa lagi, hoeveel te 
meeri en hoeveel te minder I hèrapa 
dilarangkan, hoe dikwerf hij ook veit- 
boden werd; hêbërapa, eenige, vele; 
tiélah bU^apa lamanjay na verloop van 
eenigen tijd. 

bëpa«, gepelde rijst, en verder: elk ge- 
bolsterd graan of zaad; b(èras basahy 
natte rijst, gebr. als scheldwoord voor 
een deugniet; bèras koenjU, met kul*- 
kuma geel gekleurde rijst, die bij fees- 
telijke gelegenheden wordt gestrooid; 
offerrijst; b'éras l^haroey nieiawe rijlt, 
zooals bij ons de nieuwe aardappelen; 
bëras timboel y door den klander uitge- 
vreten rijst, zoo geheeten, omdat die 
op het water drijft of aan ^e opper- 
vlakte komt; b'éras pétas, allerlei ge- 
pelde rijst, rijstwaren, afooals wij zeg* 
gen: grutterswaren: hértu mt^amg pi* 
uangy korrels van de pinangbloemen ; 
bh-as boenga njioer, korrels Tan- de 
kokosbloemen ; ptbéroMn, bergplaats 
voor de gepelde rijst. 1 

berat, zwaar, drukkend, gewichtige ba- 



m 



bërbatia— — bërkfts. 



Ungrijkv zwasrte, belangrijlcheid; k»- 
pala blèraty zie bij kapala; bhrat tikoe, 
zwaarte van ellebogen, fig. Toor lui; 
kabératan, wicbtigheid, belangrijkheid -, 
mémb'éraikafit bezwaren, verzwaren, doen 
drukken ; pUmiérat, e. s. v. toovermiddel, 
iriaar welkP b. V; mhtghtakanplèmbtkrat, 
j&ng di'adjarkan olih bikoe Kala Sa^ti 
itoe. Mes. Kag. mémbhrati haUnja^ zijn 
gemoed bezwaren. B. ilamp. p. 7. 

bërbana» <= 'rlèbana. 

bërbapaJsan, tot vader hebben. 

.bëvdoe, dek van een schip Mal. 

bërdbes, dik en vooruitstekend van 
dén buik. Zie boentjit, 

berëbat, soms ook pérapatf e. s. v. plant, 
1 die aan het strand grpeit. Zie ook rUat. 
, b&rëbek; boeroeng blèrUelf^ watersnip. 

Ziè berejp-bere^, 
. bepëmbaiiy dwarslat ter verbinding vau 
palissaden en dergel., dam of stuiting 
ter afleiding van het water. 

bërëmbanir, e. s. v. grooten strand- 

' boom, met zure, platronde vruchten, 
naar welker gelijkenis de knop op een 
masttop ook boewak blèrhnbang wordt 
genoemd; ook pièdada of liever boewah 
pidada geheeten, naar de gelijkenis met 
den tepel eener borst. Ibr. b. Ch. 

bërêmi, e. s. v. in het wild groeiende 
groente, een plantje met langwerpige 
blaadjes . en witte kelkbloempjes, iets 
: gelijkende op ons muur. 

bërënanff» zwemmen, zie r^nang. 

bêrendi^ Eng. brandy, cognac, bran- 
dewijn. 

b^rens-bërenis, klauknabootsend 

?^oord, naam van een groot koperen 
bekken, behoorende tot de Chin. mu- 
ziek. Ook gémbéreng, 

bërëiMKAf de maden, die uit de eieren 
van insecten, zooals vliegen enz. voort- 
komen. 
. bërënstfil, geheel boven de oppervlakte 
uitstekend, zooals b. v. de oogen van 
een garnaal, de pit van de djamboe 
thi^l of ^'. monjeL Zie binggU, 

bërësih» . schoon, niet v uil, zuiver, hel- 
der, ïeia, zindelijk; htUï jang bMtih, 
een rein hart; mlm^^ï^^EraM, schoon- 
maken; miéwUiériêihkan maeka, het ge- 
laat ophelderen, opvroolijken ; mlimbh'lê' 

'■ tihkan dirinja, ook: aan zijne >wette- 
mke verpliehtmgen voldoen, b. v. bij 
het aangaan van een huwel^k; zie ook 



bérety in de samenst. tjeret-beret, zie 
tjeret 

bëjE>soek, verbastering van het Arab. 
boerkcty zie ald. b. mUajah, een afhan- 
gende sluier. 

bërbala, afgod, afgodsbeeld, afgel. Tan 
batara Skr. 

berhana» zie sabMana. 

bërhênti, zie hènii, 

bëri; mièmb)èri, geven, verkenen, toe- 
staan, vergunnen, toelaten, opgeven; 
membhi'tahoe, kennis geven (en hierv. 
p'émbh'itahoetoanf kennisgeving) ; mém- 
bëri hati, aanmoedigen, toegeven, ver- 
wennen; djangcÉfi dibéri kaloetaar, laat 
hem er niet uitgaan; sapémbhi kakiy 
zoover de voeten iem, brengen kunnen ; 
p^mblèriy de gever; p'^mbèriatty de gift 
of gave; mlèmbhi ook gebr. in de be- 
teekenis van: verwekken, b. v. «^«^j 
dahfjai, verbazing wekken; m. ^irdn, 
verwondering wekken; w. djemoe, af- 
keer of walging wekken; m, soeka, 
vreugde wekken; m, maloe, schaamte 
wekken enz. tn. djalan, aan d. gang 
helpen. 

bopi-bëri, e. 8, V. grauwe torretjes, die 
veel in de mangga vruchten worden 
gevonden. 

berida, Skr. oud, bejaard; ma^^^r» bë' 
rida, een oude minister. 

bërik» Ned. e. s. v. tweemast vaartuig 
zie kitji. 

bërik-bërik» de nekvederen van vecht- 
hanen strijken. Mal. 

bërinda» de totaliteit, het geheel, b. v. 
van eene familie of van de inwoners 
eener plaats; sab'érittda, met hun allen. 

bërin4jal » ilêrong, zie ald. 

bërinttin^ de indische heilige vijgen- 
boom. Op. Java fcaringin. In geschriften 
ook béralesa en boerajfsa genoemd; 

bëidta, bericht, tijding, kennia^ving; 
êoêrat btèrüa, verordening, openbare af- 

- kondiging; mémèlèritay berichten; p^hrt- 
bhitaan, verslag^ procesverbaal, rapport. 

bërkacMahan zie alak, , * 

bërkalabi, vechten, plukharen, zie 
alah en kalah, .f 

bërkas, bos, b\indel, takkebos^ bos 
stroo, bosje bladeren enz. mimbërkaSt 
tot een bos samenbinden, bossen malfien ; 
tapèrti tandoeie diSêrkaty als horens tot 
bossen gebonden, fig. uitdrukkjiBg voor 
oneensgezinden ; dan tangannja ttrUr* 
aê (ëngan ioeboeknfdt zijne anoAU 



bërkat -- bër^at. 



58^ 



Ut waren met zijn lichaam saamgebonden. 
Hik. R. Ch. inémbltrkasi « mèmberkaSj 
doch met Tcelvuldigheid van handeling. 

bërkat, Arab. zegen; déngan bhrkat 
toewan f door uwen zegen, d. i. door den 
zegen, die op u rustj mémblérkati, iem. 
of iets zegenen; mémblèri blérkat, zege- 
nen in het algemeen; kabërkaian, ge- 
zegend. 

bërkëlans, zie pérklèlang, 

bërkëpalanfiran, zie alang. 

bërkik, e. s. v. snip. 

bërkoenfi;, zie barkoeng, 

bërkombaray zie ombara. 

bërma» Skr. de god Brahma, komt 
veel in eigennamen voor, b. v. Blèrma 
Sa^ü enz. 

bëmas, vol, gespannen, goed gevuld, 
bevrucht, b. v, v. e. blaas, de wangen, 
de borsten, vruchten, puisten enz. b. v. 
bhjioê soesoenja, laloe titik slèndirinja 
kaboemi, hare borsten waren vol, ver- 
volgens droppelde het van zelf op den 
grond. 

Ibëi^niasa» van baniaga, handeldiijveu, 
handelen; mëmpérniagakan harianja, 
handeldrijven met zijne goederen; per- 
uiagadny koophandel. 

herOf Ned. bureau, schrijftafel met lo- 
ketten, ■» almari bh'kotaie-koia^. Abd. 

bëroed, Arab. koud ; bëroedat, de koude. 

bëroedoe, jonge kikvorsch, die nog 
geen pooten heeft. 

bëroeicaf een balkonnetje ter zijde van 
het huis, waar de vrouwen zitten te 
weven, ook tijdelijke hut in het bosch. 

bëroek, e. s. v. grooten, zeer leerzamen 
aap, de Lampongsche aap ; bh-oe^e 
mémghantar ^dfil, fig. uitdrukking voor 
eön kliergezwel aan den hals, verge- 
leken bij de gevulde wangzakken van 
zulk een aap; iaboeng b^oejp, e. s. v. 
plant, nepenthes. 

beroenait Bomeo-propre, N. W. Borneo, 
waarnaar het geheele eiland genoemd is. 

bëroes» Eng. brush, borstel ; mènMroe$^ 

' borstelen. 

bëroét» Jav. schram, krabbel. 

bëroe-waniE, de Maleische beer, de 
honigbeer, ook voor beer in het alge- 
meen, b. V. B. ramp. bës. pag. 30. 

bëroewa«9 e. s. v. boom, waarvan de 
vrnchten op manggu gelijken, doch on- 
gezond zijn en de wortels in de genees- 
. kande gebruikt worden. 

bëroUh, verkrijgen; zie bij o/tA. 



bëroxnboniK» T. e. s. v. boom, met fraai ^ 
rosékleürig hout. II. een mastkoker, 
die aan één kant open is om den mast 
te kunnen strijken. Mén. baroemboengt 
buis als leiding voor eenc v^loeistof ; 
koker voor kunsthancsporen ; gevloch- 
ten lus om den poot van een vogel, 
dien men aan een touw vastlegt. Mal. 

beronis, scheef, inz. van het aangezicht, 
door een gezwel. 

bëronok, e. s. v. zoetwater-weekdier, 
dat rauw gegeten wordt. vdW. Soorten 
zijn: b. laudar en b. daoen bakau, 
e. s. V. zeeworm, inwendig vol grauwen 
modder. 

bërononfl:, een oogstmand. Mal. 

bëroti» lat, tengel aan den wand om er 
de planken op vast te spijkeren, ook 
wel voor dakspar. Zie ook bUibas. 

bërotji, de naam eener . stad in Eng. 
Indië, vanwaar vroeger veel zijde naar 
den Ind. Arch. werd uitgevoerd. Als 
Bijv. nw. fijn, fluweelachtig. 

bërsat, bij ongeluk in een verkeerde 
opening komen, b. v. in den neus, v. 
spijzen, in een verkeerd huis, v. per- 
sonen. Mogelijk van bltrtesat, 

bërsib, zie bèresih. 

bêrsil, uit eene holte te voorschijn ko- 
men, zooals de oogen uit hun kassen, 
een worm uit een vrucht, wild vleesch 
uit een wond, de mond van het geschut 
uit de geschutpoort. Zie ook bh-sii en 
ph'sil. 

bërsin, niezen; tUh'sin, aan het nie- 
zen raken. 

bërsit, in eens te voorschijn komen, 
zooals iets, dat in de keel of den neus 
zit, ineens voor den dag komen, b. v. 
eene tijding of levend wezen; zie ook 
bërsil en ph'sil. 

bërtaxn» e. s. v. plant, van welks bla- 
deren atap wordt vervaardigd, b. v. 
dindingnja kajoe, atapnja birtam, de 
wanden waren van hout, de dakbedek- 
king van b^rtam Maxw. / 

bërtas; mlimóh'ias, aah^de oppervlakte 
komen van een school yisschen. Mal. 
Mogelijk een verkeerd gehoord blèrtUat 
en niémpèrztM? 

bërtlk, ongebolsterde rijst, in de pan 
geroosterd, totdat de dop gebftrsten is. 
Hierbij wordt het knetteren van: ge- 
weervuur vergeleken I 

bërsat» e.s.v. klein soetwatervliohje^ h, 
Urbang, larve Tan den boomkikker. Mal. 



64 



beiNhn ««^.bëtflis* 



besaiit biBnamiog yan ouders onderling, 
wier kinderen met elk. gehuwd zijn; 
zoons of dochters schoonvader of •Schoon- 
moeder; besan sabanialy benaming van 
twee echtgenooten onderling, wanneer 
beider voorkinderen met elk. gehuwd 
zijn; blèrbetan-beaaiif met elk. schoon- 
ouders zijn van dezelfde paren. 

besar, groot, dik, zwaar, hevig, vol- 
wassen, gewichtig, aanzienlijk, van 
hoogen rang, b. v. goenoevg bësar, een 
groote berg; pokou bièsar, een dikke of 
zware boom; riboet bttar, een hevige 
storm; boedajp Hoe toedah b'ésar^ die 
knaap is reeds volwassen; pérkara bë- 
sar, een gewichtige zaak; orang b^sar, 
een aanzienlijk persoon ; pangkat bisar, 
een hooge rang; ajar bésar, hoog wa- 
ter j patang besar, hoog tij; besar ka- 
pala, koppig, stijfhoofdig; hati bièsar, 
hoogmoedig, trotsch; m^mblètar^ zich 
groot voordoen^ de hoedanigheid, van 
groot vertoonen; mïmblêiar kapala zich 
koppig toonen; mlêmb^sarkan, verheffen, 
groot maken, grooter maken, vergroo- 
ten; membltsarkan dirinja, zich ver- 
heffen of verhoovaardigen op iets ; 
blèsarnja hati beia tagoenoeng rasanja, 
ik ben daar zeer trotsch op, ik gevoel 
mij daarmede grootelijks vereerd; ka- 
èlètarafi, grootheid enz. ook: de rijks- 
insigniën, rijkstrom, staatsie en ook = 
kab^saran hatif hoogmoed; en verder: 
teeken van hooge waardigheid ; JtMsar- 
b^aatan barang lakoenfa, al zijne ge- 
dragingen waren zeer voornaam. 

bëaêlit, Ned. besluit. 

bësëmbi, zie bij asam. 

beser, onwillekeurige vloeiing; beser 
kltntjing^ onwillekeurige pisloozing; b, 
boewang ajar^ onwillekeurige stoelgang ; 
b. mani, zaadvloed; b, poetih'poetihan^ 
witte Tloed. 

bëset; mémbUeit Jav. stroopen, villen, 
afhalen. 

be«i, ijzer; blèsi lantaiy plaatijzer; bësi 
baéang, staafijzer; b, ianoA, ijzer van 
slechte kwaliteit; bM poetih, blik, P. 
zie pamoer'j b^ bh-ani, magneet, blik- 
semafleider; b. charsaniy ijzer of staal 
van Chorasaa ; hén mUiela, e. s. v. staal, 
waarvan men krissen vervaardigt, die 
niet gedamasceerd zijn. Mal. b. katoi, 
stulge oud ijzer, beho<»*ende tot de 
i^ks-insigniën en waar op men plechtige 
èeden zwoer; ^. tjttJbang^ e. s. v. chi- 



neesch wapen, zie ijabang; b. ijap^ 
brandijzer; merkijzer; b, plhgoekir, 
graveerstift; b, téUrika^ strijkijzer; b» 
lintang^ dwars-ijzer, benaming voor alle 
blanke wapens, waarmede men houwt; 
batoe b(ési, graniet en andere harde 
steensoorten ; baloe bësi, boekannja baioe 
boewatan, graniet en geenszins vervaar- 
digde steenen; tahi besi en karat bësi^ 
ijzerroest. 

bësikan, e. s. v. eetbaren zoutwater- 
visch. Volg. vdW. bëiiko, 

bêsing:, volgegeten vdW. 

bëskat; badjoe bëskat, e. s. Vé vest, dat 
op de borst gekruist en op de heupen 
saamgebonden wordt. Ook tnéskat. 

bêskoewit, Ned. beschuit. 

bësoe, vervallen van het gelaat. Keasb. 

besoek, morgen in ruime beteekenis, 
later, in de toekomst; d. joa^t, morgen- 
ochtend; b. loesdy morgen of overmorgen, 
later wel eens. "Wellicht eene samentr. 
van beresoejp. Zie esoejpi 

bësoesoe» een witte, zoete, eetbare 
wortel of knol, ter grootte van een bol- 
ronde rammenas, die rauw als toespijs 
gebruikt wordt. 

bêsoet; mëmbesoet, metalen zuiveren 
van de alliage. 

bëstari» uitgebreide kundigheden of 
deugden bezitten, beroemd. De beteek. 
van dit woord is nog niet recht be- 
paald. Het komi alleen voor in ge- 
dichten. 

beta^ ik, mij; zie beita» 

bëtab, Jav. uithouden, verdragen, tiada 
b^tah, niet kunnen uithouden; b. v* 
ajahanda tiada bëtah gering hoeloCy 
vader kan de hoofdpijn niet uithou- 
den; orang Hoe bUah makan, die man 
kan terdege eten. Zie ook b)^ia^ II, 

bëtak, I. membUalpy opbergen, opredde* 
ren, in orde houden; djoeroe b'éiaipy 
hofmeester, v. d. W. Zie peta^J Zal vrel 
het Jav. bifa^, zijn, rijstkoken ; djoeroe 
b^faky e. rijstkoker of bijkok^ II. == 
b^tahy uithouden, verdragen kunnen^ 
bestand zijn tegen, b. v. de ruwheden 
van het weder enz. 

bëtapa, hoe, zoo, zooals: bttapa bitja- 
ramocy wat is uw raad P bttapa périnja, 
hoe is de wijze waarop ; hoe komt het 
dat ; bïiapa adat, zooals dat de ge- 
woonte is; kabUapadn, hoedanigheid. 
Volg. and. boetapa. 

bëtasy opengeseheurd, b. v^ van een zak^ 



b^Uwi -» bidai. 



&& 



een kleedingstuk ; gespleten, van een 
ei ; opengegaan van een naad ; mlémhètas^ 
snakken, van visschen aan de opper* 
vlakte van het water. 

bëtüwi, Batavia. 

betek-beteky e. s. v. groote, groene 
parkiet. Jav. beiet. 

betety Jav. = heieje-hetelp. Zie ald. 

bëti*bëti, e. s. v. boompje met eetbare 
vruchten, welks jonge spruiten rauw 
bij de rijst, de wortels in de genees- 
kunde en de bast om te looien gebr. 
worden, v.d»W. =r nasif^-nasi^ en ffelam 
ükoes. Mogel. beter bttijp-hiti^, 

bëtik, de pëpaja, carica papaija; b'ièti^ 
ramdaiy eene soort, waarvan de vruch- 
ten aan lange stengels van de kroon 
naar beneden hangen; b. batang, eene 
soort, waarvan de vruchten aan den 
stam kort bij de kroon zitten; b^ii^^ 
bUi^t de roode hond, e. s. v. uitslag. 

betina, vrouwelijk, van menschen en 
dieren, b. v, 07'anff b^étina, vrouw; letn- 
boe beiina, koe. 

bêtinfir* lange, smalle zandbank in zee, 
vooF de monding eener rivier. Zie ook- 
t^binp, 

bêtis^ het been tusschen knie en voet; 
toelang betiSy het scheenbeen; përoet 
btüi of djantoeng b. of boewah d., de 
kuit; diberikan betif, hénda^ paha^ voor 
ons: als men hem den vinger geeft, 

. neemt hij de geheele hand. 

betjak, drassig, week, modderig, van 
den grond. Zie ook letja^. 

betlek. Op Ja.va = betja^^ zie ald. en 
letjajp. 

bëtjik, Jav. = badji^f en bdik, zie ald, 

bëtjok, e. 8. V. eetbaren zoutwater- 
visch. 

bëtoel, juist, recht, echt, waar, wezen- 
lijk, waarachtig, oprecht; bttoelUda^i' 
is het waar of niet? bïtoel-hUoely vol- 
komen waar; orang mUajoe bUoel, een 
echte Maleier; mentjehari kahidoepan 
dëngan b^toel-betoel, op een eerlijke 
manier den kost zoeken; bëêoel hati, 
oprecht van hart; mëmbëfoelkan, recht 

• maken, recht buigen, verbeteren, ?fege- 
len; mlèmbïloelh regelrecht op iets af- 
gaan, b. V. op een licht in de verte; 
ook: op iets mikken; kabUoelm, juist 
van pas, ter goeder ure, toevallig; bh'- 
b^ioelm dUgan, overeenkomstig met» 
iu de juiste richting van ; sïbëioel, naam 
taa een boompje met bijzonder rechten 



stam ; sabMoelnja, in werkelijkheid, in 
derdaad, eigenlijk. 

bêtoena; I. dik, gezwollen, ook van een 
vinger. Mal. boeloeh bMoeng, e. s v. grootc 
gele bamboe; volg. v. d. W. de grootste 
soort. Kataif betofng^ e s. v. gele kik- 
ker met zwarte spikkels, volg. v. d.W. 
zoo genoemd naar zijn geluid. II. beiong^ 
sluisdeur, duikerschuif; ijaboet bUong^ 
de sluizen openen. Mal. 

bëtoet, e. s. V. eetbaren zoetwater vischv 
Zie bUoetoey 

bëtoetoe, e. s. v. eetbaren zoetwater- 
viscb, die zich in het slyk ophoudt, 
modder visch. Zie ook ilétoet» 

bêtoewah, onkwetsbaar, zie bij toewah. 

bëtok, I, gebrand door invretende zelf- 
standigheden, zooals lapis infernalia en 
dergl. II. e. s. V, zeer klein, eetbaar 
zoutwatervischje, 

bei^afa, Perz. ontrouw, verradelijk. 

be-wak, =s bijawa^t Zie ald. 

bi, Arab. in, Voorz. b. v. bismilloA, in 
den naam van God; bihiy er in, op 
hem enz. bi*lchair^ het ga u wel; toa 
bihi nastdino bilahi, en daarmede smee- 
ken wij de hulpe Gods hierover af. 

bi-adab. Ar. onbeleefd, ongemanierd, 
zie bijadab. 

biaja. zie bijaja. 

bial^» zie bijajp. 

bianiK, zie bijang. 

biar, zie bijar. 

bias, zie bijas. 

biasa, zie bijasa. 

biat, Arab. kerk van christenen of joden. 

bibi, jongere zuster van vader of moeder, 
tante ; in het algemeen eene vrouw van 
middelbare jaren. 

bibir, lip van den mond, rand, zoom, 
de lippen van iets; bibir mala, de oogr 
randen; b. tjawan, rand v. e. beker j b, 
perahoey boord v. e. vaartuig. 

bibit, I. mèmbibity met de vingertoppen, 
of vingers, iets dat hangt vasthouden, 
dragen; II op Java, plantjes om te 
verplanten. Zie Ihénih 

blda, I. poets, kwade streek. II. v^rk. 
van bidadari en bidasari, in poëzie« ( 

bldadari, zie bidiadari. 

bidat, I. dicht aan elk. geregen rotan 
of bamboe voor gordijnen, loolf: yoor 
horden om rijst op te 4rdg«ii; spalk 
voor een gebroken liohaamsdeel ; diohte 
striemen door slagen toegebracht; i^e- 
roe bidai, naam v* e int vr^ten^^ ziekte 



5^ 



bicla% -«"- btlaiMK. 



ayereenkomende met lepra. M^. II. 
e. 8. Y. vergiftige slang. III. » badai, 
orkaan. IV. honk, bij sommige kinder- 
spelen. 

Mdak, Arab. pion in het schaakspel; 
biiU^ di lantikt pion, die, in een vak 
op de laatste rij gekomen, door een 
ander stak vervangen wordt. 

lildal, en lidalf vingerhoed. Het Port. 
dedal. 

bidan» Skr. vroedvrouw ; mêmöidan, eene 
vrouw als vroedvrouw helpen, bij het 
baren helpen ; èidan fëmpaht een vooraf 
aangenomen vroedvrouw; ö, tarief, een 
die zoo maar geroepen is; öalas èidan, 
een feest 40 dagen na de bevalling, als 
de vroedvrouw haar afscheid krijgt. 

bidaiitff I. uitgespreid, uitgespannen; 
▼an de borst : breeds Ook als hulp-Telw. 
bij de opnoeming van sommige platte 
voorwerpen zooals: linnen, zeil, mat- 
ten, papier, bladkoper, tuinen enz. m^m- 
bidaingküH, uitspannen, opspannen \ p^m- 
bidangan, en verk. Xoi pémidangan, raam 
om iets op te spannen, borduurraam; 
pémid4mg èéloelang^ horde, waarop men 
een huid uitspant, om die te drogen. II. 
palmiet, die als groente gegeten wordt. 

bidar, e. s. v. klein vaartuig als pleizier- 
vaartuig gebr. door den Vorst. 

bidara, Skr. e. s. v. kleinen boom, met 
kleine, zoete, eetbare vruchten, de 
jujubenboom; bidara laoet of bidara 
poetih of bidara pahit, e. s. v. boom 
met olijfachtige vruchten en welks bit- 
tere wortel als koortswerend en maag- 
sterkend middel gebezigd wordt, de 
quassia amara. 

bidat« Arab. nieuwigheid in den gods- 
dienst, ketterij ; oraug bidat, ketter. 

bidiadari» Skr. -ook bidadari, hemelsche 
nimf; ook: de roode avondwolkjes. 
Pad. bovenl. boenga tapaif bidadari, s 
OHggrejf, e. s. v. epidendrum. Mal. 

bidiki mëmbidiff, mikken» viseeren; bier- 
biéil^t schijfschieten ; pébidikan, terrein 
daarvoor; kabidikan, het wit geraakt; 
door uitvragen er achter gekomen. 

bi^jAi» zid bidjeh, 

bicUalac» snugger, knap, ervaren, bedacht- 
saam, omzichtig; zie bidja^sana, 

bi^al|[»axia, Skr. beleidvol, schrander, 
een goed inzicht hebbend ; kabidja^sa- 
na&H, schranderheid, beleid. Ookéu^'a^ 
il in gebruik. 

bi«||aii» e.s« V. oliegevend zaad, dat ook 



bij de koekjesbakkerij gebr. wordt. Jav. 
totdjen. Zie tinga. 

bicyeb, erts in het algem., tinerts, zil- 
vererts. Volg. and. bidjai, 

bi^ji, korrel, zaadkorrel, pilje, zaadje; 
bidji mata, oogappel; b. timak, korrel 
tinerts; b. nangka, de nangka-pit, ook 
de naam voor een handboortje; bidji 
p^ngadoehauy de zaak der aanklacht; 
bidji ratap, rouwklacht ; bïrbidfi Umau^ 
wordt gezegd van gekookte rijst die 
niet gaar is. Ook als hulp-Telw. gebr. 
b. V. dUima doewa bidji, twee stuks 
granaatappels ; bidji-bidjian^ allerlei 
zaden, zaaizaad. 

bidoek, e. s. v. klein visschersvaartuig; 
koetoe bidoe^y e. s. v. kruipend dier, 
pis-in-bed; bintang bidoei?, de groote 
Beer, het sterrenbeeld. 

bidoer, blok of schuitje tin; ook een 
gewicht van 2 kati. 

bidoeriy ook baidoeri, e. s. v. edelge- 
steente, katoog genaamd, soorten zijn: 
b. boelan en b. pandan, Pohon bidoeri, 
e. s. V. plant, die katoen voortbrengt. 

bidoewan, Skr. zanger, zangeres; ook 
e. s. V. magischen zang met begeleiding 
van de tarabourijnen tot oproeping van 
geesten of spoken. 

bidoe-wanda, lijfbediende, lijfwacht, 
ordonnans, staande onder den bantara. 
Zij zijn overbrengers van de vorstelijke 
bevelen en dragers van de insigniën. 
Wordt soms ook voor bidoetoan gebe*» 
zigd. Zie ald. 

biffa, zie bega II. . 

biffar» zie bega II, 

biffrair, Arab. behalve, alleen. 

bihaaffJt Perz. in zwijm, bezwijming; 
obat bthaiMJ, zwijmeldrank, slaapmiddel. 

bihi, Arab. zie ^'. 

bija, zie beja, TL en III. 

bijddab, Perz. ongemanierd, onbeleefd, 
onfatsoenlijk van bi, niet, en adabt wel- 
gemanierd. 

btlaja, uitgave, kosten, vertering, onder- 
houd, kost; mimbijUjakaM^ uitgeven 
voor, de kosten doen, .verteren van 
(zijn geld), tot onderhoud geven van. 
Zie ook bïlané^a, 

biiak, zich vermenigvuldigen, vrucht- 
baar, d. i. rijk aan nakomelingen ; mé- 
mamah bijaj?^ herkauwen. 

büanftt I. moeder, moederdier; b^füng 
djarit de duim; biyang diati kaki, de 
groote toon. IL wnlpsch, geil, inz, van 



by anslalfi -«« bilana;. 



67 



vrouwea. v, d. W. df^rit-dfirit bagat 
koetjinff öijattff, mauwen als een krol- 
sche kat. 

byanslala, de regenboog. 

büapri, Skr. koopman, handelaar. Mën. 
rechtsgeleerden. 

büar, laat het geschieden of zijn; ook: 
. opdat; bijarlah betapérgi, laat mij gaan; 
bijarlah bagitoe, laat het zoo zijn; 
bljarlah éUas akoe^ laat het aan mij 
over; mémbijarkan, toelaten, overlaten, 
laten begaan, aan zijn lot overlaten, 
laten staan, daarlaten. 

btias* van de richting afwijken, door 

. wind en stroom op het strand, gedre- 
ven worden, binnendringen van de 
zonnestralen door een venster of door het 
gebladerte, afwijking door de lucht- 
spiegeling bij het op- en ondergiaan der 
zqvl; bijat-bijas^ ook: instuiven van den 
regen, stofregen. Zie fëmpijas. 

bljasa» Skr. gewoon, gewend, bedreven, 
geoefend in, gewoonte; bijasa pada 
sèndiri, dibawa pada orang^ zooals hij 
zelf gewoon is te handelen, denkt hij 
ook van anderen, d. i. zoo de waard is, 
vertrouwt hij zijne gasten; méngAi- 
lang&an btjaiaf eene gewoonte afwen- 
nen; bijasa dëngaUf gewoon zijn aan, 
omgaan met; rnémbijasaian, tot een ge- 
woonte maken, wennen; kabijasaan, ge- 
woonte, geoefendheid. 

bljavcrak, leguaan; soorten zijn: b. ppe- 
roe, b. gabok, b. sérqeni^ b. iëmbaga en 
b» poenggoer. Deze laatste met een kor- 
ten staart. Mimbijawa^, zich als een 
leguaan voordoen, d. i. op den buik 
voortkruipen, b. v. van dieven enz. 
poeroe bipawah zie bij poeroe; bagai 

. lidah bijawalp, als de tong van een 
leguaan, d. i. dubbeltongig, omdat die 
gespleten is. 

bUawaiiy e. s. v. eetbaren zoetwatervisch, 
waarvan de kuit gezouten in den han- 
del wordt gebracht, 

büawas» alleen in djamboe bijaiooi, de 
witte djamboe bidji. Zie bij djamboe. 

btioekoe, e.s.v. landschildpad en e.s.v. 
eetbaren zoetwatervisch. Beiden hebben 
flauwe oogen en vandaar maia bijoekoe, 
kwijnende, verliefde oogen. 

t>tioet» verergeren van eene ziekte door 
nalatigheid. 

bHola. Port viool, het muziekinstr. j 
iêfmmn bijola, vioolspelen ; pïnggeseif 
h'oh, strijkstok. 



bika» e. s. v. geibak. Zie bingka, 

bikans, e. s. v. poffertjes; niet te ver- 
warren met bingka; p^èbikangan, poffer- 
tjespan, koekepan. Zie ook toedoe}:. 

bikar, dikke rand of kant aan een wond. 
Mal. 

bikë>r, Perz. oorlog; vagebond, maro- 
deur; mémbikdr, zich als vagebond ge- 
dragen. 

bikat, speld, pen, stokertje L. 

bikin» zie bekin, 

bikir, Arab. maagd, maagdom. 

bikoe, I. Siam. bedelmonnik, priester, 
kluizenaar. II. e. s. v. mandje of korQe. 
IK. ingekeept, geschulpt, getand, ver- 
siering met in- en uitspringende hoe- 
ken of bochten. 

bila, tijd, tijdstip; ook == apabila; ba- 
rang lila pon baïky wanneer ook, op 
welk oogenblik ook. 

bildd, Arab. meerv. van balad, 

bilab, spaander, dun splijtsel van bam- 
boe; ook gebruikt als hulp-Telw. bij 
de opnoeming van platte scherpe voor^ 
werpen, zooals zwaarden, messen, plan- 
ken, pijlen, lansen enz. 

bilahi, zie bilai\ 

bilai» s biloer, zie ald. 

bilai* onheil ^ijilaka; ook ^f/tfA» geschr. 

bila^, e. s. v. plant, die katoen levert. 

biló.1, Arab. een oproeper tot het g^bed, 
zoo genoemd naar den naam van den 
eersten persoon, die daarmede belast 
werd. Men noemt hem ook moeadzin 
en op Java modin, 

bllalaaft» sprinkhaan; soorten zijn: b, 
tjingkadoe, b. gambar^ e, s. v. eetbaren, 
die in zwermen groote verwoestingen 
aanricht; b. koenjii, b, padi, b, daoen, 
het wandelende blad; b. raniing, het 
wandelende rijs; b. hantoe, een leelijke 
soort; b. pidjar, het Onslieveheers- 
beestje. Mal. ; ikan bilalang de vlie- 
gende visch ; gigi bilalang , zekere steek 
bij het naaien; pa* bilalang, naam van 
een gelukkig waarzegger, de held van 
een verhaal, die tot spreekw. gewor- 
den is, voornamelijk in de uitdruk- 
kingen: boedjoer pa* bilal-ang, tpewah 
p. b, en Hmoe p, b, zie kadoe^j paAa 
bilalang, de benedendij van^het men- 
schel. lichaam. 

bilamana, wanneer, zie bij bila^ 

bilannr» tellen; bUang harit somtijds, 
tusschenbeide; b^ ksdi, iederen keer; 
b, boelan, iedere maand, bij de maand; 



68 



bilas — binffiKas. 



b, ifaAö^, jtarlijkBcli, bij het jaar; 
mémbilanffy iets tellen ;. bilangan, aantal, 
getal, ook wat gerekend wordt te be- 
booren tot, onderafdeeling ; terbilang en 
, kabilangcmt in tel zijn, geteld ^ tiada 
Urbilang^ niet te tellen zijn; bitang 
kapalaj men heeft ze maar voor het 

• tellen ; bilangan, ook iem. bepaald toe- 
bedeeld aantal levensjaren, belom sampai 
bilangannja tiada i^'a mati, als het toe- 
bedeelde aantal niet vervuld is, sterft 
hij niet ; mato^ bilangau, tot het getal 

/ behooren, meegeteld worden, gerekend 
worden tot. Hiervan ook afgel. sem- 
bilang, e. s. v. visch. 

bil Alt; mémbilaSf afspoelen, omspoelen, 
uitspoelen, ook afspoelen v. h. lichaam 
na eeü bad. 

bllau, zie kaijau, 

bilëlane, staren van de oogen, wijd 
opengespalkt, het rollen der oogen in 
het hoofd, b. v. van toorn. Zie btlalajc 
en bWjaJp. 

I:^lhak, Arab. samentr. van bi en al^ajp; 
zie ^/i^. 

bilik, I. kamer, vertrek, omhulsel, klei- 
ner dan de opih; hilik p^radoewan^ 
vorstelijk slaapvertrek; bilik bïrsakat^ 
afgeschoten binnenkamer; b. andjoeng, 
opkamer. II. mémbiiik, iets, dat men 

. in de hand houdt, heen en weer draaien. 

biliü, ook beles en bilas, rood, ontstoken 
van de oogen met uitvloeien van vocht, 
leepoogen; ikan b. de roode vischjes, 
e. s. V. ansjovis; tjoralp bilis, e. s. v. 
geruit patroon op donkeren grond. 

billabi» Arab. bij Godl in eeden. 

biloedak; oelar biloeda^e, adder, zeer 
giftig. 

biloeloek, de jonge vrucht van den 
kaboeng-hoom in hare eerste ontwikke- 
liog. Mën. vrucht van den anau-hoom. 

biloer, striem, ontstaan door een slag 
met een dun voorwerp, geeselstriem ; 
Mloer rotan j striemen door rotting- 
slagen ontstaan. Zie ook balai, Mén. 
btHr, 

bilolana;, e. s. v. Makkasaarsch vlerk- 
prauwtje. 

bima, Skr. schrik, afgrijzen, akeligheid ; 
de naam v. Siwa; bimasa^tiy de melk- 
weg, ook alleen bima. 

bimbans» oügerust, wankelmoedig, iu 
twijfel, bezorgd, verliefd; bimbang hêUi^ 

'• óngei^ttstheid, bezor^heid, wankelmoe- 

• digheid^ m^mbimhangkan haiit het ge- 



moed in twijfel brengen, wankelnioedig 
of bezorgd maken. 

bin, Arab. zoon, zie ibn. 

binara, waschman, kleerenbleeker ; m'^m- 
binara orarig, iemand een schrobbéering 
geven, den mantel uitkloppen. 

binasa, Skr. verwoest, vergaan, bedor- 
ven, mislukt, te gronde gegaAn, ver- 
ongelukt, omgekomen, vernietigd, ver- 
nield, in het verderf gestort; mêmbina' 
sdkan, te gronde richten, verwoesten, 
doen omkomen of doen vergaan; kabi- 
nasaan, verwoesting enz.j ptmbinasay 
verwoester. 

binasat, Perz. hars van den terpentijn- 
boom. 

bindt, Arab. meerv van, AeW, dochter ; 
bintoe Hbal^r, meermin. 

binatanff, dier, beest, in tegenoverstel- 
ling van andere wezens ; ook als scheld- 
woord. Binataiig ^ikmat, kuiistdier; 
binatang kandaraan, rijbeest. 

binatoe, *= minatoe en binaray zie ald. 

bindjai, e.s.v. boom met rinsche vruch- 
ten, die veel van mangga hebben. Ook 
klèmang genaamd. 

bindoe, draaibank; de plaats waar de 
draaier aan de draaibank zit; fjintjin 
bindoe y de ijzeren ring, die om het te 
draaien hout wordt gedaan om het 
splijten ie voorkomen; medja bindoe ^ 
het blad van de draaibank; paksi bindoe^ 
de ijzeren punten, die het te draaien 
hout vasthouden. 

binjéas, grimmig, nijdig, zooals een kat, 
die men de rat ontnemen wil. Omzet- 
ting van b'^ngis, zie ald. 

binsit, kwijnend, kwijning, tengevolge 
van een verlies of een verlangen naar. 
Mën. afgunstig ; mtmbingitkany iets mis^ 
gunnen, afgunstig maken. 

bin^ka, e. s. v. weeke koekjes; bingka 
koekoes, zulke koekjes die in den wasem 
gaar gestoomd zijn; Umping bingka 
een andere soort. Niet te verwarren 
met bikang, zie ald. 

binskai, aangezette rand, boordsel, 
raam, lijst om eene schilderij, rand of 
bovenste hoepel om een ton; bingkai 
mata, de streek rondom de oogen, ook 
gUanggang mata; b^rbingkaikan rotan, 
van een rotan-ïand voorzien zijn. 

binftkane <=> bikang, zie ald. 

bioftkas, L veerkraehtigheid, opspfk* 
gen; b. p^m^h de veerkraehtigheid 
van de snaar eens boogs;^. ortfw^,'de 



binnki» «-^ l^iramani. 



59 



vliigheid, lenigheid v. iem. in zijne 
bewegingen; bingkas bangoeuy vlug op- 
springen uit een zittende houding; 
bingkas bïdil, het vuur openen, be- 
ginnen te vuren. Mal.; b. oedara, de 
veerkrachtigheid der lucht ; membingkas, 
terugspringen, losspringen, van veer- 
krachtige of gespannen jdingen; op- 
springen, schielijk op zijde springen; 
bondbreukig zijn. II. jnémbingkas, het 
patroon van geruit goed opnemen, door 
de overeenstemmende draden van een 
of meer ruiten in dezelfde volgorde op 
een stokje te wikkelen. 

binftkis, « boengkoes; meestal bing- 
Awa«.beleefdheid8ge8chenk ; mêmbingkis, 
zulk een geschenk zenden; mëmöing' 
kiskan, iets tot zulk een geschenk ma- 
ken of zenden. Meestal bij brieven. 

binsoens, verbijsterd, in de war; mem- 
bingoengkan, verbijsteren, in de war 
brengen. 

binssoel, =s bisoel^ zie ald. 

bint, echtgenoote, vrouw waarmede iem. 
gehuwd is; van aanzienlijken isteri^ zie 
ald. Blèrbinikatiy tot vrouw hebben; 
nümpérbinikatit tot vrouw nemen, iem. 
een vrouw geven, doen huwen; bini 
adjiy bij wij f. 

binoewans» e. s. v. hert; volgens an- 
deren: buffel. Mën. de naam van een 
heiligen buffel. 

bintak; pérahoe bintaie, e. s. v. roovérs- 
prauw. 

bintal^ zie bintiL 

bintan, e. s. v. boom, welks aap giftig 
is; poelau bintaUy het eiland, waarop 
de stad Riouw ligt. 

bintanfi:» ster; b. timoer, de morgen- 
ster; b, baratf de avondster; b, oetara 
en b* Jpoefoeby de poolster; b, bërasap 
of b, b^rekoer, komeet; b. tetap, vaste 
«ter; d. b^ridar of d. blèrkibar of b, 
syarat^ planeet; b, tëropong, telesco- 
pische ster; b, kUarat en b. Hèrhamboer^ 
vallende ster; radja biufang, bijnaam 
van de zeven planeten^ die om beurten 
op de uren van den dag haren invloed 
uitoefenen, nmU moestari, Jupiter, 
marichy Mars, sjams, de Zon, zoehara 
of b. kadjora of b, babi, Venus, oetarid, 
Mereurius, j^amr, de Maan en zahal, 
Saturnus ; verder b. bidoe^ of b. djoeng, 
de groote Beer; b, majang, de Maagd; 
è, kola, de Schorpioen ; è. badjaUy de 
kaapsche Wolken ; b^ laoet, zeester, 



e. s. V. zeedier; bintang ook riddeiord^; 
b* bthadoeri militaire ridderorde ; b, 
sagoegoeSy sterrengroep -, bintang'bintang , 
e. s. V. kleine, diepe, houten ^halen; 
met deksel, net verlakt, afkomstig van 
Palembang ; pebintangany de starren- 
hemel; bintang-bintangany sterrenbeeld ^ 
ook: doorzichtig van. een dak enz. b. 
kartikUy het Zevengesternte ; b. alnasjy 
de "Wagen; b, aldjoebar, of b. b^lanti^y 
de Orion. 

bintaro, e. s. v. boom. 

bintat, zie bintit. 

binti-binti, = biti-biii, zie ald. 

bint, Arab. dochter. 

bintik, stip, vlekje; bintijp-bintijp koefit, 
zomervlekken, sproeten. 

bintiU puistje, muggebeet; volg. v.d.W. 
grooter dan een muggebeet, meer een 
bult, zooals ontstaat door den steek 
van een horzel; membintily een puistje 
vormend, zich als een puistje voordoen. 
Zie benul. 

bintit, ook bintaty bultje, puistje, zoo- 
als ontstaat door een muggebeet enz. 

bintjoet, buil, door een slag of stoot. 

bintoeh, zie binioer, 

bintoer, ook bintoeh, e. s. v. mandje om 
kreeften en krabben te vangen; mém- 
bintoer, met dat mandje visschen. 

bintoeroenffy e. s. v. wezel. 

biola» Port. viool, muz. instr. 

bir, het Ned. bier; bir ajam, haantjes- 
bier. Ook gekruid suikerwater, dat 
koud gedronken wordt. 

bira, ook birah, zie ald. 

birah, e. s. v. plant, bekend om hare 
jcuking verwekkende eigenschappen. De 
wortels worden gegeten en als genees- 
middel gebruikt. Soorten zijn: b. ajar, 
b, k'ëladi, b. k^tjil, b. negari, b» hoetan ; 
kabirahan, jeuking, geilheid, dartelheid. 
N.B. alleen v.d.W. heeft birah\ mijn 
Suppl, Abd. Schets wrdb. de Holl. p. 
256 de uitspraak te B. en Sing. héb- 
ben allen bira, 

birahi, verliefd, verzot op iem. of iets ; 
p^émbirahi, minnaar. 

birai, = birih, v. d. W. ook vloer, dek 
van een schip enz. zie bidai, 

biram, in poëzie : olifant, de ^oht Maiei^ 
sche naam voor olifant; gadjah i& Skr. 

biramani, een snoer van gouden ko- 
ralen met andere koralen er tnsschea* 
Mogelijk ontstaan uit blirmam^'mamif, 
zie ma»iif. 



60 



biras — bitjara. 



bira«» zwager, zwagerin van iemands 
. man of Trouw; zie ook ipar; bhripar- 
b'irbirat, zich verzwageren. 

birat, lidteeken om den mond, b. v. 
door eene verzwering. 

bir4jis, Perz. de planeet Jupiter. 

biri«biri» Hind. sehaap; ook kambing 
biri'biri. N. B. heeft met klébiri niets 
te maken; boeroeng biri'biri^ e. s. v. 
vogel, die zijne eieren in het zand 
verbergt. Mal. 

birih» ook bitai, rand, kant, boord, lijst. 

biri%[-birik, de nachtzwaluw, geiten- 
melker. Ook blèbereif, 

birintf, I. huidsmarting. II. geelachtig 
rood; hajam biringt een haan van die 
kleur. 

biroe» I. blauw, blauwe kleur ; biroe 
laoet, hemelsblauw ; boenga biroe, e. s. v. 
blauwe bloem; boeroeng biroe laoet, e. 
8. V. snip; rnémbiroe, blauw worden; 

. mémbiroekan, blauwen, blauw maken; 
biroe lëbam, bont en blauw, b. v. door 
kneuzing; kabiroe-biroewan, blauwachtig, 
naar het blauwe zweemende. II. biroe- 
biroe, kunstmatige plooien; mémbiroe- 
biroe, zulke plooien leggen, plooien. 
III. in de samenstelling haroe-biroe, 
zie haroe, 

biroe^a» zie bij ajam. 

biroeroeaff, e. s, v. Melastoma, waar- 
van twee soorten: b, kitam en b^me- 
rah, Mal. 

birsëlin» Arab. pleuris. 

bir^antjat, Arab. Brittanje. 

biaa» I. vergif, venijn, meestal dierlijk 
vergif; ook hevige pijn; dwa oelar, 
slangen- vergif; oelar bita, vergiftige 
slang; bisa kati, koliekpij nen in de 
mAd.^ybiaa phroety koHekpijnen in den 
buik; ' kabiêoan, vergiftigd; boewang 
biia, het vergif verwijderen door een 
tegengif aan te wenden; Mlaug bisa, 
; diboèwal bijata, het vergif verliest zijn 
kracht, als men er zich aan gewent. 
8prw. Zie katoi. II. Jav. kunnen, in 
stoat zijn, kundig, verstandig; alah 
bisa olih bijasa, praktijk gaat boven 
theorie; bisa-bisaan, iem. die zoo ge- 
zegd van alles kan. 

himsAs in den hoogsten graad mooi, fraai, 
bevallig, schoon of net, ook : aange- 
naam, van smaak. 

bisi^4 meestal verdubbeld: b'irbisilf-bisilp, 

, fimsteren; mëmèisiiekan, iets toefluiste- 
ren, influisteren ; bisi^-bisi}p, flaitterend, 



heimelijk, stilletjes, dat een ander het 
niet hoort ; mèmbisiki orang péka^, aan 
eens doovenmans deur kloppen. 

bisiniTy verdoofd, verdooving, soezen, in 
een soes zijn door veel leven, gebabbel, 
getier enz. mémboetoat bising, door zijn 
leven iem. doen soezen. 

bipjdrat, Arab. blijde boodschap. 

bismi, Arab. in den naam van; bis- 
millah, in den naam van God; bismiU 
laki arra^mani arra^imi, in den naam 
van den albarmhartigen en goedertieren 
God. 

bismil; ieordn bismil, een koran, die 
zoo geschreven is, dat elke djoez juist 
tien moeka's of halve vellen beslaat en 
dus aan de uiterste linkerhand van een 
folio eindigt. 

bianoe, de god Wisjnoe. 

bisoe* Jav. stom; zie ktloe; mémbisoe- 
kan dirinja, zich stom houden. 

biaoely bloedzweer, steenpuist j bisoel 
lada, vurige kleine puisten als peper- 
korrels ; bisoel méngangkoet nanah, steen- 
puist, die zich tot rijpen zet en dan ge- 
ducht steekt; b. s^linap, steenpuist aan 
het scheenbeen; b. soesoe koeboeng, 
steenpuist in de oksels. 

bissawdb, Arab. samentr, van bi en 
affawdb; zie fawdb. 

biti, I. meestal biii-bitit jonge vrouwe- 
lijke hofbeambten. II. proef, bewijs; 
ianda biti, corpus delicti, overtuigings- 
stuk in rechten. 

bitjara, Skr. raad, beraadslaging, oor- 
deel, bespreking, rechtszaak, raadsbe- 
sluit, raadsvergadering, aangelegenheid, 
bestuurszaak; bitjara jang bësar-b'ësar, 
belangrijke bestuursaangelegenheden , 
iiadalah pandjang biijaranja, zonder 
vorm van proces ; apa bitjara kita, wat 
staat ons te doen? wat raad? Hnnjap 
bitjara j ten einde raad, er geen raad 
meer op weten; masoeie bitjara, zich 
in rechten begeven ; ménkbitjarakan, over 
iets beraadslagen ; voor iets of iem. raad 
schaffen; bit j arakan dAkoe, schaf mij 
raad ; mémbitjarakdn daja oepaja, mid- 
delen beramen; tiada (érbitjarakAn, er 
is geen raad voor te schaffen, die zaak 
staat hopeloos; p)émbitjara, raadsman, 
advokaat; sabitjara, van hetzelfde ge- 
voelen; pantja bitjara == oepatjara, zie 
ald bitjara tinggi, de hooge raad, de 
hoc^e regeering ; tiada méndjadi bitjara 
kapadar Kiiana, neemt Kelana niet in 



bitlae «- boedjanir. 



61 



aanmerking, wordt door hem niet in 
overweging genomen, heeft voor hem 
niets te beteekenen. Mes. Kag. Zie ook 
aijara. NB. op Java gebraikt meu 
bitjara ook voor spreken. 

bitïioe, dommekracht. 

biivak, bivouak. 

bixoerai. Port. vice-rei, onderkoning. 

bobos, door drukking opengescheurd, 
van den vloer, het dek van een schip, 
een zak, een zeil door den wind ; ook : 
gewond door een steek of schot. 

boohara, Perz. Buchara, beroemde stad 
in midden-Azië, zoo genoemd wegens 
hare geleerdheid. 

boohari, iemand van Buchara ; wijs, 
verstandig, geleerd. 

böiüot» erg verward, zoodat het niet 
meer te ontwarren is, van fijn touw, 
of andere draadachtigé voorwerpen. 

bodob, dom, onwetend, onkundig, dom- 
heid, onwetenheid, onkunde; méndjadi 
bodoh, verlegen zijn, niet weten wat 
van iets te denken ; néèmbodohkan orang, 
iem. in verlegenheid brengen, zoodat 
.... hij niet weet wat te doen, of wat ervan 
te denken; masakan bodoh, hoe zou 
(hij) niet weten! kabodokan, domheid, 
onwetendheid; mémboewat bodoh, zich 
van den domme houden, ook bModoh- 
bodohan. 

bodonis, windvlaag, bui. Mal. 

boebal; — moeloet, klem in den moud. 
R. V. Eys. 

bodbar, Jav. zich verspreiden, oiteen- 

.. gaan van levende wezens. 

boeboe, e. s. v. fuik, van rotan of bam- 
boe; soorten zijn: boeboe laboeh en 
b, karang, 

boeboeb; mtmboeboeh, op of in iets 
doAD, leggen, zetten; b.v. mémboeboeh 
garant, er zout in of op doen; mém- 
boeboeh ijap, er een zegel op zetten, 
segeleti; mémboeboeh harga, den^ prijs 
bepalen, er een prijs op zetten; m(èm- 
^oebóek pélana, zadelen; mémboeboeh 
ianah kakapalanja, stof op zijn Hoofd 
doeO) ten teeken van rouw; mjèmboe- 
boek iapaJF tangan, er zijn handteekening 
op plaajtsen. 

bóeboek» de klander, kleine zwarte 
torre^es in de rijst; ook in hout. Mën. 
een wormpje, dat het houtwerk ver- 
nielt. 
, böeboel» l. mémboeboel, boeten of ver- 
stellen, van netten. II. e. s. v. verzwe- 



ring aan handen en voeten of aan de 
pooten van dieren, het klauwzeer bij 
koeien en paarden ; b. gantoeng^ de mok, 
mokpooten. 

boeboenit;, en boemboeng, top, nok, van 
een huis enz. vlok haar, die men den 
kinderen op de kruin van het hoofd 
laat staan. Mën. vol tot aan den rand, 
ook vol van het hart; boeboengan, nok- 
balk. 

boeboer, pap, brij, zoowel in de heel- 
kunde als tot spijs. 

boeboet, I. mar. stag; lajar boeboetan, 
stagzeil; tali boeboetan, geitouw. II. 
e. 8. V. vogel. in. mémboeboet, uittrek- 
ken v. d. rijstplantjes ter overplanting. 
Mën. uittrekken v. e. splinter. 

boedak, kind van een paar jaar oud, 
knaap, meisje, jongen, knecht, meid, 
bediende, slaaf; kaboedaie-boedakan, kin- 
derachtig, jongensachtig; ^o^^a^pè^a»^- 
pégangan, bedienden, die men er op 
nahoudt. 

boedi, I. Skr. wijsheid, verstand; wel- 
daad, arglist, streek ; ti^inanggoeng boedi 
orang, aan iem. verplichting hisbhen; 
oetang boedi, schuld voor eene weldaad, 
verplichting; ^gróotf^/», verstandig zijn, 
wijsheid bezitten; bdik boedi, wel bij 
zijn verstand, edel, grootmoedig ; kada- 
patan boedinja, zijne streken werden 
ontdekt; boedimdn, wijs, verstandig. 
Dikwijls wordt boedi zeer pleonastisch 
verbonden met het Arab. a^al, b. v. 
a^fal boedi, verstand en wijsheid; ver- 
der met de woorden bidja^fsana, bitjara, 
béhasa en pUMi, als dat waarin de 
boedi zich openbaart. II. Skr. de hei- 
leg® vijgeboom, of waringin; daoen 
boedi, de bladeren daarvan, ook de 
naam van een ornament in vorm daarop 
gelijkende. 

boedimdn, zie boedi, 

boedjal, uitpuilend, uitstekend, zooals 
b. V. de navel. Zie bondjol, 

boecyam; boedjam tirih, een zakje, 
gevlochten van méngkoewangAAti^Cïi, 
overeenkomende met tangkin, 

boecyans, man of vrouw in den pn- 
gehuwden staat, jongman, i^eduwnaar, 
weduwe, een jong dier van het man- 
nelijk geslacht; b. v. adalah ithaja 
iinggal boedjang *<w5/«, ik ben maar 
zonder vrouw gebleven; iiégaU pérém' 
poeioan jang boedjang-boedjang, tXle 
ongetrouwde vrouwen; koeda boedjang. 



\H>eAS^naatB, — bóeka. 



een jonge hengst; boedjang lyérhoetang ^ 
pandeÜBg yoor schald, Pal. mémboe- 
djanff, als ongehuwde leven; pèboe- 
djangan^ ook pemoedjangan, ongehuwde 
staat, het verblijf der ongehuwden, 
hetzij van het mannelijk, hetzij van het 
vrouwelijk geslacht ; voor dit laatste b. v. 
maka toewan poet^ri itoe didoedoe^kan 
di-atas^ g'éta ptboedjangan^ men liet de 
prinses zitten op de plaats der onge- 
huwde vrouwen ; dit moet pémadjangan 
zijn, bruidsbed, zie ald.; kdin peboe- 
djangan, kleed, dat men droeg toen 
men nog ongehuwd was. 

boecyanssa» !• schrander, geleerd, 
hofdichter, geschiedschrijver, e. s. v. 
hofbeambten. If . ook bidjangga, e. s. v. 
poffertjes. 

boe4Jansisi, schrander, geleerd. 

boei^ins, e. s. v. taai hout, gebruikt 
voor pieken. 

bodcyoek, I. ook poedjoeip, verleiding, 
verlokking, sussing; mkmèoedfoe^, vlei- 
en j verleiden, sussen, bepraten; jo^w- 
boedjoe^, vleier, verlokker, beprate r, 
susser. II, naam van den aroetoan-yisch 
als hij groot is. 

boe^Joer, I. recht op iets gericht, recht 
zonder omwegen, recht, niet krom, lang- 
werpig, in de lengte, overlangs, uit- 
strekking in de lengte, rechte richting, 
géogfftphische of astronomische lengte ; 
i. i^èloTf eirond, ovaal, ellips; fëlor b., 
een langwerpig ei ; b. sirih, van onderen 
smal als een sirihblad, van het aan- 
gezicht; mëmboedjoer, zich in de lengte 
uitstrekken, z. langwerpig voordoen; 
Uhiang boedjoer, overdwars en over- 
langs; b^rboedjoer djari, met recht 
uitgestrekte vinsfers; mémboedjoerkan 
piirt^oet een vaartuig recht houden, 
opdat het niet dwars kome te liggen ; 
mtmboedjoerkan dirinja, zich in zijne 
volle lengte uitstrekken, b. v. van eene 
slang. II, = moedjoef'y meevallend, mee- 
loopend, een rechte tref, gelukkigerwijs, 
tè goeder ure, voorspoedig, van de een 
of andere handeling. 

boedoé, kleine visch in pekel, zie 

boedóéb, eigetll. geen woord maar vier 
letters, vertegenwoordigende de cijfers 
2, '4, 6, 8, die schuin in den rechter 
bovenhoek van het adres worden ge- 
schreven met de waarde in cijfers er 
onder, opdat de brief goed terechtkome. 



boedoek, melaatschheid in een hoogen 
graad. 

boeei. Eng. buggy, e. s. v. rijtuig met 
één paard. 

boeail» naakt, zonder vederen of haar 
of kleeren ; {élandjang boegil^ moeder- 
naakt. 

boeisis, Boegineesch. ^ 

boehi, zie boewih. 

boeman, Bawcan, het eil. orang boejan, 
een Baweaner. 

boejar, Batav. vloeien van papier; 
karfds boejar^ vloeipapier. 

boctjpena:, I. waterkruik met dikken 
buik, nauwen hals, en wijden mond; 
urn, vaas, S. R. II. knaap, jongen. 
Pad. bov.1. 

boejoet, I. bibberen, beven van ouder- 
dom. II. overgrootouders. 

boek, I. klank van een geluid als van 
een kokosnoot, die op den grond valt. 
II. ook boekoe^ Ned. boek, journaal, 
koopmansboek. 

boeka, ook boekaje, open, geopend, wijd 
uit elkaar, breed, breedte, middellijn; 
mèmboeka, openen, ontvouwen, uit elk. 
nemen, openbaren, ontdekken, aanvan- 
gen, ontginnen, ondernemen, op *t ge- 
touw zetten, b. v. m^mboeka topi, den 
hoed afnemen; m toedoeng, den sluier 
afdoen; m. toeboeh, het lichaam ont- 
blooten ; m. ktris, de kris afleggen ; m. 
djalan, een weg aanleggen; m. 'tanéh, 
land ontginnen; m. bitjara, een rechts- 
geding beginnen; m, ^OM^^t/i^, losknoo- 
pen; m. lajar, het zeil bijzetten; m. 
pintoe, de deur openen ; m, tjap of m, 
méUrai, ontzegden; m. poewasa, de 
vasten eindigen; m. rahasia, een ge- 
heim openbaren, verklappen; m, k^êdait 
een winkel opzetten; »i. nigarif eene 
stad stichten; Urboeka, geopend, ont- 
dekt enz. mata fêrboeka, geopende 
oogen; d^ngan Urboeka kapalanja, 
blootshoofds ; maana jang fèrÓoeka, een 
duidelijke beteekenis; tirboeka Hati, 
goed gezind zijn; mëmboekakan, open 
maken, opendoen ; mémboekakan toeboeh, 
het lichaam ontblooten; tiada bolik 
mëmboeka mata, voor ons: men kon 
de oogen niet openhouden $ tiaela hoHh 
wiémboeka hidoeng, voor ons: men 
moest de neus dichthouden ; m^mboekai, 
voor iem. of iets opendoen ; p'tmhoekajp 
ontginner, ondernemer; ook: zèt^r, 
waarmede men de tanden eener zaag 



boekak — boelanar- 



68 



wijder zet; boeka^ja 'inam dëpa, de 
wijdte ervan was 6 vadem. 

boekak» == èoeka, zie ald. 

boekam, zie boengkam, 

boekan, het niet zijn, iets niet zijn, 
datgene niet zijn wat het woord, waarop 
het slaat, uitdrukt; geenszins; boekan 
t^mpatnja, het is de plaats ervoor niet; 
boekan orangnja^ het is geen persoon, 
d. i. het is een nul, een nonsens-kerel ; 
boekan akoe jang, ik ben het niet, die; 
boekan-boekan, waar niets van aan is, 
niet bestaande, zonderling, onbestaan- 
baar ; pérkara jdng boekan^boekan, non- 
sens zaken, waar niets van aan is; 
ook: zonder voorbeeld, b. v. bodohnja 
boekan-boekan, zijne domheid was zon- 
der voorbeeld ; boekan boewaian, buiten- 
gewoon, uitermate, letterl. het is geen 
maaksel; ook boekan olah'Olah\ boekan? 
is het niet zoo? b. v, engkau soeka 
makan madat^ boekan f Je houdt van 
opiumschuiven, is het niet zoo? 

boekaty troebel, van water; boekat likat, 
zeer troebel; boekat orang kapékan, 
zwart van de menschen, die naar de 
markt gaan. Mën. en Mal. Zie boeta^, 

boekit, heuvel, berg; boekit ana^, heu- 
veltje; memboekit, zich als een heuvel 
voordoen, een heuvel vormen; mèmboe- 
kit ana^, zich als heuveltjes voordoen. 

boekoe, I. knoest, knobbel, gewricht, 
knokkel, geleding, klont, bol b, v. van 
suiker of opium; de knoop of de be- 
doeling, de meening b. v. v^n een ge- 
zegde of brief; boekoe tangany polsge- 
wricht; boekoe kaki, voetgewricht ;^otf- 
koe lalt, de enkel, letterl. gevoeilooze 
knobbel; boekoe ttboe, geleding van het 
suikerriet; boekoe asam, bo venkakebeen ; 
b'ënang boekoe, garea in kluwen, niet 
op klossen; boekoe bemban, gesplitste, 
dikke, ronde knoop aan het eind van 
een touw, zooals aan een valreep, turk- 
sche knoop, ook kapala latat; iïpoeng 
btr boekoe, klonterig meel ; soeaéoe boe- 
koe dalam peroet, dwars in de maag 
zitten. IL Uit hét Ned. boek/ 

boekoelt » boekoer, zie ald. 

boel^oel» Arab. Zie baïal, 

boekoei* en boekoel, korrel, aas (klein- 
ste gewicht). 

Hboelboel, Perz. e. s. v. nachtegaal. 

boelai, I. eig. èoelé, Jav, albino, wit 
mensch. Zie eaboen. II. =^ boengélai, 

Uoelalai, de snuit van een olifant, mug 



of vlieg of vlinder, de lel van een kal- 
koenschen haan; b. djiwa, e. s. v. ver- 
saapering ; b. poewajp, naam v, «. boom. 

boelan, de maan, maand; sahari boe- 
lan, de eerste van de maand, ook de 
naam van een amulet voor kinderen 
in maan vorm; 'èmpai-b'ëlas hart boelan, 
de veertiende der maand; boelan ^mpat 
b^las kart, volle maan; boelan maii, 
donkere maan; boelan timboel, wassende 
maan; toedjoeh hari boelan timboel, 
eerste kwartier; analp boelan en boelan 
soesoet, afnemende maan; dapat boelan 
mélihat boelan en mémbatoa boelan, de 
maandzuivering krijgen; boelan djatoh 
diribaan en kadjatohan boelan, de maan 
valt op den schoot ; als men dit droomt, 
wordt het als een voorteeken van geluk 
beschouwd; mtmboelan, bij maneschijn 
vischvangen ; berboelan, een maand over- 
blijven; boelan ptrbani en Ungkoengan 
boelan, kwartiermaan ; boelan poeruama, 
volle maan; boelan b^haroe, nieuwe 
maan; boelanan, op Java, maande- 
lij ksch, bij de maand, ook bilattg boe- 
lan; boelan badjoe, de hals of het voor 
den hals uitgeknipte stak van een 
baadje. 

boelanie, I. samengedraaide doek, sa- 
mengedraaid haar, haar wrong; Mën. 
bindsel, omwindsel ; b. biddng, een 
zwarte hoofddoek ; boelang hoeloe, doek 
om het hoofd, hoofddoek van een 
Yorst, ook gebr. als liefkoozingswoord ; 
tali boelang, touw dat men om het 
hoofd slingert; boelang-boelang, krans 
om het hoofd; daoen boelangan, e. «.<v. 
kleine bladeren vol doornen; kajoe boe- 
langan, e. s. V. boom die verfhout levert ; 
Tnémboelang, omwinden, van iets om 
het hoofd, of om de hand; samen- 
draaien, samenfrommelen ; diboelangnja 
ramboetnja, hij slingerde zijn haat als 
een touw om zijn hoofd. II. bindsel; 
mïmboelang, omwikkelen^ ombinden, 
b. v. de kunstsporen aan de pooten 
van een vechthaan; boelang >dagang, 
bij den eenen haan ^an den rechter, 
bij den anderen aan den linkerpoot; 
b. djangkil, aan het zwakste *>&&• den 
poot; b. ][fft)Dat, aan den sterksten ^teeik ; 
b. toendjoeh tiga, tusschen de bi^ide 
uiterste teenen; b, IPpas, slbü dèno|(fp 
van den sterksten teen; mimboelang, 
de kunstsporen een haan aanbinden. 
Pad. bov.l. 



64 



boelanaran — boemoér. 



boelansfiii» e, s. v. strandboom. Zie 
hoelang» 

boelar» licht van kleur, blauwgrijs, yan 
de oogen. Mën. het branden van de 
obgen. 

boelat» rond, boU zonder hoeken of 
kanten, geheel, glad af, zonder meer, 
eirkel, wijd open van de oogen enz. 
b. V. b. pandjang oi b boedjoer, ellips; 
b, iorajp, cilinder ; h. pepek, plat en 
rond; b» tfémboely rond als de knop 
van een deksel, stok of deur; poesai 
boelat, middelpunt van een cirkel; 
iajoe boeiat, rond hout, zooals het van 
déu boom komt; blisi boeUU, ijzer in 
ronde staven; i'ëlandjang boelai, moe- 
dernaakt; moeka boeiat, een rond ge- 
zicht; ttUahoen boelai^ een rond jaar; 
boelat boemi, de rondheid der aarde; 
ëlmoe boelat boemi, wiskundige aard- 
rijkskunde; dingan boelat hatinja^ van 
ganscher harte; dimasalp boelat-boelatj 
in zijn geheel gekookt, zonder het 
eerst in stukken te snijden; b^rtéloewar 
^boelat, alleen maar een broek aan- 
hebben; mémboelatf groote oogen op- 

: zetten, met groote oogen aanzien; btr- 
boelatkan hatinja^ zijn geheele hart er 
op zetten; boelat boemi, wereldrond, 
aardbol. 

boelboel» Perz. nachtegaal. 

boeli-boeli» krnik, fleschje met dikken 
buik en nauwen hals; boeli-boeli mi- 
itfaiff de vetklier bij. het staartkussen 
van vogels; b. b. njatoa, liefkoozings- 
woord, leven van mijn ziel. 

boelir» aar, tros, mimboelir kaïn, een 
doek in een punt draaien. 

boeloe, haren op het lichaam, vacht, 

. wol, vederen, dons, borstels, stekels ; b. 
^abi, varkenshaar; b. boeroeng, vederen, 
dons; b, domba, wol; b. mata, de oog- 
haren ; é. ttngkop, de nekharen, de 
manen van een paard; b, pahat, zie 
paAat; b, kapas, dons; hoelat boeloe^ 
een harige rups; katjang ^., e» s. v, 
behaarde boontjes; daoen boeloe-boeloe, 
«< e. V. heester ^ boeloe rantai, in de 
Lampongs een gordel met goud liezet, 
.waarin de kris gedragen wordt. 

beiblóésr, Arab. volmaking, meerder- 
jari^eid.. 

bo^ö^b, het bamboeriet ; ioeloek»boeloeh, 

,' de loch^^p; slokdarm, buis, pijpje, ook 

MUI een geweer om er den laadstok 

in te steken; b, b. rongkomgan, de 



slokdarm; 3. b, darah, hartslagader; 
Soorten van bamboe zijn: b. andoeng, 
b, b^toeng, de groene, dikste soort; o. 
doeri, die vol dorens U «n daarom 
voor omheining gebr. wordt; 3. gading, 
dunne en gele; b, hiiam, zwarte bam- 
boe; b, kasap, zeer ruw op het gevoel 
en gebr. om te schuren; b. majang, b, 
oelar, b, tali, b, akar en b, padi; b, 
p^rindoe, klaagfluit of riet, die door 
den wind bewogen wordt, zooals een 
eaolus-harp. 

boeloer, I. geeuwhonger, hondshonger; 
Mën. gulzig, verzwelgend; kaboeloeran, 
uitgehongerd, verhongerd ook hongers- 
nood. II. =1 aloer; boeloeran « aloeran, 
geul. H. Bangka. Zoo ook Mën. 

boeloes, I. kaal, zonder takken, kin- 
derloos; mtmboeloeskan, ontbladeren, 
geheel van kinderen berooven. II. op 
Java e. s. v. zoet water schildpad. III. 
boeloes'boeloes, e. s. v. eetbaren zoutwa- 
tervisch. 

boeloeti zie bolot. 

boem» Ned. boom, scheepshoorn; 

boemantar», Kw. luchtruim. 

boemaatray de hemel der hemelêche 
vogels. 

boemban, kroon of krans, gedragen 
door een bruidegom. R. v. Éys. e. s. v. 
hoofd versiersel, dat om het hoofd ge- 
wonden wordt en de kruin onbedekt 
laat. M. 

boemboe, I. Jav. specerijen, a» rémpah, 
zie ald. U. koker, van een bamboelid. 

boemboen, I. leger onder boomtakken 
met dicht gebladerte, zoowel van den 
jager als van het wild. Ook: blader- 
rijk; Mën. id. II. een mijt of hoop 
padi, zoo gestapeld, dat de aren naar 
binnen liggen. Mal. 

boemboenfl:» fi;roote bamboezen koker 
voor het halen van water; b, doemt, 
spaarpot, van een bamboe-kokerije ge- 
maakt. Zie ook boeboeng, 

boemboenicany nok van een dak, zie 
boeboeng, 

boemi, Skr. de aarde, aardbol; de grond 
of bodem ; langit dim boemi, biemel én 
aarde; orang boemi, de oorapronkeiijke 
bewoners van een land ; boemi poeiir», 
inboorling. Pad. bov.l.; boemi aitana, 
plaats, waar ^een Vorst tehni» behoort. 

boen&óe» zie boemoer, 

boemoer» ook boèmoe, dierentemmar, 
belftzer, ^ pawang^ ook: inUuidioiu} 



boen — boeni* 



65 



dokter = doekoen. Het is iemand in 
het bezit van geheime middelen voor 
beide doeleinden. 

boen, I. groote tinnen of koperen doos 
voor tabak of sirihbladeren. II. Arab. 
bes, bezie, koffieboon. III. een bon, 
briefje, waarop iets verstrekt wordt. 

boenboenan, zie hoehoeng II. en oehoen. 

boendar, I. = öoentar, rond. II. e. s. v. 
vaartuig. 

boender, Ned. schuier, borstel. Zie 
ook boentar. 

boendoens, e. s. v. ziekte onder de 
buffels. Mën. een diertje dat het vee 
in den neus kruipt en daardoor ziek 
maakt; ook een diertje in de ingewan- 
den van het vee, dat die stukknaagt. 
Volgens Dr. Klein, e. s. v. leverziekte 
bij het vee. 

boenis, klanknabootsend wrd boemt 

boenga, bloem, bloesem, figuren, orna- 
menten, interest, rente, b. v. boenga 
poekoel lèmpat, de Jalappebloem ; boenga 
djeroekf oranjebloesem; boenga lajang- 
lajang^ de figuren op een vlieger ; boenga 
tèmpai üdoer itoe^ de ornamenten aan 
dat ledikant; b. koekoe, het maantje 
in de nagels; b. angin, zuchtje, koeltje, 
opkomen v. toorn; oewang Hoe dalam 
saratoes sapoeloeh boenganja, dat geld 
geeft 10 pet. rente; boenga tahoen, 
jaarlijksche schatting; ook jaarlijksche 
rente en jaarlijksche gift der eerste- 
lingen V. d. rijstoogst aan de hoofden 
op Biliton; b. pasang, opkomen van 
den vloed ; b. Jpoeboer » ktmbodja^ zie 
ald.; b. tahiy wrevelige, spijtige woor- 
den. Mal.; b. pamoer, de figuren van 
het damasceersel; b. sanggoel, versier- 
sel achter in het haar; b. djepoen, 
stokroos; b karang, spons; b. sakaki, 
ééne bloem als plant; b, sakarang, 
ruiker, tuiltje; makan boenga, interest 
trekken; méndfalankan boenga, interest 
op interest genieten; boenga- boengadn, 
gebloemte, ook gemaakte bloemen; 
b^boenga, bloeien; sébab kasih akan 
boenga tatangkai mémboeioang boenga 
tatjeper, uit liefde voor één enkele 
bloem een heel bord met bloemen weg- 
werpen. Sprw. Dit wordt ook omgekeerd 
gebruikt, b. v. êUab kasih akan boenga 
saijeper mémboewang boenga tatangkai. 
Sprw. diUmpat boenga jang kèmbang, 
duana battjaif kombang, waar een mooi 
mei»je is, z^n veel vrijers, ^^xyr»b Janah, 



grondrenten, karang boenga, bloem- 
koraal; boenga api, vuurvonken, ook 
kunstvuurwerk; boenga asa, enkele 
bloem; boenga soesoen, dubbele bloem. 
Voor de verschillende soorten van bloe- 
men zie de woorden die op boenga als 
bepaling volgen. 

boengar, eerst, eersteling, maagd, jong- 
man ; boewah'boewah boengaran, de eerste 
vruchten van het saizoen of van een 
jongen boom, eerstelingen. 

boensëlai, e. s. v. Ungkoewas, een plant, 
welks wortel als specerij en als genees- 
middel gebruikt wordt. 

boengkab, een groot stuk of brok, 
blok, b. V. van hout. Ook grootsch, 
ijdel, R. V. Eys. 

boenfikal, -=■ tahil, een gondgewicht 
ter zwaarte van twee spaansche mat- 
ten, = 16 majam, = ^ kati, = 832 
grein; boengkal jang bUoel, fig. uit- 
drukking voor eene eerlijke rechtsple- 
ging. Mën. 

boenskam; pemboengkam, toovermid- 
del, waardoor men iem. tijdelijk van 
de spraak berooft; middel, waardoor 
men iem. den mond snoert; mémboeng' 
kam, iem. den mond snoeren, tot zwij- 
gen brengen. 

boenfi;koel, zie bongkol, 

boenekoes, pak, bundel, baal; inge- 
pakt, ingewikkeld ; kaioemboehan boeng- 
koes, pokken, die niet goed tot rijp- 
heid willen komen. Mën. boengkoesan, 
pakje, pakket, bundeltje; omslag, om- 
hulsel; pemboengkoes, pakmiddel; kaïn 
pémboengkoes béras, doek om rijst in te 
pakken; memboengkoes, inwikkelen, in- 
pakken; iUor boengkoes, een ei, waarin 
een dood vogeltje zit, dat niet uitge- 
komen is; koewih boengkoes, e. s. v. 
koekjes, in pisangblad gewikkeld. 

boenislon, Jav. kameleon. 

boenffoer, e. s. v. boom met fraaie, 
paarsche bloemen, die goed hout voor 
scheepsbouw levert, 

boenisolk, onevenredig dik. 

boenjEsil, een zeer jonge kokosnoot. 

boeni; I. Urboeni, verborgen, xerscho- 
len, nml. in de beteek. van weggestopt ; 
in de bet. van bedekt is het Undoeng; 
sémboeni, verborgen, verscholen; blr- 
s^mboeni, zich verschuilen of verborgen 
houden; th's^mboeni, verscholen, ver- 
borgen zijn; mêmboenikan en mhtjëni' 
boenikan, iets verbergen ; hantpe boe- 



66 



l^oenji — boentoet. 



niatif een soort van spook, dat alleen 
aan verdwaalden verschijnt. N.B. dit 
woord wordt dikwerf verkeerd doen^'i 
geschreven. II. e. s. v. boom met kleine, 
zure, eetbare vruchten; mogelijk de 
oeni op Java? 

boen-ji, I. geluid, klank, klinker, vocaal, 
inhoud van een geschrift; bérboenjiy 
geluid geven, b. v. bh'boenji batoe^ her- 
boenjilah dia, hij gaf zoo min geluid als 
een steen; boenji soewara, het geluid 
van de stem ; boenji soerat, inhoud van 
een brief; boenji tjina haram, het ge- 
luid van Chineezen, die schipbreuk 
lijden, d. i. een groot lawaai; saUngah 
bagai boenji koewaUy satengah bagai 
boenji enggang, sommigen zeggen zus, 
anderen weer zoo. Mën. boenji-boenjian, 
muziekinstrumenten, muziek ; tali 
boenji-boenjian, muzieksnaar. II. zie 
boent I. 

boenoeh; niêmboenoeh, dooden, ombren- 
gen, vermoorden, uitdoen van vuur en 
licht of schrift, snoeren van den mond, 
stoppen van een lek of gat enz.; mem' 
boenoeh dëngan sadjahat-djahat boenoeh, 
met den meest wreeden dood ombren- 
gen ; mémboenoeh botjor, een lek stoppen ; 
mémboenoeh pêrkataan orang, iem. den 
mond snoeren; pémboenoeh, moordenaar, 
doodslager, ook het middel om te dooden 
of om te brengen, afsluiting, eindstuk; 
boenoehan, doodswaardige, ellendeling, 
iem. die op den dood zit; boenoehan 
loewar, b. pari en b. maU, heeten de 
drie afdeelingen van een groote fuik; 
btèrboenoeh'boenoehan, onder elk. moor- 
den; boenoeh-mentboenoeh, elkander om- 
brengen, van twee partijen. 

boenoet, e. s. v. boom, van welks bast 
men kleeren maakt en die zeer fijne 
bloesem draagt, vandaar hoedjan boemet, 
motregen. 

boenia^, kort, ineengedrongen, iets 
waarvan de lengte niet in verhouding 
is niet de breedte, b. v. een ineenge- 
drongen gezicht, een boek dat te veel 
is afgesneden; ook kort en breed v. e. 
vaartuig. Mén. rond, inz. van het 

- gelaat. 

boental, opgeblazen, zooals een blaas; 
roüd, b. V. van een steen ; ikan boental, 
de kogelvisch, die wegens den giftigen 
flt^k van zijn angel zeer gevaarlijk is; 
goorten zijn: b, pisang en b. kota^p» 
Jav* zak, bundel. 



boentala, « boetala, de aarde. 

boentckng, I. weverskam voor het inwer- 
ken van bloemen II. onbewegelijk strak 
staan van de oogen, zooals bij een doode. 

boentar» rond, doch niet cirkelrond. 
Op Java boender; matahari boentar 
bajang, de tijd waarop de zon juist in 
het zenith staat. 

boentat, I. knobbeltje, dat onder aan 
sommige bloemen en vruchten zit. II. 
versteeniag; boentat meloer, versteening 
in den vorm van een meloer-Woem; 
b. intan, diamant door andere verstee- 
ningen verontreinigd, v. d. W. 

boentël, Jav. zie boentil I. 

boentil, I. knoop in een doek, touw 
enz. mëmboentil, een knoop leggen. Het 
Jav. boentil ? II. groote zak, waarin men 
kleeren enz. bergt, ransel. Mën. zak, 
die op den rug gedragen wordt voor 
aalmoezen of gereedschap. 

boentine, bevrucht, drachtig, zwanger, 
van menschen, dieren en vruchten; b. 
sarat en b. bantang, hoog zwanger; b. 
gllap, zwanger zonder dat bekend is 
door wien; b. padi, als de aar in den 
halm van de rijst besloten is, hierbij 
worden mooie kuiten vergeleken; b. 
pelandoejp, zwangerschap, waarbij de 
vrouw alle maanden een weinig men- 
strueert; niémboentingkan, zwanger gaan 
van, b. V. pada masa iboe hamba mëm- 
boeniingkan hamba. Tam. ed Dar. 

boentjak, knoest, knobbel. 

boentjis» Ned. spersieboonen. 

boentjit, opgezwollen, van buik of 
wangen. 

boentoe, versperd, verstopt, v. e. rivier 
of waterleiding, niet doorloopend v. e. 
weg, keerweer ; beperkt, bekrompen, ge- 
borneerd, van het verstand. 

boentoel, ring onder aan eene kris- 
scheede. 

boentoens, Jav. « koedoeng^ zie ald. 

boentoei*, meer dan verzadigd, vol ge- 
geten. 

boentoet, I. achtereiude van menschen 
en dieren, een vaartuig enz. volgers, 
ondereinde van sabel of geweer, b. v. 
boentoet pMang, het onderste v. e. sa- 
bel ; b. ptrahoe, achterschip ; ada banjajf 
boentoet sëhaja diblèlakang, ik heb veel 
volgers, een heele sleep, achter' mij; 
blèrdjalan blèrboentoet, achter elk. loo- 
pen; boentoet gadjah, het achterste ge- 
deelte V. e. olifant, dat schuin afloopt; 



boepala — boesoet. 



67 



boentoet poelau^ het verste gedeelte van 
een eiland stroomafwaarts, ook ekoer 
poelau genoemd. II. op Java: staart, 
= eikoer. Mal. 

boepala, Skr. Vorst. 

boepati, Jav. titel van een land- 
voogd. 

boer, klanknabootsend woord, plomp 1 
van iets, dat in het water valt. Ook 
barboer; orang barboer, een onbesuisd 
mensch, verkwister. Zie ook tjeboety 
dtboer en leboer. 

boera; memboera, bestoken, b. v. den 
vijand met kogels, een bijennest met 
vuur en rook. v. d. W. Men. spuiten 
met den mond, door de tanden spuiten. 
= semboer. 

boerai, uitstorten, uitloopen, van vaste 
lichamen, zooals graan uit een bescha- 
digden zak, de ingewanden uit het 
lichaam. Zie ook blèrai. 

boera^, los, niet samengedrukt, b. v. 
van tabak, een handvol hooi enz. ont- 
staan uit btr-oera^, zie oera^. Men. 
opschudding, verstrooid, uit elkander 
van de menigte. 

boeraksa, zie beraksa. 

boeram, I. ontwerp, klad. Zie rang, 
II. verdonkerd, zuur, van gelaat, b. v. 
ndiklah boeram moekanja, donkerheid 
verspreidde zich over zijn gelaat. Zie 
ook soeram en moeram» 

boeranda, zie blèranda. 

boerat, een soort van geel smeersel 
voor het lichaam. Op Java boreh. 

boerdah, Arab. e. s. v. lang, grijs of 
bruin kleed van wol om er zich in te 
wikkelen of er op te slapen, pij; mantel 
van den Profeet. 

boeri, trompet. 

boerik, gespikkeld, pokdalig. Op Java 
loert if, 

boerlt, het achterste van menschen en 
dieren; boeritan, achtersteven, achter- 
schip ; hiervan ook sêmboerit^ zie aldaar. 

boerka, Arab. sluier, zooals de bede- 
vaartgangsters dien soms dragen. Hij 
hangt van de slapen tot bijna op den 
grond. Ook bergoe^, 

boeraoes, Arab. luonnikspij met kap, 
kapmantel. 

boeroe; mémboerogf jagen, jachten, er 
achterheen zitten; pémboeroe, jagei*; 
hantoe pémboeroe, e. 9. v. spook j pêr-^ 
boeroewan, het wild; mémboeroe ptèklèr* 
djaan, achter het werk heen zitten. 



boeroedj, Arab. burcht, slot; b» asmani, 
de dierenriem; b. oelasady het teeken 
van den Leeuw. 

boeroeh, Jav. daglooner; boeroehan, 
loon, werkloon. Zie opah, 

boeroek, verrot, bouwvallig, versleten, 
vergaan, vervallen; boeroe^ boenji, 
slechte geruchten ; nama jang boeroelp, 
een bedorven reputatie, een slechte 
naam; orang boeroej^-boeroelcy havelooze 
personen; badan jang b, ini, ik gebrek- 
kig mensch. 

l>oeroexi, hoog, zwaar bosch; kambing 
boeroen, wilde geit. Zie ook goeron. 

boeroeng, vogel ; oepama boeroeng, ma' 
ianja fepas, badannja iêrkoeroengy Sprw. 
gelijk een vogel die zijn oog afwendt, 
dan wordt hij gevangen. Voor de bij- 
zondere soorten zie men het woord 
dat als bepaling bij dit komt. Zie ook 
onggas. 

boeroesy melaatsch, uit het Arab. Zie 
ook boros. 

boeroet, breuk, hernia, gebroken, een 
breuk hebben. 

boesa, schuim, opstuiven zooals katoen^ 
die schoongemaakt wordt; boesa laoet, 
zeeschuim; bh'boesa, schuimen, met 
schuim bedekt. Zie boehi. 

boesana, Skr. sierlijke kleeding, tooi, 
dos. 

boesanda, oud van jaren. 

boesar, ook boesoer y boog, halve cirkel, 
schietboog; p^moesary boog om katoen 
te zuiveren van de pitten enz. rnèmboe* 
sary met den boog schieten, ook katoen 
zuiveren, poetih saplèrti kapas diboesary 
zoo wit als sneeuw. 

boeai, zemelen, Swett. 

boesoe, zie bongsoe, 

boe»oek stinkend, verrot, bedorven, 
van alles wat tot bederf kan overgaan. 

boesoeng, zuchtige zwelling van het 
lichaam, inz. van den buik. Mën. kippe* 
borst. Boesoeng darah, bloedwen ; b, ajar, 
waterzucht ; siboesoeng, dikbuik, dikzak ; 
b. laoety een groote zandbank in zee ; 
b. angin en b. apiy opgezette buik door 
wind; b. kenijingy pisopstopping ; b. 
darahy opstopping der maandzuivering. 
V. d. W. 

boeaoer, == boesar^ zie ald. 

boesoet, aardhoop; boesoet anai'-anati 
aardhoop waarin de witte mieren hun 
nest hebben ; boesoet djantan, een kleine 
aardhoop van zulk een mierennest} ^0^* 



68 



boeta — boe-wans* 



soet hMifiay groote aardhoop van een 
xnierennest. 

boeta» I. blind; boeta-toeliy blind en 
doof, blindelings, onbesuisd; boeia la- 
rang of larangan, blind zonder dat bet 
oog beleedigd is; b, petjah, blind door 
het verlies van het oog; boeia Aajam, 
blindheid der kippen, d. i. kippig, ook de 
tijd van zons-ondergang tot 8 uur; b. 
ijemeif, blind zonder dat de oogbal be- 
schadigd is; tjina boeia. zie mohallil', 
phigi boeta^ droge put; malam boeia, 
stikdonkere nacht; oewang boeta, non- 
aotiviteits-tractement. II. Skr. reus. = 
ra^taia, zie ald. III. e. s. y. boom, die 
op zandige kusten groeit en veel ge- 
lijkt op de gaboes. 

boetak, kaal van hoofd, kaalkop. Zie 
goendoel. Maia boeia^y ledige oogkassen. 

boetala, Skr. de aarde. 

boetanie» Port. knoop aan een kleeding- 
stuk; boenga boeiang, e. s. v. paarsche 
bloemen, die den vorm van ronde knoo- 
pen hebben ; roemah boeiang, knoopsgat. 

boetapa, zie bëiapa. 

boetek, Jav. troebel, = k'ëroeh, zie ald. 

boetil» =e bosiir. 

boetir, grein, korrel, ook als hulp«Telw. 
van kleine, ronde voorwerpen, b. v. 
moeiiara doewa boeiir, twee stuks 
parelen. 

boetjoe, geometrische hoek, uitstekende 
punt. V. d. W. 

boetjoek, knoest aan oude hoornen, 
knots, knop op een deksel. 

boetoeb» het mannelijk geslachtsdeel. 

boetoexn» Arab. de terpentijnboom. 

boetoen, e. s. v. plant met eetbare 
bladeren ; boewah boeioen, naam van een 
versiersel bij snijwerk in de gedaante 
van de vrucht dier plant. 

boevrah, vrucht, bol, knop; ook ge- 
bruikt als hulp-Telw. bij het opnoemen 
van voorwerpen, die onder geen be- 

. paalden vorm te brengen zijn, b. v. 
huizen, meubels, landen, wolken enz. 
Verder komt het in verschillende fig. 
beteekenissen voor, die te vinden zijn 
op de woorden, die op boewah als be- 

. paling volgen, b. v. boewah bUis, b. 

' moeloet enz. Voor de verischiUeade 
vruchtensoorten zie men ook het woord, 
dat op boewah volgt; boewah-boewah 
hidoep, versche vruchten j b. b. Jltêring, 
gedroogde vrachten ; boewah-hoewahan, 
fruit s bïrdoewah, vruohtdragen. 



boewai, schommelen, slingeren; boe- 
waijan, schommel, wieg die hangt, 
schommel wieg ; boewaijan djam, slinger 
van een uurwerk ; memboewai, slingeren, 
wiegen. 

boe-waja» krokodil; soorten zijn: b. 
laboe, b. katak en b. t^mbaga; boeroeng 
boewaja, de ijsvogel ; lidah b. zie lidah ; 
boewaja-boewaja, kielbalk, waarin de 
mast staat; boewaja, ook een koperen 
muntstuk ter waarde van 20 duiten, 
dat vroeger in gebruik was. Wellicht 
zoo genoemd naar den stempel. 

boewak, opborrelen van water uit den 
grond, van kokend water enz. ook in 
dikke wolken uit den schoorsteen ko- 
men, van rook. Zie boewal, 

boe-wal, I. opborrelen, bobbelen, van 
het water, hetzij door koking of gassen 
of de beweging van een visch of schroef 
eener boot. Zie boeweh. II. btrboewal, 
kouten, keuvelen, babbelen; mëmboewal- 
basoeng, zwetsen. Mal. Maxw. doch 
op eene andere plaats geeft hij b^ér- 
boewai op? 

boewana, Skr. wereld. 

boexni^anfi:, wegwerpen ; rnémboewang, iets 
wegwerpen, verspillen, vergooien, weg- 
doen, aftrekken, iem. bannen, ombren- 
gen enz. b. V. mèmboewaug ajar, zijn 
gevoeg doen, onderscheiden in b%8ar en 
kïijil; memboewang anaif, een kind te 
vondeling leggen; m. antja^, zie ald*; 
m, arang dimoeka, de schande uitwis- 
schen; m, asmara, zie ald.; m. bara, 
ballast uitwerpen, ook = m. afar; m» 
bïla, van eene plaag verlossen; m. bïla- 
kang, den rug toekeeren, op de vlucht 
gaan; m, bMandja^ onnutte uitgaven doen 
voor iets, geld verspillen; m, dadoe, 
met dobbelsteenen werpen, dobbelen; 
m. darah, aderlaten; m. ajar darAh, 
bloed afgaan ; m. endel, zie ald. ; m, 
^amil, de vrucht afdrijven; w. idar, 
zie ald.; m. ingoes, den neus snuiten; 
m. maloe, besnijden; m, maia, een oog 
op iets houden, een oog in het zeil 
houden; m. njawa, zijn leven wagen 
of opofferen voor iets; w. obai, schoten 
met los kruit doen ; m. oendi, het lot 
werpen; m. p'ënai, vergeefsehe moeite 
doen; m, bininja, zijne vrouw ver- 
stooten; m. sikap, zie ald.; m, oewang, 
zijn geld weggooien; m. toedjoeh, er 
zeven aftrekken; m. diri, zich verwij- 
deren, zonder bepaald doel de wijde 



boe-war — bokot. 



69 



wereld ingaan, zich verslingeren, ver- 
gooien; m. s^al, tegenspoed verwij- 
deren; m. k^has^ de verdoofdheid der 
ledematen verwijderen, d. i. na lang 
zitten wat beweging nemen; memboe' 
wang-boewang pal^ laveerea v. e. vaar- 
tuig; ook m. pïrai; m^mboewangkan 
roemah tangganja, zijn huishouden op- 
doeken, aan kant doen, er zich van 
ontdoen; mémboewangkan nama, zijn 
naam onteeren, schande aandoen, te 
grabbel gooien; memboewangkau për- 
tapaannja, zijne boetedoeningen doel- 
loos aanwenden; memboewang-boewang, 
deelen, in de rekenkunde ; kaboewangan^ 
verwerpelijk; pemboewangan, verwer- 
ping, verbanning. 
boewar, niet zuinig op iets, b. v. op 
de boter; verkwistend met iets, goed- 
geefsch. vdW. Men. niet in evenwicht, 
aan de eene zijde overhangende. 
boe-wasy wild, woest van menschen en 
dieren. Mën. gulzig, vraatzuchtig, ver- 
slindend, verscheurend. 
boe^vat, doen, maken, bouwen, om 
te . . . . ; memboewat, doen, maken, bou- 
wen, zich houden als, iets gebruiken 
voor, iets doen aan, overlast aandoen, 
het toeleggen op, b. v. b^rboewat hdik^ 
goeddoen; m^mboewat badjoe^ een 
baadje maken; memboewat n^gari^ een 
stad bouwen; b^rboewat lakoe^ zich in 
postuur stellen; b. k^rdja^ wat uit- 
voeren, het een of ander doen; w^w- 
hoewat boeta^ zich houden of men iets 
niet ziet; rnémboewat gawe^ ontucht, 
overspel bedrijven, Pal. m. sakit dirinja, 
zich ziek houden; akar diboewat tali, 
wortels voor touw gebruiken; s^bab 
ptrompajp iioe mïmboeufat orang Pahang 
djoega, want de zeeroovers doen ook 
den Pahangers overlast aan; ada orang 
kita diboewatnja^ Utapi tiada dapat, 
er zijn ook van onze lieden, op wie zij 
het toeleggen, maar zij hebben ze niet 
gekregen; mémp'ërboetoat, vervaardigen, 
maken; mémp^rboewatkan, vervaardigen, 
maken voor iem- of van iets; boewatan^ 
maaksel, ook om ervan te maken ; per- 
hoewatan, daad, handeling; batoe boe- 
toatan^ vervaardigde steenen, in tegen- 
overstelling met natuursteen; boekan 
hoewatan, ongewoon, buitengewoon, het 
was geen doen; rnémboewat mati dirinja^ 
zich als dood houden ; rnémboewat bodoA, 
zich van den domme houden; mem- 



boewat kasi/iy liefde voorwenden, zich 
houden of men iem. liefheeft. 

boe-wi, het Ned. boei, de boeien. 

boewih, schuim, b. boewaly waterbel; 
sorong boewih^ = djolong-djolong paaang, 
getij twee h, drie dagen na doodtij; 
b^rboewihy schuimen ; b^rboewih moeloet^ 
schuimbekken. 

boewily e. s. V. boom, welks hout ge- 
bruikt wordt voor binnenhuisbonw. 

boewing, zie roewing, 

boezoerdjoexnaliroe, eigenn. van 
den wijzen vizier van NoesjirwdUj Ko- 
ning van Perzië. 

bofi:a, Skr. vermaak, verlustiging. Komt 
alleen voor in s^mpana pérgam boga, 
een draagstoel in den vorm eener 
përgam-duif. 

bog^am, twee van zilver- of goudblik 
geknipte plaatjes aan de punt van een 
tadjoe^, 

bogor, gestorven aren-palm, die zijn 
kruin verloren heeft, de inl. naam van 
het tegenwoordige Buitenzorg. 

bogot, afschuwelijk, leelijk. Mën. id, 

bo<sx*at, Arab. = doerhaka, zie ald. 

bobonfi:, leugen, onwaarheid, grover dan 
doesta; m^mbohongkan^ iets heeten lie- 
gen, iem. voor een leugenaar uitmaken ; 
b^rboewai bohong^ leugens dichten ; w^w- 
bohongi, iem. voorliegen, wat wijsma- 
ken; pemboAong, leugenaar, bedrieger. 
Zie ook lawa^. 

boja, I. uit elkander, van dingen die 
eerst aan een koek of pak bij elk. 
waren, b. v. tabak, papieren enz. II. een 
oud tinnen geldstuk van y^ dollar. 
Maxw. 

bojak, geur- en smakeloos, zooals b. v. 
verlegen tabak; ook: saai, droog, v. e. 
persoon. 

bojas, = bérdoes, 

bokardt, Hypokrates. 

bokonfi;, het voorste naar achteren ge- 
keerd, omgekeerd, b. v. van een baadje 
met de spleet van achteren, zooals een 
kindernachtjapon; ook van een proces, 
waarbij de beschuldigde als aanklager 
optreedt. 

bokop, sterk gezwollen van het gelaat. 
Mën. mollig. 

bokor, metalen kom zonder voet en 
met een breeden, platten rand. Zie 
iémbokor. 

bokot; mémbokot^ met iets hards en 
buigzaams, zooals een geteerd zeildoek, 



70 



boktjck — bopeng. 



overdekken, bedekken, b. v. goederen 
op het dek tegen nat worden. 

bok^a, reiszak, reistasch, nécessaire, 
= oentjang. Soms ook in de bet. van 
knapzak. 

bola, I. = bolaJe, mis, verkeerd, bezijden 
de waarheid, leugenachtig; bola-balii;, 
heen en terug; pérbola, bedriegerij, 
draaierij; orang perbolay bedrieger, 
draaier; sa^si bola, een leugenachtig 
getuige, valsche getuige. Zie bola^. II. 
Port. bal, bol, kogel, inz. biljartbal; 
main bola, biljartspelen; kamar bola, 
koffiehuis, sociëteit met biljart. 

bolak, zie bali^, Bolalfihah kata patik, 
had ik het mis, toen ik zeide? H. T. 

bolanfi:, zie baling. 

bolddn, Arab. gewesten, mrv. van balad. 

bolih, kunnen, mogen, ook genegen zijn, 
b.v. maka bolih kompani blèri bUandja; 
sadolik-bolihnja, zooveel mogelijk. Zie 
olii. 

bolong, I. zwart, donkerblauw, al wat 
zwart is, onder anderen ook koolteer. 
II. op Java : hol, uitgehoold, doorboord ; 
rnémbolongi, doorboren, uitholeu. III. 
een stuk bamboe, gebruikt als koker 
om water te halen, gewoonlijk over de 
vijf voet lang. 

boloB, doorgebroken, van een slaglinie ; 
geraakt, bij het schermen. 

bolot, al wat dient om er iets haastig 
in te wikkelen; membolot, haastig in- 
wikkelen, slordig en haastig in elk. 
rollen van zeilen enz. zich in een net 
verwarren of wikkelen. And. spreken 
boeloet uit. 

bolsak, bultzak, matras. Ned. 

bomba,* Port. pomp, brandspuit; memé' 
gang bomba, aan de pomp staan. Pël. Abd. 

bomor, zie boemoer. 

bonda, vorstelijke moeder, samentr. uit 
iboe en *nda. Door minderen uit hoffe- 
lijkheid ook in brieven gebezigd, 

bondjol» scherp uitstekend, b. v. van een 
gezwel. Zie bontjol. Ook versterkt kam- 
pement, verbastering van bondjor, Mën. 

bondjor, Mën. versterkt kampement. 

bondoek, Arab. bastaard, natuurlijke 
zoon. 

bondok, Jav = poenoe^, bult, op den 
rug van dieren, zooals ossen, kameelen 
enz. eeltbult op den schouder van sjou- 
wers. 

boneka. Port. pop, popje. 

bonffi I. ook bom, een kleine hanen- 



vechtbaan. Mal. II. verk, van serom- 
bang. UI. abang in den Vocatief, 

bong^ga, Jav. = banggi, zie ald. 

bonggol, zie bongkol. 

bongkak, onbeschoft, lomp, trotsch, 
opgeblazen, vlegelachtig. Het wordt 
versterkt door poengah, zie ald. 

bongkang: en bongkeng, bewegingloos 
op den grond liggen, zooals een doode 
of onmachtige, met de stuit naar boven ; 
bongkang-bangkeng, hetzelfde van velen. 
Mën. bongkang, op sterven liggen. 

bongkar, overhoop, uit iets halen of 
lichten; membongkar saoeh, het anker 
lichten ; membongkar moewatan, de la- 
ding lossen; membongkar roemah, het 
huis omverhalen, uit elk. nemen; mem- 
bongkar tapanja, zijne boetedoeningen 
afbreken ; bongkar karang, de naam van 
een fabuleus groote soort van rog; 
bongkar-bangkir, alles overhoop en door 
elkander gooien, iem. allerhande zaken 
voor de voeten werpen. 

bongkas, I. opgelicht, zooals de wor- 
tels van een omgevallen boom, of de 
aarde door de wortels; een bocht naar 
boven vormend, zooals b. v. een man- 
telhaak. II. Pad. bovenl. 
opengesprongen, = rekah. 

bongkok, bochel, gebocheld, gebogen, 
krom; membongkoTp, zich krommen, zoo- 
als b. V. iemand, die onder een tafel 
wil kruipen; ook: zich vernederen; 
hoedang tatahoe akan bongkoimja, de 
garnaal weet niet dat zij krom is, 
Sprw. voor iem. die zijne gebreken niet 
kent. 

bongkol en bonggol, buitachtige uit- 
was, bult van een kameel of indisch 
rund, ook uitwas, wrat of knobbel aan 
boomen. Het hout daarvan is soms 
zeer fraai. 

bongok, onevenredig dik. 

bongsoe» jongst-geborene, jongste, laat- 
ste; ook in gemeenzamen stijl bij be- 
namingen van familiebetrekking verkort 
tot boesoe, oetjoeen soe; hoedjan bongsoe, 
de spade regen. 

bonjor, pappig, pappigheid, zuchtigheid, 
van lichamen, die vast moeten zijn, 
b. V. vruchten enz. 

bontjis, Ned. boontjes. 

bontjol, knobbel, zwelling, b. v. van 
nog niet opgekomen horens. 

bopeng, erg door de pokken geschonden, 
pokdalig. Zie boeri^ en tjèrUja^p, 



bor — chair. 



71 



bor, Ned. boor, gewone handboor, om 
de gelijkenis ook bidji nangka ge- 
naamd; membor, met een gewone hand- 
boor boren. 

borëik, Arab. het dier, waarop Moham- 
mad zijne reis naar den hemel maakte. 
Mën. een groote, heilige vogel, die de 
zielen der afgestorvenen naar den hemel 
brengt. 

borans:, Jav. voetangel. Zie randjau. 

boreh, e. s. v. geel smeersel, waarmede 
het lichaam bij sommige feestelijke ge- 
legenheden wordt gekleurd. Zie boerat. 

boren, zeker lilachtig, eetbaar zeedier. 
V. d. W. 

borha^n, Arab. duidelijk bewijs ; borhanoe- 
*lhajdty levensteeken. 

borong;, tot een geheel, in 't geheel, 
bijeen, in 't gros, bij den hoop; mem- 
borong^ in één koop opkoopen, het ge- 
heel aannemen, v. e. werk ; pémborong, 
opkooper, aannemer. 

boros, I. losgegaan, b. v. van een touw 
om een tol; verwelkt, verdord; mem- 
boroskan, verkwisten, doorbrengen ; p^m- 
boros, verkwister, doorbrenger. II. e. s. v. 
strandboom met eetbare vrucht. 

bosên, Jav. een tegenzin of afkeer 
hebben. 

boseta. Port. boceta, doos, doosje. 

bosman, Ned. bootsman. 

bosor, I. gretig, happig in het eten; 
m^mbosor, verwoed aanvallen op? b. v. 
laloe dibosornja toen Toewah^ diper- 
ioeroei'ioeroetnja tikam, verwoed viel 
hij op toen Toewah aan, en stak bij 
herhaling naar hem. II. doorboord, 
doorgebroken, b. v. van een vaartuig, 
dijk, den buik enz membosorkan^ door- 
breken, doorboren. Zie ook bolos, 

bostdn, Perz. lusthof, tuin, bloemenhof, 
boomgaard. 

bostangi» Perz. hovenier. 

botan, Chin. de peonie-roos, ook radja 
boenga genoemd. 

botjab, Jav. « boedaJp, zie ald. 

boljak, versleten, vermolmd. P. 

bot jok, e. 8. V. gordijn, gemaakt van een 
sélendangy over een wieg, schommel enz. 

boljone, kegelvormige flesch of kruik 
zonder schouders ; botjong tëlor-boewaja, 
kogel vormflesch, zooals b.v. deflesschen 
voor sodawater enz. Ook alleen telor 
boewaja. 

boljor, lek, b. v. van een dak, schip, 
vat enz. memboenoeh botjor, een lek 



stoppen; moeloet botjor^ iem. die alles 
uitflapt, langtong; membotjorkan, lek 
maken. 

botoh, tot niets te gebruiken, onbedui- 
dend, een prul, van personen. 

botol, Ned. bottel, flesch, inz. de Eur. 
wijn- of bierflesch; membotolkan, in 
flesschen doen, aftappen, bottelen. 

botor, e. s. v. scherp geribde boontjes, 
die als groente gegeten worden, ook 
katjang samboet genoemd. 

bozah, Perz. e. s. v. gerstedrank. 

brahala, zie berhala. 

brabnid, zie b^rma, 

brabmanël, Skr. bramien, bramaan. 

brësifai, zie beresih. 



chabar, Arab. bericht, tijding, gerucht, 
nieuwstijding, kennis van iets ; apa cha- 
bar, w&t nieuws, hoe is 't? chabar baïk, 
goed nieuws, het is wel; soerat chabar, 
nieuwsblad, krant; tiada chabar akan 
fl?èn«;*ö5, buiten kennis, bewusteloos zijn; 
bièrchabar, berichten meededen, ook: 
bij kennis zijn: t^rchabar, werd toe- 
vallig bericht; minia chabar, bescheid 
of antwoord vragen ; pïklèrdjaan itoe apa 
chabar, hoe staat het met dat werk? 
meng chabar kan , verhalen, berichten, 
meedeelen; chabar angin, losse geruch- 
ten; pér chabar an kawat, telegram. 

ohabaz, Arab. bakker. 

cbëlbits, Arab. kabit. Mal. gemeene, 
slimme bedrieger, iem. die in 't voor- 
bijgaan wat wegkaapt. Mogelijk het- 
zelfde als kadet op Java. Zie kabit, 

ohaboeli, zie kaboeli. 

chadi4j, te vroeg geboren. 

ohadidjab, te vroeg geborene, naam 
der eerste vrouw van Mohammad. 

chëldim, Arab. dienaar, bediende. 

cbadlab, Arab. het verven van handen, 
nagels, baard of haren, inz. rood met 
de hinai, zie ald, 

cbadlir. Arab. groenend, groen, plaats 
waar veel groen is. 

obafi, Arab. verborgen, verborgenheid. 

chafir, Arab. beschermer, verdediger, 
voogd. 

ohailil berld, Arab. postpaard. 

ohaimab, Arab. tent, hut, tabernakel. 

ohair, Arab. goed, goedheid, goede daad ; 
bVlchair, het ga u well istirahatoe 
'Ichair, weldoende rust. 



72 



chairat — oliëlzin. 



ohairat, Arab. iets goeds, gewijde in* 
stelling. 

oli£^é;l, Arab. verschijning, visioen. 

ohc^dli, Arab. bedwelmd door wijn of 
roem. 

oliëikdn, Arab. Mongolië. 

chala, Arab. echtscheiding op verzoek 
der vrouw; het ontslag geven aan eene 
vrouw op haar verzoek. 

dialdf*, Arab. bevrijding, verlossing. 

ohalaf, Arab. opvolger, nakomeling. 

chaldïk, Arab. schepselen, meerv. van 
chali^ahy zie ald. 

ohalak, Arab. schepping, geschapen zijn. 

chaMs, Arab. bevrijding, verlossing. 

olialdsi, zie chaldsji. 

ohaldffji, Perz. zeeman, schepeling, ma- 
troos. Meestal chald§i. 

ohdli, Arab. ledig, eenzaam, alleen, vrij 
van iets, = soenji. 

ohali, Arab. vrij, bevrijd, vrij van zorgen. 

ohalifat, Arab. kalief. 

obëilik, Arab schepper; alchdlijpy de 
Schepper; chdli^ alasijd\ de Schepper 
aller dingen. 

chalikat, Arab. natuurlijke gesteldheid, 
schepsel, het geschapene. 

ohalil, Arab. vertrouwde vriend, boezem- 
vriend; chalil Allah, de vriend Gods, 
bijnaam van Abraham, den aartsvader. 

ohëilf^ Arab. oprecht, zuiver. 

ohalldky Arab. de Schepper. 

ohalwat, Arab. afzondering, eenzaam- 
heid; Uérchalwaty zich op eene afge- 
zonderde plaats bevinden. 

oliaxnar, Arab. wijn, bedwelmende 
drank, het in gisting gebrachte. 

ohamir» Arab. gist, zuurdeeg, het ge- 
giste ; meng chamir kan, doen gisten, doen 
zuren. 

oh.aniis, Arab. de vijfde; hari chamis, 
Donderdag. 

ohëliiahy Perz huis, verblijf, herberg., 

okan^ar, Perz dolk, groot mes. 

ohandoeri, zie kandoeri. 

chëtrd, Perz. harde steen, marmer; ook 
e. 8; V. gewaterde zijde. 

oharëlb, Arab. vernieling, verwoesting. 

oharab, Arab. verwoest, verlaten ; door- 
boord van het oor. 

charëi^j» Arab. opbrengst, inkdmen, 
schatting, belasting. 

ohara^jat, Arab. krijgstocht, expeditie. 

ohara^ji» aan schatting onderworpen 
landen. 

chdra^i» rebel, ketter. 



oharbak» Arab. nieskruid, nieswortel, 

helleborus. 
obargosj, Perz. de haas, lett. ezelsoor. 
cbari4J9 Arab. uiterlijk, uitwendig. 
ohdri^jat, Arab. weerspannige, muiter, 

rebel. 
cbarif, Arab. geplukte vruchten, tweede 



cbartdl, Arab. haver. 

cbds, Arab. eigen, privaateigendom, inz. 
van den Vorst ; pakaijan jang chdf, zijn 
eigen kleeren ; moerid jang chdf, zijn 
eigen discipel ; isteri jang ckdf, eigen 
vrouw. Zie ook chd$ah. 

cbdsah, ook kasa, e. s. v. fijn indisch 
mousseline, cossas, ook; cha^ah katan; 
cha§ak halimoen, dun, doorschijnend 
mousseline. Het gebruik daarvan is den 
minderen man ontzegd. 

cbasam, Arab. vijand. 

cbasaxna, Arab. procedeeren. 

cbdsijat» Arab. natuurlijke eigenschap, 
eigenaardigheid, geneeskrachtige eigen- 
schap. 

obasina, Arab. twister, tegenpartij. 

cba»jcbëlsj, Perz. papaver, slaapbol, 
maankop. 

obasm, tegenpartij in een proces. 

cbat, Arab. lijn, streep; schrijven, 
iemands hand van schrijven; cAa^poe- 
'listiwa, de evennachtslijn ; baïk chafnja, 
hij heeft een goede hand van schrijven. 

cbatam, Arab. zegelring, einde; w^«^- 
chaiamkan, zegelen, eindigen, beëindi- 
gen; mëngchafamkan kordn, het lezen 
van den koran ten einde brengen. 

obatan» Arab. besnijding, besneden; 
méngchatankan, besnijden. 

obdtib, Arab. de tweede beambte aan 
eene moskee, die in rang volgt op den 
imam en die het formulier opzegt en 
preekt. 

cbatifab, karpet, tapijt, vloerkleed. 

cbdtixaat, Arab. einde, slot, narede, 
lijkrede, laatste gebed bij een doode. 

cbëltip, Arab. meestal chawdfir, zie ald. 

cbats, eigenlijk. 

obawëln» Arab. bedrieger, verrader. 

obawëir, Perz. verachtelijk, bastaard, 
ook ckatodr zadeh, bastaard. 

obawdtip, Arab. beduchtheid, vrees of 
bezorgdheid voor naderend leed, van 
chd^ir. 

cbdasin, Arab. bewaarder, bewaker, spe- 
ciaal van het parades en van de hel; 
ook: schatbewaarder. 



chidlir — dadi. 



73 



ofaidlir» eigenn. van een profeet, die 
tijdgenoot was van Alexander de Groote 
en, naar men zegt, nog in leven is. 

oUidzxiat, Arab. dienstbetoon, hulde; 
dengan chidmatnjay dienstvaardig ; ber- 
boewat chidmat kapada sa*orang, iem. 
dienen of hulde bewijzen. 

cliydiiat, Arab. verraad, ontrouw. 

oliüdr, Arab. keus, kiezen, naar eigen 
goedvinden iets doen. 

ohik, Perz. lederen zak voor wijn, olie enz. 

6h.i\é,ff Arab. misslag, vergissing, dwa- 
ling, tegenspraak, in gevoelen ver- 
schillen. 

olxildfat, Arab. het kalifaat. 

oMlat, Arab. staatsiekleed, eerekleed, 
tabbaard, toga. 

obLixnznir, Arab. dronkaard, wijnzuiper. 

chirchizy Arab. de Kirgesen. 

olii^m, Arab. vijandschap, twist. 

ohitdb, Arab. aanspraak, toespraak, 
woorden, rede; Ürchifdb, voorgelezen. 

ohité/iiat, Arab. besnijdenis. 

olxiasdnat» Arab. schatkamer, magazijn; 
chizdnatoeHkitaby bibliotheek. 

chó^lah, Perz. titel van Klinganeesche 
kooplieden; op Java meestal kodJjah. 

choebrat, Arab. rantsoen, levensmidde- 
len voor een tocht, leeftocht. 

ohoeloed, Arab. eeuwigheid, paradijs. 

oboeloef, Arab. goor, bedorven, zooals 
melk, eieren enz. 

ohoeloek, Arab. natuur, ingeschapen 
aard. 

choentsa, Arab. hermaphrodiet. 

ohoer6é<\i, Arab. uitkomen, voor den 
dag komen. 

choeilj» Perz. fraai, goed, aangenaam, 
vrooUjk. 

clioe^óéixiat. Ar. rechtsgeding, proces. 

ohoefóéf, Arab. bijzonder, speciaal; 
méugchoefoe^kanj in 't bijzonder toe- 
passen. 

ohola^at, Arab. kleine, gladde steen; 
oh, biroe, lazuursteen. 

ohorëLsëlfi, Arab. de naam van het 
noordoostelijkste landschap van Perzië. 

ohordsdni, afkomstig van Chorasau} 
b)in chorasani, best ijzer, staal. 

cthoTtnAf Perz dadel. 

oho-j^batf Arab. de Vrijdagspredikatie 
in de moskee; ook: zedepreek; chofbat 
niid^, huwelijksinzegening ; mémbaija 
chofbat nikd^t de huwelijksinzegening 
houden, het huwelijk plechtig inze- 
genen. 



daba, in hawa-daba, lucht, waardoor de 
aanwezigheid bekend wordt, b. v. hawa- 
dabanja pon bUom ada^ men had zelfs 
geen lucht van hem, d. i. niet het 
minste idee. 

dabah, en dabih, zie dzaba^. 

dabarnoes, Arab volgens de legende 
de naam van een der 7 slapers. 

dëlbat, Arab. dier, lastdier, trekdier. Zie 
mijn Wrdb. met arab. kar. 

dab£r, Perz schrijver, secretaris, notaris, 
V. d. W. Volg. P. doebir. 

daboens; mendaboengy vijlen van de 
tanden; berdaboeng, gevijld van de 
tanden. 

ddboes, Arab. ijzeren priem van onge- 
veer een voet lang, waarmede gooche- 
laars en geestdrijvers zich steken zonder 
zich te kwetsen, om hunne onkwets- 
baarheid te toonen; Mën. berdaboes, 
e. s. V. tooverij, gloeiende lichamen aan- 
raken zonder zich te branden; bermdin 
daboes, dat spel vertoonen. 

daohil, Arab. binnenste, inwendig; in- 
gewijd, een ingewijde. 

dada, de borst; centrum van een slag- 
orde; mendaday de borst bieden aan 
iets; ook een slag of houw toebrengen 
aan de voorzijde van een te vellen 
boom. Mal. blêrpïrang mendada, man 
tegen man strijden, ook btrdada-dadadn ; 
dada hajam, borstharnas; isi dada, wnt 
in het binnenste van iem. omgaat. 

dadah, toebereid geneesmiddel, allerlei 
toiletartikelen; mëndadah, zie dada, 

dadak; mendadaéfy hevig braken, ook 
zonder dat er iets uitkomt; kMada^, 
door hevige braking overvallen zijn. 

dadap, I. = dédap, zie ald. II. e. s. v. 
schild, b. V. mémegang dadap dan toem- 
ba^njtty houdende zijn schild en lans 
in de hand. Pr. Dj. 

dadar, I. e. s. v. eierstruif, omelet, ook 
worden onze pannekoeken zoo genoemd ; 
mendadafy eierstruif maken, ook : rond- 
deelen, gewone liefdegiften geven, v.d.W. 
II. Skr. dada, geschenk. P. mémblri 
dadar y geschenken geven. 

dadi, I. Skr. gestremde melk, verdikte 
melk, het dikke van de melk, wrongel, 
hangop enz. Mën. dadihy id. ajar dadi, 
de wei ; dadi kering y kaas ; kapala dadiy 
room ; kaki dadiy wrongel ; pértkat dadiy 



74 



dadjdl — daja. 



lijm gemaakt van dikke melk. II. Jav. 
worden, zoodat, = djadi. 

dadjë,!, Arab. valschaard, bedrieger; 
almasi^ addadjdl^ de antichrist. 

detdoe, I. Port. dobbelsteen; b^rmdin 
dadoe^ dobbelen. Zie ook pari. II. licbt- 
rood, rozerood; mendadoey zoo worden. 

dadoek; mendadoeJc, bedelen zonder 
noodzakelijkheid; pendadoe^f, een bede- 
laar niet uit noodzakelijkheid. 

dadoeng, e. s. v. vroolijk gezang der 
rajat; mendadoeng, vroolijk zingen; zie 
dondang en dendang, 

dadoro, e. s. v. boom [met eetbare 
vruchten. 

dafnali, Perz. de laurierboom. 

daftar, Perz. lijst, register, boek, kata- 
logus, jouraaal; daftar behasa, woor- 
denlijst; daftar isi kitdb^ inhoudsopgave 
van een boek; Tmndaftarkan^ katalogi- 
seeren, een lijst van iets opmaken, op 
de lijst zetten, inschrijven. 

dafti. Ar. rozenkrans, paternoster. 

da&a; mendaga, bestrijden, de spits bie- 
den aan. Mën. zich verzetten tegen de 
gestelde macht of verordeningen; daga- 
dagi, weerspannigheid en verzet tegen 
de overheid; zie dehagi. 

dagang, vreemd, uitheemsch; orang 
dagaaig en ana^ d. vreemdeling, en, 
aangezien vreemden meest kooplieden 
zijn, is orang b^rdagang ook : koopman ; 
pirkataan dagang^ vreemde woorden, 
die tot de taal niet behooren; b^r- 
dagang diri, zich naar den vreemde 
begeven; btrdagang loewar^ op eigen 
houtje handeldrijven; mèmakai ber- 
dagang loewar, zich naar welgevallen 
kleeden, inz. voor den Vorst verschij- 
nende een sjerp dragen over het baadje, 
hetgeen alleen aan den Bëndahara en 
den Toemënggoeng veroorloofd is; da- 
gangafty koopwaar ; samboetan dagangan^ 
koopgoederen in consignatie; menda- 
gangkatiy tot een voorwerp van handel 
maken. 

dasi, zie daga, dehaga en dehagi. 

da^nS» vleesch, ook van visch en 
vruchten en soms ook het hout van 
boomen; daging kantjing^ spier; daging 
beras bïkal, muskei tusschen duim 
en voorsten vinger; daging mënempely 
moesje, wrat op de huid; mati daging, 
koudvuur; daging-darah, vleesch en 
been, bloedverwantschap, zie bij dar ah; 
nama daging, geboortenaara, in onder- 



scheiding van bijnaam of titel; sa'da- 
ging, ook: uit één stuk, b. v. van een 
ton, niet uit duigen; soedah mëndjadi 
daging darah kapadanja, het is bij hem 
vleesch en been geworden, fig. voor 
hij heeft dat geheel in zich opgenomen 
of zich er mee vereenzelvigd ; berdaging, 
van vleesch zijn; terdaging, tot in hét 
vleesch, fig. diep gegriefd, zeer getrof- 
fen ; bagai doeri dalam daging, onaan- 
gename herinnering van iets hebben, 
pijnlijk aangedaan, geërgerd worden. 

dagoe, kin; dagoe lïntik, bebbekin; 
dibawah dagoe, ondergeschikte; mdin 
dagoe of meng aj oen dagoe ^ den doodsnik 
^/ geven. 

daliak, fl.aim, slijm, rochel, kwalster; 
berdahak, kwalsteren. 

dalian, dikke boomtak, zware tak; men- 
dahan, die takken krijgen. 

dah.ar, Jav. eten, v. aanzienlijken = 
santap, 

dahi, voorhoofd; dahi rendah^ een laag 
voorhoofd; dahi lajar, bovenvoornok 
van een vierkant zeil. 

dahiiat, Arab. ongelukkig toeval, on- 
geluk. 

dalisjat, Arab. verbaasd, vervaard, be- 
angst; rnèmberi dahsjat, doen verbaasd 
staan, ontzettend; kena dahsjat, ont- 
stellen. 

daïk, naam van de hoofdplaats van het 
eiland Lingga, verblijfplaats van den 
Sulthan, gelegen aan een riviertje van 
denzelfden naam. 

daïm, Arab. altijddurend. 

daïng, I. gedroogde visch; dding sièpat, 
gedroogde sepat-^\%zh.', ketam berdding, 
gedroogde krabben. Van dit woord leidt 
vdT. het Jav dendeng af 1 II. titel van 
boegineesche grooten. 

daïrah, Arab. omtrek, grondgebied, 
environs, cirkel, onderhoorige land- 
streken. 

daja, I. list, kunstgreep, bedrog, hulp- 
middel; iiada berdaja lagi, er niets 
meer op weten; daja-oepaja, hulpmid- 
delen, ook de middelen, die men aan- 
wendt, om zich aan iets te onttrekken ; 
tipoe-daja, allerlei listen, bedriegerij; 
sadaja, van dezelfde listen, aan één 
lijntje trekkend; nièmp^rdajakan, be- 
driegen, verschalken, foppen, oplichten; 
ierpirdaja, gefopt, verschalkt, b. v. 
tïp)irdajalah ija déngan sébab b^raninja, 
zijne driestheid fopt hem, speelt hem 



dajah — daloe. 



7G 



parten; iiada teperdajakan^ niet gefopt 
kunnen worden; Uada terdajakan, er 
kon niets op gevonden worden; per- 
dajaan, bedriegerij, fopperij. II. har at 
daja, Zuidwest ; baraUbarat daja, West- 
Zuidwest; selatan daja^ Zuid-Zuidwest. 

cU^ah, Perz. min, zoogster. 

dajak; orang dajale^ Dajakker, bewoner 
van de binnenlanden van Borneo. 

dajang, jong meisje, jonge dochter; 
ook gebruikt om een meisje aan te spre- 
ken, ook: dienstdoende meisjes aan het 
hof, hofjuffers. Voor dit laatste ook 
ptndajang; pendajangan^ de gezamen- 
lijke hofjuffers. 

dc^ixn, Arab. altijddurend, voortdurend, 
eeuwig. 

dajoe; mendajoe, kreunen, klagen; rom- 
melen van den donder in de verte. 

dajoenfi;, roeiriem, borstvin van vis- 
scheu; berdajoeng^ roeien; mendajoeng- 
kan perahoe, een vaartuig voortroeien; 
dajoeng kebaSj lange, zwiepende rie- 
men; dajoeng gole^, rollende riem, d.i. 
een riem die zich in een dol vrij be- 
weegt; dajoeng toedoeng belanga^ riem 
met cirkelvormig blad, vergeleken bij 
het deksel van een pot; plèndajoeng^ de 
roeiers, ook de riemen ; perahoe dajoeng- 
dajoengan, roeiboot, galei; batang da- 
joeng en toelang dajoeng, steel voor e, 
roeiriem. 

dajoes; méndajoeskan, honen, bespot- 
ten, beleedigen. Swet. 

dajoets, Arab. schande in de 
mate voor een gehuwd man. 

dajoh, Jav. gast, bezoeker. 

daka, de plank, waarmede het zijde- 
lingsche gat in een graf gesloten wordt ; 
méngarajf! daka, die plank ronddragen, 
d. i. willen sterven, van oude lieden, die 
niet willen deugen, als e. s. v. vloek. 

dakap, zie dêkap. 

dakar, zijne krachten overschattend, 
vermetel, roekeloos, krakeelig. Zie dza- 
kar en d^gar, 

daki, I. huidvuil, huidsmeer, vuil onder 
de nagels en van de oogen ; daki koeda, 
paardestof. II. zie mindaki. 

dahdk, Arab. fijn, ondeelbaar. 

dakoe, wijziging van akoe na den cau- 
satieven uitgang kan en de Voorzetsels 
akan en dhtgan. 

dakoes; nténdakoes, klapperen van de 
tanden. Pad. bov.1. Zie dekoes, 

dakittind, Skr. het Zuiden, = selatan. 



dalëll, Arab. middelaar bij koop en ver- 
koop, makelaar. 

daldlat, Arab. betoog, argument. 

dalam, I. diep, diepte; perigi dalam, 
diepe put; mendalam, dieper worden, 
v. wonden ; mendalam parit, een gracht 
uitdiepen; blèr dalam -dalam, ernstig, van 
belang v. e. geschil; perkatadn dalam- 
dalam, diepzinnige gezegden II. Voorz. 
in, binnen; badjoe dalam, binnenbaadje, 
onderbaadje, dalam roemah, in huis; 
dalam pada itoe, intusschen, onderwijl ; 
dalam ija berboewat itoe, terwijl hij 
dat deed ; beradoe dalam, tirai kelamboe, 
achter de gordijnen slapen; dalam pe- 
kerdjaan orang, in iemands dienst zijn; 
dalam per ent ah orang, onder iemands 
bevelen staan ; dalam sapoeloeh asa, een 
tiende; dalam saratoes tiada satoe, van 
de honderd niet één; dalamnja, de 
diepte ervan, deszelfs diepte; dalam 
satoe elo harganja, per el kost het . . . 
dalam doewa tengah tiga, dubbelzinnig 
V. woorden; dalam terang Kénda^ ber- 
soeloeh, vragen naar den bekenden weg ; 
dalam roemah memboewat roemah, in 
dienst v. e. ander zijn eigen voordeel zoe- 
ken; kadalam boenjinja, binnensmonds. 
III. beter daUm, Jav. vorstelijk verblijf; 
orang daUm, hoveling; h^hasa dalem, 
hoftaal; pMaleman, de plaats van den 
daUm, IV. Bijw. terwijl, onderwijl; 
dalam pada itoe, intusschen, onderwijl. 

dalang, Jav. vertooner van de wajang; 
iem. die naar welgevallen regeert even- 
als zulk een vertooner met de poppen ; 
mendalang, naar welgevallen regeeren. 

dalfiji, Arab. de dolfijn; ook de naam 
V. e. gesternte. 

dalik; uitvlucht, voorwendsel; berdalik, 
voorwendsels gebruiken ; tiada btrdalih 
lagi, geen voorwendsels of uitvlucht 
meer hebben; mendalihkan, tot voor- 
wendsel maken; berdalih-dalihan, met 
elkander kibbelen, de schuld op elk- 
ander werpen, ook: betichten. 

dalik, zie dolak. 

dalfl, Arab. leidsman, leiding, betoog, 

' inz. door aanhaling uit den Koran; 
mendalilkan, met bewijzen staven, tot 
bewijs bijbrengen. 

dalitna, Skr. de granaatappel. Soorten 
zijn: d. kati^, d. merah en d. poe tik, 

daloe, I. Arab. naam van het sterrenbeeld 
uit den dierenriem: de Waterman. II. 
Jav. nacht ; III. daloe-daloe, zie bhtaloe. 



76 



dam — dandans. 



dam, 1. een rommelend geluid als van 
eene trom. II. Ned. dam: ö^rmain dam, 
damspelen. III. schijnt visch te be- 
teekenen, b. v. oranff iasik mengambil 
dam^dam ini, Hik. Boedj. mengambil 
dam-dam djoega; djikalau üda^ p^rgi 
mengambil dam-dam, tiadalah bolih 
segar^ kar^na itoe pentjéhariannjay id. 
sapêrti leng gang orang ménarik dam- 
dam roepanja, id. 

damai, vrede, als einde van twist of 
oorlog; menjorong damai, vredesvoor- 
slagen doen; mendamai, vrede maken; 
vfièndamaikan en memptrdamaikan, be- 
vredigen, tot vrede brengen, verzoenen; 
blèp^rdamaikan, daarmede bezig zijn; 
ptndamaiy vredestichter, vredemaker ; 
perdamaijany de vrede, die gesloten 
wordt, bevrediging, verzoening; berda- 
7nai, ook: met elkander verzoend, van 
pas gehuwden. 

damak, blaaspijltjes, pijltjes van een 
blaasroer. Mën. ana^-dama^, waaruit 
zou volgen, dat dama^ = soempitan is 
en dit laatste slechts een bijnaam daar- 
van. 

damal, slecht roeiend of zeilend van 
een vaartuig, luie zeiler. 

daman, =: kelat, zie ald. tali daman, 
schoot van een zeil. 

dam ar, hars, toorts, fakkel; damar 
batoe, de gewone hars, die men aan 
brokken onder de boomen vindt; damar 
klroejoen, een zachtere soort. M. damar 
liliA, druiphars, ook e. s. v. zwaard 
met kort lemmet. N.Sum.; damar mata 
koetjing, e. s. v. fijne, doorschijnende 
hars uit den tjengaU en méraioan-\iQQm\ 
damar tiris, figuren van bladgoud of 
verguld snijwerk, ook een zeker rand- 
versiersel aan een gebatikt kleedje; 
rnéndamar, harsinzamelen ; ptdamaran, 
harstoorts, ook: plaats waar veel hars 
gevonden wordt. 

damawl, Arab. uit het bloed voortko- 
mend, van eene ziekte. 

damba, begeerig naar. iets, verlangende, 
gaarne willende hebben; m^ndambakan, 
iets begeeren, verlangen. 

daminah, de naam van een der jak- 
halzen uit de Pantja Tandran, van 
dimnah, Perz. jakhals, vos. 

dampak; méndampa^p, elk. tegen het 
lijf loopen, tegen elk. aanbonzen. 

dampai*» I. vlak, effen, van den grond. 
Mën. m'ëndampar, zich breed uitgestrekt 



voordoen. II. aan den grond, van drij- 
vende voorwerpen; ttrdampar, aan den 
grond geraakt, gestrand, vastzitten, Van 
vaartuigen enz. mëndamparkan, op het 
strand zetten, doen stranden, op een 
bank of klip zetten; berdamparan, vast 
blijven zitten, van vele voorwerpen, die 
door den stroom worden meegevoerd. 
Ism. Jat. 

dampil, tegen iets aan, zijde tegen 
zijde. Zie kepil. 

damping:, I. dichtbij; Mën. amping ; 
id. koetikanja damping, het oogenblik 
is nabij ; btrdiri damping, vlakbij staan ; 
b er damping dengan, iets of iem. aan- 
hangen, steeds nabij hem zijn. II. btr- 
damping, zingen, zooals bij een op- 
tocht. L. Mën. wijze van zingen op de 
maat, waarbij tegelijkertijd gedanst en 
in de handen geklapt wordt. 

dampit, onverschillig voor vermaningen. 

dampir, = dampar. II. zie ald. 

damsjik,, Damascus. 

ddn, Voegw. en. Over het gebruik raad- 
plege men eene grammatica. 

dana, Skr. gift, gave; in poëzie ook: 
milddadig. 

danam, ossenjuk. 

danau, meer, poel, staand water van 
eenige uitgebreidheid. 

dana^wa, Skr. demon, reus. 

danda, strijdknots. 

dandam, e. s. v. dier, = mondolp, de 
mol, b. V. saperli dandam tiada btr- 
mata, R. 

dandan, ordening, regeling, tooi, sie- 
raden, Jav. id. ook: de uitstekende 
balken aan den voor- en achtersteven 
van een inl. vaartuig; berdandan, zich 
tooien, opschikken; mendandan, iets in 
orde brengen, de laatste hand aan iets 
leggen; mendandan diri, zich netjes 
kleeden ; mendandan pïraAoe, een vaar- 
tuig versieren; mêmakai gadandan, op 
dezelfde wijze uitgedoscht zijn; boekan 
sadandan p'ërentah abang, doenia nan 
boekan hagai oedara, *t is niet door 
mijn regeling en bestel, dat de wereld 
niet even als het luchtruim is. H. Boedj. 
ramboetnja jang didandan olih bondanja, 
heur haar, dat door hare moeder in 
orde gebracht, opgemaakt, was. N. 
Moeh. 

dandane, e. s. v. groot«n koperen ketel, 
zonder hengsel of tuit, en met een 
wijden hals, waarop in een kegelvormig 



dandi — dapat. 



77 



mandje de rijst wordt gaar gestoomd; 
b'irdandang masa^, hier en daar rijp, 
van de rijstaren op het veld. Pad. bovenl. 

dandiy I. e. s. v. luit, behoorende bij de 
nohat; vfümUih dandi , op de luit spe- 
len, de luit tokkelen. II. gevlekt, ge- 
spikkeld, van dieren, zooals tijgers, 
herten. 

dans» titel van aanzienlijke vrouwen, 
inz. van hof juffers, ook dara-dang ge- 
noemd; dang lela, een hofdame, die 
eenige voorrechten heeft, mogelijk van 
adang, IV, zie ald. of eene verkorting 
van dajang? In fabels komt het voor 
de namen van visschen, b. v. dang-kakap, 

dane;ai, e. s. v. versnapering, van meel en 
suiker in kleine vormen gebrand. v.d.W. 

dangan. Pad. bovenl. en Mal. huis 
buiten de kampoeng, hut in een bosch 
of in verafgelegen rijstvelden; ook kar- 
bouwenhoeders-wachthut ; pedangauwan^ 
verzameling van zulke hutten, gehucht ; 
dangau-dangauy kraampjes op de markt. 

danfi^danSf = dandang, zie ald. 

daiijskal, I. van binnen hard of ver- 
steend, van vruchten en daardoor oneet- 
baar; ook; wreed, hard van gemoed, 
nijdig, boosaardig van hart. Zie dingkil. 
II. = dangkar^ ondiep, verzand; ajar 
dangkal, wadde, wed. 

danskang; mendangkang, geluidgeven 
van eene Icrabl Pad. bovenl., volgens 
v.d.T. geluid van harde voorwerpen 
tegen elk. 

danskap; berdangkap^ omvatten, beet- 
pakken, van vechtenden. Zie tang kap 
en dèkap» 

dazifi;b:ar, I, ondiep, verzand, = dangkal. 
II. méndangkafy oprollen, van matten, 
tapijten enz. 

danskoe, e. s. v. boom met eetbare 
vrucht. 

danffkoenii:, e. s. v. melaatschheid, 
waarbij de gewrichten verkrommen. 

danfisoe, Jav. stengel van de arenbloem. 
Pr. Dj. 

dansok, met de kin op iets, b. v. den 
voorarm, leunen en voor zich staren. 
v.d.W. 

danesa, Ned. het Europeesche dansen; 
peata dangga, danspartij, bal. 

danisiTtrara, Skr. heer van den rijkdom, 
als bijnaam van Koewera, den god des 
rijkdoms. 

MaoiSélt Arab. Daniël. 

danoer, lijkvocht. 



danta, I. Skr. olifantstand, ivoor. II. 
naam van een fabelachtigen berg. 

daöed, Arab. David. 

daoek, Jav. schim melgrijs. van paarden, 
ijzerschimmel. 

daoel; daoel-daoel, Jav. verward, van 
het hoofdhaar enz. 

daoen, blad; daoenan, nagemaakt blad; 
daoen-daoenafiy gebladerte; daoen-daoen 
kajoe, boombladeren; makan sa^ daoen, 
samen van één bord of uit één schaal 
eten, naar het pisangblad, waarvan men 
vroeger at eu ook nu nog wel eet; 
daoen naratja en d. timbangan, weeg- 
schaal ; daoen boedi, e. s. v. versiersel in 
den vorm der bladeren van den heili- 
gen vijgeboom ; daoen renda^ loovertjes 
aan kant; daoen telinga, het blad van 
het oor; daoen p^lita, het schoteltje 
van een lamp; mendaoen kajoe, in me- 
nigte zich voordoen als boombladere q ; 
mendaoen koenjit, onnutte dingen doen, 
ijdele klap uitslaan, naar de kurkema- 
bladen, die tot niets deugen; daoen 
Aiö?(?^/>,kruidje-roer-me-niet; daoen tj'ëki, 
chineesche speelkaarten; daoen medjah, 
tafelblad; daoen pintoe^ de eigenlijke 
deur, die den ingang sluit, terwijl de 
ingang pintoe is. 

daoep, e. s. V. gewas. M. 

daoer, Arab. kring, tijdkriog; d. k^ijil, 
een tijdkring van 8 jaren =» aan de 
windoe der Javanen; d. besar = 120 
jaren; tiga kali daoer, driemaal in de 
rondte. 

dap, zie edap. 

dapa, slaaf, als gift van den bruidegom 
aan de bruid. v. d. W. Zoo ook Abd. 
schets Wrdb. ertinja: orang dihantar 
kapada jang Kéndajfi diboewat bini. Dit 
zal wel de bron van v.d.W. geweest zijn. 

dapat, vinden, kunnen, instaat zijn, be- 
vinden, verkrijgen, in zijne macht krij- 
gen, in de macht komen, in bezit ge- 
nomen, ingenomen, gevangen genomen, 
gevonden, verkregen worden; dapat 
pada Ü^alnja stndiri, kon zij door 
eigen vinding; dapatlah s^diMt dari- 
pada iiada sakali^ een weinig is beter 
dan in het geheel niets; m'ëndapat ba- 
rang jang ditjëhari, het gezochte vin- 
den; dapat ditjaboety kan uitgetrokken 
worden; dapat b'éladjar, in staat zijn 
te leeren ; dapatlah nïgari itoe^ die stad 
werd genomen; dapatlah kèris Hoe ka- 
iangannja die kris viel hem in handen ; 



78 



dapoer — dari. 



barang sadapatnja, zooveel hij kon of 
waartoe hij in staat was; ook dengan 
sadapatnja\ ta*dapat tiada, en verk. 
tot dapat tiaduy het kan niet missen, 
het moet volstrekt, het kan niet anders 
of . . .; ada jang dapat ^ somtijds ; sada- 
pat-dapainja, zooveel mogelijk ; bïrdapat 
dièngan, aantreffen, ontmoeten ; mendapat 
hatif aanmatigend, hoogmoedig worden ; 
mendapat hati orang, iem. inpalmen, 
gunstig voor zich weten te stemmen; 
herda/pat'dapaty bijna gekregen, bijna in- 
gehaald, ook bij voortduring verkrijgen; 
mendapat Jj^ajdt orang, iem. bij zijn leven 
gekend hebben; mendapat oentoeng^ 
winnen, een gelukje hebben; p^rgi 
mendapatkan, gaan tot, gaan opzoeken ; 
mendapaiij bevinden, bemachtigen ; mtu- 
dapat rahasia, achter een geheim ko- 
men, een geheim ontdekken, uitvinden; 
p^ndapaty bevinding, gevoelen, begrip, 
vinding, vinder, uitvinder ; pendapatan, 
voordeel, inkomsten, iemands inkomen; 
kadapatan, betrapt, gesnapt, gevangen; 
kadapatan boedinja, zijne streken kwa- 
men aan het licht; kadapatan dengan, 
iem. toevallig aantreffen, b. v. kalau 
kita pergi ini kadapatan dlêngan ka- 
kanda itoe soedah doedoelc dtngan ratoe 
lènom, als wij nu gaan en treffen onze 
zuster aan reeds gehuwd met Ratoe 
enom. Pr. Dj. 

dapoer, stookplaats, keuken; orang sa- 
dapoer, lieden uit éen gezin, die van één 
stookplaats gebruik maken; dapoer 
soesoe, de streek vlak onder de borsten, 
ook: dapoer dada en poesoe-poesoe ; 
dapoer-dapoer, komfoor, ook: pan van 
een vuursteengeweer ; toekang dapoer, 
kok. R. 

dó.r, Arab. woning, verblijf, gewest ; dar 
assaldm, land des vredes; dar alma.' 
moer, het welvarende of volkrijke land. 

dara, maagdom; ana]p dara, maagd; 
anaif dar a-dar a, maagden; hilang da- 
ranja, zij is haar maagdom kwijt; 
dara kïtjil, aankomend meisje; dara 
dang, hof juffer van goede familie; 
dara-djang, dienstmeisje, kamenier; 
^rdaraan, maagdelijke staat, de ge- 
zamenlijke maagden, inz. aan het 
hof; boeroeng-dara, op Java, de gewone 
hnisduif. 

ddrë.» Arab. Darius. 

darab, Arab. groote poort, bergkloof. 
Zie ook dirap. 



daradjat, Arab. sport, trap, rang, graad, 
Y^TT van den omtrek eens cirkels, astro- 
nomische graad ; ook : een snoer van een 
halssieraad. Ibr. b. Ch. 

darah, bloed; makan dar ah, zijn bloed 
vreten van kwaadheid, kwaadaardig zijn, 
ook: woekeren; darah poetih, edele 
geboorte ; darah nifds, kraam zuivering ; 
darah phigiring boeda^, nabloeding van 
eene kraamvrouw; daging darah, bloed- 
verwant; mendjadi daging d?am^, vleesch 
en been worden met iemand; sadaging 
darah, van één vleesch en been; t^m- 
pat toempah darah, geboorteplaats ; ^^r- 
darah, bloed hebben, ook : bloeden, be- 
bloed zijn ; per kar a jang b^rdarah, dier- 
lijk voedsel, H. Abd. mhidarah, bloed- 
rijk zijn, ook: zich zeer voor iets in- 
spannen; bièrdarah bidji mata ta' dapat 
sapoeloeh oewang, al schreit men ook 
bloed men krijgt er geen tien dubbel- 
tjes voor. M. Sam ; pendarah, e. s. v. 
zeer bloedrijken zeevisch, ook: e. s. v. 
boom met roode gom, van welks hout 
men krisscheeden maakt ; mabo^ darah, 
flauw door bloedverlies, ook: bedwelmd 
door het zien van bloed; ménghisap 
darah, bloedzuigen. 

darai, hermaphrodite, d. 1. Cr. 

darain, tweev. v. dar; fi adddrain, in 
de twee werelden, d. i. in deze en in 
de andere wereld. 

daras, Arab. hardop lezen, inz. van 
den Koran, bestudeeren, leercursus. 

darat, land in tegenoverstelling met 
water, vaste wal, vastland, ook: hooge, 
droge grond in tegenoverstelling van 
natten grond, moerasgrond; ook: bin- 
nenland; blèrdjalan darat, over land 
gaan; blrdjalan lebih kadarat, meer 
naar het binnenland gaan; mHdarat, 
landwaarts aanhouden van een vaar- 
tuig ; daratan, wal, vaste grond ; phi' 
darat, meertouw, touw, waarmede iets, 
dat in het water ligt, aan den wal 
vastgemaakt is; tiang phidarat, meer- 
paal, dukdalf. 

darddr, Arab. olmboom. 

dardji, van het Arab. darzi, kleeren- 
maker. 

dargdh, Perz. paleis, hof. 

dari, Voorz. van, van af, van den kant; 
gemaakt van, afkomstig van, uit, door; 
ook: des, te, ten bij tijdsbepalingen; 
dari roemah, van huis of van het huis; 
dari dalam, van binnen; dari loewar^ 



darija, — datang;. 



79 



van buiten; dari mana, vanwaar? dari 
sana, van daar; daripada, — dari en 
ook : van af, bestaande uit, of bestaande 
in ; daripada .... dan, zoowel .... als ; 
dari en daripada, ook: dan, bij den 
compératief der Bijv. nw.; daripada 
intan, van diamant; baïk daripada, 
beter dan; daripada mas peralc dan 
permata, bestaande uit goud, zilver en 
edelgesteenten ; daripada Vésar dan Jcetjil, 
zoowel groot als klein; daripada laki- 
laki dan pïr^mpoewan, zoowel mannen 
als vrouwen; roemah dari batoe, een 
huis gebouwd van steen; beras dari 
Benggala, rijst afkomstig van Bengalen ; 
dari takoet, uit vrees; dari kasehan, 
uit medelijden; dari sebab, ter oorzake, 
ten gevolge; b^rgera^ dari angin, be- 
wegen door den wind ; masoelc, daripada 
pintoe, door de deur naar binnen gaan ; 
daripada djalan Idin, langs een anderen 
weg; menilik orang besar daripada 
orang ketjil, de grooten meer ontzien 
dan de geringen; daripada sedikit ini 
bdiklah djangan sakali, in plaats van 
zoo weinig ware het beter in het ge- 
heel niet; Urlindoeng daripada maia, 
verborgen zijn voor het oog; laloe dari- 
pada roemahf gaan voorbij het huis; 
dari ^dl, over de zaak van; Idin dari- 
pada^ behalve ; dari pagi-pagi, des mor- 
gens vroeg; daripada zamdn kolanda, 
ten tijde der Hollanders; menangkap 
dari ekoernja, bij den staart grijpen. 

dar\ia, Perz. zee, oceaan; ook: rivier. 

darxna, Skr. in eigennamen, b. v. sang 
darma dewi^ naam van een bidadari 
of hemelsche nimf; darma bajoe, naam 
van een godheid. 

detroe*daroe, ook dewa daroe, Skr. 
e. 8. V. pijnboom, die welriekend en goed 
timmerhout levert voor binnenhuisbouw 
en Chineesche doodkisten, welk hout 
ook onder de wierook gemengd wordt. 
Zie ook dewa daroe. 

darok^darok, e. s. v. zoetwatervisch, 
Mal.' 

darwisj, Perz. bedelmonnik. 

das» schot uit een geweer, b. v. kami 
pasang bMil tiga das, wij deden drie 
schoten met het geweer. Mal. Sam. 
J^orniai lima-bUas das, een eerbewijs 
?an vijftien schoten. 

dasa, Skr. en Jav. tien. 

^•al, e. 8. V. boom met harsachtig hout. 

dasar, I. grond, grondkleur, b. v. van 



geverfd lijnwaad enz. natuurlijke aard 
van iemand. II. Jav. vloer, begane 
grond; omdat, dat komt ervan, dat is 
omdat . . . . ; mendasar, op den grond 
uitleggen, op den vloer uitpakken; 
dasar Umpat tidoer, onderlagen van 
een bed; mendasarkan, bevloeren. 

dasarata, Skr. eigennaam, de vader 
van Sri Rama. 

dasi, Ned. halsdas. 

dasoen, = lasoena, Skr. e. s. v. witte 
uien; dasoen toenggal, St. Jans-ui. In 
het Bat. Mak. en Boeg. is het nog 
lasoena, vdT. 

dastoer; lajar dastoer, lijzeil, een zeil 
dat bij weinig wind nog naast de ra- 
zeilen wordt gehangen. 

datang, komen; tot, tot aan; gebeu- 
ren, geschieden; ^ang lagi datang, die 
of wat komende is ; jang akan datang, 
die of wat komen zal; boelan datang, 
de aanstaande maand; datangnja dari 
of dari sebab ^ dat komt doordat, dat 
komt daarvandaan, is daardoor ver- 
oorzaakt ; datang poela, weerom komen, 
terugkomen; datanglah saplèrti kata 
ahloeHnoedjoem, het geschiedde zooals 
de sterre wichelaars hadden gezegd ; apa- 
bila dilikatnja ^dl Hoe datangnja dengan 
kakerasan, toen hij zag dat die zaak 
met geweld doorgezet werd; daripada 
hari Its7iain datang kapada hari Saptoe, 
van Maandag tot Zaterdag; datanglah 
kapada doewa-belas hari, het geschiedde 
op den twaalfden dag; datang kapada 
peridaran doenija, het geschiedde bij 
de rondwenteling van dit aardsche dat 
. . . . ; datang demikian, tot zoover ko- 
men ; datang hati, over zich kunnen 
verkrijgen, in het gemoed opkomen ; 
datang pikiran, op de gedachte komen, 
opkomen van de gedachte; datang a^al^ 
er begrip van krijgen, inzien; goeroe/ 
datang, bijkomende partikelen, afflien; 
berdatang s'ëmbah, nederig komen zeg- 
gen ; berdatang mëlata, kruipend aan- 
komen ; mendatang -datang, aankomen 
van een ziekte-aanval, b. v. karena 
pmjakit piiam patik ini nièndatang- 
datang poela rasanja, want naar het 
gevoel komt mij de kwaal der vallende 
ziekte weder aan; mendatangkan, doen 
komen, teweegbrengen, bezorgen, met 
iets voor den dag komen, met iets aan- 
komen; mendatangkan tangan kapada, 
de handen slaan aan iem.; méndaiangif 



80 



datap — dêboenfi:. 



overvallen, inz. van een vijand; kada- 
tangafiy overvallen worden, ook door 
ziekte en gasten; kadatangan gila, gek 
worden, een gekke bui krijgen; kada- 
tangan mauty door den dood overvallen 
worden; kadatangan ook: komst, aan- 
komst; sélamat kadatangan^ welkomst- 
groet; melawat kadatongan, een bezoek 
brengen bij de komst; iemand, die pas 
gekomen is, een belangstellend bezoek 
brengen; datang hati^ van het hart: er 
toe komen om, in den zin komen. 

datap ; berdatap-datap, overvloedig 
vloeien van tranen? 

datar, effen, gelijk, vlak; tanah datar, 
vlak land; mendatar, zich vlak voor- 
doen ; djalan mléndatar, de weg is vlak ; 
ook alles afloopen, een land, stad, bosch, 
enz. ook: door eene vlakte trekken; 
méndatarkan, effenen, vlak of gelijk 
maken, platschieten, plunderen, ver- 
kwisten. Verder wordt datar gezegd van 
voorwerpen wier grondvlak 't grootst is 

datya; datiy Skr. reus, titan. 

datfinSf Chin. unster, weegstok ; djoeroe 
datjing, waagmeester. Ook datjin. 

datoe% = datoeipy zie ald. 

datoeng) = datoe^, zie ald. 

datoelf» grootvader, familiehoofd; ook 
als titel in gebruik; volgens de instel- 
lingen der Maleiers hebben alleen de 
vier voornaamste hoofden in den Staat, 
na den Vorst recht daarop, doch tegen- 
woordig laten zelfs de politie-dienaren 
zich ook zoo noemen; datoeif neneie, 
voorouders. Ook wordt datoeie wel eens 
uit onwetenheid gebruikt voor to-peh- 
kong, de god der Chineezen. 

daulaty I. Arab. heil, geluk, voorspoed; 
daulat toewankoe, heil zij Uwe Majes- 
teit; ook gebr. als Bijw. v. bevesti- 
ging tegen den Vorst; daulat radjay 
leve de Koning! Mal. Sam. II ver- 
keerd in de pi. v. taulah of toelah. 
Zie timpa. 

danr, Arab. kring, cirkel, tijdkring, 
periode, kreits; d. kïtjii, cyclus van 8 
jaren; d. bhar, id van 120 jaren; tiga 
kali dattfy driemaal in de rondte; mèn- 
daur, doorloopen v. e. kring, volbren- 
gen V. e. omloop. Zie ook dawdr. 

ö&vréf Arab. rechtsvordering; er op 
staan, beslist verlangen, eischen; nién- 
datody een rechtsvordering instellen, 
volhouden, beweren, zijn recht hand- 
haven ; mêndawdit en méndawakany aan- 



spraak maken op; jang klêna datod, de 
gedaagde; jang ^mpoenja dawd, de 
eischer; karma dawanja hênda^ blèr- 
djalan melihat kakajaan Allahy hij stond 
er op om op reis te gaan en de rijk- 
dommen Gods te zien. B. R. ; dawd— 
mendawd, tegen elkander een rechts- 
vordering instellen ; mémpiirdawakan, 
opeischen in rechten. 

da\^ai, metaaldraad, — kawai; meng- 
hoenoes dawaiy draadtrekken. 

dawëtm, Arab. eeuwigheid; ald edda- 
wam, tot in eeuwigheid. 

dawdr, Arab. rond, maalstroom, duize- 
ling, windas, benaming v. d. tempel te 
Mekka. 

daiTirdt, Arab. inktkoker; ajar dawdt, 
ook alleen dawdt inkt. 

dawaty Arab. oproeping, dagvaarding. 

dêbali, van het Arab. dzaba^; méndé- 
bahy slachten; plèftdUaA, slachter. 

dëbak, klanknabootsend woord voor 
het geluid als b. v. van een slag met 
de vlakke hand op iemands schouder; 
Men. het geluid v. e. menigte val- 
lende voorwerpen, b. v. groote regen- 
droppels, vruchten en andere kleine 
voorw. ; mendUa^, dat geluid voort- 
brengen ; d^ba^-dUoeie, dat geluid met 
verscheidenheid, helderder en doffer. 

dêbap, klanknabootsend woord voor 
het geluid b. v. van een boek dat plat 
op den grond valt; ménd^bap, dat ge- 
luid voortbrengen, ploffen. 

dëbar, klopping van het hart; birdëbar, 
kloppen, popelen van het hart; pléndé- 
bar, hart, dat licht klopt; pendUaran, 
popering, kloppen van het hart, hart- 
klopping; dUar nadi, aderslag. 

dëbik, klanknabootsend woord voor een 
dof ploffend geluid, zooals van een bun- 
del papieren, die op den grond valt; 
mêndëbily dat geluid voortbrengen. 

dëboe» == lèboe, stof; blérdèboe, stuiven; 
dièboe tepoeng, meelbloem. 

dëboeb, Batav. bMboeh, gelijk in krach- 
ten, tegen elkander opwegen, van vech- 
tenden. 

dëboek, klanknabootsend woord voor 
een ploffend geluid, doffer dan dëbalp, 
b. V. de plof van een vallenden kokos- 
noot op den grond; tnéndlèboeje, ploffen. 

dëboeniEy klanknabootsend woord voor 
een bulderend geluid, zooals van zwaar 
geschut, een groote trom enz. mhtdê-^ 
boeng, dat geluid voortbrengen. 



deboel* -«• d^katu 



èi 



dêboer, plomp 1 Mën. een dof geluid, 
zooals van het bonzen op een deur, 
het vallen van kokosnoten enz.; men- 
deboer pinioe, op de deur bonzen,; hati 
hérdéboer, het hart bonst; zie debar. 

dëboes; bïrdeboeSy = b^rdëbar; ook: 
dreunen, met hevige vlagen aankomen, 
van wind en vuur. 

dêboet, klanknabootsend woord voor 
een geluid als van een veest. 

dëdah, open, openstaan, van een deur, 
onbedekt, van een gerecht. 

dëdai, berdMai-dedai, golven, stroomen, 
van eene groote menigte menschen. 
Het is een variant op dèrai en komt 
in beteekenis overeen met doejoen. 

dêdak, zemelen; dëda}; loenaj^y fijne ze- 
melen ; makan dMalp^ arm, behoeftig zijn. 

dëdaloe, zie benaloe. 

dëdap, I, e. s. v. snelgroeienden boom, 
die als schaduwboom in de koffietui- 
nen wordt geplant. Op Java dadap. 
Soorten zijn: d. wangi, d. minjale en 

d. tjoetjoejp; koelit dMap, de bast, 
wordt als geneesmiddel gebruikt. II. 

e. 8. V. schild. Zie dadap. 

dëdar, gloeierig, ziekelijk warm van 
het lichaam. 

dëdas; mendedas, een knetterend ge- 
luid maken, zooals klein geweervuur; 
aanhoudend manen; pendlédas, aanhou- 
dende maner; pièndedasan^ aanhoudende 
maning. Zie ook das. 

dëdau; mlêndMau, huilende schreeuwen. 

dëdêfi^an, Batav. moer, droesem. 

dedes; méndedes^ vleesch in dunne schij- 
ven snijden; civet, Jav. 

dëdoens» zie dadoeng. 

dëdoerenan, Jav. e. s. v. plant met 
vruchtjes, die op de doerian gelijken. 

dëdoro, e. s v. boom met eetbare 
vruchten. 

dësatn, klanknabootsend woord voor 
een donderend geluid; mêndegam, dat 
geluid voortbrengen. 

dësap, I. schielijk op- en neergaan, 
zooals b. V. de borst en de aderen in 
de strotgroeve. II. klanknabootsend 
- woord voor een klappend geluid, zoo- 
als b. V. van planken op elk. geslagen. 

dëffav» klanknabootsend woord voor een 
daverend geluid, zooals van een donder- 
slag, kanonschot, een deur die met ge- 
weld wordt dichtgeslagen; miènd^gar, 
daveren. 

dëgfllj hardnekkig, koppig, weerspannig, 



op een roep of uitnoodiging moedwillig 
zwijgen. Zie daga. 

dëgoexn, ■= d^gam, maar zwaarder en 
doflPer; dëgoem-degam, dat geluid met 
verscheidenheid. 

dëfifoep, = d'ëgap II, maar doffer ; d^gap' 
degoep, dat geluid met verscheidenheid. 

dëhaga, dorst ; berdekaga, dorsten, dorst 
hebben ; méndehaga angin^ schraal, tegen, 
van den wind. Zie het volg. woord. 

dëhagi; mendehagi, de bevelen van zijn 
meerderen tegenwerken, vdW. Zie men- 
dëhagtty bij dlèhaga en daga. 

dëbam, h'ml mendehamy h'm roepen, 
kuchen als wenk of teeken. 

dëhoeloe, eerst, eerder, vroeger, eer- 
tijds, voorop, vooraf, vooreerst, voor, 
vooruit, de vorige; dëhoeloe kala, vroe- 
ger tijd ; djangan dëhoeloe ^ nog niet, 
vooreerst niet, zoo gauw niet; mëndë- 
hoeloeï, iem. vóórkomen; berdëhoeloe- 
dekoeloetoafiy onder elkander de eerste 
trachten te zijn, met elk. wedijveren; 
mendehoeloekan, doen voorafgaan ; kade- 
hoeloewan, voor geraakt, door al te 
groote voortvarendheid. 

dëkab; mhidekah, schateren, bij het 
lachen een galmend geluid laten hooren. 

dëkani, nederhurken van een roofdier, 
voor het een sprong doet. 

dëkan, de bamboerat. Mal. 

dëkap; méndëkap, de armen om iets 
heen slaan, omarmen; bh'dëkap tangatif 
met de armen over elkaar geslagen; 
sapëndUap^ zooveel als men met de 
beide armen omvatten kan; sadëkap 
bërsikoe toenggaly met een over de borst 
geslagen en een van af de elleboog 
opgeheven arm, eene houding bij het 
gebed der boetedoeners b. v. maka 
p.ndji Wira Soe^ma pon mëmoedja 
sadëkap bërsikoe ioenggal m^nghadap 
matahari ktdoep, Bambang Djaja-mlèrta 
dan Bjaran Adi FaUra mëmasang 
doepa; Pr. Dj. dékapan^ omarming; 
sidlèkap of sidakëp, Jav. id. Zie ook 
pèloeie. 

dekart wMdekar^ schermen; ptndekar^ 
voorvechter, schermmeester, meester op 
de wapens. 

dëkat, dichtbij, nabij; bërdëkaty z. dicht 
bij elk. houden ; bïrdëkat-dïkat d^ngan, 
z. al dicht houdende bij; dlèkaf- dan. 
djaoeh, van dichtbij en veraf, heinde 
en ver; ménd'èkaikant nabij brengen, 
in de nabijheid brengen ; mèndékati, 

6 



82 



dekoenir -— dëndani. 



naderen tot, dichtbij iets of iem. gaan ; 
m. djalan, den weg bekorten. 

dëkoeiifi:» klanknabootsend woord voor 
een geluid als Tan een gong enz. mën- 
dékoeng, dat geluid voortbrengen. 

dëkoes; mendèkoes, blazen, van een kat 
of tijger. Zie dakoes. 

dëkoet; mendékoety koeren, kirren, kik- 
ken ; ook vogels, zooals hennen, duiven, 
koikens, door middel van zulk een ge- 
luid lokken; boemboen dëkoet, hut voor 
de jacht op vogels; berdekoet , een kik 
geven, kikken, b. v. samoewanja dijam^ 
tiada b^rdekoet. Ibr. b. Ch. allen zwe- 
gen en kikten niet; laksana ajam tida^ 
ménd'ëkoeti als eene kip, die geen kik 
gaf; poenai dekoet, de kir- of koerduif, 
e. s. T. wilde duif. Zie ook [tekoekoer en 
pérkoetoet, 

dëkok; b^rdèko^, grommen, knorren van 
een varken. 

dëlali» naam v. e. eetbaren zoutwater- 
visch. 

dêlamak, een gestikt kleedje over een 
toedoeng-sadji. 

dëlap, I. vuur en rook, uit een geweer 
of kanon. II. onbeschaamd, schaam- 
teloos. 

dëlapan, s= doelapan, zie ald. 

dëlinssazn, zie sadalinggam, 

dëloewans, Jav. papier bereid uit 
boombast; ook: boombast bereid voor 
kleedingstnkken. Pr. Dj. = djUoewang, 

dëmali; méndïmah, drukken met warme 
geneesmiddelen, van zieke lichaams- 
deelen. 

dêmam» koorts; d. kapijaloe, heete 
koorts, typheuse koorts; d. oerat, bin- 
nenkoorts; d, koera, intermitteerende 
koorts; d, gigil, koude koorts. 

dëmans, titel van een districtshoofd; 
kadémangan, district. 

dëmap» gulzig, gulzigheid; plêndëmap, 
schrokker. M. ; mënd^map, schrokken, 
gulzig zijn. 

dëmëk, Batav. vochtig, klam, niet goed 
droog, b. V. van linnengoed of papier. 

dëtnën, Jav. lusten, van honden, be- 
minnen. 

dênxi» Voorz. bij, in eeden, b. v. dërni 
Allah, bij God enz. demi titah jang- 
diplèrtoewan, op bevel van den Vorst, 
d. 1. in naam des Konings, I. P. sa*- 
orang demi ta*orang, de een na den 
ander; demi sa* orang pada sa* orang, 
man voor man; T. ed D. dimi sahoe- 



tcah kapada saboetoah, stuk vöor stuk. 
Ook in gebruik als Bijw. v. tijd: met, 
bij, zoodra, b. v. demi dilihatnja itoe, 
met dat hij dit zag. 

dëmikian, samengest. uit demi en kian, 
zoodanig, dusdanig, zoo, alzoo; demi- 
kian péri, op deze wijze; dtmikian itoe, 
ook: dat nu zoo zijnde; dalam i^dl 
jang dêmikiau, onder dusdanige om- 
standigheden; dëmikian djoega, op de- 
zelfde wijze, aldus voortgaande; «oö?^- 
mikian, geheel aldus; dëmikianlah 
adanja, zoo is het er mee gelegen, zoo 
staat het er mee; djikalau dëmikian, 
in dat geval nu, als het zóö is. 

dëmit, ik, in de taal der toovenaars, 
V. d. W. dièmit, Jav. e. s. v. geest. 

dëxnoek, stomp, vuistslag; méndlèmoe^' 
dèmoe^, stompen, vuistslagen geven. 

dëmoekoet, gebroken rijstkorrels, C. 
Zie lêmoekoet, 

dëmoen ; démoen ese^, e. s. v. tering, 
waarbij de huid droog en schubbig 
wordt. 

dëxnpak, laag, kort, stomp, b. T. van 
een dak, hoed, vaartuig enz. 

dêmpans:, hol klinkend, zooals b. v. 
een ledige zaal. 

dempet, dicht op elkander, b. v. van 
zitten, op elkander gedrongen. Ook 
dimpit; zie kimpit. 

dëmpir, schelklinkend, geraasmakend, 
zooals b. V. van koperen bekkens. 

dëmpoek, e. s. v. vrucht, veel gelijkende 
op de manggistan, doch geel van schil 
en met kleine, zoete pitten» 

dëixipoel, stopverf, werk om naden van 
vaartuigen enz. dicht te maken. 

dexnpok, vlak naast elk., tegen elk. 
aan, elk. rakend, van levende en leven- 
looze voorwerpen, b. v. vaartuigen; 
mêndempoJjpkan, aanklampen, enteren, 
V. e. vaartuig. Zie dampa^e en dampil, 

dënai, weg, dien de groote dieren ge- 
woon zijn te nemen. 

dëna^, kort op de pooten bij een gewoon 
bovenlijf, dwergachtig. 

dënda, Skr. boete, als straf, geldboete, 
dinda mati, doodstraf; dénda sapènoek- 
nja, de volle boete. Oend. mèndiènda, 
beboeten, in de boete slaan ; khta dénda, 
beboet worden. 

dëndam, inwendig verlangen, ook in 
kwaden zin, wrok ; rindoe-déndam, sterk 
verlangen; déndam birahi, met ver- 
liefdheid naar iemand verlangen; mén* 



dendanfie ^^ d^offkoel* 



cténdam, wrok koesteren. Ook mênarok 
dêndam, 

dendane, zingen; Mën. id. samèil her- 
dendang^ bidoe^ hilir, Sprw. terwijl men 
de visch kookt smelt de boter; mémbeli 
déngan dendang^ op eene gemakkelijke 
wijze verdienen; herdjoewal dendang^ 
zijn brood met zingen verdienen zooals 
comedianteo, zangers enz. Zie dondang. 

dëndans, I. e. s. v. vogel, maar welke, 
daarover zijn de geleerden bet nog niet 
eens, b. v. e. s. v. roofvogel, wouw of 
gier, M. e. s. v. wilde eend of duiker, 
v.d.W. een raaf, de HoH. viscbvalk en 
zee-arend; volg. and. e s. v. wilde eend, 
ook e. s. V. vaartuig, ongeveer als de 
pendjadjap^ om de gelijkenis met een 
eend. II. de spaansche vlieg, ook dlèn- 
dangan. III. mentimoen dondang en fè- 
déndang e. s. v. roode, oneetbare kom- 
kommers. 

dendenfi:» lappen in de zon gedroogd 
vleesch. 

dëndoe, twijfelen, onzeker zijn. C. 

dënsak, scheef, van zitten ; mendengah, 
bij het zitten eene schee ve houding 
aannemen; djangan engkau doedoeJp 
imndenga^, je moet niet scheef zitten. 

dënsan, I. Voorz. met; moet soms 
met een ander Voorz. vertaald worden, 
b. V. dèngan tiada, zonder; déngan pê- 
rentah^ op last; déngan séndirinja, bij 
zichzelven; dtngan sa'urang dirinja, 
in zijn eentje, alleen ; déngan sangkanja, 
naar zijne meening; déngan sasoeng- 
goehnja, in waarheid, in ernst; déngan 
takoenja. met zijn medeweten of voor- 
kennis; déngan gagahnja^ met geweld; 
déngan doekanja^ in droefheid; déngan 
toeioanja, in zijn ouderdom, zoo oud 
als hij was; déngan sapérünja, naar 
behooren, behoorlijk, zooals het behoort ; 
déngan mémbawa soerat, een brief mede- 
brengende; déngan sahari djoetoa, in 
één dag; bértjérai déngan^ scheiden 
van; bértémoe déngan y ontmoeten, iem.; 
bérchabar déngan^ nieuws meêdeelen 
aan ; mati déngan pénjakit, sterven aan 
een kwaal; déngan béhasa mëlajoe, in 
het Maleisch; bérdiri déngan kakinja^ 
op zijne beenen staan; déngan harga 
jang patoet, voor een behoorlijken prijs ; 
pêrgi déngan pékérdjaan, gaan in dienst, 
d. 1. op Iaat van; pérang int déngan 
i^oewai orang doewa itoe^ deze strijd 
hangt af vaa de kracht dezer beide 



personen; déngan karéna Allah, ter 
wille van God, om Godswil, om niet; 
déngan salangkap^ geheel kompleet; 
sérta déngan en bésérta déngan, met 
en benevens; bérsama-saina déngan, te- 
zamen met, gezamenlijk met; baginda 
déngan ségala péngiringnja, de Vorst 
en zijne volgelingen ; bésar déngan ting- 
ginja, dik en groot of hoog; déngan 
ta^dir Allah, naar het raadsbesluit, of 
door de beschikking Gods; déngan i^é- 
darnja, naar zijn (of hun) vermogen; 
déngan Ipodrat Allah, door Gods al- 
macht; déngan alpanja, door onacht- 
zaamheid. Vooral ook voor bepalingen 
van wijze wordt dit woord gebruikt, 
b. V. déngan pérlahan, langzaam; dé- 
ngan démikian, op die wijze; bagüoe 
déngan bagitoe, zus en zoo doende; 
déngan ^al jang démikian, onder dus- 
danige omstandigheden; déngan tiada 
térkira-kira, onberekenbaar; déngan la- 
parnja, hongerig; déngan hidoepnja, le- 
vend; déngan lelahnja, vermoeid enz. 
enz. II. medgezel, dienaar. Mën slaaf; 
pékan déngan, slavenmarkt, ook: ik, 
wij ; pénghoeloe déngan, het hoofd der 
dienaren; méndengankan, iemand toe- 
spreken met déngan van zichzelven. 
Mal. Sam. dénganan, greep van een 
kris, sabel enz.; ook : verzeld van B. P. 

dëngar, hooren; ménéngar en rnéndé- 
ngar, iets hooren ; méndéngarkan en dé- 
ngarkan, hooren naar, luisteren; mém- 
pérdéngarkan, iets laten hooren aan; 
térdéngar, toevallig hooren ; kadéngaran, 
gehoord worden; déngar-déngaran, luis- 
terachtig, telkens hooren naar, ook: ge- 
hoorzaam, gewillig, en het oor leenen, 
zich verbeelden iets te hooren; péndé- 
ngar, gehoor; péndéngaran, wat men 
hoort, het gehoorde, 

dënsik, = déngoli, maar helderder. 

denskanSf zie dengkol. 

dengikel, dun of mager van vleesch, 
van vruchten; schraal, mager, van kin- 
deren, V, d. W. 

dënffkene:, zie ijéngkeng, 

dënski, nijdig, wangunstig, nijd, haat, 
wrok; péndéngki, nijdigaard; kadéng* 
kian, nijd, afgunst, wrok. 

dënffkëli, balk of zware plank langs 
den binnenrand van het hellend dak op 
vaartuigen ; hoofd van een kuin of luik. 

dëüffkoel, I. Jav. knie. II. kot, hok, 
zooals b. V. een duivenhok. 



84 



dëngkóèr — der&s* 



dênfikoer; méiidêngkoert Mrdengkoery 
snorken, ronken; d. koetjing, spinnen 
van een kat. 

denskol, krom, van spreken, = teloer; 
krom naar beneden gebogen, van ho- 
rens, ziekelijk verkromd, van ledema- 
ten. V. d. W. dengkang-dengkoly een arm 
en been of armen en beenen gekromd 
hebbeu, v. d. W. 

dënskol, misvormd, kort en krom, ge- 
bocheld; zie doengkoel. 

dënskonii:, dof geluid, zooals het grof 
geblaf van een grooten hond, het dof 
gekwaak van een grooten kikker; men- 
dhigkong, dat geluid voortbrengen. 

dënfi:oe, I. onaangenaam van lucht, van 
een massa menschen, sommige insecten 
enz. II. den adem lang inhouden; zie 
rawoe. III. onnoozel, dwaas, stompzin- 
nig; zie doengoe. 

dëngoens ; herdéngoeng, dreunen, loeien, 
weergalmen, echo, gonzen, snorren, 
brommen, b. v. van den storm, een 

. vlieg, tor, kogel, de touwen bij storm, 
door den neus brommen, en vandaar 
dtngoeng ook: neusklank. Bost. 'Ikat. 

dêneoes ; mendéngoes, snuiven, de lucht 
schielijk door den neus uitstooten, snik- 
ken; van varkens: knorren. 

dëntsok, klanknabootsend woord voor 
het geluid zooals van een stomp of 
trap tegen het lijf; d^ngojp-d^ngijp^ het- 
zelfde met verscheidenheid. 

dëxyoet, kloppende beweging, zooals 
van een polsader, spier enz. berdenjoet, 
kloppen in dien zin; oerat herdlnjoei^ 
slagader. 

dëntaxn, een zwaar, ploffend geluid 
zooals van een boom, die op den grond 
valt. 

dëntoëm; hérd^ntoam ^ bulderen van 
geschut. Mal. 

dëntjinis* een klinkend geluid, zooals 
van klein geld, dat op een steen valt. 

dëpa, vadem, gewoonlijk zes voet d. i. 
de afstand van de vingertoppen bij uit- 
gestrekte armen, — 4 hasta; mlêndêjaa, 
vademen, bij vadems meten; bhrolih 
sahasia, Kéndajp sadëpa, krijgt hij een 
vinger, dan wil hij de geheele hand. 
Sprw. 

dëpan; didUpan^ verk. van dihapadan, 
Zie kadap. 

dëpana:; inèndtpaug^ kruisigen, een 
toegang met uitgestrekte armen af- 
sluiten. 



dëpisi, Ned. divisie* 

dëpoen; pïndepoen, boordsel aan de 
binnenzijde van een kleed. 

dëra; mendera^ tuchtigen, kastijden, 
geeselen. Mën met kracht, met vaart. 

dêpag:am, Batav. donkerbruin, kastanje- 
bruin, van een paard. 

dêrah, Arab. wering v. h. kwaad, ver- 
hindering; aanval, overvalling, zïq pen- 
der ah. 

dërai, I. groote menigte, stroom, van 
vallende of zich voortbewegende voor- 
werpen; berderai'derai, bij stroomen 
vallen of zich voortbewegen, van den 
regen, een menigte menschen, vaandels, 
zonneschermen, bladeren, tranen, big- 
gelen V. tranen enz. II. kletterend ge- 
luid, zooals V. d. regen tegen de glazen, 
van erwten, vallende op een planken 
vloer enz. m^ndïrai, kletteren, v. d.W, 
Zie dedai. 

dêrak, klanknabootsend woord voor een 
krakend geluid, zooals van hout en 
bamboe, dat gespleten wordt ; méndh'a^, 
dat geluid voortbrengen. 

dëraxxi, I. klanknabootsend woord; men- 
déram, brommen, grommen, zooals een 
hond of tijger. II. deram-d^ram, e. s. v. 
koekjes. 

dërana, Skr. geduldig. 

dërans» klanknabootsend woord voor 
een geluid als van metalen bekkens of 
een stuk geld dat op een steen valt; 
ménderangy dat geluid voortbrengen, 
klinken. Mën. dérang-dérangy lijnen met 
klinkende en rinkelende voorwerpen, 
over de rijstvelden gespannen om de 
vogels te verjagen. 

dêrap, klanknabootsend woord voor een 
knappend of krakend geluid, zooals van 
een roeii;iem in den dol, de vingerleden, 
die men uitrekt, tabak, die gekorven 
wordt enz. mlndh'ap^ dat geluid voort- 
brengen; bèrd^rap, knetteren van ge- 
weerschoten. 

dëras, I. snel, ras, gezwind, sterk, van 
alle beweging, zooals van gang, opvol- 
ging, stroom, regen, ook zwaar van 
den dauw, b. v. kar<èna emboen féngah 
deras toeroen, Mes. kag. 388 r. 12. 
wind, woorden, lezen, leeren enz. «»^«- 
dièras, snel enz handelen; p'êndëras, 
wie of wat snel doet zijn, pisdrijvend 
middel, toovermiddel, waardoor de sla- 
gen of stooten, die men doet, snel en 
sterk worden; toovermiddel waardoor 



d^rau — dëstdr. 



85 



men gezwind wordt in 't loopen, of 
om een kind voorspoedig te doen 
groeien; penderasan, stroomversnelling 
in eene rivier. II. klanknabootsend 
woord voor een ritselend geluid zie ras. 

dêrau, klanknabootsend woord voor een 
ruischeud geluid zooals van naderenden 
regen, een uitgeworpen net enz, men- 
derau, ruischen. 

dëraura, Skr. stroop. 

der dj a, zie doerdja. 

derek, = deret^ zie ald. 

dërel, pelotonsvuur; wï«f^^;*(?/, fusilee- 
ren. Verb. Ned. ook: een salvo geven, 
uit klein geweer. Hik. Abd. 384. 

dërëmoeng, e. s. v. boom met slecht 
hout en kleine, groene, zoetachtig 
wrange vruchten. 

dërêp, Jav. padi-snijden, ook: dichtbij, 
tezamen e o = keréf). 

deret, rij, gelid; b^rderet-deret, in rijen. 
Zie djadjar, 

deri, zie dari. 

dërik, hetzelfde als derah^ maar hel- 
derder. 

dor ing, = derang, doch helderder, schel- 
ler, rinkinken en elk ander scherp ge- 
luid, b. V. het gekras van een parkiet, 
het gesjirk van een krekel, het geluid 
van geldstukken, borden, een bel enz. 
péndering, e. s. v. krekel. 

dëringoe, Jav. de kalmuswortel. Zie 
djtringau. 

dërita, Skr. mendlèritay uitstaan, uit- 
houden, verdragen; tiada terderita, niet 
uit te houden of uit te staan, onver- 
dragelijk. 

dërrxia, Skr. aalmoes, liefdegave, gunst- 
bewijs; dlèrma-karoeniay ontferming en 
medelijden = belas kasihan ; balai derma, 
liefdadigheidsgesticht; mendermakan, tot 
aalmoezen maken, uitgeven; dérmawan. 
milddadig. 

dêrmasa, Batav. kaaimuur, zeehoofd. 

dërman, Kw. gelukkig, voorspoedig. 

dërma-wdn, Skr. zie d'êrma. 

dêrmen, geleding v. e. rijststengel, tot 
een mondtrompetje gemaakt. 

dërnl ; d^rni pintoe, dorpel, drempel van 
een deur. Swet. en C. 

dëroe, I. mendêroe, loeien, gonzen, van 
vuur, golven, eene menigte menschen, 
den storm enz. II. mendéroe, verdra- 
gen, verduren van een onaangename 
reuk. III. d^roe-d'éroe = daroe-daroe. 

dëroek, hetzelfde als dera^, maar doffer. 



dëroezn, I. klanknabootsend woord; 
mtnderoem, bulderen, dof kraken, zoo- 
als geschut, vallende hoornen enz. II. 
menderoem, knielen van groote dieren, 
zooals een oliefant, kameel enz. Sadj. 
Mal. Marsd. enz. 

dëroes, klanknabootsend woord voor 
een geluid, doffer dan deroi. 

dëroet; berderoei, een dof schrapend 
geluid maken, gonzen, suizen. Mën. 
rommelen v. d. donder, knarsen, van 
zware grendels enz. 

dërons, e. s. v. mand, die op den rug 
wordt gedragen, zie ambong. 

derwisj, Perz. bedelmonnik, derwisch. 

de»a, Skr. streek, het land, in tegen- 
overstelling van de stad, het platte 
land, landstreek, grondgebied; mènan- 
dang desa, het platte land afloopen; 
penandang desa, landlooper; mêndesa, 
bereizen van landen, b. v. mènoempang 
kapal mendesa lügari, hij voer mee 
met een schip en ging landen bereizen. 
B. S. Jav. dorp = doesoen. 

dësah, een geluid zooals van eene mat, 
die voortgetrokken wordt, of van den 
regen in de boomen; mendësah, dat 
geluid voortbrengen. 

dës>ak, I. b^.rd^saje, dringen, verdringen ; 
berdesajc-bériindih, verdringen en ver- 
drukken, van eene menigte toeschou- 
wers. Hik. Boedj. II. een krakend ge- 
luid, zooals van fijn papier, dat in 
elkander gefrommeld wordt. 

dësar; berdesar, kraken, van deuren, 
vensters, luiken enz. ook: een sissend 
geluid maken, zooals water op heet 
ijzer of eene mat die voortgetrokken 
wordt. 

dësau, een vlijmend geluid, zooals van 
een mes, dat ergens in snijdt; een sis- 
send geluid, zooals water op gloeiend 
ijzer; berdlèsaUf vlijmen, van een mes. 
Ibr. b. Chas. 

dësing; berdising, tuiten, suizen van 
de ooren, fluiten van den wind. 

dësir, een sissend gelaid, fijner dan 
desar, b. v. van een uitgaand nacht- 
pitje, of van bakken, braden, schroeien 
en ook ritselen van bladen. 

dësoek, = dlésak, maar doffer. 

dësoer, een sissend geluid, doffer dan 
dësar, zooals b. v. van regen op de 
boomen of van een aukertouw, dat 
door de kluis schiet. 

dëstëlr, Perz. hoofddoek, die in een of 



86 



dêtak — • düdnat. 



meer wrongen om het hoofd geslingerd 
wordt; d, pandjang, een lange hoofd- 
doek, die bij feestelijke gelegenheden 
wordt gedragen; d. berenda doewa, 
dubbel geplooide hoofddoek; d. ber- 
anting-anting, of d, b^rapi-api^ hoofd- 
doek met gouden loovertjes; d. pMangi^ 
rood, zwart en blauw gestreepte hoofd- 
doek. Pad. bovenl. 

dëtak; bièrdëta^p, kloppen van het hart, 
Pad. bovenl. =s debar, Mén. het geluid 
V. krakende meubels. 

dëtas, klanknabootsend woord voor het 
geluid van papier en bladeren, die 
doorgeknipt worden. 

dëtjingf, klanknabootsend woord voor 
het geluid van klein geld, dat geteld 
wordt; bërdeijing, dat geluid geven. 

dëtjlt; mlèndUjüy piepen, zooals jonge 
vogels, muizen en dergel. 

dëtjoer, klanknabootsend woord voor 
een geluid als van een vallende water- 
straal; mëndetjoery dat geluid voort- 
brengen. 

dëtoeis, klanknabootsend woord voor 
het geluid van een salvo uit klein ge- 
weer; knal, knap. 

dewa, Skr. een hindoe-godheid. Komt 
ook voor in eigennamen van vorsten; 
dewa këmbar, tweelinggod, Kastor en 
Pollux? Pr. Dj. dewa-detva, rechters, 
rechterlijke ambtenaren, M.; dewa-dewa 
awan, luchtgeesten ; dewa pëlangi, e. s. v. 
bloem. 

dewadaroe, Skr. godenboom, e. s. v. 
denneboom. Zie daroe. 

de\trala, Perz. muur, wal, van een stad 
of vesting. 

dewansga, Skr. prachtig geweven 
stof, riaam van den uitvinder der weef- 
kuQst. 

dewasa, Skr. tijdstip; tijd. 

dewata, I. mrv. van dewa^ goden ; dewata 
moelia raja, de groote en heerlijke 
goden; boeroeng detoaia^ de paradijs- 
vogel. II. berg, gebergte. 

dewi» Skr. godin, godes. Komt voor in 
eigennamen; pddoeka maha detoi, titel 
van een der vorstelijke echtgenooten, 
de tweede vrouw? 

di, 1. Voorvoegsel tot vorming van het 
])a88ief der Werkwoorden, b. v. dipoe- 
koelf geslagen worden, ditikanit gesto- 
ken worden. II. Voorz. in, te, op, aan 
enz. Samenstellingen zijn: di-atas, op, 
bovenop; dibawah, onder, beneden; di- 



dalam, in, binnen in; diloewarf\imi^xi'y 
dihadapan en dimoeka, voor, aan den 
voorkant; dibëlakang, achter; dibalijjpf 
aan den achterkant; düiniy hier, al- 
hier ; disiioe, daar, aldaar ; disana^ daar, 
aldaar, doch verder dan disitoe; hingga 
di en sampai di, tot aaa. III. een ver- 
korting van adi, vooral in eigennamen. 
Zie adi, 

dia, Voorn w. 3e pers. enk. zie dija, 

diam, zie dijam, 

dian, zie dijan. 

dibddj, Perz. Arab. gebloemd zijden 
stof, brocade; goud- of zilverlaken; 
voorrede van een boek. 

dibs, Arab. dadelhonig. 

didaly Batav. vingerhoed, zie bidal. 

didili; bërdidih^ kokend, ziedend, van 
vloeistoffen. Men. schuimend; méndidih- 
kan, doen koken, aan den kook brengen. 

didik, kweekeling, dat wat opgekweekt 
wordt, hetzij dier of mensch; ook als 
liefkozingswoord ; mëndidijp, opkweeken, 
opvoeden. 

didis, snede; mëndidis, met een zachten 
druk snijden, b. v. koekjes, vruchten 
enz. Pad. bovenl. volg. v.d.T. in dunne 
schijven snijden. 

di<^Iat, Arab. de Tigris. 

didone, muziek met zang en dans, N. 
Sam. 

dya. Pers. Vrnw. 3e pers. in den 4n 
nmv. ook bezittel. gebruikt. Zie tja, 
bërdija, van iem. met dija spreken; 
mendij akan, iem. met dija aanduiden, 
voor zichzelven nemen, van een ander 
gesproken. 

dtjaiii, zwijgen, stil zijn, wonen, ver- 
blijfhouden; berdijam diri, zich stil 
houden, zwijgen, stilzitten, ledig zitten; 
péndijam, zwijger, ook e. s. v. groen 
edelgesteente; slèndijanty e. s. v. visch, 
zoogenoemd wegens zijn stil liggen; 
dijam-dijanty stilletjes ; nièndijamka», 
doen zwijgen, in stilte iets verdragen, 
laten begaan; mèmpërdtamkan, het zwiy 
gen opleggen, tot zwijgen brengen ; wg»- 
dijamiy iem. bezwijgen, niet tegen hem 
willen spreken; mkngadijamiy bewonen; 
kadijaman, verblijfplaats; p^ndijamany 
rusttijd na d. oogst. 

düan, kaars, vuurpijl; kaki dijan, kan- 
delaar, ook bijnaam van den djohif' 
vogel. Zie ook roekoe. 

dydnat, Arab. belijdenis van een geloof, 
godsdienstbetrachting. 



dijane — diri. 



87 



dyanflr; biérdijang^ zich bij vuur war- 
men; mêndijang, bij vuur iets warmen. 

dijat, Arab. bloedprijs, bloedgeld, boete 
voor manslag; mendij atkan^ een bega- 
nen moord met geld of iets anders ver- 
zoenen. 

dtjoet, strik om visschen te vangen. 

dik, I. verk. van adih^ zie ald. II. Arab. 
■s sèni, ook: de tering, teringkoorts. 

dikar, zie dekar. 

dikara, zie adikara. 

dikau. Pers. Voornw. 2e pers. in den 
4n nmv. Zie ^ngkau. 

dikir, zie dzikir ; mendikir, zingend ver- 
halen, loven, prijzen ; pendikir, publieke 
zanger of zangeres. 

dikit, beetje, siertje; sMikit, een wei- 
nig; bèrapa dikit, hoeveel beetjes. Zie 
sédikit. 

dil, I. e. s. V. kolfspel, M. II. Jav. het 
geluid van ontploffend kruit Zie bMil. 

dilam, e. s. v. welriekend plantje, de 
munt. 

dixn, Ned. duim als maat; tiga dimy drie 
duim, drieduimsch. 

dimpit, zie dempet, 

diti, Arab. godsdienst. Meestal in eigen- 
namen, anders agama, zie ald. 

dina, I. Skr. arm, ellendig, gering ; orang 
hina dina^ het geringe volk, het plebs; 
ajam dina, klein gevogelte, M. II. Jav. 
dag, = kari, 

dinah, I. e. s. v. boozen geest of duivel; 
boeroeng «?., lokvogel. II. proef, ont- 
werp, schets, i)lan. 

dinar, Arab. e. s. v. gouden munt ter 
waarde van + zes Gulden. 

dindang, zie dendang. 

dindine, wand, beschot, schut, borst- 
wering, boord V. e. schip, opstaande 
zijstukken v. e. kar of wagen, rand v. 
e. bosch; mHdinding, door een schut 
afscheiden, wanden mak^n aan eene 
woning, als schut ergens voor zetten; 
ook: eene breede oppervlakte vertoo- 
nen, b, v. van de maan als zij dicht 
bij den horizon staat; tusschen beiden 
komen als een schot of wand; ierdin- 
ding, dwars voor iets liggen of staan; 
mêndindingi daripada paloe, beschutten 
▼oor de slagen, door er zelf voor te 
gaan staan. Tam. ed D. plèndindingan, 
«fschuttiDg j plèndinding, beschutter of 
beschutsel. Mal. Sam. 

dini; dini hari, tijd even voor den dage- 
raad, het krieken van den dag 's morgens 



half vijf; dini kari gadjah, dageraad 
der olifanten, vier uur 's morgens. 

dingrin, koud, koude; sedingin, e. s. v, 
plant, die als verkoelend geneesmiddel 
gebruikt wordt; méndinginkan, doen af- 
koelen of bekoelen, koud laten worden ; 
kadinginaUy verkouden, kou gevat, ver- 
kleumd. 

dinskii, bedriegelijk van een vrucht, die 
van buiten rijp schijnt, maar het niet 
is. Zie ook dengkel, 

dinskis, e. s. v. eetbaren zeevisch met 
groote kuit en giftige stekels, iets ge- 
lijkende op haring. 

dingklik, Jav. voetenbankje. 

dinihari, het krieken van den dag, de 
tijd na middernacht tot aan het krie- 
ken van den dag. 

dipati, =s adipatif titel v. e. inl. hoofd 
op Java. 

di radja, verk. van tffl?t>a^*« ; maharadja 
diradja, opperkoning. Zie radja. 

dirgahajoe, Skr. een lang leven, als 
zegenwensch voor den Vorst = daulat, 
Arab. 

dirs:aJoe, zie dirgahajoe, 

dirham, Arab. e. s. v. klein zilveren 
muntstuk, drachme; ook voor geld in 
het algemeen. 

diri, zelf, eigen, gij, je; dirikoe, ik zelf, 
mijzelven, dirimoe, gijzelf, u zelven, 
dirinja, hijzelf, hemzelven; uit beleefd- 
heid ook met andere woorden zooals 
toewan, patik, i^haja, enz. verbonden; 
diri boewat apa, wat voer je uit?;/^»^ 
tmpoenja diri, de persoon zelf; sa' orang 
dirikoe, ik alleen; sa* orang dirimoe, gij 
alleen; sa' orang dirinja, hij alleen enz. 
minta diri, afscheid nemen, letterl. om 
zichzelven verzoeken; s^ndiri, zelf, zon- 
der hulp van een ander; slèndirinja, 
vanzelf, uit zichzelven, b. v. b^rg^rajp 
sendirinja, vanzelf bewegen; ook: op 
eigen houtje, b. v. berlaki sendirinja, 
tiada dengan pïrentah orang toewa, op 
eigen houtje trouwen, zonder bemoeienis 
der ouders; sama sendirinja, onder elk- 
ander; bïrdiri, staan; berdiri loetoet, 
op de knieën staan, geknield met 
rechte houding; berdiri sikoe-ioenggaX ? 
Mes, Kag. Urdiri, staande, toevallig 
komen te staan, op zijne voeten te- 
rechtkomen; sapindiri, een manslengte, 
de hoogte van iemand die rechtop 
staat; méndirikan en niémp^rdirikan, 
oprichten. 



88 



diris ^— • ^aga« 



diris; tnëfidiris^ besproeien, natmaken. 
Ook diroes. 

diroes, zie diris, Mën. diroes; nién- 
diroes, begieten; hoedjan m. zware re- 
gen ; berdiroes orang datang, men kwam 
in groot aantal aanloopen. 

diwdn, Perz. vorstelijk hof, raadsver- 
gadering, tribunaal. 

di^vdni, tot den dtwdn, behoorend. 

dl^svar, Perz. zie dewala, 

djab, tot een geheel vereenigd, b. v. de 
rijsjes van een bezem; ook fig. van 
één gevoelen, het eens zijn. 

djabak, zie djebaJp. 

djabang:, tapstoel voor een vuurwapen 
vdW. moet ijabang zijn. Zie tjagajf. 

djabapan, e. s. v. visch met een zon- 
derlingen bek. Pr. Dj. 

diabar, Arab. machtig, vermogend. 

diabar, Arab. herleiding der deelen 
tot een geheel; aldjabar, algebra. 

^abat, ook djawaty met de hand vat- 
ten; méndjabaty iets met de hand vat- 
ten, behandelen, uitoefenen, voeren; 
blèrdjabat tangan, elkaar de hand geven, 
zoowel op Eiiropeesche als inlandsche 
wijze; berdjabat saldm, elkander groe- 
ten, N. Moeh.; mmdjabat dajoeng, de 
riemen grijpen, aanvatten; méndjabat, 
karadjaafiy het rijksbewind voeren; 
méndjabat kaïn badjoenja, voor zijne 
kleeding zorgen; djabatan^ bediening, 
ambt; ook: ambtelijk, b. \, pèkerdjadn 
djabatatiy ambtsbezigheden; pajoeng 
djabatan, ambtszonnescherm, die aan 
den rang past; ook =s oepatjara, staat- 
sie, b. V. toemba^ djabatatiy staatsie- 
lans; membawa djabatan = membawa 
oepatjara. 

^aboenjg, e. s. v. lijm uit den afval 
van gambir vervaardigd en tot ver- 
schillende doeleinden gebruikt. 

cyabrdïi, Arab. Gabriël de aartsengel. 

cyadaixiy een zwart extract van aloë, 
dat als geneesmiddel gebruikt wordt; 
een zwart metaalmengsel voor buik- 
gordels; Mën. e. gordel, in vroeger tijd 
door de hoofden gedragen; de buik- 
plaat ervan; ook de Japansche sakki. 

4jadaxn, Arab. gesneden, afgezet, b. v. 
van de mannelijke geslachtsdeelen, een 
van de redenen voor echtscheiding. 

^adi, worden, iets zijn, geboren wor- 
den, ontstaan, tot stand komen, groeien, 
gelukken, gedijen, doorgaan, geschie- 
den; zoodat, zoo gebeurde het dat; 



djadi toewtty oud worden; ija djadi 
penghoeloe. hij is het opperhoofd; apa 
djadi lidl kila, wat zal er van ons 
worden ; ija djadi di Malaka^ hij is te 
Malaka geboren; maka djadi soeatoe 
perselisekan, en er ontstond een geschil; 
djadilahy het geschiede, het zij zoo, 
het is voldoende; mendjadi dikwerf = 
djadi; mmdjadikan, doen worden, doen 
ontstaan, scheppen; mendjadikau k^V" 
djtty werk maken, b. v. als er geen werk 
is; kadjadiatiy schepsel, wezen, het ont- 
staan; tiada bh'kadjadian, niet door- 
gaan van een koop tusschen partijen. 
Mën.; djadi-djadiaUy e. s. v. spook, 
iem. die de gedaante van een dier inz. 
van een tijger kan aannemen; lanang 
djadi-djadiariy iemand die de gedaante 
van een man slechts heeft aangenomen 
of gekregen, gewaande man, schijnbaar 
een man. Pr. Dj. tiada djadi apa-apay 
dat maakt niets uit; mendjadiy ook tie- 
ren, gedijen van planten en visschen. 

djadid, Arab. nieuw, ongebruikt. 

djadja; berdjadja, koopwaren rond ven- 
ten; mendjadjakariy iets rond venten; 
djadja-djadjaauy allerlei koopwaren die 
rondgeveut worden. Zie ook djadjah, 

'djadjah; mendjadjah, bereizen, afrei- 
zen, inz. om handel te drijven; djadja- 
haUy omstreek, environs, gewest, streek 
die afgereisd kan worden; niéndjadjahi 
hoeian rirnbay bosch en woud afreizen. 

djadjar, rij, achter elkander; berdja- 
djaran, in rijen; mendjadjar-djadjary 
met de ploeg rechte voren heen en weer 
trekken. Pad. bov.1. Zie ook djedjer. 

«SJadjat, nagemaakt, onecht. 

djadwal, Arab. fijne lijn, kolom in een 
boek; mèndjadwalkany in kolommen 
brengen. 

djaga, wakker, ontwaakt, ontwaken; 
djaga daripada tidoer, uit den slaap 
ontwaken; orang djaga, iem. die wak- 
ker is, dus waker, wacht; mendjagay 
waken, de wacht houden, bewaken; 
pendjagay waker, wachter, bewaker; 
pendjaga keboiiy bewaker van den tuin; 
djaga-djagtty wacht ; berdjaga-djagay 
voortdurend waken, de toebereidselen 
voor een groot feest maken, wat men 
't liefst bij nacht doet en, aangezien 
voor het volk dit het voornaamste van 
de geheele pret is, beteekent het in 
hun mond ook feestvieren; kadjaga- 
djagadriy slapeloosheid. 



djasal — cyald.. 



89 



djaeal, in 't klein verkoopen uit een 
winkel; dj. moeda, handel in vruchten 

, en zaken, die aan spoedig bederf onder- 
hevig zijn; dj. keras^ handel in waren, 
die lang bewaard kunnen worden; dj, 
masai^, in eet- en drinkwaren; ook die 
waren zelf; berdjagal petai hempa, 
praatjes voor de vaak houden. 

ö^asaU Skr. wereld. 

d^asoens, turksche tarwe, maïs; dj. 
lintwg^ e. s. v. oliebollen ; mendjagoeng, 
de gedaante van maïskorrels vertoonen, 
zwellen van pokken en het tandvleesch 
vóór het doorbreken der tanden. 

cyaisoer, lichamelijk buitengewoon ont- 

. wikkeld voor den leeftijd. 

djdb, Perz. waardigheid, grootheid. 

djalbiad, Arab. ontkenning, verlooche- 
ning. 

•^ahdlat, Arab. onwetendheid. 

<yahaii, de naam van den loengkang- 
visch als hij groot geworden is. Ook 
adjahan. 

djaiiaroe, deugniet. 

dj ah at, slecht, kwaad, boos, leelijk ; 
orang djahat, slecht volk of een slecht 
iemand; roepa djahat, een leelijk voor- 
komen; kati djahat, een boos gemoed; 
koeda djahat, een paard met gebreken; 
déngan djahat, kwaadschiks; rmndja- 
hatkan, in een kwaad blaadje stellen, 
voor slecht uitmaken; mendjahati, 
slecht behandelen; zie membaïki onder 
bdUc; kadjahatan, kwaad, onheil, slecht- 
heid; doa djahat en d. kadjahatan, 
vloek, verwensching. 

djahe, Jav. gember, = halija. 

djdhil, Arab. dom, onwetend. 

djdhilijat, Arab. onwetendheid; zamdn 
djahilijat, de tijden der onwetendheid, 
d. i. vóór Mohammad. 

djahim, Arab. de hel, geweldig bran- 
dend vuur. 

^ahit, naaien, het naaien; mendjahit, 
iets naaien, hetzij met de naald of met 
pennen; djahit-mendjahit, allerlei naai- 
werk verrichten; mendjahit tjara laki- 
laki, op de wijze der mannen naaiend, 
d. i. de naald recht vooruitstekende en 
den draad recht naar voren doorhalend ; 
m. semhai, op de wijze der kleermakers 
en der vrouwen, d. i. de naald naar de 
linkerzijde doorstekende en den draad 
naar rechts doorhalend, zie sembat; m. 
iindih kasih, twee naden of zoomen 
plat op elk. naaien; m, lilit oebi, twee 



naden boven aan elk. rondnaaien; m, 
sabïrang soengai, overshands naaien; 
m. berkija, rijgen met een stiksteek; 
m. djeloedjoer, rijgen met een rijgsteek; 
djahit olo^, e. s. v. open zoom ; toekang 
djahit en pendjahii, naaister, kleerma- 
ker ; djahüan eu pmdjahitan, het naai- 
sel, wat genaaid is of moet worden. 

djahiz, Arab. snel, vlug. 

djahoedi, en jahoedi, Arab. joodsch. 

djahtëra, zie sadjahiera. 

djdïr, Arab. onbillijk, gewelddadig. 

djdïz, Arab. wettig, geoorloofd, aan 
iemands verkiezing overlaten. 

djaja, Skr. overwinning, wordtin eigen- 
namen gebruikt; ook voorspoedig zijn 
in den krijg, b. v. tahoelah ija tiada 
djaja perangnja, hij wist of begreep, 
dat hij in den krijg niet voorspoedig 
zou zijn ; djaja perana, titel van krijgs- 
lieden, krachtige overwinnaars. Pr. Dj. 

dJBjangsarl, e. s. v. welriekend smeer- 
sel. Mes. Kag. 

djaka, I. wijziging van djangka^ juist 
tijdstip, ook pedjaka, b. v. pedjaka 
haroes, juist tijdstip van den stroom, 
het hartje van den stroom. II. Jav. 
jongeling, = boedjang ; ber djaka, als 
jongen dienstbaar zijn. 

djakarndt, Arab. naam van een af- 
god der nog heidensche Arabieren. 

djakarta, de naam van een oud Ja- 
vaansch rijk in de streek, waar nu 
Batavia ligt. De Nederlanders hebben 
er Jakatra van gemaakt. 

djakas, e. s. v. plant, van welks lange 
bladeren men grove matten vervaardigt. 

djakoen, I. een wilde volksstam in de 
binnenlanden van het schiereil. Malaka. 
II. strottehoofd, adamsappel. Mën. 

^aksa, Jav. titel voor een inlandse hen 
rechter. 

djala, I werpnet; dj. balang-balang, de 
grootste soort van werpnet; dj. ram- 
bang, werpnet dat daarop in grootte 
volgt, ook e. s. V. ijzeren draaibassen, 
waarmede men blikken doozen schiet, 
waaruit de kogels zich als een werpnet 
in het rond verspreiden; dj. oedang, 
werpnet om op garnalen te visschen; 
dj. oer ai of djeloerai, e. s. v. koekjes 
in den vorm van een net; -dj. koetai, 
e. 8. V. pastijtjes of koekjes gevuld met 
gehakt; djala-djala, al wat op een net 
gelijkt, net voor vruchtboomen, net- 
franje aan bedgordijnen, het netvlies enz. 



90 



djalai «-« djaloer. 



hartvlies; mindjala, met een werpnet 
visschen. II. zie dj^la II en djitah. 

4jalai, ts gralai, een sloep, galei. 

djalak, e. s. v vechthaan, zwart met 
groenen gloed, gelen bek en gele poë- 
ten; ook: strijdlustig; hamha djalale 
èenar dinégari int, ik sta hier bekend 
als de bonte hond 

4jal^l» Arab grootheid, majesteit. 

djalan, weg, pad, gang, handelwijs, mid- 
del, gelegenheid voor iets, aard ; dj. raja, 
de groote of heerweg, ook dj. besar ; dj. 
behasa, de aard der taal, ook de stijl; 
djalan boewah manggis, de aard van 
de manggis-vrucht; djalan per gi-datang, 
de weg waarlangs men passeert; djalan 
hoetang, wederdienst, waartoe men ver- 
plicht is; djalan simpangan, zijweg; 
dj* pirèmpatany kruisweg, viersprong, 
quatre-bras; mènijehari djalan, de ge- 
legenheid zoeken ; mémp^rboewaf djalan, 
als een middel gebruiken; sapandjang 
djalan, den geheelen weg langs of 
over; pada djalan Allah, tot godsdien- 
stige doeleinden, in den dienst Gods; 
b^rdjalan, loopen, gaan, op weg zijn, 
op weg gaan, vertrekken; bïrdjalan 
kapada djalanmoe, ga gij uws weegs, 
H. Gr. orang bïrdjalan ditanah, voet- 
volk, infanterie, N. Moeh.; pantas, 
bïrdjalan, vlug loopen, snel gaan; ber- 
djalan timpang, mank gaan; berdjalan 
kaki, te voet gaan; b%rdjalan kareta, 
per as gaan; b%rdjalan dehoeloe, voor- 
uitgaan, ook fig. voor : 't eerst sterven ; 
btrdjalan mana sapergi-pergi kakinja, 
gaan waar zijne voeten hem ook heen 
voeren; berdjalan-djalan, wandelen; 
berdjalan darat, over land gaan; sa'- 
djalan, van denzelfden weg; saoedara 
ta^djalan djadi, broeder of zuster van 
dezelfde moeder; méndjalankan, doen 
marcheeren, in gang brengen, ten uit- 
voer brengen; mèndjalankan oewang, 
geld uitzetten; mendjalani, begaan, be- 
reizen, beoefenen, loopen op, een wan- 
deling maken door, b. v. door tentoon- 
gestelde voorwerpen; mart, kila men- 
djalani kabtsaran I. P. didalam lantjang 
int, komaan, laat ons eene wandeling 
doen door de luisterlijke zaken van I. 
P. in dit vaartuig; orang sap^ndjalaug 
meeloopers bij een optocht of begrafe- 
nis; p^rdjalanan, gang, voortbeweging, 
reis, handel en wandel ; üga hari 
p^rdjalanan djaoeknja, drie ^ dagreizen 



ver; p'èrdjalanan dan kalakoewan, ge- 
drag en wandel. 

djalang:, verwilderd, van den troep af- 
gezworven, rondzwervend; karbau dja- 
lang, wild geworden buffel; perémpoe' 
wan djalang, straathoer. Het zal wel 
met djalan in verband staan en looperig 
beteekenen; djadi djalang, verwilderen. 

djalax*; mendjalar, kruipen van dieren 
en planten, zoowel over den grond als 
omhoog langs een stok enz. binatang 
jang mendjalar, kruipende dieren ; p^èn" 
djalaran, stok, waarbij een plant op- 
klimt, boonestaak, tuinstok, erwtenrijs; 
blèrdjalaran, rond kruipen, rondscharre- 
len van velen, b. v. een troep varkens. 
Pel. Abd. pokob tnlèndjalar, klimplant, 

djalenoes, Arab Galenus M. R. 

djdli, I. Arab. klaar, duidelijk, schitte- 
rend; fërdjali, uitstekend; het Arab. 
tadjali, verlicht door goddelijke inge- 
ving ; sUaloe tërdjali déngan Toehannja 
steeds in intiemen omgang met zijn 
Heer. II. in djali boet, barkas; het 
Eng. jolly-boat, vdT. 

djalll, Arab. groot, uitstekend. 

djalin, tegen elk. gebonden of geregen 
van lange, smalle voorwerpen, zoodat 
op die wijze een vlak gevormd wordt; 
tikar djalin, een aldus vervaardigde 
mat; méndjalin. Men. vlechten, aldus 
rijgen of binden; ramboet didjalin 
hantoe of didjalin sang kUlèmbai, hoofd- 
haaf dat sterk verward in elk. gegroeid 
is, e. 8. V. poolsche vlecht; p^ndjalin, 
bindmiddel, om op die wijze voorwerpen 
aan elk. te hechten en daarom heet 
op sommige plaatsen, o. a. op Java de 
rotan aldus; blèrdjalin-djalin dHgan, 
verwikkeld of verward in. 

djaling;, I. e. s. v. vischnet. Zie ^"m»^. 
II. zie djoelang. 

djalir, vloeien door iets heen; phtdja- 
liran, goot, waardoor het gesmolten 
metaal loopt. Zie alir, 

djdlis, Arab. zittende, gezeten. 

djalla, Arab. groot, uitstekend. 

dj aloë, Jav. hanespoor. 

djaloek, zie bij mangko^. 

djaloer, I. een schuitje of kano, nog 
kleiner dan de kolii^, vervaardigd van 
een uitgehoolden boomstam; ook een 
platte kiel van een grooter vaartuig 
uit zulk een boomstam vervaardigd. 
II. streep, zooals b. v. op de Ameri- 
kaansche vlag, reep, vorej b^rdjaloer, 



4jaui -— djaxnoe* 



91 



gestreept; boenga b^rdjaloer, gestreepte 
figuren. Zie ook ladjoer, 

^am, Perz. uurglas, klok, uur tijds; 
sadjam lamanja, eeu uur lang. 

^ama. Ar. verzameling, vereeniging; 
gemeenschap oefenen met eene vrouw. 
Zie djamah, II. 

cyamóat, Arab. bijeenkomst; gezel- 
schap. Zie idjmaa. 

cyamad, Arab. gestold; ajar djamad^ 
ijs; djamad^ ook: droog, dorstig, van 
den grond. 

djainah, I. mendjamah, betasten, aan- 
raken; ook overdrachtelijk voor vlee- 
schelijke gemeenschap hebben, b v. 
soedah ierdjamah olih, in vleeschelijke 
gemeeuschap geweest met, v. e. vrouw 
gesproken; djamah-djamahan, iem. of 
iets, dien men vrij betasten kan, b. v. 
maka diperboewat goendik djamah-dja- 
mahan, Mes. Kag. II. verb. van het 
Ar. djama, vereenigen, bijzetten v. e. 
lijk, 19. V. sekaja maii d^hoeloe^ sehaja 
minta djamah kapada radja moe da; 
kalau radja moeda maii dehoeloe^ séhaja 
h^nda^ mendjamah radja moeda. 

djaxuak, verb. van djama. Arab. ge- 
woonte, andere natuur. 

djamal; kadjamalan, een mal figuur 
maken, ook door iets dat beneden 
iemands waardigheid is, zijn handen 
aan iem. vuil maken, b. v. door met 
hem te vechten. 

^aixidU Arab. schoonheid, fraaiheid, 
sierlijkheid. 

^aniala, voorste gedeelte van den 
schedel, hoofd, van vorsten sprekende; 
batoe djamala, hersenpan; dj. genta, 
gekroond met bellen. 

cyatnansy voorhoof dplaat, ter versiering 
gedragen. 

^ambak, bos, handvol, kuif, van haar, 
vederen, bloemen enz. boenga sadjam- 
bajpy een ruiker bloemen; djambalp boe- 
loe, vederbos, panache; djamba-Tp ba- 
wang ^ het samengebonden loof van uien ; 
roesajp bawang ditimpa djambajc, de 
uien bederven doordat hun samenge- 
bonden loof daarop gedrukt heeft, d. i. 
ongelukkig worden door zijn eigen fa- 
milie of aanhangers. 

AjaKuban, bestekamer, sekreet, privaat, 
elke plaats waar men gewoonlijk zijn 
gevoeg doet; papan djamban, de bril 
van de bestekamer : dj. koer si, stilletje, 
kamergemak. 



cyambanfi; en djambangan, vaas, pot, 
bloempot, bloemvaas, en ook wat daarop 
gelijkt, bak, kuip. 

djacnbai*, I. loods, keet, houten woning, 
«= ierata^, Maxw. b. v. dan doedoe^ ija 
didjambar pandjang, sarat sadjambar 
pandjang. È. Pas. p. 56, zij zaten in 
een lange loods en die geheele loods 
was propvol. II. = hidangan, gerecht, 
opgedischte spijs; sadjambar. lieden die 
samen eten. Pad. bovenl. Ook bij M. 
doch Cl. en Sw. schrijven, djamboer. 

djaxnbat, wijz. van djabat, met de hand 
vatten, vasthouden; djambatan, brug, 
steiger, hoofd met leuning, waaraan men 
zich kan vasthouden ; dj. angkat-angkat, 
ophaalbrug. Zie ook titi. 

djambëlan, e. s. v. eetbare vrucht, ook 
djoewei geheeten. Zie ald. 

djambi, de pinangpalm, d. 1. Cr. ook de 
naam eener rivier en van een Maleisch 
rijk op O. Sumatra. 

djanabüab, Perz. djanbijahf kromme, 
breede dolk. 

diambijak, tweesnijdend; samentr. van 
tadjam en bijaTp? Zie het vorige wrd, 

djamboe, Skr. e. s. v. smakelijke vrucht, 
waarvan vele soorten, dj. ajar^ dj. erang^ 
groot en rood, dj. ajar mawaf\ de roze- 
appel; dj. blèriih, klein en fraai rood; 
dj. s'émpal of dj. monjet^ de cachou- 
appel, waarvan de pit buitenop zit en 
op een apenkop gelijkt, enz. djamboe- 
djamboe, opstaande vederbos, kwast, kuif, 
de bloemdraden van de maïs Dit wordt 
in de Hik. I. P. constant tjamboe ge- 
schreven. Zie djamboel. 

djamboel, kuif, pluim, haarlok op de 
" kruin, bos van vederen, stoffertje van 
vederen. 

cUaxnboer, = djambar, primitieve hut; 
pedjamboeran, plaats waar zulke hutten 
z. bevinden. N. Snm. 

djamboewa, de pompelmoes, ook: 
limau dj, 

djaxndjam, water, vloeistof, zweet, tra- 
nen; dj. doerdja, zweet van het gelaat. 

cy&mï, Arab. algemeen, alomvattend; 
een groote moskee, kathedraal. 

djamll, Arab. fraai, schoon. 

djamin, verb. van zamin, Hind. zeker- 
heid, borg, borgtocht in rechten. Max, 
en Swet. 

djamoe, I. gast, onthaal; orang djamoe, 
gast, logeergast; ^^rf;*«m(7«, gasten heb- 
ben, feestvieren j b^rdjamoe makan, feest- 



n 



djamoens — djanfi^eoet. 



vieren met maaltijden; mlèndjamoe ma' 
hafii een gast een maaltijd voorzetten, 
op spijs onthalen; mendjamoéi orang^ 
iera. als gast onthalea; mèndjamoekan^ 
iets aan iem. als onthaal voorzetten; 
pendjamoe, gastheer, iem. die veel gasten 
heeft; perdjamoeioany gastmaal, gast- 
vrijheid; dalam djamoewan radja^ de 
gast zijn van den Vorst. II. Jav. ge- 
neesmiddel; djièdjamoe, mrv. 

4Jaixioens, een toorts Swet. 

cyaxnoer, Jav. schimmel, uitslag; dja- 
moeran, beschimmeld, uitgeslagen. 

4jaxxipal, goudgewicht van 4 bongkal 
of tahil; een halve reaal; een oude 
gulden zilver van 120 duiten; ikan dj., 
e. s. V. visch zonder schubben en met 
voelsprieten. 

4JAncipi, Skr. tooverformulier, genees- 
middel, inzonderheid drank, waarover 
heilige spreuken gelezen zijn. Zie se- 
rapah. 

^axnroed, zie zamroed. 

djana; djana-bidjana, Skr. geboorte- 
plaats. 

djanëlb, Arab. een eeretitel; Excellen- 
tie, Hoogheid. 

djanda, man of vrouw, die zijn of haar 
echtgenoot door den dood verloren heeft, 
,of van hem of haar gescheiden is; be- 
storven en onbestorven weduwnaar of 
weduwe. 

4jandjangr, trap, = tangga. Pad. bovenl. 
blèrdjandjang naïk, bertangga ioeroen, 
volgens rang en stand. 

djandji, belofte, overeenkomst, voor- 
waarde, afspraak, termijn, uitstel; 
ménjawpai/jan djandji, zijne belofte 
vervullen of nakomen; mengobahkan 
d;andji, een belofte, overeenkomst bre- 
ken*; minla djandji, uitstel verzoeken; 
dengan djandji mana, op welke voor- 
waarde? Ook hetee]ient djandji toehe- 
deeld levenslot of levensduur, wat over 
iem. beschikt! is, b. v. djikalau ada 
djandji kita KéndaTp berUmoe dibelakang, 

. indien het ' over ons beschikt is om 
elk. later weer te ontmoeten; ielah 
sampai djandjinja, zijn levenseinde is 
nabij ; dalarr^ djandji, verloofd ; pandjang 
djandji, lang uitstel; bagai berdjandji 
dlèngan wolanda,^ nauwgezet nakomen 
wat afgesproken is; ph'djandjian, over- 
eenkomst, u verbond; aoerat perdjan- 
djian, schriftelijke overeenkomst, con- 
tract; sap^rdjandjian deelgenootschap; 



saplèrdjandji, deelgenoot in een overeen- 
komst; berdjandji, beloven, overeeu- 
komen, afspreken ; berdjandji bertampar 
tangan, met handslag beloven; bërdjan- 
dji-djandjian, met elkander e. verbond 
sluiten. 

djangak, losbandig, ongebonden^ lie- 
derlijk, straatroof plegend; Mën. on- 
tuchtig van vrouwen. 

djangan, wordt gebezigd tot vorming 
van de verbiedende wijze van spreken: 
laat niet, dat niet; soepaja djangan, 
opdat niet; djangan üdaïpy het moet 
volstrekt; ia' kan djangan, het moet 
volstrekt; djangan dikata lagi, spreek 
daarvan niet meer, laat ons daarvan 
maar zwijgen; masoejpkah akoe ataw 
djangankah, zal ik binnenkomen of 
niet; djangankan, laat staan, gezwegen 
van; djangankan mati, loeka pon tidak, 
laat staan gesneuveld, hij is zelfs niet 
gewond. 

djangat, opperhuid, vel, bast; djangat 
salérang, opperhuid; makan dj., dood- 
arm; tebal dj., ongevoelig; takan dj,, 
een soort van tooverformulier om on- 
kwetsbaar te maken; tinggal djangat 
pëmeioeJh toelang, broodmager, uitge- 
teerd, Mën.; keras djangatnja, hij heeft 
een harde huid; d. i. hij is onkwets- 
baar; kerismoe tiada vnèretas djangat, 
uwe kris schramt de opperhuid niet; 
rnendjangat, van de opperhuid ontdoen, 
van rotan, door die tusschen twee 
mesjes door te trekken; ook metaal- 
draad trekken door een trekijzer; 'p(,n- 
djanyai, die twee mesjes; papan dj. of 
b^si dj , dat trekijzer, nam. een plaatje 
met gaatjes. 

djansga, verhemelte in den mond. 

djangsjal, wanstaltig, stootend, gebrek- 
kig, scheef, oor of oog mishagend, 
wanluidend, niet goed uitziend, niet 
goed zitten, niet bij elk. passend; mhi- 
djangyalkan agama, den godsdienst ver- 
basteren. 

djanggi, van Zanggi, Arab. Zanguebar, 
Ethiopië; paoeh djanggi, volgens vdW. 
= njioer laoet, e. s. v. groote noot, die 
de zee soms aanspoelt, nux maldiva. 

djanggoet, kinbaard, sik; djanggoet 
monjet, e. s. v. fijne agar-agav, men- 
djanggoet, met de kin ergens op leu- 
nen, met het voorschip vastzitten; 
djanggoet haoelc, baard onder de kin; 
djanggoet doejoeng, e. s. v. eetbaar 



êjansMGL — djarcih. 



ys 



üeewier ; dj, b'értali toedoeng, ringbaard ; 
roempoet djanggoet adam^ e. s v. plant 
met geneeskrachtige eigensehappen. 

«^angka, I. = sangka. II. afgepaste 
ruimte tusschen de beenen van een 
passer, passer, bepaling van een maxi- 
mum of minimum; gewone, voor iets 
gestelde tijd, maat of prijs; koerang 
daripada djangka^ beneden of onder 
de bepaalde maat; hoedjan lebih dari 
djangkanja, uitermate veel regen; men- 
djangka, afpassen, afmeten, iem. be- 
oordeelen; djangka-mendjangka^ maat- 
knippen van naaisters. 

cUanskali; nCê-ndjangkah^ half sprin- 
gende over iets heen schrijden. 

djangkang, I. wijdbeens; mendjang- 
kang, wijdbeens loopen. II. e. s. v 
boom op moerassige gronden met hout 
alleen voor huisbouw geschikt. 

«yangkar, I. Ned. anker. II. de wor- 
tels der rhizophoren, zooals de hakau. 

djangkat, ondiepte, droogte, doorwaad- 
bare plaats. Swett. 

djanfirkërik, krekel ; mengadoe djang- 
keriie, krekels laten vechten. 

^angki, e. s. v. mand, die, met een 
band over het voorhoofd, op den rug 
gedragen wordt. 

^angkil, zie bij hoelang. 

^angking, zie djongkang. 

djanfi^kir, zie djoengoer. 

cUans^it; m^ndjangkit^ overgaan, over- 
springen van het een op het ander, 
b. v. aanstekelijk, besmettelijk; her- 
djangkitan, zich overal verspreiden, van 
een ziekte of de pest, ook van vuur, 
overerven van een ziekte, overslaan 
van eene vlam op iets anders, over- 
gaan van de inkt op het papier. 

cUanffkoetJi, e. s. v. zangvogel. 

djanib, Arab. zijde; zife djandb. 

cyanik» zee-egel, zee-appel. Zie ringgit, 

cUann'ah, Arab. paradijs. 

djannat, Arab. boomgaard, paradijs. 

^antaioe, e. s. v. mythischen vogel, 
die gezegd wordt om regen en dauw te 
roepen. Skr. djatajoe^ e. s v. mytischen 
gier, die door Rawana gedood werd. 

Aiantaka, Kw. leed, onheil, = tjilaka 
en sangsara. Ook = djataka^ Skr. we- 
dergeboorte; pongsoe djantaka^ de heu- 
vel der wedergeboorte, de verblijfpl. 
van de pUandoeJ^ djinaka. 

cyantan» mannetje, van menschen en 
dieren j méndjanfani, dekken, besprin- 



gen, treden ; boesoei djantan^ e. s. v. 
heuveltje, dat zich door zijn seherperen 
vorm van anderen onderscheidt. 

djantang:, metselaars of timmermans- 
steiger. Mal. 

djanlêra, Skr. spinnewiel, rad, wiel, 
raderwerk, machine; djanitra gerigi, 
tandrad, kamrad; pesawat btrdjant)èray 
machine met raderwerk. Ook, doch 
fout, voor tjetera, zie ald. 

dj anti, e. s. v. eetbare vrucht; e. s. v. 
indigo, R. 

djantoe; sidjanioey e. s. v. krekel. Pad. 
bov.1. = pendering, 

djantoene, het hart, van menschen en 
dieren; djantoeng pisang ^ of ook alleen 
djantoeng, hartvormige punt van den 
pisangbloemtros ; goela djantoeng y brood- 
suiker of liever suikerbrood; dj. betiSj 
de kuit van het been; dj. tangan, muis 
van de hand. 

dj an toer, Jav. goochelkunsten. 

djaoeh, ver. verte, afstand; dari djaoeh, 
van verre, in de verte; djaoeh malam, 
diep in den nacht ; djaoeh p^mandangan^ 
een verre blik, diep inzicht; djaoehlah, 
dat zij verrei btrdjaoehy zich op een 
afstand houden; tidak berdjaoeh lagi^ 
zich niet meer op een afstand houden; 
niëndjaoehkan, verwijderen; didjaoehkan 
Allah, God verwijdere. God verhoede; 
harga jang terlaloe djaoeh, een prijs die 
er in het geheel niet bijkomt, dus veel 
te laag of te hoog is; djaoeh pada 
antara kadoewanja, stonden beiden ver 
van elkander; b^rdjaoeh-djaoehan, om 
het verst; sadjaoeh'djaoehnja, op zijn 
verst; sapoeloeh bagai djaoehnja^ tien- 
maal verder. 

djap, tot een geheel verbonden, zooals de 
rijsjes van een bezem, van één gevoelen. 

djapak, e. s, v. plant, welks bladeren 
gebruikt worden als bloedstelpend mid- 
del bij de besnijdenis. Pad. bov.L 

4Japoet; =: dj^mpoety zie ald. 

4jar, zie oedjar. 

dfjara, hout-drilboor; ook: een zaagje 
om iets uit te hollen, vdW. klein boor- 
ijzer, Br. K. els, Maxw. groote boorj 
dj ara atap, groote ijzeren pen, om bij 
dakbedekking het dekmateriaal door te 
steken; méndjaray uitboren, b. v. eene 
krisscheede 

dj arab, Arab. schurft; ook roest aan 
een zwaard. 

^arah; mëndjarah^ doorzoeken om buit 



94 



4jax*ak — - diatoh* 



te vinden, uitspcuren, zoeken wat van 
zijn gading is; meTtdjarah-rajah, roo- 
ven en plunderen in den oorlog; djor- 
rahan, buit. 

^araky I. onderlinge afstand, tusschen- 
ruimte, straal van een cirkel; mend ja- 
ra^, uit elkaar en van elkaar doen; 
bërdjaraif, van elkaar zijn, tusschen- 
ruimte hebben, gescheiden zijn, zich 
verwijderen, afzonderen. II. e s. v. boom, 
ricinus commnnis; djara^ P^ff^^» soort 
die voor heggen gebruikt wordt en 
welks vruchten giftig zijn; dj. tjina 
of dj, benggala, de soort die de kas- 
terglie, minjalje djara^f levert. 

djara.nfi:, zeldzaam, schaarsch, zelden, 
ijl, wijd uit elkander, dun gezaaid, 
spaarzaam, weinig; kdin djarang, los 
geweven stof; ajai djarang, grove zeef; 
ramboet djarang, dun geplant hoofdhaar ; 
ménaboer djarang^ dun zaaien; mm- 
djarangican gigi, de tanden opzij uit- 
vijlen; djaranq dapaty zelden te ver- 
krijgen, zeldzaam. 

4jax*aniy verkoelend vocht om het hoofd 
nat te maken of te betten; mendjaram, 
met koud water of iets anders het hoofd 
natmaken; djaram-djaranty de Pavetta 
Indica, d. 1. Cr. Zie ook djeram. 

^aras« gemaakte tros, bos, bundel; 
mëndjaras, tot een tros vereenigen. 

4jari, vinger; iboe dj art, duim; anaif 
djari, de vingers; fl(;ön kakiy teenen; 
djari Uioendjoe^^ de wijswinger; dj. 
maii of dj. hantoe^ de middelste vin- 
ger; djari manii, de ringvinger; dj. 
kélingking, de pink; dj. ampai, zie ald. 
êadjariy een vingerbreedte; dj. Upan, 
kransachtig versiersel van kokosbla- 
deren; djari boetoaja^ e. s. v. plant, 
waarvan de knollen in de geneeskunst 
worden gebruikt. 

dijdrijab» 1. Arab. meisje, dienstmaagd. 
II. Arab. overvloedig v. goede werken. 

djarinfi:, een groot net, zoowel om visch 
als om groote landdieren te vangen; 
djaring bataat zulk e. net met schelpen 
tot zinkstukken ; djaring hanjoet of dj. 
pïngiriiF, treknet; ikan djaring, e. s. v. 
zoetwatervisch, dien men in vijvers 
teelt; djaring-djaring^ wat op e. net ge- 
lijkt» entemet, rechtop staande palissa- 
den, gaas of traliewerk v. metaaldraad. 

cyaroem, naald, wijzer van een uur^ 
werk, puntig figuur op de kompas-roos, 
die de streken aanwijst en wel dj. 



pandjang, die één streek d. i. -^^ van 
den omtrek, en dj. panda^, die een 
halve streek aanwijst; djaroem tjoetjoe^, 
borduurpriem ; lobang djaroem, oog van 
een naald, lijang djaroem^ de gaatjes 
door een naald geprikt ; djaroem pénj^- 
mat, speld = peniti^ Maxw. ook djaroem 
pengtlat; djaroem bilang, naald met 
een uitgescheurd oog onder eene hoe- 
veelheid nieuwe naalden, waarmede 
tooverij gepleegd wordt; mendjaroem, 
enkele grijze haren krijgen; djaroeman 
en pendjaroeman, koppelaar, koppelaar- 
ster; djaroem-djaroem, e. s. v. heester 
met kleine, roode, prikkelend smakende 
bladeren, die in de geneeskunde worden 
gebruikt; roempet dj. een plant met 
fijne bladeren, pavetta indica. dj. soelam, 
borduurnaald ; dj. iisif^, stopnaald; dj. 
karoeng, paknaald, zeilnaald. djaroem- 
penglèlat, speld, = péniti. 

djas, e. s. v. zeer smakelijke, wilde aard- 
vrucht of oeöi. 

djasa, dienst aan een meerdere, nuttig 
werk, verdienste, verdienstelijk; ook 
dienst, gebruik, van een of ander ge- 
reedschap of werktuig; berboewat djasa, 
dienst doen ; hénda^ blèrdjasa, zich ver- 
dienstelijk willen maken. 

djasad, Arab. lichaam, van menseben, 
engelen en geesten. 

djasadiy Arab. lichamelijk. 

djata, zie djati. II. 

djati, I. pohon djati, de naam van een 
welbekenden boom, welks hout overeen- 
komt met het eikenhout, de teakboom. 
II. Skr. echt, wezenlijk, waar, onver- 
valscht, zuiver, oorspronkelijk; orang 
mUajoe djati, een echte Maleier ; négari 
jang djati, de eigenlijke stad; sadjati, 
de juiste of eigenlijke, van een persoon, 
b. V. djikalau radja hénda^kan sadja- 
iinja itoe, m'èlainkan ajah inilah jong 
aadjaiinja m'émtrentahkan tanah djokof, 
als de Vorst de rechte man wil hebben, 
dan is vader de rechte man om het 
land Djohor te besturen; tad/atinja 
pasa^f manah, de oorspronkelijk eenig 
rechthebbende. 

cUatoh, vallen, neerkomen, belanden, 
terechtkomen, geraken, strekken, bedoe- 
ling; djatoh sakit, ziek worden, ziek 
komen te liggen; djatoh kamari, hier 
belanden; matahari djatoh, de onder- 
gaande zon; djatoh harga, dalen van 
den prijs; kédai toedah djatoh^, een 



cyaahai» — djë^ak* 



95 



winkel die bankroet is; djatoh haft 
akan^ verslingerd, gecharmeerd raken 
op, ook deernis hebben met; djatoh 
kasih akan, verliefd raken op; djatoh 
ka-atasy gelukkig worden. Men. djatoh 
mata^ het oog toevallig vestigen, laten 
vallen op; djatoh mati kadalam hati, 
ingang vinden en beklijven in het hart; 
kalau bagitoe djatohnja, als het die 
wending neemt; djatoh kapada peker- 
djadn doesta, het komt op leugens 
neer; djatoh kabawah angin, beneden 
den wind vallen, v. e vaartuig; djalan 
itoe betoel djatoh di tengah kampoeng, 
die weg liep juist op *i midden van 
de buurt uit; barang dimana pon akoe 
djatoh, waar ik ook belande; apakah 
djatohnja kapada kita, in welke be- 
trekking staat dat tot ons; kamana 
djatohnja kata itoe, wat is de bedoeling 
van dat gezegde?; djatoh sabidji satoe 
ten, dan komt het stuk op een cent 
te staan; djatoh-bangoen, met vallen 
en opstaan ; méndjatohkan Roekoe m, een 
vonnis vellen; méndjatohkan negari, den 
val veroorzaken van een land of eene 
stad; méndjatohkan djërat, een strik 
werpen; kadjatohan, op zich krijgen 
van iets dat valt; kadjatohan haii, 
terneergeslagen, verslagenheid de^ ge- 

. moeds. F. Zie ook bij boelan, 

^aohar, Arab. juweel. 

djauhari, Arab. juwelier; in 't Mal. 
ook nog: knap, zeer bedreven. 

dUaw, Perz. gerst. 

^awa, javaansch; tanah djawa, Java; 
asam djawa, tamarinde; randa djawa, 
gierst; orang djawa, Javaan; boenga 
djatoa, e. 8. V. bloemdragenden heester. 

djawdb, Arab. antwoord; mhidjawdb en 
mimMri djawdb, antwoorden, te woord 
staan, beantwoorden ; mlèngambil djawdb 
pérahoe ph'gi datang, de passeerende 
vaartuigen praaien of aanroepen. 

djav7-ah.ir« meerv. van djawhar, Arab. 
Zie ald. 

djavrak» s» biawai?, zie ald. 

cya^V'at, » djabat; mltndjawat, aan- 
vatten, aangrijpen; mtndjatoat poesaka, 
erven; btirdjdwat saldm, elk. de hand 
ge?en tot groet; péndjawat, beambte; 
péndjawat astana, hofbeambte; pindja' 
toot ëaniapan, hofmeester; p. poewan, 
beteldoosdrager ; djawatan, ambt, be- 
diening; ooki de teekens van iemands 
rang of ambt a^n het hof; radja-radja 



berdjawatan, de Vorsten met de teekens 
hunner waardigheid; méndjawati oetoe- 
san, gezanten in plechtig gehoor ont- 
vangen. R. 

d^a\^i, I. bïhasa djawi, de Maleische 
taal; mendjawikan, in het Maleisch 
vertalen ; loeban djawi, de benzoë ; ana^ 
djawi pekan, kinderen van Klinganeezen 
of Bengaleezen bij Maleische vrouwen. 
N. B. djawi is het Arab. Bijv. nw. van 
djawa, Java, en wordt door vreemde- 
lingen toegepast op Sumatra, het schier- 
eil. Malaka en den Maleischen archi- 
pel. II. rundvee, koe, os; djawi-djawi 
= beringin. Zie ald. 

djaza', Arab. vergelding, belooning^ d. V, 
ook voor het bezorgen van een brief. 
R. Chaib. 

dje^zaïroe'lclialidat, Arab de eeuwige 
eilanden, dat zijn de Kanarische eilanden. 

djazam, Arab. afgedaan, eiudbesluit; 
naam van het teeken boven een mede- 
klinker om dien tot sluitmedeklinker te 
maken. 

djazirah, Arab. eiland. 

djëbah, van onderen breed en vol, van 
het aangezicht. 

djebai? b. v. segala radja-radja saka* 
liannja doedoe^ bërdjebai dipadang. 
H. Boedj. 

djêbak, vogelknip met hokjes voor de 
lokvogels; m^ndjeba^, met zulk een 
knip vogelen. 

djëbanft, e. s. v. buffellederen schild. 

4jëbat, muskus, civet; djëbat-dj^atan, 
allerlei reukwerk. 

cycboeng, e. s. v. eetbaren zoutwater- 
visch. 

djëda, pauze, verpoozing; tiada btr- 
djeda lagi, zonder poozen, zonder op« 
houden. 

djëdjak, tred, stap, trap, indruk van 
den voet, voetspoor; menoeroet djedja^f, 
de voetstappen volgen; mënghilangkan 
dj^dja^;, het spoor uitwisschen; mht* 
tjihari djèdjaff dalam ajar, het onmo« 
gelijke willen; mlnghilangkan djïdja^ 
bagai harimau, de sporen van een be- 
dreven misdaad uitwisschen ; dj^dja^ja 
kUroh, geen zuiver verleden achter zich 
hebben; m'éndjMja^, treden, den- voet op 
den grond enz. neerzetten, ook met het 
ondereind raken tot, b. v. ramboetnja 
mlèndjidfa^ bahoe, heur haren raakten 
tot aan de schouders ; hari btrdjedja^ 
tanah, de dag, waarop het kind voor 



oe 



4i^4Jar^ cUêiepa^. 



*t eerst de voetjes op den grond zet; 
sa'pérti tiada herd^djalp dihoemi^ alsof 
de voeten den grond niet raken ; djldjaTp 
harüy op gloeiende kolen treden; gan- 
ioeng djedja^ bara^ zoo hangen dat de 
teenen eventjes den grond raken; mht- 
dfidjakkan kakiy de voeten neerzetten; 
kadj^djakan bhiy ijzeren stijgbeugel. 
Hiervan ook dj^redjalje. 

djëdjal; mendjedjal, instoppen, inprop- 
pen, dichtstoppen met behulp van een 
mes enz. b. v. een reet of naad, onder- 
scheiden van pakal, breeuwen. 

djëdjas, letsel, bezeerd, beschadigd. 

diëdjënanu:, zie djenang. 

4jedjer, rij, reeks, achter, naast of 
onder elkander; öërdjedjer, op een rij; 
bh'djedjer-djedjer, aan rijen of reeksen ; 
mléndjedjer, in rijen zetten, b. v. van 
cijfers onder elk.; hlrdjedjer doewa 
lapiSy in dubbele rijen; berdjalan btr- 
djedjer^ een-aan-een achter elkander 
gaan of marcheeren. Zie dj ad j ar, 

dtjëgal, in het klein verkoopen, zich 
met kleinigheden ophouden; orang jang 
blèrdjègalf iem. die in het klein ver- 
koopt. M. ook djagal. 

djëfione, bergplaats op Ccïn vaartuig 
voor zeilen en touwwerk, zeilkooi, ka- 
belgat. 

^jëhennam, Arab. de'^hel; in het Mal. 
ook helsch en wat voor de hel be- 
stemd is. 

^ëhoedi, zie jehoedi. 

<2Uel, Eng. jail, gevangenis. 

^êla, = djitahy e. s. v. liaan, die elastieke 
gom levert en welks smakelijke vruchten 
op oranjeappels gelijken. 

4jëladan, e. s. v. vogel, v. d. W. 

c|jëla<^at, Arab. hersenpan, hoofd; in 
het Mal. ook: teeken aan het hoofd, 
waaruit men voorspellingen doet. 

djëladëri, Skr. zee, oceaan. 

^ëlasa, fiju roet, b. v. van een kaars; 
zwartsel. 

4jëlab, I. helder, rein, hoog, van kleu- 
ren, zooals in hoogrood. Mën. djilah. 
II. e. 8. V. slingerplant, gomhoudend, 
soms gebruikt als bindtouw. S. Zie 
djUa. 

cyêlai ook Kéndjelai, e. s. v. gerst; dj, 
batoci een soort die de zoogenaamde 
Jobstranen levert, en welks wortel als 
middel tegen stuipen wordt gebruikt; 
ikan dj, e. s. v. eetbaren zoetwater- 
• visch, Mal. 



djëlak, geen trek meer in iets hebben, 
er van verzadigd zijn, er genoeg van 
hebben, van spijs en andere zakeii. 

4jëlanak; »ï^«^'e/«wrt^, duikende voort- 
z wemmen, zich kruipende voortbewegen, 

djëlang; mendjtlang^ zijn opwachting 
maken bij, verschijnen voor; boelan 
ménc^elang akan habiSy bijna ten einde 
geloopen van de maand; méndjUang 
sakari boelan^ de dag vóór den eersten 
der maand; mendjelang stang hari, 
even vóór het klaarlichte dag was ; 
m, tengah hari, van 10 — 13 ure des 
voormiddags; m, Ungah malam^ van 
10 — 12 ure des nachts; mêndjUang 
toewan poeteri, zijne opwachting ma- 
ken bij mevrouw de prinses. Zie ook 



dj elan tik, = belati^y zie ald. 

djëiapang, rijstschuur van boombast 
of planken, rijsthoop. 

djëlar; rmndjUar, uitgestrekt liggen, 
b. V. van eene slang, een duizendpoot 
enz. Zie djoeloer en djalar. 

djêlas, afgedaan, vereffend, voltooid, 
uitgemaakt, afbetaald; niendjlèlaSy af- 
doen, vereffenen enz. méndfilas kira- 
kira, eene rekening vereffenen; m^n- 
djelaskan selisih, een geschil vereffenen. 

djëlata, ^ lata I, zie ald. 

djëlatans, brandnetel = daoen gatal, 
ook fig. voor een stokebrand, Mën. 
dj. gadjahy de grootste soort. 

^ëlatik, SS b^elatilp, 

djëlau; mendjelau, terloops naar iets 
kijken of iem. bezoeken ; overslaan van 
eene vlam op iets. 

djëleh; niéndjeleh, uitsteken van de 
tong, b. V. voor den dokter en van een 
hond, die verhit is. 

cyëlek, Batav. leelijk. 

cyëlëma, Skr. incarnatie; méndjëfëma, 
incarneeren; hadjeltmaan en pindj'ëlë- 
maaUf gedaanteverwisseling, zielsverhui- 
zing. 

djëlëmpah, met velen op den grond 
liggen, zooals lijken op bet slagveld, 
de zieken bij een pest enz. 

cUêlênsar; méndjtténgar roepa mata 
rnémandang ? Sj. Ibr. b. Chas. Jav. 
djengefi stom van verbazing. 

^ëlëpak; mendféltpah op de platte 
zijde liggen, zooals een boek enz. plat 
neervallen, op zij of voorover, neer- 
ploffen ; poetih tn'ëndj'êlëpajlfy sneeuwwit, 
Ibr. b. Ch. in het Mën. geopend lig- 



dJ^le]>ok •- djëxnoeri 



Ö7 



gen van eén boek, met arnaen en bee- 
nen uitgestrekt liggen van een mensch ; 
mendjetépa^kan, uitstallen, tentoonsprei- 
den. Mën. 

djëlepok; mendjelepo^, op zijn achter- 
ste vallen. Mën. wijze van zitten bij 
vrouwen, nam. met de beenen onder 
het lichaam naar één kant uit. 

djelet; mendjelet, drukkende over iets 
strijken. 

djêlitnpat; mendjelimpat^ zijwaarts van 
den voorgenomen weg afgaan. Zie *e- 
limpat, 

dUëling:; viêndjUing^ zijdelings zien, over 
den schouder aanzien ; kadjUingany door 
zulk een zijdelingschen blik getroffen? 
Zie ook kerling, 

djëlir; mëndjUir, gedeeltelijk uit iets 
komen, zooals een slak uit haar huisje, 
de tong uit den mond; mendjelirkan 
lidah, de tong uitsteken, b. v. voor den 
dokter; djeloer-djeliVy telkens in- en 
uitloopen, heen en weer loopen. 

diëlita, bekoorlijk, lief, snoeperig. 

djëloedjoer; mendjeloedjoert met losse 
steken rijgen. 

djëloem; mendfiloeniy het lichaam of 
een der deelen, maar niet het hoofd, 
bevochtigen ; djlêloem-mlêndfiloem, het- 
zelfde bij herhaling of wederkeerig. 

djëloenat, e. s. v. boom, die alleen voor 
brandhout dient. 

djëloengkap, losspringen, loslaten, 
van iets, dat ergens aan vast zit, b. v. 
opgelegd mahoniehout enz. Zie ook 
sïloengkap» 

djëloentoeng:, I. de waterpokken, op 
Java tjatjar^ajar. II. mendjUoentoengy 
blindelings te werk gaan, onaangemeld 
ergens binnenloopen. 

cyëloerat, zie djoerat. 

cyëloeroe, de veeren uitplukken, pluk- 
ken van vogels. M. en L. 

^ëloesy = loeloeSy zie ald. 

^jëloetoeng, e. s. v. boom, die wit 
timmerhout voor den huisbouw en gom 
levert; dj. karbauy een andere soort, 
welks bladeren als netels branden. 

djëloewak; méndjUoewale, koren, kok- 
halzen, het geluid maken, dat aan het 
braken voorafgaat. 

djëloe^wans» papier uit boombast, ge- 
klopte boombast voor kleedingstukken. 
Ook déloetoang. 

^jëlocUohy gulzig, vraatzuchtig. Ook 



djëloh, e. s. V. boom, welks hars als 
middel tegen e. s. v. uitslag, poeroe, 
gebruikt wordt. 

djëlok, diep, van een kom, zooals b. v, 
een waschkom ; tong djUo^fy een lage en 
wijde ton, een ronde bak of waterkuip. 

djêmah, later, hierna, eenmaal, ooit 
in de toekomst; tiada dfimahy nooit, 
nimmer, in de toekomst; esoejc dfimah^ 
later eens; pagi djemah, de jongste 
dag. N. Moeh.; djemah-djtmah hidoep^ 
zoolang als men leeft, in de toekomst. 

djëxnakian, e. s. v. heester, welks vrucht 
sterk laxeert, soms doodelijk is. 

djëmaran, eene schoonheid van de 
tanden, maar welke ? b. v. giginja djh 
maran manis sapïrii mlêngoeloem madoe, 
Pr. Dj. Ook van de lippen, b. v. bibirnja 
djemaran, id. 

cyëmas, zie dfimaran en sêrasah. III. 

djëi3aawa; mendjemawa, zich ongeroe- 
pen met iets bemoeien, v. d. W. zie djoe" 
mawa, 

djëmba» I. mêndjtmba, naderen; zie 
dj^r^mba. Mën. met uitgestrekte armen 
naar zich toehalen, reiken naar iets. 
II. een maat van twee vadem. III. be- 
schutting, bescherming, overdekking, 
b. V. van jonge planten voor de zonne- 
hitte. Swett. 

^ëmbak; mendjemba^^ fladderen door 
den wind, zooals de veereu van een 
pluim, de manen van een paard; zich 
openen en sluiten zooals een zeekwal; 
djemba^-dfimbah, vederbos, ruiker, vdW. 

djëznbalans:, e. s. v. spook, aardgeest, 
in de gedaante van een buffel of rund. 
Ook hantoe tanah. Mën. id. Zie ook 
tjomblang, 

djëmëki, lovertje, klein blinkend plaatje. 
Swett. 

cyëmëroed, verb. van zamroedt zie 
aldaar. 

djëmilang? b. v. Urpandanglah ka'- 
pada wazir dj^milang. Sj. Mad. moge- 
lijk djamilan van djamily Ar. zie ald, 

djëxnoe, afkeer, afkeerig, tegenzin, 
tegenzin hebbend of gevoelend; tiada 
djkmoe, niet verzadigd worden van; 
méndfimoekan, afkeer verwekken. 

djëmoec^oe, kar wijzaad. 

djëmoer, aan de zonnehitte blootge- 
steld, gedroogd, gekoesterd; ook een 
chin. straf, iemand geboeid alle dagen 
in de brandende zon laten staan; lekna 
djemoer, die straf ondergaan; b'^rdfé- 



m 



^ëmoewas «« cUené^et. 



moer dirif zich in de zon koesteren; 
méndfémoeTt iets in de zon te drogen 
hangen; méndjemoerkan, op iem. de 
straf van djemoer toepassen. S. Dzoel. 
^ëmoewas, vol besmeerd, bestreken, 
van het gelaat of de handen. Zie 



djêxnoxiah, Arab. ? b. v. denman soeatoe 
dfimonah pemasa^ kahwa, B. Ramp. 
kan het ook een kofiiepot zijn? 

^êmpana, staatsie-draagstoel, ook 



cyêmpat, Inchtsprong, opwipping; bër- 
djèmpatan, luchtsprongen maken, van 
dieren. Jav. dfipat. 

^ëmpoe-^jêmpoe, zie andjoeng. 

^ëmpoet; sadj'êmpoetj zooveel als men 
met de toppen der vijf vingers vatten 
kan; mendjlêmpoet, met de vingers iets 
vatten of nemen, iemand uitnoodigen, 
afhalen, gaan halen; ook gebruikt als 
de vrouw den man ten huwelijk vraagt; 
dJempoetlaAj gebruikt als beleefde uit- 
noodiging, evenals silakanlah^ wees zoo 
goed; djoeroe djempoety spottenderwijs 
gezegd van iem. die steeds gebruikt 
wordt om anderen uit te noodigen; 
dflmpoetan, uitnoodiging, invitatie ; 
orang djempoetan, genoodigde, gast; 
thrdfèmpoet, ontleend, aan het een of 
ander boek; djimpoeUdjiènipoety olie- 
koek, vdW. ; bagai koetjing mlèndjïmpoet 
apiy als eene kat, die vuur gaat halen, 
d. i. zich slecht van een opdracht kwij- 
ten, van geen terugkomen weten. Mën. 

^jëxnpoly Jav. de duim. 

.^jënaky een wijle, poos, langer dan 
djoeroes, 

cUënamcyoeixi, een zekere kleur van 
zijden- stof, maar welke? R. Chaib. 

^jënans» post, van deur of raam, 
staander op een legger; titel van het 
hoofd, dat op den batin volgt en hem 
vervangt; Mën. ook scheidsrechter bij 
hanengevechten, feestcommissaris; dfi- 
df^nangy adjudanten, onderscheiden in 
df» kanan en dj. kiri; toetoep djlênang, 
vierkante, platte balk tegen het onder- 
einde der daksparren; mendjenangt toe- 
zicht over iets houden; p^ndjenangt op- 
zichter. 

cUënawi, e. s. v. vier voet langen degen ; 
Mén. een tooverzwaard. 

^ë&dela» venster; zie dfinela, 

cUëndëra» vast» diep van den slaap. 
Zie ifMëra, 



4jendêral» Ned. generaal. 

djën^jala, zie tjïntjala. 

dj end j eng; mendjendjeng^ iets kleins 
in de hand dragen, iets in de hand 
meedragen of medenemen, zooals een 
mandje of horloge enz. ook: met één 
hand iets boven het hoofd opheffen. 

djêndjet; mendjendjet, uitrekken, b. v, 
van een stuk leder ; aan het oor trekken, 

cyêndol, bultig, dik, van het voorhoofd; 
hobbelig van een vlakte; niet zuiver 
vlak, van een edelsteen. 

djënela» Port. venster. Op Java djieti' 
deltty wat beter is, om het niet te ver- 
warren met tj)ènela, slof, muil. 

djëngëla, Skr. woest, eenzaam; orang 
djmgeia, zwerver; mendjengela, zwer- 
ven. Hiervan het Eng. junggle, woeste 
streek, kreupelbosch. 

djênggamit, e. s. v. kever, die de ge- 
woonte beeft van met de voorpooten 
zachtjes te krabben. Zie gamit. 

ö^ensSLoiP i djenggar-djenggoery erg op- 
geschoten, al te groot, van kinderen, 
inz. in vergelijking met hunne geeste- 
lijke ontwikkeling. 

^jengger, Jav. hanekam, kuif. 

cyengget; mendjenggety hinken, op één 
voet springen, als spel ; mdin sadjengget^ 
hinkelbaan spelen. 

djenggoet, = djanggoet, zie ald. 

cyëngkal, span met den duim en den 
middelsten vinger; dj. Uloendjoe^ymti 
duim en wijsvinger; dj. keiojp^ tot het 
einde van het eerste lid van den wijs- 
vinger, = I hasta; hoelat dj. e. s. v. 
stinkend, vliegend insect; dj. k^leng- 
keng^ span met den pink; méndj^ngkal, 
met spannen afmeten. Zie ook tj^ngkal, 

cUengkang; méndjengkangy één been 
oplichten, hinken; djengkang-djengkoet, 
met verscheidenheid. 

4jëngkaxig; méndjtngkangy op den rug 
liggen met naar boven gekromde armen 
en beenen, van een lijk. 

cyëngkau; mëndj'êngkau, met horizon- 
taal uitgestrekten arm van boven naar 
beneden vatten of grijpen, reiken naar 
iets, waar men niet bij kan. 

cÜengkeng, mèndjengkengy voorzichtig 
op de teenen loopen; berdjengkengan, 
naar alle richtingen schuin omhoog ste- 
ken, van lange, puntige voorwerpen. 

djëngkëring, het roodvonk. 

^jengket; m^ndjengket, op de teenen 
loopen of staan, ook als gebrek aan 



c(Jënigkik -B* ^tvArxek&,n^, 



d9 



AetL Voet, vandaaï djengheUdjengketatiy 
al hinkende op die wijze; ook: bersa^ 
djengket, 

4jênskik, huppelen, springen, op de 
teenen staan. Swett. 

<^ëiigking, het achterste in de hoogte 
steken ; hiervan kaladjmgking ^ de schor- 
pioen, daar deze dit doet om te steken. 

(^êngkir, zie djoengoer. 

<^ënskit; mendjengkit, iets gekromd 
omhoog steken, b. v. zooals de hond 
zijn staart, opspringen van het hoofd- 
haar, dat anders sluik is. Z\q djengking. 

djêngkol, Jav. e s. v. boom, die een on- 
aangename reuk verspreidt, « djering. 

^engkot; méndjengkoty met één voet 
mank gaan, waarvan men slechts een 
gedeelte op den grond zet. 

^êngoh, zie djengoif, 

cyoni^ok, met vooruit gestoken hoofd 
ergens naar kijken, met het hoofd uit 
een venster kijken, bukkend ergens in- 
kijken. Mën. mendjengo^y zijn belang- 
stelling toonen, komen bijwonen en zien. 
Mën. ook djangoeh, 

cUëngol; mendy'engoly met het voorste 
gedeelte uit iets te voorschijn komen 
of dat naar buiten steken, b. v. het 
hoofd uit een venster, een stuk geschut 
uit een schietgat. 

Afenih, grond w. van djerenihy zie ald. 

cy^nis, zie djinis, 

cyênoeh, verzadigd, genoeg van iets 
hebben. 

^jenoevrar, ook noewaVy e. s. v. buffel- 
kar met massieve v^ielen. Mal. 

^jêntik, greep tusschen duim en een 
der vingers; knip met de vingers; ook 
een fijne kneep met vinger en duim, 
zich met een knip samentrekken, zoo- 
als b. v. de zaaddoosjes van de bal- 
samine; djHtik'djlènti^y de made van 
de mug of muskiet in het water. 

^ëntit, knip met den vinger; men- 
dfintity knippen met den wijsvinger 
over den duim. 

^ëpanflr, Japan; zie djepoen. 

4jëpit» Jav. méndjtpit, knellen, knijpen, 
toeknijpen, klemmen. 

cyëpoen, Japan; hoenga djepoen, de 
oleander. 

Aiëpoet, = djlèmpoety zie ald. 

cUëra, afgeschrikt; mléndj^rakan, af- 
schrikken. 

AJërabai$ bièrctféraèaiy aan flarden neer- 
hangen. 



^ëradik» koek, tulband. M. ên L. 

djërageh, ook iêlasih padangy een plant, 
overeenkomende met kangkoeng^ die als 
verkoelend geneesmiddel gebruikt wordt. 

cyërak, in overvloed voorkomend, juist 
in den tijd, van dingen die op zekere 
tijden komen, zooals vruchten, in over- 
vloed voorkomen van figuren op een 
kleed, enz. pêrahoe Ungah dfirah datangy 
juist in den tijd dat de vaartuigen 
in overvloed aankomen ; penjakii jang 
djïrah, epidemie. 

^jërakab, plat op den grond vallen, plat 
voorover vallen met uitgestrekte armen ; 
Mën. id. vallen, over den kop gaan 
van een koopman en een onderneming. 

djërakak; méndjtrahajpy verwaarloozen, 
niet onderhouden. 

^ëraït; frequ. van djahit\ niind^rditt 
zich aan iets vasthechten, zooals klimop 
aan een muur; berdjerdity aan iets 
vastzitten, zooals het eene huis aan 
het ander, twee vingers of teenen, die 
aan elk. gegroeid zijn. Mën. berdjerdity 
ineen gestrengeld, door elk. verward. 
Zie ook djerembet. 

ö^&reLtn, snelle afioop, stroomversnelling 
in eene rivier, waterval, ook dj^roem; 
méndj^ramiy met een dikke straal begie^ 
ten, overstorten, ook met werpspiesen; 
djh'am-djèram, e. s. v. oliekoekjes, plat 
rond en vol gaatjes als een roostertje. 

cyëraxnali, frequ. van djamahy fiink 
aanpakken, beethouden, vasthouden, b. v. 
van menschen in een gevecht. 

4jëraixibali, plaats in een Mal. huis 
waar de vaten worden gewasschen en 
men zich baadt, aan boord van vaartui- 
gen het galjoen; ook: kleine steiger met 
e. vloer; niéndjièrambah sa*ordngper^m^ 
poewafiy eene vrouw als hoer behandelen. 

djërambai, in menigte neerhangen van 
draadachtige voorwerpen, luchtwortels, 
franje enz. Zie djlérabai, 

^ërambans» dwaallicht, vredevuur. 

cyërami» stroo, ook de draden om de 
pitten der uangka en andere vruchten; 
Mën. rijststroo, de droge rijststengels 
zonder de korrels; ook: ruigte, strui- 
ken in de rivier of aan hare oevers. 

^ëranfi:; mendjlêrang, op het vuur zet- 
ten om te koken, b. v. een pot enz. 
met dir. obj. méndjhraugkan, 

4jëransauy e. s. v. lieswortel, kalmus. 
Jav. dringo, 

^ëransk^ns; méndjïrangkangt op 



100 



cyëraoes *— djei^maxi* 



den rug liggen met armen en beenen 
of de pooten omhoog; btrdjlêrangka' 
ngatij uitsteken van beenderen, zoodat 
ze door de huid heen zichtbaar zijn. 

^ëraoes, vlug in het opstaan, groe- 
ten enz. vlug van bewegingen, lenig 
van lichaam. 

dj era t, strik, strop; sadjtrat ikan, een 
bosje visschen, die bij elk. gebonden 
zijn; memasang dj er at en niénahan dj.y 
strikken spannen of uitzetten; djerat 
iémpoeroeng^ kokosdop met strik om 
kippen te vangen; mendjerat, strikken 
en zich als een strik slingeren om, 
b. V. tali boesoernja poetoes sêrta men- 
djêrat lehernja s^ndiri, zijn boogpees 
brak en slingerde zich als een strik om 
zijn eigen hals; tlèrdjlèratj er ingeloo- 
pen zijn, de dupe geworden, een koopje 
gesnapt hebben, beetgenomen zijn, ook 
kHa djièrat. 

djëraii, van een hoogroode kleur ; schit- 
terend; m^ndj^rau, schitteren. 

djëra^vat, uitslag, vurigheid in het 
aangezicht, zie strijawan; djtrawat 
hatoey klein steenpuistje; djërawal nasi^, 
medeëters, e. s. v. ziekte. 

djërba; mlèndjlèrbay een vaartuig aan 
lij doen overhellen. 

^ërbak; mendj^rba^, fladderend van 
boven naar beneden komen, b. v. van 
een vallende vlag, kleedingstuk enz. 
Zie djérabai, 

^ërëdjak, dunne latten of stijlen van 
een wand, een wand van dunne stijlen 
of latten, loodrechte en evenwijdige 
streepen ; toelang djlrMjaJp^ de borst- 
ribben. Mën. Zie djlèdja^. 

djërëdji, e. s. v. welriekende bloem, die 
in het haar gedragen wordt. Pad. bovenl. 

djërëkab» snauW, grauw; kort, nijdig 
gebrul van een tijger enz. 

dj erekat, onrijpe areka-noot. 

djëreket, vastgekleefd op iets, b. v. 
papier dat ergens opgeplakt is, ook 
op elk. kleven van de oogleden door 
slaperigheid. 

djërêkit, klein, dwergachtig. 

cyërëmba; mHd^^rëmba^ zich vertoonen 
voor iemand, in het oog loopen; van 
tljïmba. 

dlêpëmbab» voorover vallen, op zijn 
neus vallen. Mën. id, 

cyërembat, met den voet aan iets 
5)lijven haken, op den kant van iets 
trappen, op zij uitglijden» 



djërembet, aan elkander gegroeid, b. v, 
van de vingers of een paar pisangs. 
Zie djiêrepet. 

^ërëmboen, zich als een hoop voor- 
doen, zooals schepen met volle zeilen 
of bergen in de verte. Volgens anderen 
djëramboen. 

djërëmpak, zich onverwachts voor 
elkaar bevinden, b. v. bij het omslaan 
van een hoek. 

^jërënangr, drakenbloed; ook kernen^ 
njan merah genoemd. 

djërënib, fréq. van djêniA, helder, door- 
schijnend, van water, glas enz. zuiver, 
oprecht van hart; mendjerënihkan hati, 
het gemoed reinigen, zuiveren; djièrënih, 
ook: opgehelderd van gelaat. 

djërëpak; méndjtrepa^ ^ onvoorziens 
op het lijf vallen, overvallen. 

cyërepet, aan elkander gegroeid of 
vastzittend, b. v. van vingers, oogleden, 
de teenen van zwemvogels enz. mên- 
djerepet, aan elkander groeien. 

djëriau, dwarslatten van gespleten 
bamboe om de vloerlatten te verbin- 
den, latten tusschen de daksparren om 
daarop de atap te binden. 

djêrib, vermoeid, vermoeidheid, afge- 
mat, moeielijkheid, moeielijke positie, 
moedeloos, tegen iets opziend; sakii 
djihrihy doodziek; penjakit djh-ihy aam- 
borstigheid, asthma; méndjerihkan, ver- 
moeid maken, zorg, moeite, inspanning 
veroorzaken. Mën. Zie Utah. 

4jëryat, een toestel van vezels op zij 
van een bootje, in het water afhangend, 
om garnalen te verschrikken, waardoor 
ze in het bootje springen. 

djërimbinfi:» e. s. v. plant. 

4jërins:, e. s. v. boom met stinkende 
vruchten, die als toespijs bij de rijst 
worden gegeten. 

^ëringau, de welriekende kalmns, 
lies wortel. Mën. djari-angau, 

djërit; niendfirit, gillend schreeuwen, 
van menschen en sommige dieren, zoo- 
als varkens en paarden, maar niet van 
ezels; plèndjtritt schreeuwleelijk. 

cyërxnal, een vierkente ruimte in het 
water met staketsels omgeven, voorzien 
van een fuikvormigen ingang voor den 
visch en van een groot vierkant kruis- 
net of totebel. 

djerman. Eng. german, duitsch; orang 
djermartf duitscherj ndgari dj, Duitsch- 
land. 



4jei*oeboeiig: — djinal^. 



101 



^ëroeboeng, boven boord uitstekende 
roef van matten, voor de lading, die 
niet in het ruim kan geborgen worden. 
Zie djeroemhoeng. 
djëroedjoe, een distel met scherpe 
dorens, die bij de woning van een 
kraamvrouw wordt gehangen als af- 
weermiddel van spoken. 
djëroek, algemeene naam voor vruch- 
ten, die tot de citroen- en oranjeappel- 
soorten behooren; djeroeJe maniSy de 
sina'sappel; dj. nipis^ het limmetje; 
dj. boeioen, citroen; dj. wangiy welrie- 
kende oranje-appel; dj. tjina, Chinee- 
sche, kleine oranje-appel; dj. baliy e. s. v. 
zeer groote citroen; dj. kastoeri of dj. 
sambal f een klein soort van oranje-appel, 
die in sommige sambals gemengd wordt ; 
dj, gadjahy een zeer groote soort, enz. 
méndjeroe^j inzouten, inpekelen van 
vruchten, naar de limmetjes, die alleen 
gezouten gegeten worden. 

cyêroeixi, = djerantj zie ald. 

<^ëroetxiat; mlêndjlêroemat, stoppen met 
de naald. Zie iisi^. 

^ëroemboens, zich hoog boven het 
dek verheffend, van eene lading aan 
boord; zie djeroeboeng. 

Ajëroemoen, het leger van een wild 
zwijn. 

djëroemoes, plat voorover vallen en 
een eind voortschuiven ; mendjtroemoes- 
kan, plat voorover op den grond doen 
vallen. Zie toe moes. 

djëroencyoeng:, zie bij ktrbau. 

öSeroensLi I. bukken, met het hoofd 
voorover gaan L Mën. djh'oengo, voor- 
over gevallen met het aangezicht op 
den grond. II. ikan djeroengy e. s. v. 
grooten haai. 

^ërodjol; më«ö?;^örf;o/, doorbreken van 
het kind bij de geboorte. 

cUëronskis, aan het einde naar boven 
gebogen, zooals b. v. een balk; rnén- 
dj^rongkiskan, iets zoo buigen, b. v. om 
er een touw onder te brengen. 

djëronfiskons, met het bovenlijf voor- 
over gebogen op de beide handen steu- 
nend; voorovergevallen en zoo terecht 
gekomen; méndjh'ongkong, die houding 
aannemen Mën. juist het tegenover- 
gestelde nam. op den rug liggen met 
armen en beenen of pooten in de hoogte. 

Aj e-wak, = bijawajp, zie ald. 

^ib. Eng klui verzeil. 

cUibah, op veel plaatsen voorhanden; 



bh'djiöah, algemeen voorhanden zijn, 
van koopwaar. 
djibërail. Ar. Gabriël, de aartsengel. 
djibilat, Arab. natuurlijke aanleg, 

wezen. 

djidar, Jav. lijn, regel, linieersel; men- 

djidari, iets linieeren, belijnen. H. Abd. 

djih, ook djify mikstokje, waarnaar mpn 

met platte steentjes of geldstukken gooit. 

djihdd, Arab. heilige oorlog tegen de 

ongeloovigen. 
djibdn, Perz. wereld; djihdn pahdlawan, 
een Perzische titel, die overeenkomt 
met maarschalk, generalissimus. In het 
Mal. meest ^ö^^i» uitgesproken en met 
de beteekenis van held. 
djibat, Arab. zijde, kant; aanzien, 

uiterlijk voorkomen. 
djlka, Skr. indien, als, zoo; djika bUom, 
voor dat ; djika sigïra, zoodra ; djika .... 
sakalipon, al ... . zelfs ; hiervan djikalau. 
djikalau» verb. van djika met het arab. 
lau, heeft geheel dezelfde beteekenis 
als djika. 
djila; btrdjila, slingerend afhangen. Mën, 
in kronkels afhangen; berdjila-djila, 
slingerend zweven van een vlieger. 
djilantah, niet gaar van binnen, van 

gekookt graan, v. d. W. 
djilat; méndjilat, likken, ook van de 
vlammen gebruikt; méndjilatkan lidah, 
likkebaarden. 
djilid, Arab. lederen band van een boek, 

boekdeel. 
djilit, band van een boek, het Arab. 
djilid; méndjilitf inbinden; pïndjilif, 
binder. 
dliloewans;* e. s. v. boompje, dun van 
stam en met lange, smalle, bruine bla- 
deren. Pad. boven] . volg. v.d.T. andji- 
loewang. 
djimat, I. Arab. azimat, amulet. IT. 
zuinig, voor het Arab. himmat, zie ald. 
djin, I. Arab. daemon, genius, geest, zoo- 
wel goede als booze. II. Eng, gin, jene- 
ver. III. zadel, = pélana, Swett. 
djinak, tam, mak, gewend, gemeenzaam 
of familiaar geworden van hen die eerst 
schuw waren; brutaal, b. v. van jonge 
kippen, zeeroovers enz.; blèrdjina}p-dji' 
nakan, met elk. op een vertrouwelijken 
voet gekomen, van hen die vroeger 
schuw voor elk. waren; bh'djinahdji- 
nakan dtngan b'éhasa dirinja, zich ver- 
trouwd maken met zijn eigen taal; 
mëndjinalfkan binatang, dieren temmen. 



102 



cUinaka «" ^oedjoel. 



djinaka» grap, guitenstreek, guitig, 
grappig; blèrdjinaka^ gekheid maken, 
grappen uithalen. 

djindn, Arab. paradijs. 

djindseat, Arab. vorstelijk lijk, lijkbaar, 
lijkstaatsie. 

djindjang, I. slank, van den hals; 
hoeroeng dj,, e. s. v. kraanvogel; ber- 
djalan méndjindjang^ met uitgerekten 
hals op de teenen loopen, II. bestuur- 
der, opperste, hoofd; ook: geestenbe- 
zweerder; djindjang radja, de geesten- 
bezweerders van den Vorst, die hem 
steeds vergezellen. In de H. T. is djin- 
djangan e. g.v. gezant en wordt onder- 
scheiden in dj. ioewa en dj. moeda. 

djindiing:, « djendjeng, zie ald. 

djins, e. s. v. spel, waarbij een rij van 
*i«^o^^-vruchten wordt opgezet, welke 
met een bal, IcMoel genoemd, moeten 
worden omgeworpen. 

djingrera, I. oranje, oranjekleurig. II. 
djingga mesri, e s. v. versnapering, 
stijve brij, die met stroop gegeten wordt. 

diing^sang:, dun van middel, slank. 

djinekit, zie djengket. 

dlingkolet; niéndjingkolet, kopje-onder 
vallen. 

djinis, Arab. genus, geslacht, soort; 
sadjinis, van dezelfde soort; bhrdjinis- 
djinis, bij soorten, allerlei soort; djinis 
Jcita, lieden van ons slag; serba djinis, 
allerlei soort, van alle soorten. 

djinniy Arab. tot de djin's behoorend, 
daemonisch. 

djinnijat, Arab. fee. 

djintan, komijn, waarvan twee. soorten: 
dj. poetih en dj. hitam, 

djintat, uitsteken van de tong, ZQoals 
van slangen, hagedissen, kikkers eoz. zie 
djhitit, 

djintik«dj intik, made van de muskiet, 
beter djtnti^-djhiii^, zie ald. 

djintoen, zie djitoen. 

diipans, = ijipan, zie ald. 

djir, zie djih, 

djiral, een ziertje, ondeelbaar klein iets, 
een weinig. L. 

djiram, waterval. Zie djfiram^ 

djirdn, Arab. geburen. 

djirat, chineesch graf. Mën. huisje bij 
de graven. 

djirdjir, Arab. boonen. 

cyix*êt, Jav. strik; zie djerat. 

djii*lk, e. 8. V. plant, welks bladen ge- 
bruikt worden tegen uitslag. 



djiroes; mendjiroes, besproeien, zachtjes 
begieten, == diroes, zie ald. 

djlsim, Arab. lichaam in de geometrie. 

djisxnani, Arab. stoffelijk, lichamelijk. 

djitah, e. s. v. liaan, die elastieke gom 
levert. 

diitoen, = pohon, boom, b, v. hinggap 
didjitoen slèganda moeli en hinggap di- 
djitoen nagasari. 

djlwa, Skr. ziel, leven; mlèmboewang 
djiwanja, zijn leven wagen, prijsgeven; 
oetama djiwa, liefkoozingswoord, uit- 
verkorene. 

dj o, = dengan. Pad. bovenl. 

djodo, paar, koppel, wederga, weder- 
helft; üada djodonja, heeft zijn we- 
derga niet; méndjodokan, van een we- 
derhelft voorzien, paren. 

djoebah, Arab. lang op perkleed, tab- 
baard. 

djoebin, Jav. gebakken vloertegel, zie 
oebin en roebin. 

^joeboeng, bedekking, scherm ; gewelfd 
dek op een vaartuig. 

djoeboer, het Arab. doehoer. zie ald, 

djoedah, I. Djedda, de bekende haven- 
stad in Arabië. II. los in den mond, 
b. V. adapon hamba orang itoepon dji- 
kalau dengan djoedah moeloetnja sapérti 
memaki tja, maka soeatoe pon iiada 
lagi salahnja, wat dien slaaf betreft, 
als hij los in den mond is en bijvoor- 
beeld scheldt, dan heeft hij hoegenaamd 
geen schuld meer. Oend.; berdjoedahan, 
losgaan van ketenen eu kluisters. S. 
Dzoel, 

djoedas, op Java, Judas, valschaard, 
valsch. 

djoedi, hazardspel, dobbelspel; niéndjoedi 
en mdin djoedi^ dobbelen ; méndjoedikan, 
verdobbelen ; pièndjoedi, dobbelaar ; pir- 
djoedian, dobbelplaats. 

djoedja, zie adjoedjah. 

djoedjai; méndjoedjai, op een afstand 
bestoken, met pijlen, kogels, werpspie- 
sen enz. Mën. uitlokken, iets doen met 
het doel dat een ander ook iets doen zal, 
b. V. om iem. aan het lachen te maken. 

cUoedji, e. s. v. groene duif met twee 
halvemaantjes op de borst. 

djoedjoeh, onafgebioken van den re- 
gen; rnéndjoedjoeh, onafgebroken neer- 
komen van den regen, binnenkomen 
van veel .schepen. 

^oedjoel, paalwerk, dat boven het 
water uitateekt. 



4joe4Joenfl: — • cyoen^ 



103 



4joedjoenfi;, zie djoendjoeng. 

djoedjoer, bruidsprijs, bruidschat, die 
aan de ouders der bruid betaald wordt. 

djoedjoet; mendjoedjoet^ aan iets trek- 
ken, zooals een visch aan de lijn, iem. 
aan een schelkoord. Men. ook nog plui- 
zen, uitpluizen, b. v. van idjoe^ om er 
touw van te maken, uitwringen van 
natte kleeren. 

djoee^^» zelfs, wel, ook; steeds, aldoor, 
steeds voort; niet te verwarren met 
djoewa, hoewel dit dikwerf geschiedt; 
sama djoega, het is hetzelfde, eveneens. 
Zie djoewa, 

^oefi:i, Skr. e. s. v. hindoeschen bedel- 
monnik. 

djoekoeng, Jav. bootje, kano, = djong- 
hong, 

djoekoet, e. s. v. geneesmiddel bij 
koortsen. 

4joolai, uiteinde van een tak of twijg. 
Men. rank van kruip- of slingerplan- 
ten; mendjoelai, zich aan iets hechten, 
zich om iets slingeren v. takken, over- 
kruipen naar een andere plant. 

^oelaxidëra., e. s. v. spel. H. Boedj. 
maar welk? 

djoelans, méndjoelang, omhoog boven 
iets uitsteken, schrijlings op den nek of 
schouder zitten van een ander, een 
kind of iem. zoo dragen; didjoelang 
ombalpy door de golven gedragen. Ook 
djaling, Saif Dz. ook: zich verheffen 
van de vlammen boven iets anders; 
met opgeheven arm iets dragen, Maxw.; 
djoelangariy e. s. v. parasietplant, die in 
de geneeskunde gebruikt wordt. Jav. 
djolangy e. s. v. draagstoel. 

^oelat, een groote, onbepaalde tijd of 
ruimte, een poos, een eind; doewa 
djoelat kapalf twee scheepslengten ; bl' 
bërapa zamdn dan djoelat-djoelat^ eenige 
eeuwen en onbepaalde tijden. I. P. 

cUoeli, e. 8. v. draagstoel bij optochten. 
K. T. 

djoelik; mêndjoeli^, in een blad wik- 
kelen, b. V. bloemen, opdat ze door 
de warmte van de hand niet bescha- 
digen. 

<^oelixie, scheel, loensch ; Mën. ongelijk, 
scheef, schuin, ook Mal. djoeling ajar 
en dj. h^hasa^ een weinig scheel, nu 
en dan iets scheel. 

AJoelir, e. s. v. harpoen. Mal. 

dijoeloens-djoeloeng, eerste, eerste- 
ling, voor 't eerst, aanvankelijk, be- 



gin, b. V, van periodieke winden, den 
vloed, van vruchten, enz.; spits toeloo- 
pende sneb van een vaartuig; ook e. s. v. 
visch met spitsen bek. Zie soeloeng, 

djoeloer; m^ndjoeloer, rechtuit steken, 
van den voet, een staart, een snuit, 
de tong uit den mond, een slang uit 
haar hol, met het hoofd vooruit voort- 
schuiven, zooals kleine kinderen op den 
buik liggende; mêndjoeloerkan lidah, 
de tong uitsteken ; djoeloer-djalar^ overal 
in- en uitloopen, rondslenteren ; ter- 
djoeloer kakinjay zijne beenen waren 
recht uitgestoken. 

djoexnaat, Arab. bijeenkomst, verga- 
dering; hari djoemaat. Vrijdag, de dag 
der bijeenkomst in de moskee; sadjoe- 
maat, eene week. 

dJoeiziadi*Mchir, Arab. naam van de 
zesde maand van het arabische jaar. 

dJoemadi*lëiw-al, Arab. naam van de 
vijfde maand van het arabische jaar. 

djoemantan, Jav. diamant. 

djoexnantara, Jav. de hemel, het fir- 
mament, ook: de lucht, het luchtruim. 

djoexnawa, verwaand, trotsch, onbe- 
schaamd. M. sterk begeeren, verlangen. 
O. en Abd. Sch. wrdb. 

djoembai» franje, kwast, «s= roembai, 
zie ald. 

djoerubil, kossem, halskwab. Zie g(é' 
lambir, 

djoexndjoexnahy Arab. schedel. 

djoexnhoer, Arab. best en voornaamst 
gedeelte van iets, volgens de Maleiers 
ook van de menschen en daarom: 
de godgeleerden, rechtsgeleerden en 
priesters. 

djoemlah, Arab. som van eene optel- 
ling of opsomming; m^djoemlakkan, 
optellen, besommen; iêrdjoemlahy opge- 
maakt, vastgesteld, bepaald, b. v. mas' 
kipon blèrapa méntjari ^elah, pada azdli 
djandji iérdjoemlahy al zoekt men nog 
zoo veel listen, iemands lot is toch 
van eeuwigheid bepaald. Ibr. b. Ch. 

djoempa; bërdjoempa, ontmoeten, aan- 
treffen; méndjoempa, iets ontmoeten, 
ondervinden; tida^ blèrdjoempa nasi, 
geen middageten te zien kragen; bér- 
djoempa matanja, hun blikken ontmoet- 
ten elkander. 

dijoexnpoel, e. s. v. eetbaren zeevisch. 

djoen» Jav. groote, ronde, aarden pot 
met nauwen hals, waarin men water 
haalt ; péndjoenan, pottebakker. 



104 



djoenat «- cyoeroen^. 



cUoentitt, Arab. bedekking, groot scliild, 
wapen ter afwering; djoenataUy allerlei 
wapenen. 

djoen^jang, een vierkantsmaat voor 
akkers, = djoeng. Volgens anderen een 
lengtemaat van 1^ a ly vadem en gaan 
er 40 op een hoema of akker. 

«^joendjoens, I. mendjoendjoeng, op 
zijn hoofd nemen, leggen, dragen; men- 
djoendjoeng kaki, de voeten (v. e. Vorst) 
op zijn hoofd zetten ten teeken van 
onderdanigheid; tnéndjoendjoeng doeli, 
hetzelfde, letterl. het stof (der voeten) 
op zijn hoofd nemen; tnendjoendjoeng 
Utah, het Vorstelijk bevel gehoorzamen, 
eerbiedig aannemen ; djoendjoengan, 
heer, gebieder, wiens bevel of stof men 
op zijn hoofd neemt, ook gebruikt van 
Mohammad sprekende; pérahoe jang 
th'djoendjoeng apilan, een vaartuig dat 
op zijn dek eene borstwering heeft. 
II. dj oen dj o eng an, staak, waaitegen iets 
op moet groeien ; djoendjoengan kat jang 
boonestaak. Ook een maat van 5 voet; 
niendjoendjoeng pengadjaran, iemands 
lessen opvolgen B. R. 24. 

cUoene, jonk, groot chineesch vaartuig. 
Ook de scheepjes als kinderspeelgoed 
worden djoeng genoemd ; djoeng petjak, 
hijoe djoega jang klênnjang, als een jonk 
vergaat, krijgen de haaien de buik vol 
Sprw. 

cyoenisit, omgekruld naar boven, zooals 
b. V. de bovenlip. 

djoengkang, liggen, rusten, van groote 
dieren. 

cyoensixat» aan één kant opwippen; 
zie djongkat. 

Ajoeogoer, vooruitstekende snoet, zooals 
b. V. de snuit van een varken en van 
sommige visschen, de sneb of voorste- 
ven van een vaartuig. 

^oenoen, Arab. inspiratie, geestver- 
voering, geest verrukking, uitzinnig, 
krankzinnig; méndjoenoen, zich als een 
bezetene aanstellen. 

^ oental; bh'djoentai, slingerend of los 
neerhangen, b. v. van de beenen als 
iemand zit, wat voor zeer oneerbiedig 
gehouden wordt, van een kleed, zijge- 
weer, vleugels, bloemen enz. méndjoen- 
iai, zoo laten hangen 

<^oeraisan, Jav. gezagvoerder, schip- 
per; op Java ook nog administrateur 
eener fabriek. Zie ndchoda. 

cyoerai» bundel van uit één punt los 



naar beneden hangende draden enz. b. 
V. franje van een kwast, tros druiven 
en dergel. Ook gebruikt als hulp-Telw. 
voor zulke zaken. Mën. deel, stuk, 
flarde. 

djoeran, buigzame staak met iets er 
aan om mee in beweging gebracht te 
worden, zooals de stok van een visch- 
net, een hengelroede enz.; djoeran kail, 
hengelroede. Zie djoewar. 

djoerang, engte, nauwe doorgang, holle 
weg, ravijn in het gebergte, steeg in 
eene stad. Ook tjorang. 

djoeras; mendjoeras, met geweld voort- 
sleuren, een arrestant enz. b. v. hamba 
djirat batang lehernja, hamba djoeras 
ija kamari', mendjoeras tangan^ iem. bij 
de handen voortsleuren, vdW. djoeroes. 

djoerat, grndw. y9^^ pendjeloerai^ h.y, 
patoetlah dipendjUoerat akan kadoe- 
wanja ini didalam pendjara besi. Pr. Dj. 

djoeri, of djori, span, van paarden. 
Swett. 

djoerit; p'éndjoerit, soldaat, plun deraar, 
dief Mën. pendjoeroet. Zie wbk. 

djoeroe, I, iemand, die in het een of 
ander bijzonder bedreven is, daarin 
voorgaat, daarin uitsteekt of uitmunt, 
b. V. djoeroe-toelis, schrijver, secretaris; 
djoeroe behasa, tolk, taalman. In de 
Oend. komen dj. behasa laki-laki en dj. 
behasa pérampoewan voor in betrekking 
tot de Chin. vaartuigen, maar als wat 
is niet duidelijk; djoeroe bandoengan, 
sluiswachter, dijk wachter; dj. moedi, 
(verk. van klèmoedi), stuurman; djoeroe 
batoe, de man aan boord die met het 
looden en ankeren belast is; djoeroe 
tinggi, bootsman ; djoeroe kerah, de op- 
roeper van het volk, een minder hoofd 
staande onder den batin ; djoeroe-masa^, 
kok; djoeroe-mifar, constabel; djoeroe" 
koeniji, sleutelbewaarder, rentmeester ; 
djoeroe ijap komp^ni, ijker; djoeroe- 
peta^, de bewaarder of beheerder van 
de laadruimen, ladingmeester; djoeroe- 
kUat, schieman. II. staat stellig in ver- 
band met I, vooropgaan, uitsteken, 
vandaar mléndjoeroe, uitsteken b. v. van 
een kaap, naar voren liggen. Mën. ; pht- 
djoeroe, hoek, ook geometrische hoek; 
tiga pendjoeroe^ driehoek, driehoekig; 
ïmpat plèndjoeroe alam, de vier hoeken 
der wereld; p^ndjoeroe mata, binnen- 
hoek van het oog. 

djoeroens» zie djorong. 



^oeroeman -^ djololf. 



105 



djoeroeman, zie djaroem, 

goeroes, I. poos; sadjoeroes, eene poos; 
bérdjoeroeS'djoeroeSf bij poozen. II. men' 
djoeroesïcan, water uitgieten op een 
badende. III. = loeroes, recht, recht- 
uit, rechte lijn. IV. Zie dj oer as en 
ioeroes. 

dj oer oh, Jav. stroop van suiker. In 
het Pal. ook een gedeelte van het 
geld, dat bij een huwelijk aan de hoof- 
den moet gegeven worden. 

toesta, Jav. leugen, « doesta. 

<^oeta, millioen; berdjoeia^ bij mil- 
lioenen. Skr. = 10 000. 

4joewa, slechts, zelfs. Dikwerf ver- 
ward met djoegtty zie ald. 

djoewadah, Perz. provisie, levensmid- 
delen ; e. 8. V. dikke pap, die als ver- 
snapering gegeten wordt. Men. ook 
gebak, lekkers, snoeperij. 

djoewak, page, edelknaap, lij f tra want 
van een vorst, bediende, volgeling; 
djoetoai; perahoe, het scheepsvolk; men- 
djocwa^ft hijschen v. d, zeilen. Men. id. 

djoewal, verkoopen; berdjoewalt zich 
bezighouden met verkoopen; mendjoe- 
waly iets verkoopen; djoewal-bUi, koop 
en verkoop; mendjoewal-heli hamba^ 
slavenhandel drijven; mendjoewal titak, 
op ongeoorloofde wijze van 's Vorsten 
naam of zegel gebruikmaken; rntitdjoe- 
wal namUy op eens anders naam, zonder 
zijn voorkennis of toestemming iets 
doen, bevelen of vertellen, met slechte 
bedoeling van iemands naam gebruik- 
maken; djoewalan, koopwaar, die ver- 
kocht wordt; djoewal hoelang^ borgen, 
op tijd verkoopen. 

djoewandansr; boedjang dj,, naam 
van den ongeluk- aanbrengenden god 
bij dobbelspelen, inz. bij hanenge- 
vechten. 

^oevrang; blèrdjoewang^ vechten van 
groote dieren, die tegen elkander in- 
loopen, zooals olifanten, draken en 
dergelijke; tegen elkander inloopen en 
botsen, van vaartuigen; Mën. wedijve- 
ren, tegen elk. op willen; djoewang- 
djoewang, e. s. v. galjoen op Mal. vaar- 
tuigen, waar plaats is voor een paar 
man om te slapen; daoen djoewang- 
djoewang = Héndjoewang, e. s. v. bla- 
deren, die men als onheilafweermiddel 
bezigt. 

AJoe-wani, de gelukaanbrengende god 
der hanengevechten. 



djoewar» I. djoewaran, hengelroede, 
strikboog. Zie djoeran. II. kajoe djoe- 
war, e. s. V. ebbenhout, ook kajoe arang 
genoemd. M. Mën, id. 

djoewara, I. scheidsman en bestuur- 
der bij hanengevechten, ceremoniemees- 
ter bij feesten en maaltijden. II. ikan 
djoewara^ e. s. v. eetbaren zoetwater- 
visch. Mën. djoewar. 

djoewa-woet, Jav. gierst, = sekoewi. 

djoewët, Jav. e, s. v. boom met blauwe, 
wrange vrucEten, ook djambUan, ge- 
heeten. 

djoewih, naar beneden omgebogen, 
van een rand, tuitvormig; bibir djoewih, 
hanglip. 

djoewita, Skr. liefkoozingswoord, be- 
koorlijk, liefelijk, b. v. ^mas dj.y be- 
koorlijk goud; ratna dj.^ bekoorlijk 
edelgesteente; iali dj.y liefelijk snoer, 
zijden snoer aan de borstplaat en om 
den middel. 

djoewoexn, stil, kalm, van het weder. L. 

djoezt Arab. gedeelte, afdeeling inz. 
van den Koran, die in 30 djoez ver- 
deeld is. 

djosan, zie tjogan. 

djogar, e. s. v. spel op het verkeer- 
bord; djogar ijahajay een bijzonder 
soort daarvan. H. Boedj. 

djoget, Jav. dansen, dansmeid. 

dj >]:ian, zie djihdn, 

«^ohior, de naam van een Mal. rijk 
op de zuidpunt van het schiereiland 
Malaka. 

djokdjok, Jav. draf, draven van een 
paard. 

djoli, jol, sloep. 

djoloh, e. 8. V. ibisvogel. S. 

djolok; mendjololc, met iets naar iets 
anders steken om het te bemachtigen, 
b. V. met een stok naar vruchten op 
den boom of naar iets dat op den 
grond ligt, met den vinger in de keel 
om braken te verwekken, een geheim 
uitvorschen, uit iemand halen; djolojp 
hantoe, e. s v. gras; Mën djolo^-djolo^ 
hantoe^ e. s. v. roode vrucht, die aan 
een slingerplant groeit, van binnen 
zwart is en als geneesmiddel wordt 
gebruikt; boeroeng dj, e. b. v. hout- 
snip = kaki dijan; mendjolo}p malam, 
een enkelen nacht bij iem. doorbrengen ; 
obat akan méndjolojc, middel om de 
ongeboren vrucht af te drijven; mH- 
djolojp katanja, de woorden uit zijn keel 



lOÜ 



djombalanar •— doedoe. 



lialen ; mhtdjoloie-djolo^ lohang hidoeng- 
nja^ in zijn neus peuteren ; jang didjololjp 
lida^ dapat, jang 'péndjolole tinggal di- 
atas, Sprw. voor ons: goed geld naar 
kwaad geld gooien. Men. 

cyombalang;, zie ijomblang. 

^ompana, zie djempana. 

^ompêlane, Jav. om wippen. 

djompok, e. 8. V. groote uil. M. 

i^ondjot, vlok, pluk, van katoen, 
hooi enz. mêndjondjoty aan vlokken 
plukken, uit elk. plukken, van zulke 
zaken als ze ineen zitten. 

djoneans, naar voren staand, van bo- 
venlip en boventanden. 

djonisgar, zie djongkar. 

Ajonskah, zie djongkar. 

4JO]3g:kaiig; mhidjongkang, met de 
punt schuin omhoog steken, steiler dan 
djongkah, b. v. een piek, die men op 
den schouder heeft; djongkang-djong- 
keng^ met verscheidenheid. Zie ook 
djoengkang. 

djongkar, op eene in 't oogloopende 
wijze boven uitsteken; djongkar-djang- 
kir, met verscheidenheid. 

djongkat, opwippen, schuin omhoog ste- 
ken, wippen van een ophaalbrug; d^am- 
hatan djongkatan, ophaalbrug, wipbrug ; 
kajoe djongkatan, wipgalg; djongkat- 
djangkity beurtelings wippen, zooals een 
wipplank ; mentjHari laniai ierdjongkat^ 
spijkers op laagwater zoeken. Mën. NB. 
M. leidt het af van hoedjoeng-angkat. 

djonffkok, Jav. hurken, op de hurken 
zitten. 

djonfckonfi:, bootje, kano van een 
uitgeholden boomstam, maar niet met 
platte boorden, zooals de djaloer\ ook: 
ijzeren ballastschuitje en schuitje van 
tin, b|V. timah sadjongkong. 

^jonfiTOSf Ned. jongen, bediende van 
een Europeaan. 

djontoh, mededeeling. overlevering? 
b. V. djika tiada salah kapada djontoh 
orang toetoa patik, inilah djadjahan 
négari Poda^ Soewana koenoen namanja. 
Mes. Kag. 

djorens, klein stuk van den rand of 
hoek van iets; méndjoreng, zulk een 
klein stuk afsnijden, b. v. van papier enz. 

djorok; méndjoro^, naar voren uitste- 
ken, b. v. tandjoeng méndjorojp kalaoet, 
in zee uitstekende kaap. Pad. bov.1. 

djoronit, I. plat ovaal, langwerpig rond, 
van schotels enz. ; pinggan djorong, een 



ovale schotel, ook een ovale beteldcos 
van metaal, schijnt meer door Vorsten 
en de poewan door Vorstinnen te wor- 
den gebr. II. bastion; berdjorong, van 
bastions voorzien. Pad. bov.1. 

dlaböë, Arab. hyaena. 

dlaïf, Arab. zwak, broos. Zie lemah, 

dlaldlat, Arab. dwaling. 

dlanciii*, Arab. geest, gemoed; geheime 
gedachte, wat op den bodem van het 
hart ligt. 

dlammafai, Arab. het bekende klinker- 
teeken ter aanduiding van o of oe. 

dlarab, Arab. slag, b. v. met een zwaard ; 
verslaan. 

dlaróérat, Arab. drang, nooddwang, 
drang der omstandigheden, nood. 

dloeböë, Arab. hyaena. 

dloba, Arab. de tijd tusschen het 3e en 
4e gebed. 

döa, Arab. gebed, het vrije gebed in 
tegenoverstelling van sembahjang, het 
verplichte gebed; ook: bezweringsfor- 
mule; meminta döa, een gebed doen, 
bidden; mêndöakan, bidden voor; döa 
djahat, verwensching. 

doang, Batav. enkel, niets anders. 

dobba', Arab. kalebas, pompoen, kau- 
woerde. 

dobi. Béng. waschman, bleeker; kdin- 
kaïn dobi, waschgoed; kampoeng dobi, 
de buurt der waschlieden. 

dodok-dodok, e. s. v. versnapering. 

dodol, e. s V. koek, bestaande uit stijf 
gekookt meel, waarin palmsuiker, ge- 
raspte kokosnoot en soms ook vruch- 
ten zijn gemengd. 

dodong, op Sëlangor = b^ladau. Mën. 
een zij wapen, vooral door jongelieden 
gedragen. 

dodos; méndodos, uitsnijden, wijder 
maken, uithollen, van een gat. 

dodot, Jav. e. s. v. k^mban van danse- 
ressen. 

doeb, Arab. beer, het gesternte van 
dien naam; aldoeboe'lakbar, de groote 
beer; aldoeboeHasgrar, de kleine beer. 

doebalanar» verb. v. hoeloebalang , aan- 
voerder, legerhoofd; op Sumatra titel 
van hoofden, die den minsten rang 
hebben, zooveel als agenten van policie. 

doebir, zie dabtr, 

doeboer, Arab. = b^lakang, en pantat, 
zie ald. ; lobang doeboer, aarsopening j 
ktdoet doeboer, aarsplooien. 

i doedoe ; mendoedoe, tegen wil en dank 



doedoek — doekoeng. 



107 



volgen, b. v. van iem. of iets, dat 
voortgesleept wordt. 

doedoek, zitten, gezeten zijn, wonen, 
verblijfhouden, gaan zitten, gelegen zijn, 
zich zetten tot, bezinken ; b. v. doedoeh 
Mrümbalan^ op één hoogte, op één rang 
zitten; doedoe]^ di-atas daripada, hoo- 
ger gezeten zijn dan; d. disisi, zitten 
naast iem. ; d. i^rantoe}?, overhaast gaan 
zitten, erg. op neervallen; angin doe- 
doeje ditimoer, de wind zit vast in het 
Oosten; doedoe^ diianah Djawa, op 
Java wonen ; silakanlah toetoan doedoejp, 
wees zoo goed en ga zitten ; doedoejcnja 
nêffarif de ligging v. die stad; doedoek 
oembiy reeds wortels hebben gemaakt, 
van palmen; doedoelp peroeiy zich tot 
zwangerschap gezet; doedoelf baik-bdiky 
leef wel, als afscheidsgroet; ajar kahwa 
Hoe soedah doedoe^, die koffie is reeds 
bezonken ; doedoe^ d^ngan, gehuwd zijn 
met; méndoedoehkany doen of laten zit- 
ten, in het Mën. ook : zitten voor of om 
iets, b, V. m)èndoedoeJekan sakit kapala\ 
masing-masing doedoek dengan tempat- 
njay ieder zat op zijn eigen plaats; 
doedoejp masing-masing pada Idïknjay 
ieder zat op de plaats die aan zijn 
rang paste; mëndoedoe^kan dtngan^ 
doen huwen met; doedoeki saroemah, 
samen één huis bewonen; mendoedoeki, 
zitten op; nïéngadoedoeki, bewonen; 
pëdoedoefy bewoner, opgezetene; kadoe- 
doekan, zetel, zitplaats, woonplaats, 
residentie, ligging van een land, be- 
stendige positie, waarin men verkeert, 
onderlaag, onderstel, waarop iets ge- 
plaatst wordt; kadoedoeie, gezeten. Pr. 
Dj. mendoedoeipkan, ook: vastzetten 
van een plant door er aarde tegen- 
aan te drukken; sakadoe doekan^ samen- 
wonen; doedoe^ hersoesoen^ zitten met 
de handen gevouwen en het hoofd ge- 
bogen, onderdanig, eerbiedig; doedoejp 
èh-sikoe toenggal? Mes. Ka^. zie dëkap; 
doedoek dibhidoel, bij iem. inwonen, ge- 
logeerd zijn ; iérdoedoe]py toevallig komen 
te zitten, op zijn achterste neerkomen. 

doedoet, Mën. rooken, » het Jav. 
oedoet. 

doesay peilen; baioe doega, peillood; 
tali doega^ loodlijn; mindoega, iets 
peilen, b. v. het water, een wond, het 
gemoed; pendoegUy de peiler, hij die 
met het looden belast is; Jav. gissen, 

. meenen; tiada tërdoega, onpeilbaar. 



doeg;al. misselijk, walging gevoelend. 

doesang:; mendoegang ^ met een touw 
iets houden om het omvallen in tegen- 
overgestelde richting te beletten, b.v. 
een boom. Mën. beletten, tegengaan, 
zich verzetten; mendoegang perentah, 
zich tegen de bevelen verzetten. 

doeh, Tueschenw. om honden te roepen. 

doejoen; berdoejoen-doejoen^ voortstu- 
wen, zich golvend voortbewegen, stroo- 
men, van eene menigte menschen, sche- 
pen, mieren enz. Ook: in menigte 
achter elkander aankomen van schepen 
in een haven. 

doejoengr, de zeekoe; ajar-mata doe- 
joeng^ zeekoe-tranen, gebruikt als too- 
vermiddel. Zie vdW. 

doek, Jav. de harige vezels van den 
aren-palm. Zie idjoek\ tali doe^^ touw 
dat daarvan gemaakt is. 

doeka, Skr. smart; doeka-ijita, droef- 
heid ; mendoekartjiiakany bedroeven, 
smart aandoen; kadoekadn^ bedroefd. 

doekana, wellustig, ontuchtig. 

doekat, Ned. dukaat. 

doekatjita, zie bij doeka, 

doekoe, e. s. v. zeer aangename vrucht, 
lansium domesticum. Zie lansat. 

doekoeb, I. gouden halvemaantje, dat 
op de borst gedragen wordt aan een 
snoer om den hals. Mën. halsketting van 
gouden of zilveren plaatjes in den vorm 
van een halvemaan. Bijzondere soorten 
zijn: d. lawilawi metêkap en d, sa- 
hari boelan. Een gouden keten met 
vijf zulke doekoehs onder elk., die van 
boven naar beneden breeder worden, 
wordt gedragen door bruid en brui- 
degom, terwijl de Vorst bij zijne inhul- 
diging er zestien aanheeft. II. gehucht, 
buurt, afgelegen erf, b. v. analp orang 
doekoeh kidal alasan, kinderen van 
lieden uit de gehuchten, terzijde van 
het woud gelegen; ook kluizenaars- 
verblijf. Mes. Kag. 

doekoen, Jav. inlandsch geneeskundige, 
hetzij man of vrouw, vroedvrouw; doe- 
koen darahj heelkundige. M. 

doekoeng; mhtdoekoeng, dragen, inz. 
van iets levends, hetzij op den rug, 
rnéndoekoeng belakang^ of op den arm, 
I». ampoe, of op de heup, mrkelek, of 
in een doek, m. ambin; b'érdoekoeng 
kapada aa'orang, bij iem. op den rug 
zitten, b. v. om over eene rivier te 
gaanj kdin doekoeng^ zie bij katn. 



108 



doekoet — doesta. 



doekoet» Jav. gras, = roempoet, 

doelah, verk. v. cihdoellah^ eigennaam, 

doelang:, 'ondiepe houten bak, platboomd 
met opstaanden rand, een houten pre- 
senteerblad; doelang-doelang ^ d warshou- 
ten van de mars op groote schepen, de 
zaling, mar. 

doelapan, acht; doelapaa belas, acht- 
tien; doelapan likoer^ acht-en-twintig ; 
doelapan poeloehy tachtig; kadoelapan, 
achtste, de acht, ten achtste enz. 

doelat, Arab. draagstoel. 

doeldoel, Arab. eigennaam van het 
paard van Ali. 

doelfln, Arab. de dolfijn, ook de naam 
van een gesternte. 

doeli, Skr. stof, nederigheids-uitdrukking 
bij het toespreken van den Vorst, b.v. 
doeli toewankoe, het stof van TJ. ,M. 
doeli pddoeka, het stof der schoenen; 
doeli hlapakan, het stof der voetzolen; 
doeli bagindtty het stof van Z. M., allen 
uitdrukkingen om de hoogheid van den 
Vorst en eigen geringheid in het licht te 
stellen. Het best worden ze vertaald met 
Uwe of Zijne hoogluisterrijke Majesteit; 
b^rdoeli, loopen, gaan, te voet gaan, 
te voet reizen; ook komt doeli voor 
ia de beteekenis van voeten inz. van 
Vorsten, mata doeli , enkels; b^rtjemar- 
doelif de voeten vuil maken, z. ver- 
waardigen tot iets. 

doellak» verkorting van den eigennaam 
Jbdoellah. 

doeman, deel, plukloon van rijpe kokos- 
noten. 

doempoel, Jav. stopverf, zie dempoel. 

doenahy Perz. boeroeng doenah^ een lok- 
vogel. P. 

doeiifi;as; méndoengas, ademhalen. vdW. 
zie pangoes, 

doenfikoel, en dongkol, kort en krom, 
gebogen, van een krisgevest, horens enz. 

doeniBoe, stomp van begrip; beter dt- 
ngoe, zie ald. Mën. doengoe. 

doensoen, e. s. v. boom met taai hout, 
dat gebruikt wordt voor borstwering 
op vaartuigen. 

doenia, Arab. de wereld, het tegenwoor- 
dige leven, wereldsche goederen ; doenia- 
achérai, voor tijd en eeuwigheid, hier 
en hiernamaals, in deze en in de toe- 
komende wereld. 

doenidwi, Arab. wereldsch, aardsch. 

doepa» Skr. wierook; pMoepaanf wie- 
rookvat wierookschaal. 



doera, I, ongerust van hart. II. van het 
Perz. doeiooer, ver, verwijderd. 

doeraaih, Arab. e. s. v. lang wollen op- 
perkleed, vanvoren open ea met ééne 
rij knoopen. 

doerdja, Skr. gelaat, aangezicht. vdW. 
schrijft der dj a. 

doerdjana, Skr. slecht, boos; letterlijk 
slecht mensch van doer, slecht en d^ana, 
mensch; sidoerdjandy die booswicht. 

doeren, Jav. « doerijan, zie doeri. 

doerfi:a, eigennaam van de gemalin van 
Siwa; in de Mal. HSS. dikwerf fl?o^r^a 
naia, de naam van een godheid. 

doerhaka, Skr. ongehoorzaamheid, ver- 
zet tegen gestelde machten, b. v. God, 
den Vorst, de overheid, ouders, onder- 
wijzers enz. mïndoerkaka kapada, op- 
staan tegen; orang doerhaka, oproer- 
ling, ook p'éndoerhaka. 

doeri, doorn, stekel, puntige graat; ikan 
doeri, graatvisch, e. s. v. visch; doeri 
pandau^ doren van den pandanus, ook: 
weerhaak; adalah saperti soeafoe doeri 
Urtjoetjoe^ pada maianja, 't was hem 
als een doorn in het oog. S. Dz. doeri 
landa^, de pennen van een stekelvar- 
ken; méndoeri landalp, er als stekel- 
varkenspennen uitzien, eene schoonheid 
van de vingers, H. Gr. hati méndoeri, 
Mën. wrevelig worden; ajar diminoem 
rasa doeri, nasi dimakan rasa sekam, 
kommer hebben, in zorg verkeeren; 
ber doeri, met doornen, van een plant 
enz. doerian, een welbekende vrucht; 
soorten zijn: d. hanioe, d, daoen of 
d. hoetan, d. tenggajoen, d. Uatbaga, 
met geel vleesch. 

doerian, zie doeri. 

doer\jas, e. s. v. gebloemd fijn neteldoek, 

doerrddj, Arab. hazelhoen. 

doerradjab, Perz. lang opperkleed met 
wijde, lange mouwen. 

doesanak, bloedverwantschap. 

doesi; mêndoesi, half slapende of slaap- 
dronken zijn na het ontwaken; gedurig 
sukkelen, van kleine kinderen, zonder 
dat men weet wat hun mankeert; kla- 
gend schreien, janken. 

doesin = doesi, zie ald. 

doesoen, dorp, gehucht, buitenverblijf, 
landhoeve, het land in tegenoverstelling 
van de stad. Voor dit laatste ook pier- 
doesoenan en plèdoesoenan. 

doesta, Skr. leugen, leugenachtig, on- 
waar, valsch; bïrboewat doesta, leugens 



op den moüW spelden; alangkah does- 
tanja öada^ ini, wat kan deze rino- 
ceros geducht liegen ; mendoesta en ^e?- 
doesta, liegen; méndoestakany heeten 
liegen, logenstraffen; mendoestdi^ belie- 
gen; pêndoesfa^ leugenaar. 

doeta, Skr. bode, gezant; radja doeta^ 
eerste gezant; ptndoeta en pedoeta^ zie 
oepadoeta. 

doewa» twee; tiada doeicanja^ er is 
geen tweede van, d. i. het heeft zijn 
weerga niet; dalam doewa^ zwanger 
zijn. Mën. iidak doewa, niet zoo weinig, 
zeer. Mën. didalam doewa Ungah tiga^ 
tusschen twee en derdehalf, d. i. tus- 
schen leven en dood, tusschen hangen 
en worgen; doewa tiga^ twee a drie, 
d, i. een paar, eenige; mendoeway de 
tweede zijn, b. v. van kinderen; ook: 
bij den tweeden o vergooi raken, bij 
een spel; galoppeeren. Mën. mendoewa 
hatiy huichelen, onoprecht ziju, id. 
mendoewakany tot twee maken, b.v. van 
God; doewa belas en sapoeloeh doewa^ 
twaalf; doewa-poeloek doewa en doewa 
likoer, twee en-twintig ; pendoewa, mak- 
ker, secondant, bij- of tweede wapen, 
b. V. keris pendoeway de bijkris; men- 
doewa kaliy voor den tweeden keer doen ; 
mendoewakan angan-angany op twee ge- 
dachten hinken, met verdeelde gene- 
genheid; perdoeway tweede deel; ka- 
doewtty tweede, d« twee, ten tweede; 
doewa-doewtty alle beide; berdoeway met 
zijn beiden; bttdoewa-doeway twee aan 
twee; b^rdoewadtty bij paren van twee; 
tnêmperdoeway van een tweede voorzien, 
er een tweede aan toevoegen, b. v. 
adinda kb tidaff kakanda p^rdoewa, 
ik zal geen tweede aan u toevoegen. 
B. S. 

doe^vai» zwager, meestal verbonden met 
ipar tot ipar-doewai, 

doewit, Ned. duit; ook voor geld in 
het algem. 

doffol» plathoofdig, zonder horens van 
rundvee, zonder kam van vogels. 

doiak) e. s, v. eetbare zoutwater-polyp. 
V. d. W. 

dojan, Jav. lusten, belust zijn. 

dokok; doko^e-doko^y e. s. v. versnape- 
ring^ 

dokter, Ned. voor een Europeesch ge- 
neesheer; dojpth' djawtty de inlandsche 
vaccinaleors, die door het Gouv. zijn 
opgeleid en aangesteld. 



dola, Skr. draaghangmat, draagkoets, 
hangmat, schommel. Zie doelat, 

dolak; dolai:'dali]ey verdraaid, verkeerd; 
méndolaTc-daliJfkariy verdraaien, ver- 
keeren. 

doloy e. s. V. moerasvogel, d. 1. Cr. 

dom, Jav. naald; pedomauy kompas, 
naar de naald zoo geheeten. 

doman, het Jav. doemariy aandeel, pluk- 
loon vaa rijpe kokosoooten, waarvan de 
plukker een bepaald aantal krijgt; 
doman monjet, e. s. v, plant, zie dom, 

domba, Perz. schaap. 

dooiins:g:o. Port. bij verk. minggOy Heer; 
hari dominggoy dag des Heeren, Zondag ; 
satoe domittggOy een week. 

do in pak, = dempo^ en dompat, zie ald. 
mendompaJp. Mën. springen, steigeren 
van een paard; herdompalpy tegen elk. 
stooten, bonzen, redetwisten, wedijveren, 
elk. de loef afsteken. 

dompat, dicht bij elk. staan, aanpalen, 
aangrenzen, b. v. van huizen. L. tegen- 
over, aan gene zijde. M. zie dompa^. 

dondang:, wieg, schommel ; mtndondangy 
iets in schommelende beweging brengen, 
b. V. door aan een touw te trekken; 
m^ndondangkan lajafy het zeil speling 
geven door de touwen te vieren. Zie 
ook dendang, 

dondon,? kleur, van kleeding; sadondon, 
van één kleur; m^makai sadondoUy alles 
van één kleur dragen? zie dandan. 

dondone:* e. s. v. reiskoffer met los 
deksel. R. met de handen wegdragen, 
wegbrengen. R. 

dongak, vanvoren opgelicht, zooals het 
hoofd om naar boven te kijken, van 
een stuk geschut enz. 

donsens:, Jav. verhaal, vertelsel, zin- 
gende vertellen. 

dons:infi;; mendonging, dwingen, drensen 
van kinderen, aanhoudend met een ^er- 
zoek lastigvallen. 

dongkang:» Batav. e. 9. v. padde. 

dongkërak, Batav. dommekracht, verb, 
Ned. 

dongkol, zie doengkoel. 

dongok, onevenredig dik, in vergelijking 
met de lengte. Mën. id. 

dóp, Batav. verb. Ned, saus; pakai dop, 
in saus of boter klaargemaakt; ikan 
bandeng didop, bandëngvisch in een 
botersaus klaargemaakt. 

dordk, Arab. waterkruik, koelkruik, 

doran» ^ djoeran, zie ald. 



110 



dovotLit •-» ekoei*. 



doronfi;$ mindoronp, voor uitschieten. 
MëD. schielijk, in haast ergens heen- 
gegaan of binneugeloopen ; terdorong, 
te ver gegaan, b. v. in het spreken, 
onwillekeurig te veel vooruitgekomen. 
= Urlaloe in ongunstigen zin. 

dosa, Skr. zonde, misdaad; berdosa, 
zondig ; b^r boewat dosa, zondigen ; soetji 
daripada dosa^ onzondig. 

dosanak, naastbestaande, bloedverwant. 
Mën. dausana^^ ook weerga, evenbeeld, 
collega, ^ö^^ötf-genootj dosanalp kan- 
doeng, hetzelfde van moeders zijde; d. 
iboe en d. bapa, van moeders en vaders 
zijde; d, neneif iboe en d, nene^i bapa, 
van grootmoeders en grootvaders zijde. 

dosin, Ned. dozijn; ook losin, 

dzaba^, Arab. slachten; hiervan debaky 
zie ald. 

dzahan, Arab. geest, verstand. 

dzaib, Arab. ondeugd, gebrek. 

dzakar, Arab. mannelijk, dapper ; Ie mak 
dzakar^ impotent. Zie kambang. 

dzdkir, Arab. gedachtig, dankbaar. 

dzalil) Arab. gemeen, laag, verworpen. 

dzanab, Arab. misdaad; staart. 

dzarrab, Arab. een atoompje, ziertje. 

dzdt, Arab. het wezen van iets. 

dzatik, Arab. smaak. 

dzib, Arab. wolf. 

dzikir, Arab. geheugen; Gode lofzingen 
met vermelding zijner eigenschappen. 

dzil, Arab. aanhangsel, sleep. 

dzimmi, Arab. schatplichtige; kliënt. 

dzoe» Arab. bezitter, eigenaar; dzoe- 
HJparnain^ de bezitter der twee hoornen, 
bijnaam van Alexander de groote. 

dzoe'lfakdr, Arab. eigennaam van het 
zwaard van Ali. 

dzoe'lbicyab, Arab. de laatste maand 
van hel Moh. jaar. 

dzoe'lkaXdah, Arab. de voorlaatste 
maand van het Moh. jaar. 

dzoerrdh, Arab. de spaansche vlieg. 

dzoerrijat, Arab. nakomelingen, af- 

, stammelingen. 

£2. 

ebaxn» cylindervormige porceleinen pot 
met deksel. 

ebaxi» ook hehan^ vierkant op zijde smij- 
ten; ebanan, wat vierkant op zijde ge- 
smeten is. 

ëbans, « bang II. 

ebel^ scherm of zeil tot beschutting 



tegen zon of regen Voor deur of ven- 
ster, dat met stutten opgezet wordt, 
ook boeiplank v. e. vaartuig. Pal. 

ebeng, = embeng^ zie ald. 

edan, Jav. gek, dwaas, = gila; edan 
kasmaran^ dol verliefd, sih oorlij k ver- 
liefd; ka'èdanan, gek geworden. 

ëdap, ook dap, e. s. v. tamboerijn. 

ecüa, van het Arab. hedja* ; 
spellen ; edjaan^ spelling. 

ë^jan, persen, drukken, bij ontlasting. 
Zie redjan. 

ecyek; mhigedje^, bespotten, beschim- 
pen, hoonen met woorden of gebaren, 
ironisch, door naaping, inzonderheid 
met iemand anders sprekend. 

ëdjins» zie dji7ig, 

edjoeng:, naam van een Mal. volks- 
stam onder Riouw. vdW. 

ëdjoens, zie djoeng» 

efïbadi, heer, turksche titel. 

esah; mmgegah^ breedbeens . loopen, 
daarbij beurtelings de schouders naar 
voren brengend. 

ëgar, grondw. van ségar en rnêgar. Zit 
ald. en het Jav. wrdb. op egar» 

ësoens, = goeng, zie ald. 

ëkal, zie kal, 

ëkar, zie mékar, 

ekoer, staart; ook gebruikt als hulp- 
Telw. bij de optelling van dieren en 
spottend soms ook van menschen; sa*- 
ekoer Umboe^ een koe; kita mèngambil 
hambanja sa^orang sa^ekoer^ wij nemen 
hare dienstmaagden ieder eentje (spot- 
tend) ; ook van afgoden, die de gedaante 
van een dier hebben; ekoer sirihy het 
ateeltje van een betelblad; ekoer koe- 
tjing en ekoer toepai, soorten van ge- 
neeskrachtig gras; ekoer Upas, puntje 
haar in den nek, door Mal. fatten ge- 
dragen; ekoer /ö^^ö^»^, slangstuk, e.s.v. 
kanon; ekoer mata, de buitenhoek van 
het oog; mélihat dëngan ekoer mata 
kapada, schuin aanzien, van terzijde 
aanzien; ekoer poelau, het smalle uit- 
loopende gedeelte van een eiland ; ekoer 
pariy driekant, van een dolk of degen; 
ekoer pipi, het onderste gedeelte van 
de wang bij den mond ; ekoer soenting, 
het steel tj e van een pluimpje of bloem 
in het haar achter het oor; ekoer tikoes, 
rattestaart, een ronde vijl; bürekoer^ 
ekoer, achter elkander, ook; overal 
achterna loopen, zooals een kind zijne 
moeder; sa' ekqer-sa* ekoer, een voor een, 



elak — » ëxnbaxi.' 



111 



van dieren; ekoer hota^ het lagere ge- 
deelte eener versterkte plaats, achter- 
buurt. 

elak; méngelalf^ ontwijken, uitwijken voor 
een houw of een bevel; mengelaJpkany 
afwenden, afkeeren. Abd. Moei.; meng- 
elalekan kerdja, het werk ontwijken, 
ontduiken; ikan ela^, e. s. v. eetbaren 
zoutwatervisch. Zie ook erak en beloe^, 

ëlantf, ook helang en lang^ sperwer, 
kiekendief; soorten zijn: elang hajamy 
'ëlang boeri^y elang radja-wali, elang 
sipoety Mang laoet en elang soewir. 
Verder lêlang malanty de nachtmerrie; 
MangMangy een vlieger. 

elaty het Arab. ^élat, zie ald. 

ëlat, zie lat en helat. 

ëles, zie les. 

ëlib; mengMihy even omkijken; in tegen- 
overstelling met menolihy geheel om- 
kijken. 

eling:, Jav. herinneren, oplettend zijn, 
denken om, gedachtig zijn aan, op- 
merken, het oor leenen, het oor neigen, 
luisteren. 

ëlmoe, kundigheid, wetenschap; elmoe 
^ssdba^y Arab. voorwetenschap; elmoe 
jang grdiby verborgen of geheime weten- 
schap; elmoe boelat doenia, wiskundige 
aardrijkskunde; orang b^relmoe, een 
geleerde of man van wetenschap; ë. 
fabiby de geneeskunde; ë. kira-kira, de 
rekenkunde; êlmoe ^ikmat ph'ang, de 
krijgskunde. 

eloy Ned. onze oude el. 

êloe; méngHoe-UoekaUy iem. plechtstatig 
inhalen, verwelkomen. 

ëloek, ook loe^, bocht in het lemmer 
van een kris enz. k^ris b^rloeJe tigay een 
kris met drie zulke bochten. Zie ook 
kaloeif en kUoe^. 

eloen; mlèngeloen, tot iets overreden, tot 
iets gunstig stemmen, overhalen tot. 

ëloene, ook loeng, kromte, boog; 'êloeng 
badjoey de uitgesneden hals aan een 
h9Adi}t 'yfléngUoengy wat e. boog maakt, 
de hoepels van een crinoline. Zie Uoe^ 
en long. 

ëloet, zie loet. 

elok, mooi, schoon, fraai, sierlijk, be- 
vallig; ook: geschikt voor, b. v. elo^ 
dipakaiy geschikt om gebruikt te wor- 
den; elo^ disingkapy geschikt om weg- 
genomen te worden; e/o^ di-andja^fy 
geschikt om overgeplant te worden; 

. sama ta*elo^, van partijen : de eene 



zoowel als de andere in eene moeilijke 
positie; elo^ dengan boeroe^ ta'bUjlèraiy 
goed en kwaad zijn onafscheidelijk; 
ka'élokany schoonheid, fraaiheid. 

ëmak; ook majp en ma'y moeder, moe- 
dertje, ook als aanspraaks- en liefkoo- 
zingswoord; ma'saoedaray moei, vaders 
of moeders zuster; ma*oetoa en ma*toeway 
vaders of moeders oudere zuster; ma*' 
moeda of ma'oeda of ma*bongsoe of 
ma'k^tjily vaders of moeders jongere of 
jongste zuster; maHengahy of ma'ngah 
of ma'alangy vaders of moeders mid- 
delste zuster; ma'toenggaly vaders of 
moeders eenige zuster; ma'soesoey of 
maHeielpy zoogmoeder; ma'tiriy stief- 
moeder; ma'enang, e. s. v. vrouwelijke 
beambte aan het hof. 

ëmas, goud; ook in eigennamen en als 
liefkoozingswoord; een goudgewicht = 
y\ thail; ^mas m^lintas, het gedeelte 
eener schuld dat de gewoonte toekent 
aan het hoofd, dat de geschillen tus- 
schen schuldeischer en schuldenaar heeft 
beslecht, doorgaans de helft van de 
verschuldigde som. Mal.; ^mas poetihy 
en ?. kodolpy platina; e. kawin, huwe- 
lijksgift van den man aan de vrouw; 
'émas merahy rood d. i. donkergekleurd 
goud, ook als liefkoozingswoord; emas 
masa^y gedegen goud; ^mas t^mpawaUy 
gesmeed goud ook ^m^is diiiiik-y ïmas 
oeraiy stofgoud; emas lantjoengy valsch 
goud ; tmas kajoe mati, bruidskrans, R. 
V. E. (?); lèmas toewa, zuiver goud; ë. 
^artaSy bladgoud; anak lè. in 's mees- 
ters huis geboren kind eener slavin; 
kena (èmaSy omgekocht worden of zijn; 
jang lèmpoenja ëmaSy de geldschieter, 
schuldeischer ; sa'ëmas tnamy 50 percent, 
letterl. een mas van 4 soekoe geeft er 
6; Men. = een ImaSy waarvan de 
oewang 6 pitis waard is; ^mus sakati 
limtty ter bepaling van een bedrag, nl. 
/32, bij de adat voor sommige zaken 
vastgesteld, Pad. bov.1. zie keUii mlèng^ 
lèmasiy vergulden, omkoopen; ka^masan, 
van goud, verguld, luister, gouden voor- 
werpen ; plèrïmasany goederen v. waarde, 
totaal beloop v. e. inkoop enz. 

ëmat, mat, in het schaakspel. . 

êmbal, nog niet in zijn hart droog, 
nog klam of vochtig, v. iets dat men 
laat drogen. 

ëmbalau a balaUy zie ald. 

ëmban» borstdoek, die onder de armen 



112 



Gxnb&t <^^ enipiSé 



door vastgemaakt wordt; singel van 
een zadel; emban ekoer, staaitriem v. 
e. rijbeest. Zie klèmba^. 

ëmbat; menffemèaf, slaan met een dun, 
zwiepend voorwerp, b. v. een rotting. 
Ook slaan van de zeilen tegen den 
mast bij windstilte. 

embaljans, zie Kimhaljang, 

ëmbeb, I. troetelnaam voor meisjes; 
met het oog op II, zou ik denken, dat 
dit overeenkomt met ons: bakkesje. 
II, uiterlijk voorkomen van het onder- 
ste gedeelte v. h. gelaat; sa^embeh, van 
hetzelfde uiterlijk voorkomen. 

exnbek, het zeil voor een open galerij, 
de klep van een tent. 

êcabek, I. mengembe^y inbuigen, zooals 
b. V. een vloer. II. niéngembe^y blaten 
van schapen en geiten. 

embens; méngembeng, met e. publieke 
dansmeid dansen tegen betaling aan 
haar; zulk een dansmeid betalen of 
iets geven, al heeft men met haar ook 
niet gedanst. 

embêr, Ned. emmer. 

ëmbêrak, e. s. v. zeemeeuw. 

ëmboeb, en emboehkan, bewilligen, toe- 
stemmen; ta^^mboeh^ niet willen, niet 
toestemmen ; emboeh-tmboehan ï= soeng- 
goehpon, 

omboen, dauw; e. bekoe, rijm, sneeuw; 
?. djantan^ dauw, die in groote drop- 
pels neervalt ; t. kajangan e. s. v. ver- 
snapering; )è. barahj strooisel dat aan 
iets blijft hangen, strooizand; kdin 
chasah emboen, neteldoek batist; karfas 
ïmboen, dun papier voor vliegers; ^. 
bïtinat licht uitgespreide dauw; ^. 
Uroetojpy dauw in droppels overgaande; 
kering 'ëmboen, als de dauw is opge- 
droogd, 's morgens 8 uur; mengemboen- 
kaUy aan den dauw blootstellen. Zie 



ëmboens;, mannelijk eerstgeborene uit 
een echt, al hebben de gehuwden, of een 
derzelve, ook voorkinderen. Zie soeloeng. 

ëmboes, zie Kémboes^ 

ëmboeTvai, titel van e. s. v. vrouwe- 
lijke hofbedienden ; mogelijk de per- 
sonen belast met het wiegen? Zie bij 
boewai. 

ëmbok:, Jav. als aanspraakswoord voor 
gewone vrouwen, die men eeren wil, 
moeder, moedertje. Ook Tussohenw. 

emoel ; mêngemoelf schaamteloos, indrin- 
gend, lastig zijn. 



empa» zie 

êtnpans; mengempang, versperren van 
een weg, rivier enz., bedammen, be- 
dijken, tegenhouden door versperring 
van den weg; Mën. ampang ook tegen- 
houden met uitgestrekte armen, een 
stok of touw; verhinderen, dwarsboo- 
men, beletten. Zie hiervoor rintang en 
lintang. Zie ook pampang; empang 
ikan, een dam gelegd om visch te van- 
gen; ë. paja, een dam gelegd om land 
onder water te zetten ; e. tamboen kota^^ 
een dam zwaarder van constructie dan 
de gewone empang; penglèmpang^ barri- 
kade, verhakking, dam, dijk, vijver 
voor vischteelt; tmpang djaring, sta- 
ketselnet. 

empans:, op Java, vischvijver. 

ëxnpap, I. mengempap, treffen met of 
van een zwaar voorwerp, zooals b. v. 
een inzakkenden balk. II. vast tegen 
of op elk. drukken, b. v. vleesch in een 
ton, boeken op een rek, nat linnengoed 
op een stapel; mlngempapkan tangan 
kapada dada^ de hand tegen de borst 
drukken. Dit zal wel = I zijn. Zie pèl- 



empar ; mengempari dwars afdrijven door 
stroom of wind; pengempar^ een slecht 
gebouwd vaartuig, dat altijd afdrijft, 
geen koers houdt. 

êxnpat, vier; menglêmpaty de vierde zijn, 
b. V. van een kind; bertmpat, met zijn 
vieren zijn ; plèrlèmpat, vierde deel, kwar- 
tiertje; p^rempatafiy viersprong, kruis- 
weg, kruisje als handteekening ; ^mpat 
poeloeh, veertig; meng^mpat poeloeh 
hari, op den veertigsten dag na iemands 
overlijden een doodenmaal houden. 

ëmpëdoe, hempMoe. 

ëmpenak, ook penajp^ met zorg groot 
brengen; goede woordjes geven, bele- 
zen ; poedjoe^ lèmpena^^i allerhande vlei- 
taal; ana^ penant zie anajp, 

ëmpik; mêngempik, onstuimig, dringend 
verlangen naar iets, zooals b. v. een 
zuigeling naar de borst, een gastheer, 
dat zijne gasten goed zullen eten. 

ëinpins. jonge rijst of ander graan in 
den bolster geroost en daarna gestampt ; 
(èmping bh'antah, zulke rijst waarin nog 
ongepelde korrels zijn; padi ^mpingan^ 
rijst voor ^mping bestemd; ook padi 
pirémpingan, 

ëxupis; ïmpis moensang » lamdoe^'pai, 
e. s. V. liane met geneeskrachtigen wortel. 



enipee — > enei^ar. 



113 



ëmpoe, I. een hoofddeksel als teeken 
van rang. II. Jav. hoofdknol, waar om- 
heen de kleinere zitten; de meester, 
om wien de anderen heen zitten; titel 
van oude dichters en wapensmeden. 

êmpoek, melig, kruimig, malsch, zacht 
van vleesch, licht brekend van touw 
enz. vergaan, vermolmd, brokkelig van 
hout. 

ëmpoel; niéngempoely op dezelfde plaats 
zich blijven bewegen zonder vooruit te 
komen, b. v. van een schip, dat met 
sterken tegenwind worstelt. 

ëmpoeloer, zie hempoeloer, 

émpoenia, ook poenjay bezitten ; J<i«^ 
empoenja, de eigenaar, bezitter, heer 
van; jang empoenja diri, de persoon 
zelf; mémpoenjaiy in het werkelijk bezit 
van iets zijn, bezitten. 

ëmpoeroey naam van e. s. v. vogel. 

êmpoes, Jav. = Mmboes en hapoes, 

ënab, Jav. bezinken. 

enak, lekker, van smaak, gevoel, be- 
vinding; pleizierig; zie ook seclap. 

ënal, ook nal, prop op eene lading. 

ênam, zes. Voor de samenstellingen zie 
de gramm. op de Telw. 

enang, voedster van een prins of prin- 
ses; ma'enangy de opperste der enangs. 
Aan het hof van den regeerenden Vorst 
is het aantal enangs zestien; enangda, 
hoftaal = enang. Mën. mainangy ver- 
zorgen, oppassen; enangan, de geza- 
menlijke enangs. 

enangda, zie enang. 

ënap, Jav. }Cê.nèby bezinken. Mën. id. Zie 



endah, fraai, kostbaar, interessant, 
vreemd, curieus, belangrijk, b. v. chabar 
jang endah, een belangrijk bericht; 
benda jang endah-endahy fi'aaie, kost- 
bare zaken; akoe ta*endaky ik geef er 
niet om, ik stel er geen prijs op; 
apatah endahnja kapadakoCy welk be- 
lang heeft dat toch voor mij? meng- 
endahkauy iets fraai, kostbaar, van be- 
lang achten, op prijs stellen, zich voor 
iets interesseeren, om iets geven. 

ëndal; mêngendal, induwen, instoppen, 
b. V. gras in eene mand, goed in een 
koffer enz. 

endans, Jav. een boetelinge of non; 
vrouwelijke bediende van een pandita. 

ëndap ; m^ng^ndap^ bukken om zich aan 
het gezicht te onttrekken, kleiner wor- 
den van een vlam, tot bedaren komen 



van driften, bezinken, neerslaan van 
beslag, naar binnen slaan van eene 
huidziekte. Hiervan mendap^ zie ald. 

ëndas, zie andas. 

ëndau, naam eener plaats onder Pahang. 

endel, zekere danspas met een zwaai 
van den voet; rnemboewang endel, deze 
pas maken, ook door vrouwen gebezigd 
als zij met eerbied voor iemand uit- 
wijken onder het voorbijgaan. 

ëndëlas, e. s. v. onschadelijke slang, 
waarmede men wel speelt. 

ëndiak; ^ndjai^-êndjaJc, van toorn stamp- 
voeten. 

end j al; tnëngendjal, met kracht in iets 
steken, boren, duwen, b v. een dolk in 
het lichaam, een kurk in eene flesch. 

ëndiëlai; hendjelai, zie djèlai. 

ëndjoet; meugendjoety door een zachten 
ruk in beweging brengen, zooals een 
visch den vischlijn; eventjes oplichten, 
zooals het lood aan een loodlijn; zich 
ineendringen en weder uitstrekken, zoo- 
als iem. op een schommel ; de hiel even 
oplichten en weer neerzetten, terwijl 
de teenen op den grond blijven. Zie 
ook dïnnjoet. 

ëndjot, Batav. wippen. 

endoena;; mengendoengy Batav. buiten 
's huis slapen, van iem. die bij een 
rongging op de markt blijft. 

ëndoens; rnéngendoengy in de taal van 
kleine kinderen: zich bij iemand be- 
klagen over iemand of iets. 

ëndok, vertrouwelijke benaming van 
vriendinnen onderling, of van den man 
tegen zijne vrouw, of tegen kleine 
meisjes; meng^ndo^kan, kinderen met 
dat woord in slaap sussen; ook iem. 
daarmede aanspreken. 

ënsali; ^ngah-léngahy en mengah-niéngahy 
hijgen, buiten adem zijn, b. v. van 
zware vermoeienis. 

ëngeh, = tèngah^ zie ald. Volgens andere 
HSS. tnggejf;. 

ënggan, I. bepaalde plaats of plek aan 
iets, b. V. van een plank, die doorge- 
zaagd moet worden, de plaats waar 
zulks moet geschieden. II. weigeren, 
ook niet gesteld op iets. Zie sêgan-y 
hati ^nggany onwillig van aard. 

ënggang;, de rhinocerosvogel ; ^nggang 
dania, die met één horen; ïnggang pa- 
paUy de soort die twee neushorens heeft. 

enftgar, gedoogen ; enggar-enggaraUy aan 
genaam maken, de B. 

8 



114 



ënakafai — • ei*ak. 



ëngkah, lijm; htghah-engkah^ nog niet 
geheel gaar, nog eenigazins rauw, niet 
geheel rijp, nog niet verzadigd van de 
smaak. 

ënskak, e. s. v. taart, ook lijm. Zie 
^ngkah, 

enekang; mengengkangy wijdbeens; zie 
kangkang» 

ëngkaran, een bovennatuurlijk voer- 
tuig, waarmede men kan vliegen of 
zweven. 

ênskau, gij; ^ngkau orang^ gijlieden; 
blèrïngkau, tutoyeeren. 

èngkènfi:» Mën. zie kenkhnq. 

ënffkoe, verkorting van Üngkoe^ titel, 
die gegeven wordt aan de kinderen van 
den Rijksbestierder. 

enesel, Ned. hengsel, scharnier. 

eni^soet; mengengsoet, beetje voor beetje 
voortschuiven, zooals kleine kinderen, 
die nog niet loopen kunnen. Ook lang- 
zaam voortgaan v. e. vaartuig bij wei- 
nig wind; iets eventjes van zijne plaats 
schuiven. 

ëniboens» = uiboeng, zie ald. 

ëninfit» zie héning, 

ënnjah, = njah, weg, scheer je weg, 
voort; ook zich uit de voeten maken, 
b. V. maka njaklah ija, en hij pakte 
zijne biezen, hij maakte dat hij weg 
kwam; niênnjahkan, wegjagen. 

ënnjak; meng^nnja^, vaster ineen per- 
sen, den grond aanstampen. 

enoe» Jav. vorst, vorstelijk. 

ënoxn, Jav. jong; gebr. in poëzie. 

ensil, zie engsel, 

ensoet, zie ivgsoet. 

ëntah, of, in twijfelachtig vragende be- 
teekenis, b. v. hitah ija maiiy lèntah 
hidoep^ tiada sïhaja tahoe, of hij dood 
is, of levend, dat weet ik niel Hier- 
van het achterv. tah. Soms moet het 
vertaald worden met: ik weet het niet, 
b. V. soedahkak ija blèrlajaVy is hij uit- 
gezeild ? entahy ik weet het niet ; intah- 
kan, samentrekking van HiaA met akan ; 
êntah'léntah, afstammeling in den zesden 
graad; ittitah-b^rlèntah , ontelbaar, onbe- 
rekenbaar, onschatbaar. Pad. boveul. 
b. V. httah'b'ërhttak kakaf'aannja^ v.d.T. 
bïréntah'^ntaht buitengewoon, v.d.T. zie 
antah. Mën. Wrdb. 

ënfcak; mèngtniah zich op iets laten 
vallen, b. v. op een stoel ; op den grond 
Btooten van een schip, steken van een 
bloed vin; Mën. ook steken met een 



lang voorwerp; Uranta^-anta^i de op- 
en neerwaartsche beweging van een 
ruiter te paard; rninghtta^-enta^kan 
kakiy stampvoeten, trappelen; berênia^ 
kaki, stampvoetend ; mengHnta^-lèiita^' 
kan, ook stampen met een inhoudsmaat 
om die goed gevuld te doen zijn ; pHg- 
entaje, stamper, heiblok. ' 

entak, soms voor sentalp, zie ald. 

ëntanfi, =t lUa^, zie ald. en vergel. 
thitang en telentang. 

enteng^, Jav. licht, niet zwaar; zie 
ringan, 

ëntih, verkorting van poetik als eigenn. 
van vrouwen. 

êntjans:; menglèntjang, met geweld op 
iets trappen, vertrappen. 

ent j el, of intjil, de bet. heb ik nog 
niet kunnen vaststellen. Voorb. bértali 
leher ioedjoeh bëlit, bërkamr perboewatan 
tjina blèrentjel-entjel naga aakawan; 
pièrsalin sapoeloeh pïranggowan pakajan 
langkap dlèngan entjel-entjel sekar soe- 
hoennja, deze laatste plaats tot twee- 
malen toe. 

êntjèr, = tjajar en tjèwèr, dun, liquide. 

entiet, zie intjoet, 

ëntjik, titel voor fatsoenlijke Maleiers, 
zoowel mannen als vrouwen; léntji^ 
djantan en ^. bMina, de heer en de 
vrouw des huizes ; e. oenggal, het eenigst 
kind des huizes; ^. engkoe, titel van 
de afstammelingen des onderkonings ; 
e. wan, titel van de afstammelingen 
van den bëndahara en den toemëng- 
goeng. Het woord is oorspr. Chin. en 
beteekent oom. 

ëntjok, Batav. doodsteken, doorsteken. 

entjok, Batav. mank gaan, rheuma- 
tiek. C, 

entjol, Batav. in de weer zijn. B. 

ëntoek, Batav. laag van ingang zijn. 

epok, matten taschje met deksel, voor- 
namelijk voor de betel ; epoie-epo^e, e. s. v. 
pasteitjes. 

erak; mlèngerak, iets van iets, waar het 
tegenaan gesloten was, verwijderen, op- 
schikken, plaats maken, scheiden, af- 
scheid nemen ; van elk. verwijderen, uit 
elk. doen; kita btrera^ dehoeloe^ laten 
wij vooreerst scheiden; oelar mëngera^ 
Hngkarnja, de slang opent hare boch- 
ten. Ook wenden, keeren, van een rij- of 
vaartuig, boek, leger enz. b.v. maka 
tantxra itoepon era^lah akan oendoer^ 
het leger na maakte rechtsomkeert, om 



erdk — fakëtr. 



115 



af te deinzen. Hik. Boedj. meng er alpkan, 
losmaken, ontplooien b. v. van vaandels, 
zie ook elajp en heloeff. 

ërdk, Arab. Erak, de naam van de land- 
streek tusscben den Tiger en den 
Euphraat. Het wordt onderscheiden in 
Arabisch en Perzisch Erak. 

eraniy zie ook ram; menglèram, broeden 
van vogels; sa*oepama tUor sa'sarang 
diheram, als een heel nest met eieren 
bebroed; ménglèramkany doen broeden, 
laten broeden, iets uitbroeden. Ook 
Kéram. 

erans» zwart, donkerblauw, donkerrood 
v.d.W. zal wel het Jav. irlèngy zwart, 
zijn. Mën. id. ; djamboe erang, een don- 
kerroode djamboe, ook op Riouw, zie 
perang, 

êranis, steunen, kreunen; zie bij rang. 

era», zie ir as, 

êrat, zie rat, 

eret; mïngeret, sleepen, achter zich aan 
trekken; mengeret hati, het hart ver- 
voeren; mêngeret tali bagraly een muil- 
ezel bij den toom leiden; méngeret-eret 
koeda, een paard afleiden bij den teugel 
Zie ook seret en hela. 

êrijas, het zachte binnenste v. e. pisang- 
stara enz. Ook rijas. 

ërik, zie Kérijp, 

ërinsr; boéroeng hing, e. s, v. valk. 

êringan, =» ringan, zie ald. 

ëroGi pokoi> eroe, de casuarine-boom. 
ook roe, 

eroens^eroenSf tapgat, spuigat op een 
vaartuig, riemgat. 

eroet, scheef getrokken, verwrongen, 
scheef, verkeerd, ook van zien; eroeilak 
pekerdjadnnja, zijn werk week af van 
zijne instructie; eroet-bengoet en erang- 
eroet, krom en scheef in verschillende 
richtingen; mengeroetkan moeloet, den 
mond scheef trekken. 

ërtl, Skr. zin, beteekenis, meening; êr- 
tinjay dat wil zeggen; orang ërti, een 
schrander mensch; tiada ber^rti, zonder 
zin; ^rü jang ieroes ierang^ duidelijk 
verstaanbaar; menglèrti, verstaan, be- 
grijpen; mhig^rlikan, uitleggen; peng- 
lèrtian, verstand, begrip; ka^rdan, ver- 
staanbaar, begrijpelijk; sa*ërti, van één 
zin of begrip. 

esa^y I. aamborstigheid; mêngeêa^p, snik- 
ken onder het weenen. II. niéngesal^ op- 
schuiven, opschikken. Mogelijk verkeerd 
voor mêng^sa^ (van k(èsa}p)y zie ald. 



êsanfi:, mengisang, den neus snuiten, 
door het eene neusgat met de vingers 
dicht te houden en het andere uit te 
blazen. 

esek; demam ese^, e.s.v. tering, waarbij 
de opperhuid droog en schubbig wordt. 
V. d. W. geeft op demoen ese^. 

esoek, morgen, den volgenden dag; 
besoe^y later, in 't vervolg; esoe^ hariy 
morgen den dag; pada ka'èsoekan ha- 
rinja, den daaraan volgenden dag -y esoe^ 
loesa, morgen of overmorgen, wel eens 
in 't vervolg, te avond of morgen, bij 
tijd en wijle, den een of anderen tijd; 
beresoekan hariy als men den volgenden 
dag heeft; mengesoe^kany tot morgen, 
d. i. tot een onbepaalden tijd, uitstellen, 

esoet, zie engsoet. 

estëriy zie isteri, 

estoe» Jav. wastoCy Skr. ngestoniy zege- 
nend toespreken. In de Pandji- verhalen. 

etja, Jav. lekker, smakelijk. Zie sédap. 

ëtoes. Zie toes II. 

Deze letter wordt door de Maleiers 
als p uitgesproken. 

taal, Arab. daad, werk, weldadigheid, 
goede werken. 

f dal, Arab. voorteeken ; memboeka fdaly 
de voorteekens raadplegen. 

fadd,, Arab. loskoopen, losprijs betalen. 

fa<\jar, Arab. aanbreken van den dage- 
raad, morgenschemering. 

iadlihat, Arab. schandelijkheid, iets 
schandelijks; menfadlihat.'cany smaden, 
smaadheid uandoen. 

fadloeli, Arab. zich bemoeien, zich inte- 
resseeren voor; menfadloelikany zich be- 
moeien met; tiada fadloeli, er niet 
om geven; sifadloeli, bemoeial; meng- 
ambil fadloeli, notitie van iets nenaen. 
In dé spreektaal perdoeli. 

faliam, verstaan, bekwaam ; salahfaham, 
verkeerd opvatten. 

fahd, Arab. de vliegen vanger. 

fahdoe, Arab. de los, het dier. 

faïdah, Arab. nut, voordeel, belang; 
berfdidahy nuttig ; tiada b^rfdidah^ on- 
nut, nutteloos. 

faïl, Arab. daad, werk. 

fakdr, Arab. de rugwervelen; daoeHfa^ 
l^dr, de naam van Mohammads zwaard, 
dat later op Ali overging. 



116 



fakdt — - fiaba-saba. 



fakëlt, =s moewdfa]paty zie ald. 

fakih, rechtsgeleerde. 

fakir, Arab. bedelmonnik. In die be- 
teekenis bij de Maleiers niet algemeen 
bekend, meestal een tijdelijk verblijf- 
houdend persoon, die zich op den gods- 
dienst toelegt, ook een arme « orang 
miskin, 

félf Arab, voorteeken; tafadla, voor een 
goed voorteeken houden. 

falak, Arab. hemelgewelf; ilmoe fala}:^ 
de sterrekunde. 

falandjib. Eng.? buitenkluiverzeil. 

fóli^j» Arab. de vallende ziekte. 

falik, Arab. iets buitengewoons. Zie 

falsafiy Arab. philosofisch. 

fana', Arab. broos, vergankelijk; negari 
jang fana\ het land der vergankelijk- 
heid, de aarde, het aardsche leven. 

£ani, Arab. broos, vergankelijk. 

fansoer, Arab. Baros op Sumatra; 
kapoer alfan§oeri, kamfer v. Baros. 

faracU, Arab. de geslacht sdeelen. 

f*arang:ki, frankisch europeaan. 

iardl, Arab. plicht, godsdienstplicht, 
noodzakelijke plicht. In de spreektaal 
perloe, 

faridai, Arab. eenzame, afgezonderde 
plaats. 

fëlrik, Arab. onderscheidend, onderken- 
nend ; alamat f drijft een onderscheidend 
kenmerk; memari^^ onderscheiden. 

fdrisi, Arab. ; wang fdrisi^ farizeër. 

farsandj, Perz. farsang, een afstands- 
maat van 6.7 kilometer. 

farsi, perzisch; orang f ar si y Pers, 
Perziaan. 

fa^ada, Arab. aderlaten. 

fasah, Afab. Paaschen. 

fasal, Arab. hoofdstuk, artikel, onder- 
deel, afzonderlijke zaak. 

faslh, Arab. welsprekend. 

iaslhat, Arab. welsprekendheid. 

fdsik, Arab. slecht, goddeloos, zondig; 
oraug fdsii(py snoodaard, goddelooze. 

fatah, het Arab. klinkerteeken voor de a. 

f^tibat, Arab. opening, inleiding, ook 
de naam van de eerste soera van den 
Koran. 

fdtixnab, eigenn. vao Mohammeds doch- 
ter, die met Ali gehuwd was. 

fatir, Arab. ongedeesemd van brood of 
deeg. 

fatwa, Arab, rechterlijke uitspraak, uit- 
spraak van een heilig man, goede raad. 



uitlegging of duiding van voorteekens. 
H. Abd. In 't Mal. ook petoewa, 

fêranski, Arab. frankisch, europeesch. 
Ook ferandji. 

frankistan, Arab. het land der Fran- 
ken, Europa behalve Turkije. 

fetor, = petory zie ald. 

fl, Arab. Voorz. = di; fihadzd adddr^ 
in het land der inwoning. 

fiïl, Arab. daad, werk. 

fikir, Arab. denken, peinzen; fikirauy 
gedachte, overdenking. In de spreek- 
taal pikify zie ald. 

filastin, Arab. Palestina. 

filsafat, Arab. philosofie. 

filsóéf, Arab. philosoof. 

firaoen, Arab. Pharao. 

firdsat, Arab. gelaat; ilmoe firdsat, 
gelaatkunde, doorzichtkunde, karakter- 
kunde, voorwetenschap. 

firdaiis, Arab. het Paradijs. 

firm^n, last of woord, van God of 
een Vorst; bejirmdny spreken, van God; 
tiada tejirmaniy niet te bevelen of te 
gebieden zijn. 

Jflróéz, Perz. overwinnend. 

firóézah, Arab. turkoois. 

flta, ook pitUy lint. 

iitnah, Arab. laster, kwaadsprekerij ; ook 
als scheldwoord gebezigd in de betee- 
kenis van lasterbrok; menfitnahkany 
belasteren. In de spreektaal pittnah. 

Atrab, Arab. belasting in rijst, na de 
vasten aan de priesters te geven. 

foekóér, Arab. ierfoekóéry in diep na- 
denken verzonken. In de spreektaal 
meest terpekoer, 

foelanoe, Arab. een zekere, N. N.^anoe. 

foerdt, Arab. de Euphraat. 

fberkdn, Arab. elk wetboek, doch al- 
leen van volken, die eene geopenbaarde 
religie hebben, b. v. de boeken van 
Mozes, het Evangelie, de Koran. 

foerkat, Arab. scheiding. 

foeroen, Arab. oven, fornuis. 

fbetóér, Arab. de vasten eindigen. 

foewëld, Arab. hart, gemoed. 

fokaba', de rechtsgeleerden, meerv. v. 
fa^th. 

O. 

saba-saba, droge bladen van den sago- 
palm, die tot dakbedekking enz. wor- 
den gebezigd; ook: eene versiering van 
bladeren, d. B. 



gabali —- gaeali. 



117 



gabah, Jav. rijst nog iu den dop, maar 
uit den halm. 

fsabai-gabai, een versiersel voor vrou- 
wen, bestaande in een stuk rood laken 
met goud bewerkt, aan den hals be- 
vestigd om de borst te bedekken. Pad 
bov.1. 

jsabas, grof, slordig, niet net, van werk. 

sabës, Jav. stokkerig, voos, b. v. van 
suikerriet. 

Saboes, Jav. onvruchtbaar, kinderloos; 
van rij staren zonder korrels. 

saboes, e. s. v. licht en zacht hout, 
van de wortelspruiten van den poelai- 
boom, dat gebruikt wordt om er snij- 
dende werktuigen op glad te maken 
en aan te zetten, zooals op een aau- 
zetriem; menggaboeSy aanzetten van een 
mes enz., schoonmaken van den loop 
van een geweer; penggahoes^ wisscher, 
pompstok; t^rapang gaboes^ zie iera- 
pang ; ikan gaboes, — aroewan, zie ald. 
gaboes-gaboeSy drijfkurken aan netten. 

gada, Skr. knots; gada-gada, windwij- 
zer, ook op de top van een mast; 
gada lintang, korte knuppel; kain gada- 
gada, vlaggedoek. 

Sadaiy pand, onderpand; g, berboenga, 
rentegevend pand; g, sekadja, bloot 
pand; gadai-menggadai, overal dit en 
dat verpanden; menggadaikan, iets ver- 
panden; orang t^rgadai, pandeling; 
gadaijatty pandgoederen ; pegadaijan, 
pandjeshuis, lombard. 

gadanfi;^ = badang, zie ald. 

Sadatnala, Skr. e. s. v. plant, behoo- 
rende tot de Zingibéracées. 

gadins, olifantstand, ivoor, vleugel van 
een leger, adjudant van een Vorst of 
Vorstin ; sapoetjoe^ gading y één olifants- 
tand; gading sakapala, een paar bij 
elk. behoorende olifantstan den, ook wel 
g. sapasang ; g ading -gading ^ spanten 
van een schip ; ber gading, wordt van de 
rijst op het zaaibed gezegd als dit 
witte puntjes vertoont; stri gading, 
Jav. e. 8. V. plant met welriekende 
witte bloemen; adakah gading gadjah 
jang soedah kaloewar itoe bolih dima- 
toejekan poela, kunnen uitgevallen oli- 
fantstanden weer ingezet worden, sprw. 
doelende op de verloren eer van een 
Vorst; main gading, ook e. s. v. dobbel- 
spel, d. Br. K. 

leadis, I. jong meisje, maagd; Mën. ook 
op den leeftijd gekomen van te paren; 



ajam gadis, jong hoen; koeda gadis, 
merrie veulen ; ikan gadis, e. s. v. kar- 
per; penggadisan, de maagdelijke staat 
II. e. 8. V. boom, overeenkomende met 
de sassafras. 

gadjah, Skr. olifant; ikan gadjah, 
walvisch, ook gadjah mina; kaïn ga- 
diah, e. s v. wit Europ. katoen, dat 
met het merk van een olifant in den 
handel wordt gebracht; gadjah me- 
nerpa, naam eener kruipende plant; 
g. mlénjoesoe, schuin afdak op zij van 
een huis ; g. gemoeloeng, e. s. v. scha- 
kels aan een gouden ketting; g. barat, 
e. s. V. jongensspel ; penghoeloe gadjah, 
opperstalmeester der olifanten; meng- 
gadjah, de gedaante van een olifant 
vertoonen, b. v. van een berg; gadjah- 
gadjahan, schaakspel; bermdin gadjah- 
gadjahan, schaakspelen. N. B. de stuk- 
ken heeten: radja, manteri, gadjah, 
koeda, tir en bida^. G. niéta, zie niéta. 

gaciji, gage, tractement, soldij, salaris; 
orang makan gadji, een gesalarieerd 
persoon. 

gacUoe, gedrukt, gedeukt; gadjoe leper, 
plat gedrukt. 

gadjoes, e. s.v. kwalijk riekende djam- 
boevrucht, waarvan de pit buitenop 
zit. Ook djamboe monjet geheeten. 

cadoeli, leven, lawaai, rumoer, ruzie, 
onlusten; b^rgadoeh, rumoer maken; 
menggadoehkan, in opschudding bren- 
gen, over iets lawaai maken; perga- 
doehan, opschudding, standje. 

sadoek, I. kwasterig, opschiklievend, 
fatterig. Mën. trotsch, verwaand. II. e.s.v. 
plant. 

sadoeng, e s. v. gewas, welks knol, 
gegeten, zwelling der ledematen en 
salivatie veroorzaakt, maar goed toe- 
bereid wel eetbaar is; gadoeng kastoeri 
en Uri^ gadoeng, e. s. v. klimplant. 

gadang, Mën. = besar, groot, voornaam. 

gaga, Jav. hoog, niet bevloeid, rijstveld 
= ladang, zie ald. 

gagab, kracht, sterkte, krachtig; gagah 
makan, sterk in het eten ; gagah b^rani, 
heldhaftigheid, lett. kracht en moed; 
htrgagah-gagahan, onderling de ktachten 
inspannen; menggagahi, kracht ergens 
bij zetten, met geweld iets doorzetten, 
ergens toe dwingen, eene vrouw ver- 
krachten, forceeren van een deur of 
slot, inbreukmaken op, zich verman- 
nen of inspannen tot iets; menggagahi 



118 



Sasa.i — salang. 



tanah orang, met geweld zich meester 
maken Tan eens anders grond. Oend. 
pinggagahan^ geweld, dwong, onder- 
drukking. 

gasai; menggagaiy zich optrekken bij 
het klimmen, zooals iem. aan een gym- 
nastiek-ladder. Pad. bovenl. 

fi^asak^ kraai. 

g;afi:axifi:, bloem- en bladsteel; het oog 
van een knoop ; gagang padi mengoerai 
en gagang angan djoeivita, twee soorten 
van handsieraden. Pr. Dj 

gaieap, ménggagapf stamelen, stotteren. 
Zie ook gegap. 

sasau; mênggagau, naar iets rondtas- 
ten, b. Y, in het donker; ook: betasten, 
b. V. dajang jang moeda digagaunja raia^ 
dat jonge meisje betastte hij overal, 
Ibr. b. Ch. 

ISali» roem, faam, glorie; zie mégah. 

sahar; ménggahaVy hard schuren, b. v. 
verroest ijzer. 

eabara, (Skr. huisvrouw, gemalin) van 
vorstelijke ouders, van ouders van gelij- 
ken rang, hetzij vorstelijk, hetzij burger- 
lijk ; ook : echt, van een vronw of kind. 

gahari, zie agahari en ^ahdri. 

eabaroe, e. s. v. welriekend hout, aloë- 
hout; soorten zijn: g, hoewajay g, me- 
dang en g. iandoe. 

isal\iay ook gaja, kracht, sterkte, lichaams- 
kracht; k^roi gahjanja, hij heeft veel 
lichamelijke kracht ; tiada blèrgakja lagi, 
geen kracht meer hebben. 

fi^aibana, verb. Arab. lichtmis, land- 
looper. 

SBÜnsi, snebachtige toeloop, van het 
voor- en achterschip boven de kiel. 
V. d. W. 

gaït; mènggaïi, met een langen stok, 
voorzien van een haak aan den top, 
iets, zpoals bloemen of vruchten, die 
hoog hangen, afhaken, aftrekken. Zie 
ook kaü. 

SAJa, I. Skr. sierlijke gang, gemaakte 
manieren, loop van iemands schrift, 
zingende toon bij het lezen. II. = 
gahja, zie ald. 

kiUal, veerkrachtig taai, zooals gekookte 
spieren enz. 

fiajam» e. s. v, kastanjeboom met eet- 
bare vruchten. 

|S:^jaii|2:, I. waggelend, van een beschon- 
keue, een vlaggestok zonder want, zwaar 
in het hoofd na te weinig slaap. II. 
e. ». V. hoi'de evenals para*para. 



sajezn, Jav. menggajemi, herkauweut 
Zie mamah, 

Sajoen» heen en weer slingeren, beieren. 

gajoeng, I. kokosdop met een steel om 
water te scheppen; zie «do^r. II. degen; 
mtnggajoengy met een degen houwen of 
steken. Zie Men. Wrdb. 

gajoety zwevend aan iets hangen, zoo- 
als een hanglamp aan een ketting, een 
vrucht aan een langen steel. Mën. meng- 
gajoetkauy iem. ophangen. Ook séngga- 
joety zie ald. 

gala, Skr. hars; stevig, sterk, stevig- 
heid, verband, samenhang; tiada èer- 
gala lagi, niet meer aan elk. verbonden 
van beenderen enz.; gala-gala, e. s. v, 
stopverf, gemaakt van kalk en hars. 
om scheepsnaden te stoppen; gala-gala 
lemboet, teer; m^mper galakan, de naden 
van gala-gala voorzien. 

galaba, = gralabah, Arab. Zie ald. 

galab, lange stok, zwieper, duwboom op 
vaartuigen, stok om zaden uit te klop- 
pen ; g. oendjam. en g. panijang, lange 
stok, dien men in het water steekt, om 
er een bootje aan vast te leggen; g, 
pandjang, e. s. v. jongensspel; g. sangga 
fliara, boom om het vooruitgaan Van 
een vaartuig te beletten, sloephaak; 
plnggalah, lengte van zulk een boom; 
matahari sapenggalah tinggittja, de zon 
staat een scheepsboom hoog, ongeveer 
halfzeven 's morgens. 

salak, fel, gretig, vurig, haastig, hap- 
pig, woest; ménggala^ekan, aanvuren, 
ophitsen ; opstoken van het vuur ; p^ng- 
gala]c, opwekkend middel, monteer- 
kruit, ook: buisje waarop de slag- 
hoedjes komen. 

galanis, onderlaag van balken, steenen 
enz. stut, steunpunt, waarop iets rust 
of staat; rnénggalang kapal, een schip 
op stapel of op de helling zetten ; kapal 
Ürgalang, een schip op de helling; 
rnénggalang y ook zich dwars in den weg 
stellen; kapala digalang hantal, het 
hoofd ondersteund met een kussen; hé' 
lopalfi maia tergalang, ooglid, waaronder 
iets geraakt is ; galang ganti, zich voor 
een ander in de bres stellen, opofferen ; 
galang dada, dwarsleggers, die buiten- 
boord uitsteken en het afdak van een 
vaartuig steunen; achterhoede; mlèTtg- 
galangkan dada, er de borst voor zetten, 
zich persoonlijk met iem. meiBVL', radju 
galang, het hoofd, dat 't opzicht heeft 



SSalas — eaxnpanfi:. 



119 



over de werven te Patani (?) Oend. Zie 
ook alang en kalang, 

fi^alas; menggalas, een stok of geweer 
of iets aan een stok over den schouder 
dragen; een mars op den rug dragen, 
daarmede rondgaan of venten; orang 
penggalas, marskramer. Maxw. Zie gelas 
en ook Men. Wrdb. 

lealeh, = ganai, zie ald. 

salênsran, Jav. dé dijkjes in de rijst- 
velden, zie pèmatang. 

WaX&aXf driftig, haastig, van spreken, 
eten, loopen, werken ; eenigszins getrou- 
bleerd, v.d.W. orang galgal, iem. die in 
alles haastig of driftig is. 

ISali; menggali^ graven, delven, opdel ven ; 
tergali kapada, bij het graven stuiten 
op ; menggali loempoefy baggeren ; peng- 
galiy graaf, schop; galian, wat uitge- 
graven is of wordt, gali-galian, aard- 
vruchten, wortelge wassen, Boeng. Ramp. 
delfstoffen. Mal. contract. 

Saiyoen^g:, galjoen. 

Saling, e. s. v. boompje, dat voor om- 
heiningen gebruikt wordt; volg. som- 
migen galing-galing ; galing gajal, een 
bijz. soort daaryan. 

Salir, goed glijdend, niet stroef, b. v. 
van den trekker van een geweer ; los in 
een holte, zooals b. v. een tand, een 
paal of spijker; verloopeu, van een 
schroef. 

lealoe, omgeven, omstuwen, omsingelen. 
Pad. bovenl. peraboe digaloe, naam van 
de groote vlag met langen wimpel daar- 
onder, die door den Bëndahara gevoerd 
wordt. 

ISaloeh, I. Skr. raden galoeh, gebruikt als 
titel van de Javaansche kroonprinses, 
zoolang ze ongehuwd is; astana ga- 
loehan^ prinsessehof. II Zie geloeh. 

Saloer, verband, samenhang; soesoer 
galoer, in zijn verband en samenhang, 
stamboom, zie aloer ; omhajp galoer^ 
golven die naar ééne richting gaan, 
V. d. W. wellicht fout voor gcUora, zie 
aldaar. 

Saloety zie geloet. 

salora» zie gëlora. 

S:»ta,9 klanknabootsend woord voor een 
donderend geluid. Zie degam en legam. 

Satnah, » gama^^ zie ald. 

Samai* e. s. v. boom, die licht timmer- 
hout levert, dat spoedig door de hout- 
worm wordt aangetast. 

leaxaak; ménggamajp'gama^, de hand aan 



dolk of zwaard slaan en dien een 
weinig uit en in de scheede bewegen, 
bij wijze van dreiging. Zie ook aga^ 
en amang. 

gamain, verbluft; ook: verlamd, b. v. 
kaki dan iangan rasanja gamam, armen 
en beeuen voelden zich verlamd. Ibr. 
b. Chas. 

gaxnat, e. s. v. groote tri pang ; g. koe- 
tan, e. s. V. plant. 

gaxxibang:, I. e. s. v. muziek-instrument, 
bestaande uit eene langwerpige, schuine 
bak, waarop houten of metalen staven 
los op koorden liggen, die met hamer- 
tjes worden geslagen. II. e. s. v. oor- 
sierraad van goud- of zilverdraad. Pad. 
bovenl. 

sambar, Jav. afbeeldsel, beeld, portret, 
schilderij, teekening, kaart; g. ianah, 
landkaart; g. timboel, afbeeldsel en 
relief; gambaran, teekeningetje ; meng- 
gambar, afbeelden, teekenen. Zie peia. 

gaxxibas, Jav. = ketola, zie ald. 

gacnbir, e. s. v. plant, uit welks blade- 
ren men de bekende looistof, cachou 
of gambir, kookt, die ook met de betel 
gekauwd wordt; g, pakoe, e. s. v. fijne 
gambir, spijkervormig ; g. boenga, die 
looistof in bloemenvorm ; g. hoetan, de 
wilde gambirplant; ladang g., gambir- 
tuin ; boenga g. e. s. v. bloem, groot- 
bloemige jasmijn, ook boenga ptkan 
hoetan, genoemd. 

S:araboeh, I. e. s. v. Madureschen dans ; 
bergamboeh, dien dans uitvoeren. II. te 
veel houden van iemand, die het niet 
waard is. 

S:axxiëlan, Jav. de javaansche muziek- 
instrumenten. 

ganciêstoe, e. s. v. rooden zee worm. 

gaxnit; menggamit, even met den vinger 
aanraken, om te wenken, of iemands aan- 
dacht te trekken, of stof af te slaan; 
tokkelen op een snaarinstrument, zacht- 
jes krabben met de pooten; mentjoebit- 
gamit, kneepjes en tikjes bij wijze van 
stille wenk ; gamit-gamitan, datgene of 
diegene, waarop men elkander aldus 
attent maakt, voorwerp van het stads- 
gesprek; zie ook komai en kamit. 

gainoh» een waterkruik van onverglaasd 
aardewerk, zonder tuit = kendi zonder 
tuit, onze gewone koelkaraf. 

gampantr» gemakkelijk te doen; mhig- 
gampangkan, het ligt met iets opnemen, 
ook main gampang-gampangan, er een 



120 



lliana 



Sangganjs. 



spelletje van maken; ana^p gampang, 
hoerekind. 

gana, en gani, het Arab. grana, rijk, 
groot, van God en in gedichten. 

ganaly juist als, evenbeeld. 

ffanang:, zie genang, 

isanasy woest, wild, alles aanvallend, 
van wilde dieren; rusteloos, onstuimig, 
voortvarend, woest, brutaal. 

Sranda, I. dubbel, voudig, maal zooveel ; 
sdkali gandüy eenmaal zooveel; doewa 
g.f tweemaal zooveel enz. doewa kali 
ganda daripada jang dthoeloe, twee- 
maal erger dan vroeger ; ganda-èh-gan da, 
dubbel en dwars; beplèrganda-gandakan, 
steeds iets verdubbelen; mengamhil 
ganda-btrganda, woekeren. II. Skr. 
reuk, geur; komt soms voor iu samen- 
stellingen, b. V. ganda roesa^ gandarija 
enz. Zie ald.; ganda segara, e. s. v. ver- 
snapering. 

sandan; g^bar gandan, e. s. v. groot en 
breed dekkleed, inz. van zijde. 

sandapoera, e. s. v. plant. 

Sandar, draagstok, welks midden rust 
op den schouder en aan welks beide 
uiteinden de last komt, hefboom met 
het steunpunt in het midden, ra van 
een schip, as van een rijtuig, ploegstaart, 
roerpen ; niénggandar, aan zulk een stok 
dragen; p^nggandaran^ wordt *t meest 
die draagstok genoemd; gandaran^ de 
last. 

£:andarija, e. s. v. boom met eetbare, 
rinsche vruchten, die gezouten als toe- 
spijs gebruikt worden. 

gandaroekam, e. s. v. boom, ook : e. 
8. V. hars, dat voor soldeeren en ook 
in de geneeskunde gebruikt wordt. 

gandaroesa, e. s. v. geneeskrachtigen 
heester, met een onaangename her te- 
lucht en lange, smalle bladen. 

sandasóeli, e. s. v. plant met fraaie 
bloemen. 

Sandatri, zie g^niUri. 

sandau, de hoornen van een kar. 

Sandawari, naar omhoog gebogen 
plank als versiersel aan de méra^ sim- 
pir, d. i. e. s. v. galerij buiten boord van 
inl. vaartuigen. 

Ifanden, groote houten hamer, Jav. id. 

Sandene, reiszak, v. d. W. 

sandewa, Skr en Jav. = gandi II. Zie 
aldaar. 

I2andi« I. =: gandih Zie ald. II. boog, 
handboog, voetboog. Ook gandetoa» 



I IKandiky hoepelvormig voorhoofdsiersel 
van eene bruid; gandilp ddngoe, zulk 
een versiersel in den* vorm van den 
aren-bloemstengel ? 

panding:, langszijde sleepen, zooals b. v. 
een sloep. Zie Mën. Wrdb. 

Sandja, I. de Indische hennep. II. e s. v. 
pareerstaug aan het lemmer van een 
kris; gdndja eras, uit één stuk met 
het lemmer; g. data?fg en g. mènoem- 
pang, aangelaschte gandja; Hang gandja 
eras, mast en steng uit één stuk; ge~ 
gandja, kroon of kapiteel van een 
pilaar, M. gandja poeri, zie poeri. 

gandjak, verschoven, een beetje uit de 
scheede getrokken, van wapens. 

san dj al, iets dat men ergens tusschen- 
steekt om het vast te zetten, of waar- 
mede men iets omwikkelt, om het 
beter in eene opening te doen sluiten. 

Siandjaran, .Jav. belooning, vergelding. 

isandiat, abnormaal, krampachtig sa- 
mengetrokken, van gespannen dingen, 
zooals draden, spieren enz. 

ISandJil, oneven, = gasal. 

gandoe, groote, zwarte, boonachtige 
vruchten van de merbau' en ipil-hoo- 
men, waarmede men e. s. v. spel, letjele, 
speelt; keling gandoe, spotnaam voor 
Klinganeezen, om hunne glimmende 
zwartheid van huid. 

£;andoeixi, Perz. koren, tarwe. Zie ook 
ièrigo. 

gandoeng, aan weerskanten buiten- 
boord hangen, van lasten, zoodat ze 
het water raken en het slingeren be- 
letten ; penggandoeng, uitleggers van een 
vaartuig; m^nggandoeng^ vruchten enz. 
op die wijze met een vaartuig over- 
brengen. 

gems, geluid van den vogel, die naar 
dit geluid Hggang genoemd is. Zie ald. 

sangrga, de rivier de Ganges. 

üo.xï.ssi'^d^T^S* naam van een boom, 
welks bladeren tegen hoofdpijn ge- 
bruikt worden. Ook gajang-gajang, zie 
aldaar. 

gaiissans; m'èngganggang, bij of voor 
een vuur houden, om het te warmen 
of te drogen; èerganggang, zich war- 
men of drogen voor een vuur; p'ëng- 
ganggang, verwarmingsmiddel, kachel, 
stoof, vuurmand; Ur ganggang ^ uitge- 
strekt van den arm, zoo genoemd naar 
de houding die de arm aanneemt om 
iets bij het vuur te houden. 



gansfioe — garanean. 



121 



ganggoe, plagen, storen, lastig vallen, 
ergens met de tanden aanzitten, aan- 
dringen; er haastig bij zijn om iets te 
doen. Zie ook oesi}^. 

ISanfi^erang, Jav. de roode mier. 

g^angsa, I. Skr. geel koper, klokken- 
metaal, ook een geelkoperen presen- 
teerblad op pootjes. II. menggangsay 
verzetten, verplaatsen, overplanten ; 
balai digangsa^ verplaatsbare balai. III. 
i= angstty gans. 

ganssang» zie gasang. 

San^si, = gangsa II, b. v. tiadalah 
htrg'èra^ bergatigsi daripada tempainja, 
hij verroerde nog verschoof zich van 
zijn plaats. 

Sanjssingan, Jav. tol, =:= gasing, zie 
aldaar. 

Sangsoer; meng gangsoer, gelijkmaken, 
effenen, gladmaken, b. v. meng gangsoer 
méddn, eene vlakte effenen. H. Boedj. 
Jav. id. 

fi:ar(ja.hi; mèngganjah, schuren, sterk 
wrijven. 

8:ai\|oet, ongaar van gekookte spijzen, 
b. V. aardappelen, maar niet van rijst. 
Zie daarvoor bij haii. Ook glazig, niet 
melig, van aardvruchten. 

Sansang:, zie gasang, 

Santa., huiverig, schroomvallig. 

eantans, een inhoudsmaat, bij de Mal. 
van 5 kati gewicht. Ook een goudge- 
wicht, vroeger van 6 soekoe, thans = 
1 hongkal of 8 soekoe ; ganiang-gantang, 
kardoes voor geschut van Mal. maak- 
sel, in bamboezen omhulsel, Swett. ; 
menggantangy met een gantang meten; 
m. asap, rook met een gantang meten, 
d. i. luchtkasteelen bouwen; sagantang 
oelang-alingy zie oelang. 

Santeh, vdW. Zie anteh en slèring. 

ISanti, I. vervangen, in de plaats van, in 
stede van, opvolger, vervanger, plaats- 
vervanger, vergoeding, beurt; g, roegi, 
schadevergoeding; ganti gigiy tanden 
wisselen; ganti harga, de waardever- 
goeding; ganti tikar, van bijslaap ver- 
anderen, een andere bijzit nemen ; ganti 
rasa, e. s. v. versnapering ; ganti indera, 
id. m^ngganti, vervangen, vergoeden; 
ménggantikan, iemand in of bij iets 
vervangen; èerganti-ganti, bij beurten; 
ganti'Mrgantif om en om elkander af- 
wisselen; pïrgantia», beurt, die iemand 
heeft of toekomt, bij verkorting ook 
gantian, II. e. s. v. geneeskrachtige, 



droge knollen, afkomstig uit China, 
die ook in reukwerk gebruikt worden. 

gantjang, vlug in zijne bewegingen. 
Zie ook tjagaJp en tjieregas, 

gantjoe, sloephaak, ^tok met een haak 
er aan, keukenhaak; mengganijoe, aan- 
haken, ook: vruchten met een stok, 
waaraan een haak is, aftrekken. 

gantoeng, hangen; berganioeng, han- 
gende zijn; afhankelijk; menggantoeng, 
iets ophangen, uitstellen; tergantoeng^ 
opgehangen, hangend, uitgesteld van 
een zaak of werk; tergantoeng iidalje 
bertali, zonder reden aanhangig blijven, 
Mën. wbk.; ganioeng lajary belooning 
voor het redden van schipbreukelingen; 
ook e. s. V. onderofficier aan boord, 
bootsman ; pegantoengan, de plaats waar 
gehangen wordt, galg, schavot; gan- 
ioeng tiada bertali, iSg. uitdrukking 
voor eene vrouw, die door haar man 
verlaten is. 

gaoeky Jav. kraai, — gaga^. 

gaoel, mengen; bergaoel, z. vermengen; 
berijampoer dan bergaoel, zich vermen- 
gen en verwarren. Zie tjampoer en 
Mën. wbk. 

gaoeng, weergalm, echo; bergaoeng, 
weerklinken. Zie Mën. wbk. 

gap, klanknabootsend woord voor een 
klappend geluid, zooals van planken 
die tegen elk. geslagen worden; gap- 
gap, hijgen ; kloppen van het hart, b. v. 
door vermoeidheid ; gap-gap dada, hart- 
klopping als ziekte. 

gapah, zie goepoeh. 

gapil; menggapil, onwillekeurig of zon- 
der doel iets aanvatten of opnemen. 

gapoera, Skr. hoofdpoort, hoofdingang 
van een gebouw. Zie gerïbang. 

gar, klanknabootsend woord voor een 
ratelend geluid, zooals van een don- 
derslag, kanonschot enz. Zie tagar, 
dëgar enz. 

gara, *= gahara, zie ald. 

garaniy zout, keukenzout; m^nggaram, 
inzouten, ook fig. met iets doen, wat 
er mee gedaan moet worden. 

garang, heftig, norsch, ruw, woest, 
grimmig, wild, ook happig, gretig bij 
het doen van inkoopen; g. b^raninja^ 
onstuimig is zijn moed ; pïrkataan jang 
garang, ruwe, bitse woorden; btrboewat 
garang, ruw behandelen. 

garangan, I. toch, in vragen of bij 
onzekerheid; b. v. ana^ siapa gara- 



122 



SaraxL — gedetifi;. 



ngan ini, wiens kind is dit toch; apa 
garangan isinja, wat zou er toch in 
zijn. Ook garang. II Jav. e. 8. v. wezel, 
de slangendooder, = tjerepelai. 

Sarau» zwaar, difep, vol, van geluiden; 
soewara jang garau^ basstem. Men. 
garoe^. 

sardoe, op Java een wachthuis langs 
den weg. 

sarib, = magrib, zie ald. 

sarins:, I. hard gebakken of geroosterd, 
knappend. II. e. s. v. mand, die men 
op den rug draagt, zie ook amboeng, 

eax^a, kras, schrap, kerf, m. iets scherps ; 
menggaris^ lijnen of streepen trekken, 
ook harken ;';?^«^^ö!m, hark. 

garoe, I. = garoeh, zie ald. II. = 
gaharoej zie ald. 

saroeda, Skr. een zekere fabelachtige, 
groote vogel, het voertuig van den 
god Visjnoe, die als de koning der 
vogels beschouwd wordt, de griffioen 
of grijpvogel, die overal als verwoester 
optreedt; ringgit g oer dan ^ verk. van 
garoedadUy de Mcxikaansche dollar, zoo 
genoemd om de adelaar, die er op 
staat, ook ringgit boeroeng^ geheeten; 
garoeda alah olih oelar, zie iapa^. 

saroek; niénggaroeTpy krabben in het 
algemeen, ook van het lichaam, ros- 
kammen van een paard enz ; meng- 
gctroejp roemah^ een huis ondergraven; 
pénggaroe^^ krabber, hark, egge, ros- 
kam. Ook garoe, 

aaroes» zie geroes. 

learoet, een kras of krab met iets 
scherps. 

fl;ai*poe, vork om mee te eten. 

SAsak; ménggasajcy hard wrijven, met 
kracht uitwerking doen op iets, ter- 
dege iets doen, en dus ook: afrossen, 
dorsch&D, uitkloppen, uitslaan. 

sasal, oneven, = gandjil; main gasal 
g<ènap, even of oneven spelen, er om 
raden. 

sasane:, «; gangsang, sterk belust, wel- 
lustig, geil, wulpsch, manziek. 

easine:, tol om mee te spelen, taatstol; 
bérmain gasing, tolspelen. 

leatak; ménggaia^-gatah hoeloe k(êrisnja, 
dreigend kloppen op het gevest van 
zijn kris? H. Boedj. 

leatai, jeuk, jeukte, met jeuk geplaagd, 
geil, belust, begeerig; daoen gatal, 
brandnetel = djUatangi gatal koeman, 
schurft; zie ook goesi. 



gatir, Men. uitspraak van gelily zie ald, 

gaulana, zie gelana of goelana, 

gawai, I. eenig werk verrichten; feest- 
vieren; pegawai, ambtenaar, werktuig, 
gereedschap; pegawai-mesdjid^ de aan 
eene moskee verbonden priesters. II. 
gawai-rasa, medelijden, b. v. tiada 
gawai-rasa akan kita^ orang toetoa, 
heeft geen medelijden met mij, oud 
man. Pr. Dj. III. e. s. v. boom, die 
reukwerk levert; soorten zijn; gawai 
ta?idoe, g. boewaja en g. medang. IV. 
lajar gawai, topzeil. Swett. 

ga war; gawar-gawar, teeken dat de 
toegang verboden is, meestal een ge- 
spannen touw of rotan, waaraan bla- 
deren hangen; versperren van een weg. 

gawoeng; kaïn gawoeng, neteldoek, 
fijne gekleurd-katoenen stof. 

gaz, Perz. de eenheid der lengtemaat 
bij de Perzen = 1.11 meter; 6000 
gaz = 1 f ar sang. 

gebang:, naam eener groote zoutwater- 
schelp, zie gewang. 

gëbang, = lontar hoetan, e. s. v. palm 
met waaierachtige bladeren, waarvan 
men zakken, zeilen, netten enz. maakt. 
De bladsteelen leveren touw en de 
stam sago van mindere hoedanigheid. 

gëbar, sprei, dekkleed; g^ar gandan, 
groot en breed zijden dekkleed. vdW. 
In de Sj. Ibr. Chas. heet het gebar 
kandadn, zie ald. 

gebens, blad van een roeiriem, dat 
er op vastgespijkerd wordt. 

gëdabah, e. s. v. versiersel in het opge- 
stoken haar der vrouwen, bestaande 
uit een driekante plaat van goud, 
waaraan snoeren hangen. 

gëdabir, bungelen, heen en weder slin- 
geren, zooals slaphangende zeilen en 
de kossem van een os, ook lel v. e. 
haan en de kieuwen v. e. visch. M.; 
«s g^lambir, gïlember en tjtlabir. 

gëdang, Mën. groot; djalan g^dang, de 
groote weg. Zie gadang, 

sëde, Jav. groot, aanzienlijk. 

gëdêboek, van eene hoogte naar be- 
neden storten. 

sëdëboeg, Jav. = kUisip, zie ald. 

sëdëboens» I- een lapje, meestal van 
laken of katoen, waarin men sirih en 
tabak doet. II. Jav. stam van de pi- 
sangplant. 

gedene, Jav. bos, van padi, ter zwawte 
van 10 kati. 



gëdoba-ng •— gelang;. 



IS 



IS^dobang;, e. s. v. Aljineesch zwaard. 
Mën. e. s. V. hakmes. 

eêdoens, groot steenen gebouw, pak- 
huis enz. gtdoeng bitjara, raadhuis, 
gebouw waar recht gesproken wordt; 
g. ündjata^ tuighuis; g, kompèni^ fak- 
tory van de Compagnie. Niet te ver- 
warren met goedang\ Ziie ald. 

sëdosan, Jav. stal voor een paard. 

sëdok, = tjatang, zie ald, 

sëdoxnbak, e. s. v. tamboerijn met een 
nauwe opening, die gesloten wordt om 
het geluid te dempen. 

gëjeadan, betamelijkheid? sebah tiada- 
lah g'égadannja itoe kapada perempoe- 
wan Melajoe^ K. omdat er bij de Mal. 
vrouwen geen betamelijkheid? heerscht. 

eëgai, niet sterk of stevig genoeg, on- 
sterk, van vaartuigen, huizen en alles 
wat uit verschillende deelen is in elk- 
ander gezet. 

gëgaky verward van geluiden, bij een 
rumoer ; g, g^mpita, luidruchtig, onstui- 
mig. Zie goegoep, gelegai; en g^pita. 

së£:aman, Jav. wapenen; pergegaman^ 
wapenmagazijn. 

eêganden, zie ganden. 

S^S&V» luidruchtig, = gega^, zie ald. 
en gagap. 

filêear, trillen, van een snaar, dreunen, 
schudden van een stoomschip door de 
werking van de machine, schudden van 
een boom. Zie g^tégar, 

isëfiiat» mot ; dimakan g^gaty door de mot 
verteerd; l)tkas g^gat, kaal, van laken 
ene. letterl. de sporen dragen van mot. 

/eei^er, geraas, getier, gekijf, kijven, 
schreeuwen, gillen. 

sëfl:ëtar, nagemaakte steel aan een 
bouquet; e. s. v. vrouwelijk hoofdsie- 
raad; kralen versiersel aan gordijnen; 
e. 8. V. klaterend glaswerk aan gor- 
dijnen en ander huisraad tot versiering, 
M.; goemerentjing boenji g'èg'^tarnja^ 
H. Boedj. waar sprake is van een vaar- 
tuig dat geroeid wordt. In de Ind. 
Poet. heet gtg^ntar een geluidgevend 
versiersel aan paarden enz. 't Schijnt 
iets te wezen, dat op een Turksche 
schel of iets dergelijks gelijkt. Zie g^tar. 

sela, open naden hebben, in hooge mate 
lek zijn, van vaartuigen, doordat de 
naden opengesprongen zijn. 

isëlabir, zie g^dabir. 

icëlaboer; mengg^laboer , in het water 
vallen. Zie ifiboer. 



sëladak, I. planken, zolder, dek van 
een schip, plat dak. II. Jav. geladagy 
een slecht paard, knol, wandelende 
kapstok, schel dw. Mën. id. 

fi^ëladaii, — beladau, zie ald. 

gëladir, snel varend, van een schip. 
Abd. Sch. wrdb. Mën. slijm, slijmerig. 

gëladëri, Ned. galerij. 

gëlagah, e. s. v. wild suikerriet, het 
glaga-ïiet. Mën. id. 

sëlak, schateren, bij het lachen, hardop 
lachen. Mën. lachen = fèrtawa. 

gëlakak, lachen om te stikken. 

gëlalar, tegenspartelen, zooals b. v. een 
onwillige hond, die aan een touw voort- 
getrokken wordt. 

gëlain, e. s. v. boom, welks bast ge- 
bruikt wordt om te breeuwen; soorten 
zijn: g. b^ti, g. hidjau en g. iikoes; 
ikan ^., e. s. v. eetbaren zeevisch. 

gëlazna, e. s. v. zoutwatervisch. 

sëlaTnbir, kossem, kwabbe aan den 
hals van een os, de lel van een haan; 
mengg^lambir^ slap nederhangen, zooals 
een kossem. 

gelan, karmijn. 

gëlana, ook goelana, Skr. lusteloos. Zie 
goendah. 

gelang, porselein, portulacca. 

gelang, arm- of voetiing, die om pols 
of enkel gedragen wordt; g, moeka, 
armring met een plaats, die boven de 
elleboog gedragen wordt ; g. kana^ staat- 
sie-armbanden, door kinderen en bruid 
en bruidegom gedragen; g. è)èrg^nta, 
armband die hol is en waarin zich 
rammelende voorwerpen bevinden; ge- 
lang koentji, sleutelring; g. poejoeh, 
de krans van vederen om den nek van 
een kwartel, ook: het uitspringende 
gedeelte van gedraaid houtwerk; p'ër' 
g^langan, de plaats van de g^lang^ 
waar die gedragen wordt; pergUangan 
tangaiiy handgewricht ; pérgUangan kaki, 
voetgewricht ; ijatjing gUang-gUang, 
e s. V. aardworm, g. patah sêmat, arm- 
ring bestaande uit schakels met oogen 
die met pennetjes aan elk. gehecht wor- 
den ; g. badjang, snoer van zwart garen 
om de pols, als een talisman tegen de 
badjangs, zie ald. ; roti gelang, krans- 
brood, brood in den vorm van «en ring; 
gUang-gtlang, benaming voor allerlei 
ringvormige voorwerpen, ook de ring 
waarin een sluitboom komt; gUang-- 
gUang pintoe, klopper op een deur in 



124 



S^langsans: — s^lentar. 



den vorm van een ring ; gelang basahaUy 
zie hasah. Zie ook kaloeng en gMoeng. 

selantsganSf ronde of kringvormige 
vlakte, waarin zich iets bevindt of toe- 
draagt, strijdperk, kampplaats; kring 
om zon of maan, ring om Saturnus enz. ; 
g. hajam^ hanenvechtbaan ; g. soesoe, 
braine kring om de borsttepels ; g. mata, 
zie hingkai; g. merah^ roode kring om 
wonden of zweren; g. yerang^ slagveld. 

eëlansar, zie getasar. 

gëletp, donker, dnister (sterker dan ke- 
lam) ; ondoorschijnend van glas ; baraug- 
barang gUap, smokkelwaar of niet op 
eerlijke wijze verkregen goed ; sang ge- 
lap, = sipïntjoeriy die dief, die schelm ; 
mata gelapy e. s. v. zinsverbijstering; 
g, goelita, en g. katoep, stikdonker; 
satoe gUapy de eerste dag na volle 
maan; doeioa g., de tweede enz. tot 
den negende. Zie Spraakl. 2e dr. p. 142. 
menggelapkan^ verduisteren; kagelapan, 
verduisterd, verdonkerd en duisterheid 
donkerheid. 

eëlar, titel, eerenaam, bijnaam; gelar 
pakai en g. sakari-hariy iemands ge- 
wone titel; g, todriUy erfelijke titel, 
waaraan een ambt verbonden is; blèr- 
gïlafy den titel voeren van, bijgenaamd; 
rnènggelar, een titel verleenen. 

leëlas, I. voorraad, proviand; glèlasan, 
knapzak, reiszak. Zie galas. II. Ned. 
glas, in de beteekenis van drinkglas, 
niet van het materiaal. Ook fijnge- 
stampt glas, waarmede men de vlieger- 
touwen bestrijkt bij weddingschappen; 
miénggUaSj zulk een vliegertouw gereed 
maken. 

eëlasar, naar voren uitglijden; ook 
gUansar. 

gëlatak, babbelachtig, praatziek. 

sëlatik,- Jav. het rijstvogeltje, rijst- 
diefje. 

sëlatoek, bibberen, klappertanden, be- 
ven van de kin. 

sëlëbap, klanknabootsend woord voor 
het ploffen van iets, dat op den grond 
valt, b. V. een pak papier. 

sëlëbak, = gtUbapi doch iets helderder, 
zooals b. V. van een menigte vallende 
boeken. 

tfëlebar, fladderen, van een zeil, heen 
en weer slingeren, van een kwabbe. 

sêlëbar, in wanorde uit elkander stuiven. 

sëlëboek, ^gUUap, doch doffer, zooals 
b. V. van eenige kokosnoten. 



gëlëdang;; menggeledang, de armen 
stijf uitstrekken, b. v. van vermoeienis, 
Zie kedang. 

geleding:, kromtrekken, b. v. van een 
plank in de zon. 

gëlëdoer, in een plooi neerhangend, 
van den buik. 

gëlësa, e. s. v. groote gong, waarmede 
men 's nachts waarschuwt, dat er oli- 
fanten in de nabijheid zijn. Pad. bov.1. 

e;ëlë£:ak, fréq. van g^èga^y borrelen, bob- 
belen, van kokend water. Zie boewal. 
Mën. id. 

sëlëgar, I. zolder- of vloerbalk, waarop 
de planken gespijkerd worden. II. frequ. 
van glgary zie ald. 

gëlëgata, kippevel, de huid met puk- 
keltjes saamgetrokken door de koude; 
ook: netelroos, vdW. Mën. netelroos. 

sêlësoet; menggelegoety bibberen, klap- 
pertanden. Zie geloegoet. 

gelek, I. meng gelei!, het lichaam opzij 
draaien om een slag te ontwijken, cy- 
lindervormig rollen van deeg. II. meng- 
gelejp tangan, overlangs de handen wrij- 
ven; digelejp olih kareta, overreden 
worden door een rijtuig. 

gêlëkak, loslaten, losgaan, b. v. van 
pleister, verlakt en dergel. 

gëlëmat, stuk vast dek aan den voor- 
of achtersteven, e. s. v. halfdek. 

eëiêixiboeng;, waterbel, bobbel, blaas; 
menggelemboeng, zwellen, opzwellen, 
b. V. van rijpende vruchten, een kleed, 
zeil of zonnescherm door den wind, 
een blaas door die op te blazen, de 
wangen van iem. die een blaas-instru- 
ment bespeelt ; gUemboeng-geUmbing, 
allerlei bobbels hebben, zooals een door- 
gestoken matras; geUmboengany kippen- 
blaas, als speelgoed; méngglètémboeng- 
gMemboengan, bellenblazen, het spel. 
Zie ook glémboeng, 

sëlëmboer, rimpelig ; ménggetêmboer, 
rimpelen. Zie g^mboer. 

gëlëmpang;, uitgestrekt op den grond 
liggen, b. V. van een lijk, een beschon- 
kene enz. in den weg liggen, voor de 
voeten liggen ; hérgUlèmpangan, van vele 
voorwerpen zoo liggen. Mën. id. 

ttelenfi:, zie giling. 

firëlënjar, tintelen, b. v. de voeten van 
het loopen in het heete zand; flikkeren. 

sëlëntang; goeling-gel^niang^ rollen en 
wentelen. 

eëlëntar, frequ. van gHtar, beven, bib- 



sëlêpar — eêloegoet. 



125 



beren, b. v. dagoenja menggelhUar, zijn 
kin bibberde. Ibr. b. Ch. 

sêlëpar; menggelïpar,s,\&2Ln met pooten 
en vlerken, spartelen, zooab een dier, 
dat geslacht is of pas geschoten. 

gëlepek, slap tegen iets aan hangen, 
b. V. van een ieil bij windstilte tegen 
den mast. Zie kelepa^. 

sêlëpoeng:, geluid van een groot li- 
chaam, dat in het water ploft. 

sëlëtar ; menggefeèar, bibberend, beverig, 

sidderen. 
'sëletek, = gelitiJc^ zie ald. 

gêlëtik, spartelen, b. v. van een visch 
[ op het land; fladderen, wapperen, zoo- 
als een vlag hij een flinke bries. 

sëlëtis, zich stuipachtig bewegen, zoo- 
als b. V. een doorgesneden worm. 

fi:ëlëtjn, dunne, smalle matras voor één 
persoon. Ook de naam van e. s. v. boom. 

selewangy e. s. v. vaartuig, gelijkende 
op een wangkang. Abd. Sch. wrdb. 

sëli, afkeer of afgrijzen of kitteling of 
drang tot lachen gevoelen, van iets 
griezelen; gtli geman, afgrijzen en ril- 
ling, vies den neus voor iets optrek- 
ken; geli-geli, de nieren; menggeli, 
kittelen; kag^lian, afgrijzen; zie ook 
galu Mën. 

fiëlibir, omgekruld neerhangen. 

ffëlidja, e. s. v, snip, d. B. 

SLelisS, klappertanden; frequ. van gigi, 
zie, ald. 

selisin, de roeden van de weverskam, 
de stokjes, waarmede men doek opspant 
met ze door een zoom te steken ea 
aan het raam te verbinden. 

fiëlisity frequ. van gigit, bijten, knab- 
belen. 

sêlijane; gelijang-glèUjoet, zich buigen 
en krommen, b. v. van een gevangen 



Igëlljat; nténggel^iat^ zich uitrekken, van 
luiheid of vadzigheid; ook gelijoei; 
t^rg^lijai, verstuikt, verrekt, verwricht ; 
méngg^lijat, verwringen, misvormen. 

gëlijoet, zie gUijat. 

gfëlimbir, hangend, van de wangen. 

ISclinans» stel van drie diepe koperen 
bekkens met knop, behoorende bij de 
gamelan* 

eëlindoene» spoel, klos, rol, haspel, 
logrol, alles waarop of waarmee touw 
enz. gewonden of in elkaar gedraaid 
wordt; pen om netten te knoopen, ook 
de rol, waarmede men het bouwland 



of de wegen effent; benang gelindoeng^ 
klosjes garen; boeloeh gelindoeng, we- 
versspoel van bamboe; ménggtiindoeng , 
garen of touw op een klos winden. 

sëlinggam, zie geloega. 

sëlinssans» e. s. v. heester, welks ron- 
de, gele, drie vingers groote bladen, 
met zwavel en salpeter vermengd, tegen 
den ringworm gebruikt worden, en daar- 
om ook wel daoen koerap heeten. 

gëlingg:!, e. s. v. plant, Cassia alata 
(Caesalpinées). 

sêlingsir, verschuiven, afzakken, van 
gingsir. 

gëlinsir, zie kUinsir, 

gëlintar, overal rondgaan, b. v. om iets 
te zoeken. 

sëlintiat, weer stuit, terugstuiten. 

sëlintjir, glijden, sullen; tergelintjir, 
uitgegleden, ook van een wapen b. v. 
op een schild. Noer Moeh. Mën. id. 

sêlintjoeli, struikelen, gestruikeld. 

gëlipar, opzij uitwijken van het scherp 
van een wapen, waarmede men houwt. 

sëlis, Jav. spoedig, = llèkas en sigera. 

gëlisah; ménggelisahy woelen, onrustig 
zijn in den slaap; ook: niet op zijn 
gemak zijn, gejaagd zijn, v d. W. 

gëlitik, freq. van gitiJp. Jav. kloppen, 
poperen van het hart, b. v. van sterk 
verlangen naar iets. Volgens v.d.W. kit- 
telen, kitteling gevoelen. Mën. id, 

sëlitjik, uitglijden, inz. van de voeten; 
tergelüjiif, uitgegleden, geslipt. Zie ge- 
lintjir. 

gëlodar, spartelen om zich los te rukken. 

sëlodiok» zie dj^lodjoh. 

gëloedjoeh, gulzig, hebzuchtig; y. /a^i, 
hongerig naar een man, manziek. 

sëloedoegr, Jav. donder. 

g^ëloega, ook gtlinggam^ een roode verf- 
stof, van een plant, welker vruchten 
op ramboetan gelijken, en waarvan de 
pitjes gebruikt worden om de nagels 
rood te kleuren. 

sëloe^oer, e, s. v. wilde mangga, die 
een zure, doch eetbare vrucht draagt, 
naar den vorm van die vrueht heet 
verschillend snijwerk aan meubels enz. 
knoppen aan sommige voorwerpen, kan- 
ten en groeven van een buks en der- 
gel. ; koemai g., lijstwerk met. holten 
en rondjes; blèrg^loegoer^ getrokken van 
een loop ; asam gVoegoer^ e. s. v. tama- 
rinde. 

gëloeffoet; nièngg^loegoet^ sterk rillen 



126 



eeloeh — sëmëlai. 



(sterker dan gigit). Zie Men. wdbk. 

sëloeh, en geloei, klei, leem. 

isëloek, I. drinknap of bakje van een 
kokosdop ; ook : e. s. v. pot om water 
in te doen. II. zie gUoeh. 

eëloekap* e. s. v. boom, welks schors 
voor looistof wordt gebezigd. 

sëloeloer, afglijden, afzakken, b. y. zoo 
als een broek; gemakkelijk door iets 
heen glijden, b. v. een knoedel door 
de keel, een touw door de hand. Zie 
loeloer. 

fsëloema, meekiap. 

isëloexxiang:; menggeloemang, overal be- 
smeerd, overal bestreken, vol, b. v. met 
vuil; ook zich wentelen in. Zie dje- 
moewas. 

gëloemat, dek van een vaartuig. Zie 
Ungkat. 

sëloexnbans* deining, hooge en lang 
voortrollende golven, baren, grooter dan 
omèaif; g. boenga ïepang, golven met 
witte koppen; héinpasan g.^ zware bran- 
ding, breker. 

sëloemoer» e. s. v. gouden munt van 
ƒ 21.60 waarde, uit het Eng. gold 
mohur. 

sëloenis, halfcirkelvormige buiging of 
bocht, zooals die waarmede bindrotting 
in den handel voorkomt; ook gebruikt 
in de beteek enis van stuks bij het 
tellen van rotan ; verder e. s. v. kapsel. 

fiëloenissoer, glijden, sullen, afglijden, 
b. V. van een boom. 

eëloep; mèngg^loe'p^ uitvallen van tan- 
den en kiezen. 

leëloepas, zie koepas. 

tfëloerat, zie diaroerat 

s:ëloet, met de armen omvatten bij het 
worstelen, zie galoet. Men. wdbk. 

eëlokak, gedeeltelijk loslaten, b. v. van 
de schors eens booms. 

firëlondonfi;, Jay. ruwe balk, rondhout 
s=s gtUgar^ zie ald. 

isëlonenis:» klein, koperen bekken, be- 
hoorende tot de gamelan. 

sëlonsoF, zie gelongsor. 

sëlonsons» zie kUongsong. 

sëlopak, geheel loslaten, van pleister- 
kalk, vernis enz. 

isêloray onstuimig v. d. zee, zeebeving, 
woeden der golven, geweldige branding, 
storm met regen, militaire charge, storm- 
pas, benarde omstandigheden. 

leëlosok, zie goso^. 

tfëloaor^ afglijden van een helling* 



e,e>\oteL]x.i menggUota^, ontbolsteren van 
hardschalige vruchten, zooals b. v. ko- 
kosnoten. 

j^ëzna, echo, weerklank; blêrgema, weer- 
klinken. 

fi^êxnal; herglmal-g^maly samengebonden, 
opgebonden, b. v. van graan. 

gëxnan, rillen van afkeer; zie geli, 

Siemans, e. s, v, zeevisch. 

gëxuang;, dik, dikte, als dimensie, niet 
van gezwollenheid, b. v. sama gtmangt 
overal even dik, zooals o. a. een pot- 
lood, stam, pilaar enz. 

sëxnar, genoegen, lust, vreugde; ber- 
gemar, zich verheugen, lust hebben; 
kaglèmaran, lust, b. v. masing-masing 
pada kag^marannja, ieder naar zijn 
last; makanan kaglèmaran, lievelings- 
kost. 

sëmas, nijdig, kwaadaardig, vergramd. 

sëmbiray Skr. opgewekte moed, vuur, 
strijdlust; forsch van een stem; na^ik 
gembiranja, hij geraakte in vuur; »tgm- 
beri gembira, den moed opwekken of 
aanvuren. 

gëmboens;, opgezet, opgeblazen, van 
den buik door winden, van kussens 
enz.; bantal g.^ groot, cilindervormig 
kussen, waartegen men met den rug , 
leunt. Zie ook kemboeng en geUmboeng. 

gëmboer, I. los, niet strak, luchtig, 
mul van den grond, voos, slap, pappig 
van een dierlijk lichaam. II. woeden, 
bulderen van vuur, b. v. moeloetnja 
kaloewar api bergemboeran datang ka- 
pada pandji wira soe^ma, uit zijn mond 
kwam vuur dat bulderend op den prins 
W. S. afkwam. Pr. Dj. Zie sëmboer. 

gëcaboet, I. zich kloppend of opwip- 
pend bewegen, zooals de fontanel bij 
een klein kind, enz staatsiehemel boven 
een olifant die knielende den Vorst 
met zijn snuit hulde bewijst. II. e. s. v. 
gouden, vorstelijke beteldoos. Zie ook 
kamboet. 

geinbol, wratachtige uitwas even boven 
den wortel van boomen; opgezet van 
de wang. zooals door een pruim; bol 
uitbonwsel aan weerskanten van het 
achterdeel eens vaartuigs, waarin 
meestal de bestekamer is; galerij achter 
aan een vaartuig. 

isëmbrene, omroepersbekken. 

fi^êmêlai en g^moelai^ heen en weder 
zwaaien, b. v. als een wilgentak, vaa 
iemand, die zeer vermoeid is. 



gëmëlegoet — sendjang. 



127 



firemêlêsoet, zie getégoet, 

fi:êK]aiëlëtak:, rammelen, klapperen. 

Iftëcaëlëioeh:, = gemUUa]^, doch doffer ; 
g^mélétaJpgetneUtoeJp^ hetzelfde met ver- 
scheidenheid. 

sëmëntaxn, donderend geluid, b. v. van 
geschut of een instortend huis. 

firêzuëiitar, zie getar. 

sëxxiërëntjang;, rammelend, rinkin- 
kend, klaterend, daverend. 

Këtnërënl^ik, = geméretji^. 

eëinërëntjiiis:, = gemeretitjang , doch 
scheller, fijner. 

isëmërënijoenis, = gemèrentjing, doch 
doffer, holler. 

sëxuërëtak, kraken, rammelen, klette- 
ren, zie g'ê.reta^. 

sëmërëtap, ruischen van den regen, 
b. v. litiJle koedjan gemeretapan, de regen- 
droppels ruischten. Pr Dj. 

sêcaërêtjak, kraken, rammelen ; b. v. 
g^rneretjafp boenji dajoengnja, hunne 
roeiriemen kraakten, nml. onder het 
roeien. 

gëxnërëtjik, ridselen, een knappend, 
spattend geluid voortbrengen, spetteren, 
knetteren. 

sëxnërëtoep, donderen, van geschut, 
b. V. maka gemeretoeplah boenji loe- 
toengnja^ hunne slangstukken nu don- 
derden. H. Boedj. 

SeEnêroetoek, dof dreunen, zooals een 
gong. 

sëmi, e. s. v. zeevisch, zuigvisch, welks 
graat als geneesmiddel gebruikt wordt. 

Srëmoek, dik, vet, van menschen, die- 
ren, aarde, mest enz. Zie ook gemang, 

sëxnoelai, = g^.melai, zie ald. 

sëmoeloena:* zie bij gadjah. 

sëmoeroeh, zie goeroeh, 

sëxnoeti, de harige vezels van den 
arenpalm, waarvan men touw vervaar- 
digt enz. 

sëtnpa, schudding, schuddende bewe- 
ging; g. boemi, aardbeving; g, laoetan, 
zeebeving; g. ^jamat, de aardbeving 
bij *8 werelds ondergang; g. g^ra^, 
schudding veroorzaakt door iets te be- 
wegen; g, soenting, e. s. v. versiersel in 
het haar. 

sëmpal» eenigszins gezet, met eenig 
embonpoint. Zie sintal. 

ftëmpar, opschudding, rumoer, getier, 
tumult; »ig«^^ê»ïp/ir^a«, in opschudding 
brengen, rumoer maken over. 

ftëmpita» Skr. bulderend, daverend. 



Meestal verbonden met gegap of g^gajpy 
Zie ald. 

senang; menggenang, water uit de wa- 
terleiding of uit een hooger gelegen 
vak over de sawah laten vloeien. 
Pad. bov.1. 

S:enana:-£:enanj>, e. s. v. droge koekjes 
van kleefrijst, in olie gebakken; Jav. 
rangginang. 

sënap, vol, voltallig, in zijn geheel, 
even; g^nap ataw gandjil, even of 
oneven; sag^nap, geheel, vol, al, alle; 
koerang genap^ onvoltallig, onvolledig; 
sag'énap kaii, telkens zonder uitzonde- 
ring; sagenap Aart, den geheelen dag; 
sagtnap negariy alle mogelijke landen; 
sagenap ioeboeh^ het geheele lichaam; 
sag^nap sana-sini^ hier en daar en 
overal; genap-genap gmtar^ algemeene 
ontsteltenis; tiga poeloek g^nap^ de 
volle dertig; menggenapi, iets ver- 
vullen, ten einde brengen, voltallig 
maken. 

gëndasa, = kendaga. 

gëndala, =s kendala, 

eëndans» I. e. s. v. trom, bestaande uit 
een houten cilinder, aan weerskanten 
met geitenvel bespannen, die aan den 
eenen kant met de hand en aan den 
anderen met een stok geslagen wordt; 
g. kera^ e. s. v. kinderspel, handenqua- 
drille; bergendang paha, leedvermaak, 
Schadenfreude hebben; zie ook gende- 
rang. II. een riem; kürfds saghidang^ 
een riem papier. III. gïndang-glèndis, 
e. 8. V. groente, die in het wild groeit. 

sendene;, scheef, schuin; b^rgendengan^ 
schuin gehouden van vele zaken, b. v. 
van edelgesteenten om ze te laten 
schitteren, van een kop om een stoot 
te geven. Pad. bov.1. 

sënder, stel van metalen platen, die 
boven bamboekokers hangen tot ver- 
sterking van het geluid en tot de ga- 
melan behooren. 

gëndërans» freq. van gendang^ trom; 
gindlrang perang^ oorlogstrom ; g. raja, 
de groote of feesttrom; g. këmbali, de 
aftochtstrom ; g, sémbojan^ alarmtrom. 

gëndi, Jav. waterkruik, = k^ndiy Mal. 

gëndis, I. zie gendang III. II. Jav. 
suiker. 

gëndit, SS kendit. 

gen^jang, scheef, niet rechthoekig, van 
een vierhoek of parallelogram. Zie 
gendjoet. 



128 



gend^oet — gerak. 



fi^en^joet, scheef, niet rechthoekig, ruit- 
vormig. Mën. id. Zie ald. 

sendoeng, Jav. in een doek op de 
heup dragen. 

sëndoet, dik en hangend, van den 
huik. 

eëndola, e. 9. v. plant, die als spinazie 
gegeten wordt, = bajam^ zie ald. 

sênfirgam, de gesloten hand, vuist; 
sagengganiy een vuist vol; blèrgenggam- 
glènggam, bij handenvol; ada dalam 
genggaman tangan orang^ in iemands 
macht zijn; Tnenggmggam^ in de geslo- 
ten hand houden, ook van een hand, 
b. V. tangan jang akoe genggam^ de 
hand, die ik in de mijne sloot. Ism. J. ; 
méuggenggam tangan en rnenggenggam- 
kan djari kapada tapa^ tangan, de 
vuist ballen. 

sënih» de slagtanden van een wijfjes- 
olifant. Ook gïnis. 

sënyoek; rnêngg'énijoejpy met een spaan- 
sche spil aan wringen van een plank 
aan de huid van een vaartuig, opdat 
zij op hare plaats passé. 

ffëniteri, e. s. v. boom, welks vruchten 
men bezigt als kralen voor de rozekrans, 

isënis, = giènihy zie ald. 

sex^öet, scheef aan elkaar gezet, van 
twee stukken stof, zoodat de bloemen 
of streepen niet overeenkomen. Zie 
gendjoet. 

gênta, Skr. metalen klok, bel, rinkelbel ; 
metalen plaat om geluid te maken, 
snaar op een trom; g, ditaboeh, klok, 
die geslagen wordt; ook: soort van 
teekeuing op kleedjes; g. üldmaty sein- 
klok; g, sambojan, alarmklok; mièng- 
glèrajekan g., de klok luiden. 

sëntala, op rollen of wieltjes; maga 
glèntala, een draak op rollen, zooals 
bij optochten. Volgens vdW. g^ntala, 
zeer groot, ontzettend, monsterachtig. 

ceëntar, = g^tar, beven. Zie ook gUtntar. 

sëntas, op, ten einde, gedaan met; 
gièntas soedah sègala boewah-boewahan , 
met alle fruit is het reeds gedaan; 
lagi djaoeh gtntasnja, het einde ervan 
is nog ver; bMik soedah g^nias, de 
bUi^ heeft opgehouden met dragen, 
fig. uitdrukking voor iemand die niets 
meer kan presteeren, omdat de bUi^p, 
die altijd door bloeit en vruchten draagt, 
wanneer hij eenmaal daarmee ophoudt, 
ook voor goed uitscheidt; mèngglntas, 
afplukken met de vingertoppen, van 



vruchten of bloemen, door het steeltje 
af te breken. Zie g^etas en petik. 

£:ëntat, aan den eenen kant ingedrukt, 
naar binnen loopend, zooals b. v. een 
been, waarin de kanker is. Zie geniing. 

gentel, droog balletje, pil. Zie oental. 

gënteng:, dakpan; atap genteng, pan- 
nendak ; g. seloeran, vorst, kromme 
pan; g, tanah lijat, pannen van klei. 

gënting:, dun in het midden, dunner 
dan op andere plaatsen, b. v. van in- 
secten, gedraaid werk, een boom, landen 
zooals Amerika, touw dat in het midden 
versleten of verteerd is ; g. tanah ^ land- 
engte, ook: pegeniingan. Zit geniat. 

gëntjat, zie bentjat. 

gentjel, kwast of strengetje van gevou- 
wen draadjes. Zie oenting, 

sëntoeng, e. s. v. onverglaasd aarden 
watervat. 

gëpoek, I. Mën. = gemoek, II. glèpoe^- 
glpoeh, e s v. koekjes. 

gêra; menggera, vrees aanjagen door 
woorden of gebaren, iem. een uitbrander 
geven. Zie geretaJe. Mën. wegjagen van 
dieren. Zie wdb. 

gërabak, gescheurd; zie gerabang. 

gërabang, wijd en lang gescheurd, zoo- 
als b. V. een muur, wijder en langer 
dan gïraba^, 

gêradi, hekwerk rasterwerk. 

gërasai, e. s. v. groote haak om kroko- 
dillen te vangen. M. Mën. id. 

gëragas; niénggeragaSy verward haar 
uitkammen, hetzij met een grove kam, 
hetzij met de vingers. 

isëragaii; frequ. van gagau, zie ald.; 
op den grond spartelen; soengkoer 
g^ragau, voorover op den grond liggen 
te spartelen; geragaUy ook e. s. v. kleine 
garnalen, vdW. 

gërahaxn, kies, baktand; g. bongsoe^ 
kies van verstand, lett. de jongste kies. 

sërai, I. brits, slaapbank, geplaatst bo- 
ven op de gewone rustbank. II. ptng- 
geraiy e. s. v. klein boorijzer, d. Br. K. 

gërajang; menggerajang , woelen, krau- 
welen in het haar; glèrajang = rajang, 
vdW. doch dit kan het grndw. niet zijn. 

gërak, I. beweging; g^ra^-g^ra^, en 
g^ra^-g^riy verschillende bewegingen ; 
biêrgera^t bewegen, zich bewegen, ver- 
roeren; terg^ra^, toevallig bewegen, be- 
wogen, te bewegen; salah g^ra^, ver- 
keerd gaan, in de war loopen; ^^ó^ 
dijain, beweging en rust; gh-a^-glmpa. 



éevam -^ eex^etd. 



\n 



beweging en schudding; ffh'af; soeroet, 
begin van de ebbe; gerals hati, het ge- 
weten, vdW. ff^ra^ kalakoewan, iemands 
gansche benemen, al zijne manieren; 
ff'êra^ fferi en gtrah-gtroeT^y allerlei be- 
wegingen ; Tn^nggerajpkan genta^ de klok 
luiden; muènggera^kan kang, aan de 
teugels trekken; menggèrajjekan dari- 
pada karadjadn^ van den troon stooten ; 
m. hafii het hart afkeerig maken, ook 
reden geven tot ontevredenheid; ter- 
gïra^ hatinja, afkeerig geworden, in 
zijn gevoelens jegens iemand veran- 
derd; djangan mènggera^kan barang 
jang diam, men moet geen slapende 
houden wakker maken. II. het geluid 
van iets dat verschoven wordt. Zie 
geroep. 

gëratn, I. toorn, woede, vertoornd, woe- 
dend, kwaad; menggeram, toornig wor- 
den; ook: grommen, brommen, knor- 
ren, zooals een zwijn. II. verb. Ned. 
geraamte, het houten geraamte van 
een huis; menggeram, het geraamte 
pasklaar maken; menggeram roemahy 
het geraamte van een huis opslaan, 
waarna men met bamboe en rotan kan 
gaan werken. 

sêranfir, I. zwart poeder van gebrande 
kokosschillen enz. om de tanden zwart 
te maken. II. = garangan^ zie ald. 

eëraxisec^f de roode mier. Jav. gang- 
gerang. Zie ktrengga. 

eëranesati, een zeker insect, M. 

sêrantanfi:* verschrikken, schrikaanja- 
gend van woorden; een rammelend ge- 
luid maken, zooals een menigte aarde- 
werk, dat naar beneden komt. 

sêrat» knarsen, van de tanden, een 
vijl enz.; méngg^érat, knagen als een 
rat. Swett.; g^ratan gigi, knersing der 
tanden. 

sëravrat; niéngg)érawat, iem. aan zijn 
lot overlaten, zich niet om hem be- 
kommeren. 

sërebak, zich alom verspreiden, van 
een reuk, inz. een aangename. Zie 
tèmïrbaip. 

ttërëbaniEf I. los en in wanorde neer- 
hangen, van de haren; Mën, g'ér'ëöang 
koeda, de manen van een paard; meng' 
g^rtbatigkan, losmaken van het haar, 
ketenen, kluisters enz. Saif Dz. II. 
pintoe g^èrébang^ poort van een stad, om- 
heinde plaats, vesting enz. Zie gapoera. 
III. gWbang-g'tribik, rumoer maken, 



zooals b. V. een booze Vrouw, v. d. W. 

Is het ook plukharen? Zie I. 
gërëdam, dreunen van iets zwaars, dat 

omvalt. 
gërëdoein, dreunen, zwaarder dan gï- 

redam, b. v. van een omvallenden boom ; 

geredoem-ghedam, hetzelfde met ver- 
scheidenheid. 
sërësadji, Skr. zaag, gezaagd; papan 

geregadji, gezaagde planken; mengglêr^' 

gadjiy zagen; aboe^ geregadjiy zaagsel; 

menggeregadji angin^ scherp tegen den 

wind opwerken, la veeren. 
gërëgat, e. s. v. aap. 
gërësau, verkromd van de vingers, 

door schurft of zwelling. 
gërëgëtcn, Jav. ergernis, zich erge- 
ren ; geregeten hati^ ergernis des harten. 

H. Boedj. 
gërëhaxn, zie g^raham. 
gerek; menggere^yeen gat boren met een 

boor, ook: boren van insecten ;penggere^ 

^ndjoety e. s v. drilboor, in gebruik bij 

goudsmeden. 
sërêman£(, overeind staan, te berge 

gerezen, van de haren. 
gërëmët, Jav. wemelen, krielen; goe- 

mer^mëi, wemelend, krielend. 
sërëmoet, wemelen, krielen; ménggï' 

remoef, hetzelfde. 
gërendens:; méngg^rendeng , een vech- 
tende, dreigende houding aannemen, 

van dieren, schuin naderen. Pad. bov.l. 
sëreneh, seurcn, leuterpraatjes, lamen- 

teeren; djanganlah higkau amat banjajc 

gerenehmoe, houdt toch niet al te veel 

leuterpraatjes. H. Gr. 
sërenek, tremuleerend, van stem of 

toon. Zie g^reneh ea renejp* 
gërengsene, e. s. v. koperen pan voor 

keukengebruik. 
sërexLJet, onwillekeurig trekken, van 

spieren, b. v. die van een geslacht beest. 
gërëntaxn, dreunen, b. v. door het 

hard toeslaan van eene deur. 
fsërêntil, in menigte naar beneden 

hangen, zooals druiven aan een tros. 
sërësak, een knarsend geluid, zooals 

van het loopen op grof zand of dorre 

bladeren. 
sërësik, = gtrisajp, doch fijne»; ook: 

rammelen, klateren, rinkelen, b.v. van 

papier, bladgoud en dergel. Zie ook 

kanilp, 
l^ërëta» een brug «s titian en djani' 

baian, Maxw. Jav. kh''êiéh 

9 



Ho 



ger^ta^ — seroencyaTU* 



jgëx^tak; ménggtréia^, met de voeten 
tegen iets slaan, met de voeten op den 
grond stampen; ook met de voeten 
slaan tegen den buik van een paard 
om het aan te sporen en vandaar aan- 
sporen in het algemeen; ook door een 
kloppend geluid verschrikken of vrees 
aanjagen; gtniérétajp^ kletteren van wa- 
pens; ménggerttafckan paha, een klap- 
pend geluid maken door met de vlakke 
hand op de dijen te slaan ; pinggeréta^y 
aansporing, prikkel. 

iferêtaiijg, e. s. v. zeer grooten zeevisch, 
geschubd en gevind. 

isêre tap, flonkeren, van sterren, juwee- 
len, glimwormen enz. 

sërêtik, kraken, b. v. van een vloer, 
waarop men loopt. 

a:ërfi:ahi^oe» verb. van dirgakajoe^ zie 
aldaar. 

fxërsasiy naam van een fabelachtig ge- 
slacht van reuzen. 

ftêrham, zie gigi, 

sêrliaxia, zie grahana. 

eêri, onbeduidende beweging van eenig 
lichaamsdeel, b. v. het ophalen van 
den schouder. Zie ook g^ralp, 

ltërigi« getand, schaar dig, eggig, frequ. 
van gigii zie ald. djanUra g^rigit kam- 
rad, tandrad. 

fl;êriiri^9 bamboezen waterkoker, Mën. 

sêriais, vol scherpe punten en insnij- 
dingen, zooals een zaag, vijl enz., pen- 
nekras; mëngg^rigis, schaardig worden, 
spatten van een pen. 

sêrih, e. s. v. slingerplant, die gom 
levert. 

nert^eiiff Wriemelen, krielen. 

gërim, verb. Ned. grein, zekere stof 
van kemelshaar. 

aërimi*» Jav. hoedjan gerimisy mot- 
regen. 

isërinda, slijpsteen, die om een as draait ; 
niénggh'inda, op zulk een steen slijpen. 
Zie tjanai, 

nërindins, mondharmonica. Pad. bov.1. 

0ërin<^ain; méngghindjamy een holte 
met iets van binnen schoonmaken, uit- 
wisschen, uitpeuteren, b. v. een afgebro- 
ken pen, die ergens in zit, uitpeuteren. 

sëriniE, ziek, krank, van Vorsten ge- 
sproken, ae sakit; gltfing hoeloe^ hoofd- 
pijn, van den Vorst ; pingg^ring^ middel 
om ziekte te verwekken, toovermiddel 
ter verkrijging van een ontzagwekkend, 
vreesaanjagend voorkomen, ook zulk 



een voorkomen; hhia phiggtring hart' 
mat^, door het verschrikkelijk voorkomen 
van een tijger van ontsteltenis ziek ge- 
worden. 

gëringsing, I. e. s. v. batiksel; kain 
gïringsing wajang^ e.s. v. gebatikte zij- 
den kleedjes, waarop figuren uit het 
wajangspel zijn geteekend. Ook soms 
geroengsing. II. ook geriming en g'èri- 
sing, zich vertrekken, zooals de mond 
bij het proeven van iets zuurs, de neus 
bij een sterke lucht; zich omkrullen, 
zooals nat leder in de zon. Zie g^risi^, 

gërinjoety schee ve gezichten trekken, 
b. V. van gemelijkheid, grijnzen. 

fiërinsing, zie ghringaing, 

sërintins, Jav. kroes van het haar. 
Zie kereting. 

sëris, klanknabootsend woord voor het 
doorsnijden van iets zachts of weeks =» 
Jav. geres. 

gërisik; menggèrisii^, rammelen zooals 
klatergoud. 

sérisinst zie geringsing, 

gerit, I. gerit-glèrity e. s. v. klein, eet- 
baar zoetwatervischje. II. e. s. v. liaan, 
die gom-elastiek levert. 

gëriijau, rad en lang snateren. 

sërling, met rollende oogen in de rondte 
kijken, v. d. W. Zie k'érling. 

gërobak, Jav. e. s. v. kar, kruiwagen. 

g^ërobok, I. opborrelen der lucht van 
ouder water zijnde voorwerpen, ook 
het daardoor veroorzaakte geluid, II. 
Jav. e. 8. V, groote kist, waarin men 
de beste spullen bergt. 

sërodak, rommelen, zooals b. v. een 
rat in een kist, waarin allerlei geluid- 
gevende dingen zijn. 

sërodok, Batav. mengg'èrodolf, borrelen, 
opborrelen. 

flpëroedoek, Batav. méngg^roedoejpy rom- 
melen van de ingewanden. 

eëroeieoel, versterking, omheining van 
paalwerk. 

isëroeffoet, ruw, knoesterig, van hoor- 
nen. Zie giroetoe. 

gëroek, het geluid van iets, dat ver- 
schoven wordt, grover dan gférajp II j 
gtroe^-glèra^i hetzelfde met verschei- 
denheid. 

eëroemit, ^ glèroepis^ zie ald. 

tfëroen, ontzag hebben, zonder juist 
bang te zijn. 

ffëroencUaxn, met de handen een stuk 
hout in den grond stampen, zie oendjam^ 



Heroea^liiatigl <— setoei 



181 



BePoeng^eAiig;, t. hol, holte ; b. v. van 
een boom, bamboe, ring enz. geroeng- 
gang p^roet, het darmkanaal, v. d. W. 
liever buikholte? II. e. s. v. boom, uit 
welks bast een olie getrokken wordt, 
die men als middel tegen schurft ge- 
bruikt. 

seraenssoxiSf e, s. v. boom, die geel 
hout levert. Z'e g^roenggang II. 

fgéroens'^iixSf zie gtringsing. 1. 

sëroeninsy e. s. v. kameleon. 

fir^roetiljanfi:» fréq. v. goentjang. Zie 
aldaar. 

sëroep, slaglade op een weefgetouw, 
waarin de kam, sisir^ bevestigd is; 
sapërii geroep dëngan sisir, als de slag- 
lade met de kam. Sprw. om eene nauwe 
vereeniging aan te duiden. 

ffëroepi», allerhande fijn werk verrich- 
ten, knutselen. Zie keropas en keroepis. 

gëroes; ménggléroes, iets glanzen, b. v. 
lijnwaad of papier, door het te wrijven 
met een tengkoejoeng-^ahel'^. 

sëroet, I. een knarsend geluid, grover 
dan gerat, II. geroet-g eroety e. s. v. zee- 
visch, die zeer vet is, steen brasem ■■ 
seminjaje, 

eëroetoe, ruw, grof, . pukkelig ; niêng' 
ghroetoCi zich ruw voordoen, vertoonen j 
ook: ruw bejegenen; ada jang méngge- 
roetoe, ada jang niengglèrigis, er waren 
er die zich ruw, er waren er ook die 
scherpe puntjes vertoonden. 

firëroetoep» een knetterend geluid, zoo- 
als dat van een geweervuur in de verte, 
V. d. W. Mogelijk beter ktrtioep. 

sëroe'wit, zich in bochten heen en weer 
bewegen, zooals een worm, die uit eene 
opening komt. Zie keroewit. 

gêrosol, Jav. vesting, versterking; ook 
vlothuis, woning op een vlot. 

sërohy I. ongeval, ongeluk; gtroh-g^èrah, 
met allerlei ongelukken, holderbolder ; 
glroh tidajp méntjioem baoe, ongeval, 
dat men niet heeft kunnen ruiken; II. 
niéngglèrohy snorken, = Jav. ngorojp^ 

leërondons» « gondong, zie ald. 

ftëroi\|ot, trekken, trillen, van de ze- 
nuwen. 

sêrosok, zie kërosoff. 

ftësa; méngglèsay haasten, jachten om ge* 
reed te komen; g^sa-gtsa^ in overhaas- 
^^^8> gehaast, gejacht. 

fiene]^; mënggesejpy over iets heen strij* 
ken, wrijven; Mën. ook aanstrijken v. 
lacifera, m. tangan^ de handen wrijven ; 



«f. bijoUty de viool bespelen; ptnggese^ 
bijola, strijkstok van een viool. 

sesel; menggesely zich schuren tegen 
iets, zooals een beest soms doet, hout 
tegen elk. wrijven om vuur te maken; 
m. tapaJe tangan^ de beide handpalmen 
tegen elk. wrijven, zich in de handen 
wrijven; b^r gesel bahoCy met de schou- 
ders tegen elkander bij een gedrang. 

Ê^esper, Ned. gesp. 

sêta., troon, zetel; geta karadjadn^ de 
koninklijke troon; geta pemadjangany 
bruidstroon, bruidszetel, I. P. ook een 
breede vaste optred voor de pêntaSy vdW. 
zie padjang. 

sëtabL, plantengom, vogellijm; g'ëtak 
pièrtjtty guttapercha; getah karet ^ gom- 
elastiek ; geta kambodja, guttegom ; b^r- 
gUahy kleverig, klam van huid; p'érgi 
bWgUahy gom in de bosschen gaan zoe- 
ken. Verder: g. soendiy g. g^rih en g. 
tabaUy drie soorten van gutta-percha, 
en gUah poetik; g. hoedangy e. s. v. 
boom met rood, zacht hout. 

g^ëtak ; geta}; hoedang^ e. s. v. boom met 
rood, zacht hout, alleen geschikt voor 
brandhout. Zie ook hoedang, 

firëtang;; rnénggUangy toebinden van den 
mond van flesch of pot enz. met een 
blaas of stuk papier; gUang belaijan, 
eene wijze van den hoofddoek om het 
hoofd te doen, nam. zoools men een 
mandje met bUatjan toebindt. 

sëtar, I. beven, trillen, sidderen, schud- 
den, daveren; nagemaakte boom met 
allerlei snuisterijen; gUar nasiy zulk 
een boom, die in gekookte rijst ter 
versiering wordt gezet; glègïtar, een 
geluidgevend versiersel van paarden, 
Ind. P. e. s. V. turksche schel; g^mè' 
tar en goemëtar, bevend, sidderend; 
ook daverend van bekkens en trommen. 
Hiervan ook gUeniar en gUUar, Zie 
glèntar en kUar. II. Jav. wrang van 
smaak. 

sëtas» Jav. broos, licht breekbaar. Zie 
gïntas. 

eeték, I. lichtzinnige vrouw; z\egUeteJp> 
II. Jav. vlot. 

gëti; geti-gUiy e s. v. koekjes, bereid 
uit bidjen-zAiid. en palmsuiker. 

isëtil ; mïnggUily met de toppen of nageld 
der vingers iets vastknijpen of houden^ 
zie gatir, 

sëtis» = gtètaSy zie ald. 

sëtoe; ménggUoet zachtjes indrukken 



1Ö2 



gteWané: — ^ &iiiai*. 



met iets scherps, b. v. met den nagel 
eeu puistje. 

gewang:, e. s. v. zoutwaterschelp (niet 
te verwarren met gebang), die parel- 
moer levert; ook dat parelmoer. 

Si> e. s. V. smout of dierlijk vet, dat door 
de Klinganeezen bij de spijsbereiding 
gebruikt wordt, ook bekend onder den 
naam van minja^-sapi. 

eigi, tand, in alle beteekenissen, rand 
van een boscb, van de zee, den Jiemel, 
het hoofdhaar enz. gigi ajar, de kim, 
ook: de waterlijn van een schip; gigi 
sêrif snij tand; gigi mendjagoeng, tanden 
die door willen komen en bultjes als 
maïskorrels vormen; g. soesoe^ melk- 
tand; g. gereham^ maaltand, kies; g. 
asoCy oogtand; g. parang-parang, fijne 
tanden, die wijd uit elk. staan evenals 
die van den parang-parangwisch ; g. bi- 
lalang, een zekere steek bij het naaien ; 
mlénggigi bilalang, de gedaante van 
spriflkhaantandjes vertoonen, wordt ge- 
zegd van het rijstgewas als het elf 
dagen oud is. Pad. bovenl.; menggigi- 
en mënggeligi afar, aan de kim zicht- 
baar worden; gigi sisir^ tand van een 
kam; g, djantera en g. poetaran, tand 
van een tandrad; g'érigi, getand, eggig. 

gigril, rillen van koude of opkomende 
koorts. Zie ook geloegoet. 

eigit; menggigit, bijten met een muil 
of mond, niet met een langwerpigen 
bek of snavel; stukbijten, afbijten; gi- 
gitan afgebeten stuk; blèr gigit kan, elk. 
laten bijten; menggigit iUoendjoe^nja, 
op zijn wijsvinger bijten, fig. voor ons: 
op zijn neus kijken, staan te kijken 
alsof men zij o oortje versnoept heeft. 

Siiaxxi, e. s. V. boom. 

SS^oek, geitouw, gording. 

gijoene, de speler die bij het poro^- 
spel met den eersten worp raak gooit. 

eila» gek, zinneloos, dwaas, verzot op 
iets, dol, ook van dieren; gila bèkasa, 
een weinigje gek; gila babi, stuipen, 
toevallen; g. andjing, hondsdolheid; 
tndin gila, gekscheren; gila apakah, 
hoe zou ik zoo dwaas zijn om; g, dengan 
mènangii, hartstochtelijk weenen; g. 
biraAi, dol verliefd; mèmplérgilakan, 
voor den gek houden. 

ffilane, glinsteren, van kleur, gelaat, 
kleederen enz. gilang-goemilang, overal 
glinsterend. 

iCilap^ niénggilap, poetsen totdat iets 



blinkt, polijsten, aanzetten op een riem \ 
goemilap en goemirlap, schitteren, b. v* 
van juweelen, sterren enz.; goemirlapan, 
hetzelfde van velen. 

gilik, = giling, zie ald. 

gilins; menggiling, oprollen, b. v. van 
zeilen; door rollen vermalen, zooals in 
een suikermolen en op een wrijfsteen, 
batoe giling, steen waarop men de spe- 
cerijen fijn wrijft; piènggilingan, rietsui- 
kermolen ; onderste bamboe van een zeil, 
waar dit omheen gerold wordt; meng- 
giling kapala, het hoofd draaiende op 
den nek schudden, b. v. van verbazing. 
Men. is dit ter onderscheiding geleng ; 
gilingan, schijfrad van een kar. Pad. 
bovenl. 

gilir, beurt, aflossing; tiga gilir orang, 
drie menschengeslachten ; bërgilir, elk. 
vervangen, aflossen; giliran, beurt, af- 
lossing. 

gindjal, kïrindjal, zie ald. 

singgang;, geruit hessen- of kielengoed, 
SS tjele. 

sinssoenfi:, e. s. v. bamboezen instru- 
mentje, dat men tusschen de tanden 
neemt en daarmede het geluid ging- 
goeng voortbrengt. Ook : gemompel, d.B. 

gingsi;? gingsi ktrabat, nabestaande, 
verwantschap, d. B. zie ginü, 

gingsir, afwijken, verschuiven; ziegisir, 

gingsoer, = gingsir. Sj. Bid. 

ginsi, maagschap, familie, v. d. W. het 
Eng. kinship, P. 

ginijir, zie gelintjir, 

girang, Jav. verheugd, blijde. 

giras, e. s. v. grof, bengaalsch doek. 

giri, Skr. berg, heuvel; komt alleen 
voor in eigennamen; naga giri, berg- 
draak. 

giring, I. menggiring, voor zich uit 
drijven, van vee of wild, opjagen, een 
klopjacht houden op; djangan lêngkau 
giring kerbau, wees toch zoo dom niet, 
laat je toch niet zoo beetnemen. II. 
giring-giring, rinkelbelletjes als sieraad 
gebruikt, b. v. aan een kleed; giring 
landalf, zekere plant, waarvan de zaden 
in den dop rammelen; Umoe giring, 
e. s. V. kurkuma. 

girlap» verb. van gilap, Jav. blinken; 
goemirlap, blinkend, schitterend, flonke- 
rend; goemirlapati, hetzelfde van velen. 
NB. v.d.W. heeft gfrlapf 

gisar; ménggisar, wrijven, b. v, de han- 
den of voeten tegen elkander; hard 



eisir — soelai* 



33S 



tegen elkander bonzen, zoodat de voor- 
werpen zich omkeeren. Zie kisar, 

gisir, tegen iets strijken, schuren, wrij- 
ven, b. V. van schepen tegen elkander, 
of een boot tegen een steiger, of van 
lieden, die elk. strijkelings passeeren, 
of tusschen de handen. Zie gesel. Ook: 
verschikken, verplaatsen, d. B. 

gita, gejacht, gehaast. P. i/ie gesa, 

gitik, Jav. slaan met een stok of roede. 

g^w^ab, Perz. e. s. v. schoenen, van ka- 
toenen draden gevlochten, waarvan de 
hardloopers zich bedienen. 

Sobah, slinger van in elkander gesto- 
ken bloemen; menggobahy zulke slin- 
gers maken, ook teekenen van lijstwerk 
van in elk. gestoken bloemen. 

gobak, dikke, platte koek van sagomeel. 

sobans, I. zekere zangwijs. II. e. s. v. 
klein, goed zeebouwend vaartuig. III. 
inkeping, die men in palmstammen 
maakt, om het beklimmen te verge- 
makkelijken; van de tanden: met stuk- 
jes er uit, afgebrokkeld. IV. beter ko- 
bang, Jav. een stuk van twee duiten, 
ook een 2^ cent-stuk. 

gobar, donker, van de wolken, somber, 
bedroefd, van het hart. 

sobelx, kleine vijzel met beitel om de 
bestan ddeelen van een sirihpruim fijn 
te maken; anah gohelp, dat beiteltje. 

soda; ménggoda, verzoeken, in verzoe- 
king brengen, plagen, aanvechten, be- 
zoeken; penggodtty de verzoeker. 

godak, vermengd; menggodalp, door elk. 
roeren, b. v. rijst met de toespijzen; 
fig. ook iera. geheel door elkander wer- 
ken, van de koorts. 

godam, grootste soort van ijzeren ha- 
mer, moker, ijzeren knots. 

goe, ploeg van werkvolk, partij, bij 
spelen, die door twee gelijke partijen 
gespeeld worden, koppel, paar, juk v. 
ossen, M. ook i^goe en igoe. 

goebal, spint van het hout; ruw werk, 
werk dat voorloopig in het ruwe ge- 
daan is, en waaraan nog de laatste 
hand moet gelegd worden. 

goebël, Jav. iem. aanhangen, smeekend 
de knieën omvatten. 

goebërnadoer, gouverneur. 

ftoebërnoer, gouverneur. 

goeboeg, 'Jav. wachthutje in de rijst- 
velden. 
goedang, pakhuis, groote winkel, ma- 
gazijn. Zie ook gedoeng. 



goedig, Jav. schurft, zie koedis. 

goedoe; goedoe-goedoe, turksche pijp 
met waterbak, waaruit de mooren ge- 
woonlijk rooken. Zie hokah. 

goegoeh; niénggoegoeh, slaan op een 
trom of dergelijk instrument. Pad. bov.1. 

goegoek, hoog gelegen land, d. B. (?). 
Men. heuvel, aardophooping. 

goegoep, I. verward geraas, waarvan 
men de geluiden niet kan onderschei- 
den. II. Batav. = goepoeh. 

goegoer, afvallen vóór zijn tijd, van 
bladen, vruchten enz. ontijdig geboren 
worden, vallen, b. v. van zijn paard; 
ana^: goegoer ^ ontijdig geboren kind, 
misdracht; goegoer ana^nja, zij is on- 
tijdig bevallen, heeft een miskraam; 
meng goegoer kan, vóór zijn tijd doen af- 
vallen, afwerpen van zijn ruiter; ook: 
deelen in de rekenkunde; menggoegoeri 
sapaiah kata^ er een woord tusschen- 
werpen. 

goegoeis, bos, tros van vruchten, garf 
van koren, regen van vonken, groep; 
goegoes poelav-poelau, eilandengroep, 
archipel; goegoes, ook: gekookte kleef- 
rijst in pisangblad gewikkeld. 

goejah, wankelend van den gang, los, 
beweegbaar b. v. van een meubelstuk 
met een poot die tekort is Pad. bovenl. 
zie gojang. 

goejoe, I. Jav. lachen, ppotten. II. 
menggoejoe^ in een betere stemming 
brengen door woorden of bewegingen, 
iera. plagen derwijze bezighouden om 
hem in zijn nopjes te brengen, plagen, 
bezighouden, b. v. van een kind met 
spelen. Pad. bovenl. 

goela, suiker; g. batoe^ kandijsuiker; 
g. hitam, g. djawa en g. aren, palm- 
suiker; g. pasir, de gewone rietsuiker; 
g. moetij a, suikererwten, muisjes, g, 
boenga, bloemwerk van suiker, dat de 
Maleische vrouwen zeer fraai weten te 
maken; g. k^mbang, gerezen suiker, 
zachte vierkante balletjes; g, tapa^, 
platte, ronde koek van suiker in den 
vorm van het voetspoor eens olifants; 
g. kerei^, hetzelfde in den vorm van 
een katrolschijf; ajar goela, stroop; 
memboeboeh goela, er suiker op of in 
doen. 
goelai, kerrie, en in het algemeen natte 
toespijs bij de rijst; niérnggoelai, toe- 
spijzen bereiden; goelai-goelaijan, aller- 
lei natte toespijzen. Zie ook laoek. 



134 



soeliga — goenoeng. 



goeliga, steenachtige verharding tus- 
schen vel en vleesch bij sommige die- 
ren, zooals bij het stekelvarken enz. die 
als tegengif wordt gebruikt, e. s. v. be- 
zoarsteen, ook batoe goeliga. Op Batav. 
moestika. 

goeling, rollen, voortrollen; bérgoeling^ 
zich rollen, wentelen ; bergoeling sen- 
dirinja, vanzelf voortrollen, b. v. van 
een wagen; mlènggoeling, iets rollen, 
b. V. een vat, de oogen doen rollen, 
een schip opzij kantelen om het na te 
zienj niénggoelingkan dirinja kapada^ 
zich schuren tegen, van een paard; 
ménggoeling-goelingkan kapala^ al met 
het hoofd draaien. 

fl;oelita, duister, donker; gelap goelita, 
stikdonker. 

goeloeng, opgerold, een rol; iikar 
doewa goeloeng, twee rol matten; goe- 
loeng-goeloeng , benedenste balk, waarop 
een dak rust, mits hij rond zij ; is hij 
vierkant of plat, dan heet hij toetoep- 
dj[éuang ; papan goeloeng, de plank, 
waarop de pas afgeweven stof wordt 
gewonden; hergoeloeng-goeloeng, ook: 
rollen van de golven; mmggoeloengy 
een rol maken, iets oprollen ; fig. terdege 
behandelen, drillen; mênggoeloeng moe- 
soeh jang lari, een vluchtenden vijand 
opdringen, nazetten; kdin goeloeng^ ge- 
weven stoffen in rollen ; gemoeloeng^ zie 
gadjah; ünggoeloeng , zie ald. 

goeloet, met haast of met een vaart 
iets doen; bergoeloet^ om het hardst, 
= bWoemba, 

goexn, = ganiy maar dof en zwaarder. 

goeznal, gekreukeld, gerimpeld; ming- 
goemalkan, verkreukelen. 

goemalB, « koemala, de kruin van 
het hoofd, kostbaar edelgesteente. 

goemba, voorschoft van een dier. 

goexnbar, merg der palmgewassen, vd W. 

goemëtar, zie g'ëtar. 

soeniilang, blinkend, zie gilang. 

Il^oexnilap, schitterend, blinkend, zie 
gilap, 

goemirlap, blinken, schitteren, fon- 
kelen. 

ffoeznoel; bërgoemoel, worstelen, hetzij 
van twee of van meer personen, hetzij 
staande of rollende. 

goemoeroeh, donderend; zie goeroeh. 

goempal» kluit, klont, b. v. van deeg, 
klei, bloed enz. Zie ook k^pal. 

goetia» Skr. nut, deugd, toovermiddel ; 



g, p^ngasihy tooverij om liefde op te 
wekken; balas goena, weerom too veren, 
terug tooveren; goena biasa, oud en 
beproefd, van een vriend; b^rgoena 
nuttig; tiada bergoena^ onnut; per- 
goenaan, het nut dat iets heeft; wïêm- 
pergoenakan, ten nutte aanwenden, be- 
nuttigen, tot eenig doel aanwenden, 
gebruik maken van iets tot; goenatoan. 
nuttig. 

goenaxu, knielen, van een olifant 
niênggoenamkan, doen knielen, R. v. E. 

goena^van» nuttig, zie goena, 

goendah, twijfelmoedig, niet weten 
wat men doen moet; goendah goefana, 
in twijfel, geslingerd van gemoed; 
pasang goendah ^ dood tij. 

goendal, merk, dat men bij het tellen 
maakt voor zekere hoeveelheden, 't zij 
door een knoop te leggen in een touw 
of een streepje of kerfje te maken; 
goendalan, dat waarop men de merken 
maakt, kerfstok enz, 

goendik, bijzit, bijwijf; ntëmpïrgoendiif' 
kan, tot bijwijf maken. 

goendjai, snoer van goudplaatjes, pa- 
rels en dergel. Zie ook g)êdabah. 

goendjing. Pad. bov.1. praatjes; b^êr- 
goendjing, kwaad spreken achter iem. 
rug. 

goendoe, uitgeholde en met tin opge- 
vulde boewah'kh'aSy waarmede men bij 
het o^^i^-spel naar de opgestelde noten 
gooit. Zie Mën. wrdb. 

goendoel, kaal van hoofd, 't zij zonder 
haar, 't zij zonder hoofddeksel, dus 
ook bloothoofdsch ; ook kaal van een 
land. 

goenggoeng, kleven, « Ukaè; ^^- 
goenggoeng pada kaki, aan de voeten 
gekleefd. Pad. bov.1, 

goeni, de plant, die het jute- vlas levert; 
zak daarvan vervaardigd. 

goenoeng, berg; g. b^rapi, valkaan, 
vuurberg; mas goenoeng, troetelnaam, 
mijn schat; goenoeng iinggi nünjapoe 
awan, een berg welks top in de wolken 
reikt; goenoeng barisan, bergketen; 
goenoeng-goenoeng, ronde, hooge raglea» 
ning aan zitplaatsen ; goenoeng-goenoeng- 
an, schilderij van bergen, b. v. in een 
badkamer, vdW.; verheven snijwerk, 
bergachtig, pyramidale figuur, ook van 
dingen die pyramidaal op elk, gesta- 
peld zijn, pagode, groote figuut bij 
het wajangspel, zoo iets voorstellende; 



soentak — soe^vit. 



185 



hoedjoeng goenoeng^ vooruitspringende 
bergrug; p(égoenoengan, gebergte. 

fi;oentak, rftramelen, van pitten in droge 
vrucbten, doch niet van pinang, zie 
daarvoor koetai, 

Soenting:, schaar om te knippen; meng- 
goenting^ met een schaar knippen, af- 
snijden ; ook door middel van een spaak 
een last voortschuiven. 

Soenijaiis:, sterk en schielijk heen en 
weder schudden ; mtnggoentjang kapalay 
het hoofd schudden ; mevggoentjartg- 
goentjang tangan, bij herhaling de hand 
schudden; digoentjangnja, tiada h^r^ 
g^ralf!^ hij schudde er aan, maar het 
bewoog niet; bergoentjang loetoet, het 
eene been over het andere gelegd heb- 
bende met de knie schudden; rnéug- 
goentjang lotjeng, de bel luiden ; digoen- 
tjangnja tjapjaunja, hij wuifde met 
zijn hoed. 

goentji, haarlok, slip, die onder iets 
uitkomt, b. v. van een hoofddoek. 

eoentoeng, stomp van voren, zonder 
vooruitstekende boeg, van vaartuigen; 
afgeknot ; Hang g , mast zonder steng ; 
poesaka g.y zie ald. 

soentoer, Jav. donder, « goeroeh, 

groep, =» gapy maar doffer van klank. 

soepërnoer, gouverneur. 

goepoel), Qy&ï:\iv^2i%i) goepoeh-gapah, ver- 
sterkte vorm van het eerste; goepoeh 
mamang, zoo overhaast, dat het voor 
de oogen draait. 

eoerah, I. ménggoerah, iets uitspoelen, 
b. V. den mond, een ilesch. II. e. s. v. 
boom, welks vruchten men bezigt om 
visch te bedwelmen. Zie toeha, 

soera k, en g, kapala^ hoofdzeer, haar- 
worm. 

fifoerami, Jav. e. s v. fijnen, zeer sma- 
kelijken visch, e. s. v. karper. 

soerau, gekkernij; mênggoeraukan, met 

t iets gekscheren; djanganlah digoerau- 
kafiy steek er den gek niet mede ; goerau- 
tanda, allerlei gekkernij. 

ffoerda, Kw. = bïringin, de Indische 
heilige vijgeboom; ook = garoeda^ 
zie ald. 

ffoerdan; ringgit goerdan, een Mexi- 
kaaneche dollar met de beeltenis van 
een vogel. Zie bij ringgit. 

ftoerdi, boor, drilboor, zwaaiboor; zie 

' hor en gerey. 

ffoeri, e.s.v. klein aarden potje, ook als 
itthoudsmaat gebruikt. Zie ook bij tjina. 



Soerindam, Tam. spreukgedichten. 

goerita, Skr. van vangarmen of klau- 
wieren voorzien, ook : band met linten ; 
ikan goerita, de inktvisch, de sepia; 
djaralp ^., e. s. v. plant. 

goerk, Perz. wolf. 

goernadoer. Port. gobernador, gou- 
verneur. 

goeroe, Skr. leeraar, inz. in den gods- 
dienst, onderwijzer, leermeester, school» 
meester ; goeroe kakajp^ hulponderwijzer, 
kweekeling, letterl. meester oudere broe- 
der, nam, van de leerlingen; bhrgoeroe 
kapada, in de leer zijn bij. 

goeroeh, donder, ook een donderend 
geluid in het algemeen van andere 
zaken; goemoeroehy donderend, «« blèr' 
goeroeh. 

goeron, I. wildernis, woestenij ; zie ook 
boeroen. II. penggoeroen, verschrikker, 
vreesaanjager, vogel verschikker. 

goes, afgedaan; sakali goeSy in eens, 
roefl Zal wel in verband staan met 
het Soend. goes en g'l&s en het Jav. 
tooeSy oewis. 

goesnr, boos zijn, toornen, kwaad zijn; 
djangan toewan goesar, wees niet boos, 
mijnheer 1 neem het niet kwalijk ! meng' 
goesari, boos zijn op, toornen op, ook 
menggoesarkan, 

goesi, tandvleesch; lajar goesi^ bezaan, 
of gaffelzeil; g. gatal, watertanden. 

goesoer; niênggoesoer, afglijden van 
iets, b. V. maka ijapon menggoesoer dari 
ribaan raden Asmara Djaja^ zij liet 
zich van A. D.'s schoot afglijden. Pr. Dj. 

goesti, I. Jav. heer ; goestikoey mijnheer I 
II. Perz. bergoestif worstelen. 

goetji, geel verglaasd aarden kruik. 

goe^va, Chin. ik. 

goe wal, platte klopper ; mlénggoewal, met 
zulk een voorwerp kloppen, b. v. iets 
tot vezels; goewal-gawil, waggelen in 
een holte, b. v. een losse tand ; méng- 
goetoalf slaan met een stok op een speel- 
tuig, = goegoehy Pad. bovenl. 

goewam, I. spruw, bij zeer jonge kin- 
deren. II. geschil, voor den rechter, 
ook tusschen twee mogendheden enz. 
b. V. goewam jang soedah poetoes ^oe^ 
koemnja^ geschil, waarover reeds uit- 
spraak gedaan is; blèrgoewam, een ge- 
schil hebben. 

goe-wit; mlènggoewity bewegen, wibbelen 
met de voeten; ook bewegen ^van de 
vrucht in de baarmoeder. 



186 



isosah — sotjoh. 



soixali* Perz. grógrdy geraas, getier, 
alarm. 

gosob, sterk rillen van de koude, ster- 
ker dan gigik 

gogok, halsketen; menggogolfpy zwelgen, 
vocht door de keel gieten, v d.W. peng- 
gogolcy zwelger. Zie Ugole I. 

goba, Skr. grot, spelonk. 

gojane, slingerend zacht heen en weer 
bewegen, zooah een klok, de hoornen 
enz.; menggojang g^nta, de klok luiden ; 
mênggojang-gojang tjapiau, met den 
hoed wuiven; kalau tiada angin, takan 
pokok b^rgojang. Sprw. 

golaty B3 goelingy Pad. bovenl. 

eolik; rninggoli/:, iets rondwentelen, 
draaien, omwentelen, afwentelen; bantal 
golik, rolkussen, een in Indië welbekend 
rolrond kussen op de bedden; meng- 
goli^-goli^kariy herhaaldelijk iets rond- 
wentelen. Zie goeling. 

Solir, e. s. V. spel. 

golok, e. s. V. houwer of kapmes, van 
voren breeder dan van achteren; golo^ 
sanda^ Sadj. Mal. p. 171. mogelijk 
soenda, 

golot; menggolot, garen enz. in haast 
opwinden, ook in vliegende haast iets 
doen. Beter goeloet, zie ald. 

gombak, kuif, zooals v. sommige kip- 
pen en eenden, uitgezet v. e. gedeelte 
haren, vederen, bloemen enz.; boeroeng 
g*i e. 8. V. vogel met dikken hals. 

goxnbal, I. naam van e. s. v. boom. II. 
versleten goed, vod, lomp. 

goznbala, Skr. herder, hoeder, oppasser 
van dieren, cornac, bestuurder van een 
wagen; g. koeda^ paardejongen, stal- 
knecht; g.hajam^ pluimgraaf; g.pMati, 
karrevoerder, wagenmenner; menggom- 
balakatiy hoeden, oppassen van vee; 
ménggombalakan pMaH, een wagen of 
kar besturen. 

gombang, e. s. v. verglaasd aarden wa- 
tervat ; ook een inhoudsmaat van 5 — 10 
gantang; kaiii gombangy kleedje zonder 
broek. 

gombena:; ménggombeng ^ verwijden, wij- 
der maken van een opening; iets ter- 
dege doen. 

SOU) bok; m^ènggombo^y iemand lekker 
maken, bepraten, om wat van hem ge- 
daan te krijgen. 

SiOTx^^\% mènggomely beetje voor beetje 
behandelen, van iets dat anders te 
zwaar of te veel zou zijn. 



gondane:, e. s. v. eetbare alikruik. 

gondja, mtnggondjay bespotten, == sindir, 
Maxw. beter goendja oïgondja^y Jav. id. 

gondjong, de horens van een Maleisch 
dak op Sumatra Zie Men. wbk. 

gondok, ongewoon dik van hals, krop- 
gezwel, speknek; merpati g., kropduif. 

gondong, kropgezwel; gondongarty pak, 
baal. 

gong, e. s. V. metalen bekken of ketel, 
behoorende tot de inl. muziek-instru- 
menten; gong rajoy de groote gong; 
gong tjaboely de oorlogsgong. 

songgong, I. menggonggongy tusschen 
de tanden nemen of dragen. II. e. s. v. 
eetbaar schelpdier met witte horens 
zonder punten ; soorten zijn: g. djantany 
g. betina en g, boegis. III. Jav. blaffen 
van een hond. Zie sala^!. 

gonja, jok, jokkernij; menggonjakany 
met iets spotten, lachen. Maxw. 

gonjeb, kauwen, zooals iemand zonder 
tanden, mommelen. Zie koenjah en 
gonjel. 

gonjel; mênggonjely zachtjes drukken, 
b. V. een gezwel; zachtjes op iets bijten 
of kauwen. 

goram, droog in een pan op het vuur 
roosten, b v. meel, koffie enz. Zie ook 
goreng en rèndang. 

gorap, het arab. grordb, e. s. v. schip. 
Ook: de naam van e. s. v. zoutwater- 
schelp. 

gorek, I. = kore^y zie ald. II, e. s. v. 
slingerplant, welks bladen soms in de 
btdahy het blanketsel, gedaan worden. 

goreng, gebakken, gebraden, zoowel 
met als zonder vet, geroost in een pan ; 
ook : baksel, braadsel ; ikan gorengy ge- 
bakken visch; wêw^^or^»^, bakken, bra- 
den, in een pan roosten ; p^nggorengaUy 
braadpan. 

goris, krab, schram, kras, streep, lijn; 
mén g goris y lijnen, streepen enz. maken, 
trekken. Zie garis. 

gorok, I. mhiggorojpy borende in iets 
steken, b. v. een dolk, met een hand- 
boortje een gat boren. TI. Jav. snorken. 

gOBok; m^nggoso^y wrijven, schuren, 
poetsen en op een plank slijpen, zooals 
wij onze tafelmessen. 

gosong, I. zie boesoeng II. II. Jav. 
verbrand, aangebrand. 

gotis; m^nggotiSy stukplukken van bloe- 
men. 

goljoh; meng gat j oh t met de vuist slaan 



gotols: — habis. 



137 



of met iets, dat men in» de vuist 
houdt; Vérgotjoh, boksen. 

gotok ; menggotohy de aanslag van opium 
of iets dergelijks afkrabben en door 
uitkoking de opium weer afzonderen. 
Mal. Sam. 

grafóér, Arab. veel vergevend, van God. 

jgrahanaf Skr. verduistering van zon 
of maan ; iabir grahana^ verklaring van 
de beteekenis der zons- en maansver- 
duisteringen; g. jang sampoerna, totale 
verduistering. 

Si'd^'b, Arab. verdwijnen, verdwenen, 
niet voorbanden; algrdib ind' Allahy 
de verborgen bed en zijn Godes. 

e^raïb, Arab. het verborgene; ook ver- 
dwijnen; hilang grdib, voor altijd ver- 
dwenen, dood; grdib, pikiran, zijne 
gedachten kwijt zijn, Mën. baginda 
jang grdib, de overleden Vorst; algraib, 
het verborgene, de toekomst. 

Srair, Arab. bigrair = melainkan, zie 
bij laïn. 

grairat, Arab. ijverzucht, eerzucht, 
sterke begeerte of lust naar iets, verzot 
op, brandende liefde, b. v. grairatnja 
b%romba]f'Ombayiah saperti laoeian gtm- 
pa kèna tof dn, zijn brandende liefde be- 
woog zijn gemoed als de golven van de 
oceaan, opgezweept door een orkaan, 
R. Ch. 

Sralab, Arab. overwinning. 

gralabab, Arab. ingenomenheid, droef- 
heid, bedroefd. 

sralai, galei. 

sralat, Arab. dwaling, vergissing, fout, 
verkeerd. 

ffrali, Arab, zich om iets bekommeren. 

gralib, Arab. overwinnaar, de overhand 
hebbend; pada grdlibnja, hoofdzakelijk, 
voornamelijk, meestal. 

ISralJds, Port. galea9a, groote galei met 
drie masten. 

arëlni, Arab. rijk; algrdni, de Rijke, 
d. i. God. 

israrib, Arab. vreemd, vreemdeling. 
Soms verkeerd voor karib, intiem. 

srarir, Arab. zonder ondervinding en 
daardoor gemakkelijk te foppen. 

ISrarfzat, Arab. natuur. 

grarfzi, Arab. natuurlijk. 

erasal, Arab. reiniging, wassching. 

erasj^jat, Arab sluier, bekleedsel, dek- 
kleed, ook over een zadel, hartvlies. 

erassdk, Arab. de waterdeelen in het 
lichaam. 



graz, Arab. uitkiezen en uitsluitend be- 
zitten. 

grazah, Arab. Gasa, stad in Syrië, 
waarvan de benaming gaas, dun, floers- 
achtig weefsel; zie kasa. 

grazal, Arab. minnekout, minnedicht, 

grazdl, Arab. gazel. 

graznah, Arab. Ghizeh, vermaarde stad 
van Afghanistan. 

gredja. Port. kerk; boeroeng gredja, de 
musch, uit Europa naar Indië over- 
gebracht. 

gridts, Arab. hulp, bijstand. 

grilab, Arab. nachtelijke aanval. 

groebóér, Arab. talmen, aarzelen. 

groeldxn, Arab. jongeling, jonge slaaf. 

groeloef, Arab. onbesneden, de voor- 
huid hebbend. 

gpoerdb, Arab. e. s. v. vaartuig, galei. 

H. 

baba<»jat, Arab. Abessynië. 

babfb, Arab. vriend, beminde. 

hd^bfl, Arab. Abel, de zoon van Adam. 

habis, op, teneinde, gedaan, geheel en 
al, allen of alles, niets meer over, ook 
zonder uitzondering, verstreken v. e. 
tijd ; oewangkoe habis, mijn geld is op ; 
^abis dimakan, geheel opgegeten; kabis 
bagitoe, daarna, toen dat gedaan was; 
kabis .... berganiiy van .... tot, bij 
tijdsbepaling, b. v. habis hari berganti 
boelan, habis boelan berganti iahoen, 
van dagen tot maanden en van maan- 
den tot jaren; berhabis ajar, honderd 
uit praten, een zeer lang gesprek hou- 
den, vdT.; habis boedi bitjara, ten 
einde raad zijn ; habis perkara, afgedane 
zaak; habis toeboehnja, zijn geheele 
lichaam; kabis-habis en sahabis-habis, 
geheel en al, de uiterste, b v. sahabis- 
habis b'êsarnjay de uiterste grootte ervan 
of zoo groot als het maar kan ; habisnja 
empat hasta, op zijn allevlangst genomen 
vier elleboogsellen ; habis-habis, ook : ten 
allerlaatste; méngkabiskan, een einde 
met iets maken, opmaken, voltooien, 
afmaken, uitmaken van zaken; m^ng- 
habiskan oewangnja, zijn geld opmaken; 
m. pekh'djaannja, zijn werk afmaken, 
voltooien; mareka-itoelah ménghabiskan 
s^ala biijara, zij waren het die alle ge- 
rechtszaken uitmaakten; nünghabiskan 
hari, den tijd korten, den tijd pas- 
seeren; djikalau tiada ürhabiskan olih 



188 



habfs — hd^im. 



mareka-itoey als het door hen niet uit- 
gemaakt kou worden. H. Abd.; m^ff- 
habisi ségala d^abatan^ alle ambten 
onnoodig maken door ze te overtreffen, 
of in zijn eigen persoon te vereenigen; 
hahabisan^ ten einde geraakt met, b. v. 
kahabisan djawdbnja, ten einde geraakt 
zijn met zijne antwoorden, geen ant- 
woord meer weten; penghabisafiy einde, 
dat aan iets gemaakt wordt; pêngha- 
bisan doenijay het einde der wereld, 
d. i. ondergang; penghabis ^elat» de 
uiterste list. Ibr. b. Ch. 

habls, Arab. bestemd tot godsdienstig 
gebruik en daarom onvervreemdbaar. 

habloer, zie baloer. 

hablóér, = abloer. 

baboe, asch, stof; zie aboe en voeg bij : 
diph'haboenja, werd door haar tot asch 
verbrand, R. Ch. haboe aiigin, stof voor 
den wind, id. 

babsji, Arab. Abyssinisch, Ethiopisch; 
oraTig ^absji, Abyssiniër, Ethiopiër. 

bad, Arab. grens, definitie, tot aan; 
^ad boedi, de grenzen van het ver- 
stand; datatig kapada had njawa^ het 
leven is er mede gemoeid; klèna ^ady 
de door de wet bepaalde straf krijgen. 

badap, vóór, in tegenwoordigheid ; meng- 
hadap, met de voorzijde naar iets toe- 
gekeerd, zich bevinden voor, staan voor 
of tegenover iets, iets voor zich heb- 
ben, ook van iets dat gebeuren moet 
of aanstaande is, gekeerd naar, b. v. 
mtnghadap matahari mati, gekeerd naar 
het Westen; dataitg menghadap radja^ 
komen verschijnen voor den Vorst, zijn 
opwachting komen maken bij den Vorst ; 
menghadap orang^ van den Vorst: het 
gelaat gekeerd naar het volk; rning- 
hadap moeka kapada Soelfdn^ het ge- 
laat keeren tegen den Sultan, tegen 
den Vorst opstaan, oproerig zijn; mem- 
bawa menghadap radja, in tegenwoor- 
digheid brengen van den Vorst; hatinja 
tida^ menghadap kapada plèngadjian, 
hij was met zijn hart niet bij het lee- 
ren; mtnghadapkatiy stellen vóór iem. 
of iets, ook richten vlak op iets, voor- 
stellen, presenteeren, voorzetten of bren- 
gen; ri^mpïrhadapkan, tegenover elk. 
stellen, b. v. dip^rhadapkan boegis de- 
ngan mVajoe^ boegineezen en maleiers 
werden tegenover elk. gesteld, zooals 
door e. rechter beschuldigde en beschul- 
diger j m'énghadapiy tegenwoordig zijn bij 



iets ; hirJiadapan dengany vlak tegenover 
iets of iemand staan of zijn ; b^rhadap- 
hadapan, van twee partijen vlak tegen- 
over elkander, frontmaken; dihadap^ 
omringd, b. v. baginda dihadap olih 
segala manieri hoeloebalang, de Vorst 
was omringd door al zijne ministers 
en officieren; hadapan^ voorkant, voor- 
zijde, wat men voor zich heeft, aan- 
staande; dihadapan, vóór, in tegenwoor- 
digheid van; phighadapaUf voorhof, 
plaats waar men voor den Vorst ver- 
schijnt, audiëntiezaal; nasi hadap- 
hadapan, een versierd rijstgerecht, dat 
het bruidspaar wordt voorgezet; pada 
moesim dihadapan ini, in het aan- 
staande jaargetijde. 

badëpa» = dèpa, zie ald. 

badijah» Arab. geschenk; mènghadijah" 
kariy ten geschenk geven. 

bddits» Arab. nieuw. 

badits, Arab. nieuwtje; de overleve- 
ring aangaande Mohammad. 

badj, Arab. de bedevaart naar Mekka; 
p^rgi l^adjy ter bedevaart naar Mekka 
gaan. 

badjaby Arab. beveiliging, protectie, 

bddjam, Arab. barbier, baardscheer- 
der, chirurgijn, iemand die aderlaat. 

badjam, Arab. aderlaten, koppenzetten, 
scheren. 

liadjar, I. Arab. steen; IpadjaroeHaswady 
de zwarte steen in den tempel te 
Mekka, die door de bedevaartgangers 
gekust wordt. II. Arab. Hagar. 

hdcyat, Arab. behoefte, benoodigdheid ; 
ber^ddjaty behoeven, noodig hebben, het 
noodige gereedmaken; karléna ^ddjat, 
uit nooddruft, uit noodzakelijkheid; 
mèminta dléngan liadjatnja, uit behoefte 
vragen ; ^. blèsar dan ^. kMJil, groote en 
kleine behoefte, een groote en kleine 
boodschap naar n®. 100; ^. shii = ^. 
kUjil; ^adla ^ddjat^ zijn gevoeg doen. 

badji, Arab. bedevaartganger naar 
Mekka; ^, blètoel, de echte bedevaart- 
ganger, die op den bepaalden tijd bij 
den berg Arafat is geweest, om den dui- 
vel te steenigen; ^. badal, bedevaart- 
ganger in de plaats van een ander; 
meng^adjikan, voor een ander de bede- 
vaart doen of het geld daarvoor be- 
steden. 

bddjlb, Arab. kamerdienaar. 

bddjim, Arab. barbier, koppenzetter, 
wondheeler. 



hddlir — haldl. 



189 



i hddlir, Arab. tegenwoordig, voorhanden, 
aanwezig, gereed, bij de hand; nièng- 
^ddlirkan^ vóór iemand stellen, plaat- 
sen voor. 

liadlfrat, Arab. veveeniging van men- 
schen, klein detachement. 

liadlrat, Arab. tegenwoordigheid. Dit 
woord wordt uit eerbied met het Vooiz. 
verbonden, wanneer het op den naam 
van God slaat, b, v. kafyadlrat Allah in 
plaats van kapada Allah, enz. 

badzd, Arab. deze, dit. 

Iiadzar, Arab. behoedzaamheid, bedacht- 
zaamheid, voorzorg. 

hafal, Arab. geheugen; ménglj^afalkan, 
onthouden, vanbuiten leeren, opzeggen. 

hélfi, Arab. een barrevoeter, 

^dfil, Arab. van buiten kennen, inz. den 
Koran en de zes voornaamste overle- 
veringen aangaande Mohammad. Zie 
ma^foe}. 

hai, Tusschenw. bij het aanspreken van 
minderen, o! well hai-hoewi, moeite, 
arbeid, geroep en geween. 

hdl; oratiff tjina hdi, een Chinees van 
Kwantong. 

haibah, schenking bij het leven, do- 
natio inter vivos. Pad. bov.1. 

haibdn, Arab. ontzagwekkend, verschrik- 
kelijk. 

baibat, Arab. ontzagwekkend, verschrik- 
kelijk; ménghaibatkan diri^ zich ver- 
schrikkelijk aanstellen. 

haidl» Arab. de menstrua. 

baif, Arab. onrechtvaardig. 

bairdn, Arab. verwonderd, verwonde- 
ring, wonder; ^. akan dirinja, verwon- 
derd zijn of staan ; meng^airankan, iem. 
doen verwonderd staan, zich verwon- 
deren over. 

hairat» Arab. verbazing, verwondering. 

h.ai'waty Arab. leven, = ^ajdt, zie ald. 

baitsoe» Arab. waar, waar ook. 

baiiTirdn, Arab. dier, beest; ^aiwdnan, 
het dierenrijk; haiwanijat, dierlijke 
natuur» 

haiwëlnl, Arab. dierlijk. 

b^j, Arab. levend. 

baja*, Arab. schaamte, eergevoel. 

bf^ai haja-hajat onwillekeurig heen en 
weer gaan van het bovenlijf; wankelen 
tusschen voltooid en niet voltooid 
worden, van een werk. 

bi^am, zie ajam\ hajam hitam jang 
êëlasihf kip, die zwartachtig vleesch 
heeft, vdW. 



baiat; öadjoe hajat, zie ajat I. 

baidt, Arab. leven; aldmatoe'l^ajdt^^ 
tanda hidoep, teeken des levens, d. i. 
een stoffelijk blijk van vriendschap, ge- 
schenk bij een brief; banja^lah orang^ 
jang telah mendapat ^ajatnja, veel per- 
sonen hebben hem gekend, Hik. Abd. 
pag. 371, 

bak, Arab. recht, wat iemand rechtens 
toekomt; i^ak poesaka, erfrecht; ^. ka- 
soeloengan, eerstgeboorterecht ; i^a^-ber- 
^ak, wederkeerig recht ; melanggar itajp^ 
inbreuk maken op iemands recht; meng- 
gagahi ^a^, iem. rechten verkrachten; 
makan liai;, zich toeëigenen van datgene, 
waarop een ander recht heeft. Ook 
wordt ^ai: gebr. = Allah. 

hakfkat, Arab. waarheid; ook het ori- 
gineel van een portret ; b. v. ^a^i^at 
gambar. Ibr, b. Ch. 

bakiki, Arab. oprecht, ongeveinsd. 

hakim, Arab. rechter, magistraat, over- 
heidspersoou ; berhdkim kapada, iem. 
als rechter nemen, uitspraak, laten doen. 

bakitn, Arab. wijze, geleerde. Niet te 
verwarren met Jtdkim, 

boeknat, Arab. lavement; ^oejpnatkan, 
een lavement zetten. 

bdl, Arab. staat, toestand, omstandigheid, 
gesteldheid, zaak, ding, geval; ^dl' 
a^oewdl, de omstandigheden; dtngan 
segala hdl-a^oewalnja, omstandiglijk; 
pada Jj^dL conj. terwijl toch; liada 
berapa i^dlnja, 't is niet veel zaaks, 't 
heeft niet veel te beduiden, 't heeft 
niet veel om 't lijf; menghdlkan be- 
lemmeren; bërtapa minghdlkan dirinja, 
zich bedwingen, een ingetogen leven 
leiden; fi^dl, terstond, op heeterdaad; 
Urhdl, belemmerd door eenig tusschen- 
komend geval, er kwam iets tusschen, 
er kwam een kink in den kabel ; djika 
ada soeatoe ^dlkoe, als mij iets over- 
komt- 

bala, de richting van een voorwerp dat 
stilstaat, b. v. een kanon; wiénghala, 
richten, ook van woorden, b. v. diha- 
lakannja plêrkataannja kapadanja, hij 
richtte zijne woorden tot hem; gericht 
zijn naar iets, zich bevinden tegenover 
iets ; ptnghala, werktuig om te richten ; 
ierhala, in 't oog vallen, b. v. dart 
djaoek soedah Urhala van verr§ viel 
het reeds in het oog. Ibr. b. Ch. Zie ara, 

haldl, Arab. wettig geoorloofd; ont- 
slag; minta ^aldl, zijn ontslag vragen: 



140 



lialaman 



baixiba. 



menff^aldl&an, kwijtschelden, rechtgcTen 
op of over, in het rechtmatig bezit 
stellen. 

balatxian, voorplein, open plein voor 
een gebouw, berg enz. Ook de onbe- 
schreven rand eener bladzijde. Jav. 
aloen-aloen, plein. 

balamans, e. s. v. slagzwaard of kle- 
wang. Jav. lameng. 

halaxnixi, zie lamin. 

halba, zie halbot Arab. 

bal bat, Arab. zie kelahat. 

balai; halai-balaiy verwaarloozing, mèng- 
halai'balaikan, verwaarloozen, met on- 
verschilligheid behandelen, van een 
zaak. 

balak Arab. keel, strot. 

balatnpas, zie lampas. 

balau, ook alau; mlènghalaukan, ver- 
drijven, wegjagen ; penghalau, verdrijver. 

bale^a, ook ledja, e. s. v. gestreept 
halfzijden stof van Surate. 

balija, gember; halija bara, een soort 
daarvan. 

halilintar, bliksemstraal, bliksemflits. 
Komt soms ook voor in de betekenis 
van donderslag. Mën. ook donderslag, 
dondersteen. Men wil het aldus aflei- 
den: hali = harif Skr. zon, Vischnoe 
of Krischna en lifita?' — lonlar, werpen, 
Maxw. 

balimoen, ook halimonan, middel om 
zich onzichtbaar te maken, vdW. Het 
schijnt ook doorschijnend te beteeke- 
nen, daar het in de Oendangoendang 
Malaka als bapaling van kain cha§a 
voorkomt. 

balintab, zie lintah. 

balintar, zie halilintar. 

balipan* ook Upan, vergiftige duizend- 
poot ; halipan p^san-phan, e. s. waarvan 
de steek zoo giftig is, dat degestokene 
zijn laatste bestellingen wel kan doen; 
halipan bara, een roode soort; djari 
halipan, uitgerafelde kokosbladen, die 
in vorm daarop gelijken, en om de 
badbenoodigdheden van pasgehuwden 
worden gewikkeld, om de booze geesten 
af te weren. 

balit, zie alif. 

balkat, Arab. ring, poortring, malie, 
schakel of schalm, bracelet. 

haloe, zie haloewan. 

baloes, fijn, dun, teeder, fatsoenlijk, ge- 
slepen ; orang haloes, een fijn beschaafd 
mensch, ook: een luchtgeest. 



baloewan, het voorste van iets, voor- 
steven van een vaartuig (als zoodanig 
ook gebruikt als hulp-Telw. bij het 
tellen van vaartuigen, zooals wij bodems 
of zeilen gebruiken); voorhoede, gids, 
woordvoerder bij eene deputatie, voor- 
beeld ter navolging, eerstelingen, ge- 
schenk dat men bij zijn thuiskomst 
meebrengt als de vrucht van een tocht; 
geschenk dat men als voorganger ont- 
vangt; richting van vaartuigen, kanon- 
nen enz. membawa haloewan, koershou- 
den; berpaling haloewan, fig. voor on- 
trouw of afvallig worden; menghaloe- 
wankan, eene richting geven aan; sï' 
loewan, samentr. van sahaloewan, van 
één richting. 

balwa, Arab. gebak, zoetigheid, confi- 
turen ; ^. maskat, ' ac dodol, zie ald. 

balwdn, Arab. honorarium, geschenk. 

baixia, = ama I, mijt; hama koedis, 
schurftmijt. 

bamad, Arab. lof; alfyamdoellahi, lof 
zij God. 

bamba, dienaar, slaaf, ook gebruikt als 
pers. Vrnw. Ie pers. minder nederig 
dan sehaja en patik; hamba ioewan, 
mijnheers dienaar, d. i. uw dienaar; 
toewan hamba, mijnheer. Op dezelfde 
wijze wordt hamba gebruikt vóór eiken 
anderen titel, b. v. h. datoejp, h. entji]p, 
h. nachoda; h. toewa, oude dienaar, 
zegt een oud man van zichzelven uit 
eerbied jegens een jonger persoon; 
hamba toewantoe (samentr. van toewan 
itoe), ik, tegenover personen van vorste- 
lijke afkomst, van den Bendahara af 
naar beneden, in het voormalig rijk 
van Djohor; hamba Ungkoe en hamba 
htgkoe, ik, als men spreekt tot de zonen 
dier vorsten; dihamba-tlngkoekan en 
dihamba higkoekan, daarmede aange- 
sproken worden ; hamba orang, iemands 
slaaf, iemands knecht; hamba radja, 
lieden, die met al hunne nakomelingen 
den Vorst toebehooren; hamba radja 
nlègari, de weigezeten burgers ; hamba 
kompani, tot dwangarbeid veroordeelden ; 
hamba séhaja, bedienden in het algemeen; 
doewa ber hamba, met zijn dienstknecht 
of met haar dienstmaagd van btrhamba, 
een dienaar bezitten; doewa blèrhamba, 
ook : hij (of zij) en zijn (of haar) dienaar; 
dipérhamba, als dienaar bezeten worden; 
dipïrhamba orang, in dienstbaarheid 
zijn, b. V. daripada hidoep dipMamba 



hatïibctl ^^ liampelaè« 



141 



ordnffy têrUbih baik mati; bh'kamöakan, 
tot dienaar hebben; memperhambakan , 
tot dienaar maken ; diperhambakan, tot 
dienaar gemaakt of aangenomen worden ; 
minta diplrhambakan (ook verk. tot m. 
diptrhamba), om de hand van een meisje 
vragen, zoowel aan haar zelve als aan 
hare ouders; jang diperhambay ik, te- 
genover jang dipertoewan en ioewan 
hamba ; soedah hamba^ diperhamba poelay 
nederigheidsbetuiging bij een huwelijks- 
aanzoek; •mémpérhambakan dirinja, zich 
ten dienaar stellen, zich als dienaar 
aanbieden; perhambadn^ dienstbaarheid, 
knechtschap, slavernij. 

hambai, I. ook ambai, groote schep- 
maad om garnalen en kleine visschen 
te vangen. II. mêmghambai^ onderzoek 
doen? b. v. tjobalak engkau pergi ham- 
bai orang itoe ditengah moechalaïk jang 
ramai, ga gij eens onderzoeken naar dien 
man in het midden dier volte. 

liambar, zie ambar, 

hATxihat ; m^nghambat, achtervolgen, ver- 
volgen, najagen, nazetten, trachten te 
vangen of voor zich te winnen b. v. 
iemand van invloed, plotseling een 
aanval op iets doen met handen of 
klauwen, achterhalen van goederen; 
ménghambat hati orang zich meester 
maken van iem. gemoed; plênghambat, 
vervolger, nalooper, najager. 

bauiboer; niénghamboer z. verspreiden, 
verstrooien, uitspreiden, uit elk. gaan, 
zich storten, uit elk. werpen, strooien, 
zaaien ; ménghamboer djala^ een werpnet 
uitwerpen; ménghamboerkan dirinja^ ka- 
pada, zich storten op; ménghamboerkan 
koedanja, zijn paard doen springen, zich 
met zijn paard storten; hamboer-ham- 
boer, naar alle richtingen strooien of 
gestrooid, ook: strooigeld of strooipen- 
ningen; hamboerauy strooisel; méng- 
hamboerkan bahana geluiden strooien, 
poëtische uitdrukking voor spreken ; zoo 
ook ménghamboerkan kata^ Ibr. b. Ch. 
kahamboeran^ verspreid van rook, S. R. 
perhamboeran, stortende sprongen ; peng- 
hamboeran, zaaiïng, verstrooiing, be- 
stiooiïng ; mênghamboeri, bestrooien ; ter- 
hamboer^ verspreid, ook van geuren 
Mes. Kag. 

^tnld, Arab. lovend, prijzend, inz. God. 

baxnid, geloofd, geprezen; alfyamid, de 
geloofde, d. i. God. 

bó^mily Arab. zwanger; ^. dengan, zwan- 



ger bij ; mlêng^dmitkan, bezwangeren ; 
^dmilkan, zwanger zijn van. 

bamis, en amis, een vieze lucht, zooals 
van rauwe visch, een mes waarmede 
haring gesneden is enz. 

bammdm, Arab. warm bad, bad- 
plaats, 

bamoen, beleedigende uitdrukkingen. 
Men. in menghamoent, uitschelden, vdT. 

bampai, zie ampai I. 

bampar, uitgespreid, van tapijten, mat- 
ten, graan, hout, vruchten en dergel., 
baioe hampar ^ harde onderlaag in den 
grond, waar men niet doorheen kan 
graven; hampar an^ sprei, vloerkleed, 
tapijt, behangsel, vloermat enz. mhig- 
hampary niet scherp zijn, nagenoeg ho- 
rizontaal uitloopen van den bodem van 
een vaartuig; ménghamparkan iets uit- 
spreiden; ook omver doen vallen van 
breede, platte voorwerpen, zooals b. v. 
eene omheining ; ménghamparkan tangan, 
zijne handen uitspreiden, fig. uitdruk- 
king voor: milddadig zijn; méngham- 
parkan sajapy de vleugels uitspreiden, 
I. P. terhampar dj^moer, 's morgens 8 
uur, wanneer men de hoeveelheid rijst 
voor dien dag uitspreidt om te drogen; 
Pad. bov.l. terhampar roeboeh, het ge- 
zamenlijke gevelde hout en gewas op 
een pas te ontginnen ladang of akker, 
id. menghampar ajar soesoewaUy zich 
verspreiden van het melksap in de rijst- 
vruchf, id. 

bampas, wat er van iets overblijft als 
er de bruikbare bestanddeelen aan ont- 
nomen zijn, afval, drab, neerslag, be- 
zinksel, dik, moer, de dorre vezels, 
pulp, enz. hampas kopi, koffiedik; h> 
tëboe, de uitgeperste of uitgekauwde 
vezels van suikerriet; h, njioer^ de 
uitgeperste vezels van de kokosnoot; 
h. soetera, afval van zijde. 

barapêdal, ook ïmpedal en mïmpédal^ 
maag van vogels; h, ajam, kippemaag; 
badja memptdal ajam^ klomp gegoten 
staal in dien vorm ; repoeh-repoeh m, «., 
een hangslotje in dien vorm. 

baxnpëdoe, de gal; h. beroewang^ en 
h. tanahy twee soorten van planten. 

baxnpëlamy ook mlêmp^lamy een aan- 
gename vrucht, bij ons meer bekend 
onder den naam van mangga. 

bampëlasy ook empïlas, memp'élas en 
rïmp'ëlaSf e. s. v. vijgeboom met ruwe, 
raspachtige bladen, die voor het po- 



140 



hatHpir — hdntai** 



lijsten van tont worden gebruikt; soor- 
ten zijn: h. gadjak^ h. doeri en h. 
soekoen, met eetbare smakelijke vruch- 
ten ; hémpélas^ ook polijsten, en polijst- 
middel; gladmaken, gelijkmaken, alles 
neerhouwen, van een slagveld of inge- 
nomen vesting, H. T„ M. Kag., K. 
Cbaib. en and. 

liaxnpir, dichtbij, nabij, genaderd, bijna; 
regeert het Voorz. dengatiy doch soms 
ook darif b. v. nlègari mana jang ham' 
pir dart sim ^ negari jang hampir dari 
sini Pandan Salas Asm. P. berhampir^ 
in de nabijheid zijn; berhampiratif in 
elk. nabijheid zijn; ook onderlinge toe- 
nadering hebben, b. v. Kéndalplah antara 
bïnoea kelmg dengan négari Malaka 
blèrhantpiran, H. T. ménghampir, gelijken 
op, gelijkenis hebben met, gelijkenis 
vertoonen, = het Jav. mèmpèr^ aldus 
in de Pr. Dj. rnénghampirkan, doen 
naderen; méngkampirit naderen tot; 
hampir-hampir f bijna, het scheelde wei- 
nig of ... . 

hampoe, de duim als lengtemaat. 
Pad. bov.1. 

hampoes, zie ampoes en hapoes. 

hampoet, ook ampoet, « poeki; meng' 
ampoet, gemeen woord voor paren, coïre. 
Zie ampoet. 

batnzah» Arab. leeuw, ook de naam v. e. 
neef van Mohammed, amir Hamzah; 
al^amzahy de leeuw. 

bamsKahy Arab. het bekende schrijf- 
teeken. 

Uanbal, Arab. een kort en dik iem. 
dikbuik, naam v. d. stichter van de 
secte der Hanbalieten. 

hanafl, Arab. hanafietisch, van de secte 
der Hanafieten. 

handai» makker, kameraad, vriend; 
Aanddi-taulaHi makkers en kameraden, 
vrienden en makkers. 

handalan, zie andal II. 

handas» zie 'ëndas. 

handasah, Perz. anddzah^ maat; pa- 
wang handitèah^ landmeter. 

handasat, Arab. wiskunde; handasi^ 
wiskundige. 

haxis, voorvoegsel bij sommige per- 
soonsnamen, b. V. Kang Toefoah^ Hang 
Makmoed enz. 

hansat, heet door vuur. Mën. ook 
door de zon van de athmosfeer, b. v. 
négari Padang hangat dari négari i 
f «IJ hangat'hangat koekoe, lauw; haii I 



hangaty opgeruimd van gemoed, id. ook 
van water, metaal enz.: gloeien van 
toorn. Zie panas. 

banggar, zie anggar. 

hangit, branderig, van een lucht, b. v. 
van brandend haar en van al wat aan- 
gebrand is. Zie ook sangit II. 

haneoes, geschroeid, verzengd, gebrand, 
verbrand, aangebrand. 

han£:8a, Skr. ook angsa, gans. 

harja, behalve, tenzij, slechts, maar, 
alleen. 

hanjii*, zie anjir. 

banjoet, met den stroom wegdrijven, 
wegwaaien, afzwerven, ook: schootgaan 
van een vlieger; orang hanjoei, zwer- 
veling. 

banlal, Arab. kolokwint. 

bantai, zie antai, 

bantam, met kracht een uitwerking 
doen op iets, slaan, kloppen, terdege 
raken; dihantam boewaja^ door een 
krokodil gegrepen. M. S. 

bantar, I. meng hantar kan , iets nederleg- 
gen, b. V. ménghantarkan saboewah batoe 
jang besar pada sama téngah djalan; 
tangahnja kanan dthantarkannja kapada 
bahoe Moe Bakr ; térhantar, uitgestrekt 
op den grond liggen, b. v. van lijken 
op het slagveld enz. II. ménghantarkan, 
geleiden, escorteeren, langzaam naar 
voren breugen, b. v. maka pélandoe^ 
djinaka itoepon sigéralah ménghantar' 
kan kakinja dan tangannja, het guitige 
dwerghert nu bracht dadelijk zijne 
voor- en achterpootjes naar voren, d. i. 
stapte deftig voorwaarts; ménghantar- 
hantarkan pedangnja^ zijn zwaard her- 
haaldelijk vooruitsteken; I. P. kapa- 
lanja dihantarkannja kapada loetoetnja, 
zij legde Sedaard haar hoofd op hare 
knieën, N. Moh. ménghantarkan raaa 
térdéAoeloe, vooraf een voorgevoel ver- 
wekken. I. P. ménghantar dirinja, zich 
geheel uit zichzelven aan iemand over- 
geven, uit eigen beweging zich in de 
macht begeven, R. Chaib. kapalanja 
pon térhantar kakiri dan kakanan, zijn 
kop nu werd rechts en links naar voren 
gebracht, d. i. schudde (onder het harde 
loopen) naar rechts en naar links, Pr. 
Dj. méngkantar déngan mata, naoogen, 
van iem. die heengaat; mënghaniarit 
iem. een geschenk zenden. Ook komt 
de frequ. méngélantar voor in de be- 
teekenis van wuiven, wuivend naar 



kanlrtai — hai4« 



143 



Voren brengen, S. Bz.; hantaran, be- 
zending, toezending, bruidschat, van 
den bruidegom aan zijn toekomstigen 
schoonvader; 'ptnghataran^ toegezonden 
geschenken, b. v. ja siti Chatidjah, 
inilah pengkantaran Moehammad amin 
Oellah, O, mevrouw Ch. dit zijn ge- 
schenken van Moh. den getrouwen 
Gods. 

hantjai, aan stukken, aan flarden, uit 
zijn verband, zie anijai. 

han^ins:, ~ antjing^ zie ald. 

liantJ oer, vergruisd, verbrijzeld, ont- 
bonden, opgelost, gesmolten; hantjoer 
loeloeh^ vergruisd en vermorzeld, ge- 
heel verbrijzeld; ménghantjoerkan^ iets 
vergruizen, verbrijzelen, ontbinden, op- 
lossen, smelten. Ook fig. van het hart 
of gemoed. Sihantjoer Itjoer, scheld- 
woord; die oude kwijlbaard. 

fa.antoe, spook, booze geest; k. bangkit 
en h. keramai, grafspook, geest van 
een doode, die als spook rondwaart, 
anders is het ro^, zie ald. ; h. tanah = 
dj^möalang, e. s. v. aardgeest; h. pem- 
boeroe f e. s v. duivel, het jagersspook; 
h. rimba, boschduivel; k. boengkoes, 
e. 8. V. spook ; h. mati diboenoeh^ de 
geest van een vermoorde; h. semamboet 
het spook V. d. malaka-rotan ; zie ook 
bij bUom ; boeroeng A., nachtuil ; h. walt 
en tampar hantoe, namen van planten ; 
ditampar hantoe, plotseling een scheef 
gezicht gekregen hebben, zie tampar ; 
tipoet hantoe laoety zie sipoei; btrhau' 
toey spoken; djari A., de middelste 
vinger; k^na hantoe, door een spook 
bezeten zijn. 

haoer, zie aoer» 

haoes, zie aoes. 

liapalf y zie apa}f. 

hapoes, zie apoes, 

hdr, Arab. warm, heet; zwaar van een 
werk. 

hara, verwarring; meestal verbonden 
met hoeroe tot hoeroe-hara, algemeene 
of groote verwarring. 

haraf, Arab. letter van het alphabet, 
partikel; meerv. ^oeróêf, 

harah, zie ara II. 

hardk, Arab. beweging. 

harakat, Arab. beweging, klinkletter, 
klinker. 

hardm» Arab. bij de wet verboden, on- 
geoorloofd; heilig, gewijd, vervloekt; 
^arémlah akoe, ik mag vervloekt zijn j 



garant zadeh, Veri. onecht kind, bast- 
aard ; ana^ ^ardm, id. ; almasdjidoeU^a- 
ram, de heilige moskee te Mekka; meng- 
^ardmkan, verboden doen zijn of maken, 
verbieden, heiligen, vervloeken. 

Iiarara zie aram. 

harap, hopen, verwachten, vertrouwen, 
bouwen op; sapenoeh-phioeh harap, het 
volste vertrouwen; harapkan, samentr. 
van harap akan, hopen op; harap-ha- 
rapan, steeds hopen, voortdurend hoop 
blijven koesteren, b. v. dalam hati Sang 
Nata harap'harapanlah analpkoe datang 
Jeelalp, in zijn gemoed bleef de Vorst 
voortdurend hopen: mijn kind zal wel 
spoedig komen, Pr. Dj.; harapatoan, 
vertrouwen hebbend, hoopvol; p^ng- 
harapan, vertrouwen, hoop, verwachting, 

hardrah, Arab. warmte, geslachtsdrift. 

haras, Arab. term van waarschuwing 
bij het schaakspel, wanneer men een 
stuk, dat den koning dekt, wil verzet- 
ten; eigenl. de bewaker I 

harau; mengharau, roeren in vloeistof- 
fen, daarin rondtasten ; ook fig. beroeren 
van het gemoed, aanvechten van iem. 
door den satan ; mata kaïl harau, groote 
vischhoek om haaien te vangen; der- 
harau minjajp, met de hand in kokende 
olie roeren, e. s. v. godsoordeel. Zie 
ook karau. 

harbab, e. s. v. tweesnarige viool, zie 
rabdb. 

barbah, Arab. korte spies, jachtspeerj 
roof, plundering. 

bardik:, strenge bestraffing; mïnghar^ 
dijpka^t iemand op strengen toon be- 
straffen. 

barëloens, ook r'Uoeng, zekere vlakte- 
maat van ongeveer 80 yard in *t vier- 
kant. 

barga» zie arga. 

bari, dag, weder, tijd van den dagj 
sahariy één dag, op een dag, op zekeren 
dag; sahari doeioa, een paar dagen; 
hari hoedjan, regenachtig weder; sahari^ 
hariy dagelij ksch; saharian, den gan- 
schen dag; sahari-harian, den geheelen, 
ganschen dag; sat^lah hari sijangy toen 
het dag geworden was; sat^lah hari 
malam, toen het nacht geworden wasj 
sahari'Samalam, een etmaal ; sapandjang 
hari,'êien ganschen dag; berhari-harian, 
bij dagen; daripada sahari daiang 
kapada sahari, van den eeuen dag tot 
den anderen ook daripada sahari-harii 



144 



karixnciu. —^ hatié 



fépas iahaH en lat sahari, met over- 
slaan of tusschenraimte van één dag, 
d. i. om den anderen dag ; hari óalai, 
zittingsdag v. d. rechtbank ; hari boelan, 
datum, de zooveelste der maand, b. v. 
tiffa hari boelan, de derde van de maand ; 
hari raja^ en hari besar^ feestdag; hari 
iniy heden, vandaag; bagini hari^ op 
dezen tijd van den dag; hari iahoen 
b^haroe, nieuwjaarsdag; hari iahoen^ 
verjaardag; hari djadi^ geboortedag; 
hari k^moediafi, de jongste dag, ook 
later, in later dagen; h, kidmat, de 
opstandingsdag, de oordeelsdag; hari 
jang baïk, een geschikte dag; hari 
b'ëlotn tingyi = matahari belom tinggi. 
NB. bij de Maleiers begint de dag van 
24 aren of het etmaal den avond te 
voren om 6 ure. 

harimau, ook rimau, tijger ; h, toenggal, 
de koningstijger; h. dahan, een klein 
dier van het tijgergeslacht, dat zich 
ophoudt op de takken der boomen; 
h. kombang en h. lalaty luipaard; h. 
akar en h. boeloehy panter; h. Allah, 
tijger Gods, een der bijnamen van Ali; 
mengharimain, betijgeren, d. i. zich als 
een tijger jegens iem. gedragen. 

Hdris, Arab. oppasser, wachter, stal- 
knecht. 

hdrits, Arab. landbouwer. 

fiarkaty Arab. beweging, klinker, klink- 
letter. 

Iiaroe, beweging, leven, rumoer, ver- 
warring, beroering; haroe-biroe, haroe- 
hara, hoeroe-hara en hiroe-hara^ allerlei 
rumoer of verwarring; mengharoe- 
biroekatt, enz. in verwarring of beroe- 
ring brengen. 

haroebiy zie bawang. 

hapoexn, I. welriekend, geurig, aroma, 
aromatisch, niet van spijzen; II. meng- 
aroem-aroeniy e. vrouw liefkoozen. 

b.aroeiie, zie aroeng II. 

baroensan, zie aroeng, 

haroes, L stroom, drift van het water; 
tali haroes, stroomrafeling, kabbeling. 
II. geoorloofd, behoorlijk, 't kon wel 
niet anders of .... ; taharoesnja, geheel 
naar behooren ; haroeslah nïgarikoe alah, 
't kon wel niet anders of mijn land 
moest vermeesterd worden j haroes ook : 
verdienstelijk; ürharoeSy veel vei'dienste- 
lijker. B.B. pag. I. Zie ook patoet, 

barta, zie arta. 

^artaly ook r^ial en ataly orpiment. 



gele kleurstof öln de huid geel te ma- 
ken bij feestelijke gelegenheden, b. v. 
de huid van bruid en bruidegom. 

basab, Avab. hoeveelheid, maat, waarde, 
getal ; ^asab apa kapadanjay wat waarde 
heeft dat voor hem; ala ^asab, met 
betrekking tot. 

basad, Arab. nijd, wangunst. 

basan, Arab. schoon, sierlijk. 

basar, Arab. omsingelen, belegeren, 
tellen. 

basarat, Arab. zucht, verlangen naar 
iets. 

bdsib, Arab. rekenaar, rekenmeester. 

basib, Arab. geteld, geacht. 

bdslcl, Arab. benijder, vijand. 

basidab, Arab. e. s. v. stijve pap, die 
met gefruite uien gegeten wordt. 

hdsil, Arab. opbrengst, product, voor- 
deel, slagen, succes ; der^a^ïV, voordeelig 
zijn, productief; meng^d^ilkan, vrucht 
doen dragen, productief maken, voort- 
brengen. 

h.é.sjé,, Arab. dat zij verre 1 ^asjd Allah, 
= didjaoehkan Allah, dat verhoede 
Godl 

basjaca, Arab. trein, gevolg, dienaars. 

bastjar, Arab. bijeenkomst; jaumoeH- 
^asjar, de dag der opstanding. 

basjardt, Arab kruipend gedierte. 

hdsjyat, Ajab. rand van een bedrukt 
of beschreven blad papier, of doek; 
kantteekening. 

bai^tnat, = ^asjam. 

baaoed, = asoel, zie ald. 

basóéd, Arab. nijdig, benijder. 

basrat, Arab. zucht, verlangen, begeerte; 
liasratkoe hendale berana^y mijn verlan- 
gen is een kind te krijgen. 

basta, Skr. elleboogs-el, eene lengte van 
den elleboog tot den top van den mid- 
delsten vinger; mènijehari sahasta sa» 
djengkal, nagaan in welken graad van 
bloedverwantschap men tot elkander 
staat. 

bata, Skr. vdW. en, toen, = maka* 

bati, hart, binnenste, moed, gemoed, 
innerlijk, merg, kern ; lever, maag ; ra»a 
halikoe^het gevoelen mijns harten ; ntëng- 
hiboerkan haiinja, zich of iem. troosten; 
btrkata dalam hatinja, bij zichzelven 
zeggen; berpikir dalam haünja, bij 
zichzelven denken ; mala hati, zie mata. 
Voor de verbindingen zie op de woorden 
die aan haü voorafgaan, zooaU aakit 
hati op sakit enz. boewah'hati, en tan^' 



haudt •— h^mp^. 



145 



isai'kaii, liefkoozingswoórdjes; blèrhati, 
hart hebben, d. i. moedig, ook nog hard 
van binnen zijn, ongaar van rijst enz. 
berhati atas soeatoe pérkara^ hart heb- 
ban voor eene zaak Abd. sahati^ over- 
eenstemming, van één gevoelen; per- 
hatiariy opmerkzaamheid, attentie, waar- 
neming, inborst, gevoel, ook: toegene- 
genheid, b. V. pandai memeliharakan 
p^rhatian orang, de toegenegenheid van 
het volk weten te bewaren. H. Gr.; 
b^rbanja^ kati, zie bij banja^i hati 
tangartt de muis van de hand; mem.' 
plérhatikan, ter harte nemen, met op- 
merkzaamheid gadeslaan of behandelen, 
op iets letten, behartigen, waarnemen; 
hati'kati, Jav. voorzichtigheid; daoen 
hati-hati, e. 9. v. plant met hartvormige, 
geneeskrachtige bladeren. 

haudl, Arab. regenbak, waterbak. 

ihaul, Arab. scherpzinnigheid, doorzicht. 

hawa, Arab. lust, begeerte; hawa nafioe, 
de driften of begeerlijkheden ; kahawadn, 
door begeerte of lust aangedaan zijn, 
soms verk. tot kahawan en hawaan, 

hawa% Arab. lucht, luchtruim; wind, 
luchtstroom, door iets veroorzaakt; 
hawa-dabay hetzelfde versterkt; hawa 
dabanja pon belom ada^ men had zelfs 
de minste lucht van hem nog niet. 

hawddlts, Arab. mrv. van ^adits. 

^awalaty Arab. procuratie ten invor- 
dering van schulden, cautie, geopend 
crediet. 

balkan» zie hawa^ Arab, 

haw^ar, zie awar, 

hawdri. Arab. vriend, medgezel, de 12 
apostelen van Christus. 

hawsalat, Arab. de krop of maag van 
een vogel. 

haw^var, Arab. de populier. 

biazëlr, Perz. nachtegaal. 

heban; mengheban, iets vierkant op zijde 
smijten. 

hedja% Arab. het spellen, de spelling; 
mtnghedja\ spellen. 

hecyrat, Arab. de vlucht van Moham- 
mad, door ons tot Hegira verbasterd; 
tarich hedjrat^ de jaartelling van af 
die vlucht, de Mohammedaansche jaar- 
telling. 

bela, I. mtnghela^ sleepen, sleuren, voort- 
trekken; m. napaSf ademhalen; m. 
djanggoet, aan den baard trekken, zoo- 
als b. V. een klein kind zijn vader; 
f^ghela kekang koeda, aan den teugel 



van een paard trekken, gebr. van den 
berijder; Moh. Han. ; berhela-keladn, 
elkander sleuren; penghela^ de persoon 
of zaak die sleurt of sleept; koeda 
peaghela^ trekpaard, wagenpaard. II. 
ménghelakan^ op iets aanleggen, mikken 
op iets met een lans, zwaard of pijl. 
Zie hala, 

helah, zie elah. 

hëlai, ook lai^ vel, blad, lap, vlak; 
wordt gebruikt als hulp-Telw, bij het 
optellen van dunne, lichte voorwerpen, 
zooals doek, kleederen, zeilen, papier, 
gras, hoofdhaar, b. v* saMlai karfds, 
een vel papier, sahelai badjoe^ één 
baadje ; sahelai roempoet^ één grasspriet ; 
sahelai ramboet^ één hoofdhaar; daoen 
tiga helai, drie bladeren; berh)èlai, van 
boeken : aan losse vellen, niet gebonden 
of ingenaaid; sahelai sapinggang, zie 
j)ij pinggang, 

belang:, zie èlang. 

bëlat, vreemd ; orang h^lat, vreemdeling ; 
orang helat asing, allerlei vreemdelingen. 
R. Pas zie ook lat en elat, 

bélat, Arab. list, atveek ; penghabis i^élal 
uiterste list, Ibr. b. Ch. orang phtg- 
Itelat^ intrigant. Mes. Kag. 

belins, zie eling, 

bëm, kuchend geluid om iemand een 
wenk te geven. Zie ook deham, 

beman, Jav. = sajang, zie ald. 

bëmbalan, ook balau en embalau, e. s. v. 
gomlak, waaruit een roode verfstof ge- 
trokken wordt, die men tot het verven 
van zijde gebruikt. 

bëmbaljang;, e. s. v. wifcle mangga- 
boom en vrucht, de paardemangga ; 
ook membatjang en embatjang. 

bëmboes, luchtstroom door blazen te- 
weeggebracht, tig. ook de plaat gepoetst, 
er van door gegaan zijn; mlènghemboes, 
blazen met bek of mond, ook van den 
wind, proesten, wegblazen, aanblazen; 
saKémboes ndik, sahemboes toer oen ^ 
zieltogen; penghemboes en hlèmboesan, 
blaasbalg; berh^mboeslah lêngkav^ scheer 
je weg ; menghémboeskan^ wegjagen, weg- 
blazen, ook opblazen van een zak of 
blaas ; ménghemboeSy ook z. uit de voeten 
maken, deserteeren, verloopen^van een 
bevolking of leger. 

bëmpa, ledig, hol, ijl, fig. dom, onwe- 
tend, zinledig, ook: het ledige, b. v. 
de doppen, ledige aren of schillen; 
memboewang h^mpa^ de doppen of Ie* 

10 



146 



héinpct« — • hidaxn. 



dige aren enz. wegwerpen ; h^èmpa 1>érat, 
rijstdoppen, waarin nog brnikbare rijst 
is overgebleven, rijst, die slechts wei- 
nige en slechte korrels heeft; sekam 
mêttdjadi Kémpa hérat^ kaf wordt zulke 
doppen, fig. uitdrukking voor: er is 
zoo veel, dat het er niet op aankomt, 
of er iets verloren gaat ; menghémpakan, 
ledig maken, ook: iem. afwijzen, let- 
terlijk ledig wegzenden; niénghêmpakan 
wdl^toe, den tijd verbeuzelen, in ledig- 
heid doorbrengen. 

liempas ; ménghémpai^ neersmijten, neer- 
smakken; ook: slaan of klotsen van 
de golven tegen iets, b. v. saperii om- 
ha}t ménghempas didatoe, als golven die 
op de klippen slaan ; ménghempas antan, 
een stamper mot kracht in het rijst- 
blok doen neerkomen, d. i. de rijst ter- 
dege wit stampen; mlènghêmpaikatiy iets 
neersmijten, neersmakken, ook met iets 
slaan of kloppen op iets; m, dirinja, 
zich ter aarde werpen; hêmpas-poelaSj 
met rukken en wringen, K. t). ; hém- 
pasan glètombang^ zware branding, bre- 
ker; hémpasan daoen, afstammeling in 
den zevenden graad; bérkempas-hém' 
pasaiti met elk. worstelen, waarbij men 
elk. tracht op den grond te werpen. 

faiëxnpêdal, maag van vogels. 

liempëdoe, de gal; poendi-poendi hém- 
pêdoe^ de galblaas. 

liëoipëlaa, zie hampélas. 

Hempet» vlak tegen iets aan, aange- 
sloten; mènghempet^ aansluiten, dringen 
tegen iets, benauwen, met een klauw 
of poot iets drukken, ook ia beslag 
nemen van gestolen goed; menghempet 
kaloewaft naar buiten dringen, wordt 
gezegd van de grens van een stuk 
grond, die uitgezet wordt; ürhempet, 
in de knel. 

Uëmpoeioer, ook empoeloer en mtm- 
poeloeft plantenmergpit, zooals onze 
vlierpit; ook van de palmen, Mën. wrdb. 
stronk van sommige vrachten, zooals 
de tj^pïda^f de nangka, zuurzak enz.; 
h, koempai, pit van de koempaihie», 
die als lampepit gebraikt wordt. 

hëfidak, wenschend willen, tegenover 
maoej volstrekt willen; begeeren, ver- 
langen, wenschen. Met direct object 
krijgt het 't Voorz. akan, of wordt daar- 
ihede samengetrokken tot Kindajpkan, 
"Verder dient het tot vorming van het 
Futurum en van de wenschende of ver- 



zoekende wijze van spreken. Ook is het 
soms Voorz. van doel in de beteekenis 
van om, om te; ddtang henda^ ber- 
tanja, komen om te vragen; hénda^- 
pott .... te(api, zou wel .... maar , . . . ; 
mènghendaki^ iets willen, wenschen, be- 
geeren, verlangen, bedoelen; kahenda^, 
wensch, wil, verlangen, begeerte, be- 
doeling, gevoelen, noodig zijn; kahén- 
dajfi haü^ wat het hart verkiest, be- 
geert; kaMndaJp limoen de eisch der 
wetenschap. H. Abd. ; iiadalah kaXén- 
da^ tiiak, daarvoor is geen vorstelijk 
bevel noodig, Facs. p. 14. 

liëndap, zie endap. 

h.ëncyêlai, zie djelai, 

hêmng:, helder, doorschijnend, van vloei- 
stoffen, ook van het hart; ^ngkau ke- 
roekkan k^moedian daripada soedah 
heningy gij maakt het troebel nadat 
het reeds helder was; mengening, hel- 
der worden; meng hening kan ^ helder of 
doorschijnend maken. 

henna', Arab. zie inai. 

liëntak, zie enta^. 

hënti; berhenti, ophouden, stilhouden, 
stil blijven staan, rusten, vertoeven; 
Urkenti, opgehouden, stil staan geble- 
ven; b^rhénti daripada karadjadn, af- 
stand doen van de regeering; üada 
berhenii, zonder ophouden; dengan 
üada btrhèntinja, onophoudelijk, rus- 
teloos; mémplèrhentikan lUahnja en 
mlèrtntikan lélahnja^ uitrusten van ver- 
moeidheid; plèrhêntiy steun, steunmiddel 
bij het beklimmen van een boom, b v. 
maka ijapon pergilah mhieta^ kajoe 
akan pérhentinja ndik k^ijoe bhar Hoe; 
ptrhênüany rustplaats, halt. 

hëntimoen, ook mentimoen en iimoen, 
komkommer. 

herety zie er et. 

hëx*ik; »ï^«^A<?ri^, jammeren, schreeuwen. 

hërinjT, e. s. v. gier. Maxw. 

liërinfian, » ringan, zie ald. 

heroet, zie eroeL 

hiba, ook iba, weemoedig, bewogen, ont- 
roerd, aangedaan; ook roerend van een 
verhaal. Zie iba, 

hiboer; méngkiboerkan^ troosten, ver- 
troosten; ^nghiboer, trooster, ver- 
trooster; pHghiboeran, troost, vertroos- 
ting. 

hidam; mlènghidaf», lust, trek in een 
of andere spijs hebben, van zwange- 
ren; hidam^hidamant de spijzen, waarin 



hidanfit -^ himbau^ 



14? 



zulk eene vrouw laat heeft. Ook het 
aangename of de lusten van iets tegen- 
over de lasten, b. v. maka ijapon mèng- 
ambil hidam-hidaman^ kita mêndjadi 
djoeroe-djïmpoetan bagai hambanjay H. 
Ind. Mah. Koepa ; ngidam gawê, in het 
Palerab., van een misdrijf te hebben 

^ vernomen en dat niet ter kennis van 
de bevoegde macht te hebben gebracht. 

hidans» klaargezet, van gerechten ; meng- 
hidaugy klaarzetten van gerechten; 
hidangan, klaar gezette spijs of drank, 
gerecht; de hidangan, bestaat uit twee 
dfe^wi» die te zamen pahar bertoenda 
genoemd narden, nml. een kleinere 
pahar met rijst e» daaronder „op sleep- 
touw*' een grootere im^ de toespijzen; 
makan sahvdangant samen s|^zen, aan 
één disch gezeten zijn; ménghidangkan 
kahadapan^ aanrichten voor, klaarzetten 
voor; hidangan minoemany klaargezette 
dranken; toedoeng hidang, veelkleurig 
vierkant kleedje of doekje over de 
toedoeng sadji, 

hidap, zie idap. Voor ménghidoepkaTi 
sakit bij P. lees ménghidapkan. 

h.icUdb, Arab. gordijn, bedekking, toe- 
dekking. 

hidjat, Arab. een pelgrimsreis naar 
Mekka; dzoe^lljtidjat^ de 12e der Arab. 
maanden, zoo genoemd, omdat op den 
lOu dier maand het groote pelgrims- 
feest te Mekka gevierd wordt, waarbij 
men tegenwoordig; moet zijn, om ^adji 
te worden. 

hidjau, groen; ook de groene weer- 
schijn van zwart haar of vederen; h. 
tahi poepoet, grijsachtig donkergroen; 
hidjau'hidjautoan, het groen achtige ; 
groene uitslag of mos op muren en 
putten; hidjau hitanit donkergroen. 
Pël. Dj. 

Mdoexifi:, neus; mêngidoeng, door den 
neus spreken; potong-hidoeng, roesa^ 
moeka, Sprw. die zijn neus schendt, 
schendt zijn aangezicht. 

hidoep, leven, levend; versch, frisch, 
in tegenoverstelling van gedroogd of 
ingelegd; ook opgaan van de zon; 
daoen hidoep, het kruidje-roer-me-niet ; 
hidoep-hidoepan, levende have, vee; de 
volle uitdrukking is binatang hidoep- 
hidoepan, zie Hik. Gr. p. 65. mling' 
hidoepkan en tnénghidoepi, in het leven 
laten, het leven geven, verlevendigen, 
levend maken; ook iem. leven redden. 



b. V. hai adinda, hidoepilah kakanda 
iniy O, mijne zuster, red mijn leven; 
Dj. Langk.; minta hidoepi, lijfsgenade 
smeeken; kakidoepan, levensonderhoud, 
bestaan, het leven, iemands leven; 
hidoep poela, herleven. 

hifil, Arab. oplettenheid, zorg, geheugen. 

biga, Jav. ook iga, ribbe, = roesoe^. 

hüa, alsem; boewah hija, alsemvrucht. 

hijans, = jang II, zie ald. 

hijas, versieren; Urhijas, versierd, op- 
geschikt; berhijaSy zich opsieren; meng' 
hijasiy iets versieren; ménghijasi akan 
kata-kata, mooie praatjes houden, zijn 
woorden opsmukken. S. Dz. perhijasan, 
versiersel, sieraden, opschik, looi, 
fraaiïgheden. 

hijoe, haai; htjoe parang of h. g'ért" 
gadjiy de zaagvisch. 

hikmat, Arab. verhaal, geschiedenis; 
bëri^ikdjai, een verhaal doen; niéng^i" 
kdjatkan^ verhalen, een verhaal van 
iets maken. 

hUxmat, Arab. wijsheid, wetenschap; 
kunst, bovennatuurlijk vermogen, won- 
dermacht, kunstmatig. 

hilai» zie ilai, 

hilaxn, zie Ham. 

hilang, verdwenen, verloren, weggeraakt ; 
sterven, gestorven, inz. van Vorsten; 
hilang d^ngan njawanja, h. d. djiwanja, 
den geest geven, overlijden ; h. pintang ? 
komt bij vdW. voor onder pintang, 
zonder de beteek. en hilang staat niet 
in zijn wrdb. ; kahilangan, verloren heb- 
ben, door verlies getroffen, ook: door 
den dood verloren hebben; hilanglah 
pérkaiaan^ hiermede wordt een verhaal 
afgebroken om verder over iets anders 
te beginnen, in de beteekenis van: 
„tot zoover daarover"; ménghilangkan, 
doen verdwijnen, doen verloren gaan, 
zoek brengen; niênghilangkan a^al^ 
maken dat men niet meer weet wat 
ervan te denken, verlegen maken. H. 
Abd. p. 458. 

Mlau, zie ilau. 

hilir, stroomafwaarts; ménghilir en tnilir^ 
stroomafwaarts gaan, een rivier afzak- 
ken; pénghilir, vaartuig of vlot om 
iets stroomafwaarts te voeren; bh-hili' 
ran, ook: afloopen, afdruipen van of 
langs iets, b. v. van speeksel, zweet 
enz. Zie ook alir. 

b.itndr, Arab. ezel. 

Mtnbau» « panggil, Pad. bov.L 



14.8 



hixnmëixn — - hitam • 



himmésTUf Arab. bad. 

Mtninat, Arab. overleg, gissing, eer- 
zucht, toeleg; b. v, inênetaJpka7i pé- 
dangnja dengan himmatnja^ met over- 
leg zijn zwaard doen houwen. S. Dz.; 
pada himmat séha^a^ naar mijne gis- 
sing; himmat jang tinggi dan besar, 
een hooge en groote eerzucht, R. v. E. 
mogel. het arab. baïdoeHhimmat^ een 
geest, die groote plannen koestert, eer- 
zuchtig; tiada sampai himmalnja, han 
toeleg mislukte; menghimmatkariy iets 
met overleg of zuinigheid behandelen, 
b. V. met overleg huishouden, iets koo- 
pen of gebruiken; dengan himmat- 
himmat, met overleg, huishoudelijk, 
spaarzaam; bèta kénda^ p^rgi, tiada 
tlrhimmaty ik wilde gaan, maar wist 
niet hoe ik het zou aanleggen; himmatan, 
gissing, berekening. 

liimpoen, verzameld, vergaderd; ber- 
himpoen, vergaderen, verzameld zijn; 
menghimpoenkan, verzamelen, vergade- 
ren; menghimpoenkan pértjintadnnja^ 
zijn kommer verkroppen, b. v. bahwa- 
sanja p'értjiniaanmoe himpoenkan djoega, 
karïna ^nam boelan djoega adanja^ ma- 
ka datanglah engkau méndapatkan akoe^ 
Moh. Han.; plêrhimponan, verzameling, 
vergadering; p, doesoen, verzameling 
van dorpen; p, si/at Allah, de ver- 
eeniging der eigenschappen Gods. Zie 
ook kampoeng en koempoel. 

hina, Skr. laag, gering, gemeen, min; 
orang hinadina, het geringe volk, plebs ; 
hina boedi, bekrompen van verstand; 
ptrboewatan jang hina, lage, gemeene 
handelingen; mïnghinakan, verachten, 
verguizen, smaadheid aandoen, gemeen 
behandelen ; kahinaan, laagheid, gering- 
heid, veracht. 

b.ina% Arab. Zie inai. 

bixiai, zie inai. 

Mnd, Arab. Indië, Voor-Indië. 

iiindi, Indisch, Indië. 

bin^jit» zie intjit. 

liindoe, Hindoesch, Indisch; orang hin- 
doe, een Hindoe. 

liinarar, zie ingar, 

l&iniescty grens, tot, tot aan, ook sahingga, 
tot dat, zoodat, niet voordat, toen, ter- 
wijl, alleen nog maar, zoolang als, sa- 
hingga ada lagi njatoa patik, zoolang 
als er nog leven in ons is, Pr. Dj. 
sahingga mlènantikdn doeli sjah alam 
akan biirangkat djoega, het wachten is 



alleen nog maar op het vertrek van 
Uwe Majesteit, N. Sj. tiada tlrhingga, 
en tiada pêrhinggadnnja, grenzeloos, 
onbegrensd ; perhinggaan, grens, die iets 
heeft, grensplaats; menghinggakan, een 
aantal bepaald opgeven, het aantal be- 
palen; mèmpérhinggakan, een grens aan 
iets stellen. Voor sahingga soms sa* 
hinggan, verk. van sahinggaan, 

hiDSsan, zie hingga; makan tida^ tahoe 
hinggan, zijn maat niet weten bij het 
eten. 

b^ix^Sfictp, neerstrijkend zich op iets 
zetten, zooals een vogel op een tak, 
een vlieg op het een of ander; ook 
neerdalen in het gemoed van liefde of 
van een schoon verhaal. 

hintai; menghintai, loeren op, begluren, 
bespieden; p^nghintai, beloerder, be- 
spieder, ook toekang menghintai. Zie 
ook hintip. 

liintip, Jav. menghintip, door een nauwe 
opening gluren. Zie hintai. 

liintjit, zie intjit, 

hiram, zie iram. 

h.irap, zie irap en kirap, 

faiipat, Arab. verbaasd, verwonderd; ook 
de stad Herat. 

hirau, zie ir au. 

hiri, zie iri. 

hiris, klein afgesneden stukje; meng' 
hiris-hiris, in kleine stukjes snijden, 
kerven, ontleden, voorsnijden van ge- 
vogelte; ménghiris ièmbakau, tabak- 
kerven; hiris holwa, snijden zooals men 
platte koeken snijdt nam. raitsgewijs, 
een ruitsgewijs gesneden stuk; rning- 
jimbil hiris holwa, de golven in een 
scherpen hoek snijden bij het zeilen; 
mengiris, ook openrijten van de huid 
door een splinter, 

hiroe; hiroe-hara, ontroering, verwar» 
ring, groote ongerustheid. Zie ook hoe* 
roe', menghiroekan, iets beroeren. 

hiroep, =« iroep, zie ald. 

hi«, foeil menghiskan, verfoeien. 

Msdb, Arab. telling, rekening, bereke- 
ning; tiada t^r^isdbkan, niet te tellen 
of te berekenen zijn, = tiada iïp'ër' 
méndi; ahli ^isdb, rekenmeester. 

hisap, zie isap, 

hifdr, Arab. belegering. 

hiejxnat, Arab. eerbied. 

hisnahy Arab. arbeidsloon, loon, beloo- 

' ning. 

hitam, zwart, donkerklearig, donker 



hitoeng: -~ hoekoem* 



149 



bruin of blauw; hitam /?^ö!»«, pikzwart; 
h. moeday diep, donker blauw ; h. manis, 
liefelijk bruin, van buidkleur, hidjau 
hitam, donkergroen; memakai hitam, 
in de rouw zijn; hitam merdh, ros, 
roodzwart; menghitam^ zwart of donker 
worden van kleur; sihitam, e. s. v. zoet- 
watervisch; kahiiam-hitaman , zwart- 
achtig. 

hitoeng:, zie itoeng. 

hobat; hobat-hobatan, toovermiddelen, 
tooverij; orang hobatan, toovenaar. Zie 
ook obat. 

liodai, e. s. V. wilde volksstam, zwervende 
in de bosschen van Malaka. 

hoebaja, volstrekt; hoebaja-hoebaja, 
vódr alle dingen, vooral, bovenal. 

hoeban, zie oeban. 

Iioebbat, Arab. liefde, beminde. 

hoeboeb, Arab. blazen, waaien, van 
den wind; hoeboebau, Jav. blaasbalg. 

boeboeng; blrhoeboeng, aaneen gevoegd, 
aaneen gelascht, verbonden in dien zin, 
vermaagschapt ; hoeboengan, verleng- 
stuk, aanhechtsel, vervolg van een ver- 
haal of boek; menghoeboengiy er iets 
aanhechten, aan toevoegen; rnénghoe- 
boengi gawé, getuige te ziju. van een 
misdrijf en het niet ter kennis van de 
bevoegde macht brengen. Palemb. 

boed» Arab. gescheiden, verboden, b. v. 
ajar jang tiada Ijioed pada banjalpnja, 
water, dat wat de hoeveelheid betreft 
niet verboden is. 

boedang, garnaal; h, loeboefe, de ge- 
wone garnaal; h, galah, == h satang 
Jav. e. 8. V. zeer groote garnalen ; h. 
karang en h. getaJJ;, kreeft; h. pepai, 
e. 8. V. kleine garnalen, waarvan men 
bïlatjan en tjintjalo^ maakt; h. meng- 
kara, e. s. v. zeer groote garnaal; h. 
soengai, zoetwatergarnaal; boeroeng h. 
en radja A., de ijsvogel, hoedang iatahoe 
hoengkoeljpnja ; orang iatahoe boeroe^nja, 
Sprw. Pad. bovenl. 

boedboed, Arab. hop, de vogel. 

boedjan, regen; hoedjan rïnvjai, h. 
boenoet en h. dboe, motregen; h.rintii;- 
rinti^, regen bij enkele droppels; h. 

" panas, regen bij zonneschijn; h. baioe, 
hagil, ook h. manil^. Men. zie rambon; 
h, dtras, hevige regen, stortregen; b. 
kapala s^httaUy de regens in den eersten 
kentertijd ; h. b(érlaoet of h. barat laoet^ 
de regens in den tweeden kentertijd ; h, 

'" awal dan h, achir, vroege en spade 



regen, ook; h. soeloeng dan A. bongsog; 
h. boebOy natte mist; h. hambat m)èr' 
toewa, korte regenbuien met droog 
weder tusschen beide; losse buien; h. 
tiada bolih tjelek mata, regen, dat 
men uit de oogen niet zien kan, regen 
alsof het met baksteenen van den 
hemel gegoten werd; hari hoedjan, 
regenachtig weder ; mengoedjan, zich als 
een regen voordoen, een regen vormen; 
mengoedjan peloeroe, het regent kogels; 
m^nghoedjan-panaskan, aan den regen 
en zonneschijn bloodstellen, bleeken; 
menghoedjani, beregenen; kahoedjanan, 
beregend worden; boeroeng hoedjan, 
e. s. V. vogel ; moesim phighoedjan, de 
regenmouson, ook wajptoe p, en ketika 
p. H. Gr. 

boedjat, Ar. laster, lastering, zot, dwaas, 
gek; rninghoedjat Allah, God lasteren. 
Zie ook hoedjat, Arab. 

boedjat, Arab. bewijs, acte, titel van 
recht; JioedjatoeHbaligrah, een afdoend 
bewijs; patah l^oedjat, ten einde met 
zijne bewijzen, vastgezet, niet meer kun- 
nen antwoorden; méndirikan Ipoedjat, 
bewijzen bijbrengen. 

boedjoeng, uiteinde, uiterste punt; 
hoedjoeng lidah, overbrenger, bood- 
schapper, woordvoerder. Men. hoedjoeng 
ianah, landpunt, kaap, ook soms : schier- 
eiland ; hoedjoeng mata, buitenhoek van 
het oog, = ekoer mata-, bagai Wor 
dihoedjoeng iandoelje, het hangt aan een 
zijden draadje; hoedjoeng -pangkat, het 
dikke en dunne einde van iets, begin 
en einde van een tak; kahoedjoengan, 
door de punt van een wapen ge- 
troffen worden; bertikam b^rhoedjoeng- 
hoedjoengan, een tweegevecht op de 
kris houden. 

hoedlóér, Arab. tegenwoordig zijn. 

boedoeb, zie odoh. Maxw. en Swet. 
schrijven het eerste. 

boedoet, zie oedoet. 

boefdl, mrv. van hkafil, zie ald. 

boejoens» waggelen, voornamelijk door 
topzwaarte, b. v. van een beschoukene, 
slingeren, van een schip; hoejoeng am- 
bong, waggelend vooruitschieten en dan 
weer blijven staan, van een Keschon- 
kene, ook = doejoen, zie ald. b. v. 
berhoejoeng hoejoeng pergi kapïkan, naar 
de markt stroomen. 

boekdm, Arab. mrv. van ^dkim. 

boeboem» Arab. wfet, jrechtelijke uit- 



150 



hoekoema — boendjam. 



spraak, vonnis, straf; bestuur, regel, 
gewoonte; hoekoem Allah, de goddelijke 
wet, ook: de dood; i^oekoeman^ straf; 
rechtspraak; perkakas ^oekoeman straf- 
werktuig ; mléng^oekoemkany strafTen, 
uitspraak doen; memoetoeskan ^oekoem^ 
een vonnis vellen, ook: mendjatohkan 
^oekoem; ter^oekoem atas en t, olih, 
bestuurd door; pe^oekoematiy vonnis, 
straf; ^ekoem-^dkimy rechtsbedeeling, 
rechterlijke macht; kapoetoesan ^oekoem, 
rechterlijke uitspraak, vonnis ; perkataan 
^ekoeniy rechtspraak; 'fyoekoem islam, 
mohammedaansch recht; ^. adat^ ge- 
woonterecht; ^. sjaröby het godsdienstig 
recht, vervat in den Koran; fi. sijasat, 
geeselstraf; ^. kanoen, wettelijke bepa- 
lingen; ^. i!i§d§y doodstraf als weder- 
vergelding; ^. nikak, huwelijksrecht; 
kena ^., gestraft worden; Ipoekoemlah, 
uitspraak doen. B. R. p. 4. 

lioekoexna, Arab. rechters, meerv. van 
If^akim, 

h.oekoemat, Arab. rechtsgebied, heer- 



hoelaxn, rauwe plantaardige toespijs bij 
de rijst; nasi hoelam, gekookte rijst, 
waaronder fijn gesneden, rauwe groente 
is gemengd; oepas blêrhoelam ratjoen 
en kUjoeboeng öêrhoelam gandja^ fig. 
uitdrukkingen voor: het eene kwaad 
komt bij het andere; ménghoelamkan, 
tot zulke toespijs maken of gebruiken, 
b. V. tnénghoeiamkan ajar, water, bij 
gebrek aan iets anders, tot toespijs ge- 
bruiken; hoelaman en hoelam-hoelam, 
onwettige bijzit; makan hhhoelam, er 
een bijzit op nahouden. 

koelat, zie oelat, 

hoeloe, voorste, begin, oorsprong eener 
rivier. Bovenland, hoofd (voornaamste 
plaats, spits) menschelijk hoofd (hof- 
taal), gevest, heft, greep; h. ajar, oor- 
sprong van een stroom, ook het eerste 
badwater, vóór nog een ander zich 
daarmede 's morgens gebaad heeft; h. 
Aiz^fV maagholte, maagstreek; Kkapala, 
kruin van het hoofd; h, tangan, hand- 
gewricht; h, moesim, begin van een 
jaargetijde; Aoeloe'Ailir, boven- en be- 
nedenloop, oorsprong en einde, waar 
iets vandaan komt en waar het heen- 
gaat of op uitloopt ; boetoah hoeloe, e. s. v. 
koekjes; boetoah h. kamboéiya, een an- 
dere soort; hoehe-lahf zie risau en 
min^isi mUgkoeloe-hoeloekan, vooraan 



gaan, vooropgaan, aan het hoofd gaan 
van; hoeloebalang , legerhoofd, officier, 
voorvechter; hoeloe hafil^ eerstelingen 
van de opbrengst; dèhoeloe, eerst; di- 
hoeloe, in het bovenland; pènghoeloe, 
opperhoofd, minder dan batin, op Java 
hoofdpriester aan eene moskee ; öerj»è«^- 
hoeloe kapada ben dakara, zich ter be- 
schikking van den rijksbestierder stel- 
len of gesteld hebben ; p'ënghoeloe balai, 
ceremoniemeester in de balairoeng, die 
ieder zijn plaats aanwijst en de étiquette 
bewaart. Er zijn er twee: de p.b» toe- 
wa en p. b. moeda', hoeloewan, ook Aa- 
loewan, zie ald.; hoeloe-hoeloewan, doel, 
waarnaar men streeft, inz. slecht ; orang- 
sahoeloe-hoeloewan, lieden, die naar het- 
zelfde slechte doel streven, van den- 
zelfden slechten stempel. 

koeloebalana:, legerhoofd, officier, voor- 
vechter, krij gso verste ; hoeloebalang dan 
lasjkar, officieren en manschappen. Zie 
pénglima, 

hoeloebanssa, op per hoofd, legerhoofd ; 
ook volksstam. vdW. mogelijk: hoofd 
van een volksstam. Zie bangsa. 

boeloezn, Arab droom, inz. wellustige. 

boeloer, zie oeloer. 

boema, I. akker ter groote van 40 
djoendjang, zie ald. = sawah, Jav. ook 
tijdelijk ontgonnen stuk hooggelegen 
grond; ph-hoemaan^ plaats van zulke 
akkers, ook die akkers zelve en wat 
er op staat; b'trhoema, op zulke akkers 
bouwen; pérhoemaan, ook: oogst en 
goede resultaten van een werk, b. v. 
tiada plék^rdjaan denga:i plèrhoemaan^ 
er zijn geen werken met vrucht. II. 
Skr. homa, onbloedig brandoffer. 

boeman, zie oeman. 

boexnbalatis, en btrhoembalang, tui- 
melen, tuimelend vallen; mënghoemba- 
langkan, slingerend werpen, b. v. een 
knots, groeten steen enz. Het grondw. 
is het Jav. balang, waarvan de act., 
vorm in het Jav. is tmbalang of h(èm* 
balang, de Mal. heeft dit in de uitspr. 
verbasterd en er nog eens zijn act. 
vorm meng op toegepast; blèrkoemba- 
langan, tuimelen van velen. Zie ha- 
la9ig III. 

boemban, =s oemban, zie ald. 

boembi, ss oembi, zie ald. 

boena, Skr. pagode. 

boendak, zie oendah, 

boendjam, zie oendjam; ilèrhoendjum, 



h.oen4Joen -~- iba. 



151 



ia iets blijven steken, b. v. van een 
lans of mes, waarmede men naar iets 
werpt. 

lioeii^joen, zie oendjoen. 

h-oeni, zie oeni. 

bioenji, zie oenji. 

hoenoes; rnénghoenoes, uittrekken, inz. 
uit de sclieede, uit een gat, waarin iets 
zit, en van iets dat ergens omteen 
zit, zooals een ring om den vinger; 
rnénghoenoes klèris^ de kris uit de scheede 
trekken; rnénghoenoes dawai, metaal- 
draad trekken; rnénghoenoes tjintjin, 
den ring van den vinger trekken; 
rnénghoenoes rotan, rottingriet door 
twee mesjes halen om het vezelachtige 
te verwijderen. 

hoentai, zie oeniai. 

hoeri, Arab. jongelingen of maagden, 
die zeer schoon zijn en groote, donkere 
oogen hebben. 

hoeroe, verwarring; hoeroe-har a, aller- 
lei verwarring, rumoer, tumult; meng- 
hoeroekan en m^nghoeroe-harakan, in 
verwarring brengen ; hoeroe-hara doenia, 
wereldsche beslommeringen; memboetoat 
h, h., verwarring stichten, ongeregeld- 
heden plegen. 

hoeróéf, Arab. meerv. van ^araf, let- 
ters; ^oeróéf af al, de oorspronkelijke 
letters ; j^oeroéf méndaiang, bijkomende 
letters; ^. jang ada bagainja mana, 
partikels, die eene beteekenis hebben; 
méngarang }ioeroef, letterzetten; pénga- 
rang Itoeroef, letterzetter. 

lioeroeng; berhoeroeng. zich verzame- 
len, bijeenkomen; meng hoer oengi, om- 
geven, omringen. Pad. bov.1. « roemoen 
en roeboeng. Jav. 

hoeroeSf zie oeroes, 

hoeroe fc, zie oeroet. 

hoe^amat, Arab. hevig vuur, helsch 
vuur, de hel. 

hoetan, bosch, wildernis; wild; hoetan 
pérboeroean, wildbosch; orang hoetan, 
een wilde, onbeschaafde; hoeian-rimba, 
bosch en woud ; babi hoetan, wild zwijn ; 
pisang hoetan, wilde banaan. 

hoetanis, schuld, geldschuld, op zich 
genomen verplichting; hoetang béras, 
preferente schuld, die vóór alle andere 
moet betaald worden; hoetang kapala, 
schuld, waarvoor men met zijn hoofd 
instaat; hoetang boedi, verplichting 
voor bewezen weldaden; hoetang baris, 
.een reeks van schulden; NB. vdW.'s 



bareh, is niet anders dan baris, volgens 
de uitspraak van den minderen man; 
zie de verklaring van bareh bij oetang, 
Mën. Wrdb. btrhoetang, schuld hebben, 
schuldig z\]n\pioetang, schuldvordering, 
inschuld; hoetang pioetang, schuld en 
inschuld, debet en credit; b^rhoetang 
koeliling pinggang, rondom in schulden 
steken; ménghoetangi, op crediet geven 
of verkoopen; orang bérhoetang, schul- 
denaar; orang oetangan, pandeling voor 
schuld; in het Palemb. ook orang ber- 
hoetang; berhoetang méngiring, die zijn 
heer moet volgen en hem dienen; b^r- 
hoetang pémbïlahan, die vrij blijft doch 
de helft van de opbrengst van zijn 
werk aan den geldschieter moet geven; 
dihoetangkan déngan bebérapa kati émas, 
schuld opgelegd worden van eenige 
ponden goud. 

hoewa. Hij, dat is God, Jehova; hoewa 
atlah, de Heere God. 

hoewi, I. zie bij hai, II. Chin. geheim 
genootschap. 

hoe-wit; rnénghoewit^ wrikken met een 
riem om een bootje voort te bewegen; 
ménghoetoitkan, iets heen en weer 
schudden, b. v. een schild om er de 
pijlen of een zwaard uit te doen vallen. 

hoi, Tusschenw. van aanroeping, he! 

hok, Chin. e. s. v. vogel in geverfd ka- 
toen, b. V. sapoetangan boenga ho^, een 
hoofddoek met de figuur van zulk een 
vogel. 

hokah, Perz. Oostersche tabakspijp met 
waterflesch en elastiek roer. 

holbat, Arab. fenegriek of bokshoren- 
kruid. 

holhóém, Arab. nek, keel, strot. 

holvrdn, Arab. gift, geschenk. 

honaa, zie hoema II. 

honar, Perz. list, streek, kwade prak- 
tijk, sohandelijkheid. 

hons» zie bij om, 

hormat, Arab, eerbied, eer; mémb^êri 
hormat en méngl^ormati, eere geven, 
eer bewijzen, eeren; ïtérhormat'^orma-' 
tan, elkander eeren; kaj^ormatan, ge- 
ëerd zijn. In brieven ook tHr^matf 



I. 



iba'. Ar. weigeren, ongehoorzaam zijn, 

met tegenzin iets doen. 
iba, =: belas; iba kasihan se hWts ka- 



152 



ibdd — idar. 



sikan ; ook hiba geschreven ; weemoedig, 
bewogen, ontroerd, aangedaan; ka-ibaan^ 
weemoed, ontroering, aandoening, wee- 
moedigheid. 

ïbdd, Arab, meerv. van abdi. 

ïbëldat, Arab. godsdienst, eeredienst, 
godsvereering ; orang dmd«ö?«^, iemand, 
die zijn godsdienstplichten vervult, een 
godsdienstig iemand. 

ibar» en ibar-ibaVy e. s. v. klein vaartuig. 

ïbdrat, Arab. zinspeling, bedoeling, ge- 
lijkenis ; niengamhil ibdraty tot voorbeeld 
nemen, er leering uit trekken; méngt- 
baraikan, tot gelijkenis nemen of maken. 

ibas, e. 8. v. palm, de gëbang-palm. C. 
en L. 

ibaii, naam van een eetbaren zoutwa- 
termossel. 

iblis, Arab. de duivel; ana^ iblis, dui- 
velskind. 

ibnoey bin, Arab. zoon. 

iboe, moeder, van menschen, dieren, 
planten enz. in samenstellingen evenals 
indoet en indoeng\ het is beleefder 
dan ^malp^ en hoffelijk wordt het ^ö«ö?«. 
Iboe-bapa, vader en moeder, ouders; 
iboe ajam, klokhen, volwassen, eier- 
leggende kip ; iboe emas, gedegen goud ; 
iboe bidjehy tinerts in stukken; iboe 
dfibah^ hoofddoos in een beteldoos; 
iboe-tangan en iboe djari^ duim; iboe 
kaki, groote teen; iboe-tangga, de zij- 
stijlen van een ladder; iboe-soengai, de 
hoofdrivicr ; iboe-sawan, e. s. v. steen- 
puist; iboe-negari, hoofdplaats; iboe- 
panah, de boog; iboe-pasir, grove kor- 
rels in het zand; iboe-pintoe, kozijn 
van een deur; iboe-swariy vorstelijke 
moeder; iboe mahadewi, de tweede 
vrouw 4^8 Vorsten, als halfmoeder ; iboe- 
akar, de hoofdwortel eener plant; tdo^- 
plèmbohong, aartsleugenaar. 

iboely het harde gedeelte der palm- 
stammen, dat onder de roeóoeng ligt, 
het harde hout van den niboeng- en 
kokospalm. Volg. vdW. is iboel een 
groote soort van niboeng, 

iboer, zie hiboer, 

ibra', Arab. vrijstellen, kwijtschelden. 

ibtida*, Arab. beginnen; Ul-ibtida\ om 
te beginnen. 

ichadzah, Arab. leengoed. 

iobtijdr, Arab. vrije keus, vrije beschik- 
king, keus der middelen, de bezorging 
der middelen, beraadslaging daarover, 
raad, oordeel, bezinning, nadenken \ 



mengichiijdrkan. een keus doen, de mid- 
delen beramen; raadschaffen, iets be- 
handelen; dengarlah icbtijdrkoe, hoor 
mijn voorstel ; ada djoega ichtijdr pada^ 
hcmba, ik heb een voorstel te doen; 
diserahkannja ichtijdr kapadanja, hij 
gaf het aan zijn goeddunken over; ^jWö; 
dengan ichtijdr, onnadenkend, onwille- 
keurig; méninggalkan ichtijdr, de juiste 
keuze der middelen verzuimen, nalaten ; 
habislah ichtijdr dan kapandaijan, alle 
middelen in het werk gesteld hebben. 

iclitiló.f, Arab. verschil, afwijking, over- 
treding uit vergissing, misslag. 

Ichtisdr, Arab. kort begrip. 

idd, Arab. het helpen, het bijstaan; 
hulp, bijstand. 

idab. geschenk tot aanknooping van een 
minuehandel, inzonderheid van vrou- 
wen aan mannen; mengidah, een min- 
uehandel aanknoopen door het geven 
V. e. geschenk; mengidahkan, iets tot 
zulk een geschenk maken ; idah terang, 
hetzelfde met wettige bedoeling; idah 
gelap, met onkuische bedoeling. 

idam, zie hidam. 

idap; méngidap, langdurig lijden, suk- 
kelen, lang ziek zijn, sleepend van 
een e ziekte; mengidapkan, ookJ ziclj 
voortdurend bezorgd over iets maken; 
mengidap ptroet, voortdurend gebrek 
aan eten hebben; idapan, chronisch 
lijden; dat waarmee men zich voort- 
durend bezorgd maakt. 

idar, verandering van plaats, afvallen 
door stroom of wind, v. e. vaartuig, 
afwijking van den koers; mïngidar, 
van plaats veranderen, zijwaarts plaats 
maken, opschuiven, afvallen, door 
stroom of wind; rondgaan, rondloopen, 
omloopen, rondwandelen, rondreizen, 
rondtrekken, de ronde doen, ronddraaien, 
rond wentelen, omwentelen, van de he- 
mellichamen, b. V. bintang b^ridar, pla- 
neet, dwaalster; méngambil idar of 
nïémboetoang idar, rekenen op het af- 
vallen V. h. VA&Ytmg; Tnêmboewang idar, 
ook: uit beleefdheid een weinig opzij 
gaan; mengidarkan pijala, den beker 
laten rondgaan; p^ridaran doenia, dè 
wisselingen van het ondermaansche b. v. 
datanglah kapada p^ridaran doenia, en 
zoo geschiedde het bij de wisselingen 
van het ondermaansche, gebr. bij de 
mededeelingen van het sterven van 
Vorsten; mïngidaT'tontonanftti beschou- 



ïddat — • ikan. 



153 



wing ronddragen, b. v. zijn bruid bij 
de gasten; idar-idar, staande schermen, 
die men rondom iets zet; ketika dan 
idaraUj teekenen van goede en slechte 
tijden om iets te verrichten; idaran 
naga lajang-lajang doewa-belas tapa^ 
bajang-bajang, het teeken van naga 
ïajang, of de zwevende draak, is als 
de schaduw twaalf palm is; een bij- 
geloovig teeken bij het uitzeilen van 
vaartuigen enz. 

ïddat, Arab. staat eener vrouw, waarin 
zij geen gemeenschap met den man 
mag hebben. 

idja' Arab. uitvinding, schepping; volg. 
vdW. idjdd, 

idjdb, Arab. verhooren. v. e. gebed. 

idJdd, Arab. en idjédat, milddadigheid, 
voortbrengen van iets goeds of voor- 
treffelijks. 

idiélb, Arab. toeslaan, een koop annne- 
men; mengidjdbkan, te koop bieden, 
in het bod toestemmen, met een bod 
genoegen nemen. Ook het bevestigen 
in den godsdienst, de B. 

idjdrat, Arab loon, werkloon. 

idjëls, Arab. e. s v. zwarte pruimen; 
idja?ijahj e. s. v. pruimensoep, gestoofde 
pruimen. 

idjdzat, Arab. verlof b. v. tot het geven 
van onderwijs; diploma, vergunning, 
ontslag, ontheffing. Ook voor andere 
zaken. Niem. bloeml. p. 106. 

i^jbdr, Arab. dwang. 

indieh, eerbiedig aanspraakswoord van 
jongeren tegen ouden. 

idjin, zie idzin. 

idjniaa, Arab. verzamelen, tezamenbren- 
gen; vergadering. 

idjmdl, Arab, kort begrip; idjmdlkan, 
een kort begrip van iets geven; optellen. 

idjoek, een paardehaarachtige zelfstan- 
diglieid, groeiende tusschen stam en 
blad van den lènau- of ar^«-palm, waar- 
van men touw, matten, bezems enz. ver- 
vaardigt, ook gebruikt tot dakbedekking. 

idjtihad, Arab. inspanning, ijver, vlijt; 

• bedoeling. 

idris, Arab. Henoch. 

idzkdr, Arab. vermelding van Gods 

. naam; doen gedenken. 

idzin, Arab. verlof, toestemming; i, 
mëntjapkan, fiat afdrukken, Sadj. Mal. 
minta idzin, verlof vragen; mémb^ri 

: idzin, verlof geven; 'niéngidzinkany ver- 
oorloven. 



ïfr£t, Arab. booze geest. 

iffal; mengigal, pronken van mannelijke 
vogels met den staart, zooals prauwen 
en kalkoenen; opstaan van haar of 
vederen; ook statig stappen, vdW.; 
menari mengigalj theatraal dansen. 

igau; mengigaUy benauwd en hardop 
droomen, nacht wandelen ; mengigaukan, 
hardop over iets droomen; igau ook 
delirium, Maxw. pmgigau, ook: slaap- 
wandelaar. 

igoe, juk voor buffels of ossen. Mal. 

ilida', Arab. op den rechten weg ge- 
leiden. 

ihja', Arab. levend maken uit den dood. 

ihniëil, Arab. het verwaarloozen, ver- 
zuimen. 

ih.i*din, Ar. banvloek, onwettig; aJ^rdm, 
meerv. van ^arim, de Mekkaansche 
pelgrimskleeding. 

ih.sdn, Ar. weldadigheid. 

ilitimëll. Ar. dragen; mengifyiimdlkan^ 
opdragen, medegeven van een last of 
bevel of opdracht. 

ihtirdm. Ar. vereerenswaardigheid. 

ihtisdb. Ar. toerekening; mengi^tisdb- 
kan, iets toerekenen. 

ihtisjdxn. Ar. eerbied. 

\ja, hij, zij, het, ook in 't meerv.; ja, ook; 
ija-iioe en ija-ini, dat is, dat wil zeg- 
gen, namelijk; ijakah atau tida^, is 
het zoo of niet? hitah tja atau tida^\ 
of het zoo is of niet .*..., méngijakan, 
bevestigen, toestemmen, ja op iets zeg- 
gen. In den 3n en 4n nmv. en achter 
de Voorz. akan en dlèngan wordt het 
meestal dia, dat op Java ook in den 
In nmv. gebruikt wordt; achter een 
Voorz. dat op een klinker eindigt, wordt 
het nja, b. v. sértanja, padanja. 

ijal, Arab. steenbok. 

Üam; mlngijam, gluren, loeren. H. T. 
en L. 

\iani2r, I. ook Mjang en jang, een god- 
heid; kajangan, godenverblijf; II. ijang- 
ijang, Jav. weeklagen. 

ika, Jav. = ini, zie ald. 

Ikal, haarkrul, krullend, doch niet 
kroes; dit wordt als een teeken van 
moed beschouwd; golvend van een 
bosch, vdW. méngtkal, krullen van 
het haar. 

ikdmat. Ar. oproeping tot het gebed. 

ikan, visch; ikan darat, zoet water visch; 
ikan laoet, zeevisch. Voor de verschil- 
lende soorten zie Vocab. Mal. rran9. 



IH 



ikat <*-* imbas. 



van de la Croix 1889, ikan mas, goud- 
visch; ikan merah, de roode Makka- 
saarsche vischjes; ikan bilalang, de 
vliegende visch; ikan djoekoet^ aller- 
hande vischspijzenj ikan-ikan, log- 
plankje; memboewang ikan-ikan, loggen. 

ikat, band, bundel, bos enz. rnengikat, 
binden, samenbinden, vastbinden, toe- 
binden, in iets bij elk. binden, metse- 
len, toemetselen, snoeren (ook van den 
mond), met een wal, dam, muur of 
rand omgeven, inzetten van edelge- 

. steen te, opstellen van verzen, b. v. 
méngikat laoet, de zee bedijken; meng- 
ikat panton, minnedichten maken ; niéng- 
ikat maft, zoo vast binden, dat het niet 
meer los kan; ikat perang^ slagorde; 
ikat pinggang, gordel, middelband, sjerp ; 
ikat tangan, fooi, gift; ikat pêrigi, de 
rand van een put; ikat tjtngkam klèra, 
zekere manier van binden bij de sta- 
ken eener omheining; ikatan, kas 
waarin edelgesteente gezet is; ikatan 
p^rkataan, woordverbinding; pHgikat, 
wie of wat bindt, binder of bindmiddel; 
herikatkan, tot band, rand, boordsel, 
kas enz. hebben. 

iklim. Ar. klimaat, gewest; blêri^Hm 
panas^ een heet klimaat hebben. 

ikoet; rnéngikoet^ volgen, achternagaan, 
onderhoorig zijn, behooren tot, meegaan, 
vergezellen, gehoorzamen, vervolgen, 
navolgen, evenaren; volgens; méngtkoet 
soeara, op het geluid van de stem af- 
gaan ; è^rikoei-ikoet, herhaaldelijk, ach- 
tereenvolgens ; méngikoet djalan, den 
weg volgen ; mengikoet perahoey met een 
vaartuig meegaan; mengikoet nama^ 
naar den naam (noemen); ikoetan, 
voorbeeld ter navolging; ikoet-ikoetan, 
beurtelings. vdW. 

ikrdl, verbastering van i^'dr, 

ikrdni. Ar. eeren, eer bewijzen. 

ilacrdr. Ar. bevestigen, toestemmen, be- 
lijden. 

iktibds. Ar. inlassching van eens anders 
woorden. 

Ua» Ar. tot, naar. 

ild,, Arab. het afleggen van een eed bui- 
ten rechten. 

ilah. Ar. god, een god; inna UUahi^ wij 
zijn voor God; inna lillahi wa inna 
ilaihi radjiöëna, wij zijn voor God en 
zullen tot Hem terugkeeren. Uitroep in 
gevaar; èismVllaki, in naam van God. 

ildhaty Ar. godheid j godes, godin. 



ildhi, Ar. goddelijk. 

ilahi. Ar. goddelijk; mijn Godl 

ilahijat. Ar. goddelijke natuur, godde- 
lijkheid. 

ilahoema. Ar. o Godl 

ilai; mengilaiy luidruchtig lachen, scha- 
teren. 

ilalang, zie lalang. 

ilatn; ilam-ilam, onduidelijk zichtbaar, 
nevelig, nu eens zichtbaar dan weer 
niet, van ver verwijderde voorwerpen, 
zooals b. V. een zwerm vogels in de verte. 

ilans, zie hilang. 

ilanoen, zie lanoen. 

ilap, I. het Arab. childf, zie ald. ll.méng- 
ilapkan, verduisteren, bedekken, weg- 
maken, verborgen houden. 

ilat, Arab. tegenspoed, ongeval. 

ila.u, terugkaatsing of flikkering van het 
licht op het water, in regen- en dauw- 
droppels enz. Zie ook kilau» 

ilër, Jav. kwijl, zever. 

ilhdm. Ar. goddelijke ingeving, di-ilhdiH' 
kan, geïnspireerd. 

ilir, zie Mlir, 

ïlxnoe, ook ëlmoe, Arab. wetenschap, 
kundigheden. Bovendien heeft dit woord 
in Indië nog de beteeken is gekregen 
van spreuk of formulier, waarmede men 
iets buitengewoons kan tot stand bren- 
gen. Ilmoe fikraat p^rang, krijgskunde ; 
ilmoe kira-kira, de rekenkunde; ïlmoe 
tabib, de geneeskunde enz. 

imai, gekookte rijst. 

imdxzi. Ar. priester, voorganger bij den 
openbaren godsdienst, hoofdpriester aan 
eene moskee. 

imdmat. Ar. priesterschap. 

imdn, Arab. het geloof, in godsdien- 
stigen zin. 

imdrat. Ar. bevel, gezag, heerschappij. 

ixnat, zie himmat. 

imdtab. Ar. ter dood brenging. 

imbah, bijdoen, bijvoegen. Zie imboh. 

imbal, scheef, onregelmatig rond, of 
krom; Mën. niet in evenwicht, aan den 
eenen kant scheef, overhellend; nvéng- 
imbal, die scheeve hoedanigheid ver- 
toonen. 

imbane; mengimbang, z. in de nabQ- 
heid van iets begeven, tot iets naderen. 

imbas, luchtstroom, veroorzaakt door 
iets, dat in beweging is of voorbijgaat; 
athmospheer die z. om iets verspreidt; 
imbasan^ invloed v. e. boezen geest; 
imbas'imbast evenbeeld. 



imboh — ingar. 



155 



imbob, toegift boven maat, gewicht of 
getal; mênpimèoh, zulk een toegift ge- 
ven, er bij doen, er mede vermeerderen. 
Mën. id. timbang imboh^ wegen met 
een doorslag, met iets toe, met over- 

f wicht. 

imkdii. Ar. verleenen van macht. 

imla'. Ar. dicteeren van een geschrift. 

in. Ar. zie %nsja\ 

inai, ook hinaiy het Arab. ^enna^ zeker 
gewas, de patjar^ met welks bladeren 
de nagels worden rood gekleurd, b. v. 
van het bruidspaar, en den jongeling, 
die besneden wordt; inai hajam « 
paijar hajam, de balsamine ; sipoet inai, 
e. s. V. fraai, rood en wit gevlamd 
hoorn schelpje; mémboehoeh inai, de na- 
gels rood verven, schijnt te worden 
onderscheiden in inai è^sar en inai 
klèijil. Zie ook paijar. 

ïnëjat, Arab. ondersteuning, hulp. 

inas; alleen in p^koeng inas, kanker 
aan den hals. 

inda, Arab. bij. 

indak, = tida$f, Pad. bov.1. 

indaloes, zie andalas, 

indanis; niengindang, iets heen en weder 
schudden zooals graan op eene wan; 
op deze wijze wannen, ziften. 

indap, komt voor = ^ndap, b. v. Bagai- 
kan rasa h'ënda^ mengitidap, Ibarat 
p'énjakit Kéndai: mengindap. Ibr. b. Chas. 
Verder si-indap-indap, als scheldwoord. 
Mes. Pr. Dj. 

indas; méngindas, naderen met vijan- 
dige bedoeling, op het lijf rukken. 

indëra, Skr. de god Indra, ook als 
titel voor Vorsten en de naam van 
e. 8. V. luchtgeesten ; indra bongsoe, titel 
van een mantri, die in rang op den 
toemënggoeng volgt. Indrapoera, Indra- 
ffiri, Indra-majoe, plaatsnamen; indra 
roepa, e. s. v. plant die onbruikbare 
katoen oplevert; indra laJpsana, e. s. v. 
heester met boonen, wier schil bruik- 
bare lijm oplevert; ind^ra kila, de 
naam van een berg, waarop Ardjoena 
als kluizenaar geleefd heeft ; ind^ra 
loka, de wereld of het verblijf van 
Indra ; kdinMradn, de hemel van Indra, 
d. i. der helden ; goddelijk. 

indik; rnéngindi^p, neerhurken en on- 
middellijk weer opstaan, door eene wip- 

„ pende beweging neerdrukken; in het 
Mën* SS iindih, 

indinis; ménginding, stil op iets wach- 



ten, loeren op of hunkeren naar iets, 
dat ruen denkt te ontvangen, stil 
luisteren naar iets, dat men niet hoo- 
ren mag. 

indja; sawan indja, stuipen bij kleine 
kinderen, waarbij het hoofd gloeit; 
Bal. zekere uitslag op het hoofd; indja 
pajoeng, e. s. v. kruidje roer-me-niet. 
R berindja singa, e. s. v. spel. Hik. 
Boedj. p. 49. 

indjak; ntèngindja^, nedertreden, neder- 
trappen, vertreden, vertrappen. vdW. 
en Pijn. schrijven endja^. Zie pidja^ 
en djedjaljp. Het is op Java indje^ en 
Pad. bov.1. ook indjaJp; indja^'indja^p, 
stijgbeugel; ierindjak, onder den voet 
geraakt, vertrapt. 

indjap, I. trechtervormige ingang v. e. 
fuik, bestaande uit elastieke staafjes, 
die den visch wel in-, maar niet uitla- 
ten. II. bërindjap, het druk hebben 
door veel bezoekers. 

indjil, Arab. het Evangelie, ook voor 
het Nieuwe Test. in zijn geheel, kiidö 
indjil; memasj hoer kan indjil en rnéng* 
chabarkan t., het Evang. verkondigen; 
pesoeroehan e., evangelist, zendeling. 

indjin, I. het Eng. engine; ook de as 
van een rad of wiel. II. kajoe indjin, 
e. 8. V. rood, hard hout, van de bakau. 
Schot. 

indoe, Mën. = indoejp, zie ald. 

indoek = indoeng, moeder, moederdier j 
indoeTp kastoeri, muskuszak; ». madoe, 
honigraat: i. soettèra, cocon van een 
zijdeworm; indoe^ samang, Mën. heer, 
meester, meesteres, patroon, iemand die 
er kostgangers op nahoudt. Zie bij 
ana^ en samang ', përindoekan, en plêrin- 
doen, al wat van ééne moeder is, gezin, 
familie, broedsel. 

indoenjs, moeder, = indoe^. Ook als 
troetelnaam voor een meisje; indoeng 
karbau, kalf buffel ; i. • lemboe, kalfkoe ; 
indoeng moetiara, parelmoer; phigin- 
doengan, loon voor de moederzorg; 
mièngindoengkan wadon sadjagat, on- 
tucht plegen met een beest. Pal. 

inëp, Jav. mênginlèp, overnachten. 

in^a-ineA* afgetrokken; onnoozel rond- 
staren, als om iets te zoeken, d&t men 
mist. Zie mangoe, 

ingar, hinderlijk leven, geraas, getier; 
leven maken, razen, tieren, ook van 
een troep kikkers; ingar-bangar, zie 
ar II. en bingar, Mën, allerlei 



156 



ingat •— ipar. 



leven of getier; tnhigingariy iemand 
met getier lastig vallen. 

ingat, aan iets denken, attent zijn, op 
zijn hoede zijn, zich iets herinneren; 
tiada ingat^ ook: zijn bewustzijn of 
denkvermogen verloren hebben; ingat 
akan dirinja, uit een bewusteloozen 
toestand weer bijkomen, uit een slaap 
weer goed wakker worden; beringat 
dirinja, op zijn hoede zijn, b. v. soeroeh 
Héringat dirinja ntasing-masing, hari pon 
malamlah, laat ieder op zijn hoede zijn, 
want het is nacht; menging atkan, iets 
aan iem. herinneren ; méngingati dirinja 
sêndiri, zichzelven wachten of waar- 
schuwen voor iets; ingatan, herinne- 
ring, vermaning, gedachten, overwegin- 
gen, enz. péringatan^ gedachtenis, aan- 
teekening, nota; ingat-ingat, pas op! 
let op! Zie ook loepa. 

insea, zie hingga. 

iii&Sar, zie ingar. 

iögsil, en hinggil, Jav. hoog, verheven. 

i^ggêris» engelsch, engelschman. 

ingso©» I- e. 8. V. oneetbaren visch. 
II. Perz. ook ingoe, duivelsdrek ; pokoif 
inggoe, wijnruit. 

ing^in, begeeren, belust '' zijn, verlangen 
naar, trek hebben in; memp^ringini, 
belust maken op, iemand trek doen 
krijgen in; kaïnginan, belustheid, be- 
geerlijkheid; peringinan, lust. 

inskar, verb. Arab. weigerachtig zijn. 
Ook ïngkar. 

ingoe» zie inggoe II. 

insoes, snot; memboewang ingoes^ den 
neus snuiten; boewang ajjar ingoes, 
slijmafgang; sakit ingoes^ de droes, bij 
paarden. 

ingaan^, zie insang. 

inssoexiy Jav. ik, van Vorsten. 

ini, deze, dit ; hier, nu, op *t oogenblik, 
vandaag; ini djoega, dit zelfde; ini 
poela, hoeveel te meer; sini en disini, 
hier, thans; ini wordt ook achter som- 
mige woorden gebruikt om den nadruk, 
b. V. akoe ini, sakarang ini, 

inin, « ini, zie ald. 

inja, Jav. = baboe, kindermeid, b. v. 
dnedoe^ diribaan inja. Mes. Pr. Dj. en 
Kin Tab. 

inkór, Arab. verloochening. 

inküdd, Arab. onderwerping, gehoor- 
zaamheid. 

inoen» zie noen. 

insëlf» Arab. billijkheid, nadenken, stof 



tot nadenken; mhigambil in§df, ergens^ 
over nadenken, op zich toepassen; blèr- 
boewat in^df, recht doen, recht laten 
wedervaren, de billijkheid betrachten; 
in§df akan dirinja, tot zichzelven in- 
keeren. 

insdn, Arab. mensch. 

insangr, ook ifigsang, de kieuwen v. e. 
visch, de weefklieren van spinnen, 
rupsen enz. oerat insang, balein; roem.' 
poet insang pari, e. s. v. eetbare plant. 

insdni, Arab. menschelijk. 

ixi-s>ja'-A.llah, Arab. als God belieft, 
zoo God wil. 

intahi, Arab. tot een einde gekomen, 
einde, slot, gebruikt als slotwoord in 
brieven. 

intai, zie Mntai. 

intan, diamant; intan mhitak, ruwe 
diamant. 

intik, vertraging, verhindering; ilèriniik, 
uitgesteld. II. vlek, spikkel, intik-intik, 
sproetig, vol puistjes. 

intip, Jav. gluren, loeren, spionneeren; 
zie Mntai, 

intisdb, Arab. zijn oorsprong van iets 
afleiden. 

intierjdr, Arab. behagen in iets scheppen, 

intit, zie bij iwat. 

infja, klaar, helder weder, L. ; intja' 
bintja, wanorde, verwarring, plundering, 
als in een lekke mand. Hik. Abd. ver- 
klaring van Tugault. 

intjang; intjang-intjoet, krom en scheef, 
b. V. van de stijlen van een huis, die 
niet behoorlijk gericht zijn, b, v. tiada 
di-oenting tiang roemah itoe, maka in- 
tjang-inijoet kalihatannja, vdW. 

intjar, drilboor, waarbij de beweegkracht 
op en neergaat. 

intjat, I. de pit v. e. vrucht, de pupil van 
het oog. Pad. bov 1. II. in den groei be- 
lemmerd, ttrindjat, Swett. zie intjoet, 

intjit, weg, voort, scheer je weg; meng- 
inijit, wegjagen verdrijven, verbannen, 
verstooten. 

intjoet, van vorm of gestalte: scheef, 
kreupel, mank; van uitspraak: vreemd, 
verkeerd, met een vreemden tongval; 
inijang-intjoety op verschillende wijze 
scheef of kreupel, ook van een stoel of 
tafel, waarvan de pooten ongelijk zija. 

ipar, zwager, zwagerin; bléripar, een 
zwager hebben, zwager zijn; bhipar- 
bïrbiras, z. met anderen verzwageren; 
périparanr zwagerschap. Zie biras. 



ipil — ïsjik. 



157 



ipil, e. s. V. boom, die goed timmerliout 
levert en zwarte vruchten draagt als 
boenen, gandoe geheeten. 

ippeh, de vergifboom, antiaris; plan- 
tenvergif in het algera.; akar ipoeh, e. 
s. v. kruipende plant, die voor binden 
gebruikt wordt. 

ira-lra, e. s. v. eetbare, goudkleurige 
dolfijn. 

irddah, Arab. de wil. 

iram, van kleur veranderd, van het ge- 
laat, uit beschaamdheid of verlegen- 
heid; iram-iram, geplooid boordsel, 
dat van de randen van den pajoeng 
obor-obor afhangt; boenga iram-iram^ 
e. 8. V. bloemdragende waterplant. 

irama, Jav. maat in de muziek; meng- 
irama-irama, de maat slaan. Ms. Pr. Dj. 

irëln, Perz. Perzië. 

ipap, = hirapt zie kirap. 

iras, ook eras, uit één stuk, niet gelascht 
of aaneengevoegd, b. v. tiang gandja 
iraSf mast en steng uit één stuk; 
kapala toengkat jang iras, knop en 
stok uit één stuk; mengirasy in één 
stuk doorloopen; iras-iras en iras- 
irasan^ wat aan iets anders gelijkt, 
wedergade. Zie ook toempang. 

irau; mengirau^ zich bemoeien met, 
geven om, belangstellen in, notitie 
nemen van, talen naar, b. v. tida^ 
iraukan nasi dan goelai, niet talen 
naar rijst of toespijs; tida^ di-irau- 
kannja jang lain, melainkan radja Okai- 
bar djoega^ hij stelde in niemand be- 
lang dan alleen in den Vorst Chaibar; 
djikalau berhimpon sakalian radja isi 
boemi ini sakalipon akan seteroe hamba, 
tiada hamba iraukan. Hik. 

iri; mengirif iets wenschen te bezitten, 
wat een ander bezit, iets benijden, 
doch zonder wangunst. Ook hiri. 

iri^; niëfigiri^y trappen, treden, betre- 
den, uittreden met voeten of pooten, 
b. V. de zaadpadi, daar stampen die 
beschadigen zou; met geweld, met 
voeten of vuisten, door iets heen per- 
sen; ptngiriif, treedpers, perskuip. 

iriKU-irim, Jav. e. s. v. waterplant met 
fraaie bloemen. 

irina:; méngiring, volgen, begeleiden, 
vergezellen als volgeling van een per- 
soon; jang méngiring, ook het navol* 
gende, hetgeen volgt ; méngiring djalan, 
evenwijdig met den weg, in dezelfde 
richting van den weg; djalan b^riring, 



in een rij achter elk. gaan, in colonne 
marcheeren; blèriring-iring, achter elk. 
achtereenvolgens; ook btriring-iringan\ 
iringan, gevolg, begeleiding, stoet, ook 
achter, b. v. di-iringan dj^mbatan, ach- 
ter de brug; pengiring^ volgeling; 
pengiringan, afhankelijkheid, aanhang, 
aankleef, gevolg, stoet; beriring, achter 
elkander. 

iris, zie hiris, 

irits, Arab. erven, erfenis. 

irsdl, Arab. zending, apostelschap. 

ir^dd, Arab. leiding langs den rechten 
weg. 

iroens, e. s. v. klein chineesch kopje, 
waaruit arak gedronken wordt. 

iroep; mengiroep, slorpen, leppen. Zie 
isap. 

iroes, Jav. houten spaan om er de ge- 
kookte spijs mede om te roeren, 

isa% Arab. bij uitersten wil vermaken. 

isans = insang, zie ald. 

isap en hisap; mengisap, zuigen, inzui- 
gen, opzuigen, rooken van opium, schui- 
ven, opslorpen van waterdarapen door 
de lucht, aantrekken van lichamen on- 
derling. 

isi, inhoud, vulsel, dat wat ergens in is; 
bïrisiy bevatten, inhouden, gevuld zijn; 
isi kajoe^ het eigenlijke hout van een 
boom, in tegenoverstelling van het spint, 
goebaly en het hart, itras; isi toeboeh, 
het vleesch, in tegenoverstelling van de 
beenderen en het vet; isi haü^ wat er 
ia het hart omgaat; isi koetan, bosch- 
producten ; isi kawiny bruidschat, huwe- 
lijksgift; isi moeloet, dat, waarvan 
iedereen den mond vol heeft; isinegari, 
de inwoners, burgers; isi pïroet, de 
ingewanden; isi roemah, de huisbewo- 
ners, het huisgezin; isi astana, de 
paleisbewoners, het hof; berisi, gevuld 
zijn, iets inhouden; m^ngisi, iets vul- 
len, een vuurwapen laden; p^ngisi 
peroety buikvulling; isi kitab, inhoud, 

isixn, Arab. naam, bismVUahiy in den 
naam van God. 

isin, Jav. schaamte, bsschaamd zijn, 
bloode, bescheiden, «= maloe, zie ald, 

ïsja', Arab. het begin van den-nacht; 
wa^toe isja\ het avondgebedsuur, na 
zonsondergang. 

isjdrat, Arab. wenk, teeken; zinnebeeld, 
doelwit; mléngisjdratkan, wenken, toe* 
wenken, een wenk of teekea geven, 

ii^ik, Arab. liefde. 



16S 



iskandar — Jakin. 



i«kandar, Arab. Alexander; iskandar 
dsoeHJearnairty Alexander de Groote. 

isldm, Arab. overgave aan God; agama 
isldm, de mohammedaansche godsdienst ; 
orang islam, mohammedaan; mengis- 
ISmhm, tvt m^kamxnedaan maken. 

i«tiacl, Arab. het noemen rsEk- zi^&e 
zegslieden. 

isnen, ook s^neity zie itsnain, 

istanboel, Konstantinopel. 

istaniEsi, Skr. e. 8. v. reukwerk om te 
branden. Zie ook doepa 

istëri, Skr. gehuwde vrouw, gemalin, 
echtgenoote; èlèrisieri, gehuwd zijn, eene 
vrouw hebben; blèristerikattj tot vrouw 
hebben of nemen; mêmperistièrikan , 
een zoon doen trouwen, uithuwelijken. 

istiadat, Arab. v. adaty gewoonte, ge- 
bruiken, de étiquette. 

istibdhat, Arab. geoorloofd verklaring. 

isticlilëLf, Arab. tot zijn plaatsvervan- 
ger benoemen. 

istidjëlbah, Arab. verhooring van het 



istihdl, Arab. ophelderen, opklaren; 
opwellen van tranen. 

istiMdf, Arab. iemand den eed opleggen. 

istikabëll, Arab. oppositie der sterren. 

Istïtnal, Arab. gebruiken. 

i«tiziie\ya, zooVeel te meer, hoeveel te 
meer, zooveel te minder, hoeveel te 
minder, des te erger; soerat istimewa, 
een bgzondere brief; mëngisHmewakan, 
bijzonder doen uitkomen. 

ifttina, verb. van isHtsna, Arab. eer- 
biediging van iemands rechten; mêm- 
hhri istina blhasa^ iemand behandelen 
zooals het hem toekomt. 

istindjay Arab. reiniging v. d. billen 
na het doen van zijn gevoeg. 

istiniEsar, verb. van het Port. espin- 
garda, lontgeweer. 

istirëlbat, Arab. rusten, zijn gemak 
nemen; btristirdjtat, rustend, nonactief, 
ontheven v. e betrekking, emeritus. 

IfHtori, ook *^^m, historie, praatje, relletje. 

itaTn, zie hitam, 

itiohdm, indigestie, zie wackam, 

itik, eend ; iti^ ajar, i. laoet en i. hoeloe^ 
« bVibiSy soorten van kleine wilde 
eenden; iii^ soerati en Hik manilay 
de zoogenaamde bergeend, een groot 
soort van eenden. 

itib:dd, Arab. zich iets geoorloofd ach- 
ten; bMti^ddkan, zich iets voornemen, 
tot iets besluiten. 



itldk, Arab. het verstooten der vrouw, 

itoe, die, dat, de; itoepon, dikwerf als 
verkorting van dalam pada itoepon^ 
intusschen, dat zoo zijnde, daarop, zoo 
dan, en wel, zelfs, mits, edoch ; itoelah, 
dat is het, juist daarom; itoe djoega^ 
dezelfde, hetzelfde; Hoe apa lagi, zie 
^ lagii itoekan, wat dat betreft; sitoe, 
disitoe, en «wk. alleen itoe^ daar, ginds ; 
alsdan ; kasitoe^ daar^oeo^^iaa^a itoepon, 
en ondanks dat. 

itoenSf ook hitoeng ; nvéngHoengt reke- 
nen, berekenen, afrekenen, in aanmer- 
king nemen, achten; iioengan, bereke- 
ning, uitkomst eener berekening; als 
ware het; ïlmoe p^rhitoengan, reken- 
kunde, vdW. mij niet voorgekomen dan 
bij Europeanen. Zie kira. 

itsbat, Arab. vaststellen. 

itsnain, Arab. twee; jaumoe ^liisnain, 
de tweede dag, d. i. Maandag = hari 
s^nen. 

ittihad, Arab. eensgezind, eendrachtig 
zijn. 

ittisdf, Arab. beschrijving, afbeelding, 

ittisëll, Arab. verbonden zijn, samen- 
hangen; ittifdlkan, n ménjampaikan. 
Zie bij sampai, 

iwat, Jav. het schaken van een vrouw 
of meisje mengiwat-mêngintit, schaking 
en verberging van een meisje. Pal. Zie 
oentély Jav. 

izdlahy Arab. het doen ophouden, een 
einde aan iets maken. 

ïzzafai, Arab. grootheid, heerlijkheid; 
jang izzah. Hunne Hoogheden, van den 
Sulthan enz. ; mémbtri izzak dan ^ormat, 
groote eer bewijzen. 

J. 

ja, Arab. Tusschenw. voor den vocatief, 
o ! meestal gebruikt tot meerderen, b. v, 
ja Allah\ o. God! ja toewankoe, o, 
Uwe Majesteit. Zie Aai, 

jad, Arab. hand. 

idcyóödj, Arab. de Gog; jddjóédj wa 
mddjóédj^ de Gog en de Magog. 

Jahoedi, Arab. joodsch; orang jahoedi, 
jood. 

ji^i, Jav. jongere broeder of zuster. Al- 
leen in de HSS. 

Jakin, Arab. ernst, zeker, zekere kennis 
of overtuiging, in ernst opgenomen; 
UrlaXoe jalpin roepanja^ zij zette een 
zeer ernstig gezicht. Mes. Kag. mé' 



Jakobi — " kaboens* 



159 



• jdiftnkan, ern8t maken met iets, iets 
ernstig behandelen ; telapi padaja^inkoe 
ija-itoelah Jmir Arob, doch naar mijne 
vaste orertuiging is dat A. A. Kal. Dam. 

Jakobi, Arab. Jacobijn. 

Jë/kóét, Arab. hyacint, naam door de 
Arabieren aan verschillende edelge- 
steenten gegeven, zooals de robijn, de 
topaas enz. 

lamjaxn; j, bïndahari, titel van een 
vrouwelijke beambte aan het hof van 
Djohor. 

Jamtoewan, verk. van janp dipirtoe- 
wan zie bij toewan, 

Janff, I. Betr. Voornw. die, dat; ook: 
dezulke die, die welke, die waar of 
die alwaar ; jang ada^ die waar is, zich 
bevindt; ook in gebruik als Voegw. 
dat en soms voor het bep. Lidw. de, 
het, dit laatste vooral bij tegenstellin- 
gen. II. godheid; para jang, de ge- 
zamenlijke goden; jang koesoema, de 
god der liefde; volg. v.d.Tk. is jang- 
jang koesoema de naam v. Ratih, de 
gemalin van den god der Wti^Q-, jang 
maha koewasa^ de almachtige god, 
jang sadjati, de god der waarheid; 
s^mhahjang, bidden; juist dit woord is 
in gebruik voor het ritueel bidden, 
zie doa; kajangan, het Rijk der Jangs 
of goden. Sang jang, hetzelfde als jang, 
de god. 

Janiy Arab. = ija-itoe, dat wil zeggen, enz. 

jatim, Arab. wees, moederlooze wees. 
Zie pijatoe. 

Jautn, Arab. dag. 

Jauxnoe'ddin, Arab. gerichtsdag. 

^oö^Axiek, Skr. gezicht, als afstand, = 
plèmandangan en het Jav. pêndUeng, 
b. V. jodjana matanja tiada terféntang 
olih ségala ^aum kafir, voor het ge- 
zicht zijner oogen konden de ongeloo- 
vigen niet bestaan; sajodjana mata 
mémandang djaoehnja, een gezichtsaf- 
stand ver; padang saudjana (voor sa- 
jodjana), onafzienbare vlakte. Ook komt 
het voor als oedjana en saoedjana. 

joelio, e. s. v. harpoen, dl. Cr. 

jóéndn, Arab. Jonië, Jonisch, degrieken 
der oudheid. 

jóéndni, Grieksch, oud-Grieksch. 

loesir, schootnaam van een vlieger. 

Joeta, = djoeta, zie ald. 

joeja, Skr. gepast, geschikt; sajogjanja, 
naar behooren, het is geheel betamelijk, 
dat ... . 



ka, Voorz. naar, tot; ook Voorvoegsel, 
meestal in vereeniging met het achterv. 
an. Zie de Gramm. 

kaabah, Arab. de tempel of groote 
moskee te Mekka; kaabaioé*Uah, de 
tempel Gods. 

kaéldaaxi, zie ada. 

ka-ajaran, bewaterd; zie ajar» 

kaètinpoenan, zie ampoen. 

kabëlb, Arab. gehakt, frikkadel. 

kaba<^ikan, zie badji^. 

kabëija, Arab. e. s. v. lang, wijd kleed, 
morgen japon met lange mouwen. 

kabëtligran, van het Ar. bdligr, zie ald. 

kabar, zie chabar. 

kabat, binden, samenbinden = ikat; 
kabat pinggang, een doek, door den 
vrijen man om de lendenen gedragen. 
Pad. bov.1. = ikat-pinggang. 

kabêbansan, zie bïbang, 

kabëlakangan, zie b^lakang, 

kd,bil, Arab. Kaïn, de zoon van Adam, 

kabinasaan, zie binasa. 

kabir; mengabir, naar zich toe scheppen 
met een roeiriem of pagaai, b. v. iets 
drijvends, Mén. naar zich toehalen 
met één of de beide handen, b. v. geld, 
dat op een t^fel ligt enz. ook roeien 
zooals op een vlot. Zie tjawas en lesa, 

kabir, Arab. groot, machtig. 

kabit, vlugdief, oplichter, zakkenroller, 
van chablis . Arab. 

kaboe-kaboe, e. s. v. katoen, waarvan 
men bedden enz. maakt, = kapo^p; 
batang kaboe-kaboe, fig. voor kanonnen. 

kabóél, de hoofdstad van Afghanistan, 
hoofdstation voor de karavanen van 
Perzië naar Indië. 

kabóél, Arab. welgevallig, met wel- 
gevallen aannemen; aangenomen I het 
is goed 1 ; mëng^abóélkan, toestemmen, 
goedvinden, inwilligen. 

kaboeli, ook chaboeli, alleen in nasi 
kaboeli Kaboelsche rijst, naar de stad 
Kaboel, e. s. v. rijstgerecht waarin ge- 
vogelte, boter, eieren, specerijen enz. 

kaboens, I. witte hoofddoek, bij d. dood 
V. e. Vorst gedragen als teeken v. rouw; 
ook : een lengtemaat voor geweven stof- 
fen van \\ vadem; bïrkaboeng, rouw 
dragen, in de rouw zijn, rouwen; p'érka" 
boengan^ rouwbedrijf. II. e. 8. v. plant, 
Borassus flabelliformis «• ^naUt zie ald. 



166 



kaboepaten — - kaliin. 



kaboepaten, Jay. regentschap, wat 
onder het beheer van een regent staat. 

kaboer, niet goed ziend, van de oogen, 
dof, nevelachtig; niet duidelijk zicht- 
baar; kaboer mala, dofheid van het 
oog, vliesje voor het oog. 

kaboes, donker, b. v. van wolken, een 
berg in de verte; nevelachtig, ook van 
de oogen Sj. Ibr. b. Chas. Zie kaboet 
en kaboer. 

kaboet, nevel, dikke duisternis, donker- 
heid, mist, smoezelig wit of geel als 
kleur van honden; kelam kaboet^ nevel- 
donker; stsal kaboet ^ zwaar berouw; 
pikiran b'érkaboet, beneveld van ver- 
stand; haii berkaboet, treurig gestemd, 
triste. Zie ook kaboer en kaboes. 

kadal, Jav. de tuinhagedis. 

kadam, Arab. voet; ook gebruikt als 
titel, evenals padoeka^ inzonderheid 
jegens den rijksbestierder ; Tfadam moe- 
barak ^ de gezegende of vereerde voet, 
zoo noemt men een steen waarop, naar 
men zegt, Mohammads voet is afge- 
drukt. 

kadans, I. kadang-kadang en terkddang- 
kadang, en kadangkala^ soms, somtijds, 
somwijlen, van het grondw. adang, II. 
Jav. in kadang kadaijan^ lijflijke broe- 
ders, eigen broeders. 

kadet, op Java, een vlugdief, iem. die 
in het voorbijgaan wat wegkaapt, zak- 
kenroller. Zie chabiis. 

kadini, Arab. vroeger, voorafgaande, 
vorig, voormalig, oud; aanzienlijker, 
beter, voortreffelijker. 

kad£r, Arab. almachtig; aljpadir, de 
Almachtige. 

kad jan^, e. s. v. matten, vervaardigd 
van pandan doeri of bïngkoewang, 
l^ vadem lang en 1 vadem breed. Zij 
zijn in tweeën gevouwen en worden ge- 
bruikt tot bedekking van daken, wan- 
den, vaartuigen, kap of tent van kar 
of wagen enz. b. v, pedati btrkadjang 
b^tédoe, een wagen met een kap van 
fluweel; k» berapit, zie hij apit ; kadjang 
rangkap, schuin toeloopend scherm over 
het lijk in een graf kuil, vdW.; k, 
roengkoept zonnetent op een vaartuig, 
mits zij naar boven schuin toeloopt; 
k, samir, zie samir\ ^arfds sakadjang, 
een vel papier van 4 pag. aldus genoemd, 
omdat het als die matten in tweeën 
gevouwen is; plèkadjaugan, kajuit, « 
koeroeng^ zie ald. 



kaicyi, gew. vorfia van adjiy in bijzon- 
derheden nagaan en leeren, bediscus- 
sieeren. 

kadlël, Arab. uitspraak, vonnis ; ^adla 
i(iadjat, zijn gevoeg doen. 

kddli, Arab. rechter. 

kadixn. Ar. oud, van oude tijden, zonder 
begin, eeuwig; alinadimy de Eeuwige 
(die geen begin heeft). 

kadoek, e.s.v. sixih; pa' kadoe^, eigenn. 
van iemand, die door zijn lachwekken- 
den tegenspoed tot spreekwoord gewor- 
den is, ook lèbai malang genoemd. Zie 
bilalang. 

kadoet, e. s. v. grof matwerk, voor zei- 
len en zakken, = ka^in karoeng, 

kadzab, Arab. leugen. 

kaëdanan, gek geworden; zie edan, 

kaëmasan, zie emas, 

kaësoekan, den volgenden dag. 

kdf, Arab. boekit jjidf^ een gebergte, dat, 
naar men meent, de aarde omringt 
en bewoond is door bovennatuurlijke 
wezens. 

kafd, Arab. kaf>^ voldoende zijn. 

kafal, Arab. schabrak, dekkleed op een 
rijdier. 

kafan, Arab. lijkkleed. NB. Soms wordt 
het ook voor kleed of doek in het 
algemeen gebruikt, b. v. kafan tetap 
toeboehy droogdoek voor badenden. H. 
Boedj ; mêngafaniy van een doodkleed 
voorzien, daarin wikkelen; mengafan" 
kan, tot doodkleed bezigen. 

kafarat. Ar. zie kaparat, 

këlfi, Arab. algenoegzaam, voldoende, 
aan het doel beantwoordend. 

kdl\jah, Arab. rijm, versmaat. 

kdfily Arab. zorgend, onderhoudend, al- 
tijd vastend ; zaakwaarnemer, borg, ook 
zich bemoeien met. 

këlfllah, Arab. karavaan. 

kdfir, Arab. ongeloovige, kaffer. 

kafsigar, Perz. schoenmaker. 

kasety Jav. schrikken; mêngagetkan, 
doen schrikken, aan het schrikken ma- 
ken. Zie kedjoet, 

kah, I. aanhechtsel om een zin vragend 
te stellen. II. geluid van een schate- 
renden lach. Zie dtkah. 

kabar, Ned. kar. 

kabdr, zie gahara. 

kabëndak, wensch, verlangen. Zie 
Kénda^, 

kdbin, Arab. heidensch priester, toove- 
naar, wichelaar, waarzegger. 



kckhf — ks^oè. 



161 



kabf, Arab. grot, spelonk; aUoeHkahf, 
de lieden van de spelonk, volg. de Koran 
de 7 slapers, die 309 jaren geslapen 
hebben. 

kahwah, Arab. koffie. 

kaïdah, Arab. regel, aanwijzing. 

kaifa, Arab. hoe. 

kaiiijaty Arab. hoedanigheid. 

kaïly hengeltuig; nmta kdil, vischhoek; 
tali kaïl, hengelanoer, vischlijn; :ljoe- 
ran kail, hengelstok; kaïl hamboer, 
vischhaak met een klein zinklood om 
uit te werpen ; k. è^rladoengi, met een 
groot zinklood, om te laten zakken; 
i. ioenda, sleephaak, zie bij toenda; 
méngdil, met den hengel visschen; 
péngdil, hengelaar; sampan ptngdüy 
nengelaarsbootje; p^rahoe péngdil,v&&T' 
tuig in den vorm van zulk een bootje, 
maar dat soms 18 ko^an kan laden. 

kaïn» doek, geweven stof, inzonderheid 
van katoen, e. s. v. rok, kleedingstuk 
tot bedekking van het lichaam van de 
middel tot de voeten; kdin badjoe, on- 
der- en bovenkleed, d. i. iemands klee- 
ding; kdin kotor, de menstruatie; kdin 
êokajoe, een stuk goed, namelijk naar het 
plankje, waarom het gewikkeld is ; kdin 
sahUaif een afgepast stuk goed, een 
baan, een kleed; kdin kembang, een 
met plooien uitstaande kdin, zooals de 
Maleiers dien dragen; k, lêpas, zulk 
een kleedje zonder naad; k. njioer, en 
k. pokoie, de vezelachtige stof tusschen 
de bladeren en den stam der kokos- 
palmen; k. belakang parang^ zulk een 
kleedje geweven met zijden schering 
en katoenen inslag; k. djoeng sarat^ 
een zijden kleedje, welks bloemen een 
ketting vormen; k. badjoe kotot\ vuil 
waschgoed; k. baiiie, op Javaansche 
wijze beschilderd kleedje; k, doekoeng, 
een vierkante doek zonder franje, soms 
van gele zijde, nml. aan het hof van 
den Sulthan, die over den linker schou- 
der gedragen wordt door vrouwen. Is 
zij met figuren bestikt, zooals aan het 
hof van den onderkoning, dan heet zij 
k. doekoeng tjindaij S.; k. sampaiy een 

. doek, die door vrouwen om den hals 
en over de beide schouders gedragen 

. wordt. Zij is met goud omzoomd, of 
geel, óf bestikt. S.; k, bUat, zwachtel, 
verbandlinnen ; k, bandera, vlaggedoek; 

. k, ménggala, een met gouddraad door- 

' werkte kaïn van 9 hatta lengte; h 



pandjang, een lang kleedje; k, seroeng, 
een bijzondere wijze van de kaïn om 
te slaan, zoodat de eene slip wat 
langer hangt dan de andere; kdin u?ali, 
zie wali II; k. tatap ioeboehy droog- 
doek, handdoek; bh-kdin didjalan, op 
straat zijn kleed aantrekken; berkdin 
doeway verbloemde uitdrukking voor 
huwbaar zijn. Pad. bov.1.; kdin-kdiuan, 
lapjes, vodjes; kaïn-kdinan toewa of 
k. k. boeroejpt lompen. Voor de ver- 
schillende soorten van stof, zie op de 
woorden die als bepalingen op kdin 
volgen. 

kaïs; mengatSy krabben met de klauwen 
in den groud, zooala kippen, bijeen- 
schrapen, zich nooddruftig behelpen. 

kaïty haak, ook haak aan een steel; 
terkdit, vastgehaakt; b'érkdit soeatoe 
dtngan soeatoe, het een gehaakt aan 
het ander, aan elkander hakend; we- 
ngdity aan elkander haken, afhaken, b. v. 
bloemen of vruchten door middel van 
een stok met een haak er aan; ente- 
ren, aanklampen; daoen kdit-kdit, bla- 
deren met haakdoomen zooals onze 
klissen ; tjampaf: kdit, klamp aan 1 
kdit blêrangkaiy dubbele haak in den 
vorm eener S ; kaïi pïringgi, e. s. v. 
zoom bij het naaien. 

kaja, I. Jav. als, zooals. II. rijk; ora»^ 
kafa, een rijke, ook de titel van een 
staatsambtenaar; kaja hati, tevreden- 
heid des gemoeds; kakajadn, rijkdom; 
kakajaan Allah, de wonderwerken Gods ; 
maha radja kaja, zie radja; mengaja- 
kan, verrijken rijkmaken. 

ki^ansan, Jav. goden verblijf, de ver- 
blijfplaats of hemel van de jang, 

kajap, e. s. v. gevaarlijken uitslag; 
soorten zijn: k, toenggal, k, api, k. 
ajar, k. gadjah en k. badak; vdW. 
Volgens mij: zuchtige zwelling der 
ledematen; k. toenggal, der voeten; k, 
barak, van de borst ; k, bUoel, van het 
hoofd; k. bakoen, van de dijen. 

k%|ar, de narcotische lucht van tabak, 
doornappel enz. 

kajau, I. mhtgajau, in het water ste- 
ken naar iets, dat men niet zien kan. 
II. mèngajau, koppensnellen. 

ki^oe, hout, stuk hout, paal, balk, bint, 
dikwerf ook •■ pahon kajoe, boom ; ge- 
heel stuk van manufaoturen, naar het 
plankje, waarop het goed gewikkeld 
is; boewak kajoe, boomvruoht; kajoe 

U 



162 



kfi^oèh — > kaldm* 



boentingy een stok met abnormale zwel- 
ling of dikte ; kajoe pandjang, de ver- 
tikale dakbalken, waartegen de katau 
worden vastgemaakt; kajoe api, brand- 
hout; k. pétana^f brandhout voor de 
keuken, eigenl. hout om rijst te koken; 
kay'oe maniSj zoethout; k. m. sailan, 
kaneel; k, palat^ zeker strafwerktuig, 
zie palat; k, tahif stinkhout; kajoe- 
kajoetaan, ook kajoe-kajan^ geboomte. 
k^oeb, pagaai, schepriem, ook penga- 
joeh\ m%ngajoehi pagaaien, met een 
schepriem roeien; vtimgajoehkan^ een 
vaartuig aldus roeien; perkajoehafii 
roeischait, pagaaiboot. 
kajöéin» Arab. eeuwig. 
l^^jroe'Wëln, Arab. Tripoli. 
k%j^wé.xi, Arab. de planeet Saturuus. 
kak» verk. van kakaipy zie ald. 
kakahy zie ktkah» 

kaka%:, I. oudere broeder of zuster, 
ook als aanspraakswoord gebezigd voor 
ouderen in leeftijd; kakanda en kanda^ 
hetzelfde, maar van vorstelijke perso- 
nen, en in hoffelijken stijl ook van 
gewone lieden. II. mèngaka^^ kakelen 
van kippen. 
kakanda, zie kaka^p I. 
kakap, I. e. s. v. oorlogsvaartuig, ook 
kakap naga genoemd. II. ikan kakap^ 
e. 8. V. smakelijken zeeviseh. III. mt- 
ngakap, verspieden, op kondschap uit- 
gaan; p'èngUma kakap^ hoofd van de 
verspieders. Sw. 
kakar ; tnéngakafy dun uitspreiden. Pad. 

bov.1. Zie k^kar, 
kakas, I. stijf, hard; mtngakas, streng 
behandelen, dwingen. Komt o. a. voor 
in den 6en brief van Dul. II. s= pïrka- 
katy zie ald. 
kakatoewa» de witte kuifpapegaai, 

kaketoe; op Java ook: nijptang. 
kaki, voet, poot, been» voetstuk, ook 
voet als maat; kaki langit, horizon; 
kaki dijan, kandelaar; boeroeng kaki 
dijatii e. 8. V. steltlooper of moeras vogel, 
zooals onze kiviet, die tegen den re- 
gentijd bij zwermen vliegt en gegeten 
wordt; k. iabir^ de onderste rand van 
een gordijn; k. ramboeé, de uiteinden 
der haren, die op de schouders han- 
gen; k, bdtilf platte metalen schotel 
tnet een ronden, hoogen voet; k, awan, 
de voet der wolken; k, ttmberangy 
mar. rust; kaki têmboif, fondament, 
grondslag, ook v. e. geschrift; bïrdiri 



dengan sahelah kaki, op het ééne been 
staan; b. k, toenggal^ op één been 
staan; b, dengan kaempat kakinja, op 
handen en voeten staan ; berdjalan kaki, 
te voet gaan ; Mngan telandjang kaki, 
barrevoets; mata kaki^ de enkel; awan 
b'érkaki njamolp^ wolken wier voet in 
dunne streepjes uitloopt en die een tee- 
ken zijn van het krachtig doorkomen 
van een moussonwind; boenga sakaki^ 
één enkele bloem. 

kakoe, hard, stijf, taai, onbuigzaam, 
ook van het gemoed. 

kakolonis, e. s. v. koperen ringen aan 
de uiteinden van de ikat-pinggang der 
Mal. vrouwen. Pad. bov.1. 

kakoroh, e. s. v. vlieg Maxw. 

kal, I. ook tkal en ling^ zekere rijst- 
maat van een halve ijoepa^ of twee 
tjato^. II. kal-kalt naam, dien men 
geeft aan de afstammelingen van een 
bant ara kanan. 

kala, Skr. tijd; ada kalanja, somtijds; 
tiada blèrkala, zonder vasten tijd, d. i. 
steeds, voortdurend; barang kala, de 
een of andere tijd; apakala, manakala, 
wanneer; tatkala, zie ald.; sadiakala, 
zie aadia-j sëdekala, zie ald, IL schor- 
pioen; k, djengking, een minder ge- 
vaarlijke soort; kala-kala, krans van 
gevlochten rotan of stuk hout, dat 
men achter een scheepsbootje laat aan- 
^eepen om het recht te houden. 

kalab, Arab. kalb^ hond ; alkalab, Sirius. 

kala^enjskins, schorpioen, zie kala. 

kalah, onderdoen, verliezen, het verloren 
hebben, overwonnen zijn. Zie alak. 

kalahi, Skr. twist; berkalahi, vechten, 
plukharen. 

kaldïb, Arab. meerv. van iealb, 

kalak, zie songsong, 

kalakatau, de vliegende witte mier. 
Zie bij kala. 

kalakautsar, Arab. de naam eener 
rivier in het Paradijs. 

kalakian, (samengesteld uit kala, tijd 
en kian, dusdanig), voorts, wijders, 
vervolgens. Het wordt meestal gevolgd 
door maka, 

kalalawar, e. B. v. kleine vledermuis. 
Ook kïlatoar; zie bij kala, 

kalam, Arab. pen, rieten schrijfpen; ^. 
rësam, de Maleische pen, zie rësam; 
iealam tjina, penseel; ^. baioe, griffel. 

kalam, vuil van goud, bij het smelten. 

kaldm, Arab. woord, rede, gesprek; 



kalamalai* — • kalis. 



163 



haldm Oellah, het woord Gods, de Ko- 
ran; ïlmoe kaldm, bovennataurkunde, 
scholastische lilosophie; tamatoe ^Ika- 
Uniy einde van het woord of der rede, 
gewone uitdrukking aan het slot van 
een brief; akan djadi ganti bersamboe- 
tan kaldm, ter vervanging van een 
mondgesprek. 

kalaniEvJax*, e. s. v. onschadelijke dui- 
zendpoot, die, als hij gewreven wordt, 
phosforisch licht van zich geeft. 

kalamari, en kalamaren, gisteren; k. 
dthoeloe, eergisteren. Dikwerf wordt 
kalamari gebruikt voor eergisteren en 
samalam voor gisteren, zoowel op Riouw 
als op Sumatra. 

kalamddn, Perz. pennekoker, e. s. v. 
kistje met los deksel. Ook wel verb. 
tot kalaniindan, 

kalaxnëndan, e. s. v. schrijf kistje, cas- 
sette. 

kalandar, e. s. v. Perzische monniken. 

kalandëra, strop, waarmede de ra 
tegen den mast wordt gehouden, rak; 
k. djantan, rak met een eind rakke- 
tali; k, pèrempoewany rak, waaraan het 
einde van het val tot rakketali dient. 

kalang, steunpunt, zwaartepunt van een 
last ; kcUang boelat, rol, onder een vaar- 
tuig, om het op de helling te halen; 
méngalang, op stutten zetten, een vaar- 
tuig op de helling zetten; kalangan, 
scheepshelling, dok. Zie galang N. B. 
Of galang de voorkeur heeft, is twijfel- 
achtig, daar kalang in de meeste zuiver 
Mal. HSS. voorkomt. Mën. id. Het 
grondw. zal wel alang zijn, zooals 
blijkt uit de volgende voorbeelden: 
maka ana^ pan ah itoepon t^r kalang 
pada pipinja, die pijl nu zat dwars 
door zijn wangen, R. Ch. soeatoe toe- 
lang Urkalang pada lehernja, een been 
stak dwars in zijn keel. S. Dz. 

kalanskara, taii pengoeroet lajar boe- 
boetan t Abd. Sch. wrdb. 

kalas, mar. roeistrop; mléngalas, in een 
roeistrop doen, van de riemen ; terkalas, 
in de roeistroppen gelegd. 

kalasi, Perz. matroos, zie laskar. 

kalat, e. s. v. zeevisch. 

kalan» verkorting van djikalau^ indien; 
of; dat niet soms; kaluu-kalau, zoo 
maar niet, misschien, zoo soms, het 
zou kunnen zijn, indien bijgeval; kalau- 
kan, samentrekking van kalau met 
akan» 



kalb, Arab. in het Mal. meest ^alboe, 
hart. 

kalboe, zie ^alb\ laoet kalboe, de Per- 
zische golf. R. Chaib. 

kaldai, ezel. Jav. koelde, Tam. kaloedai, 

kaldoe. Port. vleeschnat, ju, bouillon. 

kaleng, I. blik, het materiaal. II. in 
de samenstelling kolang-kaling, zie 
kolang.' 

kalëngër, Jav. zie Ungar, 

kali, I. Jav. rivier. II. maal, keer; sa- 
kali, eenmaal, eens, de eerste keer, 
meteen, ten eenenmale, geheel, volko- 
men, zeer, tot vorming van den over- 
treffenden trap; ka/pala sakali, prima 
kwaliteit, eerste soort, voornaamste 
hoofd; kahoeloe sakali, tot de verste 
bovenlanden; sakali-kali, volstrekt; 
sakali-kali tida^, volstrekt niet; sakali 
goes, allen te zamen, gezamenlijk, in- 
eens, op eenmaal; samoewa sakali, 
alles ineens; sakali ld' sakali, den een 
of anderen keer; sakali ia\ sakali tja, 
den eenen keer niet, den anderen keer 
wel ; djikalau .... sakalipon, al ware 
het ook dat, indien zelfs; doewa kali, 
tweemaal, twee keer; dtngan sakali 
doewa, zoo maar een, twee, drie; 
diboenoeh sakali, meteen gedood ; sakali- 
kali, ten eenenmale, ten strengste; 
barangkali, mogelijk, misschien, wel- 
licht ; sakalian, alle, gezamenlijk ; segala 
manteri sakalian, de gezamenlijke mi- 
nisters. Zie ook kala. 

kalihy Jav. twee; b'érkalih iidoer, in 
zijn tweede slaapje zijn, d. i. in den 
nanacht. Mal. 

kalikan4ji» ook kalakandji, e. s. v. gras, 
met scherpe punten. Sum. 

kaliznantan, ook kimantan, de naam 
van Zuid-Borneo, meestal poelau k. 

kalixnantang:. Pad. bov.1. een lange, 
witte wimpel; méngalimantang, een 
lange, gekronkelde, witte of lichtgele 
streep vertoonen, zooals bij het dooden 
van een kalamaj ar-^uizeud^oot, ook de 
phosforische glans van paddestoelen, 
glimhout enz. 

kalimat, Arab. woord, gezegde, spreuk • 
kalimat assja^adat, het woord der ge- 
tuigenis, d. i. de Moh. belijdenis: Er 
is slechts één God enz. 

kalis, 1. dof, ontbloot van glans; van 
metaal of glas: met een laag over- 
dekt, zoodat het daardoor dof is, ook 
van bladeren, die daardoor geen vocht 



164 



kalkalah «^ IsdmóéiÉ. 



in zich kunnen opnemen en %. van 
personen: onontvankelijk voor onder- 
richt of vermaning, in het Jav. ook 
nog ongevoelig, onvatbaar voor aan- 

. doening of leed of voor de werking 
van geneesmiddel of vergif, niet licht 
aangetast worden door ziekte, geen 
vocht aannemen enz. II. mèngaliSi af- 
schillen van sommige vruchten, zooals 
komkommers, wortelen en dergelijke. 

kallfalali» Arab. klank van de uit- 
spraak, een bijzonder klinkend geluid 
bij het uitspreken. 

kalo^a; boenoei k,^ e. s. v. waringin- 
boom. 

kaloeky bocht, gekromd, schroefvormig, 
gebogen lijn, krul in arabesken of snij- 
werk, schetslijnen van eene teekening, 
schets; kaloei pakoe^ spiraalkrul als 
van een varenveer, b, v. aan een leu- 
ning. Loopen er twee zulke krullen in 
tegenovergestelde richting, dan heet de 
eene kaloejp en de andere keloe^p. 

kaloens» halsband, collier, halsketen; 
ook naam van e. s. v. betel en van e. s. v. 
koeboeng of vliegende kat, zie keloe- 
wang; mëngaloengkan, iem. een hals- 
keten omdoen. Zie ook kïloeng en g^- 
loeng. 

kaloes; ikan k., de naam van de goe- 
ramt in de Pad. bov.l. 

kaloet, onverstaanbare klanken niten, 
van de tong van een stervende. 

kaloewar, zie loewar. 

kaloeiTiri, e. s. v. zoetwatervisch. 

]saixia4JcÜA* zie k^méndjaja. 

kamar, Ned. kamer; kamar bola, socië- 
teit met biljard; kamar loteng, boven- 
kamer. Zie bilik. 

kamar, Ferz. gordel, sjerp. 

kamar,^ Arab. de maan ; ook een maan- 
vormig sieraad. 

Ijcamardainy e. s. v, tapijt? 

kaznari, zie man. 

j^znarijaty Arab. tahoen kamarijai, 
maanjaar. 

kanibaii; mïngamban, vastsjorren. Zie 
amban en ambin, 

kambanfi:» zich uitspreiden, zooals een 
roofvogel, die in de lucht kringen 
trekt; opgekomen van zon en maan; 
vlot raken van iets dat aan den grond 
zit; op het water drijvend; k, noeri, 
zekere vorm van vaartuigen; balai 
kambang en pékambangant een op het 
water dravend of op een vlot staand 



badhuisje; maka kadoewanja pon nieng" 
ambang ka-oedara^ en beiden stegen 
zwevend de lucht in. Pr. Dj. 

kaxnbaii, e. s. v. schildpad, die zeer 
groote eieren legt. 

kaxnben, Mid. Sum. een doek van 
rood of zwart katoen, korter dan de 
kdin, door vrouwen daarover gedragen 
en reikende tot de knieën. Ook landjen, 

kaxnbi, e. s. v. gezaagd hout van be- 
paalde afmeting, ribben, dikker dan 
de btrotii raamwerk voor deuren en 
vensters; k. kota, omlijsting van een 
fort, de muren, b. v. pada sama Ungah 
kambi kota itoe ada saboetoah g^doeng^ 
midden in de omlijsting van het fort 
was een steenen gebouw, R. Chaib. 

kambine;, geit, schaap; k. wolanda, k. 
domba, en k. biri-biri^ schaap ; k. djatoa^ 
geit; k. randoi; en k. goeron^ zie bij 
die woorden en ook domba; bagai kam- 
bing dihalau ka-ajaVy als een geit, die 
naar het water gejaagd wordt, Spr, 
voor ons: met tegenzin, met loome 
schreden. 

kambocya, Skr. een boom, die bloeit 
met witte welriekende bloemen als al 
zijne bladen zijn afgevallen en daarom 
als zinnebeeld op de graven wordt ge- 
plant. Ook sèmbodja en tjiimpaka moelija 
genoemd. 

kaznboe, instorten van zieken, d. 6. 

kamboes, e. s. v. zessnarige luit. 

kaznboet, e. s v. draagmand, waarin 
men de rijst van het veld naar huis 
draagt. Pad. bov.l. 

kaxne4ja. Port. camisa, hemd; k.panas, 
flanellen of wollen hemd; k, dalam, 
onderhemd. 

kamii^, Arab. hemd, nachthemd. 

kami, pers. Voorn w. Ie pers. meerv, 
wij, waarbij de aangesprokene is uit- 
gesloten. Soms ook gebruikt voor het 
enkelv. ik. 

kdmil, Arab. volmaakt; kdmil-moekdmil, 
geheel volmaakt, uitmuntend. 

katnity zie komat. 

kaxnoe, pers. Voornw. 2e pers. meerv. 
gij, gijlieden, ook als bezitt. Voornw. 
2e pers. gebezigd. Wordt in dit laatste 
geval meest verkort tot moe) kamoe 
orang, gijlieden. 

katnoes, Jav. gelooid van een huid =■ 
êama^, 

kdmoes» Arab. kitdb ieamoet, . woor- 
denboek. 



kampa — kan^i* 



165 



kampa» e. s. y. boom met slecht hout. 

kampah, e. s. v. boom, die hout levert 
voor balken, geschikt voor huis- en 
waterbouw. 

kaxnpil, zak, die, met het een of an- 
der gevuld, vervolgens wordt dicht ge- 
naaid. Zie ook kampit en soempit, ook 
ampil en Mën. wrbk. 

kampilan» e. s. v. breed zwaard of 
klewang, in gebruik bij de zeeroovers, 
vdW. Zie ampilan. 

kampit, zakje van matwerk, met het 
een of ander gevuld en dan dichtge- 
naaid; mênffampit, iets als een kampit 
dichtnaaien, er een kampit van maken, 
b. V. kussens, sagozakken enz. Zie ook 
kampily k^mbal en soempit, 

kampoong, verzameld; wijk, buurt, 
kamp, omheind erf; kampoeng orang^ 
bewoonde buurt; orang kampoeng, iem. 
uit de buurt der inlanders, kampong- 
bewoner ; roemah kampoengnja, zijn huis 
en erf; kampoeng halaman, erf en voor- 
plein; sakampoeng, van dezelfde buurt; 
orang sakampoeng, buur; Uér kampoeng, 
verzameld zijn, bijeenzijn, zich verzame- 
len; mengampoengkan, verzamelen, bij- 
eenbrengen; kampoengan, verzameling, 
verzamelplaats, ook perkampoengan. 

kampob., I. verband van twee platte 
voorwerpen, dat door toevouwing ont- 
staat, zooals toegevouwen bordpapier, 
de rug van een portefeuille, de naad 
van een kleed. Wordt ook gebruikt 
als hulp^Telw. bij het tellen van Ulor 
têroeboejp. Pisau berkampoh^ een mes, 
waarvan de punt aan beide kanten 
scherp is. II. Sum. W.Kust, alles waar- 
mede men zich dekt, sprei, huif, sjaal 
die over het hoofd gedragen wordt? 
Zie Mën. wrbk. 

kampret, e. s. v. groote vledermuis. 

kan, planken ter versiering aan grootere 
vaartuigen, die aan weerszijde van den 
achtersteven uitsteken. 

kana, I. en kangkana, Skr. een dikke, 
gouden, met bloemwerk versierde bra- 
celet, zie bij gUang-, II. verkorting 
van wikana, onbekend; boeia kana, 
e. s. V. reus ; zie ook koena, 

kanak-kanak, kindeke, klein kind, ter 
onderscheiding van boedaJe, opgescho- 
ten knaap of meisje. 

kanan, rechts, rechter; saèïlah kanan, 
rechterkant; tangan kanan, rechter- 
hand; ménganankan, rechts laten lig- 



gen, van een plaats, onder het zeilen. 

kanda, verkorting van kakanda, zie 
kakajp. 

kan daan, Jav.? b. v. g^èbar kandaan 
dart Bjawa, Ibr. b. Ch. 

kandah, Jav. nederig ; kandahan, dienst- 
baarheid, ondergeschiktheid ; dalam 
kandahan, in dienst zijn van. Pel. Dj. 

kandai. Pad. bov.1. Mën. wimpel, vlag, 
afhangend versiersel, versiersel in 't 
alg.j méngandai, versieren, optuigen. 

kandane, omsluiting van een ruimte, 
hok, stal, kraal, parenthese, kader om 
drukwerk, getrokken rand om schrift, 
kring om de maan; groote tujn of 
hof, begraafplaats, kerkhof; Tnêngan- 
dang, een ruimte door lijst, rand of 
kring insluiten, iets om iets heen leg- 
gen, om te passen of het er in sluit 
of niet; mengandangkan, in een hok, 
stal, kraal, lijst of rand doen. 

kandara, rijden op iets; méugandardi, 
berijden, zoowel dieren als wagens; 
kandaraan, dat waarop of waarin men 
rijdt; binatang kandaraan, rijbeest; ber- 
kandaradn, rijdende op iets zijn; orang 
blèr kandaraan, ruiter; tantara bërkan- 
daraan, ruiterij, cavallerie. 

kandaü, op iets als onderlaag liggen; 
aan den grond geraakt van een vaar- 
tuig, = kandes Jav. 

kandës, Jav. s kandas. 

kandi, e. s. v. gevlochten zak, meestal 
gebruikt als geldzak, voor groote hoe- 
veelheden geld, zooals op kantoren en 
in winkels. 

l^andil, Arab. lantaarn, lamp, lampion, 
toorts. 4 

kandis, e. s. v. wilden manggabooi|[i, die 
zeer zure vruchten draagt. 

kan dj a, = kandjar, zie ald. 

kandjans; blrkandjang, volharden, 
blijvend zijn; uithouden; djang^nkan 
tja kandjang, b^èrpMoeh pon tja iiada, 
laat staan dat hij het zou uithouden, 
hij zweette zelfs niet; itoelah bürkan" 
djang tértakoe, dat blijft mij over; 
plèrkandjangan, volharding. 

kandjar, Perz. chandjar, dolk; ^gf- 
kandjar, huppelen, dansen, trappelen, 
inz. met getrokken en in de hoogte 
gestoken kris, doch ook zonder dat, 
huppelen, springen van pleizier, b. v. 
van een kind uit vreugde over een hem 
geschonken vogel. Mes. Kag. Mën. id. 

kan41i» dik afkooksel van graan, b. v. 



166 



kandoel — hanfjing. 



. jijat, gort, enz. dunne stijfsel, €, s. v. 
dikke rijstsoep; mangkoJe kandjiy por- 
celeinen kom voor vier personen om 
daaruit dié soep te gebruiken. 

kandoel; mengandoely in bochten op- 
binden, opschorten, zooals b. v. de ket- 
ting van een werpnet, om er de vischjes 
eu garnalen beter in te houden. 

Ixandoeng:, zak, baarmoeder, vlies, doek 
enz. al wat op die wijze iets in zich 
besluit; méngandoeng^ op die wijze in 
zich bevatten of besluiten; ook van de 
schoot der aarde; awan méngandoeng 
ojaty wolken, zwanger van regen; 
rnengandoeng ana^^ zwanger zijn; méng- 
andoeng èlèrat, of m. sar at, hoog zwan- 
ger zijn; rnengandoeng soerat, een brief 
bij zich steken, N. M. ; diferkandoeng 
hoemi, door de aarde in haren schoot 
genomen, I. P. ; helom tanah Madja- 
pahit rnengandoeng si Toewah ini, dit 
land van M.P. besluit si T. noch niet 
in zijn schoot ; boelan dikandoeng tedja, 
de maan in lichte cumulus wolken ge- 
huld ; sakandoeng, eigen, bij namen van 
bloed verwandtschap, b. v. saoedara sa- 
handoeng^ eigen broer of zuster; kan- 
doengan, zwangerschap, ook het kind, 
waarvan de vrouw zwanger gaat, dracht. 

kandoeri, I. (Perz lange tafel; tafel- 
kleed) jaarlijksch lijkfeest, waarbijvoor 
de overledenen gebeden wordt; op N. 
Sumatra ook verzoeningsfeest ; verder 
nog feest in het algemeen. Mën. ook 
een feestmaal een paar dagen na het 
sluiten van een huwelijk; mlèmbaija 
kandoeri nabi Moehammad, voor de 
zaligheid van Moehammad bidden 

II. k, baiang, e. s. v. boom die de 
roode pitjes, saga pokon, voortbrengt. 
Zie klèndièri. 

Jxandoeroe^van, Jav. benaming van 
een rang of betrekking in den ouden 
tijd, zie Jav. "Wrdb. Het komt voor in 
de Pr. Dj. 

kandoet, Jav. in den schoot verborgen 
hebben. 

kang, I. groote waterbak; kang mandi, 
badkuip. II. = kVcang^ bit, van een 
paard; tali kang, toom, teugel, leisel, 

III. Jav. verk. van kakang^ oudere 
broeder. 

kanffka, zie pangkalan. 

kanekans, wijd openstaan, van een 
deur, de beenen enz. wijdbeens; mlèng- 
angkang, wijdbeens loopen; schrijdelings 



zitten ; kangkang koja^j zoo wijdbeens, 
dat de saroeng ervan scheurt; kUang- 
kang, de plaats tusscjien de beide 
dijen, ditjelah kelangkang, tusschen de 
beenen. S. Dz.; rantai kangkang j voet- 
boeien. Sw. 

kangkoeng, e. s. v. kikker, naar zijn 
roep zoo genoemd; sajoer kangkoeng, 
kikkergroente, e. s.v. kruipplant, die 
als groente gegeten wordt; blèlah kang- 
koeng, een bijzondere wijze van twee 
stukken goed aan elkander te naaien. 

kantens, Ned. kantine. 

kani, zie bij madja. 

kdnóén, Arab. regel; Jioekoem Jednoen, 
wettelijke bepalingen. 

kantan, e. s. v. geurige struik, die in 
de keuken gebruikt wordt, vdW. 

kantang, droog bij afloopend water, van 
een riviermonding, een straat of vaar- 
water; selat kantang, ondiepe straat. 

katitja, of koentjay verzameling, greep, 
zooveel als men met beide handen of 
armen omvatten kan. R. P. Dnl. p. 58 
en 81. Zie koentjah. 

kauyana, Skr. goud; boemi kanijana^ 
goudland, bijnaam van Zuid-Borneo; 
ana^-anakan kantjana, gouden poppen, 
Mes. Kag. en Pr. Dj.; poespa kantjana, 
zie poespa-, nawing kantjana, zie nawa» 

kantjap. Bat. vol van een glas, rivier 
enz. zie atjap. 

kantjil, Jav. dwerghert, = pelandoe};. 
Is in het Mal. ook in gebruik tot aan- 
duiding van een der soorten. 

kan tj ing;, knoop, grendel, klink van 
een deur; kanijing boewah roe, over- 
sponnen knoop ; kantjing alas, e. s. v. 
belasting, die betaald wordt door hem, 
die zich een tijdlang bij een ander 
komt neerzetten, om door uitoefening 
van hetzelfde bedrijf den kost te ver- 
dienen. De gouden of zilveren knoopen 
hebben verschillende vormen, als: kan- 
ijing meraljc mengigal, in den vorm van 
een pronkenden pauw; k, sangka ratna, 
in den vorm van geslepen juweelen; 
k, sahari boelan, in den vorm van de 
maan als zij één dag oud is; k. méra^ 
metajang, in den vorm van een zwe- 
venden pauw; k. koepoe-koepoe, in den 
vorm van kapelletjes. Deze worden aan 
den hals van het baadje gedragen en 
ook boetang of koersang genoemd, zie 
ald. ; b^rkanijing gigi, klem in d. mond; 
mëngantjing, dicht knoopen, grendelen, 



kantjoens "-' kapau. 



167 



op de klink zetten; pingantjing^ gren- 
del, klink van een deur. 

kanyoeng» een stak bamboe van twee 
geledingen, gebr. ora water enz. in te 
dragen, 

kan tj oer, = tjakra^ Abd. Schets wrdb. 

kantjoet, oud versleten kleedje qï kdin^ 
waarmede men zich nauwelijks kan 
dekken. 

kanto. Fort. gezang. 

kantoek, = antoe^, koikkebollen. 

kantong, zak, beurs. Zie kandoeng. 

kantor, kantoor; kantor lelang^ vendu- 
huis; kantor pos, postkantoor; kantor 
oeioang, 'sLands kas, ook wel de Ja- 
vaansche Bank. 

kaoel, Arab. woord, plechtig woord, 
gelofte, overeenkomst; öerf^aoel, een 
gelofte doen, zijn woord geven; m'ëm- 
bajar Ikaoel, zijn gelofte vervullen; 
nténg^aoelkan, voor of ten behoeve van 
iemand, eene gelofte doen. 

kaoexn, Arab. volk, familie, aanver- 
want; ^aoem koelawarga, verwanten, 
familie. 

kaoene, e. s. v. riviervisch. 

kaoep, =^ kaoet, zie ald. 

kaoes, van het Arab. kautSy schoen, 
Zie ald. 

kaoet; mengaoet, met de hand of den 
arm bijeenschrapen, b. v. geld. Ook 
kaoep en raoep, zie ald. 

kap, I. een touw vastmaken, beleggen. II. 
Ned. kap, b. v. kap kareta, rijtuigkap, 

kapa, I. kapa-kapa, tijdelijk schutsel, 
b. V. van nipah-bladeren, op het boord 
van een vaartuig tegen het inslaan 
der golven. Ook afdak, d. B. II. kapa- 
kapa, terdege. 

kapada, zie pada; mèngapadakan, een 
richting geven naar, dirigeeren naar. 

kapak; ttrkapak'kapah, onthutst van 
schrik, snakken, snikken, hijgen van 
een stervende. 

kapai, flauw heen en weer bewegen, 
zooals de handen van iemand die ver- 
drinkt of een vlag bij weinig wind, 
slap neerhangen. 

kapak, bijl; bandera kapajp, vierkante 
vlag.' 

kapal. Tam. schip, overwalsch vaar- 
tuig, in tegenoverstelling van het in- 
landsche vaartuig, p^rakoe; europeesch 
getuigd vaartuig; b^rkapal-kapal, bij 
scheepsladingen; kapal ptrang, oorlog- 
schip; kapal dagang, vreemd schip; 



kapal tiga tijang, driemaster. Zie ook 
tijang, 

kapala, Skr. hoofd, in alle beteekenis- 
sen, bovenste of voorste, voornaamste, 
eerste kwaliteit, opperhoofd, voerman, 
aanvoerder; kapala balolp, de kop van 
een balk, waaraan hij voortgesleept 
wordt uit het bosch en die er later 
wordt afgezaagd; k. ajar, het voorste 
gedeelte of begin van stroomend water; 
k. pédatiy karrevoerder ; k, berat, oube- 
vattelijk; k. jang meméreniahkan, het 
besturend hoofd; k. takali, aller voor- 
naamste, prima kwaliteit, eerste soort, 
ook kapala-kapala; kapala kdin, hoofd 
van een gebatikt of geverfd kleedje, 
nml. een gebloemde rand ; kapala soerat, 
hoofd van een brief, doorgaans een 
korte spreuk in het Arabisch; kapala 
poelau, het hoogste gedeelte van een 
eiland; kapala p^rahoe, de kop of het 
voorste gedeelte van een vaartuig; ka- 
pala batoe, stijf kop, koppig; kapala 
soesoe, room; jang kapala, de of het 
voornaamste; mengapala, voor aanvoer- 
der of voerman fungeeren; mengapala- 
kan^ hetzelfde met obj. b. v. mingapa- 
lakan p^dati, een kar als voerman be- 
geleiden, voerman zijn van een kar; 
zie ook ampil; méngapalakan rajat^ aan 
het hoofd staan van het leger; mënga- 
palakan gadjah, een olifant, op zijn 
nek zittende, besturen; méngapalakan 
boelalainja, zijn snuit achter over den 
kop leggen, van een olifant. ** 

kapan, I. zie kafan. II. Jav. wanneer. 

kapans* I« dobberen van een vaartuig, 
dat door windstilte overvallen is. Zie 
apoeng, II. paalworm, teredo navalis, 

kapar, in wanorde en uit elkander; 
berkaparan, in wanorde en verstrooid 
nederliggen van groote voorwerpen, 
b. V. de stukken van een vergaan 
schip op het strand, de lijken op 6eu 
slagveld. 

kaparat, I. Arab. kaf ar at, meerv. van 
kafir, ongeloovige, als scheldwoord. II. 
zoenoffer voor het niet hoaden van een 
eed of tot boete voor andere zonden. 

kapas, katoen, de grondstof; k, b^ggala, 
gossypium vitifolium; k. b%sar, g. ar- 
boreum; k. mort en k, tahoen, g. mi- 
cranthum; k. hoema, g. indicum; k, 
hoetan, hibiscus callosus; badjoe kapas, 
ge watteerde kamerjapon. 

kapau, e. s. v. boom, welks bladeren 



m 



kaper — - kar«ttiis« 



voor atap worden gebruikt. Pad. bov.1. 

kaper, Jav. uiltje, nachtvliadey. 

kapi, hijschblok. 

kapijaloe, samengesteld uit kapi en 
eloe, erge zwaarte in het boofd; demam 
k.y heete, typheuse koorts; k, njaman, 
de geelzucht. 

kapir, « ka/ir, zie ald. 

kapiran, Jav. bekaaid uitkomeUi te- 
leurgesteld. 

kapiSf e. s. Y. eetbaar zeeschelpdier met 
fraaie schaal. 

kapista, Skr. goddeloos, slecht. 

kapit, helper, getrouwe makker, adju- 
dant, dikwijls ook ptngapit; b^rkapit 
dlè'^gan radja, vertrouwd zijn met den 
Vorst. Zie apii. 

kapitan. Port. kapitein. 

kapoek» I. e. s. v. ronde padikorven in 
een vierkant raam van houten stijlen, 
ook e. 8. V. snijwerk. Pad. bov.l. Zie 
ktpo^. II. de zijde- óf boomkatoen, die 
tct het vullen van bedden en kussens 
wordt gebezigd. 

kt»poelaiea» ook poelaga, kardamom 
e. s. V. plant, welks aromatisch zaad, 
tot verbetering van den adem gefcauwd 
wordt. Ook poewar, 

kapoer» kalk, kamfer; ka/poer baroeSy 
kamfer, letterl. kalk van Baros op Su- 
matra; k. mati, gebluschte kalk; k. 
iohory metselkalk; k. masak, pleister, 
H. Abd. k. wolanda, krijt; sirih doewa 
kapoery twee betel-pruimpjes; sakapoer 
sirfh lamanja, zoolang als een betel- 
pruimpje duurt, een paar minuten; 
kain kapoer, gepapt katoen; kapoer 
boeloehy e. s. v. kamfer, die soms in 
het holle van de bamboe gevonden 
wordt, gebruikt om hout te polijsten 
na het .gebruik van de hamp^loi, d. Br. 
K. méngapoeri, bij verkorting ook meng- 
apoer, kalk strijken op, met kalk be- 
strijken, b. V, een betelblad, ook mïnga- 
poerkan ; kapoer-kapoer, e. s. v. mug of 
vlieg, die hevig steekt; p^kapoeran, 
kalkpotje, behoorende bij de onder- 
deelen van een beteldoos, kalkbranderij. 

kapoh» = kapoeip, zie ald. 

kar, Ned. kaart. 

kara, I. alléén, slechts, zonder iets an- 
ders er aan, b. v. toeboeh sabatang kara, 
een enkel lichaam, eenloopend per- 
soon; djambatan kara, brug zonder 
leuning, een enkele stam voor brug, 
s= titian. II. » angkara^ b, v. pikir 



jmg kara, zie ald. III. gestikt? van 
zijden stof, kleedjes enz.; tjindai kara, 
madoe kara, kw. bij, honigbij; IV. 
é. 8. V. boontjes, ook k^kara, en ook 
gebruikt als hulp-Telw. voor het aan- 
tal juweelen, b, v. intan doewa kara, 
Sj. B. S. — V. b. V. merdomja saperti 
bangst karaf Sj. Bid. Sar. 332 p. 10 
reg. 9 een solofluit? Zie I. 

karab, Arab. ploegen. 

karah, I. een groot soort van bamboe; 
II. aanzetsel van vreemde stoffen, zoo- 
als kalk aan de tanden, ziekelijke 
vlekken op bladen of stengel; zie ook 
kara; karah-karah, de ringen van een 
zeil om den mast. 

karaxn, I. vergaan, verongelukt, te 
gronde gegaan van vaartuigen, ineen 
loopen van letters, in 't verderf raken ; 
k. doedoejpy vergaan door alleen vol 
water te loopen v. e. vaartuig; loepoet 
daripada karam, aan de schipbreuk ont- 
komen; méngaramkan negari, een land 
verdelgen. II. het Arab. ^ardm, vloek, 
zie ald. 

karama, Arab. verheerlijken, b. v. AH, 
karama Allah wadjahoe, Ali, God ver- 
heerlijke zijn aangezicht. 

karamat, Arab. heiligheid, van een 
persoon of gebouw, heilig graf, oud 
graf; orang k„ heilige. 

karetmoenting:, ook k^moentingy e. 8 v. 
heester met eetbare, roodzwarte, ronde, 
zoete vruchten. 

karanS) I> koraalrif, klip, koraalbank; 
ook : bedding of ader, waarin" het tin 
voorkomt, Sw. batoe k., koraalsteen; 
k. boenga, getakt koraal, bloemkoraal; 
boenga ^., spons; ikan k.^ klipvisch; 
pïnjakit k., de steen, graveel; m k., 
allerlei schelpdieren, die op de koraal- 
klippen worden gevonden; blèrkarang, 
zich met het zoeken van die schelp- 
dieren bezighouden; zie kërangj karang* 
an, ertslaag, rotsbank in eene rivier, 
ook: het graveel = p^njakit k^, vdW. 
e. s. V. venerische ziekte; p'êkarangan, 
erf door muren van koraalsteen om- 
geven : orang pékarangan, lieden die op 
het erf binnen dien muur wonen of 
werken; karang-karangan, zie k^raug^ 
II. méngarang, samenschikken, samen- 
stellen, in elkander zetten, rangschik- 
ken, van bloemen, edelgesteenten enz. 
opstellen van boeken, brieven en andere 
geschriften; karang-méngarangy opstel- 



karap^^- karpe^* 



169 



len van allerlei geschriften, opstellen 
in het algemeen; pengarang^ samen- 
steller, opsteller j p^ngarang sjair, dich- 
ter ; pengarang gigi, tand vleesch = goesi ; 
karangan boenga, bloemkrans, bouqaet; 
boenga sakarangy een bouquet ; karangan, 
opstel, geschrift, ook : kunstenaar, werk- 
meester, S. M. ook manierijang karang, 
Sj. Madli, p. 76. mengarangkatt doesta, 
leugens verzinnen, leugens dichten, 
S. Dz. 

karap, weverskam, vdW. 

kardr, Arab. rustig, ongestoord ver- 
blijven, standvastig of bestendig ergens 
blijven. 

karas; karas-karas, e. s. v. versnape- 
ring, vdW. 

karat, I. roest; karatan, verroest goed, 
oudroest; karatan mata toembajp, ver- 
roeste lanspunten ; karatan hati =* gere- 
gïién, Jav. zich verbijten van kwaad- 
heid. II. vechten jan katten, krabben 
en bijten. III. Zie keraU 

karau; mhtgaraUy beroeren, roeren in 
iets, b. V. met handen of voeten of 
een lepel , in een vloeistof, zoodat die 
troebel wordt; b^rkarau minja^ panas, 
e. s. V. godsgericht met kokende olie; 
dikarau orang, door anderen beroerd; 
m^ngarau, ook woedend moorden onder 
een troep = mlèngamoi;\ zie ook harau; 
sékarau, e. s. v. plant, Pad. bov.1. 

karbau, buffel; k. djalang, een van de 
kudde afgezworven buffel, verwilderde 
buffel ; k, mhtjama, halfwas buffel, welks 
horens even lang zijn als zijne ooren. 

karel^, zie karet. 

karêna» Skr. want, doch, oorzaak, ter 
wille van, voor, reden; karma itoe, 
daarom; karêna apa, waartoe, waar 
voor, met welk doel; karêna, ook ge- 
bruikt als tegenst. Voegw. doch ; karêna 
Mlah, om Gods wil, pro Deo, om niet; 
blèrboewat karina Alktk, om Gods wil 
doen, een liefdewerk doen; dêngan 
tiada moela-karhianja, zonder oorzaak 
of reden; dêngan karêna tiada b^rka- 
iahoenan, om een onbestemde reden; 
karêna maka hamba b^rani, de reden 
van mijne vrijpostigheid is..,. 

karendang, e. s. v. braamstruik. M. 

karet, naam van een slingerplant, die 
de gom-elastiek levert, ook gom-elastiek. 

kareta. Port. rijtuig, wagen; ook ga- 
renklosje ; ikan kareia, e. s. v. inktvisch 
met acht voelsprieten. Volgens vdW. 



e. 8. V. eetbare zeepolyp, verb. v, goe- 
rita. Kareta toi'ong, kruiwagen; ^^r- 
kareta, een toertje met een rijtuig doen. 

kari, I. Batav. kerry, zekere gele saus 
bij de rijst. II. Jav. achterblijven, 
achtergebleven, overschieten, overschot. 

kdri, Arab. die leest, lezer van professie, 
inz. van den Koran. 

karfb, Arab. nabij; familiaar, intiem. 

karih; mengarih, omroeren, b. v. van 
boonen, erwten, gekookte rijst in een 
pot enz. Zie karau. 

karil, haas, dl. Cr. 

karixxi, Arab. luisterrijk, edelmoedig. 

karip, Jav. slaperig van de oogen^ 
Zie arip. 

kari«J, Arab. herkauwingsmaag. 

karki, Arab. de kraanvogel. 

karkoen, hoofd der schrijvers, secre- 
taris. 

karnain. Ar. tweev. van ^arnoeny 
hoorn ; Iskandar dzoe'l^arnainf Alexan- 
der de bezitter van 2 hoornen, d, i. 
Alexander de groote. 

karoe, tusschenspreken, tusschensnap- 
pen, vdW.; méngaroekan, een woordje 
toespreken ; karoe-karoe. e. s. v. lang en 
dun torretje, dat 's avonds rondvliegt. 

karoen, Korach, de bekende persoon uit 
het O. T. volgens de Mohammedanen 
de bewaarder van groote schatten. 

karoenfi:, grove zak van matwerk of 
ander grof goed, zooals b. v. de baai- 
zakken van de rijst; kdin karoeng, 
grof doek, zakkengoed; MÓn. bh'karoeng^ 
karoeng pititnja, hij is schatrijk; ka- 
roeng-karoeng anaky geboorte vlies, helm 
van een pasgeboren kind. 

kdroenia, Skr. gunst, genade, gunst- 
bewijs, genadegift, geschenk van een 
Vorst aan een onderdaan of van God 
aan den mensch; ampon dan karoeniüt 
vergiffenis en genade; mléngaroeniakan^ 
schenken, verleenen; m. g^lar, een titel 
verleenen; dikaroeniakan Allah, door 
God geschonken, door Gods genade; 
méngaroeniaï, begiftigen, beschenken ; 
dikaroenidi radja, bij den Vorst in 
gunst staan. 

karoety verward, in verwarring, in ver- 
legenheid ; karoet-meroet, verstrooid, 
verward, geslingerd, van het gemoed; 
méngaroet, wartaal spreken, iets slor- 
dig doen, b. v. naaien. 

karpai, patroontasch. 

karpel^» Jav. e. s. v. sluitmand, gevloch- 



170 



karpoes •«- kata. 



ten van bamboe, met hengsels van 
rotan, om reisbenoodigdheden in te 
bergen. 

karpoes. Port. bonte slaapmuts; ook: 
ezelshoofd aan masten. 

karsani; öesi karsani, zie ckordsdni. 

karsik, grint, grof zand; Men. zand in 
't algem. boemi jang öiékarsi^, steen- 
achtige grond; ook de droge bladen 
van den banaan of pisang. 

karta» Jav. rust, vrede; veilig. 

kartë/S, Arab. papier. 

kasa, I. = cha§ah, e. s. v. fijn mousse- 
line, gaas Zie ook bij halimoen. II. = 

• angkasa^ zie ald. 

kasa, van asa^ eerste, in de eerste 
plaats. 

kasab, Arab. goud- of zilverdraad. 

kasai, welriekend smeersel voor de huid, 
e. 8. V. kosmetiek; mivjah kasai, ver- 
schillende soorten van welriekende olie 
onder elkander; stram Vérkasaiy baden 
met welriekend badwater. 

kasam, Arab. verdeeling, i)artijschap. 

kasang', Mën. droog, inz. v. eetwaren, 
de keel enz., zie bij ianah. 

kasap, I. ruw, ruig voor het gevoel, 
zooals grove wollen stof, grof papier 
enz. II. schieman en bottelier, vereenigd 
in één persoon, op schepen voor de 
kustvaart gebezigd. 

kasar, grof, ruw, onbeschaafd; rnénga- 
sar-ngasarkan, ruw behandelen. 

kasat. Pad. bov.1. = kasap, 

kasau, spanrib; k. djantauy hoofdspan- 
rib, k. bUina, dunnere tusschenspanrib ; 
k» tnéliniang en k. taboerahan en reng^ 
latten, waaraan de dekbladen van een 
dak gehecht worden, panlatten; toem," 
poetoan k, planken ter bedekking van 
de uiteinden der kasau, de zoom van 
het dak. 

kasi, in de spreektaal: geven, = bïrif 
zie kasik, 

kd^id, Arab. bode. 

kasi^, Arab. gedicht; mlênariinkan ifa^td, 
een gedicht voordragen, Ibr. b. Ch. 

kasih, van het grondw. sih, genegen 
zijn, liefde, toegenegenheid; kasih hér- 
Saoedara, broederliefde ; mémbalas kasih, 
liefde vergelden; tuuénerima kasih, dank- 
zeggen, dankbaar zijn; minia kasih, 
iem. toegenegenheid vragen, zijn excuus 
maken, een beroep op iem. toegenegen- 
heid doen; tnêngasih pada, liefde of 
toegenegenheid toonen aan; kasih-méng^ 



asihj elkander wederkeerig liefhebben, 
beminnen; méngasihi, iem. of iets lief- 
hebben, beminnen ; pénpasih, liefhebber, 
beminnaar, liefdemiddel ; obat péngasih^ 
liefdedrank; azimat perkasih, toover- 
middel om genegenheid te wekken; 
kasihaUy medelijden, ook als uitroep 
gebruikt in de beteekenis van: och 
armel hoe jammer 1 mengasihankan en 
vièngasihani, zich ontfermen over, mede- 
lijden hebben met; këkasih, geliefde, 
beminde, gunsteling ; kHasih'kasihan, 
elkander liefkoozen; sakasih-kasih, met 
de meeste toegenegenheid; pïngasihan, 
toegenegenheid, 

kasiban, zie bij kasih, 

kasim, van het Arab. kasjim^ gesne- 
den, gelubd. 

kasip, Jav. kasep, over den tijd, te laat 
voor iets, b. v. van de goede mousson, 
of den geschikten wind om te ver- 
trekken. 

kasir, Ned. kassier. 

kasir, Arab. gebrekkig. 

kasjk, Arab. gerstebier. 

ka<sijkin, Perz. en kasjkinat, gerstebrood, 
boonenbrood, bij broodsgebrek. 

kasmaran, Jav. zie asmara, 

kasmiri, Cachemir, cachemirsch. 

kasoer, Jav. bultzak; k, ménggala, dikke 
vierkante bultzak. Zie Ulam en katil, 

kasoet, Chin, gevlochten schoenen of 
muilen; schoen, hoefijzer, band om een 
wiel, tweede kiel onder de eigenlijke 
kiel van een vaartuig; kasoet ilalang, 
e. 8. V. schoenen, vervaardigd van ila- 
lang-gras en tali ramih, welke door 
de Chineesche koelies op de peper- 
en gambir- plantages gebruikt worden; 
anjam-mênganjam bikoe dan kasoet, 
allerlei vlechtwerk maken, mandjes en 
chineesche muilen. 

kasoe^vari, de casuaris. 

kasri, Arab. vrouwenverblijf, waarin de 
ongehuwde prinsessen zijn opgesloten. 

kastila, Kastilië, Spaansch. 

kasto, zie kastoda, 

kastoda, of kasto, e. s. v. kleed, ge- 
dragen door de adjar-adjar, en van 
boombast vervaardigd. Pr. Dj. 

kastoeri, Skv. muskus; hoeroeng k., 
parkiet; tikoes k., muskusrat; Umau 
k., e. s. V. limoen. 

kata, woord, gezegde; sapatah kata, één 
woord, ook lettergreep; blèrkata, spre- 
ken, zeggen; maka ija blèrkaia, katanja, 



katak «-• kaljan. 



171 



hij sprak, zeggende ; hata-b^rkata 

aantu S(èndirinjay over en weer bepra- 
ten, onderling bespreken; pérkatadn, 
woorden, rede, redeneering; p^rkataan 
dagang, zie bij dagang ; tiada perka- 
tadnnjay daarop is geen verhaal, dat kan 
of mag in rechten niet vervolgd wor- 
den; didalam perkaiaan orang^ er is 
verhaal op, daar mag men wat van 
zeggen; sakaiaj eenstemmig hetzelfde 
zeggen als een ander, eensluidend v. d. 
inhoud; mengatakan, iets zeggen, uit- 
spreken, over iem. iets zeggen ; teweten, 
namelijk, zeggende; vertellen; tiada 
dapat dikatakan en tiada férkatakan, 
onuitsprekelijk ; djangan dikatakan lagiy 
laat ons daarover maar zwijgen, dat 
daarover niet gesproken worde ; djangan 
engkau kata-katakan kapada orang lain^ 
vertel het niet aan anderen; mengata- 
ngatai, bepraten, bebabbelen, op iemand 
iets te zeggen hebben; tiada terkata- 
katüy niet tot spreken kunnen komen, 
geen woorden kunnen vinden; kata- 
kata jang djahat, beleedigende woor- 
den; balas katay wederwoord. 

katak, kikvorsch; k. poeroe, padde; k. 
b'ëtoeng, kleine, zwartgroene kikker, die 
het geluid van b^toeng voortbrengt. 

katang:» Men. een mand van rotan met 
hengsel, om over den schouder gedra- 
gen te worden ; katang-katang, e. s. v. 
vierkant kastje met terrassen, van pan- 
dan-bladen gevlochten, waarin gambir, 
sago enz. worden verzonden; katang- 
kaiang^ een vierkant mandje of taschje, 
voorzien van een draagkoord. 

ka te, Jav. kriel; hajam katCy krielkip; 
orang kate, dwerg. 

kati, het indische pond, =14 Amst. 
U?, het honderdste deel van een pikoel 
of ind. centenaar; sakati lima, de 
boete, waarmede volgens de Mal. wet- 
ten de doodstraf werd afgekocht, of 
vervangen. Men verklaart het met een 
kati en vijf tail, doch in de Mal. 
wetboeken zelf komt telkens voor de 
boete van sak'éti lima lalesa^ zoodat ik 
het er voor houd, dat de oorspron- 
kelijke boete 150.000 pitis is geweest; 
sakati lima ook de naam van een slin- 
gerplant, in de geneeskunde gebruikt. 

kdtib, Arab. schrijver. 

katib, zie chdtib. 

katifah, Arab. e. s. v. kostbare stof voor 
dekkleeden, tapijten enz. 



katik, I. dwergachtig, klein in zijn 
soort, van dieren en planten; hajam 
kati^, krielkip; zie kaie\ II. altijd en 
overal medenemen. Zie kating, 

katika, zie koetika. 

katil, I. rustbank op pooten, sofa, één 
persoons ledikant. II. zwaarden van 
een vaartuig. Zie katir, 

kating:, overal heen, naar alle kanten; 
mèngating-ngatingiy iets overal heen- 
brengen, heensleepen, b. v. setangankoe 
dikating-katingi boedak itoe, mijn zak- 
doek wordt door dat kind overal heen- 
gesleept; m^mboewang distarnja saka- 
lian berkating-kaiing, zij wierpen hunne 
hoofddoeken overal neer H. T. 

katir, de uithouders van kleine vlerk- 
prauwen. Ook katiL 

ka tja, Skr. glas als grondstof, op Java 
ook spiegel van glas enz. waarvoor in 
het Mal. tj'ërèminy zie ald. ; katja-mata, 
Jav. bril ; k. piring, Batav. e. s. v. witte, 
welriekende bloem. 

katjak, fier, een weinig trotsch van 
voorkomen, ook van gebouwen; kab- 
keling, zooals bij klippen onder water; 
mengatja^y met de punt van den voet 
opzij slingeren; pengatjalfy snoever, op- 
snijder. F. 

katjaner» boon, erwt, peulvrucht, waar- 
van een groot aantal soorten. De voor- 
naamste zijn ; k. botofy k. hidjaUy kleine 
groene boontjes; k. k^delaiy k. parang^ 
zwaardvormig ; k. p^èroet-hajaniy zeer 
lang en dun, k. tanah, de aardnoot, 
die gepoft gegeten wordt en dan k, 
goreng heet; k. kekara, zie ald. k. 
ketjily Phaseolus radiatus, dl. Cr. ikan 
katjang-katjang, e. s. v. zeevisch zoo 
groot als een baars, Sphyroena acuti- 
pinnis; m^ngatjang^ verdeden van een 
buit of vondst; m^mpér kat jang, als boo- 
nen behandelen, d. i. andermans goed 
opmaken, verspillen; p^dang katjang 
parangy e. s. v. kromme sabel. 

katjapoeri, middenstuk, hoofdgebouw 
van een gebouw met vleugels aan de 
vier zijden, binnenpaleis, bovenste of 
middelste van een reeks terrassen, ka- 
piteel van een kolom met versierselen; 
boewah k , vrucht waarin nog een klei- 
ner gegroeid is, zooals dit wel met 
doerian en dj^roelp het geval is. 

kaljar, e. s. v. korten hengel, waarmede 
men op puitaal, gïmbilangy vischt. S. 

kaljau, verward, vermengd, door elk- 



172 



katji •— kawi. 



ander; è'ërkaijau, zich verwarren of 
vermengen; méngatjaut dooreenmengen, 
door elkaar roeren, in de war bren- 
gen; k. bilau^ alles door elkander; 
Urkaijau^ in verwarring, in een hurry; 
katjaukan^ i. pi. v. katjauwan, gemengd, 
vermengd, van een taal, een volk enz. 

katji; kaïn A, fijn, gebleekt wit katoen, 
shirting. 

katjip, schaar, waarmede men stukjes 
van de pinangnoot snijdt, pinangschaar, 
ook schaar voor het doorknippen van 
blik en plaatijzer; rnéngatjipt met zulk 
een schaar snijden, ook: een strop 
dichthalen, vdW. 

katjit, gesp, ook = katjip, Sw. Zie ald. 
nièngatjHkan^ vastgespen. 

katjoe, cachou, terra japooica, verdikt 
afkooksel van de acacia catechu, dat bij 
het betelkauwen gebruikt wordt. Zie 
gambir, 

katjoek» verb. van katjau, zie ald. 

katjoeng, ook atjoeng, liefkoozings- 
woord voor een kind: knaapje, jon- 
getje 1 bilalang ^., e. s. v. niet eetbaren 
sprinkhaan; boenga k,^ naam van een 
bloemdragenden boom. 

katjoer, visschen met kunstmatig lok- 
aas. Maxw. 

katoenSf dobberen, drijven. Zie atoeng. 
Ook e. 8. V. zeeschiidpad. Sw. M. en 
dl. Cr. 

katoep, toe, dicht, toegedaan, dichtge- 
maakt; tïrkatoep, gesloten, toegedaan, 
dichtgemaakt, gesnoerd van den mond, 
toegegaan van een wond of scheur; 
gl&iap kaioept zoo donker als in een 
vertrek, waarvan alles gesloten is; 
méngatoepkan^ sluiten; tn. bibir, de lip- 
pen sluiten, op elkander houden, b. v. 
van nijd. Pr. Dj. 

katok; méngato^^ kloppen, tikken, op of 
tegen iets, b. v. op het hoofd, of met 
staal tegen een steen. vdW. Zie k^to^. 

katsir, Arab. veel, menigvuldig, over- 
vloedig. 

kattdn, Arab. linnen. 

kat-wë.1, Perz. opziener van policie. 

kauy verk. van ^ngkau. Zie ald. 

kauts, Arab. schoen, korte laars, ook 
gebruikt als eeretitel voor den Vorst 
en andere hooge personen in den zin 
van pddoeka, Skr. Zie ald. 

kamtsar, Arab. naam van een rivier in 
het Paradijs, ook kali kautsar en soe- 
ngai kalikautzar genoemd l 



kawab, zeer groote ijzeren pan of 
ketel; ook: krater van een vuurspu- 
wenden berg, put, hel der boedhisten, 
Sj. I. M. 

ka^wal. Tam. bewaker, wacht; in het 
schaakspel het stuk, dat een ander dekt ; 
penghoeloe katoal, kommandant van de 
wacht ; kawal sambang^ ronde, patrouille, 
zie sambang. 

ka^w^an, makker, kameraad, mannelijk 
bediende, maat, voorstander, partijge- 
noot, volgeling; kudde, vlucht, troep. 
Ook gebruikt als Pers. Voornw. kawan 
dan laioaHy voor- en tegenstanders; 
kawan-tangan, handlanger; memboewat 
kawan, tot makker maken of nemen; 
main b^r kawan, voor maat meedoen in 
een spel, b. v. sa^tdar akan bolih main 
htr kawan, H is maar om als maat in 
het spel mee te doen ; boeroeng sakawan, 
een vlucht vogels; sakawan kambing, 
een kudde geiten ; sakawan awan jang 
kaboes, een drift donkere wolken; 
sakawan semoet, een troep mieren; 
ani, als maat of makker ver- 



ka wang, de boterboom ; minjalp kawang^ 
de boomboter, e. s. v. fijn en eeibaar 
plantenvet. De boom wordt ook méU- 
bakan en tengkawang genoemd. Zie het 
laatste. 

kawar, een dief, roover. Sw. Mogelijk 
het Perz. chdwar, zie ald. 

ka-wat, metaaldraad; kawat t'émbaga, 
koperdraad; pïrchabaran kawat, tele- 
grafisch bericht; mèmoekoel kawat, te- 
legrafeeren. Zie dawai, 

kaweloe. Port. konijn. 

kawi, Arab. sterk, van kracht. 

kawl, I. b'ëkasa kam, de oude dichter- 
taal der Javanen. II. bruinrood, zooals 
roodkrijt ; batoe kawi, bruinsteen, e. s. v. 
mineraal, dat in de geneeskunde ge- 
bruikt wordt. III. bovennatuurlijke 
kracht; besi kawi, een oud, heilig stuk 
ijzer, dat in water werd te weeken ge- 
legd, welk water bij het afleggen van 
een eed vooraf moest worden gedron- 
ken; bisa kawi, alle mogelijke onge- 
neesbare ziekten en kwalen, die iemand 
krijgt ten gevolge van den vloek der 
voorvaderen; barang siapa nan mï- 
njalah Utah kena bisa kawi ajahkoe 4€ai 
nene^koe, die de Vorstelijke bevelen 
verkracht, zal getroffen worden dooi? 
den vloek (allerlei kwalen) van mijne 



kA-wfn — këdar.' 



173 



voorouders. Mën. vergif van bo ven- 
natuurlijken oorsproag, 

Jacéb-win, I. Perz. wettig huwen, wettig 
huwelijk, wettig gehuwd; isi kawin, 
bruidschat aan den vader der bruid; 
)êmas kawin, bruidschat van den brui- 
degom aan de bruid; kawin-mawifiy 
trouwen van velen en voortdurend; 
mengawinkan^ doen trouwen, in den 
echt verbinden. II. pengamnarij e. s. v. 
vorstelijke lijfwacht, met hellebaarden 
gewapend. III. k^kawin en herkekawin 
(uit het Jav.), een verhaal zingend 
voordragen. 

ka'wit, e. s. v. zeevisch. 

kawitëra, Skr. reinigingsmiddel, bena- 
ming van een heiligend water. 

kawoela, Jav. ik, tot meerderen spre- 
kende. Ook koela. 

ké, titel, waarmede men een in China 
geboren chinees toespreekt. 

këbabal, jonge nangka vrucht. 

këbah, geheel in het zweet, overal uit- 
breken van het zweet. 

këbc^an, Jav. dorpsbode. In het Mal. 
alleen in de samenstelling nene^ keba- 
jan, zie nene^p. 

këbak, Jav. vol, gevuld. 

këbal, I. onkwetsbaar, = pelijas ; tiada 
kMal, kwetsbaar, zie ook timboel. II. 
e. 8. V. boom, die zwaar hout levert; 
k, hajaniy een soort daarvan, die voor 
scheepsm asten gebruikt wordt. 

këbazn, loodkleurig. 

këbans? kV)angan, e. s. v. watervat? 

këbas, I. eenigermate verdoofd; mém- 
boewang k^baSy wat heen en weer loo- 
pen, om de verdooving tengevolge van 
lang zitten te verdrijven. II. afslaan 
van stof of droog vuil, van kleederen 
enz. afschudden, uitschudden, b. v. het 
vuil uit een vischnet; kebas-ekoer, 
kwikstaartje; rnéng^baskanj van zich 
iets afslaan. 

këbat; rnêngïbat, omwikkelen, vastbin- 

, den, knevelen. Zie ook bëbat. 

këbiri, gesneden, gelubd. 

këboer ; méngtboeTy door omroeren troe- 
bel maken, van een vloeistof, waarin 

. een bezinksel is. 

këbok, e. s. v. beker; holle cylinder 
met gaten voor het persen van la^sa. 

këbon» tuin, plantage, buitenverblijf, 
hofstede; ktbon lada, pepertuin; btr- 
kïbon, van een tuin voorzien zijn, ook 
tuinieren ; méndjalani k^bon, een tour* 



nee door de tuinen doen om ze te in- 
specteeren ; paaang kebon, een tuin aan- 
leggen; samboet kebo7ty een tuinaanleg 
vernieuwen. Zie ook taman. 

këda, e. s. v. zwarte, verglaasde, aarden 
potjes, die uit China worden aange- 
voerd. 

këdah, val of strik om olifanten te 
vangen; de naam van een Maleisch 
rijkje op het Schiereil. Malaka. 

këdai, winkel, kraampje, stalletje; btr- 
kedai, winkelen; orang berkedai, win- 
kelier. 

këdc^an, Jav. volgeling, lijfbediende 
van een prins; kadang ktdajan^ volge- 
lingen, eigenl. eigen of lijfelijke broe- 
ders in tegenoverstelling van neven. 
Het is afgeleid van deja^ Kw. = iarira^ 
lijf, lichaam. Komt dikwerf in de 
HSS. voor. 

këdak, zie bij lintang, 

këdadak, hevige diarrhee met looze 
braking; ktdada^ k^siangan^ zulk een 
braking, die 's nachts begint en doo- 
delijk is, als zij tegen den dag niet 
overgaat. Zie dödajp en ijika. 

këdaly e. s. v. huidziekte, met witte 
vlekken op handen en toeten en groe- 
ven in hand- en voetpalmen; Utdal 
andjingy lepra, melaatschheid ; k, ga- 
djah, waarschijnlijk psoriasis, vdW. Zie 
oentoet, 

këdali, = k'éndali, toom van een paard. 

këdang, recht uitgestrekt van den arm, 
geveld van een piek; tnéngedang boe* 
soer, den boog spannen; tnêngièdangkan 
UngaUy den arm uitstrekken; m, toem- 
bajpy een piek vellen. 

këdanskanfi:, beugel om den trekker 
van een geweer. 

kêdangsa; limau kedangsa^ de pom« 
pelmoes; volgens vdW. e. s. v. zoete 
limoen. 

këdaoens» e. s v. grooten boom, welks 
zaden als geneesmiddel gebruikt worden. 

këdap, dicht, van een weefsel, vlecht- 
of breiwerk, ook ondoordringbaar voor 
vocht, van geweven stoffen, waterproef, 
geen vocht doorlatend. Abd. Schets wrdb. 

këdar; Arab. maat, staat, wat. ieu^and 
toekomt, ongeveer; saieedar, naar den 
staat van, naar gelang van, naar even- 
redigheid van, alleen nog maar, b. v. 
sajpedar laïk masing-manng^ naar gelang 
het ieder toekomt; saifïdar ménantikan 
saai dan ipé^oe, alleen nog maar hei 



174 



këdatt --» k^oet* 



juiste oogenblik afwachten; ^Mar Vi- 
6'érapa saat^ ongeveer eenige oogen- 
blikken; b'ërapa ^iMamja, wat heeft te 
beduiden, van welk belang isj tidajp 
tahoe akan ^edarnja, niet weten wat 
hem voegt of past; ala ^edary naar 
vermogen; Mberapa }^Marnja, naar zijn 
vermogen, zooveel hem paste; ^edar&an, 
met overleg behandelen, schipperen. 
kêdau; mengedau, luidkeels schreeuwen 

of roepen om iets, b. v. om hulp. 
kedek; kedejp-kedelfy waggelend gaan 

zooals eene eend. 
kêdêkai, e. s. v. boom, welks vrachten 

in de geneeskunde gebruikt worden. 
kêdêkik, e. è. v. groenachtig zout, dat 
tegen ziekten der tanden gebruikt wordt. 
kêdêkit, gierig, vasthoudend. 
këdêlai, naam van een peulvrucht met 
zwartachtige erwten, waarvan soya enz. 
gemaakt wordt. Op Java kedele, 
kêdélam, en kïndelam, drinknap van 
een kokosdop of iets, dat daarop in 
Torm gelijkt. 
këdêmpoeng;, I. vol wormen, volg. 
and. kedempoeng. II. klanknabootsend 
woord voor een ploffend geluid. 
këdêngkik, tot den uitersten graad 

vermagerd. 
këdëra, e. s. v. kleinen, eetbaren zee- 

visch, e. s. v. belana^, 

këdërang, e. s. v. boom, welks hout 

een oranjekleurige verfstof levert en 

ook in de geneeskunde gebruikt wordt. 

kêdi, man of vrouw, die zich kleeden 

of werk doen alsof zij tot de andere 

sekse behoorden; manwijf. 

kêdidi, en sikedidi, e. s. v. snip of 

pluvier. 
kêdik,, I. een weinig achterover met 
het bovenlijf; doedoe^ rnéngedi^f een 
weinig achterover zitten. II. niliia 
k^dil, vischangel; mêngMiJpy daarmede 
visschen. 
këdlt, » ktnditt zie ald. 
kë4jaiy I. de ledematen uitrekken, trek- 
ken, iiën. kadjait gomelastiek; ménga- 
djaiy zich lijmig, kleverig, elastisch 
voordoen. II. Hind. halster van een 
paard. Sw. 
ke^jaxn, gesloten, van de oogen, goed 
aansluitend, van planken enz.; klèdjam 
mata^ oogluiking; boeta klèdjamy steke- 
blind; mèngtdjamkan mataf de oogen 
sluiten. Ook pédjaiKf zie ald. 
kë^amal» zie djanuU, 



këcyaxnas, zich het hoofd wasschen, =s 
Jav. kièramês\ ook al datgene, wat 
daarvoor gebruikt wordt, b. v. ditjam* 
poerinja dengan kedjamaSy hij vermengde 
het met de middelen om het hoofd te 
reinigen. 

këcijans:, ook kedjoeng, krampachtig 
stijf, van arm of been; ook: zich uit- 
rekken, zooals een slaperig of lusteloos 
mensch; kakedjangan^ de kramp; mengde' 
djangkan tangan, de hand uitstrekken; 
k. moeloetf klem in den mond. Zie 
klèdjai. 

kccUap, knip met het oog; sakedjap 
mata, een oogwenk, een oogenblik; 
keUdjap^ herhaaldelijk met de oogen 
knippen. 

kêdjar; mengedjar^ nazetten, vervolgen, 
trachten in te halen. 

këdjat, strak, van een lichaamsdeel, 
Mën. kadjat, stijf uitgestrekt v. doode 
lichamen, stijf van dichtmaken met 
aarde of klei, b. v. maka ditoetoepnja 
pintoe iempat dagangan itoe dlèngan 
tan ah kedjat-kMjat, tiada diberinja 
masoe^ angin, hij sloot de deur van 
de plaats dier koopwaren stijf toe met 
aarde, opdat de buitenlucht er niet bij 
zou komen. H. Gr. 

kecyer, e. s. v. munt, van ^V rejaal 
waarde. 

kë^jif slecht, leelijk, bedorven, laag, 
verachtelijk; mhtgMjikan, verachten, 
verguizen, voor slecht enz. uitmaken, 
berispen. Ook menglèdji-ngedju 

kedjoe. Port. kaas. 

këdjoer, ook k^ndjoer, stijf, onbuig- 
zaam, stug van het haar; mênglèdjoer' 
kan lëngan, den arm uitstrekken. 

këcyoet, schrikken, schok van het 
lichaam; terktdjoet^ verschrikt, ont- 
steld; eensklaps, onverwachts; ih'k^- 
djoet daripada tidoeVy uit den slaap 
opgeschrikt; terkedjoet datang, onver- 
wachts komen; férkldjoet bangoen^ 
eensklaps opstaan; méng^djoetkan^ iem. 
doen schrikken, verschrikken. 
kë4jora; bintang kedjora, de morgen- 
ster. 
këdoedoek ; sikedoedoejpy zie séndoedoejp, 
kêdoek, e. s. v. geneeskrachtige plant, 
welks bladen er als betelbladen uitzien. 
Mën. e. s. v. sirih, 
këdoel, bal van hout of hoorn, gebruikt 

bij het 4;»^yspel. 
këdoet, kreuk, rimpel, plooi, vouw, in 



këdoixiLbak — kêlam. 



175 



de huid, doek, papier en derg.; Jèidoet 
doehoefy de aarsplooien. 

këdo inbak, I. e. s. v. boschboom met 
oneetbare vruchten. De bladeren yan 
dezen boom maken, door den wind 
bewogen, een eigenaardig geluid. II. 
e. 8. -v. visch, alleen uit de HSS. bekend. 

kêdoinpong:, = kedondongy zie ald. 

këdondong:, I. e. s. v. boom met eet- 
bare vrucht. ZiQ repai, II. e. s. v. zout- 
watervisch. 

kekel, niet passen, b. v. een kram in 

, een oog of omgekeerd; niet meer pas, 
verbogen, verkromd; toelang heJakang 
terkehelf verkromming van de wervel- 
kolom. 

kejoens:» e. s. v. zeeschelpdier, fraai 
geel en bruin gekleurd. 

këkah, I. mengikak, uit elkander doen, 
van vuur. Zie kekar, II. e. s. v. lang- 
armigen aap. 

këkal, bestendig, blijvend, duurzaam, 
eeuwigdurend, onvergankelijk; berk^- 
kalaUy bestendig, voortdurend, aanhou- 
dend, blijvend; mèng^kalkan, voort- 
zetten, doen voortduren, bestendigen. 

këkang:, ook kang^ gebit; tali ktkang^ 
leidsel; mengekangkaity klemmen van 
de beenen om iets heen, om niet te 
Tallen. 

këkapah, of k^kaptty Siam. ka-pa, zadel 
voor een olifant. N. Moh. 

këkar, uit elkander, van elkander, uit- 
spreiden door om te roeren, geopend 
van een bloemknop. Mën. niengakar, 
verspreiden, uitspreiden, uit elk. doen 
van dat, wat op e. hoop gelegen heeft, 
uitstallen. 

këkara» e. s. v. tweejarige plant met 
witte bloemtrossen en peulvruchten, 
die als groente gegeten worden. 

këkas, I. zie kakas. II. in het Palemb. 
een strook open grond tusschen een 
nieuw aan te leggen tuin en een reeds 
bebouwden akker. 

këkasik, zie kasih, 

këkat, afgevallen bladeren, die in zee 
of op de rivieren drijven; bali^f k^katy 
eb, afloopend water; maii kekat, zie 
pïrbana en pasang gondah, bij pMana, 

këkau, onwillekeurig opvliegen uit den 
slaap, van honden, vdW. Zie igau. 

këkawin, Jav. een gedicht opzeggen, 
zingend voordragen. 

kekek, I. geluid van een giggelenden 
lach. II. okselschrooi ; ikan kekejp, e. s. v. 



zeevisch. III. de groene, Nijasche pa- 
pegaai. 

kekel, I. en kikily gierig in den hoog- 
sten graad. Zie kikir. II. schudden van 
het lachen. Zie gigil. 

këkëlans, zie kelang. 

kêkili, = kili-kiliy zie ald. 

kekoe, onhandig, lomp. Zie ook kakoe^ 
kikoe^p en het Mën. kéko\ 

këkoera, zie koera. 

kekol, steekpenning; méngekoïy iemand 
omkoopen. 

këlabans, Jav. duizendpoot, van kala 
en aèang; zie Upan. 

këlabans, Jav. vlechten; kelabangan 
ramboet, haar vlecht. 

këlabat, e. s. v. aromatieke plant, fene- 
griek, bokshoornzaad. Het Arab. galbak, 

këlabau, e. s. v. zoetwater visch. 

kêlaboe, grauw, aschkleurig, grijs, van 
aboe; boeroeng k., e. s. v. kraanvogel. 

këlaboesoeng, bekleedsel, dat over 
den rand van iets heenhangt, dekblad, 
zooals b. V. van de maïs. Zie kelongsong. 

këladak, droesem, moer, bezinksel; k, 
'peroeiy laatste, zwartachtige ontlasting 
van een stervende. 

këladau; mengeladau, hoeden, passen 
op iets, zorgen voor iets. Zie ook 
biladau. 

këladi, e. s. v. plant met eetbaren knol. 
Zie oebi. 

këlagar, Perz. wat een kleur donkerder 
maakt of den smaak der spijzen ver-^ 
hoogt. 

këlajak, = chalajik, zie ald. 

këiajoe, e. s. v. boom, welks wortel in 
de geneeskunde gebruikt wordt. 

këlak, aanstonds, weldra, zoo meteen. 

këlakar, grappen maken, grover dan 
stloeroehy jokken, schertsend onwaar-* 
heid zeggen. 

këlalang, aarden waterkruik met dun- 
nen hals en zonder oor. 

këlaloet, ook ktleloet en kelolot, on- 
verstaanbare woorden uiten. 

këlam, I. donker, duister, zwart (min- 
der dan g'êlap), van den nacht, de zon, 
de maan van haar laatste tot eerste 
kwartier, de oogen; mengUanty yjisch 
bij donkere maan vaugen met een 
djaring; kelam-kaboety nevelachtig don- 
ker; fcélam-badjay donkerblauw van de 
lucht, letterl. staaldonker; kUam-kHipy 
flikkeren, zie bij kUip; péngUaman, 
verdonkering, verduistering. II. ver- 



176 



këlambar *— kSledatig:. 



zonken, gezonken, = ilènggélam; Tcèla- 
mart en kêlamaren, gisteren, waarschijn- 
lijk van dit woord afgeleid; zie ald. 

kêlaxnbar, e. 8. v. zont water visch. 

hêlaxn'badja, zie bij kUam, 

kêlaxnbir, = hérambil, Jav. de kokos- 
noot, de kokospalm. 

këlaxnbit, e. s. v. groote vledermuis. 
Het heeft ook nog e. andere betee- 
kenis, b. v. sapêrti orang berdjalan tam' 
pais dengan sakali pandang, Abd. Sch. 
wrdb. 

këlamboe, gordijn; k. tempat tidoer, 
bedgordijn; k. roesa, een tentvormig 
bedgordijn van een sMendatig gemaakt, 
voor kleine kinderen. Zie tirau 

këlamboer, gerimpeld. Zie gUlmhoer. 

kêlanxboewi, e. s. v. zoetwaterslak. 
Mën. kUamhoewait e. s. v. zeeslak. 

kolamin, paar, b. v. man en vrouw, 
mannetje en wijfje, huisgezin, familie; 
bérkélamitij bij paren, paarsgewijze ; ada 
kélaminnjay gepaard zijn. Zie lamin, 

këlamkari, Perz. e. s. v. licht gekleurd, 
gebloemd katoen. 

këlampoens:. Pad. bov.1. = telampoengt 
kiem van een kokosnoot 

këlana» I. zwerven; orang ^., zwerver, 
landlooper. IT. boegineesche prinsen- 
titel; lèngkoe kUana, titel van den 

^ aangewezen opvolger van den onder- 
koning. 

kelans, zie kelo^i^. 

këlaniE, = sUang^ zie ald.; kïkUang, 
tttsschenpersoon bij het sluiten v. e. 
huwelijk, die de besprekingen voert, 
SC ilèlangkai, zie ald. 

kêianisisara» zie langkara en senggara. 
Ook komt het voor in de beteekenis 
van fadloelif zie ald. 

këianiskanfi:, de opening tusschen de 
been^n, a kangkang^ zie ald. 

këlaufskara, zie langkara. 

këlanit; mêng<tlanit, iets wegwerpen, 
omdat het te weinig waard, te onbe- 
duidend is; zie kïlonet, 

këlapa» Jav. de kokos s= njioer; boenga 
soesoen kélapa, e. s. v. heestertje met 
witte bloemen. 

këiapob, tweede huid onder den bast, 
b. V. kUapoh pisang t de tweede huid 

• van de banaan, d. B. 

këlar, kerf of vore in iets; mêngelar, 
kerven, b. v. visch of iets, dat men 

. doorbreken wil. 

këlara^ zie iémUlang* 



këlarah, e. s. v. kleinen houtworm. 

këlarai, ruitsgewijs vlechtwerk, weefsel 
of naaiwerk, gekeperd van doek, mat- 
of mandewerk; kaïn k. en bUatjoe /&., 
gekeperd katoen, keper. 

këlarat, zie bintang. 

këlas, I. ménglèlas, eventjifes schroeien 
in een heete pan, b. v. van stukjes 
vleesch of vet. II. mlêng^las, stilstaan 
van het water tusschen eb en vloed. 

këlasa, I. Jav. vloermat. II. de bult 
van een kameel en andere dieren. 

kêlasah, e. s. v. verworming in hout. 
Zie kUarah, 

këlasak, e. s v. vloermat, ook e. s. v. 
lang schild, in het midden smal en in 
gebruik bij de ilanoen en de Timo- 
reezen. 

këlat, T. schoot, bras, scheepsterm ; djoe- 
roe kelaty schieman; angin tegang k,, 
stijve koelte. II. samentrekkend, wrang; 
ook: nog niet goed open kunnen, van 
de oogen, nog slaperig. III. e. s. v. 
boom met hard, rood hout, dat zwaar- 
der is dan zeewater en gebruikt wordt 
voor huisbouw, doch minder goed is 
dan embaldu. Soorten zijn: k. lapis, 
k. merahy k, poetih en k, rawang. 

këlati, schaar voor de betelnoot. Swett. 

këla-war, zie kalalatoar. 

këla^vi, I. sa kUoewangj zie ald.; boe* 
wah kelawif de broodvrucht met pitten 
= soekoen bidji. 

këlebang, I. door elkander dansen, van 
muggen en andera vliegende insecten, 
b. V. om een brandende lamp. II. ook 
k^rebang, e. s. v. smakelijke aardvrucht, 
die tot de oebi's behoort. 

këlebaty I. onduidelijk beeld, flauwe, 
schielijk voorbijgaande schijn. Ook » 
kirapt Maxw. zie ald. II. de dubbele 
pagaai, die een blad heeft aan ieder 
einde; méngUebat, daarmede pagaaien. 

këlebety naar binnen omgeslagen van 
een slip of uiteinde, b. v. van eene vlag, 
die niet goed uitwaait of een tafelkleed, 
dat niet geheel uitgespreid is; mhtgièle» 
betkany naar binnen omslaan van een 
slip. 

këlëbi; boewah héUbi, de adamsappel 
aan den hals. 

këlëboel^, zie bij ara, 

kêlëboety gereedschap om er hoofdbe- 
dekkingen op te zetten ; k. kasoet, leest 
voor schoenen en laarzen. 

këledanis» e. s. v. boom, die goed tim- 



k^ledai* -^ kêlesab. 



177 



merhout en een aangenaam smakende 
vrucht levert. Hij behoort tot de doe- 
na«- soorten, zie tjëmponU. 

këledar, zich voorbereiden op een na- 
derend gevaar, b. v. op een aanval van 
den vijand; ook: rondsnuffelen. 

këledik, e. s. v. aardviucht, convolvulus 
batatas. Soorten zijn : k. ielor of k. me- 
rak en k. oengoe. TAq ook oebL 

kelêdir, uit de holten treden van de 
oogen, hangen van de huig. 

kêleh» mengelehy zijwaarts kijken door 
eventjes het hoofd te draaien, zijwaarts 
aankijken. Zie ook iolih, 

kêlëhaky b. v. sambil berloedah strta 
dengan kelehaif makinja^ Mes. Kag. Zie 

këlek; niëngelei^^ een buiging met het 
bovenlijf maken om iets te ontwijken. 
Zie ook keloJp. 

kelek; m^ngele^, in den arm op de heup 
dragen, zooals een kind, een waterkruik 
enz. niéngelek ambin, zulks doen in een 
doek; kele^'kele]h, balustrade, armleu- 
ning van een stoel; kele^ ana^ en 
kele^'kelekan, galerij over de geheele 
lengte van eene vorstelijke woning, 
gelijkvloers met het middenhuis; kelei;- 
kelekan, ook leuningen in het algemeen. 

kêlekok, e. s. v. vogel. 

këleloet; mengMeloetkan lidah, de tong 
uitsteken en heen en weer bewegen 
om iemand smaadheid aan te doen. 
Zie ook kUaloet. 

kêlëixii^oeb, I. e. s. v. koudvuur. II. 
e. 8. V. boom met geneeskrachtigen 
bast; k, telor, de naam v. e. plant, die 
ook teroeng kemau genoemd wordt. 

këlëmbahane, e. s. v. arum, di^ jeu- 
king veroorzaakt. 

këlëmbai; sang k. e. s. v. geest, een 
vrouwelijk wezen, dat gehouden wordt 
voor de uitvindster van allerlei kun- 
sten en gereedschappen; disimpoel sang 
k.y uitermate verward van het hoofd- 
haar, lett. door dien geest geknoopt. 

këlëmbak, I. rhabarber, radix rheï. 
II. e. s. V. welriekend hout, dat in 
Kambodja kélampjaif heet. III. e. s. v. 
grooten nachtvlinder. 

këlëuaboenii:, opgezwollen door lucht, 
s$ie kémboeng, 

këlëznëndazi, zie ^alamddn* 

këlëmoexnoex*» roos op het hoofd, 
schilfers. 

këlempasi férkUeuipatt afgezakt of 



omgeslagen van een kleed, b. v. HU 
Zainab lagi mandi, tlèrklèlempat kaïn 
pada pinggang itoe, maka kalihaian 
hoedjoeng soesoenja. Boeng. R. 

këlëraping, sjap neerhangen, van de 
borsten. 

këlenang? e. s. v. vrucht. Pel. Dj. 

këiëndara, zie kalandlèra, 

kêlëndjar, klier; boetoah k., klierge- 
zwel; k. leher, de amandelen of wang^ 
klieren; k. minjai;, vetklier, smeerklier. 

këlënsër, Jav. bezwijmd, in flauwte. 

këlengkeng, I. es. v. vrucht, rond, 
rinsch van smaak en met grooten pit, 
ook litji en lengkeng genoemd» II. de 
neushoornvogel, Sch. 

këlënskins, e. s. v. reiger met lang«a 
snavel. 

këiënnja, een kleine peesknoop. Zie 
boenga barah. 

këlënoens» galmend geluid van een 
aantal groqte klokken tegelijk. 

këlëntanfi:, klanknabootsend woord 
voor een geluid als van stukken groot 
geld, die op een steen vallen. 

kêlentang:, e. s. v. boom, op Java kelor 
geheeten, welks langwerpige vruchtea 
als groente worden gegeten en welks 
wortel voor mierikswortel gebruikt 

. wordt. 

këlëntensy chineesche afgodstempel. 

këlëntit, de kittelaar ; k. njamoe^, e. s. v. 
kruipende plant met kleine, eetbare 
vruchten. 

këlêntjir, zie glèlhttjir. 

këlëntoen^ES, klanknabootsend woord 
voor een galmend geluid als van kleixie 
klokken of holle bamboe's waarop ge- 
slagen wordt. 

këlëpai» slap neerhangend; kWépit- 
kelépai, omgebogen slap. neerhangen^» 
zooals de ooren van sommige honden. 

këlëpaky klappend geluid, zooals van 
een aantal boeken, die omvallen. 

këlepak» slap neerhangen en heen en 
weer gaan, zooals de ooren van een 
olifant, een oorhanger enz. 

këlëpit, zie klètépai en hUipit. 

këlerek, e. s. v. waterplant. 

këlësa, e s. V. zoetwatervisch. 

këlesa, een luie, onwillige Jiouding ^an* 
nemen, van iemand, ¥^ien men iets 
beveelt. 

këlesab» onrust; mïngèlesak, onrustig 
zijn van een lijder, ^dW. zie gtletah 
en het voorg. wrd, 

12 



178 



këlêtak 



keloeh. 



këlëtaky geluid als van het kloppen 
met een hamertje op een steenen vloer. 

këlëtanis» het klinkend geluid van 
zware stukken geld, die op een steen 
vallen. Ook klèUntang^ 

këlëtary zie kUar. 

këlëtik, spartelen, zooals b. v. de afge- 
houwen staart van een hagedis. Ook 
gUitih 

këlëtoek, een geluid als kelUa^, doch 
doffer. 

këlöwana:» e. s. y. kort zwaard, dat 
naar boven breeder uitloopt; e. s. v. 
houwer of hartsvanger. 

këli, e. s. T. puitaal, ongeveer als sem- 
bilang, 

këlic^oek» » kMjap. 

këlüa'vvan, rondloopen, passagieren. 

këiyoet, een snip of pluvier. 

këliki, de papaja. Pad. bov.1. Zie blêfii;:. 

këlikir, I. ring of oog aan een touw, 
aan een schuiflade enz. om aan te 
trekken, kransstrop, ook e ring van 
rotan door den neus v. e. buffel; k. 
dajoeng, losse roeistrop. II. = kerikil; 
batoe k,f grint, kiezelzand. 

këlilins, ook koeliling^ rondom, in het 
rond, omtrek; méntfihari bïrkUiling, 
overal rond zoeken; mhtg^lilingi, om- 
singelen, omgeven, rondom iets gaan. 

këlim, smalle zoom aan een kleed; k. 
boelai, gerolde of krielzoom; k. pipik, 
smalle platte zoom; k. iincUh kasih, 
e. s. V. engelsche zoom ; k. Uroei, open 
zoom; méngUim^ zoomen; bërkëlim, ge- 
zoomd, Tan een zoom voorzien. 

këlindan, I. afgepaste draad, zooals 
bij het naaien gebruikt wordt; drijf- 
koord van een spinnewiel. II. onbe- 
slist, willen en niet willen. 

këlinii:, Skr. kUingga, de kust van Ko- 
romandel; orang kêling, de Klinganee- 
zen of mooren ; behasa kUing, het kelin- 
ganeetch, het tamil of üloegoe, 

këlinffkins, de pink ; k. kaki, de kleine 
teen. 

këlinsir, » glèlint^ir, zie ald. 

këlintinir» Jav. bel, kUiniingan, bel- 
letjes, riakelbellen, belletje, schelletje, 
klokje. 

këliatfi» Ned. konijn, ook: haas. 

këlintoenff» Pad. bov.l. houten klok 
of bel aan den hals van buffels. 

këllp» flikkeren van de oogen, ronken 
schieten; takèlip maia, één oogwenk; 
këlip api, vuurwerk; kéUp-kèUp en 



kttam kiêlip, vuurvlieg; ook lovertje en 
een vlammetje dat op en neer flikkert, 
zooals van een uitgaande kaars. 

këlipar, zie gelipar. 

këlipit, omgebogen hoek, vouw langs 
den kant, vdW. Zie lipat en Mën. wrbk. 

këlir, Jav. scherm van wit katoen, 
waarachter de dalang de wajangpoppen 
vertoont. Pr. Dj. 

kêliroe, Jav. misleiding, dwaling, ver- 
keerd, in de war, vergist. 

këlifl» I. met de punt opzij uitsteken, 
b. v. van een pen uit een bos pennen ; 
mengeliskan kakiy met de punt van 
den voet opzij schuiven. II. méng^liSy 
knippen met de oogen. 

këlisal, mat, waarop men de voeten 
afveegt. 

këlisar, ook kelisaly voetmat, vloermat. 

këlisip, de dunne, buitenste huid van 
een banaanstam, van welks vezels men 
touw en bindgaren maakt; iali këlisip, 
touw daarvan gemaakt. 

këlit; b^rk^lit-kUity zich hier en daar 
verbergen. 

këlitah, zich mooi voordoen in hande- 
len en spreken, meer dan naar dage- 
lijksche gewoonte. 

këliti» roerpen, dol. 

këiiljap, = ijtritjai, zie ald. 

këlilji, Batav. e. S. v. kleine, ronde 
vrucht, waarmede men wel knikkert 
en vandaar dat onze gewone knikkers 
ook zoo genoemd worden. 

kelo; daoen kelo. e. %% v. bladgroente. 

këlodan; panak ktlodhn, verschietende 
ster; ook e. s. v. ouderwetsche hand- 
boog, die niet zuiver rond, maar als 
een knie gekromd is. 

këloe, stom, méng'ëloewi, zich over iets 
stom houden. Pr. Dj.; Urk^loe^ ver- 
stomd. 

këloebi, e. s. v. boom, die tot het ge- 
slacht der sala^ behoort en in vochti- 
gen grond groeit. Zie asam. De vrucht 
is zuur en de bladeren worden tot 
atap gebruikt. 

këloeboens; niiing'^loeboeng^%t\i&fi\ om- 
hullen, bedekken; verduisteren, bene- 
velen, van het verstand. Zie ook se- 
loeboeng en këroeboeng, 

këloeboeran, diepte, afgrond, valkuil. 
Zie ieoeboer. 

këloeb, I. zucht; b^tk^loeh en m^«^^- 
loeht znchten ; niéngtloeh • pa/iidjwig, 
diep zuchten ; m, tedikit, even zuehteii ; 



kêloek ^— kelor. 



179 



keloeh-ïcèsahf gezucht en gesteen. II. 
Jav, neusring als versiersel. Pr. Dj. 

këloek, van /o«?^, bocht of kromming 
in iets; Men. kéloe^, id. misainja blèr- 
keloe^, zijn knevel was met bochten. 
Mes. Kag. Zie )éloe^ en kaloeif. 

kêloekoep, e. s. v. boom, die de beste 
boombast levert tot dekking van huizen. 

këloeli, zie kelola II. 

këloeloe; tiada b^rkeloeloe, zonder 
overleg, niet overlegd. Ibr. b. Chas. 
Zie loeloe. 

këloeloes, e. s. v. vaartuig. 

kêloeloet, e. s. v. vlieg, waarvan de steek 
goto achterlaat ; e. s. v. insect, dat honig 
in een zakje vervaardigt, vdW. ; gttah 
k.f de gom van die vlieg. 

këloem, de rand van de opening naar 
binnen gekeerd, zooals bv. van den anus 
en andere buisvormige lichamen. Zie 
ook koeloem. 

këloempoek, hoop, troep, verzameling 
van levende wezens, die bij elkaar zit- 
ten ; èerkïloempoe^'&eloempoe^, bij troe- 
pen of groepen. 

këloempoeng:, « Uêloempoe^, zie ald 
ook: school, van visschen; b^rk'éloem- 
poengan^ bij scholen. 

keloens, bamboezen staketsel in zee in 
de gedaante van een fuik, om visch 
te vangen; k. batawiy een bijzondere 
soort daarvan. 

këloene, I. in het midden omgebogen, 
b V. van rotan, zoodat de einden even- 
wijdig loopen; nïéng^loengif omsingelen 
van een vijand. P. Dj. II. e. s. v. lang- 
werpig vierkant schild. 

këloepas, zie koepas. 

këloepoer, spartelen als een geslachte 
kip. Zie gel<épar. 

këloes, afgestroopt, van de huid be- 
roofd. 

'këloesoeh; kétoeaoeh-kllasah^ zich al 
omwentelen op zijn bed, zich om en 
om gooien, woelen in het bed. S. Dz. 

këloel^jak, = kUoepas en k'tloepa^, 

këloetoem» e. s. v. boom, Artocarpus 
altisaima. Pal. 

këloe\^anffy Mal. uitspraak van het 
Jav. kalong^ e. s. v. groote vleermuis, de 
vliegende vos. Zie ook sikoe. 

këloewëk, Jav. ss ktpajang^ zie ald. 
en iémawang, 

këtoeMri, e. s. v. brandnetel, waarvan 
de poelai'^tMA vervaardigd wordt, M. 

këloewih, Jav. broodboom, welks rrueh- 



ten van groote pitten voorzien zijn, ■■ 
koeloer. 

këlojak, geheel of gedeeltelijk losgaan, 
loslaten van vel, schil en dergel. 

këlok; kelo^-kele^, op verschillende 
wijze uitvluchten zoeken. 

kelok; kelang-kelo^^ slangenliju, ook 
zulk een lijn met uitspringende krullen. 
Zie kaloe^, 

këlola, I. tnëngelola, doen, uitvoeren, 
behandelen; tiada ièrk^lola, niet te 
doen zijn. II. ook keloeli, staal j pakoe- 
klèlola, een stalen spijker. R. Chaib. 

këlolot, onverstaanbare geluiden voort- 
brengen, zooals b. V. de tong van een 
stervende. 

këlompang, e. s. v. boom, die holle 
vruchten draagt; hol, ledig, b. v. van 
een trommel, dop en andere voorwer- 
pen, waarvan de inhoud er uit is. 

këlona, e. s. v. wilde aardvrucht, met 
dradige, eetbare knollen. 

këlonskons, de nog zachte en eetbare 
dop van de kokosnoot. Zie Ungkalo^, 

këlongsonfi:, omhulsel, zooals dat van 
de maïs of van de peper. Mén. de bla- 
derige stof, die de rotanplant omvat. 

këlonsonjtf = k^longsong ^ zie ald. 

këlonit, ziertje, stofje. Zie k^.Umit, 

këlonsor, = g^longsor^ zie ald. 

këlontanft» e. s. v. levenmakenden vo- 
gelverschrikker. 

këlontons» rammelaar, naar deszelf^ 
geluid zoo genoemd; ook: chineesche 
marskramer, die zich met zulk een 
rammelaar aankondigt. 

këlopak, hulsel of dekblad, dat zich 
van het voorwerp loslaat, b, v. de dek- 
bladen van een bloemknop, de zool 
van een schoen enz.; k, boeloeh^ de 
vezelachtige hulsels v. bamboe; ktlopajp 
boenga^ de dekbladen van een bloem; 
k'ëlopa^ strodja, de hulsels van een 
lotus-kelk, ook de naam van e. s. v, 
metalen kom met voet, gebruikt om 
daarop een gevuld glaasje of kopje te 
presenteeren; k, d^angtoeng, de schut- 
bladen of hulsels van de pisangbloem; 
k, maia, de oogleden ; lilin k.y een soort 
van waskaarsen, versierd met sehut- 
bladen, die bij feestelijke gelegenheden 
worden gebruikt. Zie ptlopa^, '- 

kelor» Jav. e. s. v. boom, » miroenggaiy 
zie ald. De wortel van dien boom heeft 
veel van mierikwortel en wordt daar- 
voor wel gebruikt. Zie k^entang. 



180 



këlorak — këmbara. 



kêlövak» e. s. y* winde, die als groente 
gegeten wordt. 

këmahane* zie bij pakoe. 

kêmal, rookerig, smokerig, groezelig. 
Keasb* en d. B. Jet. kemély klam van 
kleeren door de vocht of het zweeten. 

këmalaiy slap, teeder; lèmah Uémalai, 
slap en teeder, zwiepend. 

këmam; m^ttgèmam^ in den gesloten 
mond houden, b. v. van een slok water 
enz. binnen houden, niet uitspreken van 
een woord of gezegde. Ook: mommelen. 

këxnanakan» Pad. bov.1. zusters kind; 
kHmanakan dibawah loetoet, naam, dien 
men geeft aan de afstammelingen 
van slaven; zoo ook, doch bepaald 
ironisch: kemanakan dtngan seóaö; zie 
bij ana^; hiervan ook de vorm kemana- 
kauda, Kruijt Mal. br. II. n°. 20. 

këznandaloe, Skr. waterkruik zooals 
de brahmaansche kluizenaars aan een 
touw om het lijf dragen. 

këmang:, I. e. s. v. geesten. II e. s. v. 
boom, die op de bindjai gelijkt; warna 
k^mang^ groenachtig wit. 

këmap» e. s. v. boom, die timmerhout 
levert en oliehoudende vruchten draagt. 

këxaai*ai], droog van het jaargetijde, 
lens of droog gehoosd van een vaar- 
tuig, dat water in het ruim heeft; 
moeiim k., het droge jaargetijde; ber- 
k'émarau, het water uit het ruim hoozen. 

këmaren, = kalamariy zie ald. 

këmaroek» veel eetlust hebben, zoo- 
als een herstellende, hongerig. 

këmasy gepakt in een kleine ruimte, 
b, V. in kist of koffer, ingepakt, ge- 
Bchiktj weinig ruimte in iets beslaande, 
gereed, kant en klaar voor iets ; barang- 
b&rang k^maSf ingepakte zaken, d. w. z. 
kostbare zaken^ fijne waar; hirk'^mas- 
kïmas, aan het inpakken zijn; berke- 
mos diriy zich in orde stellen, terecht- 
schikken. 

Jcëmau; ièroeng k)imau^^.^.y. ei vrucht, 
oük kttémajoeh genoemd. 

këma-wany zie bij awan. 

këoüb^latf naam eener stad in het 
6oav. van Madras; kaïn k,, doek van 
daar afkomstig. 

kën&bal, zakje, van bladeren gevloch- 
ten, tot berging van kleinigheden, zoo- 
als tabak enz.; doosje voor toovermid- 
delen, dat dichtgesoldeerd op den buik 
gedragen wordt; doosje voor kostbaar- 
heden. Zie kamèal, Mën. wrbk. 



këmbaliy weder, wederom, terug, naar 
huis terug, nogmaals, op nieuw, terug- 
keeren; ktmbali karal^mat Oellak, tot 
Gods barmhartigheid terugkeeren, fig. 
uitdr. voor sterven; mengembalikan, 
weeromgeven, teruggeven, doen terug- 
keeren; daiang kïmbaliy weeromkomen, 
terugkomen. 

këznban, doek, door vrouwen op den 
boezem gedragen. 

këmbang, ontplooid, open, ontloken, 
van alles wat men zich samenge vou- 
wen en in elkander gesloten denkt, b. 
V. bloemen, zonneschermen, het hart' 
enz. ook van het uitspansel; Jav. bloem; 
bèrk^mbang, zich ontplooien, zich ope- 
nen; stdang berkembangan boenganjay 
stond juist in vollen bloei; kembang- 
koentjoepy zich uitzetten en weer slui- 
ten van de neusvleugels; m'tèng'ëm- 
dangkan, iets ontplooien, openen, ook 
van de ooren, zeilen enz. boenga sak)èm^ 
bang, een geopende bloem; boenga k'ém- 
bang satahoen, e. s. v. fraaie, paarsche 
bloem, die het geheele jaar door bloeit ; 
kembang stmangko^y de vrucht van de 
mèrpajang, die, in water geweekt, zich 
uitzet tot de grootte van een kom- 
metje; kembang elmoe, het zich ont- 
plooien van de wetenschap, ook het 
zich verspreiden daarvan; mêngembang 
bakoeng, zich ontplooien als de bakoeng- 
lelie, fig. uitdr. voor fraaie haarlokken; 
hoedjan pengembang boenga, malsche 
regen, die de bloemen doet ontluiken; 
Cerktmbanglah hatikoe, mijn hart ging 
open. Hik. Abd. bdlai k,, een kleine 
balai tusschen de ingangspoort en de 
vorstelijke woning. 

këuibar, tweeling; twee of meer van 
zaken die bij elkander behooren en aan 
elkander gelijk zijn; ana}e k>, twee- 
lingkinderen; tali rotan kembar tiga, 
touw bestaande uit drie in elkander 
gedraaide rotan 's; m^tg^mbarkan dë' 
ngan, gepaard doen gaan met, paren 
aan, b. v. het eene versiersel met het 
andere; ook naast elkander doen loo- 
pen van dieren, b. v. koedanja pon dp- 
k(êmbarkannja déngan koeda Antar, hij 
liet zijn paard naast dat van A. loe- 
pen, R. Chaib.; mènglèmbari, iemand 
bijstaan, zijn partij kiezen, Pr. I>j. ook : 
zich als partij tegen iemand steUeH) 
hem staan. H. T. 

këmbat^, zie kombara. 



këixil>eli — këxnpa. 



181 



këxnbëli, kamelot, e. s. v. grove wollen 
stof, baai, wollen deken; harig kleed, 
boetelingskleed, haardoek voor tenten; 
kvpijah kêmblèli merahy kalotjes van 
roode baai, Pël. kaMek. 
këxnbera, opstuiven, opvliegen, b. v. 

van vuur, waarin gepookt wordt. 
këmbili, e. s. v. eetbare aardvracht; 
soorten zijn: k, tora^, en k, keling. 
Zie ook oebi. 

këmbiri, = kebiriy zie ald. 

këxnboenai» — r^mboenai, middel- 
matig. 

këtnboeng:, opgezet, opgeblazen, bol, 
bolle kant van iets; kemboeng klèmpis 
en klmpis klémboeng^ uitzetten en weer 
invallen, van buik of wangen, ook van 
den neus, na hard loopen en van een 
kikker; peroet kemboeng, een opgezette 
buik; ikan k)^uiboengy e. s. v. makreel, 
die, even als onze haring, op gezette 
tijden in groote scholen in de Indische 
zeeën komt. 

kembok, koperen vingerkom, zooals de 
Maleiers bij het eten gebruiken om de 
vingers nat te maken en af te spoe- 
len; kembojfi katja^ glazen vingerkom, 
door de Europeanen voor dat doel ge- 
bruikt. 

këxnë^jan, e. s. v. haai. 

këxneb, urien; b^rkemeh^ urineeren. 

këmëli, = k'ëmb'ëli, zie ald. 

këmëloet, beslissend oogenblik in een 
gevaarlijke toestand, b. v. de crisis bij 
een ziekte, de storm bij een belegerde 
vesting; k. naik, klimmend gevaar, 
ongunstige crisis; k. toeroen, gunstige 
crisis. 

këmëndikai, ook mëndikai, e. s. v. wa- 
termeloen. 

këmëncyaja» Jav. de god der liefde, 
b. V. haloes manis sap^rti kemendjajay 
Pr. Dj. zacht en vriendelijk als de god 
der liefde. 

këmënnjan, ook mtnnjan, de benzoë, 
e. s. V. wierook of welriekende hars. 
Hiervan vier soorten, als: k, arab, k. 
poetihy de beste; k. hiiam en k. merahy 
welke laatste ook djtrtnang wordt ge- 
noemd, zie ald. Boewah k'ëménnjan, de 
zaden van dien boom, welke als genees- 
middel worden gebruikt. 

këmiline, = kemiri, zie ald. P. Vol- 
gens Abd. schets wrdb. sap^rti gadjah 



këmintinis; boewah kïminting, e.s. v. 



olie bevattende noot, de këmiri-noot 
op Java. Zie bij boewak. 
këmiri, Jav. e. s. v. boom, die oliehou- 
dende noten levert, welke bij de spijs- 
bereiding worden gebruikt. Mal. boetoah 
keraSy zie boewahy en ook koembe^p. 
këmit, Jav. wachtsvolk ; k. toewoehy oud 

Jav. e. s. V. arm- of beenband. 
këmkëmay zie koemkoema. 

këmoedi, (van het Jav. oediy achter) 
roer van een vaartuig, kolf van een 
geweer; k, sepaky roer dat als een 
lange riem aan de eene zijde van den 
achtersteven uitsteekt en met een uit- 
stekende roerpen, tjélagay in beweging 
gebracht wordt ; k. tjawaty een euro- 
peeseh roer; tangan k^moedi, zie tfi- 
laga; berk^moediy aan het roer staan, 
sturen, b. v. jang blèrk^moedi Omar, 
karlèna ija bijasa bh^kémoediy die aan 
het roer stond was Omar, want hij 
was gewend te sturen. R Ch ook: 
mhtg^moedikan en mêmégang kimoedi; 
patah kièmoedi dhtgan lèbamnja, fig. 
uitdr. voor: alle hoop is verloren. Zie 
bam III. 

këmoedian, vervolgens, daarna, ach- 
ter, later, na; k^moedian daripada 
Hoe, daarna; k^moedian hariy in later 
dagen, naderhand; terk^moediaUy de 
achterste zijn, achteraan komen. Zie 
ook kèmoedi en oedi. 

këmoekoes, Jav. staartpeper, cubeben, 
= iada bèrekoer. Zie temoekoet. 

këmoel» Jav. dekkleed, deken. 

këcnoeninfi: (van koening) e. s. v. boom 
met hard, fraai geel hout en welrie- 
kende bloemen. Het hout wordt veel 
voor krisheften enz. gebruikt. 

këcnoentina:» = karamoentingy zie ald. 

këmoentjak, top, zie poentjajp en 
koentja^. 

këmoentloepy e. s. v. gras. 

këznoer, zie koemoer, 

këmoet; méng^moety zich samentrek- 
kend sluiten, zooals de endeldarm na 
ontlasting, de taaie modder om het 
been, dat er in trapt, samentrekken v. 
d. mond. Zie ook koemat. 

këmol ; kemol-kemol, op- en neergaan 
van de onderkaak bij het kauwen, P. 

këmolai, « klèmalaiy zie ald. ' 

këmpa, iets, waarmede men op iets 
drukt; tjap klèmpay het oude rijkszegel 
der Maleische vorsten; kdmpadfty pers, 
oliepers. 



182 



këmpang: — kënal. 



këxnpans, e. s. v. rivierboot van een 
uitgeholden boomstam en meestal niet 
opgeboeid. Zie Mmboeng. 

këmpas, e. s. v. boom met fraai rood 
wortelhout. 

këmpiloh, e. s v. gevlochten koffertje 
met los deksel. 

këxnpis, ingevallen, van de vrangen, 
buik, een gezwel, ledige zak enz.; »i^- 
Hffémpis, een benepen gezicht vertoonen. 
Zie ook k^mboeng. 

këmpit, Jav. = Uèpity zie ald. 

këmpoe, e. s. v. ronde doos met dek- 
sel, ter bewaring van kleederen, naai- 
werk, ook wel van spijzen of reukwerk, 
dameswerkdoos. 

këmpoel, naar den adem hijgen. 

këmpoens, I. ingevallen van de wan- 
gen, van iem. die geen tanden meer 
heeft. Zie Uèrempoeng. II. ktmpoengan, 
Batav. de blaas, de onderbuik. 

këixii>onan, door een ongeval getroffen, 
tengevolge van het niet gebruiken 
eener aangeboden spijs of drank; on- 
geval van dien aard. In het Jav. is 
ampoewan een verlamde toestand, waarin 
iem. door de machtige werking van 
iem. of iets gebracht wordt; geraakt- 
heid, beroerte, door een bovennatuur- 
lijke macht geslagen. 

ken of kiuy praeffx voor vrouwennamen, 
zooals o. a. Ken Taboehan uit de be- 
kende sjair van dien naam. 

këna» geraakt, getroffen, aangedaan door ; 
juist passend, van pas zijn, goed zit- 
ten van een kleedingstuk, gekregen 
hebben van een ziekte, vloek enz. Van 
het voorwerp dat raakt, treft enz. zegt 
men (érklèna kapaday b. v. ktna dêmam, 
de koorts krijgen, kena lanat^ door 
vloek getroffen worden; ktna tembaie, 
door een schot geraakt; këna loeka, 
gewond worden; khia dénda, beboet 
worden; khia djhraty in den strik ra- 
ken; kina djaring, in het net raken; 
khM maloCy beschaamd gemaakt wor- 
den; kéna anUng-aniing, oorhangers 
aankrijgen; këua karaniy schipbreuk 
lijden; khtd karang, op een klip stoo- 
ten; kHa kêrelja, werk toebedeeld 
worden ; kHa imas, omgekocht worden ; 
k'ëna sjaifduy door den duivel bezeten 
worden; klèna tipoe, bedrogen, gefopt 
worden; k(èna S(édjoeif, verkouden wor- 
den; khM hoecyaft, beregend worden; 
khta hangoes, aangebrand zijn; kena 



dingtTtf een koude vatten; kena oempai 
en kena fitnah, gelasterd worden; 
khta tjoekai en k. beja^ veraccijnsd 
worden, inkomende rechten te betalen 
hebben; kina oepMi, cijnsbaar worden; 
kena sij^sa^ straf ondergaan; kina 
sja^i verdacht worden, ook argwaan 
koesteren; kena Itoekoem, gevonnisd 
worden; kena tikam^ gestoken; klèna 
roegif verlies lijden; kena moerka, in 
ongenade vallen bij den Vorst; pe^ 
loeroe itoe ürkena kapada dahinja, die 
kogel raakte zijn voorhoofd; wenglnaï, 
iemand met iets raken, treffen, ook 
met e. bedwelmings- of too vermiddel ; 
niéngenakan, iem. aandoen, b. v. klee- 
deren, versierselen, wapens enz. aan- 
wenden, appliceeren, b. v. geneesmid- 
delen, toovermiddelen, listen; tiada 
bolih dikïna-klnakan, niet telkens > ge- 
fopt kunnen worden; meng'enakan 
gajanja^ hare sierlijke manieren aan 
den man brengen, van eene coquette. 
N. B. Soms komt kena ook voor in de 
bet. van het Jav. kenna^ kunnen, mogen, 
mogelijk, vooral op Java. Maka khia, 
daarom of daardoor is het. . . . 
kënal, kennen, herkennen, onderkennen ; 
mmgenaly iem. of iets kennen, bekend 
zijn met, herkennen; menginalkany in 
kennis brengen, introduceeren ; niéng<è- 
nalkan dirinja^ zichzelf introduceeren 
of voorstellen; kenalan, bekende, een 
kennis; klnal-kenalan, kennissen, be- 
kenden; kakenalan^ bekend, gekend 
worden; bMlênal-kënalan, met elkander 
of onderling met elk. bekend zijn; 
samen kennis maken ; iiéndalp meng'énal- 
nghial, om kennis te maken; tahoe 
mengenal permata, edelgesteenten weten 
te onderkennen; mengenal^nglénaU, elk. 
leeren kennen, I. P. ; minia dikiénal- 
kiènali, verzoeken in kennis gebracht 
te worden met, I. P.; kenal-nténglènaly 
elk. onderkennen, b, v. in een algemeen 
gevecht of in het donker, Pr. Dj.; 
soerat kenalan, aanbevelingsbrief, ge- 
schreven introductie; maka katanjai 
toewan khiat-ktnallah ada tjoetjoe saja 
doewa orang int, en hij zeide: mijn- 
heer, mag ik het genoegen hebben u 
deze mijn beide kleinzonen voor te 
stellen. Vrij vert. Pël. Abd. tiada 
ménghial manoesia lagi^ niemand meer 
sparen of ontzien in den krijg. Pël. 
Abd. 4S mijne uitg. ; tanda piénglna^. 



kenan -— benisah. 



183 



herkenningsteeken ; Uada kakénalan 
lagif niet meer te herkennen. 

Isënan, behagen, welgevallen; berkenan, 
welgevallen, behagen scheppen of heb- 
ben; berkenan akan of herkenankan^ 
hetzelfde met obj. dus in iets; herke- 
nan kapada en niêmperkenankany aan 
iem. bevallen, iem. genoegen geven, 
behagen. 

kënaniSt zich te binnen breugen, met 
verlangen aan iets denken, zich iets 
herinneren met meewarigheid. N. B. 
Dit woord wordt dikwerf verkeerd ge- 
bruikt voor kenatty welgevallen, inge- 
nomenheid, b. V. klènangatiy ingenomen- 
heid, welbehagen; tiada Hérpenghia- 
ngan^ ergens niet mee ingenomen zijn, 
geen behagen in iets hebben, er niet 
van gediend zijn; tiada bolih akoe 
kenangkan^ ik mag er niet aan denken. 
Zie kenan. 

kënanga, e. s. v. boom met zeer wel- 
riekende bloemen. 

kënantan ; hajam kenanian, witte vecht- 
haan met witte pooten. 

kënapa» op Jav. waarom, waarvoor, « 
mêngapa, zie apa. Soms ook als sameutr. 
van kièna apa. 

kënapans; boewah k. — boewah badam, 
zie èadam, 

kënari, e. s. v. boom, die amandelach- 
tige vruchten draagt, waarvan een 
fijne soort van olie, minja^ kënarif ver- 
vaardigd wordt; kënari wolanda, aman- 
delen. 

kënas» gezouten schelpdieren met bij- 
menging van rijst of sago tot gisting 
gebracht. 

kendaea, e. s. v. houten kistje, bekleed 
met vlechtwerk en met schelpen ver- 
sierd, ter berging van kleederen enz. 
Ook gïndaga^ gedaga en pïndaga. 

këndak, minnaar, minnares in kwade 
beteekenis; (waarschijnlijk van kahén- 
daif)-y bërkënda^, minnehandel hebben, 
overspel bedrijven. 

këndala, Skr. ook g<êndala en gondala, 
verhindering, hindernis, beletsel; mëm- 
hltri ktndala, en méngëndalakaft, een 
beletsel in den weg leggen, iets niet 
doen plaats hebben op grond van ver- 
hindering 

kêndali, Jav. toom, hoofdstel van een 
paard; tali klèndali, leidsel, teugeU 

kendaniK, Pad. bov 1. ~ tUendang. 

këadatiy verk. van kaKéndaJp hati, laat 



jtaan, al is het ook, zooals ge wilt. 

këndek? b. v. berdjalan férk^nde^-k^n- 
y<?^,^waggelend gaan, Sw. 

këndêlam, zie ktdélam. 

këndëri. Tam. een goudgewicht ter 
zwaarte van ^'^ mos of | ioang\ = 
sagay zie ald. 

këndiy aarden waterkruik met tuit; 
laboe kendiy de ileschkalabas om hare 
gelijkenis met zulk een kruik; daoen 
kendi, kannekenskruid, de nepenthes; 
k^éndi bïloelang, lederen zak voor water 
of wijn; m)èng'ièndi, gudsen van vloei- 
stoffen, zooals de straal uit de tuit van 
zulk een kruik. N. Moeh. Zie ook 
gamoh en doraje. 

këndiriy = sendiriy zie bij diri, 

këndit, gevlochten buikband, soms van 
gouddraad, die om het bloote lijf ge- 
dragen wordt. Ook g^ndit en kMit. 

këndjoer, zie k^djoer. 

kendoexifi;; mengendoeng, in een doek 
dragen, b. v. vruchten in een zakdoek, 
vdW. Mogelijk een verkeerd gehoord 
gendoeng. 

këndoensan» e. s. v. boom, welks bast 
bij het rood verven van zijde voor de 
vastheid der kleur gebruikt wordt. 

këndor, slap, los, niet gespannen, b. v. 
van een touw, de teugels enz. zonder 
veerkracht, traag; toewa jang klèndor, 
oude lammeling I scheldwoord. Ibr. b. Ch. 

keng:, I. klanknabootsend woord, zie 
koeng. II. waterdicht beschot, waardoor 
het vaartuig in waterdichte vakken 
wordt verdeeld, moet kong zijn. 

keniskanfi;, op den rug liggen met één 
been recht uitgestrekt en het andere 
opgetrokken, zoodat de voetzool op den 
grond staat. 

kenekeng, I. méngengkengy een poot 
oplichten, zooals de honden doen. Mën. 
m^ngèngkèngy druipstaartend wegloopen. 
II. = tfönkeng. 

kënine, wenkbrauwen; k. harimm, gil- 
ling, die op een pilaar ontstaat door 
den overgang van den achtkanten tot 
den vierkanten vorm; kïtika angkat 
kening y tijdsbepaling, ongeveer 8 uur 
's morgens, wanneer men de wenkbrao* 
wen even moet opslaan om de zon te 
kunnen zien; k^tika p^nghabitan ang- 
kat ktningy het tijdstip waarop men de 
wenkbrauwen geheel moet opslaan om 
de zon te kunnen zien, ongeveer 9 uur. 

kënisah, Arab. samenkomst, tempel van 



184 



kënivia — kepak* 



joden of christenen; zedig, ingetogen 
meisje, schoone vrouw, die om hare 
schoonheid verborgen gehouden wordt. 

kënnja, I. Skr. maagd. II. siriA sa- 
kUnnja = 9iriA s'étampin, een klaarge- 
maakte sirihpruim. Batav. 

kënxjal, elastiek voor het gevoel, zoo- 
als b. V. een goed gevulde bultzak, een 
gevulde blaas, een gezwel; van spij- 
zen: zeepachtig, taai, b. v. van aard- 
appelen enz. 

kêzuvjam» even met de lippen smak- 
ken, b. V. bij het proeven van iets. 

kënxijaxifi;, verzadigd ; ook goed vol, van 
iets dat opgevuld wordt, zooals b. v. een 
bultzak j méngïnnjangkany verzadigen. 

këni^at, I. Batav. krimpen, verkleumen, 
n. Soek. smeeren of uitstrijken van 
vochtige of kleverige zelfstandigheden. 

këntvioet; méngennjoet^ zuigen aan 
borst of uier; b. v. ia maoe fning^n- 
njoei hoeda^ Hoe, dat kind wil niet 
zuigen; mïng^nnjoet, ook zulk een zui- 
genden mond trekken, zooals de apen 
doen als ze het bijzonder goed meenen. 
Zie genjoet. 

këni^i, Batav. kleinzeerig, teeder, licht 
ziek. 

kënx^irt belust zijn; k, makan, eetlust. 
Zie tVf^i». 

kënx^it* toestemmend of aanmoedigend 
met de oogen knippen, een knipoogje 
geven. Pr. Dj. 

Jsënoenis, galmend geluid, zooals van 
een groote klok, koperen bekken, waar- 
op bij het gamélanspel de pauzen, ge- 
slagen worden. 

këtitalf dik, lijmig, niet vloeibaar, ge- 
bonden ; ajar kandji jang ktntal, dikke 
stijfsel of rijstwater; perékatjang kèntaly 
dikke lijm. 

këntans, aardappel. 

këntara ss kUara, zie ald. 

këntël, Jav. zie klèntal. 

kënyansy strak, stijf aangehaald; angin 
kéntjangt een stijve bries; ménghitjangy 
aanwakkeren van den wind; mhtgH- 
tjangi, iets spannen of strak aanhalen. 

kën^ana, Skr. zie kantjana, 

këoyati ménghUjat, uitdagende blikken 
toewerpen P b. v. maka olih Moehammad 
Zaid dikhitjakija dëngan matanja Aboe 
Bakr Hoe, en door M. Z. werden A. B. 
met zijne oogen uitdagende blikken 
to^eworpen. H. T. zie Mën. wdbk. 
kantjai^ 



kentjens, I. Chin. e. s. v. ijzeren dril- 
boor, die met een boog, waarop een 
snaar, in beweging wordt gebracht. 
II. europeesche ijzeren waterketel met 



këntjins, pissen, wateren ; ajar k^ntjing, 
urine; ana^ k'èntjing, een onecht kind; 
k^ntjing n^anis, de suikerpis; k'éna 
kentjing poefëri, met gele spikkels, van 
tabaksbladen enz. k'^nfjing dipapan, op 
de planken pissen, fig. uitdrukking 
voor zeuren, leuteren, zooals b. v. suffe, 
oude lieden; mengenijingi, bepissen; 
tïrkentjing, onwillekeurig pissen; pe- 
ngentjingan, de pisblaas. 

këntjoengy rammelend geluid, zooals 
van een stapel borden, die neergezet 
worden. 

ken tj oer, Jav. ~ tjekoer, zie ald. 

këntoeng» I. galmend geluid, zooals 
van een kleine klok, een holle bamboe 
met spleet, waarop men met iets hards 
slaat; kïnioeng-kentoeng, houten sein- 
blok van het wachtsvolk. II. Jav. 
gentoeng, e. s. v. aarden pot, waarin 
vroeger de lalang-suiker in den handel 
kwam, 

këntoet, veest, wind; k^ntoet apij bij- 
naam van een kanon in de H. Atj. 
daoeu klénioety naam van een klim- 
plant, welker bladen stinken ; Urktntoei, 
bij ongeluk een veest laten, Pr. Dj. 
m^ngentoetkaUy iem. of iets beveesten. 
Mes. Kag. 

këpah, e. s. v. platte en breede, eetbare 
zee-mossel; k^pah gading ^ e. variëteit 
daarvan. 

këpai, »= kepajp, zie ald. 

këps^a en pepaja, = beiiky zie ald. 

këps^ane, e. s. v. grooten boom, met 
flauwe, doch eetbare vruchten, die een 
bittere en bedwelmende pit hebben, 
vandaar het Sprw. oempama boewah 
k'èpajangy dimakan maèoie, diboewang 
sajang. Deze vrucht, in warm water 
geweekt, zet zich zeer uit en levert, 
vermengd met bidji soelasih en suiker, 
een verfrisschenden drank, tjintjaoe ge- 
naamd. Zie ook mangkoh 

kepak, naar boven gekromd of opge- 
licht' van arm of been; mengepa^ anajp, 
een kind zoo dragen; ook gebeaigd 
voor het tijdperk, waarop de jonge 
rijstplantjes de eerste zijspruiten ver- 
toonen. Mën. kipak, schrijdelings op de 
heup dragen v. kleine kinderen. 



këpak — këra. 



185 



kêpak, I. vleugel, vlerk; rnengepaljc-ngé' 
pa^, klapwieken, ook met de armen 
tegen het lijf slaan bij het dansen-, II. 
zeer vermoeid, afgemat door lichame- 
lijke inspanning. 

këpal, klont, kluit, gekneede bal, b. v. 
van gekookte rijst, hoop van drek of 
stront. P. D. ; rnéngepal, kneeden, sa- 
menvouwen en drukken van de handen 
zonder de vingers te kruisen; berkepal- 
k'ëpal, de handen om en ora aldus sa- 
mendrukken; k^pal-k^pal, e. s. v. koek- 
jes. Zie ook k^poel, 

këpalaxxg:, zie alang. 

këpam, verlegen, verstikt, zooals ma- 
nufacturen, rijst enz. door lang liggen. 

kepang, I. wacht aan boord. II. Zie 
kepoi. 

këpasai, Parkia macrocarpa (Mimo- 
sées) d. 1. Cr. 

kepek, ingedrukt, van een deksel, den 
neus en dergel. Zie ook kepoe^. 

këpek, I. e. s v. groote, overdekte doos 
van bamboe met twee hengsels van 
rotan, waarin men zijne reisbenoodigd- 
heden pakt. II. plat ingedrukt van den 
neus; zie het vor. wrd. 

kepeng, = keping, zie ald. 

këpens, zie keping. 

kepet, ongewasschen van de billen, ge- 
bruikt als scheldwoord voor de hollan- 
dersj b^landa kepet, een vuile hoUan- 
der, vuilik. 

këpingin, Jav. lust naar iets hebben, 
naar iets verlangen, van ingin, zie ald. 

këpüat, de uitgeperste vezels van ge- 
raspte kokosnoot; gewoonlijk hampas 
njioer genoemd. 

këpik, I. e. s. v. groene, zeer stinkende 
tor. II. fijne deuk, fijn gedeukt, met 
kleine deuken, b. v. pétjah saroeng keris 
'kita dan ptndoewanja pon k^pii^-k^pii;^ 
de scheede van onze kris was gebroken 
en ook de bij-kris was met deuken. 
Pr. Dj. 

këpil, vlak bij iets anders, of tegen iets 
anders aan, zij aan zij; niéngepilkan, 
meren, aanleggen, b. v. van vaartuigen, 
aanklampen, ook vlak bij iets doen 
ophouden of vastleggen van olifanten, 
dioht tegen het lijf houden, b. v. een 
kind; i^rfcépil, vastgemeerd, vastgelegd. 

. Zie ook dampil. 

këpindinfiT, W. Sum. =: pidjai, wand- 
luis. Ook pinding, 

këpins, of k^peng, iets plats en duns, 



een plat dun stuk, ook gebruikt als 
hulp-Telwoord bij de opnoeming van 
het aantal geldstukken, planken, bor- 
den, papier, stukken gronds enz. ber- 
keping -keping, aan stukken, aan flarden, 
in spaanders, in vlokken, b. v. van haar. 

këpiri; kain k^piri, servetgoed, wit da- 
mast K. mogelijk een verbastering van 
ons keper. 

këpit, geklemd tusschen den arm en het 
lijf, ook tusschen de vingers; meng^pit, 
iets zoo dragen, b. v. een boek enz. Zie 
apit en kïmpit. 

këplting, e. s. v. eetbare zeekrab. Ook 
piting. 

këplek, Jav. zie tjemp^le^. 

këplesed, Jav. uitgegleden. 

këpodang, Jav. wielewaal. 

këpoQjoe; ikan k.y e. s. v. visch, Abd. 
Schets wrdb. 

këpoejoeh, = poejoeh, zie ald. 

kepoek; térkepoe^, gedrongen naar één 
kant, van een leger; iêrkepoeJe kakiri 
dan ierkepoelc kakanan, naar links en 
naar rechts gedrongen, van een leger. 
I. P. Zie kepohy Men. wrdb. 

këpoek, grove deuk; mengepoe^kan^ 
deuken. 

këpoel, dicht, dik, gepakt, van rook- 
wolken; méngepoely zich zoo voordoen, 
die hoedanigheid vertoonen, ook: zwel- 
len van de zeilen. 

këpoeng; niénglèpoeng, omsingelen, om- 
ringen, insluiten, belegeren; k'époeng- 
gendang, afsluiting van den weg van 
voren en van achteren; p^ng^poeitgan^ 
belegering. 

këpoeroen, pap van sagomeel. 

këpoh, vol, b. V. met stof; vol van de 
zeilen; 'lajar pïngïpoh, het bovenste, 
vierkante zeil, boven-bramzeil. 

këpok, holle cylinder van boomschors, 
ter berging van rijst enz.; képojp-klépo^y 
e. stijve kraag a. e. maleisch baadje. 

këponakan» broers- of zusters kind, 
neef of nicht. 

kepot, in elkaar gedraaid of gefrom- 
meld, zooals de punt van een peper- 
huisje, samengeplooid van den mond, 
ineengedoken, zooals b. v. een beschaamd 
meisje; kepang-kepot^ hetzelfde met ver- 
scheidenheid. 

kera, werktuig voor het weven van lint, 
koord, lampekousen en dergel. 

këra, aap, inz. de gewone groene bavi- 
aan of meerkat; kêra métiégorkan ta- 



186 



kerabik — keras. 



hinja^ Sprw. ter aanduiding van iemand, 
die over zijn eigen kwaad spreekt; 
klèra mendjadi monjety Sprw. overeen- 
komende met : *t is lood om oud ijzer. 

kerabik, = kerdbity zie ald. 

kërabit, uitgescheurd, van eeue opening 
of spleet; mengerahity uit elkander 
scheuren, wijder scheuren van eene 
opening of spleet; ook ruw met beide 
handen aanpakken. Ook kerabilp. 

keraboe, e. s. v. plat rond oorversiersel 
van goud, gouden oorknop. 

kêradjang;; emas klèradjangy klater- 
goud, dun bladgoud, R. Ch. Zie kt- 
rontjang. 

kërab; mhig^rahkan^ oproepen, jpijeen- 
roepen van onderhoorigen voor open- 
bare werkzaamheden; angin berkhahy 
de wind wakkert aan; djoeroe kerahy 
een dienaar van den batiny die het 
volk oproept; ook pénglêrahy opzichter, 
drijver, aandrijver, bij een of ander 
openbaar werk, = mandor, ook middel 
om op te roepen, b. v. gong p, bek- 
ken, geslagen om het volk op te roepen. 

kêrak, aanbrandsel, aangebrande korst 
in pan of pot; kïra^ nasi, aanbrandsel 
van de rijst; ook e. s. v. plant, een 
welriekend klimop. 

kêrakah, Ned. kraak, de naam van 
e. s. V. vaartuig in vroeger eeuwen. 

kërakal, Jav. stukgeklopte steenen, die 
tot het maken van mac-adamwegen 
worden gebruikt; mengërakaii, mac- 
adamiseeren v. e. weg. 

kërakap, de harde en droge bladeren, 
die aan den stam groeien, in tegen- 
overstelling met de malsche aan de 
loten; strik ^., zulke betelbladen in 
tegenoverstelling met siriA tjarang, 

kërambodja, Skr. e. s. v. meloen. 

këramësy Jav. zie kedjamas en langir. 

kërampaisi. Tam. scheermes. Mën. 
zakmes. 

Jkêramsoet, e. s. v. zijden stof van 
Surate. 

kêran, e. s. v. komfoor, vuurpot, test, 
met langwerpig uitstekenden aschbak. 
Zie anglo. 

kêrana» Kw. lichtstraal van zon of 
maan. 

këranda, Skr. doodkist. Zie larong» 

kërandaxijB:, of kareftdang^ de braam- 
struik. R. V. E. 

kërandjans, grof gevlochten mand van 
bamboe, pakmand, schanskorf, kanaster. 



kërandjaty = pirandjaty zie ald. 

kërandji, e. s. v. boom met zwaar, hard, 
bruin hout, geschikt voor huis- en 
waterbouw, en met rinsche vruchten. 

kërang, I. e. s. v. zeeschelpdier, ook 
schelpdier in het algemeen; soorten 
zijn; kerahg betoely k. boeroeng en k. 
boeloe; k^rang-kerangany allerlei schelp- 
dieren; pék^ranguTiy al de schelpdieren, 
het schelpgedierte, alles wat tot het 
geslacht der schelpdieren behoort; b^èr- 
kerang, en mémoengoet ktrangy eetbare 
schelpdieren zoeken. II. grof, van por- 
celein of aardewerk, grof bewerkt. III. 
klanknabootsend woord voor een rin- 
kelend geluid, minder helder dan kering, 
IV. kerang-keroepy e. s. v. sirihdoos van 
goud of zilver, die door den Vorst aan 
hooge beambten of aan de leden der 
vorstel, fam. voorgezet wordt. 

kerang:, zie keroh. 

kërang^kang;, e. s. v. krabbe. 

kërangkenfs:, Batav. hok, kooi, inz. 
voor gevangenen; kerangkengan, schuur 
om padi in te bergen. 

këraniy I. boewah k.y e. s. v. kleine 
vrucht met harden schil, bij zwart af, 
dikke pit en een weinig meelachtige 
rinsche, bruinachtig eetbare stof. II. = 
karkoeuy secretaris, geheimschrijver. 

këranta, e. s. v. luizen, die in het laatste 
tijdperk eener ziekte, even voor den 
dood te voorschijn komen. Mën. id. 

kërantang, zie gerantang, 

kërap, I. dikwijls, dikwerf, vaak, kort 
op elkander in tijd, dicht naast elkander 
in ruimte; k. gawé, in het Pal. her- 
haaldelijk ontucht plegen; k. patiy 
sluipmoord; |II. knappend geluid; k. 
k'éroep, met verscheidenheid, zooals van 
iem. die beschuit eet. 

kërapai, in het blinde rondtasten. 

kërapoe, e. s. v. zeevisch, die een weinig 
giftig is, de Jacob-Evertsen. 

kërapti, het kribbebijten der paar- 
den, M. 

këras, hard, hevig, sterk, straf, streng, 
geweld; k, kapala, koppig, stijfhoodig; 
k. haüy eigenzinnig, zijn eigen wil vol- 
gen; k. lidahy dik van tong, belem- 
merd in de uitspraak; k, p)èloepa, erg 
vergeetachtig; boewah k.y de kïmiri' 
noot; mdin b. k. en mënjaboeng b k, 
e. 8. V. spel met die noten ; bh'keras- 
kërasan, met elkander worstelen, be- 
proeven wie de sterkste is, ook: een 



kërat — kërëkap. 



187 



woordenstrijd met elk. hebbcD, waarbij 
men elk. overscbreeuwt ; mengeras- 
ngièrasy met geweld iets doen, b. v. 
dikèras-keras menari^ iali boesoer , met 
geweld aan de boogpees trekken; nïênge- 
rasi, geweld aandoen, dwingen; menge- 
raskan, veel werk van iets maken, 
nauwgezet in iets zijn, vast aan iets 
houden; m. hawa-na/soe, de harts- 
tochten of driften voedsel geven; pe- 
ng^ras en pMeras, middel om er kracht 
bij te zetten, inz. bij een toovermiddel, 
het loon voor een tooverkol, onder den 
schijn, dat het daarvoor dient. R. v. E.; 
këras makas, hard en ongaar, van spij- 
zen, hard en onrijp, van vruchten; 
kakerasaUy geweld; kramp, stuiptrek- 
king; déngan k , met geweld, geweld- 
dadig, met hardheid; pengerasan, ge- 
weldpleging. 

kërat, afgesneden stuk of brok, stuk, 
gedeelte van een geheel; doewa k^erat 
timah, twee stukken lood; sakerat, een 
stuk, gedeeltelijk; djikalau manoesia 
saklêraty andjing sakerat sakalipon, al 
ware hij ook half mensch, half hond; 
toelang lèmpai kerat, de armen en bee- 
nen; sakerat roemah, een gedeelte van 
een huis; iokhrai djalan^ een gedeelte 
van den weg, halverwege; niénglérat, 
afsnijden, ook door middel van een 
zaag, afnemen van speelkaarten; me- 
nger at koekoe y de nagels knippen; m. li- 
dah orang, iemand in de rede vallen; 
tn^ng^rat-ng^rat^ knagen, knauwen ; 
sakerat sapoentoeng, nederige uitdruk- 
king voor eenige, b. v. ada djoega 
katoan saklrat sapoenioengy ik heb wel 
eenige, of enkele bedienden, of volge- 
lingen ; kerat-klêrat, e. s. v. lepra, waarbij 
groeven ontstaan in de handpalmen en 
voetzolen. 

këraicjak, dartel, uitgelaten, wild; van 
een vaartuig: snelzeilend of roeiend. 
Zie katjajp, 

këra^tvai, e. s. v. groote wesp, die haar 
nest in den grond maakt, terwijl de 
iaiboehan een zakvormig nest in de 
boomen bouwt. Sw. Mën. id. 

këra'wak, e. s. v. eekhoorn, geheel rood 
van kleur, grooter dan de toepai. 

kërawanfi;* open snij- of beitelwerk, 
open naaldewerk, kantwerk; k, pahat, 
naaide werk met groote gaten. 

kërawat, rotting, riem enz. waarmede 
de dissel a. d. steel wordt vastgemaakt. 



kër a-wit, aarsmaden. 

kërbat; mengerbaty sterk binden, kne- 
velen. Zie kebat. 

kërbau, zie karbau, 

kërdak, vuig. bezittingen, vermogen, 
spullen; ook merdoelc. 

kërdam, galmend geluid, b. v. wanneer 
in een ledig vertrek iets op den grond 
valt. 

kërdja, Skr. werk, bezigheid, arbeid, 
bedrijf, handeling, feestviering, drukte 
door feestviering; bWerdja^ werken, 
bezig zijn, toebereidselen voor een feest 
maken, arbeiden, feestvieren; ora-^g 
bekerdjtty werkvolk; mlèngerdjakaUy ver- 
richten, Jen uitvoer brengen, een feest 
geven voor, uit den weg ruimen van 
iem., hem vermoorden; menglèrdjakan 
tnait, alles verrichten wat er bij een 
lijk te doen valt; ook rnénglèrdjdi m.; 
p^kerdjaan, werk, het obj. van bektrdja, 
dus het werk, dat verricht wordt, on- 
derscheiden van kh'djay werk in het 
algemeen, ook zaak = hal en plèrkara; 
dengan pekerdjaaiiy in dienst van; apa 
fadloelimoe akan p'éklèrdjaankoe iniy wat 
gaan u mijne zaken aan? klèrdjamoe 
djoega engkau k'érdjakan, bemoei je met 
je eigen zaken; sama sapWerdjadriy 
medearbeider, collega. 

kërdjang; emas kerdjang^ goud in 
stukken van verschillende zwaarte, dat 
in den handel als geld dient en tel- 
kens gewogen en getoetst wordt P. 
Zie keradjang. 

kërdoem, = kërdam, maar doffer. 

kërdoet, kleine rimpel. Zie klèdoet. 

këré, Jav. Zie bidai I. 

kërebang, zie kUebang II. 

këredak, aangedroogd vuil, b. v. deeg 
aan de handen, vuil aan borden, kopjes 
en schoteltjes, etter enz. aan de huid. 

kërëdil, dwergachtig, in den groei ge- 
stuit, inz. van personen. 

kërë^jang:; meng^redjang, steigeren 
van een paard. Sw. 

këreh; klèrek-klèrehy met moeite. 

kerek, katrol, blok om te hijschen, 
schijf van een katrol; k, anijatty bo- 
venst gedeelte van den kettingscheerder. 

kërëkah; menglèrlèkah, iets Jpraken, 
knauwen met de tanden, verscheuren, 
van wilde dieren. 

kërëkap ; kh'Uap-kerUoep, het krakend 
en knappend geluid, veroorzaakt b. v. 
door een hond, die beenderen kauwt. 



188 



kërekoet — kërinsët. 



kërekoet, verkromd door ziekte, b. v. 
van een arm; ineen getrokken, b. v. 
bij het liggen slapen. 

kërëxncik; daoen k., e. s. v. kleine, 
lange bladen, die veel gelijken op uien- 
loof en ook zoo smaken. Volgens Abd. 
sch. wrdb. e s. v. gras. Het wordt in 
de geneeskunde gebruikt. 

kërëraans, e 8. v. boom, welks hout 
spoedig door de boeboe^ wordt aan- 
getast. 

kërëmansan, e. s. v. boom, e. s. y. 
tjiamau. 

kërëxnif Jav. aarsmaden. Zie keroewit 
en kh'awit. 

kërëmpasi. Tam. scheermes. 

kërëmpoeng:* de onderbuik op de 
hoogte van de blaas. R. P. Jav. k^m- 
poenfff id. 

kërendangr, e. s. v. braamstruik. 

kërëng, Jav. norsch, wreed, ruw, bits, 
grimmig, zie garang. 

kërënssa» I. e. s. v. groote, roode mier, 
welks beet sterk brandt. II. kérangga- 
moenggoe, e. s. v. specerij achtig zaad. 

kërënnjau, krakend geluid van iets 
ongaars bij het kauwen. 

kërënnjiniE, grauwen, snauwen, grom- 
men. Maxw. 

kërënnjik» grijnzen, aaugrijnzen. Swet. 

kërënpjit, de wenkbrauwen fronsen, 
het voorhoofd rimpelen, zie klènnjit. 

kërënnjoet, knarsen van de tanden, 
deuren, boomen enz. ook: grommen, 
snauwen, Maxw. 

kërêntinfir* klinken, zooals b. v. een 
glas, waartegen men met een mes tikt. 

kërëntjans;» rammelend geluid, als van 
een ankerketting, die gevierd wordt. 

kërentjenis, een triangel, het instru- 
ment. * 

korëpaky een krakend geluid, zooals 
van een olifant, die planten vertrapt. 

kêrëpas, ritselend geluid, zooals bij het 
gaan door struiken. 

kërepes; viêngh'epes, in het rond naar 
iets zoeken, b. v. op eene tafel. 

kêrëpis, = kh-epaSy doch helderder. 

kêret^ Batav. hard over iets heen trek- 
ken of strijken; ktretan api, lucifers. 

këreta, verb. v. goeritay zie ald. en 
kareta, 

kërêtak, krakend geluid, zooals van 
een stuk hout, dat doorgebroken wordt, 
rammelen, zooals van noten, die men 
uit een zak schudt; knarsen van de 



tanden ; kerMa^-klérétoei:, rammelen met 
verscheidenheid, b. v. van een hoop 
borden, die men bijeengaart, of van de 
wielen van een wagen. 

kërëtap; keretap-keretoep, voortdurend 
klappend geluid, zooals van vele deu- 
ren, die dichtslaan. 

kërëtëk, Jav. brug. 

kërëtip, een krakend geluid, zooals 
van een slot, waarin een sleutel rond- 
gedraaid wordt. 

këretoet, ook klèrotot^ vergroeid, ver- 

. kromd, klein en krom gegroeid, van 
vruchten, personen enz. orang klèretoet, 
dwerg, kort en krom ventje. 

këri, sikkel, grasmes; ook troffel. 

këriapt zie nglèriap. 

kërian, schreeuwen, rumoer maken. 
Poel. Pin. Hiervan de naam Riomw? 

këridas, e. s. v. gierst-uitslag. 

këridik, = tjetjak koeboeng^ e. s. v» vlie- 
gende hagedis ; këridik p^san-péian^ een 
soort, welks beet doodelijk is. 

kërija, ook koerija, e. s. v. koekjes. 

kërik, een krassend geluid, helderder 
dan kerolp; kerikan, schijf in een hijsch- 
blok; méngeri^^ uitkrabben, afschrapen, 
radeeren. 

kërikal, groote vlakke schotel of pre- 
senteerblad met voet, « toela^ bahoe, 

kërikain, e. s. v. grof indisch linnen. 

kêrikil, kleine keisteentjes, grint, kie- 
zelsteentjes; de grootere heeten klèrakal^ 
zie ald. 

kërindljal, de nieren, = boewah ping- 
gang. 

kërinsr» I. droog, dor, ook op het 
droge zitten v. e. vaartuig; k, k^ron- 
tang. zie kerontang ; k. rasa haiikoe, 
ik ben er van ontsteld; blèrkh-ing ajar 
lij oer y een drogen mond hebben van 
het praten; k. daraknja zijn bloed 
stond stil; tiada kering déngan ajar- 
mata^ niet ophouden met schreien; 
mengeringi sawahy de rijstvelden droog- 
leggen, het water daarvan laten afloo- 
pen; kak^ringan, uitgedroogd, droog 
geloopen, opgedroogd, op het droge 
zitten gebleven, van een vaartuig. II. 
klanknabootsend woord voor een rin- 
kelend geluid, zooals van bellen enz. 
b. V. sakalian koeda hérghita blèrklèring' 
kering goemérlènijing boenjinja, al do 
paarden hadden klinkende bellen aan, 
die rinkelden. I. P. 
këidnaiët» Jav. zweet; zie pïloeh» 



kërintil — këroh. 



189 



kërintil, in menigte afhangend, zooals 
vruchten aan een boom. 

kërintins* gedroogde schelpdieren. 

kërip, knappend geluid, helderder en 
fijner dan kerap; mêngtèrip^ knabbelen 
aan iets, zooals de muizen. 

këripik, e. s. v, droge, platte, ronde 
koekjes van sagomeel met suiker; 1c. 
pisang, dunne schijfjes van pisang in 
olie gebakken. 

këripoet, gerimpeld, van litteekens; 
wartaal spreken. 

kërisy kris, de Indische dolk; k, pan- 
djang, de lange kris, ook wel k. landen, 
Jav. en k. landajan genoemd, k, tjlèrita, 
kris met een golvend lemmer, waarin 
meer dan negen bochten zijn. 

këjcisi; ikan k., de spiering. 

koriaik, zie karsijp. 

këristam, e. s. v. Indisch katoen, vdW. 
mogelijk karsani. 

kêrit, I. krassend geluid, zooals van 
een schrijfpen; k. dajoeng, e. s. v. kre- 
kel, die een krassend geluid maakt als 
van roeiriemen, en dat als een voor- 
teeken wordt beschouwd van iemands 
terugkeer. II kerit-kerit, e. s. v. krui- 
pende plant, die in de geneeskunde, 
ook als groente en tot bindsel wordt 
gebruikt. 

këritans» e. s. v. zoetwater visch. 

këritius» kroes van het haar. 

këriljal, zie bij patjal. 

kërlins; méngerling, van terzijde aan- 
zien, een zijwaartschen blik werpen; 
ook: flikkeren van den bliksem. Zie 
ptrling en djeling. 

kërnai; méng^maiy aan kleine stukken 
snijden of hakken, b. v. vleesch, om er 
gerechten van te maken. 

kêrobak, vol litteekens. 

këro'bek; menger obejp, bij kleine stukjes 
afscheuren, afplukken, vdW. Zie robe^. 

keroebüoen, Arab. cherubijnen. 

këroeboens» Jav. pass. van roeèoeng, 
samengestroomd !op of om iets; me- 
ng^roeboengiy op iets in menigte samen- 
stroomen, iets in menigte bedekken, 
zooals bijen, mieren, wolken enz. Zie 
. roemoen, 

këroeboet» e. s. v. plant, de Rafflesia 
Amoldi. 

këroecioet» geplooid, zooals doek, dat 
men met een inge regen draad inhaalt. 
Maiw. 

këroeh» zie k^èroh. 



këroekoet, I. krul of kroes van de 
bladen sommiger planten ; ook de frequ. 
vorm van koekoet, zie ald. IF. verrekt 
van een spier of pees, gekrompen, sa- 
mengetrokken. Zie ktrekoet. 

këroexnit, knabbelen, Swet. 

këroexnoen ; berkeroemoen, krielen, in 
menigte op iets toestroomen, zoowel 
van menschen als dieren, ook zwer- 
men van de bijen; mengeroemoeni, op 
iets samenstroomen, Facs. pag. 19 reg. 
6. Zie keroeboeng. 

këroemoes, terdege kussen, mokkelen. 

keroeng:: keroeng-keroeng , e. s. v. zeer 
klein zeevischje, ook tengkeroeng, 

këroeng, holte, zooals die in een kopje 
of lepel, komvormige kromming, zoo- 
als de leuning van sommige stoelen; 
k. leher, halsgat van een kleedingstuk. 

k er o enting, houten bel of klok, zoo- 
als de buffels om den hals hebben. 

këroentoeng, een bamboe-schacht met 
een spleet er in, bij wijze van spaar- 
pot. H. Abd. Zie kenioeng. 

këroep, knappend geluid, doffer dan 
kerap. 

këroeping, korstje, roofje; mengeroe- 
ping, de korstjes of roofjes afplukken, 
b. V. van een wond. 

këroepis, = keropis, zie ald. 

këroepoek, e. s. v. toespijs bij de rijst, 
bestaande uit het binnenste vleeschach- 
tige gedeelte van koe- of buffelhuid of 
ook wel de behd^-^isch, in olie gebak- 
ken, zoodat het bros en knappend is. 

këroet, I. rimpel, frons; rnéng^roet, 
rimpelen, fronsen, krimpen, inz. van 
touw, inkrimpen, terugspringen, van 
rekbare voorwerpen. II. schrapend ge- 
luid als van een stoel, die verschoven 
wordt. 

këroetoep, dof knappend of knette* 
rend geluid, zooals b. v. van zout in 
een heete pan. 

këroewan, Jav. tiada keroewan tai 
tiada k'ëlahoewan, zie bij tahoe, 

këroe-wing, e. s. v. boom, die een olie, 
minjajp kïroewing, levert, waarmede men 
vaartuigen teert, en, vermengd met 
harpuis, de naden van vaartuigen be- 
pikt. Het hout is bruikbaar voor planken. 

këroe-wit; tjatjing k'éroewit, aarsmaden. 

kërob, I. troebel, van vloeistoffen, vuil 
van kleuren, onzuiver van taal of stijl, 
van een boek; drab, droesem; k)èroh 
dipérdjitrinihy het troebele in eeu hel* 



190 



keroh 



kêsoexna. 



deren toestand brengen, fig. voor ge- 
schillen bijleggen, partijen verzoenen. 
II. Perz. een lengtemaat van ongeveer 
twee engelsche mijlen; ook jiengtroh. 

keroh, slinksch, yalsch, bedriegelijk ; 
kerang-keroh, hetzelfde doch versterkt. 
Zie roewah. 

kêrok, een krabbend of krassend ge- 
luid, doffer dan këriJjcx meng er o^, uit- 
krabben met vingers, klauwen of na- 
gels, zooals de laatste rijst uit een pot 
of de oogen uit het hoofd. 

kërokot, Jav. de postelein, de groente; 
ook: knagen, knabbelen. 

këromong:, stel van twaalf diepe ko- 
peren bekkens met knop, behoorende 
bij de gamelan, 

kërons, klanknabootsend woord voor 

. een geluid als van noten in een hou- 
ten doos. 

këronskons;, zie ronkong; kerongko- 
ngan, slokdarm. 

kërons^anfi, zie ktronsang, 

këronsans, borstspeld, broche. Ook 
ktrsang. 

kërontane, klanknabootsend woord 
voor het geluid als van een leegen 
aker, die op den bodem van een put 
stoot; kering kerontangt geheel droog, 
tot op den bodem, van putten, pot- 
ten, enz. 

kërontjane» ^^^^ ^-y klatergoud, dun 
bladgoud, zie ktriidjang. 

UeroxifJoxïSf holle ringen om de en- 
kels, met steentjes er in of belletjes 
er aan; ook: bellen, zooals om den 
hals van paarden. 

këropas; klèropas-ktrapity allerlei klei- 
nigheden, nederig gesproken van eigen 
huisraad, spullen; ook: allerlei luttel 
werk verrichten. 

kërosok, ritselen, schuifelen. Ook ge- 
) rosolfs 

kërot, Jav. = klêreta^. 

kërotjons» schelletje, belletje. Zie 
k^ontjong. 

kërotot» gegroefd, van groeven of diepe 
lijnen voorzien, zooals een vijl, een 
pokdalig gelaat, een ruwe schil enz. 
Zie ook klèretoet, 

kërpatiy Jav. veeluis. 

kërpek, Jav. mand, valies, porteman- 
teau a kipejp I, zie ald. 

kërsai, rul, kruimelend, van gekookt 

J^raan. 
rsnns, droog, dor, verward overeind- 



staande van het haar, raagbol; van 
den grond: droog, dor, onvruchtbaar. 
Zi6 tanah kasang bij ianak. 

kërsani; besi k^érsani^ ijzer van Cho- 
rasan, een landschap in het N. O. van 
Perzië; staal. 

kërtang:, I. bemorst met vuil, dat 
droog is geworden, b. v. etter enz. 
II. e. s. V. zeevisch. 

kërtau, de moerbezie-boom. 

kërtika, Skr. bintang Xr., het ze venge- 
sternte. 

kërtjoet, e. s. v. biezen, waarvan men 
zakken vervaardigt. 

kësad, Arab. voornemen, oogmerk, doel; 
Jpt^adoeHchairy goede bedoeling; dïngan 
iie§adnjaj opzettelijk. 

kësah, kreunen, stenen, meestal in de 
samenstelling b^rktloeh-k^sah^ zuchten 
en stenen. 

kësak; mèngesa^, opschuiven, op- 
schikken. 

kësan, spoor, indruk, b. v. van de hand 
op een glas, de vingers op een boek; 
kesan kaki, voetspoor; btrk^san, de 
sporen dragen van iets, van het ge- 
laat, vertoonen dat iets indruk gemaakt 
heeft. 

kësandoene, zie sandoeng, 

kësar, =■ kisafy zie ald. 

kësat, I. ruw, ruig; koHn k^èsai^ ruwe 
doek, vaatdoek; meng^sait met een 
vaatdoek afvegen. II. = toekang, b. v. 
kesat pèmbasoeh kaïn, waschman, 
bleeker. 

kësau, zie bij tara^, 

kësehy grijnzen, zooals de apen. 

kesek; niéngese^, over een gekerfd stuk 
bamboe met een ander stuk wrijven, 
om door dat piepend geluid kleine 
vogels te lokken; op die wijs vogels 
lokken; zie ook gese^. 

kë«ël, Jav. vermoeid, afgemat, het land 
hebbeu. 

kësib; meng'èsiby smakkende aan iets 
zuigen, b. v. aan een klontje ; uitzui- 
gen, b. v. een beentje. 

kësimboekan» e. s. v. plant, die in 
de geneeskunde gebruikt wordt. 

këskoel, Perz. etensbakje, . drinknap, 
knapzak. 

kësxnak. e. s. v. chineesche vracht, die 
gedroogd in den handel komt. 

kësna, verbastering van den eigennaam 
Krtsna. 

kësoema, Skr. bloem, in het Mal. 



keisoexnba 



këti. 



191 



figuurlijk gebruikt voor schoon, liefe- 
lijk, van eene vrouw, een edelge- 
steente enz. 

kësoeznba, Skr. e. s. v. plant, die een 
roode verfstof, het orlean, levert; ook: 
de wilde saffraan. Soorten zijn : k. kUing^ 
k, djaioa, k. merah en k. moeroep; 
k, tahi kambing, die verfstof in keu- 
tel vorm; bénang poetih kita kesoemba, 
fig. uitdr. voor met bloed verven, in 
bloed doopen. 

kësoewi« zeer vermoeid, vdW. 

kësoeviroer, Jav. alom bekend, be- 
roemd. 

kësok; kiêso^-kesa^y klanknabootsend 
woord voor een geluid als van papier, 
dat in elkander gefrommeld wordt. Zie 
kéahhf Mön. wbk. 

kesot; blêrkesot, voor tschui ven, opschui- 
ven op zijn achterste, zooals kinderen, 
die nog niet loopen kunnen, of inlan- 
ders gezeten voor hun Vorst. Zie ook 
raka^. 

kesrah, het klinkerteeken kesra, ook 
baris bawah genoemd. 

kêtaban, dwarsbalk aan een s. v. roer, 
kémoedi sepai^. Ook iokoh kemoedi, 

këtai, I. aan kleine stukken, ontbonden 
van een dood lichaam; mengetai, tot 
kleine stukken maken. II. anai; ketai, 
teenen speelbal. 

kët^ja, een bamboezen stokje, van 
boven voorzien van hars en dienende 
voor fakkel. 

këtak, I. geluid van kloppen of tikken, 
doffer dan kUi^e en helderder dan 
ketoel, II. plooi, b. v. in een dikken 
hals of de billen, b. v. lehertija djin- 
djang bh-kUaJp tiga, haar hals was 
slank en had drie plooien (als eene 
bijzondere schoonheid). H. Gr. 

këtaxn, I. schaaf; kHam pijan, en k. 
péngoemaij schaaf voor lijstwerk; k. 
tikoeSf id. doch zeer klein; k. pandjang^ 
reeschaaf; k. glèr^miif mhtg^tam^ scha- 
ven; ook de rijstaren afsnijden met het 
daarvoor gebruikte mesje piéngUam, II. 
krabbe; kUam pasir, e. s. v. krabbetje 
met één schaar, dat in den modder 
van het strand leeft; k. sêmpada, é. s v. 
zeer giftige krabbe, die den dood ver- 
oorzaakt van hem, die haar eet; k. 
randjoeng of volgens vdW. rendjoeng, 
e. 8. V. fijne krabbe, die eetbaar is; 
k. batoe, kreeft, Abd. Schets wrdb.; 
k, blrsila, e. s. v, steek bij het naaien ; 



k. kemoedi, ovale plank op den achter- 
steven, waarin het roer draait en de 
roerganger zit; III. meng^tamkan bibir^ 
de lippen vast op elk. sluiten, zich op 
de lippen bijten, b. v. van nijd; Mën. 
de klem in den mond, waarbij de tan- 
den vast op elk. sluiten. 

këtanabak, e. s. v. zout water visch. 

këtan, Jav. kleefrijst, = poeloet. 

kêtëln, Arab. vlas, linnen. 

këtanah, e. s. v. medang-hoom, 

këtane; daoen ketang-ketang^ de bla- 
deren van een boompje, dat gele bloemp- 
jes draagt. Zij worden als geneesmiddel 
tegen hoest gebruikt. 

këtangkai, e. s. v. zoutwater visch. 

këtap; meng^tapy op elkander sluiten 
van de lippen, toeslaan van een knip, 
klemmen van een deur of van de vin- 
gers, ook van een bankschroef, b. v. 
Ibdrat ragoem soedah meng et ap^ als een 
bankschroef die dichtgeklemd is. Ibr. 
b. Ch. 

këtapanfi:, e. s. v. grooten boom, die 
noten draagt, welke op amandelen ge- 
lijken, en hout levert, waarvan men 
gambangs maakt. 

këtaping. Pad. bov.1. = ketapang, 

këtar, 1. wrang van smaak; eenigszins 
rans, vdW. vergel. kelat en s'ëpat. II. 
beven, sidderen, schudden, daveren, 
dreunen; k^féiar, fréqu. schudden, sid- 
deren. Zie getar. 

kêtara, blijken, gebleken, zichtbaar, 
duidelijk, aan den dag gekomen, inz. 
van iets geheims. 

kêtarap, es v. zoutwatervisch. 

këtat, vast sluitend, van voorwerpen 
die ergens in zitten, zooals een kurk 
in den hals eener ilesch, een wapen 
in de scheede; nauw. Zie sïndat. 

këtejak, oksel; boeloe k^teja^, oksel- 
haar; toengkat-keteja^y kruk, waarop 
men met den oksel leunt; djangan 
Urboeka keteja^, de armen moeten tegeu 
het lijf blijven, bij geeseling. 

ketek, = ketji^, zie ald. en ook katiiF. 

ketel, I. verb. Ned. ketel. II. méngetel, 
iets tusschen de vingertoppen vast- 
knijpen. 

këtela, Jav. e. s. v. eetbare aard vrucht, 
e. 8. V. aardappel. 

këtenfikanfi:, *= oemang-oemang^ zie ald. 

këtiy I. honderdduizend ; sak)èti, een hon* 
derdduizend. II. kUi-kUi^ e.s. v. kleine, 
giftige wesp. III. e. s. v. versnapering. 



192 



këtiboeng: — kè^oe. 



vervaardigd van bidjan. IV. sekUiy kers, 
waterkers, d. 1. Cr. 

këtiboens, plompend of ploffend ge- 
luid, zooals van een schepper, waarmee 
men water schept. 

këtidins» e. s. v. korven, uit boombast 
vervaardigd, tot berging van gepelde 
rijst. Pad. bov.1. 

këtyal, moeilijk in zijne bewegingen, 
van corpulente personen. 

këtijapy e. s. v. klein riviervaartuig Sw. 

këtijau» e. s. v. boom, van welks vruch- 
ten men olie maakt. 

këtiky I. mën^éii^t tikken, b. v. van 
een horloge, knippen met de nagels. 

II. veerkrachtig been, zooals de spring- 
pooten van een spinkhaan, de voel- 
sprieten van een inktvisch, de scharen 
van krabbe of kreeft; ketiii^ paha bila- 
langj de stangveer in een geweerslot. 

III. Jav. vertrouwd; barid kUi^y ver- 
trouwde renbode. 

këtika, zie koeüka, 

kêtil, afgesneden of afgescheurd stukje; 
mengMtlt kleine stukjes afsnijden van 
iets, af knagen, afhakken. 

këtilangy Jav. = boeroeng nilam. 

këtimoen, Jav. komkommer, augurk, 
= meniimoen, 

këtimpal, onregelmatige hoop of klomp 
van dingen, die op elkander zitten. 

këtimpoeng:, tot vermaak in het water 
spartelen. 

këtinfiT, gedeelte van het been tusschen 
hiel en kuit; oerat keting, de Achilles- 
pees; mengeting, die doorsnijden. 

këtip; mhigMipt heel fijntjes met de 
nagels knijpen, steken van muskieten; 
een klein stukje van iets afbijten. 

këtipoexig:, = kMimpoeng^ zie ald. 

këtirabiy e. s. v. slingerplant met roode 
bladen, waarbij de roodheid der lippen 
vergeleken wordt. 

këtis; méngUis, wegknippen van iets, 
wegslingeren b. v. een worm van de 
hand; ringen, die men aan de hand 
heeft, laten zien door de hand vooruit 
te brengen. 

këtitir» e. s. v. wilde duif, vdW. vol- 
gens de opgave, mij gedaan, e. s. v. 
zangvogel, donkerbruin van kleur, ge- 
stippeld en iets kleiner dan een kana- 
rievogel. 

^êljaxnbah, uitgeloopen kiem van za- 
den, inz. van erwten en boonen; blèr- 
kH^ambah, uitgeloopen, gekiemd zjjn. 



keljapy soija. 

këljap, I. smakken bij het eten; m^- 
ngetjap, smakkend proeven; kUjapan^ 
bijsmaak, nasmaak, dien men smak- 
kend proeft. TI. mengUjapj snikken bij 
het weenen, b. v. Kin Tamboehan .... 
mengeloeh mengetjapf K. T. zuchtt.e en 
snikte, de Hol. 4e dr. pag. 351 en 
K. ï. mijne uitgave, pag. 58. 

këtiapi, e. s. V. luit met vier snaren; 
ook e. s. V. plant; memetik k. op de 
luit spelen. 

këtjatërya, Skr. zie tjetjerija. 

kelDJek, aanhoudend bij iemand aan- 
dringen om zijn zin te krijgen. Mën. ge- 
praat, gebabbel ; bermdin ketjelp^ e. s. v. 
dobbelspel. 

ketjeng, half gesloten, van het oog; sa- 
ketjeng maia^ een oogenblik ; vfténgetjeng^ 
het eene oog sluiten om met het andere 
langs iets te viseeren. Zie kedjap. 

këtjik, = keijil; méngUjikkan^ fijnsnij- 
den ; benda ketjiik-mengUjiky allerhande 
kleinigheden, ook k. mUik. 

këtjil, klein; ook gebruikt voor jong, 
jeugd, jonkheid en voor onzen ver- 
kleinvorm je, b. V. a7ialp kitjil^ kindje; 
roemah ketjil^ huisje; keijil hati, ergere- 
nis, kwalijk nemen, geraaktheid; hati 
keijil^ kleinmoedig, zie iawar-, ioekang 
kUjil, onderbaas, meesterknecht ; toewan 
keijil y oudste zoon of jongere broeder 
van den huisvader; dari keijil, van 
jongs af; dari keijil moela, reeds van 
jongs aan; saketjil-keijilnja, op zijn 
kleinst, op zijn minst, de kleinste, de 
minste, b. v. saketjil-ketjilnja d^nda^ 
de minste boete. Oend.; btèrkUjil- 
keijilatiy met elkander klein zijn, b. v. 
berketjil-ketjilan .... tiada bérijëraiy 
• toen wij met elkander nog klein waren 
scheidden wij niet. H. T. fnéngUjilkan 
hati, ergeren, ergernis geven, tergen, 
grieven, aanstoot geven. Keijil is soms 
kUjil;, kUji\ kUjitf tji^ en tji\ 

kë^impoens, s= keiimpoeng, zie ald. 

këtjipoens, e. s. v. kleine handtrom, 
= kUipoeng. 

këtjit, « keijil. 

këlji-wa, beschaamd uitkomen, teleur- 
gesteld zijn of worden, bot vangen, een 
koopje snappen, tekortschieten. Ook 
blèrolih klètjiwa. 

kèljoe, Jav. nachtelijke roofpartij door 
meer dan een persoon, ook roover, deel- 

. genoot aan zulk een roofpartij. 



kë^oeboenfi: — ki^iAng. 



193 



këijoeboeng:» de doornappelplant, da- 
tura alba; trechtervormig mondstuk 
van sommige blaasintrumenten en van 
sommige vuurwapens, om de gelijkenis 
met de bloem der keijoeboeng \ ook de 
naam van een edelgesteente, amethyst. 
Het zaad der ketjoeboeng is vergiftig; 
een aftreksel daarvan geeft men iemand 
in om hem te bedwelmen. 

këtjoeh; k^tjoeh-ketjah, veel beweging 
maken bij hetgeen men doet, druk 
bezig zijn met iets. 

këtjoep, ook koetjoep^ kus, zoen; me- 
ng'étjoepiy kussen. N. B. deze spelling 
komt voor in de H. T. en R. Chaib. 
en bij C. 

këtjoet, verschrompeld, samengetrokken 
zooals vleesch door koking of de han- 
den door de werking van zuur, kalk- 
water of loog; ook ineenkrimpen van 
vrees. 

këlijoewa, e. s. v. kever, d, 1. Cr. 

këtjoewali, uitgezonderd, voornamelijk, 
inzonderheid ; tiada berketjoeioali^ zon- 
der uitzondering ; méngetjoewalikatty uit- 
zonderen. Het grondw. is tjoewali. Kw. 

këto, Jav. e. s. v. priestermuts, die men 
opzet als men tot de tapa of boete- 
doening overgaat. 

kêtoehar, oven. 

këtoeJb:, ï. een koperen bekken, be- 
hoorende bij de gamelan^ waarop door 
een tik de pauze wordt aangegeven. 
II. mand of kist van boomschors, waarin 
men rijst bewaart. 

këtoel, I. hulp-Telw. voor het aantal 
brooden, klomp, massa, b. v. roti lima 
kïtoel, vijf brooden. II. samengetrokken 
door kramp; oerat peng^toel^ de buik- 
spieren. 

këtoexxianis» e. s. v. zeevisch. 

këtoexnbar, korianderzaad. 

këtoembi, het laatste brokje bij eene 
ontlasting; k» tahi hajam, spotnaam 
voor lieden uit den allerlaagsten stand, 
b. V. een slaaf van een keritjal. 

këtoembit, e. s. v. kleine geneeskrach- 
tige bladeren, die voor inspuiting ge- 
bruikt worden. 

këtoeinboelian, - de pokken, de kin- 
derziekte; zie toemboeh. 

këioeme, galmend geluid, van een klok 
of holle bamboe 

këtoepat, in gevlochten kubussen gaar 
gestoomde rijst, die zeer vast in elkaar 
zit; g^bar htlak kïtoepat, bedelaars- 



deken; bïlah ketoepat, de schuine rui- 
ten van zulk een deken, om derzelver 
gelijkenis met het gevormde vlak van 
een doorgesneden ketoepat. 

këtoer, kwispedoor van koper, soms 
ook van goud, nml. die van den Vorst. 

këtoe^wat, wrat. 

këtok, I. këtoi^-meüi^f van alles een 
beetje koopen, niet in het groot opdoen. 
II. berketo^-keio^, kakelen van eene hen. 
Jav. b^ioip. III. klop of tik, b. v. met 
de knokkels op een deur; rnèngeto^ 
pintoCj op de deur kloppen. IV. hou- 
ten klok om den nek van olifanten of 
buffels; keto^ boeloeh, bamboe, waarop 
de uren worden geslagen. 

këtola, I. zie toelah. II. e s. v. groene 
geribde vrucht, iets gelijkende op een 
komkommer, die gekookt als groente 
gegeten wordt. Soorten zijn k^tola b^- 
toel en k^tola b^limbing. Op Java heet 
deze vrucht gambas> 

këtopone:, helm, chako, stevige hoofd- 
bedekking. 

kewan, Jav. verb. uit het Arab. dier, 
beest. 

ke-wane, e s. v. boom, d. Br. K. 

kiaï, Jav. titel voor bejaarde mannen. 

kian, zie kijan, 

kibar; b^rkibar-kibar, in de lucht flad- 
deren, wapperen, zweven; b^rkibaratty 
zwevend, fladderend, wapperend van 
vele voorwerpen. 

kibas; mèngibas, heen en weer zwaaien 
met iets, b. v. een lont enz. kwispelen 
met de staart. Zie ook kipas, 

kibëisj, Arab. meerv. van kabsj, ram, 
mannelijk schaap ; in het Mal. e. s. v. 
vets taartschapen. 

kiblat, Arab. kant, streek, naar welke 
de mohammedanen zich bij het bidden 
richten; ëmpat Jpiblat, de vier hemel- 
streken. 

kibrijah, Arab. grootheid, trots. 

kida-kida, versierselen van bladgoud, 
loovertjes, goud galon, b. v. aan den 
rand van een sëlendang of sjaal enz. 

kidal, linksch, alles met de linkerhand 
doen. Zie ook bij doekoeh en Mën, wbk, 

kidaxaan» zie idam, 

kidans, Jav. = kidjang, zie ald. 

kidap, zie bij sampar en idap. 

ki4jai, e. 3. V. boom. 

ki<^anfi:» i'ee, een middelmatig soort 
van hert met ongetakte horens; k* 
kastoeri, het muskushert. 

13 



194 



ki^jins -— kizna. 



bi^jinfi:, e. s v. eetbare zoutwatermossel. 

kicÜlp, pinkoogen, knipoogen, vdW. Zie 
klédjap en kidjap, Mën. wbk. 

kidoei» Jav. zuid, het Zuiden, = selatan, 

kidoenSf deuntje om iemand in slaap 
te sussen; menffidoenff, in slaap zingen; 
k. soendalf hoerenlied. 

kihdnat, Arab. waarzeggerskunst. 

kija, I. kettingsteek; kija doewa kali, 
dubbel stikken. II. bedrog, dubbelhar- 
tigheid. Zie tjanda en tjanda kija. III. 
ikan kija-kija of ijoe k. k., e. s v. zee- 
visch, die van achteren op een haai en 
van voren op een rog gelijkt. 

\sl]^b,\x% pêngijah kasoet, schoenhoorn. 

küal, sterke beweging bij iets maken; 
kijal-kijal, spartelen om zich aan iets 
te onttrekken; Urkijal-kijal Urtawa, 
moeten spartelen van lachen. 

kydm, Arab. overeind staande, inz. bij 
het gebed. 

küdmat, Arab. de opstanding ; y^wwö^- 
*l1cijamatj de opstandingsdag, het laatste 
oordeel. 

kijaxnbans:, e. s. v. waterplant, met op 
het water drijvende bladen, kroos. 

kyan,of ^i^i», dusdanig, zoodanig; sakian, 
zooveel; ook de zooveelste, b. v. sakijan 
hari boelan, de zooveelste der maand; 
doewa kian, tweemaal zooveel enz. 
bérapa kian, hoeveel maal meer dan 
dit; tiada th'kijan == tiada férhïlang, 
ontelbaar. Zie ook arakian, dëmikian 
en kalakian. 

ktjaniy Perz. koninklijk. 

kijjap, staander of vang voor masten 
of vlaggestokken. 

kijëlsy Arab. vergelijking, zinspeling, 
doeling; analogie, ook van toepassing 
zijn, van wetten; meuff^Jaskan, toe- 
passen op; méngambil jdjas, de bedoe- 
ling vatten, een les er uit trekken 

kijat, stijf, onbuigzaam, van de leden, 
S. M. krimpen, gekrompen, Sw. 

kfjoek, e. s. v. langwerpigen dobbel- 
steen, uit dunne plaatjes van ivoor be- 
staande. 

kljoel ; hoeroeng kijoel^ e. s. v. kleinen, 
gespikkelden vogel. Zie sijoel. 

ktJoety piepen, zooals een deur of slot. 

ktlok, kakelen van kippen; door den 
neus uitspreken, vdW. Zie kaka^ en 
Mën. kejok. 

kik, weefgetouw, Mes. Kaj». 

kikik s=s kekeif, zie ald. 

kikil « kekel, zie ald. 



kikir, vijl; gierig, vrekkig, schraapzuch- 
tig; k. patar, platte vijl; k. ekoer ii- 
koes, ronde vijl; kikiran, vijlsel; pléri 
kikiran, gierigheid, schraapzucht ; koe- 
Ut berkikir, ruw vel, kippevel; kakiki- 
ran = pet i kikiran. 

kikis; mêngikis, afkrabben, afschrapen; 
kikis en péngikis, krabber, schrabber; 
kikis lidah, tongschrapper. 

kikoek, linksch, boersch, stijf, niet op 
zijn gemak om iets te doen. 

kil, Arab. antwoord. 

kilab, e. s. v. zoutwater-schelpdier, met 
gladden, bruingemarmerden, spits toe- 
loopenden hoorn; kïtopong kilah, helm 
in den vorm van zulk een hoorn. 

kilan, Jav. span, als maat. 

kilang:, de beide rollen van een suiker- 
rietpers, vdW., beter: het uitgeperste 
siiikerrietsap. In het Mén, is het ook 
het sap, zie het wrdb. ; kilang ptngoiih, 
liefdedrank ; kilang an, suikerrietpers, 
vdW. Zie giling. 

kilansan, een doornstruik. Pad. bov.1. 
Zie Mën. wrbk. 

kilap, I. Jav. glans; berkilap^ blinken, 
glimmen, glinsteren. II. zie het Arab. 
chilaf. 

kilar, zie bij sipoet. 

kilas; méngilas, een bindsel, b. v. van 
rotan, met een knevel of een hefboom 
aanzetten. 

kilat, schitteren, blinken, bliksem, weer- 
licht, weerschijn ; berkilat-kilatkan ma- 
tahariy de zon weerkaatsen; mengilat- 
ngilatkan, doen doorschemeren, in zijne 
woorden, zinspelen; ttrkilat didalam 
hati, voor den geest zweven, zich aan 
den geest voordoen, verschijnen; kilat 
bahoe, zie bij bahoe. 

kilau, glans, weerkaatsing, uitstraling; 
berkilau'kilauwan, schitteren van juwee- 
len, dauwdruppels, sterren enz.; kilau- 
klêmilauy aan alle kanten schitteren. 
Zie ilau en kilat, 

kili; kili'kili, wartel, ook het haspel tj e 
aan een hengel; kili-kili d^joeng, roei- 
dol, of roeipen, die los in het boord zit. 

kilik, zie kelelp. 

kilir; mëngilir, aanzetten van een scheer- 
mes of wapen door het ergens snel op 
heen en weer te vegen, b. v. op ' de 
hand of op een oliesteen; toelang Hoe 
tlérkilir, die knook wordt heen en weer 
geschoven. 

kima» e. s. v. schelpdier, de reuzenschelp. 



kixnat — kiri. 



195 



Mmat, Arab. prijs, bedrag, waarop iets 
te staan komt. 

kimbang:; terkimhang-kimhang ^ voor iets, 
waar men niet durft binnen gaan, heen 
en weer draaien, aarzelen om binnen 
te treden, van iemand voor een vreemd 
huis of van een rot voor de val. Zie 
ook imbang, 

kixnboel, en kimboelan, campagne op 
een schip. R. v. Eys. Abd. M. p. 24. 

kimcha, Perz. zijden damast, armozijn. 
Ook kimchab en kimka. 

kixnija, Arab. scheikunde. 

kimka, zie kimcha. 

kimpal, gedegen, massief; 'émas kimpal, 
gedegen goud, goud in klompen, in 
tegenoverstelling van emas oerai^ stof- 
goud. Zie ook kipal. 

kimpoe, = kipoe^ zie ald. 

kinang; kinang-kinang y e s. v. platte 
koekjes van kleefrijst, in de zon ge- 
droogd en daarna met suiker in olie 
gebakken. 

kin^a, luchtsprong, capriole, bokke- 
sprong. 

kini, samentrekking van ka-ini. Ook 
kinin; zie ini. 

kinin, = kini^ zie ald. 

kinjans, bergkristal. 

kintal» padde, d. 1. Cr. 

kixitar, = küary I. P. zie ald, 

kixitjali; mengintjah, iets heen en weer 
schudden, b. v. iets dat men wil was- 
schen. Mën. heen en weer door het 
water slaan, dus spoelen v. waschgoed, 
zie wdbk. 

kintjir, waterrad, waarmede het water 
wordt omhoog gebracht, kettingpomp; 
kettingscheprad ; e. s. v. rad om zijden 
garen ineen te draaien, garen winder; 
spoel, haspel. 

kintjit, kleine hoeveelheden drekstof, 
die onwillekeurig, b. v. bij het laten 
van een wind, afgaan. 

kinljoens;, e s. v. plant, welks merg 
en vrucht als groente worden gegeten. 

kintjoepf nauw van buik, van een 
vaartuig, weinig geopend, tegenover 
dik of vol. 

kipai; méngipai-ngipai, kwispelstaarten. 
Zie kibas, 

kipal, SS kimpal y zie ald. 

kipas, waaier, voor welk gebruik ook; 
rnéngipasy met een waaier iets be- 
waaien; kipas tjina, een chineesche 

" waaier, ook fig. voor iets fijns en moois. 



kipoe, Cok kimpoe, kunstenaar, werk- 
man, duizendkunstenaar, ook «=« toekang 
en pandaiy b. v. kipoe bed, smid; k. 
emas, goudsmid. 

kipsiau, Chin. grijs aarden potje met 
tuit en handvatsel om water of koffie 
in te koken. 

kira, gissen, meenen, denken, vermoe- 
den, berekenen, gissing, naar gissing, 
meening enz.; kiranja, toch, eilieve; 
hai kiranja, och of!; djikalau kiranja, 
verondersteld indien; kira-kira, bere- 
kening, begrooting, bestek, rekening en 
verantwoording; ilmoe kira-kira, de re- 
kenkunde; dengan kira-kira dan ^e- 
darkan, met overleg, b. v. iets verdee- 
len; sakira-kira, omstreeks, naar gis- 
sing; berkira-kira, berekening maken, 
over iets denken, plan maken; dengan 
kira-kira sehadja, naar gissing slechts, 
er maar naar raden; memberi kira- 
kira, verantwoording doen, rekenschap 
geven; kir a-kir a pelajaran, bestek van 
de vaart eens schips ; didalam kira-kira, 
onder het geldelijk beheer staan van; 
dengan tiada kira-kira, onbesuisd, zon- 
der rekening te houden met iets; tiada 
terkira-kira, niet te gissen of te be- 
rekenen, onberekenbaar ; mengirakan, 
berekenen; mengirakan tampilnja, zijne 
voorwaartsche beweging berekenen. R. 
Chaib; perkiradn, berekening, be- 
grooting. 

kirëlbat, Arab. nabestaanden. 

kir ai, I. schudden, uitschudden, wan- 
nen, ook het op- en neergaan van 
roeiriemen. Zie kirap, II. het haar 
kammen, Maxw. 

kiraiiy Arab. conjunctie der sterren. 

kirana, Kw. lichtstraal van zon of 
maan, alleen in eigennamen. 

kirap, schudden, afschudden, spoedig 
op- en neergaan, opduiken en weer 
verdwijnen; mengirap, iets snel op en 
neder bewegen, wasschen, uitschudden, 
op en neer slaan met de vleugels, 
schudden van de vederen. Zie kirai. 

kirbat, Arab. lederen zak voor water 
of melk, bestaande uit een geheele 
huid, = chik. 

kiri, links, linkerzijde; mengiri, links 
opgaan, links aanhouden; niëngirikan, 
iets gaan halen, b. v. kirikanlah akoe 
api sedikit, haal mij e«n weinig vuur, 
Sing. Ook in de linkerhand dragen, 
b. V. dan soeatoe ptndahan dikirikannja, 



196 



Mrixn — • koe. 



en links droeg hij een werpspiies ; datang 
kaiirif overvallen zonder tegenstand te 
ontmoeten. 

kirim.; mengirim, zenden van zaken, 
niet van personen; zie daarvoor bij 
soeroeh; berkirim soerat^ brieven zen- 
dende zijn, correspondeeren ; kiriman^ 
bezending, gezonden geschenk; soerat 
kiriman, brief, zendbrief. 

kirip, e. s. v. eetbaar zout water-schelp- 
dier. 

kiris, e. s. v. boom met groene vruchten. 

kii^jat, Arab. stad. 

kirxnizi, Arab. karmozijn, vuurrood. 

kisy Arab. beursje, zakje, enveloppe van 
een staatsiebrief. 

kisa, klein sleepnet, soms van zijden 
garen. 

kisab, Arab. verhaal; tammat al^n^ah^ 
einde van het verhaal. 

kisal, langzaam werken, in de taal der 
rajats, vdW. naar mijne gissing = kisar, 
in de rondte draaien. 

kisar, I. ölêrkisar, in de rondte draaien; 
ook draaien van den wind, b. v. angin 
è'ërkitar kasélatan, de wind draait naar 
het Zuiden; menpisar, door middel van 
steenen, die in de rondte draaien, ver- 
malen; ook: opwinden, in de rondte 
zwaaien met een zwaard, de teugels 
wenden van een paard, omwoelen van 
den grond, b. v. met een piek, om- 
draaien van een ring om den vinger; 
kisaran kahwa, koffiemolen, Maxw. ; 
baioe kisaran, molensteen; pérkisaran, 
omloop, afwisseling, b v. van dag en 
nacht Zie ook kitar. II. «= kesot, zie 
ald. eigenlijk schuivend op zijn achter- 
ste draaien, of draaiend voortschuiven. 

kisó.9, Arab. wedervergelding; ^oekoem 
iifdf, de doodstraf, bloedwraak, dood- 
vonnis. . 

kisi, roedje, spijltje, tralie, spil van een 
spoel of rad, zooals van een spinne- 
wiel; kisi-kisi, roedjes, spijltjes, tralies, 
van vensters, stoelen, hekwerk enz.; 
tianff kisi, de opstaande houten aan 
een spinnewiel, waarin de kisi steekt ^ 
oelar kin^ e. s. v. slang. 

kisil; ttiénpsil, langs iets schuren, wrij- 
ven, ook strijken met een strijkstok op 
een speeltuig, in de handen wrijven; 
kiiilaftf schunrpaal in een weide enz. 

kiadmisj, Perz. krenten, rozijnen. 

Ifisxaat, Arab. deel, aandeel. 

kisoety gekreukeld, gerimpeld; mïnffi' 



soet, kreukelen, rimpelen. Zie ook 
lis oei. 

kita» wij, met inslaiting van den aan- 
gesproken persoon; ik, wanneer men 
uit de hoogte spreekt of in brieven 
aan gelijken; ana^ kita, gemeenzaam 
voor: uw kind. 

kitdb, Arab. boek, inz. van godsdien- 
stigen of wetenschappelijken inhoud; 
alkiidhy de Koran ; kitdhoeH^poedoeSy de 
heilige schrift ; orang jang tahoe pada 
kitdb, de schriftgeleerden. 

kitang, e. s. v. visch, de ledervisch. 

kitar; btrkitar, wentelen of draaien om 
een as of middelpunt; p^rkitaran = 
peridaranf rond wenteling. Zie kisar en 
idar. 

kitixn, zie bij sipoet. 

kitins;, platte uitdr. voor : een weinigje, 
stukje, kruimpje. 

kitji, verb. Eng. brik, jacht. . 

kiljoe, bedrog, list, poets, trek, guiten- 
streek ; berBtjoe-berdaja^ oplichterij 
plegen, zwendelen, zie lanijong; më- 
ngiijoekan, foppen, bedriegen, een trek 
spelen. 

kitjoehy aangaan, tieren, razen, veel 
drukte maken. 

kiwa, Jav. linksch, terzijde gelegen; 
pekiwan, afgezonderde plaats om er te 
baden en te wasschen. 

kixviy passagier op een handelsvaartnig, 
die een bepaalde laadruimte heeft af- 
gehuurd, of aandeelhouder in de onder- 
neming van den gezagvoerder is. 

kobafai, Perz. ketel trom. 

kobanfi:, ook gobang, Jav. een oort, 
thans 3^ centstuk. 

kobbrat, Arab. de leeuwerik. 

kobêr, Jav. den tijd of de gelegenheid 
hebben = s%mpat. 

koboky partij, volksstam, ras. 

kodi» een snees of twintigtal, de twin- 
tig, b. V. el ; ook een riem (van papier). 

ko<^ab, op Java voor chódjah, zie 
ald. p^kodjan, en kampoeng kodjah, de 
buurt waar die klinganeesche kooplie- 
den of hunne afstammelingen wonen. 

kocyob, sterke afwatering uit de boven- 
landen, zonder dat de rivier buiten 
hare oevers treedt. Zie bah. 

kodok, Jav. kikker; Mal. paddej *, 
poeroe zie kangkoeng ; kodoie-kodoj^, 
pompzuiger. 

kodrat» Arab. macht, almacht. 1 

koe» verkorting van akoe, zoowel ge- 



koebah — koekoe. 



197 



bruikt voor pers. Voornw. Ie pers. als 
bezitt. Voornw. Ie pers. 

koebah, Arab. gewelf, verwulf, koepel. 

koebai; daoen koehai^ e. s. v. plantje 
met aangenaam smakende blaadjes, die 
als groente en ook in de geneeskunde 
gebruikt worden. 

koebak; mengoebak, pellen, ontbolste- 
ren. Mën. id. 

koebal, zie qoehal. 

koebang, 1. schuimende modderpoel, 
ook koehangan; herkoehang, zich in iets 
wentelen, zooals de buffels in den mod- 
der; mandi berkoebang, zich in laag 
water baden, zoodat men zich daarin 
wentelen moet; poeteri berkoebang, 
e. 8. V. stijf gekookte brij, die als ver- 
snapering gegeten wordt. II. Pad. bov.1. 
e. s. V. wilden vijgeboom, die licht en 
zacht hout levert; koebang kirbau, 
buffelwed, modderpoel voor buffels. 

koebbrah, Arab. de leeuwerik. 

koebin, de vliegende hagedis. • 

koebis. Eng. cabbage, kool; koebis ielor, 
savoijekool; k. kaperi, kapperkool. 

koeboe, verschansing, aarden wal; koe- 
boe rantang, schans; mengoeboe-ngoeboeï, 
met aarden wallen of belegeringsschan- 
sen insluiten. R. Pas. 

koeboeng, e. s. v. vliegenden vos met 
gevlekte huid; ijetjak koeboeng, = 
tjetjajp Urbang. Zie koebin. 

koebóér, Arab. graf, graven; meng- 
Jpoebóérkan, begraven; p'ë^oeboeran, be- 
graafplaats. 

koeda, paard; koeda arau, de Suma- 
traansche zebra, Pist. k, api, vuur- 
paard; k. laoet — oendoefc-oendoejc^ zie 
ald. ; koeda-koeda, schraag, krukje, zoo- 
als b. v. dat waarop de marktkramers 
zitten, dakgeraamte, de hoofdbindten 
van een dak; ook de kam, die verti- 
kaal op het weefgetouw staat; losse 
optred voor de geta; mékoeday paardje 
spelen, harddravertje spelen; ana^ 
koeda boeloe kasap, jonge paarden, 
ruwe haren, Sprw. naik koeda hidjau, 
een groen paard berijden, d. i. een 
tooverpaard, ook als fig. uitdrukking 
voor : dronken zijn. Hik. Abd. b^rkoeda^ 
te paard; orang berkoeda, man te 
paard, ruiter, cavallerist; main koeda- 
koedaauy e s. v. optocht met nage- 
bootste paarden en andere dieren, voor- 
namelijk met Chineesch nieuwjaar. 

koedai, ronde beteldoos met deksel, 



oorspronkelijk gevlochten van rotan, 
thans van goud en behoorende tot de 
rijks-insigniën. 

koedap; koedap-koedap^ telkens snoe- 
pen, buiten den gewonen tijd eten; 
boeda]p koedap-koedap, een snoepachtig 
kind. 

koedil, = koedis ^ zie ald. 

koedis, schurft; ook wel koedis api\ 
k. boeta, de roode hond. 

koedja, kruik, kruikje; dawat sakoedja^ 
een kruikje inkt; ajar sakoedja, een 
kruik waters. 

koe^joer, speer met breede punt, om 
visch te steken; ook: stijf, piekerig, 
van het hoofdhaar, M. R. p. 189. Zie 
k^djoer. 

koedjoet; inèngoedjoety worgen, de ge- 
wone doodstraf voor overspelige vrou- 
wen. Ook poedjoet. 

koedoe, I. blad- of bloemknop, minder 
ontwikkeld dan koentoem. II. maïn 
koedoe. het Hassan-Hoesainfeeat, flam- 
bouwen-optocht der Klinganeezen. Verb. 
van koeda? 

koedoek, onderste gedeelte van den 
nek, vdW. Mën. de nek. 

koedoeng, verminkt, van de ledematen, 
zoodat er een stompje van overblijft; 
afgekapt van de uiteinden; k. pUai^ 
de stomp in de bloesem van de pUai^ 
waaruit de boon komt; Upas koedoeng, 
verminkte kakkerlak ; tangan hagai Upas 
koedoeng, handen, die overal aan zit- 
ten, zooals gewoonlijk van kinderen. 

koedoep, wat eten uit tijdverdrijf, vdW. 
zie koedap. 

koedóé», Arab. heilig; ro^oeH^oedóéSy 
de Heiligen Geest; mëngkoedééskau, 
heiligen. 

koejoe, treurig staan van het gelaat 
of de oogen, verslagen, benepen van 
gelaat door een tegenvallertje. 

koejoek, hond, ook het woord waarmee 
men een vreemden hond roept; een 
hond, die aan niemand toebehoort. 

koejoep, door- en door, van nat zijn; 
basak koejoep y kletsnat, doornat, tot op 
de huid nat. • 

koejoeng, e. s. v. schelpdier. 

koekangy :=: koengkang, zie ald. 

koekoe, nagel, klauw; k. saoeh, anker- 
klauw; k. pasa^y nagel van -vinger of 
teen, die geribd is; k. moeda, nagel- 
bed; boenga koekoe , huid bij het nagel- 
bed, ook witte spikkels op de nagels. 



198 



koekoeb — koelon. 



^ het maantje iü de nagels; mengerat 
koekoe, de nagels snijden, een plechtig- 
heid hij zeer jonge kinderen, die tevens 
' vergezeld gaat van de naamgeving. Fr. 
"Dj.; k. halam^ duiveklauw, e s. v. rijst 
met kleinen korrel en zeer smakelijk ; 
k. harimaUy tijgerklauw, e. s. v. werk- 
tuig om spijkers uit te trekken. 

koekoeh, stevig, vast, sterk; ook wordt 
zoo genoemd het tijdperk van de rijst 
op het veld, waarin de stengel droog 
en stijf is en de vrucht geheel rijp, 
Pad. bov.L; mengoekoehkan, stevigen, 
stijven, versterken. 

koekoek, I. het kraaien van een haan; 
berkoekoek, kraaien. II.? schijnt een 
of ander klein voorwerp te zijn, b. v. 
dirasa baginda koekoelp pon ada saperii 
dichabarkan olih entjih Bida. Sj. B. S. 
mogelijk gogok, halsketen. 

koekoel, I. krom, in een gebogen hou- 
ding, b. V. zitten zooals oude lieden. 
II. sollen met een kind. 

koekoep, aangeslibd zand voor de 
monding van rivieren. 

koekoer, I. kirren, zie Ukoekoer, II. 
klauw, krauwel, krabber, dierenklauw; 
mèngoekoeTy afkrabben afschrapen ; 
daoen koekoer, scutellaria indica, P. 

koekoes, I. damp, wasem; mengoekoes, 
distilleeren, in damp koken, gaar 
stoomen; koekoe san, het kegelvormig 
mandje, waarin de rijst wordt gaar ge- 
stoomd, ook: distilleer-toestel ; boewah 
k , e. 8. V. Iang8atvx\x.fi\ii. II. bunsing. 

koekoet, ook k^roekoet en kokot, krom 
samengetrokken van handen of voeten, 
vingers of teenen; kram, kram en oog; 
koekoei kïmoedi, ijzeren duimen, waar- 
mede een roer aangehaakt wordt; 
méngokot, bijeenschrapen met de vin- 
gers, even als met een hark; koekoet, 
ook beugel over een kram, waaraan 
men een hangslot hangt; k. laki-laki, 
kram; k. beiina, oog van de kram. 

koel, I. verb. Ned. kool, zie koebis, II. 
aa tjfèroel, ièroel en péroel. 

koela, Jav. ik. Ook kawoela. 

koelah, I. e. s v. wilde mangga, welks 
vrucht eetbaar is II. = kolam, zie ald. 

koeldh, Perz. hooge muts, helm, mijter, 
tiara, helmvlies. 

koelai, I. slap neerhangend, van iets 
dat geknakt is, b. v. een gebroken arm 
of been of tak, ook hangend van de 
ooren v. e. hond enz. en van den 



onderlip; Urkoelai, gekrookt, geknakt. 
TI. e. s. V. schelp, waarvan men in Eur. 
knoopen maakt. 

koelakasar, Arab. de geheele rommel, 
bagaadje. 

koelasantana, Skr. nakomelingen, 
maagschap, familie. 

koelat, zwam, duivelsbrood, korstmos; 
soorten zijn: k. kajoe, k. koel, k. pa- 
dang, koelat patah, koelat pongsoe en 
koelat sisir. 

koelawangsa, Skr. = koelawarga, zie 
aldaar. 

koelawarga, Skr. soms kaloerga uit- 
gesproken, maagschap, bloedverwanten, 
familie, vrienden. Zie bij warga. 

koeli, sjouwer, arbeider, daglooner; 
arbeidsloon, dagloon; makan koeli, op 
dagloon werken; mmgoeli, als koeli 
werken, voor koeli fungeeren. 

koelilins;, zie keliling. 

koeliixi, een boom, waarvan het sap 
naar knoflook riekt en welks vruchten 
als specerij gebruikt worden. 

koelipat, krukje, dat men op den schou- 
der plaatst, om een vracht, op het 
hoofd gedragen, te ondersteunen. Pad 
bov.l. 

koelir, troffel, d. B.? 

koelit, huid, schil, vel, dop, schelp; 
koelit ari, blaasje, dun vliesje, velletje, 
ook de opperhuid ; k. kajoe, boomschors, 
ook gebezigd als bouwmateriaal; koelit 
lawang, e. s. v. specerij ; koelit manis, 
kaneel, volg. vdW. de huid van den 
nagelboom; koelit sipoet, slakkehuisje, 
horenschelp; mengoeliti, onthulden, vil- 
len, de huid afstroopen, schillen; k. 
chatan, de voorhuid. 

koelóéb, Arab. meerv. van ]fialab, 

koeloetu ; mengoeloem, mommelen, prui- 
men, iets in den mond houden; me- 
ngoeloem tembakau, tabak pruimen; pe- 
ngoeloem, gemompel, stil gebabbel. 

koeloep, verb. Arab. voorhuid; ook als 
liefkoozingswoord voor nog onbesneden 
jongens; opgerold en met het eene einde 
eruit stekend, zooals een kaart, rol 
enz.; berkoeloep, onbesneden. 

koeloer, broodboom, welks vruchten 
van groote pitten voorzien zijn, = ke 
loewih, Jav. De onrijpe vruchten worden 
als groente gekookt en ook de pitten 
worden gekookt gegeten. 

koelon, Jav. West, het West-en, = ba- 
rat. Mal. 



koema •— koening:. 



199 



koema; koema-koema = koemkoemay 
zie ald. 

koemai, rechtlijnige insnijdingen voor 
lijstwerk ; ook lijstwerk in het algemeen, 
Ibr. b. Ch. dikoemaiy omlijst, R. Chaib. 

koemajan, e. s. v. kleine, geurige, witte 
bloeru. Abd. Sch. wrdb. 

koexual, verkreukeld, verfrommeld, be- 
duimeld, de sporen dragen van gebruikt 
te zijn, van papier, linnen, kleederen, 
eene vrouw enz.; mengoemal^ ook knuf- 
felen, van eene vrouw, R. Chaib. 

koeraan, kleine huidraade, schurftmijt, 
stofje, atoom; k. djalar^ voortwoeke- 
rende huidmade; k. ajar, waterpuistje; 
k. doedoe^y huidmijt, die niet voort- 
woekert, maar op haar plaats blijft. 

koemba, I. pot; k. majangy pot, ver- 
sierd met kokosbladeren, waarin bij 
bruiloftsoptochten het badwater voor 
bruid en bruidegom wordt gedragen. 
Zie gombang. II. Skr. de bulten op 
het voorhoofd van een olifant. 

koembali; nCéngoembah, wasschen; iem. 
den mantel uitvegen; verkwisten, ver- 
doen; koembahkambi, Abd. schets wrdb. 
denkelijk het kombang kambing van 
vdW. Zou het ook koembah kambing 
kunnen zijn? Zie kombang. 

koembakara, Skr. pottebakker. 

koembar, hoofdrib van de bladen van 
den roembija-'^^vHy gebruikt tot opboor- 
ding van bootjes. 

koembek, of kemiriy e. s. v. boom, welks 
harde noten, ook boewah keras geheeten, 
gebruikt worden bij de spijsbereiding 
en bij een zeker Maleisch spel. 

koemboeb, e. s. v. driehoekig gras of 
biezen op natte gronden en waarvan 
men mandjes vlecht. 

koeisaisy Jav. snor, knevel; ook: sikje 
onder den onderlip, vdW. 

koemkoerxia, Skr. ook kemkema, kur- 
kuma, e. s V. plant welks wortel veel 
gele kleurstof bevat. Hiervan twee 
soorten, één die bij de spijsbereiding 
wordt gebruikt en één die de gele 
verfstof, kurkuma, levert. 

koemoer; berkoemoer, den mond spoe- 
len, gorgelen. 

koexnpai, e. s. v. plant, welks mergpit 
voor lampepitten gebruikt wordt; e.s. v. 
rietgras, vdW. e. s. v. biezen. 

koexnpar. Pad. bov.1. winden van zijde 
op een klos, taboeng, voor het weven. 
Pist. 



koerapoeh. Pad. bov.1. = koempai, 
zie ald. 

koeropoek» grondw. v. keloempoe^, 
zie Men. wbk. 

koeznpoel, verzameld, bijeen; berkoem- 
poel, bijeenkomen, bijeen zijn, verga- 
derd zijn; mengoempoelkan, verzamelen, 
vergaderen, bijeenbrengen; pïkoempoe- 
lan, vergadering, verzameling, vereeni- 
ging, bijeenkomst; koempoelan roemah, 
huizengroep. 

koeinsoein, verb. van het Eng. com- 
mission. 

koena, Jav. oud, uit den ouden tijd. 

koenarpa, Skr. dood lichaam, lijk. 

koendai, I. Tam. opgestoken haar, 
haarwrong op het achterhoofd bij vrou- 
wen; tekan koendai, gouden voorhoofd- 
plaat, die dient om de gandi^ te 
bedekken, diadeem; mengoendai, het 
haar tot een koendai maken, opsteken. 
II. = poekau, zie ald. 

koendang, overal meenemen, b v. een 
bediende, vdW. Jav. oendang, roepen, 
zie ald. koendangan^ volgeling, ook de 
naam van een boom. Zie Men. wrdbk. 

koendiy Pad. bov.1. = kenderiy een soort 
van ronde kleine boontjes, half rood en 
half zwart, die gebruikt worden om 
goud te wegen en ter versiering. Als 
goudgewichl zijn 24 koendi = één mas 
en = 24 oewang. Wel te onderscheiden 
van de bidji saga pohon, 

koendjing» e. s v. zoutwatervisch. 

koendjoenfi:, mengoendjoengiy iem. of 
iets, b, V. graven, een plechtig bezoek 
brengen, bezoeken; ook bezoek van 
rouwbeklag. Zie oendjoeng. 

koendjoer, «= koedjoer en kedjoeri zie 
aldaar. 

koendoer, I. e. s. v. kalabas of kau- 
woerde, die geconfijt, gebruikt wordt 
ter vervanging van succade. Zie ook 
beligoe. II. e s. v. reiger, ook roe]proe^ 
poeiih genoemd, M. 

koeng, klanknabootsend woord voor een 
hol klinkend geluid, zooals van een gong, 
of zwaar geblaf; keng, van een meer 
schel klinkend geluid. Zie ook bij sipoet. 

koeng^kans* I. de luiaard, stenops 
tardigradus. II. mengoengkang, kluiven, 
beknabbelen, knagen. 

koening;, geel; k. lema^ ketam, bleek 
geel, crème; koeningan, geel koper, 
messing; kakoeningan, al wat geel is, 
wat tot het gele behoort en waarvan 



200 



Isoenir — • koera. 



het gebrnik de Vorst zich heeft voor- 
behouden. 

boenir, Jav. kurkuma = koenjit, 

koexijati; mïngoenjah, mommelen, het 
kauwen van lieden, die geen tanden 
meer hebben. Ook goenjeh. Zie verder 
tnafitah. 

koei\jity kurkuma ; iboe koenjit y de hoofd- 
wortel daarvan; ana^ koenjit, de bij- 
wortels. Soorten zijn : k. b'ésar, k. padi 
en koenjit santan. Koenjit-koenjit en 
s^koenjit, namen van e. s. v. planten. 

koex^joens ; sakoenjoeng-koenjoeng , eens- 
klaps, onverwachts, zoo op eens, on- 
voorziens. 

koenoen, bepaald, stellig, zeker. Ook 
overdrachtelijk gebruikt als de zaak 
niet zoo stellig is. 

koensil. Eng. council. 

koentan, Chiu. boksen. 

koentjah, 1. zekere maat voor droge 
waren, ^ van een kojan. Ook als land- 
maat in gebruik, b. v. sakoentjah btnih, 
zooveel land als men met een koentjah 
zaad bezaaien kan. Ook is het van 
toepassing op een ruimte van water 
of inham. R. P. Dul. p. 81. II. troebel, 
drabbig van water? Zie Mën. wrdb. op 
kintjah. 

koenljak, = poentja^y zie ald. Hiervan 
is afgeleid k^moentja^. 

koentjiy sluiting met slot en sleutel, 
vandaar dat het soms voor slot, soms 
voor sleutel wordt gebruikt ; iboe koentji 
slot ; ana^ koentji, sleutel ; koentji paha, 
de lies; koentji djam en k. arlodji, 
horloge-sleutel; koentji maling, Batav. 
looper ; koentji kitdb, slot van een boek ; 
ttmoe koentji, e. s. v. specerij-achtigen 
wortel, bij de spijsbereiding en in de 
geneeskunde gebruikt; anaJe koentji 
djahat, .péti doerhaka, is de sleutel 
sleeht, dan komt de kist in verzet, 
Sprw. voor: als de man niet deugt, 
komt de vrouw in opstand; mengoentji, 
met een slot sluiten, op slot doen, doch 
ook met een sleutel open maken, ont- 
sluiten, b. V. maka pintoe pon sigera 
dikoentji pl^noenggoe pintoe, satïlah tïr- 
boeha maka padoeka maha Deioi pon 
sig'ëra masoe^p. Mes. Kag. 

koenijit, Chin. haarvlecht der chi- 
neezen. 

koentjoens, Jav. kuifje of bosje haar 
op het hoofd van kleine kinderen. 

koentloep, gesloten, ineengeplooid, van 



bloemen, zonneschermen, bladen; blad- 
knop, bloemknop; mengoentjoepkan, 
sluiten, b. v. een zonnescherm. 

koentoel, rond, stomp, bol; de testis; 
boeroeng koentoel, e. s. v. reiger, om zijn 
rond achterste; hajam koentoel, kip 
zonder staart. 

koentoem, onontloken knop van bloem 
of blad. Wordt ook als hulp-Telw. ge- 
bruikt bij de optelling van bloemen. 
Zie koedoe en koentjoep. 

koentoeng:, de staart van een Chinees. 
Ook koetjir, zie ald. 

koentoe^cvan, e. s v. dik chineesch 
satijn. 

köëóéd, Arab. zitten, in;^. bij het gebed. 

koepah, groote gulp, b. v. van bloed; 
kaloewarlah darah btrkoepah-koepah dari 
dalam moeloetnja, het bloed kwam bij 
groote gulpen uit zijn mond. 

koepak, I. slap, van de borsten eeüer 
vrouw. Zie kopejc, II. een groot stuk 
van de schil afgetrokken hebbend. Mën. 
afgebroken stuk, doorgebroken, III. 
senapang kopaje, achterlaadgeweer. Sw. 

koepang, I. e. s v, zoutwatermossel. 
II. e. s. V. goudgewicht = 4 djampal. 
Zie tali. 

koepas; méngoepas, schillen, onthulden, 
pellen; mëngoepas kapala, scalpeeren; 
th'koepas, geschild, onthuld, ontveld, 
b. V. ter koepas koelit tangannja, zijn 
hand was ontveld. Ook k^loepas en 
gMoepas. 

koepat, geldzakje van nipahbladen. 

koepi, Skr. bus voor thee, buskruit en 
dergel. 

koepih, kleine gulp, b. v. van bloed. 
Jav. id. Zie koepah, 

koeping;, Jav. oor, in alle beteekenis- 
sen, = tïlinga. 

koepis, zie k'éroepis. 

koepoe, meest koepoe-koepoe, kapel, 
vlinder; koepoe gadjah, de reuzen vlin- 
der = rama-rama; koepoe-koepoe, ook 
een soort van plant. 

koer, en koerkoer, geluid, waarmede 
men de kippen bij elkaar roept, ook 
knorren als een varken, M.; koer 
soemangat, keer terug levensgeest! uit- 
roep van ontsteltenis, ook gebruikt 
voor: welkom in het leven, tegen een 
pas geboren kind. 

koera, milt; sakit koera, opzetting van 
de milt; dimant koera, koorts met op- 
zetting van de milt; koera-koera, schild- 



koerai — koesoet. 



201 



pad, zoowel land- als zeeschildpad, om 
de gelijkenis met de milt; sisi}^ koera- 
koera, het schildpad; koera-koera kaki, 
de wreef van den voet. 

koerai, aderen en vlammen, zooals in 
hout, marmer enz.; berkoerai, gevlamd, 
geaderd Zie oer at. 

koeranP kambing koeran (of goeron?) 
e. s. V. geiten of bokken. Pel. Dj. 

koerang, ontbreken, te weinig, te kort, 
niet genoeg, te min (van een zaak of 
hoeainigheid), verminderen, afnemen; 
koera tg asa, min één ; koerang tiga, 
min drie, ontbreken drie ; koerang ingat, 
onbedacht; koerang bijasa, onervaren; 
k. adjar, onbeschaamd, onbeleefd, lomp ; 
kf péri^sa, zie peri^sa; k. djadi, niet 
goed gedijen, minder goed gelukken, 
van planten; k. genap, onvolledig, on- 
voltallig; k. öangsa, van geringe af- 
komst ; koerang-koerang .... Ubih-lebih, 
hoe minder — hoe meer, b. v. koerang- 
koerang boeboer lebih-lebih soedoelp^ hoe 
minder pap, hoe meer lepels, Sprw. 
ook : minder omdat .... dan wel, om- 
dat, b V, koerang -koerang disoeroeh^ 
Ubih soeka sêndiriy orang ada ioena- 
ngannja, minder omdat men gelast 
wordt, dan wel omdat men er zelf lust 
in heeft; men heeft een verloofde! sa- 
koerang-koerang, de minste; sakoer ang- 
koerangnjay op zijn minst; mhigoerang- 
kan, doen minderen, minder doen zijn; 
niéngoerangi, tekort doen; kakoerangan, 
van personen: gebrek hebben aan, te 
weinig hebben van, tekortkoming, ook 
in morelen zin; blèrkoerang-koerangan, 
steeds minder worden, verminderen. 
NB. De meeste Bijv. nw. met on heb- 
ben koerang in het Maleisch. 

koerdni. Ar. vereenigd met een ander, 
compagnon. 

koerap, ringworm, e. s. v. besmettelijke 
huidziekte. 

koeras, verb. van koerdsat, katern, vel 
van 24 pag. in elk formaat. 

koerëlsat, Arab. katern, cahier, vel 
van druk- of schrijfwerk. In het Mal. 
meestal koeras. 

koerat; Arab. koeratoeHzamhariri, de 
ijskoude zone. 

koeran» e. s. v. zeevisch, zie s^nangin. 

koercUoe, Arab. Georgien. 

koerêt. Eng. court, raadhuis, recht- 
huis. 

koertja, ^ k'ërija, zie ald. 



koeringfii, heidensche bewoner van de 
kust van Koromandel. 

koerki, Arab. de kraanvogel. 

koerkoeiiaa, Arab. safraan, saüoers, 
kurkuma; koemkoema. Mal. 

koerkoer, zie koer. 

koernija, = kdroenija, gunst, gunstbe- 
wijs van een Vorst enz. genade, ge- 



koeroeng, besloten ruimte, hok, kooi, 
kajuit, gevangenis; k. badjau, kajuit 
zooals de Badjau's die hebben met een 
overlangsche opening van boven; koe- 
roeng mati, een kajuit zonder zulk een 
opening; koeroeng batang, een lijkbaar, 
meestal van bamboe; méngoeroengkan, 
in de gevangenis of in een kooi zetten ; 
koeroengan, Jav. kooi voor vogels, zie 
sangkar. 

koeroes, mager, scWaal, tenger, uit- 
geteerd; meng oer oeskan, doen verma- 
geren; koeroes kering ^ brood mager. 

koersi, Arab. zetel, stoel, troon. 

koes, klanknabootsend woord voor het 
blazen van een kat of tijger. 

koesa, Skr. stok met een ijzeren haak, 
waarmede olifanten bestuurd worden; 
roempoet koesa-koesa, e. s. v. gras, pani- 
cum colonum; mhtgoesa, met zulk een 
haak olifanten aansporen, Sadj. Mal. 

koesadj, Perz. de zwaardvisch. 

koesal; mengoesal, heen en weer met 
iets op iets anders in de rondte wrij- 
ven, zooals met gomelastiek op papier, 
met een pruim, ook koesal, rondom 
de lippen, ten einde het sirihspuw weg 
te vegen. 

koesaxn, dof, mat, zonder glans 

koesambi, e. s. v. ijzerhoutboom. 

koesir, Ned. koetsier. 

koesjkoel, zie ktskoel. 

koe^ti, Perz. worsteling; koesjti gir, 
worstelaar. 

koeskoes, I. smoezen, fluisteren, zie 
koesoe. II. mengoeskocs, lucht blazen, 
zooals soms de visschen doen. III. e.s.v. 
buideldier. M. 

koesoe, I. smoezen, fluisteren. Ook wel 
koeskoes, dat ontstaan kan zijn uit 
koesoe-koesoe. II. e. s. v. struikgewas, 
vdW. 

koesoema, Skr. bloem. Soms fout ge- 
bruikt voor soe^ma, geest, ziel. ' 

koesoet, verward, in de war, van haar, 
garen, touw, een zaak enz.; bitjara 
jang koesoet, een ingewikkelde rechts- 



koesta — koewak. 



zaak; koesoet dipersêlesaikan, wat ver- 
ward is, moet ontward worden, ge- 
schillen moeten worden bijgelegd; me- 
ngoesoetkan, verwarren, in de war bren- 
gen, b. V. êngkau koeèoetkan kemoedian 
daripada soedah selesai, wat in orde 
is breng jij weer in de war. S. Dz. 

koesta, Skr. melaatscbheid, waarbij de 
uiterste ledematen afvallen; ook: sy- 
philitische kanker; k. dangkoeng, kan- 
ker in den neus ; pokof: koesta, de hura 
crepitans, e. s. v. plant welks bladen 
tegen lepra gebruikt worden. Soorten 
van koesta zijn: k. pari, k. hoenga en 
k. limhoeng, 

koestan? een waterkruik. L. 

koetai, I. pinang koetai^ oude, droge 
pinangnoot, zooals die voor den uit- 
voer geschikt is; ook oud en droog 
van kokosnoten; djala koetai^ zie djala. 
II. nog aan een stukje hangend zooals 
een geknakte bloem. Men afgescheurd, 
in flarden. 

koetans» Jav. lijfje, korset, bij vrouwen. 

koetar, Arab. zijde, kant, streek, he- 
melstreek. 

koetëri, kooi aan boord, vdW. 

koeti; koeti-koeü, gedurig en voor de 
geringste kleinigheid straffen of bekij- 
ven, gedurig op de vingers tikken, na- 
rijden, vdW. Men. mengoeti, in kleine 
stukjes afscheuren. 

koetika, tijdstip, oogenblik, rechte of 
geschikte tijd voor iets, ten tijde, tij- 
dens, toen; pada koeiika itoe, op dat 
oogenblik; koetika iengah malamy op 
het oogenblik van middernacht; sakoe- 
üka, ook: terwijl; sakoetika lagi^ na 
nog een oogenblik; koetika lima en k. 
toedjoeh^ en bij verkorting ook alleen 
koetika, o. s. v. wichelarij, die men 
nader beschreven kan vinden in mijn 
Suppl. op het "Woordb. van Dr. Pijn. 
en in dl. XVIII van het Tijds. voor 
Ind. T. L. en Vlkk. ; soerdt koetika, 
zie soerat. 

koetil» I. wrat, wen, vleeschachtige uit- 
was. II. mengoetil, kleine stukjes af- 
breken, afplakken of afbijten; bepik- 
ken, beknagen, pellen. Mën. id. 

koetip; mengoetip, ople>zen, oppikken, 
een voor een oprapen, b. v. korrels, 
vodden, stukken uit geschriften voor 
eene bloemlezing, kruimels enz. b. v. 
saperti ajam mengoetip padi saboetir- 
saboeiir, als een kip, die de rijst korrel 



voor korrel oppikt; pengoetip, verza- 
melaar, b. V. pengoetip segala remah 
péng^tahoewan, de verzamelaar van de 
kruimpjes der wetenschap, de titel van 
een Mal. boekje. 

koetjai, Chin. ? e. s. v. prei, die in Indië 
bij de bereiding van toespijzen wordt 
gebruikt. 

koetji, ook wel koetjing, Cochin-china. 

koetjil, uitglippen, uitgeglipt, b. v. uit 
een gat, dat niet diep genoeg is; 
méngoetjil, uitsluiten, buiten sluiten, 
buitenstooten, deballotteeren. Men. on- 
verwachts heengaan, zich verwijderen, 
zich aan eene zaak onttrekken; ter- 
koetjil, uitgegleden. 

koetjinfi:, I. kat; k. negari, tamme kat; 
k. hoetan, wilde kat; k. pekak, rotten- 
val, rottenklem; koetjing bijang, een 
krolsche kat ; koetjing -koetjing X7i, , buik 
van de tweehoofdige armspier; akar 
koetjingan, zie akar ; daoen k., e. s. v. 
bladgroente. II. = koetji, zie ald. 

koeljir, staart of haarvlêcht van een 
chinees. 

koetjoep, ook ketjoep, kus, zoen; 
mengoetjoepi, kussen, zoenen. Zie ook 
koentjoep en tjoetjoep. 

koetoe, luis; koetoe andjing, vloo; k, 
bidoelp, pis-in-bed, het insect; koetoe 
boesoe^, wandluis; k, babi, k. domba 
en k. lemboe, teek, zie sengkenit; si- 
koetoe, scheldwoord ; k. radja, e. s. v. 
medicinale plant; ielor koetoe, neet; 
bei'koetoe-koetoewan, elkander luizen, 
elkander de luizen uit het haar zoe- 
ken en die opeten, even als de apen. 
H. T. enz. 

koetoeb, Arab. de poolstar. 

koetoeb. Pad. bov.1. = sampoerna, zie 
aldaar. 

koetoek, I. vloek, vervloeking, ver- 
vloekt; mengoetoeki, vervloeken; di- 
koetoeki Allah dengan koetoei^ jang amat 
sangat, door God vervloekt met een 
vreeselij ken vloek; minoem koetoejp 
apakah ini, wat is dit toch voor een 
vervloekte drinkerij? Pel. Dj. II. e. s. 
V. rijstmaat = 2 ling of 4 genggam. 

koetoem, zie koentoem. 

koewah, Chin. de saus van iets, b. v. 
van groente, vleesch en dergel. de jus. 

koe^waja, Jav. de gal. 

koew%jah, e.s. v. boom met een vrucht, 
die op de gajam gelijkt. 

koe wak; mtngoewalc, een geluid voort- 



koevs'al — kola!^: 



203 



brengen zooals dat van een buffel, een 
pas geboren kind enz. Zie oewa^ II. 

koewa.1, met het bovenste gedeelte been 
en weer bewegen, van iets, dat rechtop 
staat; koewal-koewal^ het hoofd rechts 
en links bewegen, b. v. van een zwem- 
mende, den kop van een hert boven 
de struiken enz. pengoewal, e. s. v. 
houten -hamer, de Br. K. 

koe^wala, monding eener rivier, zoowel 
in eene andere rivier als in zee. Soms 
ook voor factorij. 

koewali, aarden of ijzeren pan. 

koewalon, Jav. stief = tiri^ Mal. Zie 
aldaar. 

koewang, = koewau, zie ald. 

koe^var, I. mengoewarkan, met een 
stok of iets dergelijks rondtasten in 
iets, om naar iets te voelen. II. ver- 
bast, van het Perz. chawdr, zie ald. 

koewarik, gouden borst- en rugge- 
plaatje, ter grootte van een rijksdaalder, 
met een gat in het midden. Zij worden 
met koorden over de schouders en onder 
de armen door bevestigd, zoodat één 
op de borst en één op den rug komt 
te hangen. 

koewasa, macht, volmacht, machtig, 
gezaghebbend, in staat tot iets, sterk, 
krachtig, gevolmachtigde; tiada koe- 
wasa^ niet bij machte; niet uithouden, 
niet harden, niet verdragen kunnen; 
berkoewasa, machthebbend ; maha koe- 
wasay almacht; sakoewasa-koewastty uit 
alle macht; sakoewasa-koewasa hati, 
van ganscher harte; mana koewasa 
hamba, wat in mijn vermogen is, zoo- 
ver mijne macht strekt; atas koewasanja^ 
naar hun vermogen; tiada terkoewasa, 
niet te regeeren, niet in bedwang te 
houden, b. v. maka ada gadjah meta 
méngamojpy tiada tïrkoewasa olih gom- 
balanja, er was een bronstige olifant dol 
geworden, die door zijn cornac niet in 
bedwang te houden was, R. Chaib. 
memberi koewasa, machtigen, macht ver- 
leenen; mengoewasani, zijne krachten 
inspannen voor iets, b. v. mengoewasani 
è^rdjalan, zijne krachten inspannen om 
voort te gaan. Tam. edD. 

koewat, Arab. kracht; dikwijls, dik- 
werf; iioewat'Jpoewatt met kracht, hard- 
op, overluid, ferm; mengTpoewat-Jpoewat- 
kan, zijne kracht op iets aanwenden; 
jhoewat'koewasa, kracht en macht; 
mengoewati, zijn kracht op iets aan- 



wenden, sterk op iemand aandringen, 
persen, dwingen. 

koewatir, verb. van chawdfir, zie 
aldaar. 

koewan, de argusfazant. 

koetvawa, Jav. in staat, bij machte, 
bekwaam. Ook koewawi. 

koewèni, Jav. e. s. v. groote, saprijke, 
sterksmakende mangga, bekend bij de 
Maleiers. 

koewi, smeltkroes. 

koe-wih, eigenl. koewé, Chin. koek; 
koewih-koewihy koekjes. Zie panganan, 

koewil. Tam. tempel, pagode. 

koewin? koeherder of geringe man. 
Am. Hamza. 

koewis; mengoewis, iets met de voeten 
opzij schoppen, b. v. maka dikoewis- 
kan olih radja akan Groelam dengan 
kakhija^ de Vorst schopte G. met zijne 
voeten opzij. H. Gr. 

koewit; mengoewit, heen en weer be- 
wegen van iets puntigs, b. v. den top 
eens vingers enz. een tik of veeg met 
den vingertop geven, met iets puntigs 
onderuit halen; koewit kapai, allerlei 
kleinigheden omhalen, op die wijze den 
kost zoeken. Zie ook goewit. 

koewoeng, regenboog, Jav. keloewoeng. 

kohong:, stinkend, een bedorven stank, 
zooals van rotten visch, een kreng enz. 

kojak, gescheurd, van kleederen, papier 
enz. mengoja^^ scheuren, verscheuren; 
mengojak-ngojaTpy kammen, kaarden, uit- 
pluizen, van wol, katoen enz. kelojak, 
zie ald. koja^: rabit, aan flarden. 

kojaxn; boeboer kojam^ e. s. v. pap of 
brij, gekookt van kleefrijst-meel, ver- 
mengd met kokosmelk en specerijen. 

kojan, e s. v. groote maat voor vrachten 
en ladingen van vaartuigen, pakhuizen 
enz. doorgaans van 27 tot 30 pikoel\ 
dit hangt af van de waar en het plaat- 
selijk gebruik. 

kok, juk voor lastdieren. Zie regoe 
en goe. 

kokila, Skr. de beo, e. s, v. indischen 
vogel, die zeer duidelijk praten leert. 

kokol, e. s. V. varenkruid. 

kolah., = kolam, zie ald. Mën. id. 

kolak, I Jav. e. s. v. gestoofde vruch- 
ten, b. V. banaan en broodvrucht met 
kokosmelk en suiker = pengat II. e. 
rijstmaat, inhoudende vier gantang of 
20 kati rijst; ook e. maat voor natte 
waren. Pad. bov.l. 



204 



kolam •— konta. 



kolam. Tam. vijver, waterkom. Ook 
wel kolah. 

kölan^, Arab. koliek. 

kolans, I. kolang-kaling^ heen en weer 
gaan, vdW. II. holang-kalingy de vruch- 
ten van den arenpalm, alleen eetbaar 
als ze geconfijt zijn ; ook kaling'kaling 
genoemd. 

kolefai; koleh-kolehy zetmeel in balletjes. 

koleng; koleng-koleng, eenzaam en ver- 
laten rondloopen, b. v. van een wees. 

kolik, e. s. v. bootje of kano, waarin 
gewoonlijk maar plaats is voor één 
persoon-, vandaar doedoe^ terkoli^- 
koli/jff geheel alleen zitten of wonen, 
even als iemand die in zulk een bootje 
zit; koli^ t^tap, zulk een boot waarin 
plaats is voor zes en meer personen; 
vandaar de naam teiapj omdat zij vast 
ligt; kitji sëkoli^, e. s. v. snelvarende 
vaartuigen met één mast. 

kolok; ajar koloh-koloh, verf water, dat 
uit een stuk geverfde stof gewrongen 
is of reeds tot verven gediend heeft, 
en daardoor minder verfdeelen bevat. 

kolonis, holte of ruimte onder iets, b. v. 
onder een bed, kast, tafel enz.; mijn 
met gangen en stutten, mijngroef; 
kolmig iimahy tinmijn. 

kolot, Batav. stokoud, uit het Soend. 

kolzoexn, Arab. laoet ^olzoeniy de Roode 

' Zee. 

koznala, e. s. v. denkbeeldig edelge- 
steente, waaraan wonderkracht toege- 
schreven wordt en dat men meent uit 
den kop van slangen of andere dieren 
te verkrijgen. 

koxnat; komat-kamit, den mond op en 
neer bewegen, bij het spreken of eten, 
bidden of lezen; prevelen, mompelen. 
Soms ook kïmoet, zie ald. 

kombala» = gomhala^ hoeder, herder; 
ook pengomèala ; mengombalakan p^èdati^ 
een wagen besturen. Pr. Dj. 

kombali, = k'émöali, zie ald. 

kombanis, hommel, kever, tor; ook 
fig. voor een minnaar; k. madoe^ hom- 
mel; k, padangy e. s. v. groene tor; 
k. k^lapa, tor die de kokosnoten uit- 
vreet; k. kajoCf hommel, die gaten in 
houtwerk vreet; k. njioer, groote tor, 
die gaten in de kokospalmen boort; 

. k, takiy de drekkever; k. boetoah^ tor in 
sommige vruchten, zooals de mangga; 
k. ana^p tjina, kleine tor met groene 
vleugels en oranjekleurige borst; k, da- 



oen , tor, die zich gewoonlijk op blade- 
ren ophoudt; k. lilin, e. s. v gele kever; 
k. bertedoeh, bloedzweer in de nabij- 
heid van den oksel; k. kambing, op 
verschillende wijze onvoegzaam behan- 
delen; harimau kombangy zie harimau. 
Zie ook koembah. 

koixibara; mengombara^ zwerven, om- 
dolen ; p^ngombaraan, omzwervingen, 
om dolingen. Pr. Dj. 

komëndor, commandeur, commandant, 
gouverneur. 

komeng:, klein in zijn soort; ook: her- 
maphrodiet, impotent, b. v. soepaja 
djangan dikata orang akoe komeng^ 
opdat men niet zegge dat ik een her- 
maphrodiet ben. Pr. Dj. 

kompani, de Oost-Indische Compagnie. 
Ook wel gebruikt voor het tegenwoor- 
dige Gouvernement. 

kompong, een scheede van gaboes- 
hout, tot berging van den langgegroei- 
den nagel, tjanggai, aan den linker 
duim. Soms met zijde omwonden, soms 
daarover nog een gouden scheede. 

konang:, met een vuurgloed schitteren, 
van de ondergaande zon; konang-konang^ 
vuurvlieg; k, k. sakebon, roos van dia- 
manten met een anderen steen in het 
midden; mengonang, glanzend, glinste- 
rend van de haren. H. Gr. p. 138. 

kondam, kas, waarin de juweelen ge- 
zet worden, L. en R. v. Eys. ; e. s. v. 
oorring, M. 

kondang:, e s. v. wilden vijgeboom. 

kong, I. waterdicht beschot in een 
vaartuig; II. bovendorpel = ambang 
di-atas. 

konekons, zwaar voorwerp; Mën. e. 
s. V. blok dat aan een ketting of touw 
misdadigers of dieren om den hals ge- 
hangen wordt; rnèngongkong, van zulk 
een voorwerp voorzien, b. v. maka 
soeroeh kongkong lehernja sipentjoeri 
itoe, baioa sapandjang pasar^ laat dien 
dief een blok om zijn nek hangen en 
breng hem de geheele markt over. 
Oend. 

konssan, huif, luifel, afdak boven een 
raam. 

kongsi, Chin. maatschappij, vereeniging, 
verbond, genootschap, compagnieschap. 

konsêtabël, constabel, gerechtelijk po- 
litie-dienaar en rustbewaarder bij de 
Engelschen Zie sétab^lan, 

konta» Port. rekening. 



kontal —* kota. 



205 



kontal; kontal-kaniil, heen en weer 
slingeren, bungelen ; terkontal-kantil 
sa'orang, in zijn eenije rondslenteren. 
Zie ook koniang, 

kontaiiy contant. Zie toenai, 

kontang; kontang -kanting (van oniang- 
anting)f gedwongen heen en weer te 
slingeren of te rollen. Zie ook bij kontal. 

konteng:, zie koteng. 

kontërler en konterloer, controleur. 

konyab, kleine golf. 

kontol, zie koenioel. 

kop, een bak of zitplaats op een olifant. 
Maxw. Zie ring ga. 

kopak, eig. koefa, naam van een ver- 
vallen stad in Aziatisch Turkije onder 
Bagdad, door Kalif Omar gesticht en 
bevat de moskee, waarin Ali vermoord 
werd. 

kopek, een klein stuk van de schil 
afgetrokken hebbend; slappe borsten of 
mammen eener vronwj moeder van ge- 
ringe afkomst van een kind, dat een 
Vorstelijken vader heeft; klein hoofd- 
kussen voor kinderen; iiada sïmpat 
mëngamèil s^lendang?ija, kopeiknja pon 
i^rlampai-lampaiy zij had den tijd niet 
om haar sjaal te nemen; hare slappe 
borsten hingen bungelend; mengopeipy 
zuigen aan borsten, waarin geen zog 
meer is. 

kopet, niet wijd open, nauw, eng, van 
haakvormige voorwerpen, wegen, rivie- 
ren, een vertrek, huis enz. dandan 
kopet laoetf nauw planken versiersel 
aan den voorsteven van vaartuigen der 
orang laoet, 

kopi, verkeerd, averechtsch, b. v. van 
taal, schrift, uitspraak enz. 

köpiy verb. Ned. koffie. 

kopjah, Arab. kalotje, chako, pet, chi- 
neesche muts; /t. ptndjalin, kalotje v. 
gevlochten rotan; itri k. titel van den 
Keizer van China in de H. T. 

kopjor^ Jav. inwendig tot pap; eene 
eigenaardigheid van sommige vruchten, 
b. V. manggay kokos enz. 

kopok, koperen bekkens, waarvan de 
onderstukken in een houten blok rusten. 

korak; maïu korah^ e. s. v. spel met 
een van kokosblad gevlochten bal. 

kordn, Arab. de Koran; ^ordn boeroele^ 
scheldwoord voor iemand, die tot niets 
meer te gebruiken is en toch ontzien 
moet worden. 

k[orbéln, Arab. oflFer, offerande, offer- 



gave, ook bloedig offer ; meng^orbdnkan, 
als offer geven, tot offer maken, offeren. 

kored, laatste beetje, restantje, vdW. 

korek ; mengorejp^ met iets puntigs krab- 
ben, graven, peuteren; mengorel; öoemi, 
in den grond krabben of graven, b. v. 
met de nagels of klauwen; méngore^ 
f^oeboer, de graven omhalen; méngore^ 
roemah. een huis ondergraven, om er 
in te komen; mengore^-ngoreif ^dl of 
perkarUy oude koeien uit de sloot halen ; 
kore^ koeping y Batav. oorlepeltje, oor- 
peutertje, e. s. v. haarpen in het opge- 
stoken haar van vrouwen; pengorejp 
teiinga boewaja^ e. s. v. langwerpig, 
groen zeediertje. 

korens, I. met morsige streepen en 
vol vlekken, zooals een kolenbrander, 
onregelmatig en morsig gevlekt en 
gestreept, van het vel van beesten. 
II. Jav. korèngeUj met vuile zweren, 
schurftig. 

koris, = goris j streep, schrap, lijn. Zie 
ook garis. 

koi:ja. Port. een twintigtal, inz. in den 
manufactuurhandel. 

korok, uitholling, die in iets gemaakt 
is, gang in den loop van een geweer, 
mijngang in den grond; mengoro^, 
mijngangen in den grond graven. 

korong, = k^roeng^ rammelend geluid, 
zooals van kogels, die in een bam- 
boezen koker geschud worden. 

korsang:, zie k^ronsang. 

kosak; kosa^-kasi^, telkens van plaats 
veranderen, telkens ander werk doen, 
in wanorde door elkander gooien, b. v. 
boeken op een tafel, vdW. 

kosek; méngose^j wasschen van korre- 
lige voorwerpen, zooals rijst, terwijl 
men ze in de hand laat ronddraaien. 
Zie oesi^ff. 

kosil, beetje voor beetje iets bewerken, 
voortbewegen, b. v. een vracht, een 
werk, een land enz. 

kosonis» ledig, waar niets in is, ook 
van personen en gesprekken; peroet 
kosong, een ledige maag; tanah kosong, 
onbebouwd land; ana^ panak kosong ^ 
pijl zonder punt. Zie hèmpa. 

kota, I. Skr. versterkte plaats, burcht, 
vesting, versterkte hoofdplaats, vorste- 
lijke woning, met palissaden omgeven 
dorp; kota tandang, versterkte plaats, 
waar alles samenvloeit, waar veel ver- 
keer is; kota lari-larian, Testing om in 



206 



kotall — laboe. 



te vluchten, toevluchtsoord in nood; 
kota mara, beweegbaar fort, oorlogs- 
vaartuig, plaats achter de apilan; 
kota parit, vestingwerken, lett. sterkten 
en grachten; kapala kota, het gedeelte 
van een versterkt dorp, dat boven aan 
een stroom gelegen is; ekoer kota, 
het lager gedeelte; menpotaïy v&n ver- 
sterkingen voorzien. II. Skr. kruin van 
het hoofd. 

kotati; sakotah, algeheelheid; sako- 
taknja tahoe, de geheele wereld weet 
het, vdW. 

kotak, vierkant vak, zooals in een 
kast, vierkante doos, kist of koffer, scha- 
kel van een buikband; kotalc sorong- 
sorong, schniflade; sampan kotalc, een 
bootje met kleine kastjes achterin; k, 
wajang, de kist waarin de benoodigd- 
heden voor het wajangspel zich bevin- 
den; k. dawdt, schrijf kistje; almari 
berkota^, kast met laden of loketten. 
Zie sampan. 

kotaloero. Tam. bastion, bolwerk van 
een vesting. H. Abd. p. 61 en 62. 

kotek, staart ; bintang berkote^, komeet ; 
padi b^rkote^, harige rijst. 

koteng:, enkel, eenvoudig; terkoteng 
sendiri, alleen, zonder zijn gewoon ge- 
volg. Ook konteng. 

kotërek, Ned. kurketrekker. 

kotis; mingotis, afplukken, afpluizen, 
b. V. de uitstekende haartjes van zijde, 
de pluizen van een doek, de kant van 
papier enz. tahi kotis, vuil in ruwe 
zijde, dat men afpluizen kan. 

kotjak, het druk hebben, terdege be- 
zigzijn, vdW. 

kotjak, I. schudding, ongeregelde be- 
weging van een vloeistof in een of 
ander' vat, onstuimige golfslag, zooals 
in sommige zeeëngten, golving van het 
water in de flesch van de hokahpijp; 
luchtkasteelen ; btrkotja^, schudden, 
intr. II. Jav. verwaand, trotsch. 

kotjar; kotjar-katjir, door elkander, 
overhoop, verward en verspreid, ook 
van dieren, zich verward door elkan- 
der bewegen, zooals kippen die eten 
krijgen. 

kotjek, zak in een kleedingstuk, b. v. 
in broek of buis. Ook kotjekan. H. 
Gr. R. V. Eijs. 

kotji, cochin-China en ook voor kotji, 
op de kust van Malabar. 

kotioh» haast, die ergens bij is; veel 



beweging, die bij iets gemaakt wordt* 
Zie goepoeh. 

kotjok, mengotjoJjp, iets schudden, zoo- 
als bijv. een drankje. Mën. ook schud- 
den van de kaarten. 

kotons, kort afgesneden, van mouwen; 
badjoe kotong, een baadje met korte 
mouwen. Zie potong en pontong. 

kotor, vuil, onreinigheid, drek; mengO' 
tori, bevuilen; mengotorkan, vuil ma- 
ken; kakotoran, bevuild, vervuild, 

kowa, Chin. een Chineesch kaartspel 
met 180 kleine, langwerpige kaartjes. 

kowak, geopend, opengebroken, b. v. 
van een slaglinie, een palissadeering enz. 

kowé, Jav. gij, pers. Vrnw. 2e pers. 

krokoty Jav. porselein, portulacca. Zie 
gelang. 

ksatrija, de krijgsmanskaste, edeltnan, 
prins van den bloede. 



IA, Arab. niet, b. v. in /« ilaha illa Allah, 
er is geen god dan Allah; la bodda, 
zonder falen, onfeilbaar, noodzakelijk. 

laai, Arab. e. s. v. edelsteen, robijn. 

laba, winst, baat, voordeel; b^rlaba, 
winstgevend ; melabakan, winstgevend 
maken, productief maken. 

laba-laba, spin; mogelijk van raba- 
raba, zie ald.; sarang laba-laba, spin- 
neweb. Op Java lawa-lawa. 

labak, e. s. v. zeevischje, dat gepekeld 
wordt gegeten. 

labbaika, Arab. tot uw dienst, ik ge- 
hoorzaam. 

labërak, (Batav. van het Ned. rad- 
braken), afranselen. 

labërang, Batav. het want van een 
vaartuig, doch niet met touwladder. 
Zie tani. 

labi-labi, I. e. s. v. oneetbare, vaal- 
bruine zoetwater schildpad. II. e. s. v. 
kleine tripang, die door de orang laoet 
zelfs rauw gegeten wordt. 

laboe, pompoen, kalebas. Soorten zijn: 
l. manis of l. peringgi, de gewone 
pompoen; l. ajar, de watermeloen; /. 
kendi en l, ajar panda^, de fleschka- 
lebas; melaboe, hangend van een dik- 
ken buik, diep in het water van het 
achterschip; mempeflaboe, iemand voor 
den gek houden, door hem de on- i 
waarheid te zeggen, die hem naar Ae0§ 
zin is. 



laboed — laliap. 



207 



Xaboed, verb. van het Arab. la bodda^ 
zie bij la. 

laboeh, afhangend, neervallend, gezakt, 
van een kleed, gordijn, anker; b^rla- 
boek, voor anker liggen, geankerd zijn; 
melaboehkatiy doen zakken van een 
anker of gordijn; melaboehkan orang 
kadalam laoet^ iem. in zee verdrinken; 
perlaboehan^ pelaboehait en laboehan^ 
ankerplaats, de reede; beralih laboehan^ 
van ankerplaats veranderen, verhalen 
van een schip. Ook wordt laboeh ge- 
bruikt als hulp-Tel w.; b. v. ürai sala- 
boehy één voorhangsel; <pakai salaboeh 
merdjan di lehernja, zij had één streng 
bloedkoralea om haren hals. Maxw. 

laboer, I. mélaboer, bestrijken, besme- 
ren ; melaboer poetih, witten, b. v. van 
muren. II. pelaboer, spijs of geld, dat 
voor een bepaalden tijd aan iemand 
verstrekt wordt, rantsoen; berlaboer 
diri, zich tot een rantsoen stellen. 

lada, peper; /. ioelah en l. poefihy de 
witte peper; l. hitam, de zwarte peper; 
/. tjina, lange spaansche peper; l. 
moetija^ de ronde spaansche peper; 
ook e. s. V. gebak, in den vorm van 
korrels; muizekeutels ; daoen ladapahit, 
e. s. V. geneeskrachtige bladen, die tegen 
vergiftiging met dierlijk vergif worden 
gebruikt. 

ladan, e. s. v. geneeskrachtige gomhars. 

ladang, bouwland, zoowel op natten 
als drogen grond, dat niet kunstmatig 
bevloeid wordt; peladang, landbouwer, 
iemand die ladangs bewerkt; memper- 
ladangkan, tot bouwland maken; p^la- 
dangattf de plaats van ladangs^ ook 
afgeoogste ladanggrond; sïladang, door- 
loopend, van een vlak, zooals galerij 
en binnenhuis zonder beschot of drem- 
pel, of zooals een geschrift zonder rust- 
teekens. Zie ook siladang. 

ladi; orang ladi = orang sakai, zie ald. 

lading, e. s. v. mes of houwer; parang 
lading, e. s. v. houwer van Kedah; pe- 
rahoe lading, e. s. v. vaartuig. 

ladjoe, snel, vlug, vaart bij eene voort- 
beweging, b. V. van varen, vliegen; 
méladjoeican, er gang of vaart in bren- 
gen, snel doen voortbewegen. 

ladijoer, I. rij in de diepte; ruimte 
tusschen twee lijnen, baan van gewe- 
ven stoffen, kolom van een bladzijde 
^ of staat, kolonne; ladjoer liga lapis, 
drie rijen v. achter elkander geplaatste 



voorwerpen of personen naast elkan- 
der. II. Batav. transparant of blad 
papier met lijnen. 

ladoe, e. s. v. pepernoten. 

ladoeng, op één plaats blijven staan van 
vloeistoffen, b. v. regenwater op straat, 
tranen op de wangen, olie op water, 
room op melk; batoe ladoeng, zinklood 
aan een vischsnoer, omdat dit den hoek 
op één plaats houdt ; ook : dieplood, Sw. 

lafal, Arab. woord, uitspraak, melafal- 
kan, uitspreken. 

laga; berlaga, tegen elkander stooten, 
zooals vechtende stieren, bokken enz. 
of zooals de glazen bij het klinken, 
een vaartuig tegen den wal en een 
glas tegen een kruik, ook van noten, 
waarvan men de hardheid wil beproe- 
ven; ook: vlak bij of tegenover elkan- 
der van twee plaatsen, b. v. Tandjoeng 
Vinang b^rlaga dtngan Poelau Penje- 
ngat, T. P. ligt vlak tegenover het 
eiland Pënjëngat. 

lagam, Hind. bit van een paard, Sw. 
en Maxw. 

lagi, nog, nog steeds, ook, en daarbij, 
zelfs, meer; lagi poela, daarenboven, 
bovendien, voorts, wijders; api lagi, 
hoeveel te meer, of hoeveel te minder ; 
berapa lagi, = apa lagi\ boekannja,., 
lagi, niet slechts .... maar zelfs ; tiada 
b^rsalahan lagi, daarin is geen verschil 
of onderscheid meer; tiada terkira- 
kira lagi, niet meer te gissen of te 
berekenen zijn; salagi, zoolang nog; 
laginja, in het vervolg. 

lasroe, zangwijs, wijsje, melodie, toon- 
stuk; lagoe pantas, versneld tempo; 
melagoekan, in muziek zetten, zingend 
voordragen, b. v. een geschiedenis enz. 
mtmbawa lagoe, de wijs van iets in- 
zetten. 

lagondêr, dragonder. 

lai^ram, Arab. zangerige uitspraak. 

lah. een achtervoegsel, dat in stellige 
zinnen dikwerf aan het hoofdwoord 
van het praedikaat wordt gehecht. Zie 
de grammatica. 

lah.ad, Arab. nis of zijgang in een graf, 
waarin men het lijk schuift; ook: 
Hang la]j,ad en soms alleen Hang. , 

laliak» Arab. belendend, aangrenzend. 

laban, zie pérlahan, 

lahang, « nira, zie ald. 

lahap» gulzig in het eten; pUahap, 
gulzigaard, schrok, zie ook lalah. 



lahar — l^jar* 



lahar, ook loèlahar, Jav, een meertje. 

lAhiT, Arab. uitwendig, uiterlijk, open- 
lijk; geboren worden; melahirkan, 
doen geboren worden, openbaren. 

lai, ^ Aëlai, zie ald. 

laïk, Arab. geschikt, passend, waardig, 
behoorlijk, betamelijk. 

lail, Arab. nacht. 

laïn, ander, anders, onderscheid, onder- 
scheiden zijn; behalve, zonder, buiten- 
dien; oranff latn, een ander; laïn . . . . 

lain, sommigen anderen; öerlainan, 

verschillen, onderscheiden zijn van, af- 
gescheiden zijn van; ook: onderscheid 
maken en daarvan het pass. dip^rlainan, 
b. V. ^ïnda^lah djangan kamoe pèrldinan 
loffi, door u moet geen onderscheid meer 
gemaakt worden, 1. P. melainkan, uit- 
zonderen, veranderen, uitgezonderd, in- 
tegendeel, behalve, maar, dan .... maar ; 
ook: niet anders dan, tenzij, inzonder- 
heid, uitgenomen, b. v. melaïnkan me- 
njesal djoega kasoedahannja^ niet anders 
dan slechts berouw is het einde. Ook 
wordt het nog als verbum gebruikt, 
b. V. djanganlah toewan kadoewa we- 
lainkan diri, gij moet uzelven niet uit- 
zonderen. Mes. Kag.; melainkan , . . . 
sihadjat alleen nog maar; melaïnkan 
hariy den dag veranderen; blèrmélaïn- 
kan, bij zijn spreken veel van het 
woord mélainkan gebr. maken ; kalaïnan, 
verschil, onderscheid. 

laïs, I. méldiSy iets van zich afduwen. 
II. ikan laïs, e. s. v. zoetwater visch. 

Ic^ahy I zich sterk achterover of op zij 
buigen, zooals een boom of een Indische 
danseres ; sijah-lajaA, zie sijak. II. sluier, 
s= toedoeng moeka; niélajak, sluieren. 

l%iak, langs den ruggegraat openge- 
sneden en zonder zont gedroogd, van 
visch. 
liy am ; bïrlajamkan pïdang, zwaaien met 
een zwaard; b. lëmbing, drillen met 
een lans. Volgens Abd. Sch. wrdb. «= 
mënari, 
li^axi» I. mëlajan, bedienen, in het al- 
gemeen; mélajaniy iemand of iets be- 
dienen, b. V, aan tafel of een offer; 
pélajan, bediende, helper, assistent. 
II. ptlajan, hut, tijdelijke loods, 
kraam, P. 
lajanfi;» I. zweven; b^rlajang^ zwevende; 
nvêlajang^ zweven; férbaug mélajang 
btrpaftgkai-pangkatt zwevend al hooger 
en hooger stijgen; lajang-mélajangt al 



heen en weer zweven, van een troep 
vogels; Tïielajangkan sapoetjoe}: soerat, 
een brief doen zweven, d. i. een brief 
zenden; melanjangkan soerat, ook e. s. 
V. godsgericht; lajang-lajang^ vlieger; 
lajangan, hetzelfde op Java; boeroeng 
lajang-lajang^ de zwaluw; lajang-lajang 
roemah, uitstekend gedeelte van een dak 
aan weerszijden van een huis; mata 
ierlajang, aan het zweven rakende 
oogen, dat zijn oogen die dichtvallen 
van den slaap; boeroeng lajang-lajang 
goka, de zwaluw, die de eetbare nestjes 
bouwt. II. een vrucht, die men op de 
hand houdt, recht van zich af in 
tweeën snijden; Mën. langs de opper- 
vlakte afsnijden; paoeh dilajang, een 
op die wijze doorgesneden mttngga- 
vrucht, beeld voor mooie wangeni 

lïijap, laag bij den grond, van een ge- 
bouw, laag op het water, van een 
vaartuig; melajap^ laag over den ""grond 
of het water strijken, van vliegende 
vogels. Mën. zwevende naar beneden 
gaan. 

lajar, zeil; lajar batang, vierkant, mat- 
ten zeil; lajar agoeng, het groot-zeil; 
l. sarong y lij zeil; l. sabang^ sprietzeil; 
/. tandja of /. toep^ e. s v. grootzeil in 
den vorm van een trapezium; /. aeret^ 
sleepzeil, de naam van e. s. v. inlandsch 
vaartuig; /. saboer^ bramzeil; l. taboer, 
scheizeil; l. dastoer, lij zeil; /. boifii, 
bezaanzeil, ook l p^njoeroeng genoemd ; 
t. pengapoeh, topzeil; /. toepang, fok- 
zeil; /. semand^ra, sprietzeil; /. boe- 
boetan, stagzeil; L goesi, gaffelzeil; /. 
djib, kluiverzeil; /. falandjib^ buiten- 
kluiverzeil; /. terinkat, voorzeil; /. ga- 
wai, topzeil; /. tanja, het schuine zeil 
op een pentjalang; kdin lajar, zeildoek, 
karreldoek; pasang lajar, de zeilen bij- 
zetten; berlajar, zeilen, uitvaren, onder 
zeil gaan; reizen te water; mélajarkan^ 
doen zeilen, sturen, ook: wegzeilen met, 
verder zeilen; ptlajaran, scheepstocht, 
reis te water, zeetocht, zeereis; sadjam 
pelajaran, een uur zeilens; b^p^lajaran, 
bevaren zijn, bereisd zijn van personen, 
b. V. orang biépelajardn, bevaren volk, 
lieden die zeereizen gemaakt hebben; 
ëlmoe p'élajaran, zeevaartkunde; sïlajar, 
e. s. V. walvisch, welks vinnen, boven 
het water uitstekende, op een zeil ge- 
lijken; ikan lajar-lajar, een klein 
vischje, met dezelfde eigenschap. 



lajoe -— lakoer. 



lajoe, I. verwelkt, verlept; verwelken, 
verleijpen, van bloemen en planten; 
lajoe-lajoewaUy het tijdperk, waarin de 
rijst op het veld begint te rijpen; ber- 
lajoe-lajoewan, verwelken van velen ; 
lajoe hoenga digenggam^ verwelken van 
de bloera, die men in de vuist houdt, 
en lajoe roempoet dihalaman^ verwelken 
van het gras op het voorplein, fig. 
uitdrukkingen voor sterven of overlijden 
van een Vorst; lajoe-lajoe, e. s. v. boom, 
welks hout spoedig door de hoeloejc 
wordt aangetast; ook: een vlag. II. me- 
lajoe^ Jav. vluchten, wegloopen; orang 
melajoe, weglooper, vluchteling, Ma- 
leier. Dezen naam hebben de Maleiers 
hoogst waarschijnlijk van de Javanen 
gekregen, want de krama-vorm bestaat 
er van, namelijk tijang meladjeng. Ook 
is de geschiedenis der Maleiers niet 
anders dan die van bun voortdurend 
vluchten voor de Javanen. Zie de S. M. 
melajoe-melajoewa^i, zoowat op zijn Ma- 
leisch; niémelajoekany vermaleischen, in 
het Maleisch vertalen of overbrengen, 
Ibr. b. Ch. 

Isyoer; melajoeVy iets over het vuur 
houden, om het te warmen, te blaken, 
te zengen of zwart te maken, maar niet 
om het te verbranden, b. v. een zegel 
boven de vlam van hars of eene kaars, 
om het zwart te maken en er mede 
te stempelen; planken boven vuur 
krommen voor de huid van een vaar- 
tuig; lajoei'y ook: drogen of sterven 
van hout, wat noodig is voor het ge- 
bruik. Mal. Sam. II. p. 273. Men. 
lajoeVy verwelkt, verflenst, verlept. 

lajon, Jav. vorstelijk lijk. 

laka, I. roodft verfstof, lak; kajoe laka, 
e. s. v. welriekend hout. II. de mus- 
kaatboom, d. 1. Cr. 

lakar, half afgewerkt, van een vaar- 
tuig, = 'pirahoe jang saparo soedak^ 
Abd. Sch. wrdb. Jav. wat voor iets 
bestemd, maar nog niet bewerkt is, 
onbewerkt materiaal. 

laki, gehuwd man, man van eene vrouw, 
echtgenoot; laki Itini, man en vrouw; 
berlaki, gehawd zijn, van eene vrouw; 
beflakikan, tot man hebben; memper- 
lakikan, een man doen hebben, uithu- 
welijken van een meisje; laki-laki, 
mannelijk, wat op een man gelijkt; 
oi'ang laki-laki, man; kalakian, manne- 
lijkheid, manhaftigheid, zie kalakian\ 



menoendjoe^kan laki-lakinja, zijn man- 
nelijkheid toonen, toonen dat men een 
man is, beleedigend uitdagen; memper- 
tidakkan laki-laki^ iemands mannelijk- 
heid ontkennen, hem voor een vrouw 
uitmaken. 

lakin, Arab. evenwel, doch; walakin, 
edoch, en evenwel. 

lakjoe, Chin. e. s. v. houwer. 

lakoe, gang, loop, handelwijs, gedrag; 
manier, handel, wandel; in zwang zijn, 
gangbaar zijn, in gebruik zijn, gebeu- 
ren, plegen te geschieden; aftrek heb- 
ben, van de hand gaan, aan den man 
te brengen, gewild zijn, marcheeren, 
goed gaan, ingang vinden, verkocht 
zijn, van kracht zijn; tingkah-lakoe, 
gedragingen, al de handelingen van 
iemand; berlakoe, geschieden, gebeuren, 
gelden, geldig ; berlakoe pada Tioekoem 
Allah, geschieden naar den raad Gods; 
adakah tjoemboe akan berlakoe, zal de 
vleijerij ingang vinden ? melakoekan, ten 
uitvoer brengen, doen beoefenen, doen 
marcheeren, in praktijk brengen, in- 
voeren, in zwang brengen; melakoekan 
kasoekaannja, datgene doen, waarin men 
lust heeft, vreugde bedrijven; melakoe- 
kan, een voorstelling geven van een per- 
soon, b. v. adapon akan gamboeh Meralc 
Asmara melakoekan Dewa Djaja Pati 
Hoe terlaloe sangat patoel roepanja, de 
danser M. A. gaf een voorstelling van 
D. D. P. die uitermate passend was, 
Mes. Kag. ; salakoe of saperti lakoe, of 
saperti .... lakoenja, zooals, gelijk, op 
de wijs van ; salakoe ini, op deze wijze, 
zich aldus aanstellen, zoo handelen; 
berboewat lakoe, zich in postuur zet- 
ten; kalakoewan, gedrag, handelwijze; 
gebeurtenis, hoedanigheid, eigenaardig- 
heid, b. v. demikianlah kalakoewan 
doenia ini, aldus is de hoedanigheid 
van deze wereld; melihat kalakoewan 
poelau Hoe, ziende hoe dat eiland zich 
voordeed. II. daoen lakoe, e. s. v. klim- 
plant met roode en groene bladeren, 
die tegen de koorts worden gebruikt. 

Inkoem, I. Arab. aan of voor ulieden. 
II. e. 8. V. wilden wijnstok, waarvan de 
zure bessen bij de rijst worden gege- 
ten, om den eetlust op te wekken. 

lakoer, dooreen, gemengd; lakoer baoer, 
ondereen gemengd, van legers, die 
handgemeen zijn geworden, zoodat 
vriend en vijand niet meer te onder- 

14 



210 



lakon — laloe. 



scheiden zijn; melakoerkatij ondereen 
mengen, b. ?. metalen. 

lakon, Jav. tooneelvertooning ; lelakon 
en lakon-lakotiy bedrijf uit een tooneel- 
vertooning. 

laksa, I. tienduizend; beriboe-la^sa, bij 
duizenden en tienduizenden. II. e. s. v. 
macaroni, die uit China wordt aange- 
voerd en in Indië veel gegeten wordt. 
III. sala^sa, zie selasa. 

laksatnanay naam van den broeder 
van Sri Rama, thana als titel in ge- 
bruik voor: vlootvoogd, admiraal. 

laksana» Skr. evenals, gelijk; ook: pas- 
sende bedrevenheid of handwerk, b. v. 
liègala la}fisana perëmpoewan di/Séta^oeï- 
nja^ zij was bedreven in alle vrouwe- 
lijke handwerken of in alle bezigheden, 
die eene vrouw passen; tmpat-b^las 
lalpsana perempoewan diketahoeïnja, 
veertien vrouwelijke handwerken kende 
zij, B. R. ; menghabiskan segala lajesatia, 
maakte alle vergelijking nutteloos; 
mèla^sanakan^ vergelijken, b. v. roe- 
panja tiadalah dapat dila^sanakan lagiy 
haar voorkomen kon niet meer verge- 
leken worden, d i. zij was onvergelij- 
kelijk schoon; boenga indra lajpsana, 
e. s. V. struikgewas met doornen en gele 
bloemen. 

laksixii, Kw. een schoone, schoonheid; 
Skr. de vrouw van Visjnoe. 

lala» I. e. s. v. zoutwater-schelpdier. II. 
zie loeloe I. 

lalab, Jav. = oelam, zie ald. 

lalah, vraatzuchtig; orang plèlalah, vraat, 
iemand die alles eet, rijp en groen. 
Ook p'ëlakap, 

lalai, I. zorgeloos, onachtzaam, afge- 
trokken, zijne gedachten niet bij elkaar 
hebbend, onverschillig, onoplettend, sla- 
perig, bezwijmd of in zwijm geraken, 
zijn tijd verbeuzelen; tiada lalai dari- 
padtty bestendig denken aan; mélalai- 
kan hatinja daripada doekatjitanja^ zijn 
gemoed het leed doen vergeten, het 
leed van zich af zetten, b. v. door een 
deuntge te gaan zingen of iets dergel. ; 
mèmp^rlalaikan, verschuiven, uitstellen, 
verzuimen om ten uitvoer te brengen, 
b. v. memboenoeh dia daripada sahari 
kapada sahari akoe p^rldlaikan^ van 
den eenen tot den anderen dag verzuim 
(of vergeet) ik het hem te dooden; 
UrlaXaiy slaperig geworden, ingedom- 
meld, in slaap geraakt; kalalaiant zor- 



geloosheid, onachtzaamheid. II. bras 
(scheepsterm) ; tali lalai, geerde, bras- 
touw. 

lalaky ontbranden, zooals kruit op de 
pan van een geweer, een lucifer enz. 

laldmat, Arab. onrechtvaardigheid, 
dwingelandij. 

lalang, I. ook ilalang, het bekende 
hooge rietgras, op Java alang-alang 
genoemd. II. ook langlang, de ronde 
doen; lalod-lalang, zie bij laloe. 

lalat, I. vlieg, de gewone huisvlieg; 
iaki lalat, vliegendrek, zomersproeten. 
II. weigeren van een vuurwapen. 

lalau, dwarsboomen, verhinderen, tegen- 
gaan, het doorgaan beletten, op zijn 
weg tegenhouden, b. v. een vaartuig; 
pelalau, middel om te dwarsboomen, 
middel om een huwelijk te beletten; 
^ikmat pelalau, de kunst om zulke 
middelen aan te wenden. 

lalër, Jav. vlieg, « lalat, zie ald. 

lali, Jav. vergeten; Mal. verdoofd, ge- 
voelloos; boekoe lali, de gevoellooze 
knokkel, d. i. de enkel, omdat die door 
het voortdurend zitten met onderge- 
slagen beenen gevoelloos geworden is. 
'Zie Mën. wrdb. 

ló-iim, Arab. onrechtvaardig, verdruk- 
kend; orang Idlim, onderdrukker, on- 
rechtvaardige, tyran. 

laloe, voorbij, gepasseerd; voorbijgaan, 
passeeren, vervolgens; tot aan; ttngah 
hari laloe, namiddag, over den middag ; 
hari sènen jang laloe ini, gepasseerden 
Maandag; laloe katanah, tot aan den 
grond; gadai itoe soedah laloe, dat 
pand is verstaan; diboewangnja laloe, 
werd voorgoed door hem verstooten; 
sakali laloe, ééns en dan niet meer, 
ééns voor altijd; Ungg'èlam laloe, voor 
altijd wegzinken; fëmpat laloe napas, 
de luchtpijp; ttmpat laloe makanan, de 
slokdarm; salaloe, steeds, voortdurend, 
aanhoudend; melaloekan, voorbij voe- 
ren, doen voorbijgaan, uit den weg 
schaffen, er een eind aan maken; nié- 
laloewi, voorbijgaan aan iets, over iets 
heen gaan, overtreden, overschrijden, 
trekken door iets, passeeren bij eene 
benoeming of aanstelling; tiada méla- 
loeï kata, bepaald opvolgen van de 
woorden, die iem. spreekt; laloe-lalang, 
heen en weer gaan voorbij iets of langs 
iets; tWaloe, buitengewoon, uitermate, 
te of al te, b. v. tïrlaloe djaoeh, bui- 



lam — lampas. 



211 



tengewoon ver, maar ook: te ver, dit 
hangt af van het zinverband. 

lam, I. ajar lam^ water, waarover spreu- 
ken uit den Koran zijn gelezen en dat 
gezegd wordt daardoor tooverkracht te 
bezitten, e. s. v, wijwater. II. Chin. 
bloedstelpend geneesmiddel. 

lama, lengte of duur van tijd, lang 
geleden, vroeger, vorig, oud in dien 
zin, langdurig; satelah beberapa la- 
manja, na verloop van eenigen tijd; 
Riau lama, Oud Riouw, het vorige 
Riouw; bini lama, de vorige vrouw, 
of de vrouw waarmede men het langst 
gehuwd is; pakaijan lama, de oude 
kleeren, in tegenoverstelling van de 
nieuwe; orang lama, een oudgast, die 
reeds lang in het land is; lama-lama, 
eindelijk; lama-kalamaan, eindelijk en 
ten laatste, ten langen laatste; lama 
dengan kalamaannja, langzamerhand, 
allengs, van lieverlede; salama, zoo 
lang als, al den tijd dat; salamanja, 
altijd, al lang, reeds lang; salama- 
lamanja, op zijn langst, eeuwig en 
altoos; sampai salama-lamanja, tot in 
eeuwigheid ; bep'èrlamakan, lang doen du- 
ren, doen voortduren; b^r lama-lamdan, 
om het langst; b. v. seraja ber lama- 
lamdan menjëlam katoedjoehnja, terwijl 
zij met hun zevenen om het langst 
onderdoken. 

laman, — halaman, zie ald. 

lauians, I. e. s. v. wapen, e. s. v. zwaard, 
Abd. Sch. wrdb. II. e. s. v. lekkernij, 
ook lemang, zie ald. 

lamari, = almari, zie ald. 

lamba, de grove draden van ruwe zijde, 
die aan elkander geknoopt en afzon- 
derlijk geweven worden. 

lambai; melambai-lambai, wuiven, wen- 
ken; toe7igkat lambai, zie bij toengkai. 

lambak, ordelooze hoop, b. v. van een 
in elkander gefrommelde zakdoek, of 
brieven en papieren enz. ook troetel- 
naatn voor een dik kind; blèrlambaJe, 
bij hoopen, in overvloed zijn; tërlam- 
bak, op een hoop liggend, van geld. 

lambans, Jav. geheimzinnige of diep- 
zinnige aanduiding of vergelijking, zin- 
nebeeld, zinspeling; mélambang, die al 
zingende maken, b. v. laloe ija mélam- 
bang pérlahanlahan, ra^anja sapêrti 
fnémoed^oe^ jang dibirahikan, vervol- 
gens zong hij zachtjes al zinspelende, 
alsof hij zijne beminde troostte. Pr. Dj. 



latnbat, langzaam, lang toevend, veel 
tijd behoevend, traag, talmend, laat, 
te laat, dralen; lambal laoen, eindelijk 
en ten laatste; m^lambatkan, lang aan- 
houden, uitstellen ; mempërlambatkan, 
lang doen duren. 

lambëdak, e. s. v. vischgerecht. H. P. 
pag. 69. ' 

lambing, uitgerekt van de oorlellen? 
b. v. Itlinganja lambing sampai kaba- 
hoenja, zijne ooren waren uitgerekt tot 
op zijne schouders, Mes. Kag. 

lamboe, Kw. e. s. v. vaartuig. Pr. Dj. 

laznboek; mUamboe^, omwerken van 
de sawah's of natte rijstvelden met de 
hak of pangkoer. Mën. los, luchtig, rul 
V. d. grond, gebak, stoffen enz. 

lamboeng, I. flank, zijde van het 
lichaam of van een vaartuig; lamboeng- 
an, zijde, b. v. van een huis; lamboeng- 
an hidoeng, zijwanden van den neus. 
II. melamboeng, in de hoogte werpen, 
b. V. een lans, knots, muts, bal ; ook : 
zich omhoog werpen, zooals een stam- 
pend schip, op en neer wiegelen, zpoals 
vruchten aan zwiepende takken. 

lamdoelxpai, Chin. zie empis. ^ 

lamiu, I. kalamin, eeu paar, man en ^ 
vrouw, mannetje en wijfje; berkalamin, 
bij paren; plèlamin, versierde slaap- 
plaats van de moeder van een jong 
meisje of van pas gehuwden, afgezon- 
derd aan het hoofdeinde van de plénlas; 
zie Mën. wrbk. ook pelaminan, bruids- 
bed, Maxw. en S. II. onbezet, vrij, d. B. 

laminah, harnas van metalen schub- 
ben, achubbenpantser, schobbejak. 

lamoen, Jav. mits, bijaldien; lamoen- 
lamoen batang, het tijdperk van het 
rijstgewas, waarop de stengel zielitbaar 
wordt. Pad. bov l. 

lampai, slank, rank, tenger ; orang jang 
tinggi lampai^ iem. die lang en slank 
of tenger is; ikan lampai, e. s. v. aal; 
zie ook sampai. 

lampam, e. s. v. eetbaren zoetwaterviseh. 

lampai*, verspreid, uit elkaar, zooals 
graan dat te drogen ligt; melampar, 
zich verspreiden, van dampen, bloed, 
menschen, overstroomen van rivieren; 
blèrlamparan, zich overal verspreiden 
van velen. 

lampari, een koperen bekken, WftMCOjp 
met een pènggoear geslftgen werdL 
Pad. bov.1. 

lampas, I. mUlamptii, gM, ei&n maken. 



212 



lampatoe -— iaxis;g:ar. 



polijsten, door met iets te wrijven of 
te schuren; de tong of mond of vingers 
oefenen ; rnêlampas ketam^ met een schaaf 
glad en effen maken. Men. slijpen, aan- 
zetten V. messen. Zie hampelas, II. of 
lëmpas, licht geraakt, fijn gevoelig, b. v. 
lampas amat poeteri Wira Boemi ini^ 
salah sëdikit soedah n ff er en, het hart 
van de prinses W. B. is licht geraakt; 
als men een weinig verkeerd doet, is 
zij boos. Ook halampas. 

lampatoe, e. s. v. plant. Men. e. s. v. 
boom. 

lampauy overheen, voorbij, verder dan, 
tebovengaand ; ierlampau daripada adat^ 
veel meer dan gewoonlijk, buitenge- 
woon; lampau roemah Uoe^ voorbij dat 
huis; lampau daripada loetoet^ verder 
dan de knieën; melampau, te ver gaan; 
djangan melampan^ ga niet te ver; 
rnêlampauwi, iets te boven gaan. 

larapin, luier, doek die men om het onder- 
lijf V. e. kind doet; kaïn lampin^ luier- 
goed, kindergoed. Ook soms lamping. 

lampins:, = lampin^ zie ald. 

laxxipit, Jav. zit- of slaapmat van rotan. 

lafnpoeiis; plêlampoeng, al wat op het 
water dobbert, dobber, boei, drijfkurk, 
reddingsboei, zwemgordel, drijfhout ; 
mUampoenffy aan de oppervlakte van 
het water zichtbaar worden, opdoemen, 
b. V. maka kalihatanlah poelau Sailan 
mëlampoenff poekat, en Ceylon kwam in 
't zicht, zich voordoende als drijfkur- 
ken van een groot net; sapërti orang 
karam dilaoet tiada berpëlampoeng, als 
een schipbreukeling in zee zónder red- 
dingsboei. R. Chaib. 

lanansr» ï> mëlanang, een touw uit de 
hand draaien met het gewicht aan 
het eene einde Dit houdt het touw 
gestrekt en draait het vast in elkander 
door deszelfs snelle omwentelingen en 
zwiftarte. II. Jav. mannelijk, dapper, 
alleen in poëzie. 

lanaFy moddergrond in zee. 

lanat, Arab. vloek, vervloekt. 

lanau, slijk, modder, » Unnjau, 

landa; melanda^ met geweld tegen iets 
in of door iets dringen, b. v. een stroom 
den wind, een vijand, vuur, moeielijk- 
heden; tegen wind en stroom opwerken, 

landai, I. zacht glooiend, üi ^en Aan- 
wen bocht, F. Mën. zacht hellend, laag 
strand, wadde. III landaijan kiéris, ge- 
vest, van eiBE kris. Zie itëris. 



landak, stekelvarken, ook: landa^ianah^ 
Sw. boenga-landa^, e. s. v. bloem ; daoen- 
landaJp, e. s. v. heester met stekels aan 
de bladstelen; doeri landalp^ de ste- 
kels of pennen van een stekelvarken. 

landas, onderlaag tot steun, om iets op 
te hakken of te beuken; landasan^ aan- 
beeld. Op Java landes. Zie andas. 

landen, zie bij keris en landai, 

iandêp, Jav. scherp = iadjam^, 

landësan, Jav. zie landas. 

lanc^am, Jav. ploegijzer. 

landjang;, lang en smal; hierv. Ulan- 
djang^ zie ald. 

lan^ar, lang uitgevierd, van touw 
enz. lang en spits uitloopend; zie 
loendjoer\ iu Perak. = langsoeng, 

landen. Pad. bov.1. = kemban, zie ald. 

landjoengr, lang en dun, alleen in 
ieboe landjoeng^ dun suikerriet met 
lange geledingen. 

lan4Joei*, langdurig, gerekt, van eene 
bezigheid; melandjoerkan^ rekken. Zie 
ook andjoer. 

landjoet, langdurig, van het leven, een 
toon, verhaal, lijn, weg ; lang naar bene- 
den hangend, verlengd, gerekt; boewah 
landjoet, een eetbare, langwerpige, zure 
vrucht, gelijkende op e. groote mangga, 

landoengf, te lang en daardoor slap in 
een bocht hangend, van touw, ketting 
enz. of daardoor slap naar beneden 
hangend ; ook van een weg, die korter 
had kunnen zijn. 

lang:, I. zie ^lang en alang ; pisang lang^ 
e. s. V. roode banaan. II. verontachtza- 
men, b. v. een vriend, vrouw enz. III. 
=* laty IV. e. s. V, schelp. 

lang:au£:, eenzaam, verlaten, £= soenji. 

lang^au, en lalai langau, de blauwe 
bromvlieg of zoogenaamde vleeschbe- 
derver; membatja terbang-terbang la- 
ngau, hakkelend lezen, naar het afge- 
broken vliegen en zich telkens neer- 
zotten van die vlieg. 

lansfiamr gewoonten, inrichting. Pad. 
bov.1. manier, wijze v. doen, voorkomen. 

lanseana, Skr. onwillig, weerbarstig. 

lax^esanfi:, wentelen ? zie toenggang, ^ 

lansisar, I. stooten tegen iets, schok 
tegen iets; mêlanggar^ tegen iets aan- 
loopen, stooten enz. een aanval doen 
op; melanggar adat, tegen de gebrui- 
ken zondigen; melanggar behasa, tegen 
de beleefdheids vormen handelen; jw^- 
langgar Jjkoekoem^ de wet overtreden; 



la.nsiSOW'B.n 



langon. 



213 



melanggarkan, doen tegenaanloopen, 
tegenaan zetten; melanpgarkan pirahoe 
kadarat, een vaartuig op het land d. i. 
op het strand, zetten. Zie ook langkah^ 
pelanggaran, zaagbok, zaagbank. II. 
Jav, bidkapel, = soerau, zie ald. 

langgowan, graan schuur. Keasb. Zie 
p(iloeboer. 

langir, al wat bij het baden dient om 
het hoofd te wasschen, zooals asch 
van verbrand rijststroo, zeep en dergel. ; 
melangir en berlangir, het hoofd daar- 
mede wasschen, reinigen; melangiri 
kèris, en herlangirkan keris fig. een 
kris in het bloed wasschen, met bloed 
inwijden, doen schuimen van bloed. 

langit, hemel; bentangan langit, uit- 
spansel des hemels; langit-langit, hemel 
van doek, b. v. aan een ledikant, ge- 
kleurde stukken doek, die in de se- 
rambi en de andjoeng uitgespannen 
worden bij feestelijke gelegenheden; 
tent of kap van een rijtuig; la?igitan 
moeloet, verhemelte in den mond; me- 
langit, hemelwaarts, hemelhoog stijgen, 
b. V. tjongkal/enja mélangit^ zijn hoog- 
moed steeg hemelhoog; dosanja me- 
langit, hunne zonden stapelden zich 
hemelhoog op. 

langkah, stap, pas, schrede, tred, eerste 
schrede van een gang of reis, overtre- 
ding; langkah moedjoer, gelukkige eerste 
schrede, d. i. een gelukkige ontmoeting 
bij het begin van zijn tocht ; Urlangkah, 
eene schrede kunnen doen; ook eene 
verkeerde schrede doen, toevallig over- 
treden; iiada terlangkah, geen schrede 
voorwaarts kunnen doen; melangkah, 
een stap doen, overheen stappen, over- 
treden, b. V. wetten of bevelen «= mé- 
langgar; m. laoeian, een gewaagde 
stap doen, zich op glad ijs begeven; 
m. tiga langkah, drie stappen doen, in 
drie stappen; melangkahkan kakinja, 
zijn voet zetten, stappen, b. v. aanjwal 
enz.; melangkahkan perahoe, een bijge- 
loovige ceremonie aan boord bij de 
aanvaarding der reis verrichten, om 
onheilen af te weren; pélangkah, die 
ceremonie; orang jang pandjang lang- 
kahnja, iemand die omwegen zoekt; 
pérgi barang kamana dilangkahkan, 
gaan waar de voeten hem dragen of 
heen voeren; pelangkahan en ph'lang- 
kahan, overschrijding ; ménglènakan 
langkah, met een ander pas houden. 



in den pas gaan ; mémende^kan lang^ 
kahnja, zijne schreden bekorten. 

langkan, I. Chin. balkon. II. mUang- 
kankan, zich uitrekken, schrijden. III. 
Batav. pagdr lang kan, e. s. v. hekwerk, 

langkap, I. kompleet, van het noodige 
voorzien, voltallig, toegerust, alomvat- 
tend; melangkap mait, een lijk van 
hot noodige voor de begrafenis voor- 
zien; berlangkap, uitrusten, kompletee- 
ren, van het noodige voorzien; rné.lang- 
kapkan, iets uitrusten, voltallig maken 
enz.; melangkapkan barang jang koe- 
rang, het ontbrekende aanvullen; me- 
langkapi, alles omvatten, alles in zich 
vereenigen, b. v. adapon koewasa radja 
itoe mélangkapi atas ségala analjp radja- 
radja dan manteri hoeloebalang dan 
rajat sakalian itoe, de macht van den 
Vorst omvat alle prinsen, ministers, 
legerhoofden en het geheele volk; sa- 
langkap, kompleet stel of pak, b. v. 
salangkap pakaijan, een kompleet stel 
of pak kleeren ; kalangkapan, uitrus- 
ting, uitgerust schip of schepen, vloot; 
kalangkapan berboeroe, al de toebereid- 
selen voor de jacht, al de jachtbenoo- 
digdheden; kalangkapan karadjaan, al 
de teekenen der koninklijke waardig- 
heid, de rijks-insigniën. Zie ook rang- 
kap. 11. e. 8. V. palmboom, saguerus 
langkap. III. inzetbak voor de gewone 
sirihdoos. 

lanfigkara, I. Skr. onbestaanbaar, fa- 
belachtig. II. e. s. V. keteltrom, be- 
staande uit een koperen kom met een 
vel overtrokken, waarop men met twee 
stokjes slaat. Zij behoort tot de Vorste- 
lijke muziek-instrumenten. 

lanekas, vurig, zooals b. v. een paard, 
ijverig, vlug van geest. 

lantskat, drie dagen later. 

langkau, overslaan, hetzij opzettelijk 
of bij vergissing, b. v. een vel in 
een boek. 

lanslanfi:, 1. schoon, fraai. II. Jav. 
zwerven, rondreizen of trekken; lang- 
lang boewana, de wereld door zwerven; 
berlanglang, de ronde doen van een 
wacht. 

langoe, lucht van vleesch, dut niet 
versch is. d. B. 

laneoet; mèlangoet, met verlangen naar 
iets uitzien, op iets wachten, op den 
uitkijk ziju. Maxw. 

langon, zie Wang on. 



214 



lanssai — ' lantjinfi;. 



lanesaif behaDgsel, draperie. Jav. U- 
langset gordijn, voorhangsel. Ook lansai. 

laneactr, horizontaal lang uitgestrekt, 
in de lengte getrokken, lang in verge- 
lyking met de breedte of dikte, slank, 
raak. Zie ook lansar. 

lAüSBat, ook lansat, zie ald. 

lansse, Jav. = lansai^ zie ald. 

Icingsëp» Jav. — lansat, zie ald. 

lanesi, I. = lansififf, b. v. kombang 
mana datang meldngsi, welke hommel 
komt daar gonzend aan? H. Boedj. 11. 
melangsi, over tijd of maat heengaan, 
over iets heengaan = het Jav. longsé. 

lanssoenis:, regelrecht, rechtdoor, zon- 
der zich op te houden; een gesteld 
doel voorbijstreven. Ook: voor goed, 
b. V. diberi pakai sadja, boekan di- 
berikannja langsoeng, hij gaf het slechts 
om te gebruiken, maar hij gaf het niet 
voor goed, of om te behouden; Kéndalc 
pergi langsoeng ^ om voor goed weg te 
gaan; rmlangsoeng -langsoeng^ steeds re- 
gelrecht doorgaan ; melangsoengkan, 
iets regelrecht doen doorgaan. Ook 
soms lansoeng. M^n. id. 

lani; lani-lanif' b. v. saperti kdin jang 
loeroeh^ atau binatang lani-lanii' Abd. 
Sch. wrdb. 

lai\jak; melanjai^, met de voeten kne- 
den, b. V. klei om die week te ma- 
ken, een kleed • om het te zuiveren. 
Zie lanjau, 

lax^iau, ook lenjau^ van den grond: 
week met een harde korst van boven. 

lanoen, ook ilanoen, zeeroovers van het 
eiland Magindanau in den Solok-ar- 
chipel. 

lansai, behangsel, draperie. 

lansar, horizontaal lang, horizontaal 
voortsfchuiven of schieten, zooals b. v. 
een slang, ook = langsar^ zie ald.; 
menikam lansar ^ bij spelen : recht voor- 
uit langs den grond gooien; mélansar, 
lang worden, iets voor tschui ven. 

lansat, e. s. v. kleine, zure, zeer sma- 
kelijke vrucht, met bittere pit, ook 
langsat; warna lansai ^ vaal gele kleur, 
isabella-kleur; boenga lansat^ zie bij 
boenga. 

lansi, ~ lansing. 

lansin^:, fijn, schol, van geluiden, zoo- 
als van een flnit, glas; hooger van 
toon worden van een snaar, die meer 
gespannen wordt. Ook lansu 

lantai, vloer van een op palen staand 



huis, meestal van bamboe- of niboeng- 
latteu; los dek in een vaartuig; spalk 
in de heelkunde; /. besi, rooster in e. 
vuurhaard; papan lantai^ vloerplanken; 
besi lantai, smal plaatijzer. 

lantak; melantaJe, inslaan, indrijven, in- 
stampeo, b. v. een spijker, paal, de 
lading met een laadstok enz. pelaniajc, 
stormram, heiblok, laadstok; ook: e. s. 
"<v. plankje, waarop de vrouw bij het 
weven zit, Pad. bov.l. emas-lanta^, 
goud in staven of andere vormen ge- 
goten; loeloeh lanta};, fijngestampt. 

lantan; melantan, sparen, uitsparen, b. v. 
van levensmiddelen. Pad. bov.l. 

lantang. Men. duidelijk voor het ge- 
zicht of gehoor," helder klinkend, ruim 
onbelemmerd van het uitzicht, ook van 
het gehoor. Zie banglas. 

lantar, I. Zie hantar. II. laniaran, 
Jav. door middel van, door tusschen- 
komst van. 

lantas, Jav. vervolgens, onmiddellijk 
daarop; mlèlantas, doordringen tot. 

lantera. Port. lantaarn. 

lantik; mUantil^y in het openbaar aan-^ 
stellen, van den regeerenden Vorst, en 
de vier voornaamste hoofden in een 
Mal. staat. Van de mindere hoofden 
is het ménggelar. 

lantin, I. verb. Ned. kleine bollantaarn. 
II. vlot, = rakit, Maxw. 

lantins. Men. een helder klinkend ge- 
luid, houd ik niet voor het grondw. 
van pelanting, maar veeleer panting, 
Zie pelanting. 

lantja, e. s. v. groote Indische vaar- 
tuigen met drie masten en schuine 
zeilen. Van het Port. lancha, boot, 
sloep ? 

lantjang:, I. e. s. v. oorlogs vaartuig.' 
Jav. vlug, snel; II. sirihdoos. Mën. 
e. s. V. betelschaal; Til. =* lantjar ; 
lantjang-lantjang^ keilen, zooals een plat 
steentje, over de oppervlakte van het 
water geworpen IV. « antjajp, zie ald. 

lantJar, vlug voortschieten, zooals een 
slang; vlug, vlot, rad, snel, b. v. van 
lezen, spreken, een weversspoel enz. 
Ook snel zich oprichten van een slang. 
H. Boedj.; lantjaran, e. s. v. vaartuig. 
Zie lantjang en lansar. 

lantjih, = kodole, zie ald. 

lanljins: en latUjingan, Jav. manaen- 
broek, K. T.; blèrlantjing blètédoe, een 
fluweelen broek aanhebben. Mes. Kag. 



lan^ip — lai*». 



216 



lantjip, puntig, scherp, b. v. van een 
vaartuig, piek enz. mélantjipkan^ de 
punt aanscherpen. 

lantjit; melantjity opspringen van water 
uit een bron of fontein, nml. als het 
niet hoog is. 

lantjoeng:, valsch, vervalscht door bij- 
menging van metalen, koopwaren enz. 
lanijoeng kitjoe, oplichterij en bedrog. 
Oend. Mën. ; emas lantjoengan^ valsch 
goud; melantjoeng^ bedriegen; orang 
mélanijoengy bedrieger. 

lani^oer, uit een pijp of iets dergel. 
vlieten, spuiten. Zie pantjoer, 

lantjoet, I. te vergeefs, zonder nut. 
II. =s lantjity doch als het water hoog 
opspringt. 

lantjong, Jav. melantjong, wandelen, 
slenteren, pierewaaien. 

lantoenfi:, scherp van een stank, door- 
dringend van een geluid. Men. id. 

laoek, toespijs bij de rijst; laoek-paoek, 
allerlei toespijzen. Men. vleesch of 
visch. 

laoen, lang van duur, van een be- 
paalden tijd of werk; lambat-laoen, ten 
langen laatste, langzamerhand. 

laoeng:; melaoeng, met een gerekt ge- 
luid roepen, met een huilend geschreeuw 
roepen. 

laoet, zee, door de Maleiers benoemd 
naar de aanliggende plaatsen, b. v. laoet 
Malaka enz.; ook overzeesch, aange- 
voerd van koopwaren, in tegeuoverst. 
V. negarij zie ald. ; laoet api, vuurzee, 
de hel = ndraka; laoet rembang^ de 
open zee; laoetan, het zeeachtige, de 
oceaan; melaoety zeewaarts aanhouden, 
van het land afhouden; kalaoet, zee- 
waarts, naar zee ; van een ander water : 
naar het midden; timoer laoet^ zie bij 
timoer; iiada pernak menoempoe laoet, 
nooit een voet op zee gehad hebben ; 
boewah keras laoet^ van overzee aange- 
voerde këmirinoten. 

lap, I. Zie Hap. II. laplap, op Java, verb. 
Ned. vaatdoek; melaplapkan^ met een 
vaatdoek afvegen. 

lapafa, I. mélapah, afhakken, ontleden 
van een geslacht beest. II. trappen op 
iets, dat in den weg ligt. 

lapans, wijd, ruim; vrij van zorg, van 
bezigheden, van ongemak of pijn, ver- 
licht; wat wijd of ruim is, ruimte; 
bed in een tuin ; angin pon lapang, de 
wind rrtimt; lapang semai, zaaibed; 



tanah lapang, open vak, plein; lapang 
we^toe .vrije tijd; lapang dada, ver- 
ruimd van gemoed; niélapangkan dada, 
het gemoed verruimen; mendjadikan 
bagainja kalapangan^ hem ruim baan 
maken, hem in de ruimte stellen; 
kalapamgan, vrije tijd, ledige tijd, ook: 
verlicht, verruimd van gemoed ; lapang- 
kan teling amoe, spits uwe ooren, N. 

lapar, honger, hongerig zijn; peroetkoe 
lapar, ik heb honger; kalaparan, hon- 
ger lijden ; bela kalaparan, hongersnood. 

liipari, zie lampari, 

lapau, zie Upau. 

lapih; melapik, platvlechten, b. v. het 
haar, touw enz. Pad. bov.1. 

lupik, onderlaag, onderlegger, zooals 
b. V. een mat of plank onder het 
lichaam; lapi]p kaki, sandaal; lapije 
poenggoeng, matje op een stoel. Ver- 
der al wat men ergens op legt voor 
iets dat er op komt, b. v. tafellaken, 
matten of planken op een steenen 
vloer, een onderschotel van iets; lapi^ 
galangany de rollen op een helling onder 
een vaartuig gelegd, om het te water te 
laten; kain lapii-lapiljpy een kaïn met 
randen van goud en kesoemba; ber- 
lapii^kan, tot onderlaag hebben; me- 
lapijpkan, tot onderlaag maken of ge- 
bruiken, b. V. sakerat dilapijpka^mja 
tidoer, een stuk gebruikte hij voor 
onderlaag om er op te slapen. 

lapis, laag van platte voorwerpen, hetzij 
op, hetzij achter elkander, voering, 
bekleedsel; berlapis, in lagen op of 
achter elkander, gevoerd; toedjoeh 
lapis langity de zeven hemelen; toe- 
djoeh lapis koia, een zevendubbele ves- 
ting, een vesting met zevendubbele 
muren; koeweh lapis, e. s. v. koekjes, 
die uit vele lagen van verschillende 
kleur bestaan; badjoe berlapis, een ge- 
voerd baadje, ook een dubbel baadje; 
lapis tembaga, koperhuid van een schip ; 
kajoe lapis, e. s. v. geneesmiddel; me- 
lapis y voeren; melapis kapal, een schip 
koperen. 

lapoek, schimmel, kaam; b^rlapoe^, 
beschimmeld, uitgeslagen. Mën. ver- 
sleten, vergaan, verrot. 

lapoen, e. s. v. netten of stroppen, om 
kleine dieren, zooals dwergherten enz. 
te vangen. 

lara, Jav. ziek, sukkelend; orang toewa 
lara, oude ziekelijke stumper; p^ngli- 



216 



larab •— lasit. 



poer lara, Jav. ziekentroost, fig. uit- 
drukking voor een minnaar of min- 
nares; lara dïndoe, leed door toorn of 
ongenade. 

la.r£tb, zie dïarab. 

larab, afgedankt, afgelegd, v. e. klee- 
dingstuk. 

larai, afgetrokken, zooals het hart van 
iets; Tnèlaraikan^ afscheiden, afzonde- 
ren, aftrekken. Zie rarai en lalai. 

larang, verboden; melarangkati , ver- 
bieden; larangatiy wat verboden is, 
verboden zaak; verbodsbepaling; ver- 
bod; privilegie; harang-harang lara- 
ngan, ook ; smokkelwaren ; larangan dan 
pegangaity wat verboden is en wat men 
gehouden is te doen. Jav. larang zeld- 
zaam, = djarang. 

larap, van koop- en eetwaren: aftrek 
hebbend, zie laris ; melarapkan tali, 
een touw vieren. T. T. t. 

laras, rechte, dunne stam van een 
jongen boom, loop van een geweer; 
kajoe laras, gekapte jonge boomstam- 
men van 2 a 3 duim diameter; ana}^ 
laras, hetzelfde doch dunner. Ook ge- 
bruikt men laras als hulp-Telwoord 
voor het aantal blaasroeren, b. v. soem- 
pitan sapoeloeh laras, tien stuks blaas- 
roeren; s^jfiapang doewa laras, dubbel- 
loopsgeweer. Mën. ook gebied, land- 
streek. 

larat, zich langzaam verder bewegen, 
verspreiden, verloopen, overgaan tot, 
afzwerven, afdwalen, slippen of krab- 
ben van een anker, op zijn anker 
drijven van een vaartuig, voortgaande 
van een redevoering; b. v. awan larat, 
afzwervende wolken; api mélarat, vuur 
dat «ich verspreidt; orang melarat, 
volk dat verloopt, zwerveling; larat 
djadi pïnjakit, overgaan tot een kwaal 
of ziekte; djikalau saoeh larat, tiada 
makan, als het anker slipt en niet 
vat; tangan melarat, de steeds voort- 
schrijvende hand, die schrijfjeukte heeft, 
Ibr. b. Ch ; p'ëngatoeran soerat jang 
mélarai, proza. Zie ook melarat. 

lari, vluchten, wegloopen, drossen; b^r- 
lari, hard loopen; lari anaff, een 
drafje; la?'i tikoes = toeioep tijang, 
muurplaat; lari btrUpas, ontsnappen, 
ontkomen; melarikan, hard met iets 
wegloopen, iets vluchten, doen hard 
loopen, doen draven, schaken, ontvoe- 
ren; melarikan tjoekai, de inkomende 



rechten ontduiken; pelari, weglooper, 
drosser; m'ëlarikan, ook voor of om 
iets hard loopen ; melarikan njawa, een 
gevaar ontvluchten ; datang b^rlari-lari, 
hard komen aanloopen; lari benang, 
met lange steken naaien, rijgen ; larian 
koeda, renbaan ; larian djalan, de grep- 
pels ter zijde v. e, weg voor den water- 
afvoer; kota lari-larian, vesting of 
burcht om in te vluchten; lari-larian 
kota, de wallen van een vesting; 
pelarian, aangehoogd voetpad, jaagpad, 
uitgebouwde galerij in een bovenver- 
dieping, draf van een paard; pelarian 
kota, banket van een vesting; salari, 
doorloopend, zonder afbreking. 

larib, Jav. melarih, iemand inschenken, 
een beker of kopje vol schenken; ber- 
larih-larihan, elkander inschenken, zoo- 
als bij een maaltijd of drinkpartij. 

larik; melariljc, draaien op een draai- 
bank; pelarikan, draaibank; mata pe- 
larilp, draaibeitel. 

larisy Jav. gewild, goeden aftrek heb- 
ben, van koopwaren ; zie larap, lakoe 
en pajoe. 

laroe, bijmengsel, dat men ergens in 
doet, om een scheikundig proces te 
verkrijgen, b. v. om gisting te doen 
ontstaan, of om die tegen te gaan, of 
om cristallisatie teweeg te brengen, of 
te kleuren enz. 

laroet. Pad. bov.1. ver heen zijn, laat 
van den tijd; smelten, oplossen, ge- 
smolten. 

laron, Jav. de vliegende witte mier in 
den paartijd. 

larong, doodkist, ook keranda. Zie 
long. 

las, I. schielijk voorbijschietend, zooals 
de bliksem of een kogel. II. batoe las, 
op Riouw e. s. v. poetssteen. 

lasa, verlamd; dengan anggota jang lasa, 
met verlamde ledematen. Zie l^sa en 
lesah. Mën. gezwollen van de voe- 
ten enz. 

lasab; mUasah, slaan om pijn te ver- 
oorzaken, zooals bij straffen, onver- 
schillig waarmede en waar men raakt 

lasak, niet vast op één plaats, van 
slapen, niet voor een vast, maar voor 
allerhande gebruik, voor dagelijksch 
gebruik, b. v. van een kleed, wagen, 
paard enz. pakaijan pelasa^, alledaag- 
sche kleeren. Zie Mën. wrdb. 

lasity Mën. m'élasit, op bedriegelijke of 



lEksJkar — Ift-wan. 



217 



gewelddadige wijze zich eens anders 
goed toeëigenen. Zie lesit 

lasjkar, Perz. soldaat, leger; scheeps- 
volk, matroos, soms ook: bediende. 

lastaka, midden, van een boog. 

lat, of beter l^i, Jav. tusschenverloop 
van tijd, b. v. let sahari, met een 
tusschenverloop van één dag; lei 
sambilan dibedil, om den tienden man 
werden ze doodgeschoten. Zie ook 
'èlat. 

lata, I. Skr. melata, kruipen van dieren 
en planten; binatang jang melala^ krui- 
pende dieren. Men. id. II. Skr. slecht, 
laag, gemeen; orang lata, slechte kerel, 
schoft, ellendeling. Men. vuil, gemeen, 
laag, stinkend. Zie leta. lil. ajar lato, 
waterval, Maxw. 

latah, e. s. v. zenuwachtigen toestand, 
vooral bij vrouwen, zoodat zij alles 
nadoen en napraten op een zotte wijze; 
ook: maar wat voor den mond weg- 
praten, snappen, van oude vrouwen. 
H. Boedj. Mën. vuil, vuilnis; kata 
latak, vuile, gemeene praat, zie lata II. 

latam; melafam, neertrappen, plattrap- 
pen, b. V. van een opgemaakt bed. 

latar, I. pelatar, een wachthuis, R. v. 
Eys en L. II. Jav. grond, erf, opper- 
vlakte, vlakte; pelataran, plein, open 
grond vóór een huis. 

latëns» Jav. brandnetel. Zie djêlatang. 

latif, Arab. uitgelezen, dun, sierlijk; 
allafif, de liefderijke, nam. God. 

latih, langzamerhand wennen aan iets 
goeds en nuttigs; imlaiih^ africhten, 
aan iets doen wennen, onderrichten; 
melatih moeloet, op zijn mond passen, 
Pr. Dj. ook: zich bij zijn spreken aan 
iets gewennen, b. v. samoewanja b^r- 
salin nama, masing-masing melatih moe- 
loetnja, allen verwisselden van naam 
en ieder gewende zich daaraan bij zijn 
spreken; melatih, ook: onder den duim, 
of in bedwang houden. 

latjak, krabben van een anker, niet 
vastgrijpen in den grond. Mën. het ge- 
luid van voorwerpen, die in zachte 
zelfstandigheden dringen, b. v. in mod- 
der, zie l'êtjai^. 

lalji, verb. Ned. laadje, schuiflado. 

latdih, slaaf, Pad. bov.1. 

latjoet, slaan met een zweep, ook in 
den grond slaan. Pad. bov.1. 

latoehc, I. parang latoeih, zwaard om 
koppen te snellen. II. pelatoei^, voor- 



post, R. V. Eijs de haan van een ge- 
weer, vdW. Zie patoelp. 

latoh, e. s. v. eetbaar zeewier, dat met 
tamarindewater gegeten wordt. 

lau, I. Arab. indien; iva lau, en indien. 
Hiervan djikalau. II. oogenblikkelijk 
voorbijgaande lichtglans. Zie t^lau. III. 
daoen lau, e. s. v. klim- of woeker- 
plant. 

lavra; melawa, den bruidstoet beletten 
door te gaan, tegenhouden tot er iets 
(de pembajar pelawa) betaald is; pe- 
lawa^ belet; memboewang pelawa, het 
belet verwijderen, opheffen, b. v. iemand, 
die juist op etenstijd komt en wien 
belet moest gegeven worden, uitnoo- 
digen om mee te eten. 

lawa-la^va, Jav. spin Zie laba-Iaba. 

la^w'ali, I. onbelemmerd, ruim, van het 
uitzicht, wijde tusschenruimte, b. v. 
tusschen de toppen van twee bergen; 
pemandangan jang lawak, een ruim uit- 
zicht. II, jokkernij. scherts, grap, C. 
en Maxw. 

laiivai, alleen in madja-lawai, zie madja. 

la^vak, I. lawaTc-lawalp, eet of drink- 
bakje in een kooi, ruif. Pad. bov.1. IL 
lawak-lawaJi!, gekheid maken, jokken, 
b. V. sehaja lawalc-lawale sadja^ ik 
maakte maar gekheid; pelawalp, hans- 
worst, pailjas, grappenmaker = orang 
djinaka, Maxw. Zie lawah II. 

la^van, tegenpartij, tegenstander, par- 
tuur, partij in eenigen strijd, maat in 
een spel, wedergade, persoon met wien 
men een gesprek voert; in strijd met; 
melawan, tegenstaan, tegenweer bieden, 
zich verzetten tegen, als partuur op- 
treden van, mededingen; ook soms ge- 
bezigd alleen voor ons; tegen of met; 
herlawan dengan, zich meten met; me- 
lawan ^oekoem., tegen de wet; me- 
lawan bersatija, met iemand in trouw 
wedijveren, op iemands trouw staat 
maken; tiada bolih dilawan bersatija, 
men kan op zijne trouw geen staat 
maken; m. ber^ahabat, met iemand 
vriendschap sluiten; m. berkata-kata, 
het woord tot iemand richten om met 
hem e. gesprek aan te knoopen ; kawan 
dan lawan, medestander en tegenstan- 
der, vriend en vijand; pelawan, e s. v. 
boom, die zeer taai en hard hout 
levert; kajoe melawan toda^, e. s. v. 
boom, waarvan het hout voor binnen- 
huisbouw gebruikt wordt; btrlawankan, 



ns 



la^irans — lêbili. 



strijden voor of ten behoeve van S. M.; 
rne.m'perlawankan dengan, laten vechten 
met; üada terlawan, geen weerstand 
te bieden zijn; segala ?ifat lawannja^ 
alle tegenovergestelde eigenschappen ; 
kalawanan, weerbaarheid, verdedigbaar- 
heid. H. T. 

laiv-ang:, I. e. s. v. boom, welks bloem 
en bast in de geneeskunde gebruikt 
worden; boen ga lawang^ kruidnagel; 
koelit lawang, de bast van dien boom, 
welke naar kruidnagelen riekt. II. Jav, 
deur, poort; lawang seketeng^ eerepoort, 
eereboog; pelawang, ongehuwd jong- 
man en als zoodanig vrij van belas- 
ting ; lawang pintasan, de laatste poort, 
die direct toegang verleent? b. v. mem- 
boeka pinloe gïrebang katoedjoehnja, 
doewabelas dP^ngan lawang pintasan^ 
Hik. Boedj.; poetaran lawang ^ windas, 
kaapstander. 

la war, I. op Java lelawar, fijn gesne- 
den vleesch of visch als toespijs bij de 
rijst; melawar^ aan kleine stukjes snij- 
den van vleesch, b v. voor worst. If. 
= kalalawar, zie ald. 

lawas, I. melawas, vrij, onbelemmerd 
van uitzicht; niet o vervuld of verstopt 
van de ingewanden; voorbarig van de 
tong; schaars wordend, bijna gedaan, 
van vruchten op hun tijd; zie ook 
loewas. II. Jav. oud, lang van duur, 
= lama, zie ald. III. berlawas-lawas, 
uit elkander gaan, Pad. bov.1, 

lawat ; melawat, een bezoek van deel- 
neming brengen, hetzij aan personen, 
hetzij aan zaken, zooals b. v. een vaar- 
tuig; mélawali kadatangan, iemand bij 
zijn aankomst een deelnemend bezoek 
brengen. 

lawejan, Jav. romp, hoofdeloos lichaam, 
spook zonder hoofd. 

lawi, punt, uiteinde; lawi-lawi, de pun- 
ten van de lange staartvederen van 
sommige vogels, zooals de pauw, de 
argusfazant enz.; doekoeh lawi-lawi 
mèUkapy zie doekoeh; pekasam lavji- 
lawi? Mal. Pant. 

la^viranjs^ zie bij wirang, 

lazizn, Arab. motXtis., ~ hendal lah -, ge- 
bruikelijk zijn, van een woord, in ge- 
bruik, in zwang; ntèldsimkan adat, tot 
e. vaste gewoonte maken. 

lëlzóéwardi, lazuursteen; hemelsblauw. 

lêbah, bij, honigbij; anaf; l^bah, larve 
van de bij; ook: e. s. v. patroon van 



gestreept goed; sarang lebah^ bijennest, 
houigraat; ajar lebah, honig; l^bah 
bergantoeng, e. s. v. snijwerk aan de 
plank, die onder de djolong-djolong van 
een vaartuig zit. 

lebai, vroom man, mohammedaan sche 
priester van minderen rang. 

lêbak, I. dicht bijeenzaaien, om er jonge 
plantjes van te trekken ter overplan- 
ting. II. klanknabootsend woord voor 
een dof klappend geluid, minder dof 
dan lebap. 

lëbam, bont, paarsch, van een zware 
kneuzing; biroc lebain, bont en blauw. 

lebatx), e. s. v. zoutwatervisch. 

lëban, e. s. v. boom, welks hout slechts 
goed voor brandhout is Volgens ande- 
ren ook geschikt voor huisbouw. 

lêbang:, hoog zwanger, op het punt van 
te bevallen. 

lëbap, klanknabootsend woord voor een 
dof, ploffend geluid. 

lebar, breed, breedte, middellijn (geom.); 
lebar iangan, rij, ruw van de hand bij 
het gebruiken van iets; pandjang lebar, 
lang en breed. Zie ook lintang. 

lëbaran, Jav. het groote feest bij het 
einde van de M ohammedaansche vas- 
ten, van het grondw. lebar, afgedaan, 
afgeloopen . 

lëbat, dicht, dicht bijeen, van het loof 
der hoornen, den regen, een zwerm 
pijlen of kogels, het haar of den baard, 
een haag, bloemen en vruchten op den 
boom enz. 

lëbih, meer, te veel, over, overschot; 
Ubih'koerang, meer of minder, min of 

meer ; tebih-lebih, bovendien ; Ubih 

lebih, hoe meer des te meer ; 

salebih-lebih en salebih-lebihnja, op zijn 
meest; lébihnja, het meerdere, over- 
schot, rest; tertêbih, uitermate, veel 
met de vergrootende trap van het Bijv. 
nw.; berlebih'lUihy meer van iets ge- 
bruiken; berlebih-tébihan, overdadig zijn, 
ook: de overhand hebbend; rnélébih, 
meer vertoonen, zich als meer aan- 
stellen, b. V. hhidalp mêUbih dart jang 
di-akoe, zich voor meer uitgeven dan 
men werkelijk is, Pr. Dj.; terlaloe 
lebih-têbih roepanja, zij maakten (bij 
het dansen) eene al te zotte vertoo- 
ning, H. Boedj.; mWêbihi, iets vermeer- 
deren, zich verheffen boven, overtreffen, 
te bovengaan, ook: mêUbihkan dirinja; 
mélebihkan, hooger stellen, hooger schat- 



lêboe — lêkit. 



219 



ten, voortrekken, b. v. toewan Ubihkan 
saoedara toewan daripada ajahavda 
bonda ini, gij schat uwen broeder hoo- 
ger dan uwe ouders, Mes. Kag ; ka- 
lebikany meerderheid, iets bijzonders, 
iets extra's. 

lëboe, ook deboe^ stof, stofje ; soms 
leboe-doeli met dezelfde beteekenis; ber- 
Uboe, stuiven, 

lëboeb, een breede straat met winkeltjes 
aan weerskanten, doch niet de markt. 
Mën. weg, pad, straat. 

lëboen, bedotten, door iets valsch voor 
echt, of iets slechts voor goed uit te 
geven. 

lëboeug:, klanknabootsend woord voor 
een donderend geluid, zooals van trom- 
men of geschut. 

lëboer, gesmolten, van metalen; Mën. 
ook verwoest, vernield, uiteengegaan, 
gescheiden, oneenig; meleboer, smel- 
ten, omsmelten ; aijoewmt leboer an^ 
gietvorm' voor gesmolten metaal. 11. 
plomp, klanknabootsend woord voor het 
geluid, veroorzaakt door een groot 
voorwerp, dat in het water of in den 
modder valt; lebar-leboer, hetzelfde met 
verscheidenheid; keleboeran, zie keloe- 
boeran. 

ledang, I. licht van kleur, b. v. koening 
jang ledang, licht geel, als kleur van 
de menschelijke huid, de HoU. R. v. E. 
JI. schijnend, zich voordoend; méledang, 
zich vertoonen om gezien te worden, 
prf^alvertooning maken. III. groeve, 
inslag, rimpel, d. B. en M. 

le^ja, = haledja. 

lë^ja, voor alles uitmaken, terdege door- 
halen. 

lecyang:, pijlsnel, van geschoten of ge- 
worpen voorwerpen. 

lëdsEat, Arab. lekker, aangenaam van 
smaak, genot, wellust; hidoep dengmi 
Udzat^ een lekker leventje leiden. 

lec»» op zijn gemak, onbekrompen, vdW. 
Mogelijk verkeerd voor het .Tav. lega. 

lësa, ruim, ruimte, van tijd en plaats; 
léga dada, verruimd van gemoed. S. Dz. 

lësam, I. ook legoem, zie gam. II hi- 
tam Uganiy pikzwart. Zie hitam. III 
Hind. bit, paardebit, Sw. 

lëi^p, en legoep, zie gap en degap. 

learar, I. ruimte om zich te kunnen 
bewegen. II. Pad. bov.1. = koeliling. 

lëiear, zie gar en dlègar. 

lë^at, in dezelfde richting voortgaande. 



b. V. een vaartuig; strak van den blik. 

legen, Jav. palmsap, sap, dat uit de 
palmen getapt wordt; ongegiste palm- 
wijn, ook gebruikt om deeg te doen 
rijzen, = nira. 

lëgodjo, zie algodjo. 

lëgoe; melegoe, de uitstekende einden, 
bij het vlechten van matwerk, naar 
binnen werken. 

lëgoem, zie legam; legoem-legam, dreu- 
nen met verscheidenheid. 

lëg:oendi, e. s. v. plant, welks bladen 
in de geneeskunde gebruikt worden, 
ook patjar tjina en tjoelun genoemd. 

lëgfoens:, e. s. v. boom. 

leber, hals, in elke beteekenis. 

leka, plakken, aanbonden, zich lang 
ophouden met, lang bezig zijn met, 
toeven bij. 

lëkab, = rekah, spleet, opening, scheur; 
pintoe pelekah, luik in het dek van 
vaartuigen, luik van een laadruim; 
melekah = merekah, zie ald. 

lëkam, met duim en vinger drukken. 

lëkang, gemakkelijk te schillen, te pel- 
len of af te stroopen, Sw. mogelijk 
beter Ugang. 

lëkap, plakkend, klevend, dicht tegen 
iets, zooals een schilderij tegen den 
wand; meUkap, plakken, kleven; me- 
lekapkan, doen plakken of kleven, op- 
plakken. 

lekar, rek om potten en pannen op te 
zetten, Maxw. beter lekar. 

lëkar, e. s. v. hoogen ring, gevlochten 
van rotan, waarop men heete potten 
en pannen zet, zoodra ze van het vuur 
worden genomen; lekar-lékar, e. s. v. 
duizendpoot. 

lëkae, spoedig, gauw, snel, schielijk, 
binnen kort ; lekas pekerdjaan^ja, vlug, 
van werk; berlekas-lekasan^ om het 
snelst; melièkaskany bespoedigen. 

lëkat, kleven, aankleven, op iets of aan 
iets blijven kleven of hechten, vast- 
zitten van een vaartuig, van een inge- 
slagen spijker, van geld in een handels- 
onderneming of in koopwaren; beharoe 
bh'tékat kaïn, voor 't eerst een lang 
kleed aangekregen hebben, de kinder- 
schoenen ontwassen zijn, v. e. meisje; 
melekat, beklijven; melekatkctn, doen 
kleven, aan iets bevestigen; péUkat, 
aangeplakt plakkaat, plakmiddel. 

lëkis, e. 8. v. boom. 

lëkit, nog kleverig, nog niet droog, 



lëkoe 



lexnas. 



van kleverige dingen, verf, aarde enz. 

lëkoe; méUkoe^ met den elleboog op 
iets steunen. Zie telekoe. 

lëlfoem, zie challpoem. 

lëkoen, e. s. v. Siameeschen vrouwen- 
dans; de danseres, die denzelven uitvoert. 

lëkoenis, hol, b. v. van de oogen. 

lëkoep; lïkap-lekoep, klauknabootsend 
woord voor het knappen of kraken der 
vingergewrichten bij het uitrekken 
daarvan. 

lëkok, holte, kuiltje, indruksel, deuk; 
harten, bij het kaartspel; berltkole, met 
kuilen, van den weg, ingevreten, van 
het ijzer; 'pipi leko^, wangen met een 
kuiltje; mata leko^y holle oogen; ïekoi^ 
mata, oogholte; pinggan lekok, diep 
bord, soepbord; berleka^-lekol^, met 
kuilen en gaten ; ineltkojc^ kuilen krij- 
gen; meleko^kan^ deuken, induwen. 

lela, Skr. spel, scherts, dartel; melela, 
theatrale bewegingen maken, pralen; 
lela sembah^ met theatrale bewegingen 
een sémbah maken ; melelakan keris^ 
theatraal zwaaien met een kris; me- 
lelakan langkak^ de passen maken bij 
het schermen of vechten met de kris; 
tmradja lela, zichzelven macht of 
gezag aanmatigen, zijn eigen rechter 
wezen, den baas spelen, letterl. den 
maharadja spelen. 

lëlah, vermoeid, afgemat, inz. van wer- 
ken ; ook : werk, arbeid, moeite ; saperii 
andjing lelahnja, zoo moede als een 
hond, K. T. ; melelahkan, bearbeiden, 
zich op iets vermoeien, zich moeite 
voor iets geven; kxlelahan, vermoeid- 
heid, het bearbeidde, het werk; mém- 
perheniikan lelah, uitrusten van het 
werk; lelah-djerihf zie djerih; berlelah 
diri, zich moeite geven, b. v. hai iboe- 
koe mengapa garangan daiang berlelah- 
lelah diri ini, o moedertje, waarom 
geeft ge u toch de moeite van hier te 
komen? napas lelahy kortademigheid. 

lëlai, in een bocht neerhangen, zooals 
b. V. de onderste bladen van palmboo- 
men en takken met vruchten beladen; 
b^erUlai-Ulaiariy van veel takken; dahan 
mUëlai, een tak, die aldus neerhangt; 
melëlaiy ook: naar zich toebuigen, van 
een tak. Zie loejoei. 

lëlak, losgaan en van het lijf vallen, 
van een kleedingstuk. 

lëlakon, Jav. bedrijf uit een tooneel- 
stnk, zie lakoe. 



lelanfi. Port. ver kooping, openbare vei- 
ling; mëlelang, in het openbaar ver- 
koopeu; soerat lelang, Batav. krant, 
advertentieblad. 

lëlangon, Jav. lusttuin, = taman. Ook 
langon. 

lêlap, weg zijn, naar de maan zijn, 
zonder dat men weet hoe; ook: diep 
van den slaap, zijn bewustzijn kwijt 
zijn, verbeurd, van een pand. 

lëlar, bij herhaling, dikwijls. 

lêlas, geschaafd door wrijving. 

lëlat, ruiker van uit sirihbladen ge- 
knipte bloemen, die in een soort van 
beker door den bruidegom aan de 
brnid wordt gegeven bij zijn eerste 
bezoek na den plechtigen optocht. 

lëlawa, Batav. vledermais. 

lëlëbon, Jav. insluiper, binnendringer, 
van Uboe, ingaan. 

leler, I. slordig, vdW. II. en lilir, vloeien, 
o. a. van kwijl of zever, b. v. berleleran 
ajar sirih dimoeloelnja. 

leloengy == lelang, zie ald. 

lëloengit, Jav. een liedje = kidoeng. 

lëmah, zwak, slap, machteloos, onver- 
mogend, af, op, verlamd, door vrees of 
schrik, verzwakt van een getuigenis 
door gebrek aan bewijs; lemah-lijat, 
taai, buigzaam ; lemah dzakar, manne- 
lijk onvermogen, impotent; Umah-Hèm- 
boei, zachtaardig, zachtzinnig, van het 
gemoed en van woorden ; ook : zacht, 
liefelijk van den wind ; mëlémahkan, ver- 
zwakken; kalëmahan, zwakheid, zwakte. 

lëmak, vet van dieren, smeer, vet, on- 
gel, reuzel, talk, smoutig, machtig van 
spijzen, smakelijk, lekker, toebereid; 
lëma]^ këtam, krabbe vet, als naam van 
een kleur: grijs; awan blèrléma^ këiam, 
grijze wolken, voorboden van regen ; 
kajoe lëmai^ kHam, e. s. v. hout. 

leraan? télinga leman, het handvat, 
waarmede men de aiji-aiji, of hefboom 
aan boord om en om draait. Mal. 

lëmang:, gaar gekookt in een bamboe, 
b. V. kleeffijst; mëUmang^ op die wijze 
koken; pëlemang, bijmengsel, om iets 
wat ingepekeld is, in zure gisting te 
brengen, b. v. rijst of sago gedaan in 
pëkasam. 

iëmas, gestikt, gesmoord, verdronken; 
mati lëmas, sterven bij verstikking 
of verdrinking, verdronken ; lèmas per- 
haiiankoe, ik weet niet wat ik er van 
denken moet. 



lëmau — lëmpoens;. 



221 



lëmau, zacht, week geworden, van iets 
dat croquant behoort te zijn, zooals 
beschuit en dergel. of van iets dat sterk 
behoort te wezen; flauw, slaperig, van 
menschen en dieren, slap. 

lëmba, e. s. v. plant met gevederde bla- 
deren en welks vrucht veel op karda- 
mom gelijkt. 

lêmbaga, oorspronkelijke vorm, model, 
type, eerste begin, embryo, kiem 
lembagaan, lichamelijke gedaante; lem- 
baga bisoel, eerste begin van een bloed- 
vin; adat lembaga, oorspronkelijke, 
geijkte gewoonte, de eigenaardige ge- 
woonten. 

lëm'bah, dal, vallei, laagte aan den 
voet van een hoogte, kuil. 

lërabajoeng:, e. s. v. klimop met puv- 
perkleurige bloemen; merah lembajoengy 
purperrood. 

lembak, overvloeiend, overkokend, over- 
loopend . 

lëmbam, traag, langzaam in het uit- 
voeren van eenig werk. 

lëmbang:, ingedrukt in het midden, 
b. V. van het hoofd; laagte, diepte 
tusschen twee opstaande kanten ; indruk 
in den grond door het een of ander 
voorwerp, spoor, b. v. van een wagen- 
rad, vallei. 

lëmbap, vochtig, klam; week, slap van 
vocht, dof, gedempt, van een geluid, 
b. V. van een ketelinstrument; traag 
van een persoon. Zie embaL 

lëinbar, I. draad, waaruit touw of garen 
bestaat; tali tiga lembar, driedraadsch 
touw. Ook gebruikt als hulp-Telw. voor 
het aantal van haar, garen enz.; me- 
lembar, twee of meer draden in elkan- 
der draaien tot garen of touw. II. Jav. 
vel, blad, als hulp-Telw, voor het aan- 
tal van papier en dergel. = helai. 

lëmbega, = rembega, zie ald. 

lëmbeli, e. s v. boom. 

lëmbek, week, kleiachtig, weeke klei; 
flauw, van een persoon of handeling; 
zachte matras of kussen om op te 
zitten. 

lëmbinis» speer, lichte lans; rnelembing^ 
met zulk een speer steken. Ook rnénoem- 
bain dèngan lembing^ zie toemba^. 

lëmboe, koe, rund. 

lëmboeroe, I. e. s. v. hout; II. e. s. v. 
visch, gelijkende op spiering. M. 

lëxnboet, zacht, teeder, buigzaam, lenig, 
zachtzinnig, gemoedelijk; mtèlemboetkan 



haiiy het hart of gemoed verteederen. 

lem bok, overdadig, van gebruiken of 
geven, meer gebruiken of geven dan 
noodig is. 

lëmidang:, platte rand, zooals aan een 
bord of sommige kommen; ook zulk 
een kom, gebruikt om er de terenang 
in te zetten; lemidang pinggan^ rand 
van een bord; lemidang pemidangan^ 
de rand van een raam, waarop iets 
uitgespannen wordt, b. v. van een bor- 
duurraam. 

lëmoek, zacht v. drinkwater. 

lënxoekoet, zie loekoet. 

lëmpai, slap neerhangend, zooals een 
vlag bij windstilte, een geknakte of 
zwaar beladen tak; tempai-lempai^aUy 
aren van graan. 

lëmpang:, op een ongewone plaats lig- 
gend, in den weg liggen; a-pit lempang, 
de twee eerste planken die op de kiel 
van een vaartuig komen; dienaren, die 
den Vorst ter bescherming terzijde 
staan, vdW. adjudanten. 

lëmpaoeng:, e. s. v. boom, die eetbare 
vruchten levert. 

lempar; melempar, gooien, werpen, 
smijten ; melempar batoe^ steenen gooien ; 
pelempar^ datgene waarmede men gooit, 
werpmiddel. 

lëmpat, vloerkleed, looper, d. B. ? Mo- 
gelijk verkeerd voor lampit. 

lëmpeh, e. s. v. zoutwatervisch, die, 
gegeten, jeukte veroorzaakt. 

lëmpinu, platte dunne koek, waarmede 
de inlander zijn ontbijt doet; lemping- 
lempwg^ al wat voor ontbijt dient; 
lemping bingka^ e. s. v. koekjes. Zie 
ook emping. 

lëmpoejaniy:, e. s. v. plant. 

lëmpoek, I. vruchten, gekookt met 
suiker, dan in bladeren gedaan en ge- 
rookt, zooals men wel doet met de 
pisang, soekoen en doerian. II. klodder, 
dikke plakkaat van kleverige zelfstan- 
digheden. 

lëmpoenai, e. s. v. boschboom, die 
brandhout oplevert. 

lëmpoens, licht, voos, kurkachtig, b. v. 
van hout, puimsteen enz. kajoe lem- 
poeng^ e. s. v. wild hout, waarvan de 
doodkisten voor arme chineez^n wor- 
den gemaakt, terwijl voor de rijken 
keledang- of daroe-daroékoxii wordt ge- 
bruikt; ikan pelëupoeng, e. 8. v. eetba- 
ren zoetwatervisch. Zie lampóeng. 



222 



lempoe^ri — lengket. 



lëmpoevcriy e. 8. v. plant. 

lena, lang van duur, b. v. tidoer iiada 
lena, niet lang slapen, I. F.; berdjalau 
lena, Jang op reis zijn; berlena, gerust 
slapen, Maxw. 

lendeli, met het bovenlijf ongemanierd 
liggen, b. V. met den arm op tafel en 
het hoofd op den arm. 

lêndir, slijm, taaie stof; kleverig, slij- 
merig, fluim, kwalster. 

lëndja, I. vrijpostig. T[. ring of hoepel 
die hangt, om er iets in te zetten, b. v. 
de ring waarin de hanglamp of de 
onderschotel hangt; lendja djantoeng, 
hartvlies. 

lên<^oe\vans» == daoen djoewang-djoe- 
wang, e. s. v. boom, welks bladeren 
als onheilafweermiddel buiten de deur 
worden gehangen, soms nog met een 
bezweringsspreuk daarop gegrift. 

lëndoet, ingebogen, b. v. van een brug, 
vloer, zitting ; melendoet, inbuigen ; ook : 
afwijken van de horizontale richting 
van een kogel. 

lendons, aal, = ikan b^loet, d. 1. (Jr. 

leng;, een kleine inhoudsmaat = kal, 
zie ald. 

lenga, en niet lengah, luieren, leuteren, 
talmen, slenteren, beuzelen; van de 
oogen: achteloos, onoplettend zijn, uit 
het oog verliezen; iiada lenga matanja 
daripada merénoeng akan dia, onaf- 
gewend staarden zijne oogen hem aan; 
melenga dirinja, een onverschillige, zor- 
gelooze houding aannemen; pUenga, 
slenteraar, tijdkorting, middel om den 
tijd te dooden. Zie ook leka. Men. 
lengah. 

lënga, I. e. 8. V. oliegevende plant, se- 
samum. Ook hidjen. II. Jav. olie. 

lënsaiy traag, slof, achteloos. Zie lalai, 

lëngan, arm, mouw van een kleed, 
vleugel van een leger. 

lënsans» stilte hebbend, geen geraas 
om zich hehbend, niet veel werk heb- 
bend. Ook langang en leng gang. 

leoisar, zich heen en weer bewegen van 
de oogen, vdW.? In de P. A. wordt 
van de oogen lenga gebruikt in de 
beteekenis van onoplettend zijn. Zie 
lenga. 

lëngar, duizelig, verdoofd, door een 
slag of stoot of val, dof, stompzinnig, 
es kaléng^r, Jav. 

lënieaii, klam, vochtig, uitgeslagen door 
vocht, b.'**.' van 'kaas; vochtig van den 



neus, kleverig; melêngas, ook: vochtig 
worden van de lucht; melengaskan, 
vochten, vochtig maken, b. v. strijk- 
goed. 

leng;gadaja, e. s. v boom. 

lënggak, achterover, in den nek ge- 
worpen, van het hoofd; rneUnggaJpkan 
lekernja, zijn hoofd achterover zetten, 
zich daarmede in postuur zetten, van 
iemand, die een redevoering houden 
wil. B. R. 

lëngganan, Jav. vaste leverancier, 
iemand bij wien men steeds koopt. 
Zie rekan. 

leussang, slingerende beweging van 
de armen, een schip enz.; twèlenggang, 
slingeren met de armen; berlenggang 
peroei, een ceremonie met zwangere 
vrouwen; mentjampalk lenggang, opzet- 
telijk zoo met de armen zwaaien, dat 
het de aandacht trekt, daarmede pron- 
ken; lenggangan, platte, trechtervor- 
mige bak, waarin stofgoud of diaman- 
ten worden gewasschen, door dien heen 
en weer te slingeren; kapalanja di- 
lenggang-lenggangnja, hij schudde met 
zijn hoofd heen en weer. S. M. 

lëngeang, voor een poos niet aan het 
werk, vacantie, pause, voor een tijd 
stilstaan, ledige tijd, ledige plaats. Ook 
langang. Zie lengang. 

lensjsar, wijd uit elkander, niet opeen 
gedrongen; vrij van dwang of nood, 
vrij in zijn bewegingen, zich kunnende 
roeren, niet bekneld. Zie longgar. 

lëngeara» ook selenggara; niêlhiggara- 
kan en menjelenggarakan, zorgen voor, 
= pMihara, en mëmeliharakan. Zie ald. 

lënesawai, e. s. v. groote selêpa. Zie 
aldaar. 

lëns:isoendi, » legoendi, zie ald. 

lenssok, zwaaiende heen en weer bui- 
gende beweging, van een persoon, tol 
enz. melenggojcy die beweging maken, 
b. V. berkata melenggojpy onder het 
spreken heen en weer buigen; bïrtan- 
dajplah ürlenggolp-lenggojp, al zwaaiende 
en heen en weer buigende dansen. 
Mes. Kag. 

lengkab, oneensgezind, niet eendrachtig. 

lënskans, wijder, meer geopend, van 
ringen en haken. 

lëngkai'a, zie lenggara. 

lenfirkens, = kUengkeng, ut k\^. 

lexifi^ce% Batav. kleven, = llèkai; blè- 
lengket, klevend, kleverig. Zie lïèkeit. 



lëngkians — lëpa. 



228 



lênekiansit kleine rijstschuur op palen, 
= rengkiang» 

lënekoens, I. gebogen, boogsgewijze 
over iets, gewelfd, hol, zooals b. v. een 
horloge-glas, rond getrokken door de 
hitte, deuken in den kant van iets, 
holle zijde van iets; Imgkoengan hoe- 
lan, halve maan. Sw.; lengkoeng djam- 
bataiiy boog van een brug j terlengkoeng, 
gebogen, gewelfd; pelengkoengy eere- 
boog. II. galmend, van een geluid. 

lëngkoer, I. rnétengkoer, snorken, = 
déngkoer. Maxw. II. naam van een 
zekere wijs op de viool of rebab. Zie 
op timang. 

lêng;koe^ivas, e. s. v. specerij-achtigen 
wortel, die bij de spijsbereiding en als 
medicijn gebruikt wordt. 

lenskok, houten loods, schuur, Maxw. 
Zie ook ifilengkojc. 

lënfikok, I. krom; berïengko^y krom 
trekken, krom worden. 

lengkong, cirkel, al wat iets omringt 
en aldus insluit; melengkong, omsin- 
gelen, omringen; lengkong leher badjoCy 
halskraag van een baadje; kota leng- 
kong negara, vesting, die de stad om- 
geeft; dilengkong karang^ door koraal- 
riffen omgeven; lengkong, ook: een 
boog van roode zijde of katoen, die bij 
optochten boven het hoofd van den 
hoofdpersoon wordt gedragen; kaleng- 
kong, cirkel, perk, waarin men hanen 
laat vechten. H. T. 

lëneoeng, in gedachten, zooals iem. 
die eene zaak niet begrijpt, suffen, 
verbluft zijn. Ook de naam van een 
boom. 

lenj^oes; melengoes, met afkeer het ge- 
laat afwenden. M. Sam. I. p. 201. 

lënfiioli, hijgen van vermoeidheid; doe- 
doe^ kalengoehan, vermoeid hijgende 
ergens neerzitten. 

leni^ser, zie lenser. 

lening, klanknabootsend woord voor 
een klingelend geluid, zooals van een 
belletje. 

lënnjak, = Itlaji, vast, diep, van den 
slaap; stilstaan van een tol, b. v. 
lénnja^ berdiri saperli gasing. Ibr. 
b. Ch. 

lëni^iap, . verdwijnen uit het gezicht, 
verdwenen. 

lënr^jau» van boven met een korst, doch 
van ouderen modder, van den grond. 
Zie lanjaif» 



lënoeng, klanknabootsend woord voor 
een galmend geluid, zooals van een 
groote klok. 

lenser; melenser, bestrijken, besmeren, 
b. V. een pan met boter, over eene 
oppervlakte heenglijden, b. v. een ge- 
worpen boek over de tafel; baring 
melenser, luieren. 

lenset, omgekruld van de onderste oog- 
leden; pelensel, iemand die dit gebrek 
heeft. 

lëntang, I. als grondwoord van iel^n- 
tang zal wel niet goed zijn. Ik houd 
daarvoor tentang. II. klanknabootsend 
woord voor een galmend geluid. 

lënté, zie perUnté. 

lëntik, I. ingebogen, zooals b. v. de 
voor- en achtersteven van inlandsche 
vaartuigen of van voren inge vijlde 
tanden; hol tegenover bol; Itntih sa- 
boei, gebogen zooals de schil van een 
kokosnoot; Untillp pinggarig, ingebogen 
middel, scheldwoord; dagoe lènti^, 
bebbekin. II. métènüi^, besprengen, 
b. V. door middel van een bundeltje 
bladen in vocht gedoopt, dat men uit- 
slaat op het goed ; pelènti^, vliegenplak, 
een plak, gevlochten van rotan, waar- 
mede men de muggen doodslaat. 

lëntins, !• klanknabootsend woord voor 
een klinkend geluid, zooals van een 
stuk geld dat op den steenen vloer 
valt. II. veerkrachtig; mUenting, vee- 
ren, van een mes, degen, veer enz. 

lëntjit; melentjit, uitspringen of glip- 
pen, zooals b. V. een glibberige pit 
tusschen de vingers uit; bérpelentjit, 
hetzelfde en ook zijwaarts springen, 
van iets, dat geworpen is. 

lëntjong, afwijken naar den eenen 
of anderen kant, van iets dat rechtuit 
moet gaan. 

lëntoek, buigzaam, week, souple. Sw. ; 
mUentoelekan leher, den hals opzij bui- 
gen. Zie lentoJp. 

lëiitoer; meUnioer, doorbuigen; melén- 
toer toilis, golvend, een weinig gekruld 
van het hoofdhaar. Bid. Sar. 

lentok, opzij hangen van het hoofd, 
ook van het bovenste gedeelte van een 
afgebrande lampepit. 

lepa, 1. Skr. pleister, zoowel voor' sche- 
pen als muren; melepa, pleisteren, be- 
pleisteren. II. afgemat, achteroverge- 
leund zitten. 

lëpa, verlenging van de palmiet naar 



224 



lepak — lërai. 



onderen, die bij den sagopalm nog 
eetbaar is; lepa-l)épa, een soort van 
bootje. 

lepak, = lempak^ zie ald. 

lëpak, I. uit elkander, los en open, 
b. V. van den baard, die uitgekamd, 
of boomwol, die gezuiverd is, ook: 
luchtig op elkander. II. klanknaboot- 
send woord voor een ploffend geluid, 
zooals van een boek, dat plat op den 
grond valt. Ook lepo^y doch doffer van 
klank. 

lëpane, e. s. v. boom, die een eetbare 
vrucht draagt; boenga lepang, zie bij 
omba^; boewah lepang ^ e. s. v. koekjes 
of versnapering. 

lëpas, los, vrij, niet meer aan vast of 
aan iets gebonden, ontslagen, niet 
meer tot iets verplicht, ontkomen, 
voorbij, over, na, gedaan met; lepas 
daripada boesoer, los van den boog, 
afgeschoten van een pijl; lepas onggas, 
vrij als een vogel; lepas hajam, vrij 
als een kip, twee wijzen waarop sla- 
ven werden vrijgegeven in de Pad. 
bov.1.; lepas nijat, een gelofte vervuld 
hebben; lepas daripada adat, zich 
niet aan de adat hebben gehouden, 
de adat geschonden hebben; tiada 
lepas daripada moeloetnja^ zijn mond 
hield niet op van, hij heeft den mond 
steeds vol van; tepas liga hari, na drie 
dagen ; lepas maloe, fig. uitdrukking 
voor besneden; lepas tangan, alleen 
loon, zonder kost of kleeren, bij het 
huren van een bediende; sd'orang lepas 
sa*orangy de een na den ander; lepas 
johor, over 12 ure op den middag; 
Cepas satoe-saioe, als het eeue gereed 
was dan het andere; lepas saboewah 
roemaJij saboewah roemah, als men met 
het eene huis gereed was, begon men 
met het andere; lepas dart moeloet 
harimauy djatoh kamoeloet boewaja, 
Spr. aa van Scilla in Charibdes, of van 
de wal in de sloot, of uit de pan in 
het vuur; berlepas, ontkomen; lari 
btrfepas, het vluchtend ontkomen; ook 
lari berlepas dirinja; berlepas harta, 
bezittingen redden; melepaskan, los- 
laten, vrijlaten, ook iemand zenden; 
métépaskan orang pergi, iemand laten 
gaan, de schare van zich laten ; mele- 
paskan mengadji, zijn kind overgeven 
om den Koran te leeren lezen; mlêlé' 
paskan plèrkaiaan, bij het afschrijven 



woorden overslaan, uitlaten ; lepas-Upas, 
zeker vlechtwerk van zeer dun goud- 
of zilverblik, dat bruid en bruidegom 
aan het einde der huwelijksfeesten, bij 
wijze van symbolische handeling, uit 
elkander trekken; melepaskan saranja 
sendiri, in zijn eigen onderhoud voor- 
zien; kalépasan, ontkoming, ontsnap- 
ping, bevrijding; mëmperlepaskan, doen 
ontsnappen of ontkomen, b. v. koeper- 
Upaskan lèngkau daripada muti, ik deed 
u aan den dood ontkomen, ik redde 
u van den dood. 

lëpat, kleefrijst, gekookt in een toege- 
vouwen blad; lempat keloepat, een 
Upat die op reis voor keioepat dient. 
Zie ald. 

lëpau, I. lijst, die de punten van de 
oplangers, iadjoek, aan den binnenkant 
met elkander verbindt, maar die pun- 
ten niet bedekt zooals de toetoep tadjoelp. 
II. = selasar astana. Hik. P. pag. 53. 
een winkeltje of kraampje rondom de 
markt. Pad. bov.l. 

lëpeh, omgeplooid, zooals de hoek van 
een vel papier bij het inpakken van iets. 

leper, I. plat, vlak, ondiep b. v van 
borden, schotels, de hand enz.; leper- 
leper, lat of plank boven op de la- 
djoeljc, plat potdeksel, ook loopplank 
aan boord van een vaartuig, b. v. laloe 
baginda berdjalan pada tepi leper-leper 
Mendam birahi itoe, vervolgens liep de 
Vorst aan den kant van de loopplank 
van de M. B. Zie ijeper. II. leverkleu- 
rig, van het Ned. lever? III. slecht, 
gebrekkig van de uitspraak? b. v. orang 
Melajoe nêgari itoe leper tjakap, hendah 
kata apa, dikatanja apé. Maxw. 

lëpoe, e. s. v. zeevisch met zeer harde 
huid en giftigen angel. Soorten zijn: 
l. beranjoet, die gewoon is als vuil op 
het water te drijven, lepoe karang en 
l. slètoe, 

lëpoer, gedeeltelijk in den modder be- 
dolven; mati lëpoer, in den modder 
gestikt. 

lëpoh, blaar, blaas, door branden ont- 
staan; melépok, een blaas vormen. 

iei*a, = selera, trek in eten of drinken, 
eetlust. 

lërah, afgewaaid en beschadigd van 
bladeren en vruchten, vernield van 
huizen, steden, uit zijn verband, van 
een boek. 

lërai; m(élërai, scheiden van elkander 



lêrak ^^ letjak. 



225 



doen gaan, van vechtenden of twis- 
tenden. Zie tjièrai. 
lërak, I. boewah lera^, de zeepvrucht. 
IT. uit zijn verband, uit elkaar; door- 
gescheurd; rmUraJf en mereralp, ook: 
een beest ontleden. Zie rlêraff. 
lëraxn, zie deram. 

lerans, I. draagbaar, berrie. II. baan 
van een geweven stof, kabellengte als 
bepaling van afstand, M. Sam. II. p. 
20; een half etmaal, van vaartuigen 
onder weg. 

lerap, munt, inz pitiSy waarmede e. s. v. 
kruis- of muntspel, poesing lerap, ge- 
speeld wordt. Zie het volg. woord. 

lërap, e. s. v. balineesche duiten met 
een vierkant gat in het midden. 

lérens:» buitenrand van al wat platrond 
is, voet van een berg; mUereng, op 
den buitenrand voortrollen, zooals b. v. 
een stuk geld, een rad enz. Ier eng- 
lereng^ rolletjes, zooals onder een zie- 
kenstoel, rolwagen enz. 

lerety achterna sleepen, langdradig spre- 
ken. Zie seret, 

lêrik, zie derijf. 

Iets, I. verb. Ned. lijst; ook "eles, II. 
verb. Ned. leidsel. 

lesa, riem, zooals men op riviervlotten 
gebruikt, doch kort, zoodat de roeier 
op zijne plaats blijft. Voor lange riem 
zie tjawas; melesa, sturen met een 
roeiriem aan den voorsteven van een 
vaartuig. 

lësah? = memakai pakaijan boeroejp, 
Abd. Sch. wrdb. Mogelijk loesoeh, zie 
ald. Mën. lasah, zie ald. 

lësak» I. aanhoudend, van den regen. 
II. e. 8. V. boom. 

lësap, uit het oog verdwijnen; verdwe- 
nen, weg, zoek. Het is door omzetting 
ontstaan uit lèpas. Zie ook lennjap, 

leseh, ziekelijk bleek, ook poetih me- 
leseh. 

leser, de lantai met een eenvoudig 
matje erop ; makan berleser, op een 
mat^e, dat op de leser ligt, eten zon- 
der eenige andere verhevenheid. 

leset, schel fluiten, zuoals b. v. het 
fluitje van een bootsman. 

lë«l, I. vernederd, vernedering, II. 
poetjaf lési, doodsbleek; tepoei lèsi, 
geheel verlamd. Zie leseh en Mën. last, 

lë«ir, wapens, die men bij het scher- 
men gebruikt, zooals sabel, schild enz. 
Mën. bérlèsir, schermen enz. 



lësit, een fluitend of piepend geluid 

maken. Zie pelesit, en Mën. wrdb. 
lësoe, vermoeid, afgemat; letih-tésoe, 

afgemat en vermoeid. Zie pelasoeh 
lëisoenfi, vijzel, mortier, rijstblok, waarin 

de rijst wit gestampt wordt. 
lësoet, een fluitend geluid maken, zoo- 
als een rotan, waarmede men door de 
lucht slaat. 

lët, Jav. tusschenruimte van tijd, b. v. 
lU sahariy met een tusschenverloop 
van één dag. 

lëta, Skr. gebrek, gebrekkig, slecht, be- 
schadigd; ta letüy zonder gebrek; hina 
liêéa, gering en gebrekkig ; memberi lUa, 
slecht behandelen; nama jang Ie la, 
een slechte naam. Ongeveer = tjHa, 
zie ald. 

letak, zeer zwak, van een kranke of 
stervende. 

lëtak, I. klanknabootsend woord voor 
een kloppend geluid. II. meleta^kan, 
neerzetten, neerleggen, plaatsen; mèle- 
taiekan ana^, een kind op den weg te 
vondeling leggen; m. ^oekoem, wetten 
vaststellen; m. adat dan péreniah ne- 
gari, de gebruiken en wetten voor een 
land vaststellen, een land instellingen 
en wetten geven. III. « reiafff berst, 
b. V. in aardewerk ; lélale sariboe, dui- 
zend bersten, wordt gezegd van een 
kopje enz. waarvan het verglasel vol 
kleine bersten is. Zulk een voorwerp 
gebruikt men voor onheilafweermiddel. 

lëtane, klinken, b. v. van een stuk geld 
dat valt. 

leter; bUeter, snateren, kakelen, ram- 
melen met den mond; ook: uitgesmeerd 
over een oppervlakte, van kleverige 
zaken; pêleter, snateraar, klappei. 

lëtih, zwak, afgemat; lUik-têsoe, zwak 
en afgemat; lUah-letih, hetzelfde als 
Ittik maar versterkt; lelih-lUah, dood- 
moede. 

lëtik, klanknabootsend woord voor een 
tikkend geluid. 

lëtinie, klinken, maar fljuer dan tétang, 

lëtis; mélétis, besprengen, door de hand 
in het vocht te doopen en dan die 
slap houdende uit te slaan zooals bij 
het vochten van strijkgoed. 

lëtjah, doorweekt, van den grond; poel 
van stilstaand regenwater. Zie letja^. 

letjak, slijkerig, slibberig, week, door- 
kneed, van den grond, b v na regen 
Zie betjaJe en laijalp. 

15 



226 



l^tiat -^ lihat. 



lêtjat, spiegelglad. 

letjeh, blijven kleven» van iets dat langs 
iets afvloeit, b. v. wns, stroop enz. 

letjek; mUetjel^y met de punt van den 
voet opzij schoppen; drukkend fijn- 
maken, b. V. gekookte rijst met een 
lepel; e. s. v. spel, waarbij men met de 
punt van den voet de aloeng schopt 
naar de opgezette ^awfl?ö^- vruchten. 

leider, nat, waterig, van een wond. 

lë^er, rauw, van de huid. 

letjet, geschaafd, geschrijnd, geschramd, 
van de huid; pantat letjet, een blik 
gat van het paardrijden. Ind. Bangs. 

lêtjet, met een vaart er uit springen, 
zooals een glibberige kersepit, die men 
tusschen de vingers knijpt Men. latjit. 

lëtioeh, = letjoh, zie ald. 

letjoek; meletjoe^, poetsen, gladmaken, 
polijsten. 

lê^oep» klanknabootsend woord voor 
een zuigend geluid, zooals dat veroor- 
zaakt wordt door het steken van een 
stok in iets weeks, b. v. in dikken 
modder. 

lêyoer, blaren krijgend, van de huid, 
waarop kokend vocht is gevallen; me- 
letjoefy branden door heete vloeistoffen, 
b. V. melUjoer-leijoer moeloet patik 
minoem ajar sangat panas, ik heb mijn 
mond gebrand met erg heet water te 
drinken, Pr. üj. mUUjoerkan, iets bran- 
den met heete vochten. 

lêyoet, J. schielijk vooruit springen, 
zooals een paard of een visch uit het 
water. il. = tésoet, zie ald. III. wjè- 
lêtjoet, slaan met iets duns, b. v. een 
rotan of karwats, karwatsen. 

lëljoh* geschrikt, geslonken van groen- 
ten, door ze even in heet water te 
doen, oï dat er over te gieten; ook: 
nat en slap van geweven stoffen, doch 
zoo, dat men er het vocht niet uit> 
wringen kan. 

lë^ok» I. geluid van het trapp^sn in 
taaie modder. II. slap, door het ge- 
bruik, V. geweven stoffen enz. Zie lëijak. 

lëtoek, klanknabootsend woord voor een 
tokkelend geluid. 

lefcoeky = lentoif; méletoe^kan lehemja, 
zijn nek buigen of draaien. 

lëtoenit klanknabootsend woord voor 
een dreunend geluid, zooals van ka- 
nongebulder. 

lëto|«iilC, klinken, maar doffer en groffer 
dan Wafig. 



lëtoep ; méUtoep, ontploffen ; tétoep- 
letoepf e. s. v. kinderspeelgoed, dat, 
met den mond geblazen, een ploffend 
geluid maakt; ook: proppenschieter. 

lëtos; melètoSy openbersten, opensprin- 
gen, uiteenspringen met een plof, on- 
geveer = letoep, zie ald. 

libai, = limbaif zie ald. 

llboet(?) liboet belioeng, het handvat 
van zacht hout aan den steel van een 
dissel. Mal. mogel. lemboei? 

lidah, tong; de zijde van een plank, 
die in de gleuf van de nevenplank 
past; ana^ lidah, de huig; lidah ajar^ 
zie bij kapala; lidah berbadjang, zwa- 
luwstaart; lidah bièrtjabang, dubbel- 
tongig ; lidah timbangan, evenaar, naald 
van een weegschaal; lidah bada^e^ de 
cochenille-cactus; lidah boewaja^ de 
aloë; lidah tanggala ploegijzer; /. tjoe- 
ban^ het tongetje in een pen, onv net- 
ten te knoopen; ikan lidah, tong, 
de visch; satitik lidah ^ een woordje; 
fafih lidah ^ welsprekend; atas lidah ^ 
mondeling, ook dengan lidah; lidahnja 
tiada berioelang, hunne tongen waren 
los, niet meer te bedwingen. H. A.; 
lidah hajam, een soort van plant; lidah 
tMoengy e. s. v. parasietplant, lidah 
pandjang, langtong, babbelaar; p^ng- 
lidah, groote spatel om gekookte rijst 
om te roeren; Skr. lidha^ gelikt. 

lidal. Port. dedal^ vingerhoed, ook 
bidal en didal. 

lidas, prikkeling gevoelen, van den 
mond, jeukerig van de vrouwelijke 
schaamdeelen. 

lidi, nerf der palmbladeren; sapoe lidi, 
een stalbezem, daarvan gemaakt; oelar 
lidiy e. s. V. fijn, giftig slangetje. 

lifi:as, telgang van een paard. 

lil^at, snel in de rondte draaien, zooals 
b. V. een tol. 

lilxar. Pad bov.1. het lessenaartje waarop 
de priester in de soerau zijn boek legt 
Pist, het is eene omzetting van het 
arab, ri^al. 

lihat; mUihat, zien, kijken, aanzien; 
bezien, opnemen; mUihat dtngan ekoef 
ma^an/a, schuin aanzien ; mèlihat moedah, 
gering achten; mélihatiy bekijken, op- 
nemeji, het toezicht over iets hebben, 
naar iemand gaan kijken, hem bezoe- 
ken; bMihatan, een entrevue hebben; 
berlihatlihaiany hetzelfde van velen; 
kalihataUy gezien, zichtbaar, in 't gezicht 



lijang -^ liman. 



227 



komen, in staat zijn te zien, het gezicht 
hebben op, gezicht, uitzicht, uiterlijk 
voorkomen, b. v. sakalihatan taman 
itoe^ het geheele uiterlijk voorkomen 
van dien hof; ook voor den dag komen, 
boven water komen van iemand die 
wegbleef; memperlihatkan, iets laten 
zien aan iemand; beperlihatkan, daar- 
mede bezig zijn; terlihaty toevallig 
komen of raken te zien; pelihat en 
penglihat, ziener, iemand die verborgen 
zaken kan zien, het zien als handeling, 
het gezicht als zintuig; penglihatan, 
het gezicht, het geziene, inzicht, be- 
schouwing; iiada dengan beperlihatan, 
zonder toezicht te hebben. 

lyang, opening, gat; lijang djaroem, de 
met een naald geprikte gaatjes; Hang 
tëlinga, oorgat; l. kidoeng, neusgat; /. 
lafyad^ nis in een graf; l. tjintjin, 
openiog van een ring; /. roma, huid- 
porieën ; loeka tiga Hang, drie wonden. 
Zie lobang. 

lyar, wild, niet tam of mak, van die- 
ren; /. haü^ verwildering van het 
gemoed; matanja Har memandang kd- 
kirt da7i kakanan, zijne verwilderde 
oogen keken naar links en naar rechts. 
Mes. Kag. ; binalang Har, wilde dieren. 

Itjat, taai; tanah Haty klei; kajoe Hat, 
taai hout; daging Hat, taai vleesch. 

lUoe, Chin. chineesche wijze van roeien 
door vier staande personen. 

Itjoek, opzij buigen; Hoe}:: lampai, zich 
in allerlei bochten wringen, zooals een 
indische danseres of een slang; Hoe$^ 
lenggang, slingerende bewegingen v. e. 
vaartuig; meHoe^kan leher, den hals 
opzij buigen; melioeki, iets grijpen ter- 
wijl men zich met het lichaam zijwaarts 
buigt; sapelioel^y zooveel als men op 
die wijze in één keer grijpen kan. 

lyoenfi:; Hoeng-Hoeng, e. s. v. zoutwa- 
tervisch. 

lyoep? wringen, werken van een vaar- 
tuig? b. V. Hoep lenggang roepa bah- 
itpanja. H. Boedj. 

lyoer, speeksel, zeever, kwijl, ook ajar 
Hoer; bïrHoer, kwijlen; melioer, huilen 
van honden des nachts zonder dat hun 
leed geschiedt. 

lyoet, I. zie b^Hoet, II. taai, lederach- 
tig, van spijzen. 

lik, voorwendsel ; meHk, zich verstoppen ; 
VétUk, zich achter een voorwendsel 
verschuilen. 



lika', Arab. ontmoeten. 

likas, derde haspel, waarop het garen 
van de geloendoeng gehaspeld wordt; 
Hkasan, vertikale garenwinder, zie roe- 
wing ; meHkas, in het Palemb. bespie- 
den van een badende vrouw door een 
manspersoon. 

likët, Jav. kleverig; meestal beHket. 

likoe, zie ma7idalikoe ; padoeka Ukoe, 
titel van de 4e wettige gemalin des 
Vorsten. 

likoer, Jav. twintig in de samenstellin- 
gen van 21 — 29, b. v. saHkoer, doewa 
likoer enz. veelal gebruikt in dateerin- 
gen van brieven. 

lil, Arab. schaduw; lil Allah fi aXadlam, 
de schaduw Gods op aarde, titel van 
sommige Sulthans. 

lila, I. e. 8. V. kleine koperen kanonnen, 
koperen draaibassen. II. Jav. toestaan, 
genoegen nemen met, veroorloven ; djika 
belom adjalkoe datang, hardm lila diper- 
kandoeng boemi, als mijn tijd noch niet 
daar, is het verdijd dat ik toesta door 
de aarde in haren schoot genomen te 
worden. 

lili; melilikan, winden van een kluwen. 

lilih, vloeibaar; melilih, zacht vloeien, 
vlieten, afglijden van een kind; méli- 
HhkaUy vloeibaar maken, ook; zachtjes 
aan ruchtbaar maken ; lilihan, reeks ; 
lilihan roemah, reeks huizen ; lilihan 
goenoengy bergreeks, bergketen; tmas 
melilih, vloeibaar goud; meliHhkan 
ajar soesoenja, haar zog doen vloeien. 

lilin, was; dijan lilin, waskaars, bij ver- 
korting ook alleen lilin; l. mentah, 
ongezuiverde was; lilin sambang, zie. 
sambang. 

lillt, slinger of slag in de rondte of 
rondom iets; mélilit, om iets heen 
slingeren, zooals b. v. een slang, slin- 
gerplant enz. Zie ook oebi en bedoeng. 

lillahi, Arab. bij Godl aan Godl 

lim, verb. Ned. lijm. 

lima, I. vijf; m^Hma, de vijfde zijn; 
p^ènglima, aanvoerder ; p. perang, leger- 
aanvoerder; p. p. besar, opperbevel- 
hebber in den krijg; lima kaki, vijf voet, 
naam van de voorgalerij van maleischc 
woningen. II. e. s. v. boom, vdW. 

lixnar, e. s. v. zijden buikgordel, e. 8. v. 
veelkleurige stof, die daarvoor gebruikt 
wordt. 

liiüau» limoen, citroen, = djëroe^r; 
pélimau, een afzonderlijk gebouwtje, 



liiüas -— linfi:koep. 



tijdelijk opgeslagen, waar men gasten 
op limau onthaalt, b. v. rttenjoeroehkan 
orang J>é.rhoewat pêlimau .... ija ndik 
ka-atas pèlimau itoe .... sentap limau, 
Masj. H. p. 9; berlimau, bij het baden 
van limoenen gebruik maken. 

lima.s, stomp pyramidaal, ook een pun- 
tig vierkant bakje gemaakt van een 
blad om er iets in te doen; atap limas^ 
achilddak, dak dat aan vier kanten 
schuin afloopt; roemah litnas, huis met 
een schilddak. Zie ook bij óalai. 

limbah, I. verzameling van allerhande 
vuil, inz. nat; pelimbaAan, kuil onder 
het huis, waarin dat vuil wordt ge- 
worpen, kolk bij een keuken. Mën. 
pétémbahan. II. overdekt, zie limpah, 

limbai; melimbai, slingeren met iets in 
de hand; manis memboewangkan lim- 
bai, dit bevallig doen om de attentie 
te trekken; langkah limbai pas, waarbij 
de voet een zwaai naar buiten maakt; 
ikau limbai, e. s. v. zoutwatervisch. 

limbak, ordelooze hoop of stapel, b. v. 
van geldstukken; dinar berlimba^-lim- 
bal:, dinarien bij hoopen of stapels. Ab. 
Tam. Mën. overvloeiend, overvloed. 

limban, bruggetje, vonder. 

limbanfi;; melimbang, uitwasschen van 
het vuil uit rijst, stofgoud enz. door 
aan den waschbak een draaiende bewe- 
ging te geven; ook: rondslenteren zon- 
der iets te doen. 

limbat, e. s. v. eetbaren zoetwatervisch. 

liznboek, ook limboekan, e s. v. wilde 
duif = dèkoet. Volgens and. een vogel 
overeenkomende met een korhoen. 

limboenfir, besloten, veilige ligplaats 
voor vaartuigen, loods, waaronder men 
vaartuigen bouwt, dok; limboengan, 
afgesloten badplaats. 

limboer, even zichtbaar, tusschen zicht- 
baar en noch niet zichtbaar; samboer- 
limboer, het zichtbaar worden van het 
avondrood. 

limoer, zie saboer» 

llmpa, de lever; /. kttjil, de milt = 
limpadoe, 

liir&padoe, de milt. 

limpah, overvloeiend, overvloedig; me- 
limpahkan karoenia, overvloedige gunst 
bewijzen; dëngan limpahnja, in over- 
vloed, overvloedig; kalimpahan, over- 
vloed. 

limpau'; m^limpau, om iets heen gaan 
om het te ontwijken; mPlimpanwi, oiu 



iets heengaande ontwijken, b. v. een 
onveilige plaats. vdW. 

linang;; bh'linang-linang, vloeien, bigge- 
len, van tranen, speeksel, een rivier 
enz. b. V. Hoer berlinang sambil men'élan, 
.het speeksel vloeit terwijl men het 
inslikt. H. Gr. p. 76; soengai itoe 
thtang linang, die rivier vloeit stil; 
ook vloeien, uitstralen v. e. glans, b. v. 
noer wadjahnja berlinang -linang. 

linar? saperti makanan soedah boesoelp, 
Abd. schets wrdb. 

lindis, zich lomp op iets leggen, b. v. 
op iemands schoot; pëlindis, rol om 
den grond gelijk te maken. 

lindoeng:, beschut, beschermd, verbor- 
gen, bedekt; berlindoeng, zich beschut- 
ten; ttrlindoeng, bedekt, verborgen, be- 
schut zijn, ook: over het hoofd gezien, 
vergeten ; mélindoengi en melindoeng- 
kan, beschutten, beschermen, bedekken; 
sêlindoeng en UrsMindoeng, geheel ver- 
borgen; terselindoeng dalam Allah, in 
God verborgen; perlindoengan, plaats 
waar men zich beschut, geheim gemak. 

Wnggam, rood; warna linggam, roode 
kleur; zie ook sedUinggam. 

lineei, steven van een inlandsch vaar- 
tuig, zoowel voor- als achtersteven; 
linggi madjakaja, zulk een steven uit 
één stuk met de kiel. 

linsfiib, Jav. = loenggoeh, zie ald. 

\\tissx»9 I lat of andere bedekking op 
het boord van een vaartuig, waarop 
de riemen rusten. Zie rimbat. II. Jav. 
breekijzer, koevoet. 

linfikar, kronkel, kromte, bocht, spiraals- 
wijze rond gelegd, b. v. van een touw, 
slang, naaf van een rad; tali satoe 
lingkar, een tros touw; lingkar pèroei, 
de dunne darmen, M.; blérlingkar, ge- 
kronkeld, opgerold, zooals een slang; 
btrlingkar-lingkar saplêrti tandoejp, ge- 
kromd als horens; mUingkar, kronke- 
len, omkronkelen, in kronkels leggen, 
opschieten van een touw; mélingkar 
rotan, rotan vlechten tot een rond 
matje of bordje, pinggan lingkar ge- 
noemd; oelar mélingkar dilehernja, de 
slang omkronkelde zijn hals. 

liüffkas, = ring kas, zie ald. 

linisking:, e. s. v. vrucht, door de chi- 
neesen liiji genoemd. 

lingkoep, v. boven gesloten, zooals eeóe 
bloem; aan één kant naar boven omge- 
slagen, zooals de punt v. e tafelkleed; 



linffsir -« lis. 



b^rtoedoeng lingkoepy gesluierd zijn op 
de wijze der Mal. vrouwen. Zie toedoeng. 

linesir, Jav. neigen, dalen, zakken; 
Hngsir matahariy ter kimme neigen van 
de zon; bajang-bajang lingsir^ de scha- 
duwen dalen; melingsirkan tangan, de 
mouw laten zakken bij het eerbiedig 
aanvatten. 

lixyang:, zeer snel, van een zeilend vaar- 
tuig; linjang legat, zie legat. 

linoeng ; linoeng-linoengan^ neusbloe- 
ding. vdW. Geneesk. t. 

linoes, e. s. v. plant. 

linsing:, een hulstachtige struik met 
scherp gedoomde bladen en schoone 
witte bloemen. 

linsoem, e. s. v. heester. 

lintah, ook halintah, zoetwater bloedzui- 
ger; lintah-lintah, platte haak, waarmede 
iets aan den muur wordt vastgemaakt; 
ook de klos waarin die haak sluit. 

lintaug, I. dwars, overdwars, in de 
breedte; liniang kedai^, dwars in alle 
richtingen ; lintang sangkoet^ een bijzon- 
dere wijze van den haarwrong op te 
maken ; linta7ig-poekang^ schots en 
scheef, links en rechts ; ierlintang, dwars 
in den weg, dwars over iets heen; 
mélinêang, dwars over heen gaan, dwars 
in den weg staan; mélintang pajir, de 
blokkade forceeren; minta lintang paf ir, 
boete vragen voor het forceeren van de 
blokkade; melintangkan kajoe, d wars- 
houten aanbrengen; meliniangi per- 
kataaity tegenpraten, tegenspreken; lin- 
tangan, zich dwars te midden van 
iets anders bevinden; b. v. dan gadjah 
koeda lintangan ditengah rajat, saperti 
poelau dii^ngah laoet roepanja. H. Boedj . 
p^lintangan^ verkeerde gedachten, die 
bij iemand opkomen, b. v. Ijtata maka 
datanglah pelintangan melintangi bagai- 
nja dan memberi oewas-oewas kapadanja^ 
S. Dzoel. bep'ër lintangan, dwars door 
elkander van velen ; lintang-liniang , 
kruiselings. II. Jav. ster, = bintang. 
lintap, in lagen op elkander, van platte 
voorwerpen; ook: bij troepjes, van 
personen die komen. 
lintar, zie kalintar, 
lintas, voorbij; mUintas, schielijk voor- 
bijgaan aan iets; bajang-bajang orang 
mUintas, de schaduw van iemand, die 
voorbij snelt; p'^lintas, voorbijganger; 
èïlom tïrlintat kapada rasa, heeft zich 
aan het gemoed nog niet voorgedaan; 



p^lintasan, voorbijgang, e. gift in geld, 
door den bruidegom aan zijne schoon- 
ouders, indien zijne bruid een onge- 
huwde oudere zuster heeft, Palemb. 

lint j ah, zich heen en weer bewegen van 
een vlieger, niet stilstaan; onstand- 
vastig, wispelturig, ongestadig. 

linljiii, = litjiii, zie ald. 

lintjip» = lantjip, zie ald. 

linlijoeixi, doornat, = basah koejoep, Sw^. 

linijoene; melintjoeng, een anderen weg 
opgaan dan men zich eerst voorgeno- 
men had. Ook van gedrag of wandel. 
Zie lanijong, 

lintoep, van alle zijden toegedekt. Ook 
litoep, 

lipai, e. s. v. grof zonnescherm. 

Upan, = halipan, duizendpoot; Upan 
laoet, = poempoen, zie ald. 

lipas, kakkerlak. Zie ook koedoeng. 

lipat, vouw, gevouwen, dubbel ; lipat 
ganda oentoengnja, dubbel en dwars 
voordeel of winst. H. A. p. 238; lipat 
kadjang, in scherpe bochten gekronkeld 
van eene rivier; lipat pandan, gekron- 
keld in den vorm van een krakeling, 
nam. aldus worden de pandanbladeren 
gelegd, die men tot matwerk zal vlech- 
ten; sauggoel lipat pandan, opgehouden 
haar in dien vorm; mëlipat, vouwen; 
j)clipat loetoet, de knieholte, ook pUi- 
patan loetoet; pelipatan koelit, de rim- 
pels of plooien der huid; pelipatan 
soerat, de vouwen van een brief. 

lipit, fijne plooi, zooals b. v. in kraagjes; 
pelipit, plooi-ijzer. 

lipoek, slaan, van kinderen. 

lipoer, Jav. = hiboer, troost; lipoer lara, 
troost bij ziekte, ziekentroost; komt 
dikwerf in gedichten voor; penglipoer, 
vertrooster. 

lipoet, overheen, overstelpend, te boven- 
gaand; melipoeti, over iets heen gaan, 
overvloeien, overstelpen, tebovengaan, 
overdekken; maka toedjoeh boekit dili- 
poeti olih hampar an itoe, en zeven 
bergen werden door dat kleed over- 
dekt. N. M. ; nama jang melipoet sègala 
nama jang lain, een naap]» die alle 
andere namen te boven gaat. 

lipoh, in de verkeerde plooien of-vouwen. 

lir, Jav. geheel als, gelijk. Zie bij sari. 

lirik; mUirile, doorboren. 

liroe» Jav. zie kUiroe. 

lis, voeg tusschen steenen ; pengelis, voeg- 
ijzer. Zie sija. 



230 



lisah — loekoet. 



lisah; belisak, ontroeren, angstig, on- 
rustig, woelig, rusteloos zijn. M. Sw. 
en L, 

lisëln, Arab. tong, tongval, taal; dténgan 
lisdn, mondeling. 

lisoe, kunstmatige plooi, ook spleet, 
scheur. 

liisoet, I. verwelkt, verlept, verzwakt, 
afgeleefd, onontwikkeld. II. mtlisoety 
zuigen, M. en L. Zie Men. wrbk. 

litjfit, =s letjet^ zie ald. 

liljau, glimmend van vettigheid. 

litji, Chin. = kelengkengy zie ald. 

li^in, glad, glibberig ; batoe litjin, ronde, 
gladde keisteen; seliijin, e. s. v. zee- 
vischje; lüjin-letjat, spiegelglad, glad 
en effen. 

litjoet, = letjet, zie ald 

litoep, = lintoep, zie ald. 

ÜTtrat, Jav. 8= laloe, voorbij ; liwat loetoih, 
meer willen zijn dan een ander, zich 
boven een ander stellen, Pr. Dj. 

li-wëit, Arab. sodomie. 

lo, Jav. uitroep van verwondering. 

loba, begeerlijkheid, inhaligheid, begee- 
rig, inhalig; mtlobakan^ iets begeeren, 
aftroggelen. 

lobak, e s. v. radijs ; /. merah, wortelen, 
peen, vdW ? 

lobans, gat, kuil; /. djaroem, het oog 
eener naald; l, hidoeng, neusgat; l.pan- 
tat en /. doeboer^ aarsgat; /. roman, 
de poriën; /. Uroes-méTiéroes^ een gat 
door en door; ptlobang, wolfskuil, kuil 
om dieren te vangen, 

lobi*lobi, e. s. v. boom met eetbare 
vruchten; soorten zijn, lobi-lobi asdm, 
l.-l. badajp, 1.4, manis en l.-L sepat. 

lodeh» een bijzondere soort van ge- 
stoofde groente; melodeh, terdege goed 
door elkander werken, vdW. 

lodi, ^^rodi = ordi^ verb. Ned order. 

lo<Ui» Ned. loge, factorij van de Com- 
pagnie, versterkte nederzetting. 

lodoh, pappig door bederf, van vruch- 
ten en spijzen. 

loe, Chin gij, jij, jou. 

loebdn, Arab. wierook; loeban djawi, 
benzoë. ♦ 

loeber, Jav. overloopend vol, overloo- 
pen, overkoken. 

loeboek, diepte of kom in zee, meer 
of rivier. Op Malaka poel, Maxw. en 
op Sumatra ook = loeha^, b. v. loeboe^c 
Agam = loeha^ Agam, het gebied of 
landschap Agam. 



loeboei*; bilih berloeboer, verborgen ka- 
mer om schatten in te bewaren; pintoe 
berloeboert verborgen deur; peloeboer, 
rijstschuur, rijstpakhuis, zie loemboeng ; 
kaloeboeran, valkuil, valput. 

loedah, speeksel; berloedahy spuwen; 
mehedakkan^ uitspuwen ; mïloedahi, 
bespuwen; peloedahan, spuwbak, kwis- 
pedoor. 

loedang, e. s. v. vaartuig, ook sampan 
loedang, H. T. loedangan, e. s. v. tam- 
boerijn, een weinig bekend instrument, 
Pad. bov.1. 

loeding, e. s. v. ^ew^^M'i-visch. 

locdjab, Arab. de Oceaan, de diepte 
der zee, watermassa, de open zee. 

loedjau, e. s. v. zout water Visch. 

loe^joer. Men. lang en dun, gerekt, 
uitgerekt; meloedjoer, rijgen, met de 
losse rijgsteek naaien. Zie ook ocndjoer. 

loega, = doega, zie ald. 

loeh, = keloehy zuchten, stenen. 

loehak, = loewa^, zie ald. 

loejoet; (Mën. in groote hoeveelheid v. 
iets voorzien zijn); meloejoei^ neerbui- 
gen, van takken door de zwaarte van 
vruchten of bloemen; zie ook Wai^ 
uitpuilen van de oogen? b.^v. mabojjc 
itoe moekanja mcrah b'ërseriy matanja 
loejoet maniSy pUoehnja rimas-rimas, 
Pr. Dj. 

loek, zie eloelje. 

loeka, wond, gewond; k^na loeka, ge- 
wond worden ; loeka parah en /. pajah, 
zwaar gewond, doodelijke wond; loeka 
sedikity licht gewond; meloekakan en 
meloekdi, verwonden. 

loekang, afgeven van verf, die nog niet 
droog is. Sw. 

loekat, er af, losgelaten, van dingen, 
die ergens op vast gezeten hebben, b. v. 
een deksel van een botcrvaatje, de kalk 
van een muur enz. 

loekis; meloekis, gr aveeren, snijden, 
griffelen met een scherp gepunt voor- 
werp, = oekir; loeküan, teekening, 
schildering, griffeling. 

loekoe, Jav. ploeg, zie t^nggala en 
badja^, 

loekoep, omgekeerd, met de holle zijde 
naar beneden, b. v. van kommen, drink- 
glazen, vaartuigen enz. 

loekoet, fijne deeltjes van graan, die 
bij het wannen afgezonderd worden; 
nkloekoet, breken van de korrels, ook 
lémoekoeL Verder ook fig. van het hart 



loelah -^ loempoer. 



231 



b. V. katinja kUjU bagai méloekoet. Si. 
Ibr. b. Ch. 

loelah, ronde fuik met een of meer 
ingangen. 

loeli, vlok katoen, die men bij het 
spinnen in de hand houdt; meloeli, 
kneden met de handen. Zie Mën. wrbk. 

loeloe, L loeloe-lala, ongeregeld van 
gedrag, vdW. NB. hiervoor door mij 
altijd aangetroflPen tidak kaloeloe^ b. v. 
ünykak dan lakoe iidaJc kaloeloe^ de 
Holl. bloeml. pag. 348. II. Arab. parel 
eig. loe'lon'. 

loeloeh, tot stof, tot poeder; loeloeh 
lania^, fijn gestampt, geheel verbrijzeld, 
vermorzeld; hantjoer loeloeh^ vergruisd 
en vermorzeld ; menghantjoer-loeloekkany 
verbrijzelen, vermorzelen. 

loeloek, I. = soeloch; peloeloe^ = pe^ 
njoeloeh, zie ald. II, mèloeloe^, met 
modder bestrijken van het talud eens 
sawahs, Pad. bov.1. kasawah tida^ 
htrloeloelp, kaladang tidak berarang, 
Sprw. voor het zich zoo gemakkelijk 
mogelijk maken. Pist. Pad. bov.1. 

loeloem; nieloeloem, aflikken, b. v. een 
vinger waaraan stroop zit. 

löeloen; meloeloen, gestadig door in- 
slikken, b. V. zooals bij het eten van 
macaroni of laksa. 

loeloeng, huilend kermen vaa menschen 
en dieren, b. v. honden ; ook balken. 

loeloer; I. meloeloer, afglijden, afsuUen, 
door iets glijden, b. v. zachte spijs door 
de keel, inzwelgen. II. Jav. e. s. v. geel 
smeersel, waarmede men zich de huid 
besmeert. III ikan loeloer = ikan mowa, 
paling, aal Vergel. I. 

loeloes, er door kunnen, ruim genoeg 
om iets door te laten, toegestaan kun- 
nen worden, doorgaan ; saloeloes orang, 
ruimte juist voor een persoon om er 
door te kunnen; loeloes kahendaj^, zijn 
wensch ingewilligd, zijn zin krijgen; 
tiada loeloes pada katinja, het wilde 
er bij hem niet in, hij kon het niet 
gelooven. Hik. Bocht; nCéloeloeskan 
tjintjin dari djarinja, zijn ring van 
den vinger afdoen, I. P. méloeloeskan, 
toestaan, inwilligen, veroorloven. 
loeloet, I. meloeloet, de huid met de 
vingers knijpend wrijven, hetzij om het 
vuil te verwijderen, of om haar met 
zalf enz. in te wrijven ; berloeloet pada 
sipéheloet^ zich laten wrijven door eene 
vrouw, wier handwerk dit is; péloeloet, 



ook het middel waarmede men inwrijft; 
nièloeloetkan, iets, b. v. verf, hars enz. 
op iets wrijven. II. Jav. loeloed, veer- 
krachtig, b. V. berkendii loeloet, een 
veerkrachtige buikband dragen? Mes. 
Pr. Dj. Zie ook oeroet, 

loexnak; meloemaif, in een oplossing 
van mest, namelijk in gier, doopen 
van de rijstplantjes vóór de overplan- 
ting. Pad. bov.1. 

loemas, besmeerd, bestreken, b. v. met 
kalk, verguld enz. meloemas, besmeren, 
bestrijken; m. denga?i kapoe?', witten; 
m. dengan mas, vergulden. 

loeiuat, poeder-fijn; tepoeng loemat, 
fijn meel, blom ; obat loemat, poeders 
om in te nemen; in poëzie ook fijn 
van het lichaam ; memperloeiuatkan^ tot 
poeder maken. 

loemba, wedijver, wedstrijd; berloemba- 
loemba, om het hardst iets doen, loo- 
pen, varen, rijden enz. ook wedijveren, 
b. V. in het schikken van bloemen; 
berloemba-loemba koeda, een paarden - 
wedren houden ; berloemba-loemba pera- 
hoe, een zeil- of roeiwedstrijd houden; 
ikan loemba-loemba, de bruinvisch, om- 
dat die altijd achter elkander om het 
hardst voortduikcn; perloembaan, ren- 
baan. 

loexnboens* Jav. rijstschuur, berg- 
plaats voor padi, gebouwd op palen, 
naar boven breeder wordend en voorzien 
van een atappen dak ; ook een soort van 
hooge mand met deksel Zie loeboer en 
rojnbong. 

loetnërik» van loerik, Jav. gestreept. 

loeznis, Jav. ook lamis, geveinsd. 

loemoer; b^rloemoei' dtngan, besmeerd, 
bezoedeld met; meloemoer, besmeren, 
inz. met vuil of bloed; mëloe moer kan ^ 
iets smeren op iets. Zie ook laemoet. 

loemoes, bemorst; toengkoe loemoes, 
iemand die al de vuile baantjes krijgt, 
al het moeilijke werk verricht, de 
kastanjes uit het vuur haalt. 

loemoet, (Mën. de groene draadachtige 
zelfstandigheid in het water), kroos, 
wier, schimmel, mos, uitslag door de 
vocht; loemoet karang, spons; b'èrloe- 
moetan, uitgeslagen door de vochtigheid. 

loempanfi:» rijstblok, houten, ^vijzel om 
rijst in te stampen 

loempoeh, verlamd, lam van leden; 
pïnjakit loempoeh, de beri-beri-ziekte. 

loempoer, modder, slijk, slib ; loempoer 



282 



loenak — • loerah. 



aorgtty e. s. v. brij van eieren, kokos- 
melk en suiker, letterl hemelmodder ; 
loempoer k^tam, modder aan het zee- 
strand, waarin kleine krabbetjes leven. 

loenak, zacht, week, b. v. van vruch- 
ten, den grond enz. ook: los van den 
grond. Volgens vdW. dik van vleesch, 
vleezig, van vruchten? 

loenas, I. kiel van een vaartuig. II 
Batav. geheel afbetaald. 

loenda, e. s. v. plant. 

loendjak, omhoog springen, zooals een 
veerkrachtig voorwerp, dat men op den 
grond gooit, of van een persoon om 
iets te grijpen, op iets springen, b. v. 
op een stoel; tegen de rotsen breken 
van de golven; omhoog streven, zich 
verhoovaardigen. 

loendjoer, is niet het grond w. van 
b^loendjoer, maar oendjoer, zie ald. 

loendoe, e. s v. riviervisch. 

loenggoe, zie Vilóenggoe. 

loenssoeh, zitten met de armen er- 
gens op leunende en het hoofd op de 
armen; Jav. zitten op zijn gemak ;*ö!;«^ 
ptloenggoehj Jav. kluizenaar. 

loeniekanfe, I. poel, mesthoop. Zie 
limhah. II. ikan loengkang, e. s. v. zeer 
stinkenden visch; pêrahoe l., e. s. v. 
visschers v aartuig. 

locngkap? mèloengkap^ zich krommen? 
b. V. m. pada ribaan ajahnjay kromde 
zich op de schoot zijns vaders. 

loengkoem, beter moengkoem^ bolrond 
vlak, zooals b. v. een horlogeglas of 
het deksel van sommige koffers. 

loenssin, de schering van een weefsel, 
scheerdraad. 

loenesoer, afgegleden, afgezakt, b. v. 
iemand van den schoot van een ander; 
rnëng^^loengsoeff zich laten afglijden, 
trachten* af te glijden, b. v. van den 
schoot. 

loex^jah; mèloenjah, omwoelen van den 
grond door de pooten van vee, inzon- 
derheid van de natte rijstvelden, vóór 
de beploeging. Pad. bov.1. 

loenain, ook loengsin, schering bij het 
weven. 

loentans, stuk hout, waaraan een haak 
met aas, dat men laat drijven, om 
visch te vangen; m'ëloentang, visch 
vangen op die manier. 

loentas, =: b^loeutas, zie ald. 

loen^as, mis, niet geraakt, van een 
klap, kogel, bal enz, over, voorbij een 



bepaalden tijd ; vertrokken, weg, voorbij 
zijn speelbeurt. 

loenijoer, . van of uit iets glijden of 
gegleden, b. v. een mes uit den zak, 
een kris uit de scheede, een schip van 
stapel; meloentjoerkan, doen glijden, 
van stapel doen loopen; perdjandjian 
loentjoer^ verpanden voor een zekeren 
tijd, met de afspraak dat het pand 
vervallen is, als het dan niet word^ 
gelost. 

loentoer, I. doorslaan van de ontlas- 
ting; peloentoefy afdrijvend middel voor 
de ontlasting, de menstruatie, de urine 
enz. II. Jav. verkleuren met wasschen, 
de verf loslaten van stoffen. 

loep, blok van veertig draden van het 
riet, bij het weven. 

loepa, I. vergeten; loepa-loepa ingat, 
in de war en daardoor niet weten wat 
men zegt, Pr. Dj. hoe ik mij ook be- 
denk, b. V. hai saudagar, engkau kenal 
akoe int, tida^i' Maka kata saudagar 
itoe: Loepa-loepa ingat, tidak datoeje, 
wel koopman, herken je mij of niet? 
Toen zeide de koopman: Hoe ik mij 
ook bedenk, neen datoek, B. R. ingat- 
ingat loepa, half vergeten zijn, zich 
flauw herinneren; fërloepa, toevallig 
vergeten; maïn loepa, zich houden alsof 
men het vergeten heeft; loepa-loepadn, 
vergeetachtig ; peloepa, vergeetal. II. loe- 
pa-loepa, vischlijm, zwemblaas der vis- 
schen, gedroogd is dit een lekkernij 
voor Chineezen. 

loepat, e. s. v. eetbaar zoutwater-schelp- 
dier, van welks schelp knoopen worden 
gemaakt. 

loepi, plecht, van een klein vaartuig, 
vdW. Zie lopi^. 

loepoek; meloepoek. beuken, platslaan 
van bamboe, doodslaan van een os enz. ; 
peloepoeh, platgeslagen bamboe. Zie 
poepoeh, 

loepoet, ontkomen, ontglippen, vrijko- 
men, ontsnappen; doenia loepoet dari- 
pada genggaman, fig. uitdr. voor ster- 
ven; mëloepoetkan, doen ontkomen, be- 
vrijden, verlossen. 

loerah, I. groef in den kant van een 
plank, waarin de kant van de andere 
plank sluit; nauwe bergkloof = lembah, 
Maxw. II. geheel b. v. saloerah toeboeh, 
het geheele lichaam, saloerah tanah 
djawa, geheel het land Java; ook aa- 
loeroeh, zie loeroeh. III. Jav. hoofd, 



loerik 



loewar. 



233 



opperhoofd; loerah kampong, kampong- 
lioofd; loerah desa, dorpshoofd. 

loerik, .Tav. zie boeri^. 

loerik, «= lore^e, zie ald. 

loeroe; meloei'oe, op iemand toeschie- 
ten, bespringen, b. v. van een hond op 
iemand, van voorvechters enz 

loeroeh, I. afvallen op zijn tijd, b. v. 
bladeren, vruchten, haar vederen enz. 
in tegenoverstelling met goegoer^ afval- 
len vóór zijn tijd; ajam meloeroeh, e. 
kip die ruit; berloeroeh-loeroehan, af- 
vallen van velen met verscheidenheid, 
Pr. Dj. saloeroeh, geheel, zie bij loerah 
II. II. neerhangen van een kleed, b. v. 
berkampoeh loeroeh, K. T. 

loeroeng, I. weg, straat, gang, steeg 
door een bewoonde plaats; méloeroeng- 
kan, den weg banen of aanwijzen. II. 
geduld, niet als zonde geweten, van 
een verkeerde handeling. 

loeroes, recht, zonder bochten; oprecht 
van gemoed; peloeroes, spoorscheen, 
het hooge gedeelte van een spoor- 
staaf. 

loeroet, I. meloeroely knijpend afstrij- 
ken, afstroopen met de gesloten hand 
of vingers, b. v. een natten doek, de 
uier van eene koe enz. II. de fijt, ook 
kaloeroetan, M. 

loes, vrijelijk, onbelemmerd. 

loesa, den derden dag, overmorgen; 
loesanja lagi, overovermorgen, de dag 
na overmorgen. 

loesoeli, slap door langdurig gebruik 
van lijnwaad, papier enz. gebruikt, tot 
een vod geworden. Men. versleten, ver- 
teerd, afgedragen. 

loet, ook eloet, en meloet, indringen, 
van een wapen, b. v. een dolk of kogel; 
teloet, in den grond dringen van den 
regen. Zie ook eloet, 

loetar, = lontar; meloetar, iets werpen, 
gooien; méloeiarkan, met iets werpen; 
meloeiariy op iets werpen; berloetar- 
loetaran, elk. werpen; meloetarkan koe- 
danja, zijn paard slaan; sapeloetaran 
batoe djaoehnja, een steenworp ver; 
peloetar, werptuig, werpmiddel ; p^loetar 
" batoe, blijde, balista ; peloetar terang, 
koekoek, vallicht, dakvenster, glazen 
kajuitskap. In de Pad. bov.1. wordt 
loetar ook voor slaan gebezigd. 

loeti, ineengefrommeld, zooals b. v. een 
zakdoek. 

loeijif Chin. e. s. v. pruim-vrucht. 



loeyik; p^njakit mïloeiji^? Abd. sch. 
wrdb. 

loetjoe, grappig, kluchtig, koddig, vdW. 

loeyoek, knijpen, van kinderen. 

loetjoep, in iets dringen, van iets pun- 
tigs, vdW. 

loetjoet, ontglipt, ontschoten, ontglip- 
pen, ontschieten, uitschieten, afglijden, 
b. V. een touw aan de hand of banden 
en boeien. Zie ook lotjot, 

loetoe; meloetoe, iemand herhaaldelijk 
met de knokkels op het hoofd slaan; 
iem. smadelijk bejegenen, smaadheid 
aandoen. 

loetoeng, e. s. v. slankaap; ekoer loe- 
toeng, e. s. v. kanon, slangstuk. 

loetoet, de knie; b^rloetoet en b^rteloet, 
knielen; berdiri loeioet, op den vloer 
zitten met ééne knie omhoog getrok- 
ken, de houding van den inlander als 
hij op zijn gemak eet. 

loe^vah; meloewah, met walging uit- 
spuwen. Zie ook loewelCy loja en liwat. 

loe-w-ai ; beloewai pantjoeng, het tijdperk 
van de rijst, waarop het nieuw-blad- 
krijgen afgeloopen is. Pad. bov.1. de 
W. Mogelijk is het beloewai frequ. van 
boewai. II. beloewai, iets langzaam doen, 
langzaam voortmaken. Mal. 

loenvak, Jav. e. s. v. bunsing of das, 
azende op eieren, vogels en koffie- 
boonen. 

loewak, I. district, afdeeling, b. v. in 
de Pad. bov.1. II. meloewa^, beginnen 
te gebruiken van iets, iets aanbreken; 
belom diloewak, het is nog niet aan- 
gebroken, men heeft er nog niets van 
genomen. 

loewan, «= haloewa7i, zie ald. 

loe^virang;; peloewang, stil, bedaard, na 
een hevigen wind of langdurigen regen ; 
fig. rust na veel drukte. 

loe^vear, uitwendig, buiten; loewar-da- 
lamnja, uit- en inwendig, het buitenste 
en binnenste van iets; diloewar, uit, 
buiten, zonder, behalve; kaloewar, naar 
buiten, naar buiten gaan, uitgaan; 
kaloewar-masoe^, in en uitgaan ; tnënga- 
loewarkan, naar buiten doen gaan, er 
uithalen, voor den dag halen, afleiden 
van een woord, M. R. méngaloewarkan 
perkataan Idin, het over een anderen 
boeg gooien, over wat anders beginnen 
te praten. H. A.; m, ptng^tahoeannja, 
voortbrengen wat men kan; m. tjakap, 
zich uitlaten ; m. daripada warits sakali- 



$u 



loeivas — lonssok. 



kalif geheel onterven; niéngahewariy 
uittrekken tot, uitgaan tot; tnègaloe- 
wart moesoehf tot den vijand uittrek- 
ken ; orang mèngaloewari kiiay men trekt 
tot ons uit, Pr. Dj. behasa loewar^ 
straattaal ; orang loewaran en o. kaloe- 
waran^ personen die er buiten zijn, er 
niet toe behooren, vreemden, de paria's 
of outcasts, lieden van geen adellijke 
afkomst; pérkara jang kaloewaran, 
zaken die er buiten liggen, er vreemd 
aan zijn 

loe^w^sks» ruim, wijd, uitgestrekt; wijdte, 
breedte; padang loewas, uitgestrekte 
vlakte; loewas p'ërahoe, de wijdte van 
een vaartuig; loewas mata padang ^ de 
breedte van het lemmet van een zwaard ; 
m^löewaskan, verruimen, verwijden, ruim 
baan voor iets maken, een doel of zaak 
bevorderen; loewaskanlah kamt djalan, 
maak ons ruim baan, N. Moeh. kaloe- 
wasan^ ruimte, vrije tijd, ledige tijd. 

loe-watt walgen, uitspuwsel van iets dat 
uitgekauwd is, b. y. méndjadi loewai 
hati soetoaminja, zoodat het gemoed 
haars mans walgde, B. Ramp. Zie 
hewah. 

loewek, uit een opening dringen, naar 
buiten komen, van weeke voorwerpen; 
niéloewe^, uit den mond spuwen met 
een gelnid alsof men braken wil. 

loewih, Jav. meer, te veel, = lebih^ 
zie ald. 

losam. Tam. metaal. Ook Ugam, zie 
bij hiiam. 

lo|{i*a.t; Arab. kitdb lograt, woordenboek. 

loh, Arab. schrijftafeltje, bordje, plankje; 
lolt batoe, lei. 

lohok, door en door beschimmeld, zoo- 
%l8 b. V. oud brood. 

lohor, .Arab. middag; to^^toe lohor, het 
middaggebedsunr. 

loja» misselijk, neiging tot braken 
hebbend. 

lojak, = bojajp, zie ald. 

lojansy geel koper, messing; e. s. v. on- 
diepe waschkom, van dat metaal ge- 
maakt; warna lojang, gele kleur. 

l€>jonfl:, zaphtjes nederdalen, omverval- 
Icn, neerzijgen. Zie lajang. 

loka, Skr. uitgebreide plaats, meestal 
gebruikt in samenstelltogen, zooals: 
indëra-loka, tjandëra loka en soerga-loka. 

lokah, e. s v. fuik, die men met de 
hand in ondiep water neerlegt ; mUokahy 
met zulk een fuik visschen, ook wijd- 



beens gaan zoodat de kaïn naar voren 
als een fuik open staat; main lokah^ 
e. s. V. tooverij met zulk een fuik, door 
vdW. in zijn Wrdb. nader omschreven. 

lokaziy een soort van eetbaar schelp- 
dier, welks schelp wel voor lamp ge- 
bruikt wordt. 

lokik, uitermate gierig, inhalig, vrekkig 

lokmdn, naam van een beroemd ara- 

bisch wijsgeer. 
; lokos, kaal, afgevreten, afgeschoren, af- 
gebrand, onbegroeid, van het hoofd, 
van bergen, hooge eilanden enz. Zie 
ook poepoes, 

lolenjs^ Chin. papieren lantaarns van 
allerlei kleur en vorm. 

lolok; mëlolok^ steelsgewijs bij iemand 
komen, overvallen, overrompelen, een 
vijand onverhoeds in den rug of in de 
flank vallen. 

loudbong, diep, van borden en vaten; 
hoog op het water van een vaartuig; 
peraAoe lombong, hoog vaartuig zonder 
buik; lombony ook: mijn, waaruit erts 
gedolven wordt; zie mijn Boeng. R. 
p. 224—327; lombong timah, tinmijn; 
analp lombong^ mijnwerker. 

lompat, sprong; melompat^ een sprong 
doen, springen, huppelen ; lompat iioeng, 
touwtje-springen. 

londansy zeer zachte modder, zooals 
b. v. in een buffelkraal, of op een 
moerassige plaats, waarin zich dieren 
wentelen. 

lon^uns, lang en smal naar boven, 
scherp toeloopend, spits, b. v. van een 
dak, populier, ook van den kop van 
een schildpad. 

long, I. deksel, dat in het graf over 
het lijk wordt gelegd; /. gadjah roeng- 
koepy zulk een deksel, bestaande uit 
vier planken. In de Straits-Settlem. en 
ook op Riouw kist. doodkist. Mën. 
aloeng^ kist als bewaarplaats. Zie ook 
larong. II. boog, kromming; pérloeng 
badjoe, uitsnijding voor den hals, of 
kraag van een kleed ; p^ngeloeng, iets 
hoepelvormigs, zooals b. v. een crino- 
line. Zie ook rèloeng. III verkorting 
van soeloengi zie ald. 

lonuffaf, ruim, wijd, van kleederen, 
van het gat, waarin een spijker enz. 
zit; mélonggarkany ruimer maken. 

lonsisok, hoop, stapel, tas, van leven- 
looze voorwerpen, kleiner dan timèoen. 
Zie tonggo^ en toempoejp. 



Ion slat -^ madcili* 



^35 



loiielai, zich naar beneden buigen, zoo- 
als b. V. wilgentakkcn, buigzaam. 

longkali, los geraakt, los gelaten, van 
platte dingen, die aan iets vastgeplakt 
zitten b. v. de schors van een boom, 
behangsel van den wand enz. 

longsor, zie loiisor en gelongs<ji\ 

lotisor, ook longsor en gelongsor, af- 
glijden. 

lontar, I. = loatar, zie ald. II. pohon 
lontar, de waaierpalm, op \yelks bla- 
den vroeger geschreven werd. 

lonte, Jav. hoer. 

lonya.t, met twee voeten tegelijk sprin- 
gen, hippen, huppen, ook van vogels. 

louijeng:, = iotjeng, zie ald. 

lontjip, = lantjip, zie ald. 

lon^or, = lantjoer, Sw. Zie ald. 

lontjos. spits of scherp toeloopond, 
zooals b. V. een pyramide of de boeg 
van een vaartuig, of een flesch zonder 
schouders, of van een raast. 

lontok, I. kort naar evenredigheid van 
de dikte, dik naar evenredigheid van 
de lengte. II. ioewa lonto^, afgeleefd, 
versleten, oud persoon. 

lontos, zoader kapiteel, van boven glad 
af, zonder kop, van zuilen. 

lopak, I. kuil, waarin het waler is 
blijven staan, plas. II. kindsch, on- 
noozel, suf. III, lopak-lopa^, gevloch- 
ten kokertje tot berging van tabak of 
sirihpruimen. IV. lopa^-lapi^, gebrekkig 
uitspreken van de letters, zooals b. v. 
tandelooze lieden doen. 

lopik; sampan lopik, e. s. v. klein, plat- 
bodemd roeivaartuig. 

lor, Jav. Noord, het Noorden, = oetara, 
Mal. Ook het eng. lord. 

lorab, katrol, takel, blok, Sw. 

lorefa.; loreh-loreh^ e. s. v. blanketsel. 

lorek, fijne slangelijnen, zooals b. v. 
op lijnwaad, vdW. 

lorod, Jav. afzakken, afvallen. Zie lorot. 

lorons» I. wat betreft, betreffende, aan- 
gaande. W. Sum. II. lorong-lorong, palen, 
pijlers. dB.? 

lorot, naar beneden komen, b. v. van 
een zeil, dalen in rang Jav lorod. 

losija, ï= doitUy zie ald. 

losone; koerap losong^ e. s. v. schub- 
bigen huiduitslag, die voortdurend af- 
schilfert De Maleiers beweren, dat die 
ziekte ockwetsbaar maakt. 

lota» week, slap, zacht, van iets dat stijf 
geweest is, b. v. papier, gesteven goed, 



een lijk als het tot ontbinding over- 
gaat; /. mandüiy e. s. v. spruw. 

lotek, Chin. e. s. v. pek, waarmede de 
naden van vaartuigen worden gestopt; 
lernbe^ lotei^, slap als een vaatdoek, 
van weefsels, papier enz. 

loteng, Chin. bovenverdieping van een 
huis, zolder, vliering. 

lotjeng, ook lonijeng, Chio. bel, klok; 
menggojang lotjeng, menggontjang /., 
de klok luiden, met een bel luiden, 
bellen; orang jang mmdjaga lotjeng, 
iemand die op de bel past, die open 
moet doen als er gebeld wordt. S. Dz. 

lotjoew^an, Chin. een soort van chi- 
ueesche zijde. 

lotjok; mklotjo^, iets in- en uitgaan; 
pelotjo^, zuigerstaog van een stoom- 
machine. 

lotjot, = loetjoet, ook : losgelaten van de 
opperhuid, door branden of schrammen. 

lotons, Chin. straathoer, matrozenhoer. 

lowa, Batav groote mand voor puin of 
vuilnis; ioekang lowa, oudroest, iemand 
die in oud ijzer doet. 

M. 

ma', verk- van emaii, moeder. Zie ald. 

tnéb\ Ar. 1. wat, welk, b. v. ma' sja 
Allah, wat God wil. Il Ar. water, md* 
alj^ajdi, water des levens. 

cnaëld, Arab. terugkeer. 

inaadz, Arab toevlucht. 

maëlf, Arab. vergeving, vergiffenis; minta 
madf, zich verontschuldigen, verlof vra- 
gen; madfkan, vergiffenis schenken, 
kwijtschelden; bermidf-madf, elk. ver- 
giffenis schenken v. velen. 

mabai, e. s. v. boom. 

ixiat>ir, zie tabir. 

mabóéd, Arab. gediend, aangebeden. 



mabok, I. dronken bedwelmd, zoowel 
door het eten als drinken van iets; 
mabo^ ijendawan, bedwelmd door het 
eten van giftige paddestoelen; mabole 
laoet en mabo^ omba^, zeeziek. II Pad. 
bov 1. zonder vast patroon, van kleedjes. 
macbdöéin, Arab. heer. 
maohlóók, Arab. schepsel 
luad, Arab. zeker schrijfteeken.- 
madah, Arab. lofrede; b^rmadah, spre- 
ken, zeggen, in gedichten. 
madali, e. s. v. muziekinstrument, dat 
geblazen wordt. 1. P. e. s. v. horen. 



286 



madan — ■ xnaliir. 



madan, mijn; hoop, b. v. van goud, 
H. R. P. Dul p. 31. 

madat, I. bereide opium ; roemah madaty 
amfioenkit; pemadat^ opiumschuiver. 
II. stellage, wachttoren, = bangoen- 
bangoen. 

madja, I. e. s. v. boom met eetbare 
vruchten. Soorten zijn: madja kant, m. 
keling y m. lawai; m. pahit — m. kant, 
de galnoot. II. e. s. v. schelp. III. zie 
op radja en xemad^a. 

macyad, Arab. roem, grootheid. 

macÜaly bot, stomp. 

macyëlis, Arab. vergadering, college, 
raad, audiëntie, ook de plaats waar 
een Vorst of hoog persoon audiëntie 
verleent; penghoeloe madjelis, voorzit- 
ter V. e. vergadering. 

macymöë, Arab. samengesteld, b. v. 
van geurige oliën. 

madjnoen, Arab. bezeten, krankzinnig, 
razend, ook v. geschut. 

ma^joe, Jav. voorwaarts, = tampil, 
zie ald. 

xnadjóédj, Arab. de VLd^gog\ jadjóédj 
wa madjóédj, de Gog en de Magog. 

ma^joeb, gulzig in het eten, P. snoe- 
pen, d. B. 

macyoen, Arab. gekneed, deeg, slik- 
artsenij, medicijn. 

madjoesi, Arab. magiër, wijze, vuur- 
aanbidder, volgeling van Zoroaster, 

inadjor, verb. Eng. major. 

madlarat, Arab. schade, nadeel. Zie 
ook larat, 

madoe, I. Skr. zoet, ajar madoe en 
alleen madoe ^ honig, ook ander zoet 
sap. II. medeminnaar of minnares, 
zoowel na als voor het huwelijk; 
menjamboet madoe, een medeminnaar 
opzoeken om met hem te vechten; 
empat b)érmadoe, met haar vieren mede- 
echtgenooten ; permadoewan, veel wij - 
verij, de betrekking van mede-echtge- 
nooten onder elkander. II. = padoe, 
samenvoeging ; madoe mantjoeng, samen- 
voeging van twee randen, b. v. de hoek 
van een lijst, kant van een kubus. IV. 
Zie bij kara, 

xnadrasah, Arab. school, gewoonlijk 
verbonden aan een moskee. Ook man- 
darsah en bandarsah, 

xnadzhab, Arab. windstreek, godsdien- 
stige sccte, weg, passage waardoor men 
gaat, ingang tot iets. H. B. en R. Ch. 

xnadzkóér, Arab. bovengemeld. 



Tx&afbóém, Arab. verstaan, bekend. Zie 
faham. 

znagang:, I. e. s. v. boom, die licht 
timmerhout oplevert. II. overrijp van 
vruchten ; van vloeistoffen : op het punt 
van te gaan gisten. 

zuasêl, Jav. = mangkal^ stokkerig, half 
gaar, zie ook m^gel en pegel. 

magon, kampanje, kap boven een ka- 
juit, koekoek; magon angin, koekoek 
die opengezet kan worden om lucht te 
geven, lantaarn boven een kajuit. 

magrib, Arab. het Westen; sembah- 
jdng magrib, gebed bij zonsondergang, 
het 4e der vijf verplichte gebeden. 

maë:r]óéb, Arab. overwonnen, 

magróér, Arab. verwaand. 

maha, Skr. groot, zeer, uitermate, alleen 
in samenstellingen, b. v. maharadja, 
grootvorst; maharadja lela, zie lela; 
maha meroe, Skr. de heilige berg, zetel 
van Brahma; maha bangsawan, hoog- 
edel; maha besar, zeer groot; maha 
dmoa, de hooge god, Siwa; maha keras, 
zeer sterk; maha taulan, boezemvriend; 
maha moelia, hoogluisterlijk, hoog aan- 
zienlijk. Excellentie; maha rési, groot- 
heilige; maha manieri, grootminister, 
premier; Jang maha tinggi, de Aller- 
hoogste; Jang maha koewasa, de Al- 
machtige; Jang maha soetji, de Aller- 
heiligste; Jang maha tahoe, de Al- 
wetende; Jang maha moerah, de Al- 
barmhartige enz. maha djalan, de 
groote weg; maha djana, groot man, 
koopman. 

maha, e. s. v. boom, welks bladeren als 
groente worden gegeten. 

xnahaibat. Ar. vriendelijkheid, liefe- 
lijkheid. 

mahaly duur, hoog in prijs, moeilijk te 
krijgen of te vinden, zeldzaam; mahal 
dibUi, duur om te koopen, 't zijn witte 
raven. 

mahar, Arab. de huwelij ksportie der 
vrouw, koopprijs eener vrouw, bruids- 
gift vóór het huwelijk vastgesteld = 
mas kawin. 

znaharësi, groot-heilige. 

xnaheaa, zie mesa II. 

mabfoel, Arab. herinnering, gedenken, 
b. V. jang soedah th'daftar dilo^ al- 
maj^foe} déngan talcdir Allah taala, dat 
geschreven staat in het gedenkboek naar 
den raad des AUerhoogsten. H. R. 

xnabir, Perz. de maan. 



xnalikaxxifit — • raakan. 



237 



kna^kamat, Arab. rechtbank; ma^ka- 
mat janf afim, hoog gerechtshof. 

mabisjar, Arab. vergaderplaats ; jaumoe 
*lmiaJ},^jar^ de laatste oordeelsdag. 

xnabroesah, Arab. beschermd, be- 
waakte plaats met hoofdplaats, groote 
stad, die een garnizoen heeft. 

maïdah, Arab. tafel, aangerechte tafel, 
disch. 

xuaimoen, Arab gelukkig, gelukkige. 

xnaïn, spelen; bérmdin^ voor zijn genoe- 
gen, tot uitspanning of uit aardigheid 
iets doen, of zich met iets bezighouden, 
spelen, b. v. bermain hoewah kèras, zie 
bij kléras ; èërmaïn, ajar, hasah\ hérmdin 
pisauy loekttt Sprw. voor ons: die met 
pek omgaat, wordt er mede besmet; 
bérmdin moeda, ongeoorloofden omgang 
met elk, hebben, van jongelieden bei- 
derlei kunne; mdin-mdin^ beuzelen, leu- 
teren, lanterfanten, karena bermdin- 
mdin, uit jok, uit boert; mdin angin, 
veranderlijk, onbestendig in spreken en 
handelen; bh'mdin soelingy op de fluit 
spelen; bermdïn sendjata^ schermen; b. 
mata^ elk. oogjes geven; b. tangan^ op 
de vingers spreken, zooals de stommen; 
b. djinaka, guitestreken uitvoeren; mdin 
gila^ gekscheren; blérmdin-mdinkan, gek- 
scheren met; memdin angin^ met den 
wind spelen, het tijdperk van het jonge 
rijstgewas, waarin de wind er vat op 
heeft. Pad. bov.1. pémdin angin, wind- 
wijzer; permaïnaftj spel, speeltuig, 
speelgoed; sapêrmdinan, speelkameraad; 
orang permdinan^ iem., met wien men 
zijn spel drijft, dien men steeds voor 
den gek houdt; pêrgi blèrmdiH-mdin^ 
voor zijn genoegen uitgaan. 

mait, Arab. lijk. 

maja, Skr. schijn, schim, gezichtsbedrog ; 
maja-pada, plaats des schijns, de aarde ; 
hingga dipoekoel ménghilangkan majay 
zoodat ze gegeeseld worden om de waar- 
heid er uit te krijgen, letterl. oru den 
schijn te doen verdwijnen. Ibr. b. Ch. 

mi^axn, een goudgewicht = ^\ iail. 

mi^ane:, I. de bloemtros van palmen, 
aar van granen en grassen; majang 
mhigoerai^ de naam van een gouden 
ketting, die tot de rijkssieraden van 
den Sulthan van Lingga behoort, ook 
loshangend krullend haar. II. Jav. pè- 
rahoe majang en pemajang^ zie pajang. 
III. overlangs aan dunne schijven snij- 
den. vdW. Zie lajaug. 



malapada, Skr. de aarde, letterl. plaats 
des schijns. Zie maja. 

xnaloene, e. s. v. zeer langen zoutwater- 
visch. 

ma'Joens, e. s. v. komediespel bij de 
Maleiers, afkomstig uit Kelantan en 
Trëngganoe, waarin de hoofdzaken der 
oude hikajat's worden voorgedragen. 
Zie mijn Suppl. op dat woord. 

mi^oer, zie bij sajoer, 

mak, zie ema^, 

xnaka, en, dat, daarom, zoo, waarom, 
toen; makanja, de reden ervan is, en 
daarom; ^i^ata maka, en zoo b. v. hata 
maka i^rdengarlah chabar itoe en zoo 
werd dat bericht gehoord. 

inakdm, Arab. residentie, graf. 

inakan, eten, vreten, verslinden, invre- 
ten, verteren, indringen v. iets scherps, 
snijden, vatten, pakken, trekken van 
een pleister, nnttigen, drinken, rooken, 
opslorpen, slaan bij een spel, een kaart 
maken, b. v. makan ampon, vergiffenis 
vragen van den Vorst; m. angin^ een 
luchtje scheppen; m. darah, zich ver- 
vreten van kwaadheid; m. diri, verte- 
ren, door liggen bederven; m, gadji, 
loon, tractement verdienen; m. hati, 
zich ergeren; w. koeli, op dagloon wer- 
ken; m. lajar, de zeilen doen zwellen, 
van den wind; makan lawan, den der- 
den keer raak gooien bij het porojp- 
spel ; m. nasi, het middagmaal houden ; 
makan pakai, voedsel en kleeding, b. v. 
makan pakai laki-bini atas kita; m, 
habis dingan iaki-tahinja, met huid en 
haar verslinden; m. pantjing of m. 
kaïl, aanbijten, van visch; m, soempah, 
een valsche eed doen; m. toelang^ te 
veel werk van iemand verlangen, zijn 
eigen werk op een ander laten neer- 
komen; m. roempoet, weiden, grazen; 
makan sahidangan, m. sadaoen, m. ga- 
pinggan, samenspijzen; m, sirih, den 
betel gebruiken; m. tangan, slaag krij- 
gen. Men.; m. tjandoe, opium rooken; 
m, séroetoe, een sigaar rooken; m, wang, 
geld verteren, gebruiken; m. ^ajp, in- 
breuk maken op iemands recht; «i. 
soewap, omgekocht worden, zich laten 
omkoopen; dimakan p^dang, door het 
zwaard verteerd; dimakan o/ar, voor het 
gezicht als door het water worden ver- 
zwolgen, van een eiland in de verte; 
saratoea makan lima, honderd iieemt 
vijf, d. i. 5 perc. rente; bïrapa dalam- 



238 



makaF — malam* 



nja makan kapal iloet hoeveel diep- 
gang heeft dat schip? btrapa djaoehnja 
makan peloeroe itoe, hoever draagt die 
kogel? Urmakan, met eten iets binnen- 
krijgen of gekregen, b. v. maka Amir 
Hamzah pon termakanlah ratjoen itoe, 
en A. H. kreeg met eten, dat vergif 
binnen; Urmakan kapada akal, goed 
van iets doordrongen, geheel overtuigd 
zijn; makanan, dat wat gegeten wordt, 
spijs, eetwaren; tnakan-makanan , aller- 
lei spijzen of eetwaren; makanan soerat 
geschenk bij een brief; bermakan- 
makanan, met zijn velen spijzen; orang 
p'ëmakan, een eter, in tegenoverstelling 
van iemand die-' werkt; kamakanan, 
ingevreten, b. v. door roest; samakanan 
panak, een pijlschot afstands. 

makar, I. hard, steenachtig, van vruch- 
ten. II. Arab. list, streek, verschalking, 
misleiding, toeleg op, smeden van een 
aanslag 

makas» hard, van vruchten, niet murw, 
hard, ongaar, van spijzen; keras-makas, 
bijzonder hard. Zie makar 1. 

makau, naam eener stad in China; 
benang makau, gouddraad; beuang 
makau pakai pet-aie, ziUevdr&a.d. 

tnakbóél, aangenomen, aangenaam. 

maki, schelden, uitschelden; in schrille 
tegenspraak zijn, van klearen; bermaki- 
makian, elkander uitschelden. 

makiii, ook mangkin, bijvoegsel, bij- 
mengsel, b. V. zand bij kalk. Men ge- 
bruikt het in de beteekenis van : zooveel 
te meer, hoe . . . hoe met den compar. 
van het Bijv. nw., b. v. makin lama 
makin balik, hoe langer hoe beter; ook 
semangkin, semakin en semingkin op 
Java. 

xnakilial, zie moemal* 

makóél» Arab, rationeel. 

makota, Skr. kroon, ook als liefkoo- 
zingswoordje. 

makramat, Arab. eer, roem, waar- 
digheid. 

makróóh, Arab. hatelijk, verfoeielijk, 
verwerpelijk. 

maki^óédy Arab doel, dat men beoogt, 
bedoeling, doelwit, voorgenomen zaak, 
beteekenis. 

maktaby Arab. school. 

snakt öéb, Arab. geschreven. 

xnéXf zie bij bait. 

mal» bovenstuk of hiel aan het lemmer 
▼an blanke wapens behalve krissen, 



benedenst uk aan het gevest, kapiteel 
van een kolom, bovenstuk aan de poo- 
ten van meubels; mal datang of mal 
mcnoempang, zie bij gandja. 

mala, 1. Skr. kwaad, ramp, onheil; 
malapaiaka, ongeluk, onheil, de toestand 
waarin men tengevolge van een vloek 
der goden is gekomen, meestal in dien 
van een ondier, afzichtelijke gedaante, 
die men door eene vervloeking of be- 
zwering heeft gekregen. Zie ook bij 
rawat. II. zonder geur, vdW. tanak- 
mala, pijpaarde; b^rmalaan, verwelkt, 
zonder geur van vele bloemen. 

malab, Arab. kribbe, voederbak. 

mdlacya, Arab. metselaarstroffel. 

malah, Jav. wat meer is, des te meer, s= 
makin, b. v. malah koeroes dengan di' 
rinja, hij werd hoe langer hoe mager- 
der; malah djaoeh malam, hoe langer 
hoe dieper in den nacht. H. Boedj. ook: 
tot zelfs dat, zoo zelfs dat, b. v. dibi- 
rahikan olih anak enoe ing Koeripan, 
malah toepa makan dan tidoer, de 
prins van K. is op haar verliefd, zoo 
zelfs dat hij vergeet te eten en te 
slapen. 

nialai, I. pluim van bloemen of juwee- 
len enz lï. malai-malai, e. s. v genees- 
krachtige plant; boewah malai-malai, 
e. s. v. vrucht, die met zout gegeten 
wordt. 

nialdïkat, Arab. meerv. van malak, 
engel. Het meerv. wordt in het Mal. 
ook als enkelv. gebezigd; 'm. jang me- 
megang iidoer, de engel des slaaps, N. 
M.; maldikat, wordt ook gebruikt in 
de bet. van wijlen, b. v. malatkat si- 
anoe, wijlen N. N. 

malak, Arab. engel; malak almaui, de 
engel des doods; m. moewakkal, be- 
schermengel. M. R 

malaka, e.s. v. boom met eetbare vruch- 
ten, boewah malaka, ook e. s. v. koekjes. 
Naar dezen boom is de stad Malaka 
genoemd 

maldkat, Arab. bezit. 

malam, nacht, avond, dit hangt af 
van den tijd waarvan men spreekt. De 
malam begint na zonsondergang en 
wordt gerekend te behooren tot den 
volgenden dag, b. v. malam r'èbo, Dins- 
dagavond enz.; malam Aart raja, de 
avond vóór een feestdag; malam boeia, 
zie bij boeta; malam hart, 's nachts, bij 
nacht; malam la -i, de pas verleden 



malan -» mamar. 



2S9 



nacht, gepasseerde nacht; malam-se- 
malam, de nacht, voorafgaande aan den 
dag van gisteren; malam kemaren, de 
nacht, voorafgaande aan den dag van 
eergisteren; s^malamy ook een nacht 
geleden, gisteren te Sing. ook gepas- 
seerde nacht; malam-malamy Iaat op 
den avond; djaoeh malam, diep in den 
nacht; semalam-malaman, den ganscheu 
nacht door; htrmalam, overnachten, 
een nacht overblijven staan; malamkan, 
een nacht over laten staan; bagini 
malam, op dit late uur; përmalaman, 
plaats van overnachting; kamalaman, 
door den nacht overvallen worden. 

malan, eenigszins bedwelmd, bevangen, 
vdW. Meestal wordt het van het ge- 
moed gebruikt in de beteekenis van 
verbijsterd, droefgeestig. 

malanis, I. van alang, dwars; kajoe 
malang, dwarshout; oentoeng malang, 
tegenspoed, weerbarstig lot; k'ëmdlang 
btrakit, alles tegen hebben, M. Sam. 
II. een enkele klip boven water. III. 
ikau malang, e. s. v. grooten visch, 
ook tamblêrih, genoemd, die den kop 
dwars heeft staan. 

raalap» flauw, van het branden van 
licht of vuur, trenzelachtig, leuterend 
in het werken. 

malapêtaka, zie mala. 

malaoen. Ar. vervloekt; kafir malaoen, 
vervloekte ongeloovige, scheld w. 

malar, bij voortduring, steeds; ook = 
malah, daarenboven, daarbij nog, wat 
meer is, bovendien nog, ja wat meer 
is, Pr. Dj. op verschillende plaatsen. 

malas, lui, traag, lusteloos ; malas akoe, 
gewone uitdrukking voor: ik heb er 
geen lust in om dat te doen, ik be- 
dank er voor om dat te doen. 

malau; m^malau, zie balau II. 

malaxvati, = baloewarli, zie ald. 

malela, effen, zonder damaseeersel, van 
wapens. Ook balela, 

raiali, zie bij tali. 

mëbUsaif Tam. vorstelijke woning, pa- 
leis, gedeelte van een paleis, waar de 
slaapvertrekken zijn. Soms ook ge- 
bruikt voor het vrouwen verblijf. 

malih, Jav. van alih, zich veranderen, 
anders of tot iets anders worden. Ook 
= lagij b. V. &P& malih = apa lagi. 

mdUky A.rab. bezitter, heer, koning. 

malim, zie moeallim. 

maling, Jav. dief, = jyéntjoeri, ook 



diefstal; maling tjoeri, allerlei soort 
van diefstal; m. dapat, iem. die zich 
gevonden goed toeeigent en dit niet 
aan de overheid brengt, Palemb. ; pintoe 
maling, = pintoe salah, geheime deur, 
achterdeur. 

malis, verschaald, van vochten, ver- 
bleekt, van kleuren. 

malki^vi, » kiwi, zie ald. 

maloe, zich schamen, beschaamd zijn, 
verlegen, schaamte, ontzag; b^rani ma- 
loe, takoet mati, de schande verkiezen 
boven den dood ; mendapat maloe b'êsar 
kapadd orang, zeer beschaamd staan 
voor iem. ; m'émberi maloe, beschaamd 
doen staan, schande aandoen; memaloe- 
kan, beschamen, beschaamd maken; 
memaloeï, beschaamd zijn voor, ontzag 
hebben voor; kamaloewan, beschaamd, 
beschaamdheid, schaamte, de schaam- 
deelen ; kamaloe-maloetoan, geheel be- 
schaamd; kasipoe-sipoean maloe, zeer 
verlegen en beschaamd; maloe-maloe 
b^hasa, een weinig beschaamd of ver- 
legen. 

maloeuiy e. s. v. zeevisch. 

malóém, Arab. bekend, bekend zijn 
met iets; mèmaloemkan, bekend maken, 
kennis geven ; Urlebih maloem, geheel 
op de hoogte van iets zijn, meer dan 
bekend met iets wezen. 

malóémat, bekende zaak, wat iemand 
weet, wetenschap. 

xnaloenfiT, e. s. v. zeer groote paling. 

malok, e. s v. groote, vliegende kat. 

mam. Eng. ma'm, mevrouw. 

mama, zie mama^p. 

naamah, kauwen; mamah bijajp, her- 
kauwen; memamahkan, ook iets knagen. 

mamai, kindsch, vdW. ijlen, hardop 
droomen, spreken in den slaap. 

mamaiz, Arab. tot de jaren van on- 
derscheid gekomen. 

mamak, en mama, oom, tante. Met 
mamajp wordt de btndahara of rijks- 
bestierder meestal door den Vorst 
aangesproken ; mamanda, vorstelijke 
oom enz. 

mamanda, vorstelijke oom of tante, 
van mama. 

mamanii:, draaien voor de oogen, sche- 
meren voor de oogen, verbijsterd, in 
de war; goepoeh mamang, zoo over- 
haast, dat het voor de oogen schemert 
of draait. 

mamar, Jav. = mamang. 



240 



mambane; t-~ mandala. 



mambanfi:, I. e. s. v. geesten ; mambang 
koening, de gele gloed des hemels bij 
het ondergaan der zon. II. titel van 
hoofden bij de rajat. 

mam boe, I. Jav. stinken. II. ook wel 
voor bamboe « boeloeh. Mën. een dikke 
rotansoort. 

mamdoed, Arab. uitgerekt, lang. 

maraik, eenigszins van smaak ver- 
anderd. 

m^amlakat, Arab. koningrijk, konink- 
lijke waardigheid. 

md-móén, Arab. vertrouwd, standvastig, 
iemand op wien men vertrouwen kan. 

mamoene, e. s. v. eetbaren zeevisch. 

mamöér, Arab. bewoond, volkrijk, le- 
vendig, welvarend, in overvloed, rijke- 
lijk, overvloedig, in overvloed voor- 
handen zijn, b.. V. van geld. 

mampat, I. dicht, vast in elkander; 
tanah mampat ^ vaste grond; volgestopt, 
stijf ingestopt, van iets in een zak; 
samengedrukt, van de lucht enz.; me- 
mampatkan, samendr ukken, samenper- 
sen. II. e. 8. V. boom; e s v. genees- 
middel. 

mampêdal» = hampMaly zie ald. 

mampëdoe, ^ hampMoe, zie ald. 

maixi.pëlam« — Aamplêlam, zie ald. 

mampelas, =« hamplêlas, zie ald. 

mampilai. Tam. bruid of bruidegom. 

mampir, Jav. aangaan, aanwippen, ■=> 
ainggahf zie ald. 

xnampoe, van ampoe, Kw. in staat 
zijn, bij machte zijn, 't mocht wat! 
b. V. mampoe engkau dapat berboewat 
itoe, 't mocht wat, dat ge dit zoudt 
kunnen doen! 

mampoenit:, specifiek licht, los, b. v. 
zooals puimsteen, brood enz. 

mampoea, dood, verrekt, kapot; mati 
maffipoeSf morsdood, ook doodaf van 
werken, zie ampoes. 

man, I. een Eng. Ind. gewicht van 26 
tot 83 Eng. ponden. P. volg. vdW. 
Arab. een zeker gewicht van 2 pond? 
II. Arab. wie, welke; ook het manna 
der Israëlieten. 

mana, vraagwoord: welke, waar; di- 
mana, waar ter plaatse ; kamana, waar- 
heen ; barang kamana^ naar elders, elders 
heen; dari mana, vanwaar; bagaimana, 
hoe, op welke wijze; matM-mana, welke 
ook, wat ook ; dimana-mana^ waar ook, 
overal; kamana-manay waarheen ook; 
dari mana-manay overal van daan, van 



alle kanten; manakan, samentr. van 
mana en akan, hoe zou, hoe kan; 
mana bolih, het mocht wat, hoe zou 
dat mogelijk kunnen zijn; mana-mana 
soeka toewanlah^ wat Mijnheer maar 
belieft; mana sakoewasa hamba, wat 
maar in mijn macht is, al wat ik 
vermag; mana saperti, evenals b. v. 
toewan mana sapérti ana^elah kapada 
ajahanda, gij zijt mij evenals een zoon ; 
dimana en dimanakan worden dikwerf 
gebruikt in de beteekenis van bagai- 
manut hoe, hoe zou, b. v. di mana toewan 
hamba tahoe^ hoe zou Mijnheer dat 
weten; dimanakan dapat tjoetjoekoe 
sampai kasana, hoe zou mijn kleinzoon 
tot daar kunnen komen, dat kunne» 
bereiken; manakala en bilamana^ want 
neer; orang mana, welke persoon, iem. 
vanwaar, wat voor een landsman; slê- 
bagaimana, geheel zooals, geheel over- 
eenkomend met. 

mana, Arab. zin, beteekenis; antara 
doewa mana, dubbelzinnig; méngambil 
akan mana jang kadjahatan, in een 
slechte beteekenis opvatten; m. jang 
terboeka, een beteekenis, die voor de 
hand ligt, duidelijke zin. 

manaf, naam van een afgod der hei- 
densche arabieren. 

manah, I. achtenswaardig, in waarde 
te houden; erfstuk, reliquie. II. Jav. 
hart, gevoelen; plèmanahy oordeel ge- 
voelen. 

manai, wit van bleekheid; poetjat 
manai, doodsbleek. 

mandn, Arab. weldadig. 

manarah, Arab. minaret, toren bij een 
moskee, ook voor toren in het algem. 
en voor vuurtoren. Abd. pênghoeloe 
manarah, torenwachter. Ism. J. 

manau, e. s. v. zeer lange rotan, die 
gebruikt wordt om wegen en rivieren 
af te sluiten; mlmanau, spannen van 
zulke rotan, slaan met een manau. 
7A.G ook gatoar-gawar. 

mandai, I. e. s. v. boom, welks bast 
tegen de spruw gebruikt wordt. IL 
tante, moeder, als aanspraaks woord. 
Pad. bov.1. samandaiy van één gezin. 

maiidal, Arab. tooverkring. 

mandala, I. zie bandala. II. Skr. 
schijf, kring, al wat rond is, bal, b. v. 
ada jang b^rsepa^ mandala, er waren 
er die den bal schopten, d. i. die bal 
speelden. H. Boedj. 



mandali — mangkok. 



241 



xnandali, zie madali. 

xnandalika, I. e. s. v. broodboom. II. 
landvoogd, goeverneur, b. v. maka 
Lajpiamana pon mémberi persalin akan 
ségala mandalika jang sertanja itoe. 

znandalikoe, een titel, in de HSS. 
voorkomende. Zoo ook pddoeka likoe, 
waaruit schijnt te blijken, dat likoe 
het bep. woord is. Zie ald. 

xnandapa, Skr. = het Jav. 
en het Mal. öalai, zie ald. 

xnandarsafaL» Arab. dorpsmoskee, kleine 
bidplaats. 

mandera» = bandera, zie ald. 

xnandëra, I. Skr. langzaam en loom 
in zijne bewegingen. IT. e. s. v. hof- 



mandi, I. baden, zich baden; ricochet- 
teeren van een kogel, die even het 
water of den grond raakt ; mandi darah^ 
geheel bebloed zijn; mandi tijati, buik- 
bading, een plechtigheid ter helft van 
de zwangerschap; mandi wilddah^ zich 
baden na het baren; mandi nifds, zich 
baden op den 40sten dag na het baren; 
mandi bakal^ voorloopige wassching van 
het lijk, wanneer het eigenlijke baden, 
mandi mait, noch niet kan plaats heb- 
ben; mandi-mandiy allerlei baden; me- 
mandikan, iemand of iets baden; ber- 
mandikan ajar-matanjay in tranen ba- 
den; mandi peloeh^ in zweet baden; 
ma?idi kapada hoedjan^ in den regen 
baden; permandiaUy badplaats; tenggara 
mandi f zie tenggara; poeteri mandi, e. 
s. V. koekjes. II. Jav. vergif, vergiftig, 
venijnig. 

xnandil, tafelkleed, zakdoek, hoofddoek. 

xnandira, een soort van boom, ficus 
Rumphii. 

maxK^a, Men. andja, zie ald.; door 
verwenuing en toegeving gehecht zijn; 
mèmpirmandjakan, verwennen, toegeven 
in alles en daardoor aan zich doen 
hechten. 

inan<^apada, zie majapada. 

xnAn^apakit, = madjapahit, zie 
madja, 

man^jênoen, zie madj^noen. 

xxiancyoens, I. groote fakkel, bij de 
orang laoet; memandjoeng, met zulk 
een fakkel vischvangen. Zie soeloeh. II. 
zie andjoeng» 

mandoel, I. onvruchtbaar, kinderloos, 
ook van een hen, die geen eieren legt. 
II. een deel van het gegraven goud- 



erts, gegeven aan de vrouwen, die het 
eten en drinken aan de gravers heb- 
ben gebracht. Pad. bov.1. 

xnandpens:, = bandoeng, haan; man- 
doeng saboengan, vechthaan. H. Boedj. 

mandoera, = manoera, zie ald. 

mandor. Port. opzichter over werk- 
volk. 

xnanfaat, Arab. nut, voordeel, baat, 
vruchtgebruik. 

xnangahy kloppen, uitslaan, d. B. 

xxiansasy e. s. v. boom. 

mangëli, e. 8. v. tuinvrucht. 

man^ga, Skr. e. s. v. mempelam-YixLcbLi. 

maxijssalay Skr. heilspellend, gelukkig, 
gunstig V. begin. 

znansgah, e. s. v. boom, vdW. 

manssar, de steel, waarmede de vruch- 
ten van palmge wassen aan den ptUpah 
zitten. Jav. bloesem van de kokospalm. 
Men. de hoofduerf bij de bladeren der 
palmboom en. 

xnangsi, Ind. Eng. m a n g 1 e , « bakau, 
de wortelboom. 

xnansjeis, «= manggistan, zie ald. 

maQssistan, een soort van bekende 
zeer aangename vrucht, bij verkorting 
ook manggis genoemd. 

manggoel, e. s. v. boom, die hout le- 
vert, geschikt voor den kiel van vaar- 
tuigen. Mal. Sam. II. pag. 251. 

raanskabi, hard, ongaar, van gekookte 
spijzen. Zie ook engkah en méngkal. 

xnanskar, nog hard, niet gaar, niet 
murw; verhard van het gemoed; limau 
mangkar, e. s. v. harde oranje- appelen. 
Zie makar en bangkar. M6n. mangkal id. 

mangkat, overlijden, overleden, van 
Vorsten, zie angkat ; mangkai btradoe, 
ontslapen. 

xnanskin, meest algemeene uitspraak 
van makirtj zie ald.; semangkin en se- 
makin, zie makin. Ook wordt het soms 
mingkin, uitgesproken. Zie o. a. Mal, 
Sam. II. p. 159, 187 en 215. 

mangkoe, zie pangkoe. 

xnanfikoeboexni, lijksbestierder, eerste 
minister, = pradana manteri en benda- 
kara. Samengesteld uit mangkoe, op 
den schoot houden en boemi, de aarde. 

xnanskoer, een soort van gesneden of 
gegoten bloem werk, b. v. aan een draag- 
stoel, drankzetje, likeurstelletjé, olie- 
en azijnstel enz. 

manfikok, kom, kommetje, kopje; 
mangkojp kapala kambing, een soort 

16 



242 



maneoe — mara. 



van groote porceleiuen kom van Chi- 
neesch maaksel, waarin wel een geiten- 
kop kan; m. djeloe^^ een diepe kom; 
boetoah kembang samangkojp^ een soort 
van vrucht, die in het water geweekt, 
zoo uitdijt, dat zij een kommetje valt. 
Zij wordt in de tjintjaoe gemengd. Zie 
kepajang en mérpajang. 

raangoe; Urmangoe-mangoej suf, in 
droef gepeins verzonken voor zich sta- 
ren; itrmangoe saptrii orang jang 
mabo^, versuft als iem. die dronken is. 
Zie ingU'inga. 

mangoel» e. s. v. boom, die timmerhout 
levert voor werk van tijdelijken aard. 
Zie manggoel. 

xnangoety zie ngangoet. 

xnanjssa., Skr. prooi, dierlijk voedsel; 
menij^hari mangsanja, zijn prooi of voed- 
sel zoeken, van het wild gedierte. 

xnanfisiy Mën. indigo; ook mansi; Jav. 
inkt. 

znani, Arab. teelvocht. 

mëinï, Arab. weigerend; verhinderen. 

xnanik; mani^-mani^y kleine koralen 
van allerlei kleur; bermani^-manii?, 
parelen van het zweet, b. v. kingga pe- 
loehnja pon btrmani^-mani^ didakinjay 
tot het zweet hem op het voorhoofd 
parelde: Skr. maniy juweel, edelge- 
steente, ook mantra. 

mdnikaxn, Tam. e. s. v. edelsteen, ro- 
bijn, karbonkel. Skr. manijpa. 

manira» Jav. ik, uw nederige dienaar, 
= patik, 

xnani«, zoet, lief, vriendelijk, lieftallig, 
innemend; kajoe manisy zoethout; k. 
m, sailatty kaneel; djari manis, ring- 
vinger; hitam manisy zie bij hitam; 
manisan, honig; manis-manisany confi- 
turen; pemanis en permanis, wat liefe- 
lijkheid bijzet, bevallig maakt, zooals 
b. V. kuiltjes in de wangen enz. wat 
aan spijzen een aangenamen smaak 
geeft enz. memaniskan moeka, een vrien- 
delijk gelaat zetten. 

xnanoe, eigenn. van een der half hin- 
doe-Javaan sche godheden; Jang Manoe 
Bakoe ^ ld. Komt in de Pr. Dj. voor 
in vereeniging met Ardjoena Sasra 
Bakoe. 

xnanoek, Jav. vogel, « boeroeng ; ma- 
noe^p-ntanoe^, e. s. v. boom; manoe^ 
dewaia, godenvogel dat is de paradijs- 
vogel. 

manoera» een soort van tooneelver- 



tooning, afkomstig van Sijam, ook mën- 
doera. Zie majoeng, 

znëlnoesüa, Skr. mensch, in tegenover- 
stelling met andere wezens. 

xnansi, zie mangsi, 

xnansoer, Arab. overwinnaar, met Gods 
hulp. 

xnantega, Port. boter; boenga mantegay 
e. s. V. groote, gele kelkbloem. 

xnantêra, tooverspreuk ; rmmanierdiy 
betooveren, door het opzeggen van een 
tooverformule over iets. 

mantêri, Skr. raadsheer, minister; ook 
titel van mindere hoofden op Java; in 
het schaakspel de koningin; pradana 
manfëriy eerste minister; paramanteri, 
de gezamenlijke ministers. 

znanti, bij het tolspel degene, die het 
verliest, b. v. ditarik oeri sampai megaty 
siapa jang kalak ioeroen mendjadi 
mantiy M. Sam. 

xnantik:, Arab. logica, redevoering. 

mantja, Jav. montjay verschillend ; jo/wa 
mantja dipatiy de verschillende dipati's; 
mantja negaray de verschillende dis- 
tricten. 

xnanljaw-êrna, veelkleurig, Pr. Dj. 

znantjinfi:, Jav. hengelen. 

xnantjit, een soort van kleine muis; 
mantjit boesoe^, stinkmuis, d. B. 

znanijoeng:, puntig, spits vooruitste- 
kend, van een neus, snuit enz. Zie 
pantjoeng. 

niantoek» Jav. terugkeeren, huiswaarts 
gaan. 

manzil, Arab. aanlegplaats, rustplaats. 

man^jdt, Arab. vlucht; weggaan. 

maoe, volstrekte wil, willen; het ver- 
eischt of is noodig; tnaoe ta^maoCy wil- 
len of niet, tegen wil en dank; maoe,.. 
maoey hetzij .... of; maoelah soedah 
didalam aaboelaUy het moet binnen 
ééne maand af zijn; maoe UkaSy het 
vereiseht spoed; maoe bitjara betoel- 
beioely het vereiseht goed overleg; maoe 
koedjaUy het zal gaan regenen. 

znaoenis» onaangenaam, walgelijk van 
smaak of reuk; volgens vdW. versch 
riekend, zooals gras, bladeren enz. 
pahit maoengy walgelijk bitter. 

mapag, Jav. inhalen, geleiden. 

xnar, Arab. mlêngemary de koningin schaak 
zetten. 

xnara, I. Skr. leed, ongeluk; mara- 
behajay leed en gevaar; mémhêri maray 
leed veroorzaken; orang pémaray een 



marab — - masing. 



248 



ongeluks vogel; kota-mara, zie bij kota. 
II. voorwaarts; oendoer mara, voor- en 
achterwaarts, avanceeren en retireeren; 
memarakan, voorwaarts doen gaan ; 
b. V. memarakan koedanja; pérahoe 
ta'holih mara, het vaartuig kan niet 
vooruitkomen. III. draaibank kleiner 
dan de èindoe, Mal. 

xnarahy I. ook emarak, toorn, boosheid, 
toornig, boos; herhangatlah marahnja, 
zijn toorn was ontstoken; menahani 
marahnja, zijn toorn bedwingen; me- 
marahi, toornen of boos zijn op; kama- 
rahan, toornigheid; sedikit marah ba- 
nja^ ampon, wordt gezegd van iemand, 
die goed voor zijne ondergeschikten is; 
pemarah, brompot, knorrepot, iemand 
die altijd boos is. II. = merah, zie ald. 

raarak, opvlammen; memara^, doen 
opvlammen, stoken. 

maras, Jav. angstig, beducht, ongerust. 

znarboet, Arab. e. s. v. geestelijken. 

mardabeka, vrij v, slavernij of dienst- 
plichtigheid ; memardahekakan, vrijge- 
ven, vrijlaten van slaven; m. karma 
Allah, hetzelfde zonder vergoeding. — 
Skr. een geestelijke of priester, die vrij- 
gesteld is van heerediensten. 

xnardja, Arab. terugkeer. 

mardjan, Arab. bloedkoraleu. Zie poe- 
walam, 

xuareka, = orang, volk; mareka-itoe, 
pers. Voornw. 3e pers. mrv. 

xxiarsa, Skr. stam, district; Jav. weg, 
middel. 

xuargasatwa, Skr. het wild gedierte, 
het gedierte des velds. 

xnarbóém, Arab. wijlen, zaliger, letterl. 
Gods barmhartigheid ondervindend. Ook 
wordt alleen met dit woord de over- 
leden Sulthan bedoeld. 

mari, herwaarts, hierheen, kom hier, 
welaan, komaan; herwaarts komen; 
kasana kamari, her- en derwaarts; pe- 
maren, wijkplaats, rustplaats onderweg, 
= petedoehan, N. Sum. 

marlob, Arab. de planeet Mars. 

xaarifat, Arab. erkenning, onderschei- 
ding, kennis, wetenschap, inz. in de 
mystieke wetenschap der Soeii's. 

martiam, kanon, grof geschut, volgens 
Maxw. Port. en afgeleid van Maria, 
daar de Portugeezen dien naam bij 
het vuren aanriepen; boewah marijam, 
kanonskogel. 

marjan, e. s. v. boom. 



marik, Arab. scheurmaker, schismatiker. 

marjam^ Ar. Maria. 

xnaroe, plaaggeest, in eigenlijken on 
figuurlijken zin. 

xnaróéf, Arab. het goede. 

xnartabat, Arab. ambt, waardigheid, 
betrekking ; eigenl. trede, sport van een 
ladder. 

martel. Port. hamer, moker. 

mas, goud, zie emas. 

xnaisa, I. Skr. tijd, tijdperk, seizoen, 
toen; masa Allah, het stervensuur; 
daripada soeatoe masa kapada soeatqe 
masa, van tijd tot tijd; II. het zou 
wat, het mocht wat; masakan, hoe zou 
dan, samentrekking van masa en akan, 
== masakah ; masakan bodoh ija, hoe 
zou hij niet weten. III. ter masa zie 



raasaïl, Arab. meerv. van masdlat. 

inasak, gaar, rijp; gereed, klaarge- 
maakt, volkomen, tot stand gebracht, 
goed verteerd van mest enz. ; koken, 
gaar maken; masalc di-adjar, volleerd; 
sirih masa^, klaargemaakte sirihpruim ; 
masa^ timah, tin smelten ; masa^'masai;, 
allerlei koken; masa^ ajar, goed gaar, 
goed afgewerkt, goed verricht. Men. 

xnasëlkat, Arab. aanzetten, dringen. 

xnasalat, Arab. vraagstuk; memasalat- 
kan, tot een vraagstuk maken. 

xuasalla*, Arab. bidmat. 

xnasaixi, (van asam) zuur, stroef staand, 
van het gelaat. 

xnasarrat, Arab. blijdschap, vroolijk- 
heid, vreugde. 

xnascbaraty Arab. potsenmaker, mas- 
kerade. 

xnasdjid, Arab. moskee; almasdjidoe 
*l^ardm, de moskee te Mekka. Zie 
mandarsah. 

xnasbëlf, Arab. boek; alma§fydf, de 
Koran. 

raasib, nog, meer; masih lagi, nog al- 
toos meer. Waarschijnlijk van het Jav. 
iajfsih. 

xnasib, Arab. gezalfd; almasi^, de Mes- 
sias, Christus; almasift ad Dadjal, de 
anti-christ. 

xnasibi, Arab. christelijk; iarich m., 
Christel, jaartelling; orang m., christen; 
masoe^ masi^i, tot den christelijken 
godsdienst overgaan, christen worden. 

xnasin, (van asin) zout, ziltig. 

masins, (van asing, afzonderlijk), ma- 
sing-masing, een iegelijk, ieder in het 



244 



xna^Jakkat — xxiata. 



bijzonder; meestal gebruikt van per- 
sonen. 

xnasjakkat» Arab. moeite, last. 

naasjgróél, Arab. bekommerd, vervuld 
van beslommering, zich steeds met iets 
bezighouden, zich bekommeren, zich be- 
zwaren j kamasjgroelan^ bekommering ; 
kadoewa bagai masjgróél baginda^ die 
Vorst maakte zich over twee zaken be- 
kommerd, I. J. 

masjhóér, Arab. alom bekend, beroemd, 
vermaard, ruchtbaar ; mémasjhóérkan, 
alom bekend maken, verbreiden, ver- 
kondigen, publiceeren. 

xnaeyrik, Arab. het Oosten. 

mafijröë. Ar. e. s. v. zijden stof van 
Surate. 

maskat, de naam van een groot rijk 
in Oost-Arabië. Zie ook beskat. 

xxiaski. Port. masqué, hoewel, of- 
schoon. 

xnaslakat, Arab. middel, list, = tipoe 
en daja. 

xnasoe, e. s. v. zee-egel; ook e. s. v. 
boom, welks hout alleen goed is voor 
brandhout. 

znasóéky Ar. zalf, smeersel. Zie masi/i. 

rxxasoek, (van het Jav. asoeii)^ binnen- 
gaan, ingaan, binnengaan, overgaan 
tot, zich mengen in, ondergaan van 
hemellichamen, b. v. masoeljp kadalam 
roemah, in huis gaan; masoele kadalam 
iampa, iets waarschijnlijk of mogelijk 
vinden; iiada masoel^ kadalam tampa^ 
iets niet waarschijnlijk vinden, het wil 
er bij mij niet in dat . . . ; masoelie moe- 
loet ^ ergens den mond insteken; rné- 
masoeipkan, doen binnengaan, toevoegen, 
trekken bij iets, ook doen om iets, 
o. a. een ring of hoepel, b. v. di- 
masoe^kannja tjintjin pada djarinja, 
hij deed den ring aan zijn vinger; 
tikar dimasoe^kannja kalehernja, hij 
kroop tot aan zijn hals in die mat; 
m'ëmasoe^kan dirinja en rnëmasoekiy 
zich mengen in, zich bemoeien met; 
moêoe^ n^atakari, ondergaan van de 
zon; matahari masoe^^ het Westen; 
masoe^ oeloer, lijfeigen worden, in 
lijfeigenschap geraken; masoe^ pada, 
van een zaak: er bij behooren, aan- 
gaan; masoe^ bersama'Sama dïngan, 
het houden met, b. v. den vijand, ge- 
meene zaak maken; ptrahoe masoe^- 
masoe^ ajar, het vaartuig kreeg tel- 
kens water binnen ; kamasoekan sjaifdn. 



door den duivel bezeten, zie ook rasoe]p\ 
masoejp islam, tot den mohammed. gods-' 
dienst overgaan ; masoe^ strani, tot den 
roomschen godsdienst overgaan ; masoe^ 
fhase^i, tot den protestantschen godsd. 
overgaan; masoejp perang, deelnemen 
aan den krijg; masoe^ foldadoe, dienst 
nemen als soldaat; masoejje biijara, aan 
een beraadslaging deelnemen; masoefp 
tangan, de hand leenen tot; bermasoe^- 
masoekan, herhaaldelijk binnenkomen 
van velen. 

mastër. Eng. mijnheer. 

xnastoeli, Arab. e. s. v. zeer grove 
stof; b. V. djoewal soefëra, b'ëli mas- 
toeli, zijde verkoopen en zakkelinnen 
koopen, Sprw. 

xnat, I. zie emat. II. mat-mai, spiertrek- 
king, b. V. van een geslacht beest. 

mata, Arab. koopwaar. Zie bij benda. 

xnata, oog, in alle beteekenissen ; b. v. 
mata-ajar, bron, wel; maia-angin, wind- 
streek ; mata-ajam, kortzichtig, bijziend ; 
mata-benda, schatten, goederen, van het 
Ar. matda, zie het vorige woord; mata 
bioekoe, kwijnende oogen, zie bioekoe; 
mata boekoe , knobbel van een gewricht ; 
mata bedil, vizierkorrel; mata-boelan, 
4 van de maan, b. v. soedah tiga mata 
boelan, tusschen Ie kwartier en volle- 
maan ; mata daging -daging an, de staar, 
vdW. Gen. t.; mata-datjing, de teekens 
op een chineesche unster, die het aan- 
tal kati's aanwijzen; mata-djalan, voor- 
post, voorrijder, voorhoede; mata-da- 
gangan, soort van koopwaren, zie mata, 
Ar ; mata-djaring, maas van een net; 
mata-gelap, tijdelijke zinsverbijstering; 
gelap-mata, duizeligheid; mata goelai, 
soort, van • toespijzen ; mata-goenting, 
de punten van een schaar; mata-hati, 
het oog des geestes; matahari, de 
zon; mata-ikan, wrat, puistjes, die na 
de pokken opkomen; mata-kain, de 
ruitjes van een weefsel, ook de figuren 
of bloemen op een weefsel; mata-kdil, 
vischhaak; mata-kajoe, kwast in het 
hout; mata-kaki, de enkel van den 
voet; niata-klêli, e. s. v. boom, welks 
hout gebruikt wordt voor rondhouten 
en daksparren; mata kau, chanker, zie 
réstoeng; mata-k^pala, het lichamelijk 
oog; mata-kakap, geboord gat in den 
bodem van een vaartuig ter loozing of 
binneulating van water; mata-iere^, 
schijf van een katrol; mata-koetjing, 



matabiari -^ znatxxióérat. 



245 



katoog, e. s. v. edelgesteente, de blauwe 
oogen der Europeanen, e. s. v. plant, 
zie ook damar; mata-k'êris, het lemmet 
van een kris; mata-loeka, gat van de 
wond; mata-marijamy zundgat van een 
kanon; mata oewang, klinkende munt, 
specie ; mata padja^^ belastingplichtige, 
Palemb.; mata panah, punt van een 
pijl; mata pedang, lemmer van een 
zwaard ; maia-pisau, lemmer van een 
mes; mata-peter, bliksemflits; mata- 
p)èdoman, de strekea op een compas; 
mata-minentangy gezichtsafstand; mata- 
poenaif zie bij poenai; mata-soesoe^ de 
tepel; mata'Sangkoer, bajonnet; mata- 
ijer^min, brilleglas ; mata tomdol, uitpui- 
lende oogen; mata-tong, spongat; mata- 
mata, policiedienaar, douaan, spion; 
samata-mata, geheel en al, eenig en 
alleen, zuiver, enkel, louter; termata- 
mata, blijkbaar, voor aller oog, in het 
openbaar; samaia, allen, geheel en al, 
de gezamenlijke. Mogel. e verbastering 
van samësta; samata anal<: tangga, één 
sport van een ladder; memboewang- 
boewang mata, een oogje in het zeil 
houden; memberi mata, opletten; ber- 
mdin mata, elkander knipoogjes geven, 
blikken van verstandhouding wisselen; 
bidji-mata, oogbal; orang-orangan mata, 
de pupil van het oog; memata-matdi, 
het oog op iets houden, b. v. orang 
makan itoe dimata-matdi, soepaja dja- 
ngan b^rsalahan adat, Sadj. Mël. 

matahari, de zon; m. hidoep, het 
Oosten; m. mati, het Westen; boenga 
matahari, de zonnebloem. 

matahar. Ar. het vagevuur, v. tdhir, 
zuiver, rein. 

matanfi:, zie ptrmatang. 

matëns, Jav. gaar, rijp, zie masaje. 

xnati, dood, uitgebluseht, ten einde, on- 
bewegelijk vast; zonder klinker, van 
een medeklinker; stil, gaan liggen, van 
den wind, stilstaan van het getij, 
doodtij; h. Y. orang mati, een doode; 
karga mati, de naaste prijs; simpoel 
mati, vast in de knoop, een knoop die 
niet weer los kan; daging mati, niet 
meer versch van vleesch of visch; 
tanak mati, dor, onvruchtbaar land; 
angin mati, wind die is gaan liggen, 
windstilte; mati angin, fig. voor ver- 
weekelijkt, verwijfd, b. v. iigala man- 
firi hoeloebalang Sjah Alam orang mati 
angin, djangankan mélawan moesoeh, 



toenggoel kajoe boeroe^ pon tidalp ter- 
belah; belandja mati, vast inkomen; 
djari mati, de middelste vinger; mata- 
hari mati, de ondergang der zon, het 
Westen; satengah mati en saparo mati, 
half dood; mati mampoes, morsdood; 
mati beragan, zie ald. ; dipoekoel mati, 
geheel, met kop en al, ingeslagen van 
een spijker; di-ikat mati, zóó gebonden, 
dat, het niet meer los kan; mati di- 
boenoeh, vermoord, omgebracht, ter dood 
gebracht, ook een scheldwoord voor: 
galgenbrok, galgenaas; mati b^rangai, 
schijndood; mati modar, verstikt, = 
mati lemas of m. kalemasan en m. 
tèpoer ; mati t^rsalai in den rook ge- 
stikt; mati poetjoelp, impotent; mati- 
mati, zooveel mogelijk, ten volle, ter- 
dege; TTiémboewat mati dirinja en me- 
matikan dirinja, zich doodstil houden; 
mematikan, ook: goed vast binden of 
inslaan; uitblusschen ; kamatian, de 
dood, bestorven, door den dood verloren 
hebben, doodelijk; kamatian sehaja, 
mijn dood; kamatian anajpnja, zijn kind 
door den dood verloren hebben; roemah 
fcamatian, sterfhuis; kamatian angin, 
door windstilte overvallen worden; 
loeka kamatian, een doodelijke wonde; 
Soms moet het met leven worden 
teruggegeven, b. v. kamatiankos int 
dalam tangan La^samana, mijn leven 
is in L.'s hand; m'éngambil maiinja, 
hem het leven benemen; kamaii-matian, 
tot den dood toe, b. v. van lachen en 
weeuen, ook schijndood; b^rmati-matian, 
sterven van velen, zich opofferen; ber- 
mati-mati perang, strijden tot den dood, 
zich doodvechten; btrmMti-mati, zijn 
uiterste best doen, b. v. ija sangat 
bermati-mati hendak masoe^ ; btrmati- 
mati nCèng^rdjakan pek^rdjadn ; ook z. 
dood werken, aftobben, b. v. m'ëngapa 
djoega akoe bermati-mati, boekan akoe 
jang b)irolih poeféri; {trmati-mati de- 
ngan laki, zich afgetobd hebben om een 
man te krijgen? m^njehadjakan mati, 
het op iemands leven toeleggen 

xnatja» I. e. s. v. schelpdier. P. e. s. v. 
vischje, Pist. II. Jav. lezen, zingend 
voordragen. 

xnatjam, monster, soort, model,' slag, 
staal, proef; mat jam-mat jam, allerlei. 

znatjan, Jav. tijger, « harimau. 

xna^ans, zie embatjang. 

znatmóérat, Arab. kelder. 



346 



xnatoe 



znekis. 



xnatoe. Tam. graad van een zekere 
tiendeelige schaal om goud te wegen j 
^mas sayoeloeh maioe^ het fijnste goud, 
bij ons van 24 karaat. Soms wordt 
ons karaat ook door matoe weergege- 
ven, b. V. ^mas toedjoeh belas matoe ^ 
goud van 17 karaat; mematoekan, het 
gehalte van goud bepalen, b. v. djika- 
lau saperti emas, dapat di-oedji, di- 
matoekan toewa mocdanja, zooals onder 
anderen goud, dat kan getoetst en het 
gehalte er van bepaald worden. B. R. 

xnatoer, Jav. titel van de 4e gemalin 
des Vorsten, samentr. van maha atoer. 

znanbadzëixi. Ar. priester der Magiërs 
V. mauhadzy vuuraanbidder. 

raatsnawi, een Perzische dichtsoort. 

xnatoh, bij voortduring naar dezelfde 
richting gekeerd, of naar hetzelfde doel 
strevend, of hetzelfde werk verrichtend. 

xnaudjoecl, Arab. wat gevonden wordt, 
wat er is; tegenwoordig, bestaande. 

mauhid, Arab. zeggen dat er één is 
(van God). 

znaulaija, Arab. mijn Heer! 

vaAxHénaéiy Arab. onze heer. 

xnaulid, Arab. geboortetijd, geboorte- 
plaats. 

znant, Arab. de dood; het bestemde 
uur van den dood; Vtlom mant, belom 
mati, als iemands laatste uur nog niet 
geslagen heeft, sterft hij nog niet; 
Icadatangan mauty komen te sterven of 
te overlijden. 

mawar, Perz. boenga mawary roos; 
pokoiff mawar, rozestruik; ajar mawar ^ 
Tozewater. Zie ook iawar. 

xna'was, e s. v. zeer grooten aap, die 
door ons verkeerdelijk orang-oetan ge- 
noemd wordt. 

mawin» zie bij kawin. 

xnazijat, Arab. ongehoorzaamheid, re- 
bellie. 

xnazmoer, Arab. psalm van David. 

xnazóél, Arab. afgezet, verwijderd; 
mazoelkan dirinja, zijn ontslag nemen 
uit ambt of betrekking, v. e. Vorst 
abdiqueeren. 

me. Voorvoegsel tot vorming van het 
Act. trans. Verandert in mïm, men, 
meng en mïnj. Zie de Grammatica. 

xneddn, open plaats, plein, vlakte, ren- 
baan; medan p)èperangan, slagveld; 
tempat plêrmedanan, plaats met open 
gronden, open vlakten. 

oiédani;» e. s. v. boom met geel, licht, 



zacht hout, dat jeuking veroorzaakt op 
de huid. Van den stam maakt men 
door uitholling kano's. Soorten zijn: 
m. keladi, m. koening, m. paoek, m. 
hantoe en m, boewaja. 

inëdil, = bMü, vuurwapen, geweer; 
bermedil, met vuurwapens schieten; 
permedilan, geweerschot; saptrm^dilan 
djaoehnja, zoover een geweerkogel 
draagt. 

xnedja, ook medjah, tafel, zie mesa. 

xnêdjam, I. stilstaan, van een tol, 
vdW. II. sap, uit hoornen getapt. P. 

medjan, e. s. v. dobbelspel met twee 
groote dobbelsteenen op een achtkant 
bord; papan medjan genoemd. 

mëdjana, en mendjana, middelmatig, 
van een werk; samendjana, middel- 
matigst. 

mëdjëra, zie pedjera. 

xnëdzbah., Arab. altaar, plaats waar 
een dier geslacht wordt. 

mega, Skr. wolk, witte wolk, waarin 
geen regen is ; mega berara^, voort- 
stuwende wolken; m. p^as, e. s. v. snij- 
werk als ornament, ook mega ti^gas; 
mogel. het Jav. i^ges en daarv. Ugesa^i, 
overgeschoten stuk. 

mëgah, roem, beroeming, verheffing; 
memegahkan dirinja, zich verheffen, zich 
beroemen; bermegah-megah akan, zich 
beroemen of verheffen op; bïrolih 
megah, roem verkrijgen; penggahan, 
fierheid, R. v. Eys. Het grondwoord 
schijnt gak te zijn, zie o. a. M. R. 
pag. 156 en 223 enz. 

mëgak, vrijpostig, ongegeneerd. 

mëgal, = P'ègal, zie ald. 

mejZB>n, e. s. v. dodol, zie ald. 

mëgar, Jav. opengaan van bloemen, 
opkomen van deeg, uit elkander gaan 
van haar, rijstaren enz. 

mëgat, I. titel van aanzienlijke perso- 
nen uit de oorspronkelijke bevolking, 
van goede afkomst. In het Mën. groote 
heer, Seigneur, volg. Max. titel van 
een hoofd, dat slechts van ééne zijde 
van adellijke afkomst is. II. stilstaan 
van een tol, zie legat en Ugat. 

mëkar, niet behoorlijk ontwikkeld, van 
vruchten, vdW. nog niet geheel ont- 
loken, van bloemen, P. Zie bhtgkar. 

mëkah, Mekka, stad in Arabië. 

mêkek, e. ongearticuleerd geluid geven, 
V. dieren of e. trompet. Abd. M. p. 21. 

mëkis, zie méngkis. 



tnëksa — • xnemantjang:. 



247 



i^aëksa, Jav. Zie ipalcsa I. 

xnëlaboewi, e. s. v. plant. 

xnêlaïnkan, zie Idin. 

xnëlajoe, is van Jav. oorsprong en be- 
teekent vluchten, evenwel in die be- 
teekenis bij de Maleiers niet bekend; 
orang melajoe^ Maleier; melajoe-mela- 
joewan sedikit, ietwat op zijn Maleiscb. 

mêlambang;? b. v. kemoenijahija dari- 
pada mêlamhang emas oerai/' 

xnêlans, een soort van bloem, wel- 
licht = meioer, 

xnëlapariy e. s. v. boom. H. A. 

xnëlapëngaziy e. s. v. plant. 

mëlarat, verb. van het Arab. madlarat, 
zwerven, dolen. Zie ook larat. 

mëlas, niet sluitend, van zaken die tegen 
elkander gehouden worden, b. v. twee 
planken. 

mëlati, Jav. de ind. jasmijn, een wel- 
riekende bloem. 

mëlatjak, = belatjaf; II, zie ald. 

xnëlengy onoplettend, nalatig, onver- 
schillig, vdW. Zie het volg. wrd. 

xnëlenga, slenteren, zie lenga. 

xnëlikoeran, e. s. v. eetbare vrucht. 

xnëli'wis, Jav. kleine, wilde eend. Zie 
bUibis. 

xnëloer, e. s. v. zeer welriekende jasmijn, 
op Java mêlati geheeten, waarvan twee 
soorten: de enkele en de dubbele; m. 
djantan ? 

mëxnadakan, genoeg doen zijn, zie 
pdda. 

mëxnadamkan, uitblusschen, zie 
padam. 

mëmadans, zie padang. 

znëmadaty induwen, instoppen, zie 
padat. 

mëmadjan, blootstellen, zie padjan. 

xnëxna^angkaii, zie padjang. 

raëtnadjoh, gulzig eten, zie padjoh. 

xnêxnadoe, zien of het past, zie padoe. 

znëzziasari, omheinen, zie pagar, 

xnëxnasoet, bijten, pikken, zie pagoet. 

tnëxxiahat, beitelen, zie pahat. 

xnëxnahitkan, verbitteren, zie pahit. 

xziëzn^ari, bekruisen, kruisen op, zie 
pajar. 

xnëmajoekany prijzen, een prijs be- 
palen, zie pajoe 

xnêmakai, gebruiken, aandoen, zie 
pakai. 

znëmakal, kalefateren, zie pakal. 

xnêmakoeï, bespijkeren, zie pakoe. 

mëznaksa, dwingen, zie pa^sa. 



mëxxialaiii, bedekken, zie palam, 

mëmalang, dwarsboomen, kruisigen, 
zie palang. 

xnëxnalary op iets rekenen, zie palar, 

xnëznalet, een smeer of veeg geven, 
zie palet, 

mëxnalingkan, wenden, keeren, zie 
paling, 

mëmalis, opzij wenden van het gelaat, 
zie palts, 

xnëmaloe, slaan, zie paloe, 

mëxnaloet, inwikkelen, omgeven, zie 
paloet, 

mëxnaxiah, met den boog schieten, 
zie panah. 

mëxnanasi, verhitten, zie panas. 

mëxnandai, zich als knap voordoen, 
zie pandai. 

xnëraandakkan, bekorten, zie panda^. 

xnëmandaxig:, aanschouwen, zie pan- 
dang, 

zuëmaiidjangkan, verlengen, zie 
pandjang, 

mënoiaiidjat, klimmen, zie pandjat, 

mëmandoe» loodsen, zie pandoe, 

xnêinaiig:, berispen, tevens verwijten 
van genoten weldaden. 

xnemans, steeds van vroeger af, van 
natuur, natuurlijk, van altijd her, van- 
zelf sprekend, uit den aard der zaak 
voortvloeiend, b. v. ber§a^abat memang^ 
steeds vrienden geweest zijn; ambillah 
memang^ neem het al vast ; samemangnjay 
meestal. Hik. Boedj. 

rDëxnanegans, roosten, zie panggang. 

xnëmangsnll, roepen, zie pang gil, 

mëxnangkah, pikken met een tol, zie 



znéxnanskas, afbouwen, zie pangkas, 

xnëxnangkoe, op den schoot of op den 
gebogen arm houden, zie pangkoe. 

mêtnangkoeng:, met een knuppel of 
stuk hout kloppen, zie pangkoeng. 

zxiëlxianskoez*, met een houweel be- 
werken, zie pangkoer. 

xuëmangoeB, snakken van visschen, 
zie pangoes. 

znëxnantak, indringen van puntige 
lichamen, zie panta}?, 

xnëxnantau, zien hoe het er mee is, 
van pantau. 

mëmantik, vuurslaan, zie panülp, 

caëixiantisy verfraaien van de wenk- 
brauwen, zie pantis, 

xnëmanfcjanfi:, voorloopig over iets 
spreken, zie panljang. 



uiêxnanljar — xaëxnincipin. 



mëmantjar, uitspuiten, zie pantjar. 
xnëxnaxL^il, de handen vouwen, zie 

pantjil. 
xnëxnantjoeng, den kop afslaan, zie 

pantjoeng. 
mëxnantjoer, nederwaarts spuiten, zie 

pantjoer, 
xnëmanljoet» opspuiten, zie pantjoet. 
xnëmantoel, terugspringen, zie pantoeL 
znëmaoek, naar zich toehalen met 

een haak, zie paoelc. 
xnëmaoet, zich vastklemmen, zie paoet. 
mëxuapah, iemand ondersteunen, zie 



xnëmapas, afnemen, van zijne plaats 
nemen, zie papas, 

xnëmar, gekneusd, gekwetst, gedrukt, 
gebutst, ook in de heelkunde. 

xnëxnarakan» verzamelen, zie para. 

xnëxnaranfi;, houwen, zie parang. 

xnëraarap, met de vuist beuken, zie 
parap, 

xnëmareb, het lot werpen, zie pareh. 

xuëmarik, aansteken, aanmaken, zie 
pari^, 

xnêmaroeh, pikken, zie paroeh. 

xnêmasanfi:, schikken, inspannen, vu- 
ren, opsteken, zie pasang. 

znëKnasoengkan, in het blok sluiten, 
zie pasoeng. 

mëznatahkan, breken, zie patah. 

xnëxnatëriy soldeeren, zie pateri. 

xnëxnatibkan, doen luisteren of vol- 
gen, zie paiih. 

xnëmating:, pennen inslaan, zie paiing. 

xnëmatJak, op stapel zetten, aan het 
spit steken, zie patjalc. 

xnëzxia'yoe, aansporen, zie patjoe. 

xnëxnaljoel, den grond omhakken; een 
zweer uitdrukken, zie patjoel. 

znëixiatoek» pikken, zie patoeif. 

mëmaioetkan» in overeenstemming 
brengen, zie patoet. 

znëmbaisaiixxanakau, hoe met iets 
handelen, zie bagai. 

xnëxnbaljaiis:, ook batjangy e. s. v. 
mangga-vrucht ; tnémbaijang hoetan, een 
variëteit met zeer kleine vruchten. 
Nog andere soorten zijn: m. iopih, 
m. lada, m, loempoer dalam^ m. tjoepa^^ 
m, pinggan dara, m. sakar h^rgantoeng, 
m. soekoe en m. sikoe, 

mêixiboery beuzelachtig ; zonder waarde, 
niets beduidend. 

mêmëdabkan» verklaren, uitleggen, 
zie p^dah. 



xnëmëdal, zie pédal. 

mëixiësang:, in de hand houden, zie 



xnëmebak, terzijde stellen, zie peha^. 
xnemek, grijnen, drijnen van kinderen. 
mëxnëleljeb, vleien, flikflooien, zie 

p^ileijeh. 
znëlxiëliharakan, verzorgen, zie peli- 

hara. 
xnëmëloek, omhelzen, zie peloe^. 
xnëxnënatkan, vermoeien, zie p^nat. 
mëmëndaxxL, begraven, zie pindam. 
xnëmendekkan, bekorten, zie pendeTp, 
xnëmëndiarakany in de gevangenis 

zetten, zie pendjara. 
mëmêngap, zie pengap. 
nüêmëngsal, afhakken, onthoofden, zie 



xnëndëniran, Jav. zie ambin. 
mëmënoebi, vullen, zie penoeh. 
xnëmëntirig:, zie penting, 
xnëmëpak, knabbelen, zie p^pa]f!. 
xnëznëpat, den doorgang beletten, zie 



xxiëmërab, uitpersen, melken, zie per^ih. 
mëmërara, zie përarn. 
xnëmërang, otter, = andjing-ajar^ Sw. 
mëxnëransi, beoorlogen, zie perang. 
xnëxaërap, de vederen opzetten, zie 

plèrap, 
mëxnëxdksaï, onderzoeken, zie p^riifsa. 
mëxnërentabkari, besturen, zie p}ê- 

rentah. 
znëmëroen, zie peroen. 
xnëmërok, instoppen, zie ph'o^, 
xnëraesons, zie pesong, 
xnëmëtik, afplukken, tokkelen, zie 

pMi^. 
naëxnëtjahkan, breken, zie pUjah. 
mëxnëtjal, zachtjes drukken, zie pUjal. 
inëznëtjatkan, afzetten, ontslaan, zie 

pUjat. 
mëmëtjoet, met een karwarts slaan, 

zie pMjoet. 
xnëraidai, e. s. v. boom. 
xnëmidljak, trappen, zie pidja^, 
mëxnidjit, knijpen, masseeren, zie 

pidjit, 
xnêxnyanfi;, zie pijang, 
raëmikat, lokken, vangen, zie pikat. 
znëmikirkan, overdenken, zie pikir, 
mëmikoel, dragen, zie pikoel. 
mëxniliby uitkiezen, zie pilih, 
xnêxnilixi, twijnen, zie pilin. 
mëmirapin, bij de hand geleiden, zie 

pimpin. 



xnëoiiiiaiig; — « mënamboelkan. 



249 



xuëininans, ten huwelijk vragen, zie 
piiiang. 

znëoiinda, zie pinda. 

mëixiindLaLikan, verplaatsen, verhui- 
zen, zie pindah. 

xaënaiiK^aixi, iets leenen van iemand, 
zie pindjam, 

xnëminta, verzoeken, zie pinta. 

mëmintal, tweernen, zie pintal. 

mëmintas, den yt^g afsnijden, zie 
pintas. 

mêznipisy fijn wrijven, zie pipis. 

mëmirik, tot poeder wrijven, zie piri^, 

xnënxisahkan, scheiden, zie pisah. 

meExiisat, ondervragen, zie pisat. 

xnëEnoecija, zie poedja. 

mëmoedji, loven, prijzen, zie poed^i. 

xniëiiioesar, zie poegar, 

mëixioekoel, slaan, zie poekoel. 

mëinoelaiigkan, teruggeven enz. zie 
poelang, 

tuënoLoelas, wringen, zie poelas. 

mëucioelitikan, weer bijeenbrengen, zie 
poelih. 

nciëmoensjsah, lossen, zie poenggak. 

mëmoeneoet, oprapen, zie poengoet. 

inëExioental, omwikkelen, zie poental. 

memoen toeng:, verminken, zie poen- 
toeng. 

mëmoepoekkau, pappen, zie poepoei^, 

mêmoepoet, blazen, zie poejjoel. 

caêmoesar, draaien, zie poesar. 

mëxnoesinskan, keeren, wenden, zie 
poesing. 

Tuënaoeiar, draaien, zie poetar. 

mënaoetihkaxi, witten, zie poeiih. 

mëmoetoeAkan, afbreken, zie poetoes. 

mëncioeAvaskan, verzadigen, bevredi- 
gen, zie poewas. 

mëmohon, verzoeken, zie pohon. 

mëmokok, zie poko^. 

mêmolok, opslokken, zie polo^. 

memo tong:, snijden, zie potong, 

mëcnpaoens» 6. s. v. boom, die hout 
levert voor pakkisten. 

mëmpëdal» zie hampedal. 

mëmpëlana, zie hamptlam. 

mëmpëlas, zie kampelaè. 

tnëmpënixig, e. s. v. boom, die licht 
timmerhout oplevert. 

metupër, Jav. gelijkenis hebben met, 
gelijken op. Zie ook sempïr. 

ixiëmpëraisakan, zie aga, 

mëmpëranakkan, baren, zie anak. 

mëmpêrbaxvf akkan, vermenigvuldi- 
gen, zie banjaje. 



mëmpêrdënsarkan, doen hooren, 
zie dingar. 

xnëmpërësiUkan, schoonmaken, zie 
heréiih. 

mëmpërsoendikkan, tot bijzit ne- 
men, zie goendi^. 

mëmpërhambakan, tot dienaar ma- 
ken of stellen, zie hamba. 

mëmpêrhins^gakan, tot grens stel- 
len, zie hingga, 

mëmpëringini, belust maken, zie 
ingin, 

mëmpêrnijagakan, verhandelen, zie 
benijaga. 

mëmpêrobatkan, er geneesmiddelen 
opdoen, zie obai. 

mëmpërolih, verkrijgen, zie olih, 

mëtnpoeloer, zie Kémpoeloer. 

mëmpoeryaï, iets bezitten, zie e»i- 
poenja, 

mëna, reden, oorzaak; gissing, bereke- 
ning, = kira'^ dengan tiada sarriéna- 
m^na^ zonder eenige reden; tiada sa- 
ména dtmikian kalakoewan, zonder re- 
den zich dus aan te stellen; wordt bij 
verkort, ook zonder tiada gebr. b. v. 
saména-rnena b^rsakit hati^ zonder re- 
den geërgerd; tiada t^p^rméndi^ niet 
te gissen, niet te berekenen zijn, onbe- 
rekenbaar. 

xnënaboeh, slaan, zie taJtoeh, 

mënaboer, zaaien, zie iaboer. 

mënadah, opvangen, zie iadah, 

mënaeak, trotseeren, zie tdgaie, 

mënasih, invorderen, manen, zie iagih, 

mënahan, tegenhouden, zie tahan. 

mënaharkan, onthouden, zie tahar, 

mënalxoen, overblijven, zie tahden. 

menak, Jav. edellieden, aanzienlijken. 

mënakak, aan elkander naaien, zie 
takajp. 

mënakar, meten, zie ^a^ar. 

mënakek, kerven, zie take^. 

mënakoetkan, vrees aanjagen, zie 
takoet, 

mënalai, dralen, zie talai. 

mënalak, zie talajp, 

mënalik, collationeercn, zie tali^» 

mënambahkan, vermeerderen, zie 
tambah, 

mënamba^, ophoogen, bedijken, zie 
tambajp. '- 

mënambans, overvaren, zie tambang» 

mënambafcy vastleggen, zie tantbat, 

mënamboelkan, kunsten vertoonen, 
zie tamboel. 

17 



250 



mênamboenfii -— xnëndjëroemat. 



mënamboensi, oübeschoft behande- 
len, zie tamboeng. 
mënamboenkan, yetmesten, zie iam- 

hoen. 
mënatnoe, onthalen, zie tamoe, 
xaënaxnpakkan, doen zien, zie tampaJ^. 
mënainpaly lappen, zie tampal, 
xnënampar, een klap geven, zie tampar. 
xnënainpas, afkappen, zie tampas. 
mënacapi, wannen, zie tampi. 
mënampik, afwijzen, zie tampi^. 
mëDampil, voorwaarts rukken, zie 

tampil. 
mënampong:, lappen, zie tampong. 
mënanak, koken, zie tana^. 
mënanam, planten, zie tanam, 
xnënanang;, op de handen dragen, zie 

tanang. 
mënaiidaïV teekenen, merken, zie tanda. 
mënandang:, bezoeken, zie tandang. 
mënanding, vergelijken, zie tanding. 
xuënandoek, met de horens stooten, 

zie tandoe^. 
mënanfi:, winnen, overwinnen; hamena- 
ngan^ overwinning; ook de teekens der 
overwinning ; d^ngan kamenangannja^ 
als overwinnaar; soedah menang dari- 
pada b^rperang, in den krijg de over- 
winning behaald hebben; 'ërtinja Man- 
f oer Sjah Hoe radja jang dimènangkan 
Allah daripada seyala seteroenja, de 
beteekenis van M. S. is: een Vorst, 
dien God al zijne vijanden doet over- 
winnen. 
xnënansani, de handen slaan aan iets, 

zie tangan. 
mënaiigas, stoven, zie tangas. 
xuënanseak, uitstellen, zie tangga^, 
mënanseala» ploegen, zie tang gala. 
raënanjKsalkan, afleggen, zie tang gal, 
mënansisainy lasschen, zie tanggam, 
mënanssc^xiS» vellen zie tanggang. 
mënaxifssar, op zich nemen, zie 

ianggar. 
znënaniss^oehkany uitstellen, zie 

tanggoeh. 
tnêxiaiie;i2;oens, instaan voor, zie tang- 

goeng, 
mënaneieok, met een mand visschen, 

zie tanggojf. 
raënanskal, afweren, zie ta*tghal, 
mënaniskapy vangen, vatten, zie 



raënan^kist afweren, zie tangkis, 
xnënanfckoel, met een totebel visschen, 
zie tangkoel. 



mênanjskoep, met een deksel sluiten, 

zie tangkoep, 
xnênantoe, schoonzoon, schoondochter, 

meest minantoe en Mën. binantoe. 
xnënapis, doorzijgen, zie tapis, 
men ar ah, behouwen, zie tarah, 
mënarbis, bedijken, zie tarbis, 
znënari, dansen, zie tari, 
xnënariky trekken, zie tariff. 
xnënaroh, zetten, zie tarok. 
xnendt. Ar. de naam v. e. afgod der 

heidensche Arabieren in ouden tijd. 
inënatang, op de hand houden, zie 

tatang. 
xnënatap, nauwkeurig opnemen, zie 

tatap. 
xnënatih, leiden, zie tatih. 
mënating:, in de handen wikken, zie 

tating. 
xnënatoe, wonden, zie tatoe. 
mëna^ran, gevangen nemen, zie tawan. 
mëna^var, bieden, krachteloos maken, 

zie tawar. 
mêndak, Jav. bukkend naderen, v. 

endaje = toendoe^. 
mëndaki, beklimmen van bergen ; rijzen 

van de zon. Zie mindaki. 
raëndap, bezinken, bezinksel; mendap 

kahwa, koffiedik. 
mëndarasy en semendaraSj de naam 

V. e. schaduwboom = dadap. 
xnëndëhoeloeï, voorgaan, zie dïhoeloe, 
xnëndëm, Jav. dronken, bedwelmd. Zie 

mabojp, 
mëndërang:, = benderang^ zie ald. 
mêndika, vloek of zegen van een, met 
bovennatuurlijke krachten begaafde per- 
soon of zaak. 
znëndikai, ook kemendikai, een soort 

van kleine watermeloen. 
xnëndira, de waringin-boom, Skr. ban- 

dira id. 
xriëndja, zie madja en radja. 
xuëxK^ak; saméndjajpy sedert. Zie 

sedja^i^ 
xnën<\jalena, zie andjalain, 
xnëndjana, zie medjana. 
xnëndjangan, Jav. hert. Zie roesa, 
mên4Jaroexxiy een soort van medici- 

nalen heester. 
xnëndjëlit», = madjelis, zie ald. 
mën^jëloerat, zie dj oer at. 
mëndjërëpak, op het lijf vallen, zie 

djlèrlèpa^. 
xuencyoroemat, stoppen, zie dj^- 
roemat. 



mëndmërongkiskan -— ixiëng:as:a]f. 



mën^ëronfilsiskan, zie djtrongkis, 
tnëndjërongkone, zie djerongkong. 
mëndjoensan, e. 8. v. vaartuig, H. T. 
xnëndoeng:, Jav. bewolkt, regenachtig 

betrokken. 
xxiëncLoera» I. het eil. Madoera. II. 

Zie manoera, 
xnënëbahy beuken, zie tebah. 
mënëbang:, rooien, zie iehang. 
mënebar, zie tehar. 
xuënëbas, wegkappen, zie tehas, 
mënëbat, af dammen, zie Uhat. 
xnënëboes, vrijkoopen, zie ieboes. 
mënëbok, doorslaan, zie iMo^. 
ixiënebok. zie tebo^. 
znënëdohi, beschutten, zie iédoh. 
mënësahkan, verhinderen, zie tegah. 
xnënësoehkan, stevigen, zie tegoek, 
mënëgakkan, oprichten, zie tïgai^. 
mënëgor, toespreken, zie ügor. 
mënëkan, neerdrukken, zie tekan. 
mënëkap, zie tekap. 
inënëkat, bestikken, zie tekat, 
mënëlan, inslikken, zie telan. 
xnënëxnani» als kameraad helpen, zie 

teman. 
xxiënembak, schieten, zie tembajp. 
mënembok, zie temhojp. 
mënëoapa, smeden, zie fêmpa. 
mënëxnpah, bespreken, vast aannemen, 

zie Umpah, 
mënëinpap» zie tlèmpap, 
xnëneixipely aankleven, zie tempel, 
mënëmpëlak, bestraffen, zie UmpMoi;. 
mënëmpëras, zie temper as. 
xnënëoipoeb, een aanval doen op, zie 

i^mpoeh. 
mëneaipong:» zie tempong, 
mênondang:, schoppen, zie féndang, 
mënëndas, onthoofden, zie tendas. 
mënëneadab, opzien, zie t^èngadah. 
xnënënsah, halveeren, zie t^ngah. 
xnënënear, hooren, zie dengar. 
mënënesara, zie tlènggara, 
mënënssat, stuiten, zie tenggat. 
inënëngisëlatnkaii, doen zinken, zie 

tlènggUam» 
xnënengkel, keutels vormen, zie tengkel. 
xnënënoen, weven, zie tenoen. 
mënënoens, fixeeren, zie ténoeng, 
xnënëntang, zich vlak voor iets be- 
vinden, zie tentang. 
mcnëntoekan, bepalen, vaststellen, 

zie ilèntoe. 
mënëpam» zie fépam. 
mënëpa*, bedekken, zie tepas. 



mënëpat, er recht op afgaan, zie t^èpat, 
niënëpi, opzij gaan, zie iepi. 
mënëpis, afslaan, zie tepis. 
nnënëpoeng:, meel maken, zie tepoeng. 
mënëpok, kloppen, zie tepo^. 
mënëra, drukken, zie tera. 
mënëraboengy opstuiven, zie ieraboeng. 
mënëradjang:, schoppen, zie teradjang. 
raënëral, aanzetten, zie ter al. 
mënëran, persen, drukken, zie th'an. 
mënërangkan, verlichten, zie tlérang. 
mënërap, beleggen, zie terap. 
tnënërbangkan, wegvliegen met, zie 

terbang. 
xnënërbitkaiiy doen opkomen, zie t^rbit. 
xnënërejak, schreeuwen, zie tereja^. 
mënërima, aannemen, zie ierima. 
m emeriti, zie iiti. 
mënërka, raden, zie ierka. 
mënërkam, overvallen, aanvallen, zie 

th'kam. 
mënërkap, zie t^rkap. 
ménëroesi, doordringen, zie teroes. 
xnënërpa, aanvallen, zie terpa. 
mënëtak, hakken, houwen, zie tUa]p. 
oiënëtapi» bevestigen, zie tUap. 
iiiënëtas, doorbreken, zie tMas. 
mêngabali, een richting geven, zie abah, 
mënsabar, belemmeren, zie abar, 
mënsabir, naar zich toe scheppen, zie 

kabir. 
mëngaboer, verkwisten, zie aboer, 
mëngaboerkan, verdonkeren, zie 

kaboer. 
raën^^achir, achteraan komen, zie achir. 
niëngachirkan, achteraan stellen, zie 

achir. 
ixiënsada, zie ada. 
ixiëng^adakan, doen zijn, zie ada. 
niënsadang:» belagen, zie adang. 
xnëneadjak, aansporen, zie adja^, 
ixiëngadjar, leeren, onderwijzen, zie 

adjar» 
mëngadji, lezen leeren, zie adji I. 
tnënsacyikan, zie adji II. 
mënsadjok, nabootsen, zie adjofp. 
xnëncadoe, klagen; laten vechten van 

dieren, zie adoe» 
Yn.ënsst'^loodoeki, bewonen, zie doe- 

doelp. 
mëngadoeh, klagen, zie adoeh. 
mënsadon, kneden, zie ad(ni. 
mënsafani, in een doodkleed wikke- 
len, zie kafan, 
xnënsafsah, sterk aankijken, zie agah, 
inëngaeak, gissen, zie aga}p. 



menfiiali — • m^nganting. 



meneah, hijgen, zie 'éngah. 
mënsaïl, hengelen, zie kdil. 
tiiênfi;aïs, met de pooten krahbei, zie 

kais. 
naëxisaït, vasthaken, zie kdit, 
iriëng;ajak, zeeven, zie ajaJe. 
luënsajakaxi, rijk maken, zie kaja. 
tnëtis^ajariy bewateren, zie ajar. 
xnêngajau, koppen snellen, zie kajau. 
mênsajoehkan, pagaaien, zie kajoeh. 
znëngajoemy met slecht volk heulen, 

zie ajoem. 
mëngajoen, schommelen, zie ajoen. 
mêngahak, kakelen, zie kakaf^ II. 
fnêngrakan, streven, zie akan. 
mëngakas, dwingen, zie kakas, 
tnëngakoe, bekennen, belijden, borg- 
spreken, zie akoe, 
xnënisalahkany ten onder brengen, zie 

alah, 
xnëngalap, zie alap I en II. 
xnënjcalar» zie alar. 
rn.exxs.B\B.Hf grondleggen, zie alas. 
mënsalan, wegjagen, zie alau, 
mëngrali, zie ali I en II. 
mënsa'Hh, verhuizen, zie alih. 
xnëngalikan, zie ali I. 
mënsalin» zie alin, 
mêngalir, vloeien, zie alir. 
mënealit, omlijsten, zie alit, 
mënealoen, deinen, zie aloen, 
mëns:aloenfi:kan,een halsband iemand 

omdoen, zie kaloeng, 
mënsalpakan, verwaarloozen, zie alpa, 
mënisaixidnkan, toevertrouwen, zie 

amdn, 
mêngamang:, dreigen, zie amang, 
njëtifi:amatoamati, sterk aanzien, zie 

amat, 
iiiêxieambai, zie ambai I. 
mënfiraiiibaii, vastsjorren, zie kamban, 
mënsAnibaiie, zie amhang I. 
mëneaixibat, zie hatnbat. 
mënsatnbil, nemen, zie ambil. 
naëneatnbiiiy op den rug dragen, zie 

ambin. 
mênsainboelytei ugspringen, zie amboel, 
mëngainboesy zie Kémboes. 
mënsamoky woedend moorden, zie 

auoje, 
ncLensampoe, ondersteunen, zie ampoe. 
xnëneampoel, aanzwellen, zie ampocl, 
nüënsatnpoexigkazi, verzamelen, zie 

kampoeng, 
ixiëng;ampoeni, vergiffenis schenken, 

iem. iets vergeven, zie ampoen. 



tnëngampofa, verbinden, zie kampoh. 
xnënsandak, reven, zie andaJf, 
naëngandam, schikken, zie andam, 
mëngrandang:, omlijsten, zie kandang. 
mëngandaraï, berijden, zie kandara, 
tnêngandjak, overplanten, zie andja^. 
mêngandjal, terugspringen, zie andjal. 
mëngandjocng, ophouden, in de 

hoogte houden, zie andjoeng. 
mëngandjoer, voornitsteken, zie 

andjoer, 
mêngrandoeh, zwevend dragen, zie 

andoek, 
mëngandoek, in een band dragen, zie 

andoeJp. 
xnërLjgandoely zie kandoel. 
mëngandoeng, bevatten, zwanger 

gaan, zie kandoeng, 
mënganicgalkaii, verlichten, lichter 

maken, zie anggal. 
znëngang^gap, een buiging maken, zie 

anggap. 
mëng^anggity aaneenrijgen, zie anggit, 
mënganggoens* oplichten, zie ang- 

goeng. 
mëngangrgoer, stekken, zie anggoer 

l—III. 
ixicng^aiigfgok, knikken, zie anggojp. 
iiiëng:anggol, den kop opheffen, zie 

anggol. 
xnënsaneinkan, aan den wind bloot- 
stellen, luchten, zie angin, 
xnënsangkang;, wijdbeens gaan, zie 

kangkang. 
ixiëngangkat, optillen, zie angkai. 
xnëngangkit, afnemen, zie angkit, 
raênsctngkoep, open en dicht nijpen, 

zie angkoep. 
mënsang^koet, transporteeren, zie 

angkoet» 
mëngangoet, suffen, zie angoet, 
xnëngangsoer» in mindering betalen, 

zie angsaer. 
mëngani, den ketting scheren, zie 

ani. 
mëngaxiijajakan» verdrukken, zie 

anijaja. 
ixiënganjam, vlechten, zie anjam» 
mënsanoeeërahakan, schenken, zie 

anoeg^raha. 
xnêniirantaray als bemiddelaar optre- 
den, zie antara, 
mênganteh, Jav. spinnen van garen, 

zie anteh, 
znênieaiitingy slingerend hangen, zie 

anting. 



mêneantjing; -— mëngéixibalifaaii. 



^53 



znënaranfjing:, grendelen, vastknoopen, 

zie kantjing. 
mënganijoek, paren, zie antjoe^. 
mênsantoek, slaperig zijn, zie antoe^^. 
mëngantoel, terugspringen, zie antoel. 
mëngaoeei, metalen zuiveren, zie aoes, 
mêngaoet, bijeenschrapen, zie kaoet. 
mêiijsap, Jav. den mond open doen, 

gapen. 
xnêngfapa, waarom? zie a'pa. 
mëngapak, duf worden, zie apaJp. 
mênieapak, met een bijl hakken, zie 



mëngrapakan, wat met iets of iem. 

doen, zie a/pa. 
mêngapalakan, aanvoeren, zie kapala. 
mënsrapikan, aanvuren, zie api. 
mënsapikkan, van belang achten, zie 

xnënsapit, persen, knellen, zie apit. 
mëngapoeng;, zie apoeng. 
mëngapoerkan, kalken, zie kapoer. 
xnêngapoeskan, wegvagen, zie apoes, 
mëngarak, in optocht rondvoeren, zie 

xnënjgaraixi, in het oog honden, zie 

aram.. 
tnëngarainkan, verdelgen, zie karam. 
mënsarang:, opstellen, zie karang. 
xnëngarawan, zie merawan. 
mênsB'Voeiig, doorwaden, zie aroeng, 
mëngaroeniakan, schenken, zie ka- 

roenija. 
mënsaroet, wartaal spreken, zie karoet, 
mëngaron, er doorheen roeren, zie aron. 
mëngaHab, slijpen, zie asah. 
xnëng^asaky aanstampen, zie asa^. 
mënjsasakan, afzonderen, zie asa, 
xnëngasap, rook maken, zie asap. 
mënsrasihi, beminnen, zie kasih, 
mëngasingkan, afzonderen, zie asing, 
mëngasoeh, verzorgen, zie asoeh, 
mëng^atakan, zeggen, zeggende, zie 

kata. 
naënsatas, zich verheffen, zie atas. 
ixiëngatinsi, overal heen sleepen, zie 

kating. 
mëngatjah, in schijn doen, zie atjah, 
mënfiratjak, opzij schoppen, zie katjalp, 
tnënisalijau» dooreen roeren, zie katjau. 
mëngaljoe, dreigen, zie atjoe. 
mêngatjoeixi, opstoken, zie atjoem, 
ixiënsatoeng, fladderen, dobberen, zie 

atoeng. 
xnënisatoepkaii, sluiten, dichtdoen, 
. zie kaioep. 



nnëngatoer, regelen, ordenen, zie atoer. 
mëngawan, naar de wolken gaan, zie 

awan. 
mëngawali, bewaken, zie kawal. 
mënga^vinkan, doen trouwen, zie 

kawin. 
mëngëbas, uitschudden, zie k'èbaê, 
mëngëboer, troebel maken, zie kMoer. 
mëngëdangkan, uitstrekken, zie 

k^dang. 
mënoêdaii, om hulp schreeuwen, zie 

kedau, 
mëngëdjaixikaii, sluiten v. de oogen, 

zie kec^am. 
ixiëngëdjar, najagen, zie kedjar. 
mënsêdjikan, verguizen, zie kedji. 
mëngëdjoetkan, verschrikken, zie 

k'^djoet. 
mënisegah, breedbeens loopen, zie egah. 
znëngeb, opgezet van den buik, zoo- 
dat de ademhaling belemmerd is; zie 

engeh. 
mëngëkab, uit elkander doen, zie kekah. 
inëngëkalkan, bestendigen, zie kt kal. 
xnëng^ëkangkan, klemmen, zie kekang. 
m enge kol, omkoopen, zie kekol, 
mëngëladau, hoeden, zie keladau. 
mêngelak, uitwijken, zie elajp. 
mëngëlamy zie kelam I. 
niënjgêlanit, weggooien, zie kelanii. 
iiiëns:ëlantar, wuiven, wuivend naar 

voren brengen. S, Dz. zie hantar. 
mëngëlar, kerven, zie kelar. 
mëngêlas, schroeien, zie klèlas. 
zxiëns:ëlebetkan, naar binnen slaan, 

zie kUebet. 
xnëngëleb, zijwaarts kijken, zie keleh. 
xnëngëlek, uitwijken, zie kelejp. 
xnëngelek, op de heup dragen, zie 

kelek, 
mëngëleloetkan, den tong uitsteken, 

zie kUeloet. 
mëngëlih, even omkijken, zie Mih. 
mënsiëlilinei» omringen, zie k^liling. 
Tnëngëlis, met de oogen knippen, zie 

k^lis I en II. 
xnënsëloe-ëloekan» inhalen, zie èloe. 
mëngêloeboengi, omhullen, zie kèloe- 

boeng. 
mëugeloen, overreden, zie eloen. 
mëngëloeng;!, omsingelen, zi^kUoeng. 
mëneëlob, zuchten, zie klêloh. 
mêngêxnaxii, mommelen, zie klèmam. 
I niënsëniaAi, vergulden, zie lèmas. 

mënsëmbalikan, doen teragkeeren, 
i teruggeven, zie khnbali. 



264 



xnenisëmbanskan — • meneicU^bkan. 



m^nsëmbaiiskaii, openen, zie klem- 

bang. 
mëagcëxnbari, iem. staan, zie kembar. 
raëngëmbat, zwiepend slaan, 2ie embat. 
mëngëmbek, blaten, zie lèmbeje. 
mëngeEnbens, met een dansmeid dan- 
sen, zie embeng, 
mënsëmboenkan, laten bedauwen, 

zie lémboen. 
mëngëmboes, wegblazen, zie hemboes. 
ni enge moei, indringen, zie emoeL 
mëngëmoet, omsluiten, zie kemoet, 
mënsêmpang, versperren, zie empang. 
m enge m pap, treffen, zie empap I en II. 
mëngëmpat, de vierde uitmaken, zie 

empat. 
mëngëmpik, onstuimig verlangen, zie 

empi^, 
mëngëmpoel, niet vooruit komen, zie 

^mpoel. 
mëngënakan, doen raken of passen, 

aandoen, zie kena. 
mëngënal, kennen, zie kenal. 
xnëngendahkan, op prijs stellen, zie 

endah. 
mêneëndal, instoppen, zie endal. 
mëngêndalakan, een beletsel in den 

weg leggen, zie klèndala. 
mëngëndap, bakken, bezinken, zie 

lèndap. 
mënsëndas, onthoofden, zie léndas. 
mëngëndjal, induwen, zie endjal, 
znëngëndjoet, aan iets rukken, zie 

}èndjoei, 
mëneëndoengf ziek beklagen, zie 

^doeng. 
mënfiëngab, bijgen, zie ^ngah, 
mënsëngeh, zie léngeh en lêngah. 
znëngëngsankan, weigeren, zie 

htggan II, 
mëngenskënis, een been oplichten, 

zie kengkeng, 
mëneengsoet, langzaam voorschui- 

ven, zie engsoet, 
mëncrënjoet, zuigen, zie klènjoei. 
mëngënxvjak, ineenpersen, zie ennja^. 
mëngënnjangkan, verzadigen, zie 

khtujang, 
mëngëntak, stooten, stampen, zie 

mëngëntjans, vertrappen, zie lèntjang. 
naêngëntjat, zie kïntjat, 
xnëngëntJiniiEi, bepissen, zie hhttjing. 
mëngëpak, klapwieken, zie klèpa^. 
naëngëpilkan, meren, aan iets vast- 
leggen, zie klèpil. 



mëngëpit, onder den arm dragen, zie 

kepit. 
mëngëpoekkan, deuken, zie kïpoe^. 
mëngëpoel, zie kepoel. 
mëugëpoeng:, omsingelen, zie kepoeng, 
menger abit, uitscheuren, zie kerabit, 
mëngërahkan, bijeenroepen, zie kerah» 
mëngerak, scheiden, zie era^, 
mêngêraskan, geweld gebruiken, zie 



mën gerat, afsnijden, zie kerat. 
mëngêrdljakan, verrichten, zie ktrdja, 
mëngërëbat, knevelen, zie klêrebat. 
mëngërëkab, kraken, knauwen, zie 

kerekah. 
mëngërënai, fijnsnijden, zie kerenai. 
mëngërepes, rondzoeken, zie kerepes. 
mëngeret, sleepen, zie eret. 
mëngëringi, droogleggen, zie kering. 
mëngërling, van terzijde aanzien, zie 

kièrling. 
mëngërobek, afscheuren, zie k^robelf. 
mëngëroeboengi, in menigte iets 

omringen, zie klèroeboeng. 
mëngëroet, fronsen, zie keroet. 
mëngërti, begrijpen, zie erti. 
mëngërtikan, uitleggen, zie erti. 
mëngësab, stenen, kermen, zie k^sah. 
mëngêsak, opschuiven, zie kesa^.